8

‘Geloof me nou, er is ingebroken in mijn magazijn,’ zei Stefanía, gepikeerd, met haar handen op haar heupen. Ze probeerde zich niet te ergeren aan Vigdís’ boosaardige gegrinnik achter de balie. Ze had al genoeg aan haar hoofd. Iemand had het slot geforceerd van de kleine voorraadruimte waar zij haar handel bewaarde en het feit dat er niets weg was deed niets af aan de ernst van de zaak.

Stefanía was er allang aan gewend dat zij bij andere vrouwen op weinig begrip kon rekenen. Ze wist niet of het aan het feit lag dat ze er zo goed uitzag of aan haar werkterrein, sekstherapie. Ze had vaak het gevoel dat andere vrouwen dachten dat zij deze studierichting alleen maar had gekozen om getrouwde mannen aan de haak te slaan, wat natuurlijk absurd was. Zij kon er ook niets aan doen dat ze af en toe probeerden haar te versieren.

Ze keek boos. ‘Dit is niet grappig. Het slot is geforceerd. Kijk zelf maar als je me niet gelooft.’

Vigdís trok een wenkbrauw op. ‘Het is nergens voor nodig om je zo druk te maken. Waarom zou je zo moeilijk doen over een inbraak waarbij niets is gestolen?’ Ze richtte haar aandacht weer op haar computer. Ze haatte Stefanía met haar onzinnige ‘sekstherapie’. Dat mens dacht dat de hele wereld alleen maar om haar draaide en dit hele inbraakgedoe was waarschijnlijk alleen maar een manier om aandacht te trekken. Ditmaal ging haar dit naar alle waarschijnlijkheid niet lukken, aangezien ze moest wedijveren met de vondst van een lijk. Vigdís keek met een boze blik op van haar computerscherm. ‘Bovendien snap ik niet wat je verwacht dat ik eraan ga doen.’

Wat Stefanía dat kreng van een Vigdís het liefst wilde zien doen was zich in het water van een piranhakwekerij werpen, maar dat besloot ze voor zich te houden. ‘Doen? Geen idee. Moeten we Jónas op z’n minst niet laten weten dat er iemand heeft ingebroken in een afgesloten magazijn? Stel je voor dat het een junk was die op zoek was naar spul. Dan komt hij misschien nog wel een keer terug.’

‘Spul?’ lachte Vigdís. ‘Wie zou daar nu naar op zoek gaan in dat kleine kastje van jou? Dit is nota bene een hotel dat is gespecialiseerd in homeopathie en spiritueel welzijn. Je zou ver moeten zoeken om op Snaefellsnes een plek te vinden waar je nóg minder kans hebt om drugs aan te treffen.’

Stefanía slaakte een diepe zucht. ‘Sorry, hoor, maar ik denk niet dat verstokte drugsgebruikers erg goed op de hoogte zijn van hotelspecialismen. Bovendien kan het wel een van de gasten zijn geweest. Of iemand van het personeel,’ voegde ze er met een vals glimlachje aan toe.

Vigdís keek haar woedend aan. ‘Iemand van het personeel? Ben je gek geworden?’

‘Ik zeg het maar. Als het geen junk was, was het waarschijnlijk een doodgewoon iemand. Misschien wel iemand die heel graag iets wil hebben wat ik verkoop, maar te verlegen is om er op een normale manier over te beginnen. Wie weet?’ Stefanía zette gemaakt onschuldige grote ogen op.

Vigdís was vastbesloten zich niet te laten verleiden tot een discussie over stimulerende smeerseltjes en sekshulpmiddelen. Stefanía wist dat ze het een ongemakkelijk onderwerp vond en Vigdís gunde haar niet het plezier haar te zien blozen. ‘Waarom is er dan niets gestolen?’

Stefanía aarzelde. ‘Ja, dat weet ik ook niet. Ik heb niet elke doos en elk voorwerp gecontroleerd. Het is natuurlijk altijd mogelijk dat ze iets hebben meegenomen.’ Verder kwam ze niet met haar speculaties.

‘Er is hier op dit moment te veel gaande om ons druk te kunnen maken om een inbraak waarbij “mogelijk” iets is gestolen.’ Vigdís vormde sarcastische aanhalingstekens met haar vingers.

‘O?’ zei Stefanía, nieuwsgierig. ‘Wat is er dan gebeurd?’ Ze kon het niet uitstaan dat er altijd dingen gebeurden wanneer zij er niet was. Zij woonde in het nabijgelegen dorpje Hellnar en ’s avonds ging zij altijd naar huis, en ook in de weekends werkte ze bijna nooit. Misschien was dat wel een reden waarom ze niet kon opschieten met de andere werknemers, van wie de meesten in de kleine vakantiehuisjes verbleven die Jónas naast het hotel had laten bouwen.

‘Er is een lijk gevonden op het strand. In de inham, vlak bij de grot.’ Vigdís liet even een dramatische stilte vallen en vervolgde toen: ‘Ze denken dat het Birna is, de architect.’ Ze zweeg opnieuw even. ‘Ze is waarschijnlijk vermoord.’ Ze glom van voldoening toen Stefanía wit wegtrok en naar haar borst greep.

‘Verzin je dit nu ter plekke?’ bracht Stefanía haperend uit.

‘Nee, absoluut niet. Dood, waarschijnlijk vermoord.’ Vigdís keek weer op haar computer en begon over iets heel anders, alleen maar om haar collega te ergeren. ‘Heb jij toevallig een lege doos voor die advocaat? Ze heeft er een nodig om wat spullen in te doen.’

‘Wat? O, jawel, hoor,’ zei Stefanía afwezig. Wat was er in vredesnaam gebeurd? Ze dacht aan de adviezen die ze de arme vrouw onlangs nog had gegeven. Hadden die tot haar dood geleid? Totaal verbouwereerd mompelde Stefanía iets ten afscheid en wilde weglopen, maar er was nog één ding dat ze moest weten. Ze draaide zich weer om. ‘Had het iets met seks te maken? Weet je of ze is verkracht?’

‘Ja, ik geloof van wel,’ antwoordde Vigdís, hoewel ze daar in feite geen flauw benul van had. Iets zei haar dat dit antwoord een reactie zou uitlokken.

Stefanía draaide zich om en liep met een kleur als vuur naar haar kantoor. Dit kon ze er ook nog wel bij hebben.

Thóra zette de zware kartonnen doos op het pas opgemaakte bed in haar hotelkamer. Ze trok een grimas naar de etiketten op de zijkant. Toen ze de doos had opgehaald, had ze eerst gedacht dat het een grap was, een stunt met een verborgen camera of zo. Op de doos stond aan alle kanten met grote zwarte letters, in het Engels: vibrerende dildo. 100 % rubber. nieuw – met aloë vera! Speciaal voor klanten die de Engelse taal minder goed beheersten was voor een getekende afbeelding van de inhoud gezorgd. Thóra had gebloosd tot aan haar haarwortels toen ze de doos aan de balie had aangepakt van Vigdís, die had gezegd: ‘Dit leek me net iets minder erg dan de doos van de kunstvagina’s.’ Met een lief glimlachje had ze eraan toegevoegd: ‘De sekstherapeute was de enige die dozen overhad. Sorry.’

Thóra was bijna de hele ochtend bezig geweest met het bekijken van de resterende spullen in de kelder en alles te verzamelen wat haar interesseerde. Ze had alleen belangstelling voor oude documenten, brieven en foto’s en liet de rest: bekers, klokken, kaarsenstandaards en andere siervoorwerpen, liggen. Papieren die duidelijk onbelangrijk waren legde ze terug in de oude kisten, maar alle foto’s nam ze mee, ongeacht wat erop stond, omdat ze niet wist wat ze erop zou aantreffen wanneer ze die met beter licht kon bekijken.

Het waren er niet veel, maar met name één foto wekte haar belangstelling – hij zat in een prachtig oud lijstje en er stond een tienermeisje op dat Thóra met vrij grote zekerheid herkende als Gudný Bjarnadóttir van de oude boerderij. Het meisje zat op een heuveltje, met haar benen onder zich getrokken en ze glimlachte lief naar de fotograaf. Ze droeg een laag uitgesneden witte blouse met een grote strik aan de voorkant. De blouse benadrukte op de een of andere manier dat dit een jong meisje was en geen vrouw, maar Thóra wist bijna zeker dat het meisje het tegenovergestelde effect had willen bereiken. Ze zette de foto op haar nachtkastje. Het viel niet mee het lijstje rechtop te laten staan, want de standaard was beschadigd. Thóra bleef een hele tijd naar de foto zitten kijken en hoopte vurig dat Sóldís’ verhaal over incest op de boerderij een verzinsel was. Zo niet, dan keek ze nu vrijwel zeker naar het slachtoffer.

Thóra’s maag rammelde. Een blik op de klok vertelde haar dat het al lang twaalf uur was geweest. Ze belde de receptie en kreeg te horen dat de keuken tot halftwee open was. Ze moest dus snel zijn. Ze waste haastig haar handen en kamde de klitten uit haar haren. Na haar verblijf in de kelder zag ze er niet bepaald op haar paasbest uit, maar ze was niet van plan zich er door een paar vuile kleren van te laten weerhouden naar de eetzaal te gaan voordat die dichtging. Ze kon altijd vanavond nog tot in de puntjes gekleed komen opdraven om haar slordige uiterlijk van vanmiddag een beetje goed te maken.

Toen Thóra binnenkwam zat er maar één andere gast in de eetzaal. Het was de oudere heer die ze aan het ontbijt voor een accountant of een advocaat had aangezien. Hij keek niet op en maakte geen aanstalten haar te begroeten, maar staarde alleen maar somber uit het raam, zich onbewust van het feit dat het aantal eters zojuist was verdubbeld. Waar had zij hem eerder gezien? Thóra ging een heel eind bij hem vandaan zitten.

Ze zat nog maar net toen een jongeman met een professionele glimlach naar haar toe kwam en haar de menukaart overhandigde. Na hem te hebben bedankt, bestelde Thóra om te beginnen een glas mineraalwater. Terwijl de ober dit ging halen, las zij het lunchmenu en koos voor een omelet met een salade. Volgens de beschrijving zaten er paardenbloemen en zuring in de sla en ze koos hem dan ook voornamelijk uit nieuwsgierigheid. Op hetzelfde moment dat ze haar menukaart neerlegde verscheen de ober met haar drankje en toen ze hem haar bestelling doorgaf complimenteerde hij haar met haar keuze. Thóra vermoedde dat hij hetzelfde zou hebben gezegd als zij rauw varkensvlees had besteld, als dat op de kaart had gestaan. Hij wekte niet echt de indruk oprecht geïnteresseerd te zijn.

‘Is er al nieuws over het lichaam dat is gevonden?’ vroeg ze terwijl hij het water in haar glas schonk.

Geschrokken van haar vraag, morste hij een beetje water op het tafelkleed. ‘O, neem me niet kwalijk,’ zei hij en hij pakte een linnen servet van het tafeltje naast het hare.

‘Geeft niets,’ zei Thóra glimlachend. ‘Het is maar water.’ Ze wachtte tot hij het tafelkleed had drooggedept. ‘Maar is er nog nieuws?’

De ober wrong de natte servet tussen zijn handen en leek slecht op zijn gemak. ‘Eh, het is allemaal een beetje pijnlijk. Ik weet eigenlijk niet wat ik nu wel en niet mag zeggen. De eigenaar houdt straks een bijeenkomst voor ons om te vertellen wat wij tegen de gasten moeten zeggen. We willen geen geruchten in omloop brengen die voor onrust kunnen zorgen. De mensen komen hier voor hun rust.’

‘Ik ben geen gewone gast. Je kunt mij alles vertellen. Ik werk voor Jónas. Ik ben zijn advocaat, dus ik vraag het niet uit nieuwsgierigheid.’

De ober keek bedenkelijk. ‘O, ik begrijp het.’ Maar kennelijk begreep hij er niets van, want hij zei verder niets.

‘Dus je kunt me er niets over vertellen? Is het slachtoffer al officieel geïdentificeerd?’

‘Nee, dat niet. Iedereen is het erover eens dat het Birna moet zijn, de architect.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Maar voor hetzelfde geld blijkt het straks heel iemand anders te zijn.’

‘Kende jij haar?’ vroeg Thóra.

‘Een beetje,’ antwoordde de ober. Thóra vond het lastig om iets van zijn gezicht te lezen. ‘Ze was hier veel, dus dan heb je onwillekeurig met elkaar te maken.’

‘Je klinkt niet alsof je een hoge pet van haar ophad.’ Thóra nam een slokje van haar mineraalwater en voelde hoe het kelderstof in haar keel wegspoelde.

De ober had duidelijk genoeg van het gesprek. ‘Ik zal uw bestelling aan de keuken doorgeven. De kok vindt het niet prettig als hij tot na halftwee moet blijven.’ Toen glimlachte hij. ‘Om u de waarheid te zeggen, ik kon haar niet uitstaan. Het was een ontzettend rotwijf en daar verandert het feit dat ze dood is helemaal niets aan. Het blijft een rotwijf.’ Hij liep weg.

Thóra keek hem na tot hij met haar bestelling in de keuken was verdwenen. Dus niet iedereen was het met Jónas eens dat Birna zo aardig was. Als het werkelijk om Birna ging.

Na de lunch ging Thóra terug naar haar kamer. Ze was er niet in geslaagd nog meer informatie uit de ober los te krijgen, behalve dan het feit dat hij Jökull heette. Op het laatst had ze helemaal alleen in de eetzaal gezeten, want kort nadat de ober haar bestelling in de keuken was gaan doorgeven, was de bejaarde man opgestaan en zonder haar een blik waardig te keuren weggegaan. Toen Thóra hem langs zag lopen, had haar opnieuw het gevoel bekropen dat zijn gezicht iets bekends had, maar ze kon hem niet thuisbrengen. Hij kon iedereen wel zijn, een buschauffeur uit haar kindertijd bijvoorbeeld, maar ze had nog steeds het idee dat ze zou moeten weten wie hij was.

Thóra keek naar de afschuwelijke doos en zuchtte. Als ze nou verstandig was, zou ze nu meteen de inhoud moeten bekijken, of nog eens een blik werpen in Birna’s agenda, maar de gedachte aan een snelle douche was te verleidelijk. Ze kon het stof uit de kelder afspoelen of even gaan liggen. Middagdutjes waren een luxe die zij zich maar zelden kon veroorloven; thuis waren er altijd wel klusjes te doen en bovendien was haar eigen bed bij lange na niet zo verleidelijk, zacht, schoon of smaakvol. Ze trakteerde zichzelf dus op allebei.

Thóra schrok wakker. Ze had de wekker gezet om haar na een uur wakker te maken, maar hij was niet afgegaan. Ze keek verward om zich heen, en toen er op de deur werd geklopt, besefte ze pas waar ze was. Ze reikte naar de badjas die ze na het douchen even had aangetrokken en riep hees: ‘Wie is daar?’ Er kwam geen antwoord en er werd nogmaals geklopt. Ze trok snel de badjas aan, rende naar de deur en opende hem net ver genoeg om haar hoofd om het hoekje te steken. ‘Hallo?’

‘Ook goedendag,’ zei Matthew. ‘Was je nog van plan me binnen te laten?’

Thóra verwenste haar afwezige make-up en vochtige haar, waar ze mee had geslapen. Ze haalde haar hand er doorheen, in een vergeefse poging haar wilde haardos te fatsoeneren. ‘Eh, hallo. Je hebt me dus gevonden.’

Matthew kwam grijnzend binnen. ‘Natuurlijk. Zo ingewikkeld was dat niet.’ Hij keek om zich heen. ‘Mooie kamer.’ Toen bleef zijn blik rusten op de doos van de sekstherapeute.

Thóra had er niet aan gedacht hem uit het zicht te schuiven. Ze glimlachte ongemakkelijk.

‘Zo te zien ben ik net op tijd,’ zei hij.