30

Þóra zat op het politiebureau en zat zich op te vreten. Ze dacht erover na of het mogelijk was dat haar advocatenlicentie vanwege grof misbruik van haar positie en schandalige belangenverstrengeling ingetrokken kon worden. Ze wist eigenlijk niet of iets dergelijks bij wet geregeld was, maar zo niet, dan zou dat zeker moeten worden gedaan. De situatie was als volgt: aan de ene kant werkte ze voor de familie van de man die vermoord was, en aan de andere kant stond ze op het punt om advocaat van de vermeende moordenaar te worden. Ze had de beslissing genomen op het moment dat ze in de huurauto weggereden was. Matthias bleef achter bij Elisa en nam de taak op zich om het nieuws aan mevrouw Guntlieb te vertellen en hun haastige beslissing te verklaren. Hij zou waarschijnlijk zeggen dat Þóra in de gelegenheid gesteld was om persoonlijk met de moordenaar te praten en antwoorden te krijgen op onopgeloste zaken. Þóra wenste hem sterkte, want ze benijdde hem er niet om: mensen die last hadden van migraine, waren ongetwijfeld niet erg begripvol.

‘Goedendag. Hij zit er klaar voor.’ De politieman was naar haar toe gekomen zonder dat ze hem had opgemerkt.

‘Fijn, dank u wel,’ zei Þóra en ze stond op. ‘Mag ik hem onder vier ogen spreken of moet er iemand aanwezig zijn tijdens het verhoor?’

‘Hij heeft al een verklaring afgelegd. Hij weigerde op dat moment gebruik te maken van een raadsman. Dat was een nogal ongemakkelijke situatie: we zijn er niet aan gewend om iemand zonder raadsman te verhoren in het geval van zulke ernstige zaken. Maar hij hield voet bij stuk en we moesten hem uiteindelijk toestaan zelf te beslissen. Pas tegen het eind van het verhoor vroeg hij om een advocaat. U.’

‘Is Markús Helgason er ook?’ vroeg Þóra. ‘Ik vroeg me af of ik even met hem mag overleggen, voordat ik naar Halldór ga,’ voegde ze er zo bescheiden als ze kon aan toe.

De politieman wees haar naar de kamer van zijn collega.

Þóra groette Markús, die aan zijn bureau zat met een Manchester United-shirt voor zich. ‘Ik zal u niet lang storen; ik wilde u even spreken, voordat ik naar Halldór ga.’

‘Uiteraard,’ zei Markús, hoewel uit de klank van zijn stem bleek dat hij niet al te enthousiast was.

‘U kunt zich waarschijnlijk nog wel herinneren dat ik voor de familie Guntlieb werk, of niet?’ De politieman knikte nadenkend. ‘De situatie waarin ik nu terechtgekomen ben, is nogal ongemakkelijk: ik zit tussen twee vuren in, als je het zo kunt stellen.’

‘Ja, dat is zonder meer waar. U moet weten dat we Halldór sterk hebben afgeraden om u te kiezen, om precies dezelfde reden. Maar hij liet zich niet op andere gedachten brengen. U bent een soort Robin Hood volgens hem. Hij heeft de moord niet bekend: waarschijnlijk denkt hij dat u hem uit deze situatie kunt redden.’ Markús grijnsde gemeen. ‘Dat zal u niet lukken.’

Þóra liet zich niet van haar stuk brengen door deze verklaring. ‘Volgens jullie is hij is dus schuldig?’

‘O ja,’ zei Markús. ‘Er zijn bewijzen aan het licht gekomen die erop duiden dat hij erbij betrokken was. Waterdicht, absoluut. Ze waren samen aan het werk geweest, deze jonge vrienden. Het grappige is, als ik dat zo mag zeggen, dat de bewijzen op een en dezelfde dag van twee verschillende bronnen kwamen. Ik ben altijd gek geweest op toevalligheden.’ Hij glimlachte.

‘En dat gebeurde zomaar ineens?’ vroeg Þóra.

‘Gistermiddag. We werden gebeld door twee mensen die met de overledene te maken hadden. Beiden zijn aan informatie gekomen die enerzijds Halldórs schuld bewijst en anderzijds de plek waar de moord waarschijnlijk gepleegd is.’

‘Wie waren dat, als ik mag vragen?’

‘Het maakt niet zoveel uit of u dat nu of later te horen krijgt.’ Þóra haalde haar schouders op. ‘Er stond een doos met allerlei onaangename zaken bij Harald thuis, in het washok. In de doos zat een stuk huid met daarop een te…’

‘Een tekst over ogen en het verlies daarvan,’ onderbrak Þóra hem rustig. ‘Daar wist ik van.’

De politieman kreeg een rood hoofd. ‘En het is niet in u opgekomen om contact met mij op te nemen? Weet u soms nog meer dingen die met deze zaak te maken hebben, en waarvan u gemeend hebt die voor ons achter te moeten houden?’

Þóra ontweek de laatste vraag door alleen de eerste te beantwoorden. ‘Eerlijk gezegd kwamen Matthias en ik dat pas vandaag te weten en toen vermoedden we het alleen maar: wij hadden geen bevestiging in handen zoals jullie leken te hebben.’

‘En toch zou het normaal zijn geweest om ons dat te laten weten,’ zei Markús, nog steeds geïrriteerd.

‘Natuurlijk zouden we dat gedaan hebben,’ kaatste Þóra de bal terug. ‘Het is zondag vandaag; we willen u toch niet op uw vrije dag lastigvallen met alleen een vaag vermoeden.’ Ze schonk hem een allerliefste glimlach.

‘Als u dat zegt. Waarschijnlijk hebt u gelijk.’ Hij keek haar aan alsof hij haar niet geloofde.

‘Wat voor andere onaangename dingen hebben jullie gevonden?’ vroeg Þóra.

‘Twee vingers, een hele hand, een voet en een beschadigd oor.’ Hij keek haar aan alsof hij er half op was voorbereid dat ze daar ook al van wist. Aan haar gezicht zag hij dat dat niet zo was. ‘Allemaal van een andere persoon, naar het schijnt.’ Hij wachtte op een reactie van haar.

‘Wat?’ Þóra begreep er niets van. Ze wist alleen van die ene vinger, waarover Gunnar had verteld: de vinger die in Árnagarður was gevonden, maar die ze niet met Harald in verband hadden kunnen brengen. Wat was er hier eigenlijk aan de hand? ‘Wilt u zeggen dat er hier sprake is van een massamoord? Een verzameling van lichaamsdelen van de slachtoffers?’

‘Daar weten we op dit moment niets van. Uw cliënt zegt hier niets over te weten. Maar hij liegt. Ik weet wanneer mensen liegen.’

‘Maar wat voor bewijzen hebt u; alleen die tekst die dan waarschijnlijk door Halldór is ondertekend, of zo?’

‘Ja,’ antwoordde Markús. ‘Dat, en er is ook nog een stalen sterretje gevonden van de schoenen die Harald droeg in de nacht toen hij vermoord werd, onder de drempel van het studentenhok in Árnagarður. Dat duidt erop dat het lijk door de deuren is gesleept en daarbij moet vermeld worden dat Halldór toegang had tot deze kamer. De moord heeft dus ongetwijfeld daar plaatsgevonden. Op dezelfde plek is namelijk een theelepel gevonden: een theelepel die onder het bloed zat. Het is op vingerafdrukken onderzocht en er bleek onder andere een vingerafdruk van Halldór op te zitten. Het bloed op het lepeltje is van Harald; tenminste, daar wijzen de eerste onderzoeken op.’

‘Een theelepeltje,’ zei Þóra. ‘Een theelepeltje dat onder het bloed zat. Wat heeft dat volgens jullie met de zaak te maken?’

Markús antwoordde niet meteen. ‘De conciërge, die tevens de leiding heeft over het schoonmaakteam daar, gaf het aan een professor, die onmiddellijk hierheen belde.’ Markús keek naar Þóra met een allesbehalve vrolijk gezicht. ‘Die man besloot niet zoals sommigen om tot maandag te wachten.’

‘Maar dat bloederige theelepeltje. Ik begrijp niet helemaal hoe dat hiermee te maken heeft en afgezien daarvan waarom het nu pas gevonden is. Hebben jullie na de vondst van het lijk niet het hele gebouw doorzocht?’

‘Het theelepeltje is vermoedelijk gebruikt om de ogen uit het lijk te halen. Wat de huiszoeking betreft…’ Markús aarzelde en Þóra zag dat hier een zwakke plek lag. ‘Natuurlijk is het gebouw doorzocht. Hoe dit lepeltje ons ontgaan is, is op dit moment onduidelijk. We zijn het aan het uitzoeken.’

‘Dus jullie hebben die tekst en het bloederige theelepeltje,’ zei Þóra en ze keek hoe Markús in zijn stoel op en neer schoof. Er was nog meer. ‘Ik vind dat helemaal geen waterdicht bewijs voor Halldórs schuld, als ik eerlijk ben. Hij heeft een alibi, als ik me goed herinner.’

‘Die ober in De Koffiebrander?’ zei Markús smalend. ‘We zullen nog eens beter met hem moeten praten. Maakt u zich er maar niet al te druk over als er wat barstjes in zijn verklaring komen, wanneer we hem wat meer onder druk zetten.’ Hij keek haar verwaand aan. ‘We weten bovendien nog meer over uw cliënt. Twee feiten zelfs.’

Þóra haalde haar wenkbrauwen op. ‘Twee?’

‘Ja, of beter gezegd een paar. Ze kwamen vanochtend bij de huiszoeking bij Halldór thuis boven water. Ik twijfel er niet aan dat dit zelfs genoeg is om zijn moeder van zijn schuld te overtuigen.’ Markús straalde zo’n zelfvoldoening uit dat Þóra nog het meest zin had in een lange geeuw en weg te gaan zonder hem hier verder nog iets te vragen. Haar nieuwsgierigheid won het echter van dit verlangen.

‘En wat hebben jullie daar gevonden?’

‘De ogen van Harald.’