33

Matthias keek naar Þóra en schudde zijn hoofd. Ze stonden bij de ingang van Árnagarður. ‘Je hebt je weer lekker populair gemaakt.’

‘Heb je die dasspeld niet gezien?’ vroeg Þóra snel. ‘Dat was een zwaard. De speld bestond uit een zilveren plaatje met daarop een zilveren zwaard dat dwars op de das lag. Heb je dat niet gezien?’

‘Jawel. Nou, en?’ vroeg Matthias.

‘Kun je je de foto van de hals van Harald niet herinneren? Die ene blauwe plek die op een dolk of een kruis leek?’ Wat had de arts gezegd? Het lijkt nog het meest op een kleine dolk; toch is er nog iets meer, want de huid is opengescheurd aan de buitenste rand van dit ding: een beetje te ver naar buiten om door die dolk, of wat het dan ook was, te zijn veroorzaakt.

‘Jawel,’ antwoordde Matthias. ‘Ik begrijp waar je heen wilt, maar ik ben er niet zeker van dat dit hetzelfde voorwerp is. Die foto’s waren nou ook weer niet zo duidelijk, Þóra.’ Hij zuchtte. ‘De man is geschiedkundige. Het Vikingenzwaard op zijn dasspeld heeft duidelijk gewoon te maken met zijn belangrijkste onderwerp van onderzoek: de tijd van de kolonisatie van IJsland. Ik zou er niet te veel belang aan hechten. Ik vond die blauwe plek meer op een kruis lijken.’ Hij glimlachte. ‘Misschien is Harald door een gestoorde priester vermoord.’

Þóra aarzelde. Ze pakte haar telefoon. ‘Ik wil met die Bríet praten. Er is iets heel raars aan de hand hier.’

Matthias schudde zijn hoofd, maar Þóra trok zich daar niets van aan. Bríet nam aan, nadat de telefoon vier keer was overgegaan; ze klonk bijzonder chagrijnig. Toen Þóra haar vertelde van de aanhouding van Halldór, kalmeerde het meisje een beetje en sprak een kwartiertje later met hen af in The Deli bij de universiteitsboekhandel. Matthias sputterde nog een beetje tegen, maar toen Þóra zei dat hij daar iets te eten kon kopen, liet hij zich overhalen. Hij was net een pizza naar binnen aan het schrokken, toen Bríet opdook.

‘Wat heeft Halldór tegen de politie gezegd?’ vroeg ze met een bevende stem, terwijl ze aan tafel ging zitten.

‘Niets,’ antwoordde Þóra. ‘Vooralsnog. Hij heeft me echter een en ander verteld over die nacht en jullie aandeel in het gebeuren. Ik zou niet erg verbaasd zijn als hij er binnenkort meer mensen over zou vertellen. Hij denkt dat jij Harald vermoord hebt.’

Alle kleur verdween uit Bríets gezicht. ‘Ik?’ vroeg ze verbaasd. ‘Ik heb hem niet vermoord.’

‘Hij zegt dat jij die nacht van de groep weggegaan bent en dat jij je vreemd gedroeg toen jullie bij het lijk kwamen: dat je niet jezelf was.’

Bríet sperde haar mond wijd open en zat zo een tijdje met open mond voordat ze begon te praten. ‘Ik ben twintig minuten weg geweest, hoogstens. En ik kreeg een ontzettende shock toen we het lijk vonden. Ik kon niet eens denken. Laat staan praten.’

‘Waar was je heen gegaan?’ vroeg Matthias.

Bríet glimlachte dubbelzinnig naar hem. ‘Ik? Ik zat op de wc met een oude vriend van me. Dat kan hij bevestigen.’

‘Twintig minuten lang?’ vroeg Matthias weifelend.

‘Ja. Nou, en? Wil je weten wat we daar deden?’

‘Nee,’ onderbrak Þóra haar. ‘Dat kunnen we wel raden.’

‘Waarom moeten jullie mij eigenlijk hebben? Ik heb Harald niet vermoord. Ik stond alleen maar naast Halldór, toen hij het lijk bewerkte. Alleen Andri zit diep in de problemen als Halldór hiervan vertelt. Hij heeft Halldór geholpen. Ik heb Harald niet aangeraakt.’ Bríet probeerde zichzelf moed in te spreken, maar dat lukte niet al te best.

‘Ik wilde je een paar vragen stellen over die opdracht die je samen met Harald deed, over de bisschop Brynjólfur en de verdwenen brief,’ antwoordde Þóra. ‘Halldór zei dat Harald en jij een beetje ruzie hierover hadden gekregen. Klopt dat?’

Bríet keek Þóra niet-begrijpend aan. ‘Die onzin? Wat heeft dat met deze zaak te maken?’

‘Ik weet het niet; daarom vraag ik het je,’ antwoordde Þóra.

‘Harald was volkomen hopeloos,’ zei Bríet kortaf. ‘Ik had Gunnar in mijn greep. Hij beefde als een rietje, toen ik bij hem langskwam en zei dat ik wist dat hij een brief uit het Nationale Archief gestolen had. Hij heeft het zeker weten gedaan; het maakt niet uit wat iedereen verder zegt.’

‘Hoezo was Harald hopeloos?’ vroeg Matthias.

‘Eerst vond hij het gewoon grappig en moedigde me aan om hem onder vuur te nemen. We gingen zelfs stiekem zijn werkkamer binnen om ernaar te zoeken, nadat die kerel me eruit had gegooid. Het was allemaal heel raar. Toen we daarbinnen waren, veranderde Harald plotseling van mening. Hij vond een of ander oud artikel over de eerste monniken en hij sprong een enorm gat in de lucht.’

‘Hoe dan?’ vroeg Þóra.

Bríet haalde haar schouders op. ‘Het was een of ander artikel van Gunnar dat in een kast lag. Harald vond het en liet mij vertellen wat er onder de afbeeldingen stond. Hij was ontzettend enthousiast over twee ervan: op de ene stond een kruis en op de andere een of ander stom gat. Daarna wilde hij ook alles weten over een andere tekening. Ik kreeg bijna een zenuwinzinking van de stress, omdat ik zo bang was dat Gunnar zou komen. Ik had geen zin om voor Harald te gaan vertalen. Uiteindelijk stopte hij het artikel in zijn zak, we hielden op met zoeken en gingen vlug weg.’

‘Wat zei hij precies? Kun je je dat nog herinneren?’ vroeg Þóra.

‘Niet precies. We gingen naar het studentenhok en hij eiste dat ik hem vertelde wat voor kuil er op de tekening stond. Het was een haard in een of andere grot. Dat kruis ook. Het was uitgehakt in een muur daarbinnen. Een soort altaar.’

‘En de tekening?’ vroeg Matthias. ‘Wat stelde die voor?’

‘Dat was een overzichtskaart van de grot met een paar symbolen die aan moesten geven wat waar was. Als ik het me goed herinner, stond er eentje bij het kruis, het tweede bij een opening in de zoldering – ik denk dat dat de schoorsteen is geweest – en het derde symbool stond bij het gat waar de haard moet zijn geweest.’ Bríet keek naar Matthias. ‘Ik herinner me dat hij erg enthousiast naar dat derde symbool wees en dat hij me vroeg of ik het waarschijnlijk vond dat monniken op het altaar gekookt zouden hebben. Ik zei dat ik dat niet wist. Toen vroeg hij of ik niet dacht dat ze op zijn minst de haard onder de schoorsteen hadden kunnen plaatsen. Op de tekening was dat helemaal niet het geval. De haard was bij het altaar en de schoorsteen bij de ingang. Het was zo absoluut oninteressant en het was niets voor Harald om zich zo op te winden over zo’n onzin.’

‘Wat gebeurde er toen?’ vroeg Matthias.

‘Hij ging met Gunnar praten. Vervolgens verbood hij me om me nog met die brief te bemoeien.’ Ze keek hen boos aan. ‘Toch was hij het in het begin die me aanmoedigde om Gunnar lastig te vallen, die verdomde Gastbucht zoals hij hem noemde.’

‘Gastbucht?’ vroeg Þóra niet-begrijpend. Wat had er op het kladje van Harald gestaan? Gastbucht? Dat was dus helemaal niet ‘gastenboek’ met een kruisje erachter, zoals ze had gedacht: het was geen kruisje, maar de letter t; Gastbucht was de letterlijke Duitse vertaling van Gestvík.

***

Þóra en Matthias gingen direct terug naar Árnagarður. Ze belde onderweg naar Markús van de politie en vertelde hem haar en Matthias’ gedachten over Gunnar, maar hij reageerde er niet enthousiast op. Nadat ze hem met veel moeite overtuigd hadden, sprak hij met hen af dat hij toch de transacties op de bankrekening van de professor zou onderzoeken.

Er was niemand in Gunnars werkkamer, toen ze daar kwamen. In plaats van buiten te wachten, lieten ze zichzelf binnen en gingen zitten; ze namen aan dat Gunnar bij María, de directeur van het Árni Magnússon-instituut, was om de brief terug te brengen.

Matthias keek op de klok. ‘Die man moet zo wel een keer komen.’

Op dat moment ging de deur open en Gunnar kwam naar binnen.

Gunnar was stomverbaasd, toen hij hen in het oog kreeg. ‘Wie heeft jullie eigenlijk binnengelaten?’

‘Niemand. De deur was open,’ zei Þóra rustig.

Gunnar liep met grote passen naar zijn bureau. ‘Ik dacht dat we zonet afscheid hadden genomen.’ Hij ging op zijn stoel zitten en staarde hen boosaardig aan. ‘Ik ben in een niet al te best humeur. María nam het niet bijzonder goed op dat ze de brief in zo’n slechte staat terugkreeg.’

‘We zullen je niet lang ophouden,’ zei Matthias. ‘We konden de zaak zonet niet helemaal ophelderen.’

‘O?’ zei Gunnar nors. ‘Ik denk niet dat ik jullie nog iets te zeggen heb.’

‘We wilden je nog een vraag stellen over een piepklein dingetje dat nog onopgehelderd is,’ zei Þóra.

Gunnar legde zijn hoofd in zijn nek en staarde naar boven. Hij zuchtte diep voordat hij weer naar hen keek. ‘Prima. Wat willen jullie zo graag weten?’

Þóra keek eerst naar Matthias en vervolgens naar Gunnar. ‘Dat oude kruis waar sprake van is in de brief aan Árni Magnússon: kan dat niet het kruis zijn dat zich in de grot van de eerste monniken bij Hella bevindt?’ vroeg ze. ‘Jij zou toch alles moeten weten over die periode uit de geschiedenis, of niet? Het kruis was er tenminste al, voordat het land eigenlijk gekoloniseerd werd.’

Gunnar werd rood van woede. ‘Wat zou ik daarover moeten weten?’ barstte hij uit.

Þóra haalde haar schouder op. ‘Ik denk eigenlijk dat jij daar alles over weet. Is dat niet een foto van jou en de boer die eigenaar is van het land bij die grotten?’ Ze wees naar de ingelijste foto aan de muur. ‘De grotten van de eerste monniken?’

‘Ja, dat klopt. Maar ik zie het verband niet,’ zei Gunnar. ‘Ik vind dat jullie vreemde vragen stellen en aan jullie interesse in geschiedenis is geen touw vast te knopen. Als jullie je als student willen inschrijven bij de vakgroep, dan liggen de inschrijfformulieren buiten mijn werkkamer.’

Þóra liet zich hierdoor niet van de wijs brengen. ‘Ik denk dat je precies begrijpt wat het verband is. Jij was bij de Erasmus-vergadering in de nacht dat Harald werd vermoord, die bijna tot middernacht doorging.’ Toen Gunnar hierop niets antwoordde, voegde ze eraan toe: ‘Kan het zijn dat je Harald die nacht hebt ontmoet?’

‘Wat is dit voor onzin? Ik heb diverse keren een verklaring afgelegd bij de politie over de vroegtijdige dood van Harald. Ik had de pech dat ik het lijk vond, maar dat heeft verder niets met mij te maken. Ik wil jullie verzoeken om hier weg te gaan.’ Bevend wees hij naar de deur.

‘Ik weet zeker dat de politie alle verhoren met jou nog een keer onder de loep moet nemen, nu het duidelijk is hoe de wonden op het lijk tot stand gekomen zijn,’ zei Þóra en ze glimlachte sarcastisch naar Gunnar.

‘Wat bedoel je?’ vroeg Gunnar boos.

‘Ze hebben degene gevonden die de ogen verwijderd heeft en het symbool in het lijk gekerfd heeft. Hoe erg jij geschrokken bent toen je het lijk zag, verzekert je nu niet meer van een milde behandeling van de politie. Gezien de verklaring van deze man komt alles er anders uit te zien.’

Gunnar hapte naar adem. ‘Jullie hebben weinig tijd. Ik ook. Ik wil jullie echt niet langer ophouden. Laten we er maar een punt achter zetten.’

‘Jij hebt hem met je stropdas gewurgd,’ ging Þóra verder. ‘Je dasspeld zal dat bevestigen.’ Ze stond op. ‘De reden moet later duidelijk worden, maar die speelt op het ogenblik eigenlijk geen rol. Jij hebt hem vermoord. Niet Hugi, niet Halldór en Bríet al helemaal niet. Jij was het.’ Ze keek hem recht aan en voelde hoe diep vanbinnen afschuw en medelijden met elkaar wedijverden. Er ging een rilling door Gunnar heen en Matthias stond rustig op, gebruikte zijn ene hand om Þóra rustig naar achter te duwen, in de richting van de deur. Hij leek bang te zijn dat Gunnar over het bureau zou springen, met zijn das in de lucht, om haar te wurgen.

‘Ben je nou helemaal gek geworden?’ vroeg Gunnar terwijl hij Þóra aanstaarde. Hij stond met veel lawaai op. ‘Hoe kom je daar nou bij? Ik raad je aan om zo snel mogelijk psychiatrische hulp te zoeken.’

‘Dit is geen onzin: jij hebt hem vermoord.’ Þóra hield voet bij stuk. ‘We hebben verschillende aanwijzingen die erop duiden dat jij de schuldige bent. Geloof me, als de politie die in handen krijgt en jouw zaak gaat onderzoeken, wordt het nog moeilijk voor je om je te verdedigen.’

‘Dat is uitgesloten: ik heb hem niet vermoord.’ Gunnar keek naar Matthias, in de hoop op steun.

‘De politie is er misschien in geïnteresseerd te horen dat je het ontkent; wij zijn dat niet.’ Matthias glimlachte niet. ‘Misschien kan de vakgroep hen een beetje helpen om je financiën nader te onderzoeken. Een huiszoeking zal misschien nog wat aanwijzingen opleveren, als de dasspeld alleen niet genoeg is.’

Þóra’s telefoon ging. Ze verloor Gunnar niet uit het oog tijdens het korte telefoongesprek. Hij volgde het gesprek nerveus zonder erachter te komen waar het over ging. Þóra deed haar telefoon weer in haar zak. ‘Dat was de politie, Gunnar.’

‘En?’ vroeg hij. Zijn adamsappel ging op en neer.

‘Ze vroegen me om naar het bureau te komen. Ze hebben ontdekt dat er interessante transacties op jouw bankrekening te zien zijn en ze willen dat Matthias en ik onze zaak nader verklaren. Ik denk dat alles erop wijst dat de politie je in het vizier heeft.’ Ze zweeg en keek hem aan.

Gunnar keek hen om de beurt verwilderd aan. Toen tilde hij zijn das op en staarde naar de dasspeld. Hij deed zijn mond een paar keer open alsof hij wat wilde zeggen, maar besloot dat niet te doen. Ten slotte liet hij zijn hoofd als bij overgave zakken. ‘Zijn jullie op zoek naar het geld?’ vroeg hij mompelend. ‘Ik heb er niet veel van uitgegeven.’ Hij keek hen aan, maar kreeg geen reactie. ‘Ik heb ook het boek, maar dat wil ik liever niet uit handen geven. Want het is van mij. Ik heb het gevonden.’ Hij greep naar zijn voorhoofd, kennelijk uit wanhoop. ‘Ik heb niets anders dat als zo onschatbaar beschouwd wordt, of zo uniek. Harald leek alles te hebben, in elk geval genoeg geld. Waarom kon hij niet iets anders begeren dan dit?’

‘Gunnar, ik denk dat we naar de politie moeten bellen,’ zei Þóra zachtjes en vriendelijk. ‘Je hoeft niets meer tegen ons te zeggen; spaar je krachten maar.’ Ze zag dat Matthias zijn telefoon pakte, klaar om te bellen. ‘Eén één twee,’ zei ze tegen hem, zonder dat Gunnar er veel aandacht aan besteedde. Matthias trok zich even terug om te bellen.

‘Ik verwachtte de hele tijd dat de politie mij zou verdenken, toen ze me verhoorden over het feit dat ik het lijk heb gevonden. Ik was ervan overtuigd dat ze alleen maar met me speelden, net deden alsof ze niet wisten dat ik hem vermoord had. Toen werd duidelijk dat ik niet eens werd verdacht.’ Hij keek op en glimlachte zwakjes. ‘De schrik waardoor ik werd bevangen, toen het lijk daar op me viel, had ik nooit kunnen veinzen. Toen ik het voor het laatst zag, lag het op de vloer van het studentenhok. Ik dacht even dat hij was opgestaan uit de dood om wraak te nemen. Jullie moeten me geloven dat ik zijn ogen niet aangeraakt heb. Ik heb hem alleen maar gewurgd.’

‘Dat alleen al is op zich meer dan genoeg,’ zei Þóra. ‘Maar waarom? Omdat hij het handschrift van de Heksenhamer van je wilde kopen? Had je dat in je bezit?’

Gunnar knikte. ‘Ik heb het in de grotten gevonden. Ik was op onderzoeksverlof en ik had me op de eerste monniken gestort. Ik kreeg toestemming van de boer om daar een beetje te graven, in de hoop om resten van het verblijf van mensen te vinden, om te bewijzen of te ontkrachten dat zij die grotten uitgegraven hebben. Ze waren nog nooit eerder onderzocht; het is twintig jaar geleden dat ik daar ben geweest. Ik was de eerste die daar een schop in de aarde heeft gestoken, ook al was een deel van een andere Ægissíðugrot al veel eerder onderzocht. De grotten werden al sinds het midden van de vorige eeuw gebruikt als veestal en daarom zijn ze grotendeels niet onderzocht. Maar in plaats van te stuiten op resten van het verblijf van mensen van vóór de kolonisatie, vond ik een kistje dat verborgen was bij het altaar. In het kistje zaten dit handschrift samen met verschillende andere. Een handgeschreven Bijbel in het Deens, een psalmenboek en twee buitengewoon mooie boeken over natuurwetenschap in het Noors.’ Hij keek Þóra diep in de ogen. ‘Ik kon er geen weerstand aan bieden. Ik haastte me met het kistje naar de auto, voordat de boer me zou betrappen, en vertelde niemand ervan. Langzaam begon ik te begrijpen wat voor schatten ik in handen had: dat dit eigendommen uit Skálholt waren. Twee van de boeken waren gesigneerd met de initialen van Brynjólfur: L.L. Toch was het pas toen Harald opdook, dat ik uitleg kreeg over wat deze bijzondere uitgave van de Heksenhamer daar deed.’

‘Hoe was hij daarachter gekomen?’ vroeg Þóra en ze voegde eraan toe: ‘Je hoeft niet meer te zeggen dan je wilt.’

Gunnar negeerde dat laatste. ‘Pure mazzel,’ zei hij. ‘Voor mij was het trouwens geen geluk, maar ongeluk. Harald kwam naar IJsland met als enige reden om naar dat handschrift te zoeken, zoals jullie ongetwijfeld weten. Hij zocht als een gek in alle bronnen, totdat hij dacht dat hij op het goede spoor was. Hij was ervan overtuigd dat Jón Arason het handschrift had laten drukken en het vervolgens heeft verborgen, toen hij zijn macht verloor. In die tijd begreep ik niet waar hij mee bezig was en ik deed niets om hem tegen te houden. Hij ging naar Skálholt met als enige reden om de plaats van Jóns terechtstelling te bekijken. Daar kwam hij door puur toeval op het spoor van het handschrift: er was hem verteld over de handschriftenverzameling van Brynjólfur en hij begon bronnen over die verzameling te onderzoeken in de hoop dat hij het lot kon achterhalen van de handschriften die verdwenen waren. Pas toen kwam hij naar mij, nadat Bríet achter die zaak met die brief gekomen was die was verdwenen uit het Nationale Archief…’

Hij keek naar beneden en toen weer naar Þóra. ‘Ik heb de brief uiteraard zelf gehouden, toen ik eenmaal begreep wat ik gevonden had. Ik was zo bang dat het anderen naar de grotten zou leiden: dat iemand tot dezelfde conclusie zou komen als jij wat betreft dat heilige kruis. Dat was een vergissing die me duur is komen te staan. Ik had geen problemen met Bríet, maar toen dook Harald op. Hij had de inhoud van de brief onderzocht. Hij kwam meteen ter zake: hij zei dat hij wist dat ik de Heksenhamer van Kramer gevonden had en dat hij het wilde hebben. Hij had een artikel over de monniken en de grotten gestolen uit mijn werkkamer; een oud artikel dat ik wel moest schrijven, nadat mijn onderzoeksverlof was afgelopen. Ik moest schrijven over dat wat ik had gedaan, en ik publiceerde de onderzoeksresultaten in een tijdschrift dat nu niet meer uitkomt en ook niet door veel mensen werd gelezen. Ik was zo stom om een foto van het gat, waar ik het kistje uit gehaald had, erin te zetten. Ik zei dat het een oude haard was. Niemand twijfelde verder aan de conclusie; ik denk eerlijk gezegd dat niemand de moeite genomen heeft om die te lezen. Voor Harald was het eenvoudig om te doorzien hoe de vork in de steel zat. En ik dacht dat de schoonmaaksters het artikel gestolen hadden.’

Gunnar zweeg even. ‘Hij wilde de Heksenhamer. Hij zei dat die andere dingen hem geen donder interesseerden, maar hij moest dat boek krijgen. Toen bood hij aan om het van me te kopen. Hij noemde een ongelofelijk hoog bedrag, veel meer geld dan ik er op de zwarte markt voor zou krijgen, als ik wist waar die te vinden was. In plaats van het te ontkennen en hem de deur te wijzen, zei ik dat daar met mij over te praten viel. Het geld was verleidelijk. Ik wist niet hoe opmerkelijk het handschrift was. Harald vertelde me het hele verhaal pas, toen hij me het geld gaf. Toen bedacht ik me. Maar dat kon ik hem natuurlijk niet vertellen.’ Gunnar zuchtte. ‘Jullie begrijpen dat natuurlijk niet, maar als je je hele leven in de nabijheid van de geschiedenis werkt, dan word je onwillekeurig betoverd door alles wat bewaard blijft. Ik had een uniek object in handen. Absoluut uniek.’

‘Je hebt Harald dus vermoord om het handschrift weer in handen te krijgen, zonder te proberen om het geld terug te geven en uit te zoeken of hij bereid was om dit alles ongedaan te maken?’ vroeg Þóra. ‘Misschien had hij er liever voor gekozen om er zonder te leven dan te sterven?’

Gunnar glimlachte zwakjes. ‘Natuurlijk heb ik dat geprobeerd. Hij lachte me gewoon uit en zei dat het beter was om met hem van doen te hebben dan met de autoriteiten, want hij zou niet aarzelen om me aan te geven, als ik hem zou verraden.’ Gunnar zuchtte. ‘Ik zag hem. Hij fietste over de Suðurgata, toen ik naar huis reed. Ik draaide om en haalde hem in bij de ingang. Hij gooide zijn fiets aan de kant en we gingen samen naar binnen. Zijn ene hand zat helemaal onder het bloed, dat hij duidelijk van zijn neus had geveegd. Hij had een bloedneus. Walgelijk.’ Gunnar sloot zijn ogen. ‘Hij gebruikte zijn sleutel en toegangscode om open te doen. Hij was dronken en hij had ongetwijfeld drugs gebruikt. Ik probeerde nog één keer met hem te praten, smeekte hem om begrip te tonen. Hij lachte me gewoon uit. Ik volgde hem het studentenlokaal in en daar rommelde hij wat in een kast en haalde er een klein, wit pilletje uit, dat hij inslikte. Al gauw daarna deed hij nog vreemder. Hij liet zich in een leunstoel vallen, draaide mij zijn rug toe en vroeg me om zijn schouders te masseren. Ik dacht dat hij gek werd, maar begreep later dat hij een xtc-pil had genomen; ze zeggen dat dat de behoefte van mensen aan lichamelijk contact vergroot. Ik ging naar hem toe en in eerste instantie overwoog ik om te doen wat hij vroeg, in de hoop dat hij op mijn wens zou ingaan. Maar toen werd ik van een zo diepe haat vervuld dat ik, voor ik het wist, mijn das had afgedaan en hem over zijn hoofd heen had gedaan. Ik trok hem stevig aan. Hij sloeg en schopte wild om zich heen. Toch gebeurde er niets. Toen ging hij dood. Hij gleed langzaam en rustig uit zijn stoel op de grond. En ik ging weg.’ Gunnar keek naar Þóra en wachtte op haar reactie. Hij leek Matthias helemaal vergeten te zijn.

Het verre geluid van sirenes kwam door het raam en werd steeds luider. ‘Ze zijn gekomen om je te halen,’ zei Þóra.

Gunnar keek van haar weg en staarde uit het raam. ‘Ik was zo van plan om rector worden,’ zei hij verdrietig.

‘Ik denk dat je dat wel kunt vergeten.’