29
De jonge vrouw had niets weg van haar moeder, maar had wel eenzelfde voorkomen. Ze had net als haar vader donker haar en leek eigenlijk helemaal op hem, als de familiefoto’s die Þóra had gezien als bewijs konden dienen. Haar hele uiterlijk was niet pretentieus: haar lange, steile haren werden uit haar gezicht gehouden door middel van een staartje en ze was gekleed in een mooie, zwarte, lange broek en een zwarte blouse die van zijde gemaakt leek. Het enige juweel was een diamanten ring aan haar rechter ringvinger, dezelfde ring die Þóra had gezien op de foto die in de keuken was gemaakt. Het viel Þóra op hoe slank ze was en toen ze haar een hand gaf, voelde ze dat het meisje waarschijnlijk nog dunner was dan ze al leek in deze kleren. Matthias kreeg een veel innigere begroeting: Elisa omhelsde hem en ze gaven elkaar twee zoenen op de wang.
‘Hoe gaat het met je?’ vroeg hij nadat hij Elisa’s schouders had losgelaten. Þóra merkte op dat hij haar tutoyeerde, wat ze niet verwacht had aangezien hij toch een werknemer van de familie was. Matthias had duidelijk een vrij hechte relatie met deze mensen of had een hogere functie in het bedrijf dan Þóra zich had gerealiseerd.
Elisa haalde haar schouders op en lachte zwakjes. ‘Niet al te best,’ zei ze. ‘Het was een moeilijke tijd.’ Ze richtte zich tot Þóra. ‘Als ik had geweten dat jullie met me wilden praten, was ik veel eerder gekomen. Het was niet in me opgekomen dat mijn bezoek aan Harald van belang kon zijn.’
Dat vond Þóra opmerkelijk, aangezien het meisje vlak voor de moord bij haar broer was geweest, maar ze zei alleen: ‘Ja, maar nu ben je er en dat is het belangrijkste.’
‘Ja, ik heb meteen een ticket gekocht, toen Matthias belde. Ik wil jullie helpen,’ zei ze en ze leek het te menen vanuit de grond van haar hart. En ze voegde eraan toe: ‘En mama ook.’
‘Mooi,’ zei Matthias ongewoon hard en Þóra vroeg zich af of hij bang was dat ze iets ongepasts zou zeggen.
‘Ja, mooi,’ praatte ze hem na om hem ervan te verzekeren dat ze er niet aan dacht om zoiets te doen.
‘Zullen we gaan zitten?’ vroeg Elisa. ‘Mag ik jullie koffie aanbieden of een glas wijn?’ Þóra besloot niet te drinken en nam een kop koffie, de anderen bestelden een glas witte wijn.
‘Nou,’ zei Matthias en hij ging weer in de leunstoel zitten. ‘Wat kun je ons over je bezoek vertellen?’
‘Zullen we niet even op de wijn wachten? Ik denk dat ik daar eerst behoefte aan heb,’ zei Elisa, waarbij ze vragend naar Matthias keek.
‘Uiteraard,’ antwoordde hij en hij boog zich naar voren om haar in haar arm, die op de leuning van de sofa rustte, te knijpen.
Elisa keek verontschuldigend naar Þóra. ‘Ik kan het niet goed uitleggen, maar ik vind het niet erg prettig om weer aan dat bezoek te denken. Ik zit nog steeds in de knoop met mijn gevoelens: ik vind dat ik zo egoïstisch ben geweest en alleen over mezelf met hem gepraat heb. Als ik geweten had dat ik hem nooit meer zou zien, dan had ik hem zo veel meer over mijn gevoelens voor hem verteld.’ Ze beet op haar onderlip. ‘Maar dat deed ik niet en ik zal het nu nooit meer kunnen doen.’
De ober kwam met de drankjes en ze proostten op niets in het bijzonder. Þóra had er spijt van dat ze besloten had te stoppen met alcohol drinken, terwijl ze kleine slokjes van haar koffie nam en toekeek hoe de anderen hun wijn dronken. Ze nam zich voor om bij de volgende gelegenheid weer mee te doen, maar vond het ook weer niet netjes om later om een glas wijn te vragen.
‘Ik doe er misschien goed aan om te zeggen waarom ik naar Harald ben gegaan,’ zei Elisa, nadat ze haar glas had neergezet. Þóra en Matthias knikten allebei. ‘Zoals je weet, Matthias, lig ik een beetje overhoop met papa en mama. Zij willen dat ik bedrijfskunde ga studeren en dan bij de bank ga werken. Harald was de enige die altijd tegen me zei dat ik moest doen wat ik wilde doen: cello spelen. Iedereen vindt dat ik me in het bedrijfsleven zou moeten storten en voor mijn plezier cello zou moeten spelen. Harald wist echter dat het zo niet werkte, ondanks het feit dat hij geen muzikant was. Hij begreep dat het óf het een, óf het ander is, als je een bepaald niveau hebt bereikt.’
‘Ik begrijp het,’ zei Þóra, maar ze begreep het toch eigenlijk niet.
‘Vandaar dat we het meer over mij hadden tijdens mijn bezoek,’ zei Elisa. ‘Ik ging bij hem op bezoek, op zoek naar iemand die me een hart onder de riem kon steken, en kreeg precies wat ik zocht: Harald zei dat ik me niets moest aantrekken van mama en papa en moest doorgaan met spelen. Hij zei dat er massa’s stropdassen met een hoofd erin waren die een bank konden bestieren, maar er zijn er minder die het talent hebben om fantastisch op een instrument te spelen.’ Ze haastte zich eraan toe te voegen: ‘Stropdassen met een hoofd erin waren zijn woorden: zo zei hij dat.’
‘Mag ik vragen wat je hebt besloten?’ vroeg Þóra nieuwsgierig.
‘Doorgaan met spelen,’ zei Elisa en ze glimlachte bitter. ‘Maar nu ben ik ingeschreven bij bedrijfskunde en begin binnenkort met die studie. Je besluit het ene en doet het andere, zoals dat zo gaat.’
‘Is je vader dan niet blij?’ vroeg Matthias.
‘Jawel, maar ze zijn vooral opgelucht. Het is moeilijk om blij te zijn in ons gezin. Zeker nu.’
‘Elisa, ik weet dat het niet gemakkelijk is om over je familie te praten, maar we hebben een paar e-mails gezien die over en weer gingen tussen Harald en jullie vader. Je vader en je broer leken niet echt een hechte band te hebben.’ Ze viel stil, maar voegde er toen aan toe: ‘Ook hebben we een goede reden om aan te nemen dat zijn relatie met jullie moeder allesbehalve voorbeeldig was.’
Elisa nipte van haar wijn, voordat ze antwoordde. Ze keek Þóra recht aan. ‘Harald was de beste broer die je maar kon bedenken. Hij was misschien anders dan de meeste mensen, zeker de laatste tijd.’ Ze stak haar tong uit en kneep erin om te verwijzen naar de gespleten tong van Harald. ‘Toch liep ik altijd trots naast hem, bij welke gelegenheid dan ook. Hij was een fijn mens en niet alleen tegen mij: hij droeg ons zusje op handen; niemand was aardiger tegen een gehandicapte dan hij tegen haar.’ Ze keek bedroefd naar haar glas voor zich op tafel. ‘Mama en papa, ze deden… Ik weet eigenlijk niet hoe ik het moet zeggen… Ze waardeerden Harald nooit. Mijn eerste herinnering is dat ze me eindeloos omhelsden, liefde en zorg hebben gegeven en dat zag ik nooit als het om Harald ging. Ze leken gewoon… Ja, het leek of ze hem niet uit konden staan.’ Ze onderbrak zichzelf. ‘Ze waren nooit ronduit gemeen tegen hem of zo. Ze hielden gewoon niet van hem. Ik weet niet waarom, als er tenminste sprake is van een waarom.’
Þóra probeerde om niets van haar weerzin te laten merken tegenover de familie Guntlieb. Ze voelde hoe de rillingen over haar rug liepen; ze wilde degene vinden die deze arme jongen vermoord had. Ze kon zich niets verschrikkelijkers voorstellen dan zonder liefde op te groeien. De behoefte van kinderen aan genegenheid was overduidelijk en het was ronduit misdadig om hun dat te ontzeggen. Geen wonder dat Harald een vreemde vogel was geweest. Ze zag ineens uit naar de ontmoeting met zijn moeder morgen. ‘Ja,’ zei ze, om de stilte te doorbreken. ‘Dat klinkt niet best, moet ik eerlijk zeggen. Hoewel het misschien niets te maken heeft met datgene wat we aan het onderzoeken zijn, vind ik dat het veel zegt over zijn karakter. Maar dit is ongetwijfeld niet iets wat je wilt bespreken met een buitenstaander, dus misschien zouden we ons liever moeten richten op datgene waarover jullie het zoal met elkaar hadden.’
Elisa glimlachte opgelucht. ‘Zoals ik net al zei, praatten we vooral over mij en mijn problemen. Harald was geweldig en we deden op zich niets bijzonders. Hij ging in ieder geval met me mee naar de Blue Lagoon en we gingen een geiser bekijken. Verder slenterden we gewoon door de stad of keken we thuis dvd’s, kookten en hingen maar wat.’
Þóra probeerde Harald voor zich te zien in de Blue Lagoon, maar het lukte haar niet om een beeld in haar geest op te roepen dat voldoende overtuigend was. ‘Waar keken jullie naar?’ vroeg ze uit nieuwsgierigheid.
Elisa glimlachte. ‘Naar The Lion King, hoe ongeloofwaardig dat ook mag lijken.’
Matthias knipoogde naar Þóra. Hij had dus niet gelogen over de film in de dvd-speler. ‘Vertelde hij je iets over datgene waar hij mee bezig was?’
Elisa peinsde. ‘Niet veel in ieder geval. Hij was eigenlijk in een ongelofelijk goed humeur. Hij deed het goed hier op IJsland. Ik heb hem tenminste nog nooit zo vrolijk gezien. Misschien was dat omdat hij ver van papa en mama was. Misschien vanwege het boek dat hij had gevonden.’
‘Boek?’ vroegen Þóra en Matthias tegelijkertijd. ‘Welk boek?’ voegde Matthias eraan toe.
Elisa was duidelijk verbaasd over hun reacties. ‘O, dat oude boek. Malleus Maleficarum. Staat dat niet bij hem thuis?’
‘Ik weet het niet; ik weet niet eens over welk boek je het hebt,’ zei Matthias. ‘Heeft hij het je laten zien?’
Elisa schudde haar hoofd. ‘Nee, hij had het nog niet gekregen.’ Ze viel plotseling stil. ‘Hij heeft het misschien niet eens in handen gehad voordat hij werd vermoord. Dat was natuurlijk vlak daarvoor.’
‘Weet je of hij van plan was om het op te gaan halen?’ vroeg Matthias. ‘Heeft hij daar iets over gezegd?’
‘Nee,’ antwoordde Elisa. ‘Ik heb er eigenlijk verder niet naar gevraagd; had ik dat misschien moeten doen?’
‘Dat maakt niet uit,’ zei Matthias. ‘Maar heeft hij je iets verteld over dat boek?’
Elisa’s gezicht lichtte op. ‘Ja. Het was namelijk een fantastisch verhaal. Wacht even, hoe ging het ook alweer?’ Ze dacht even na, voordat ze weer het woord nam. ‘Je herinnert je opa’s oude brieven nog wel, of niet?’ Ze richtte haar woorden tot Matthias, die instemmend knikte. Þóra wilde haar niet onderbreken om te vragen over welke brieven ze het hadden, maar nam aan dat het de brieven uit Innsbruck in het leren omslag waren. ‘Harald was net als opa,’ ging Elisa verder, ‘hij was erdoor gefascineerd, las ze steeds maar weer. Hij was ervan overtuigd dat de briefschrijver Kramer iets verschrikkelijks had aangedaan, als wraak voor diens gedrag ten opzichte van zijn vrouw.’ Ze keek naar Þóra. ‘Je weet wie Kramer is, of niet?’
Nu was het de beurt aan Þóra om te knikken. ‘Ja, ik ben zelfs zo diep gezonken dat ik zijn meesterwerk heb gelezen, als je dat woord kunt gebruiken voor de Heksenhamer.’
‘Ik heb me er verder niet in verdiept, maar ik weet desondanks alles over dat boek: iets anders is niet mogelijk in mijn familie. Harald haalde het in zijn hoofd om uit te zoeken wat er gebeurd was. Ik probeerde hem erop te wijzen dat het vijfhonderd jaar geleden was gebeurd en dat hij dat nu met geen mogelijkheid meer boven water kon krijgen. Hij bleef echter altijd volhouden dat dat helemaal niet uitgesloten was: de Kerk had ook met de zaak te maken en de meeste documenten die de Kerk ontvangen heeft, zijn bewaard gebleven. Hij gaf het in elk geval niet op: hij schreef zich in voor de studie Geschiedenis aan de universiteit om zeker te zijn van toegang tot de archieven. Toen koos hij ervoor om zijn scriptie te schrijven over de heksenvervolging om zijn zoektocht geloofwaardiger te maken. Hij had het goed voor elkaar met dat onderzoeksonderwerp: hij had de bibliotheek van zijn opa tot zijn beschikking en het enthousiasme van de oude man in zijn bloed.’
‘Je opa was dus wel aardig tegen hem?’ vroeg Þóra, wetend dat het antwoord positief zou zijn, maar ze wilde toch een bevestiging krijgen.
‘O, ja,’ zei Elisa. ‘Ze brachten uren samen door. Harald ging vaak bij hem op bezoek, vooral nadat opa in het ziekenhuis terechtkwam en op zijn sterfbed lag en niet meer besefte wat er om hem heen gebeurde. Opa was begrijpelijkerwijs van ons kinderen het meest op Harald gesteld; misschien ook omdat hij voelde hoezeer Harald bij papa en mama het zwarte schaap was. Maar Harald heeft zijn interesse voor de geschiedenis van de heksenverbrandingen dus van hen. Ze konden er eindeloos mee bezig zijn.’
‘Maar voegde de studie nog iets toe?’ vroeg Þóra. ‘Ontdekte hij daar nog iets?’
‘Ja,’ zei Elisa. ‘Dat zei Harald tenminste. Via de universiteit van Berlijn kreeg hij toegang tot het archief van het Vaticaan en ging naar Rome in de lente nadat hij het tweede jaar had afgemaakt. Hij bleef daar lange tijd, waarschijnlijk tot na de zomer. Hij zei dat hij daar een document gevonden had waarin Kramer erom vroeg een tweede aanval op de heksen van Innsbruck te mogen doen: hij zei dat ze een exemplaar hadden gestolen van een boek dat hij had geschreven. Volgens Harald zei Kramer dat het exemplaar van enorm grote waarde was: er stonden richtlijnen in over hoe men de hekserij het beste de kop in kan drukken en heksen kan vervolgen. Hij zette vervolgens zijn bezorgdheid uiteen over het feit dat ze het boek konden gebruiken om onheil over hem af te roepen. Hij wilde daarom koste wat kost het boek terugkrijgen. Harald zei dat hij het antwoord van het Vaticaan op deze boodschap niet had kunnen vinden, maar het is niet bekend of Kramer terug naar Innsbruck is gegaan, dus waarschijnlijk is er geen gehoor gegeven aan zijn verzoek. Harald was niettemin erg opgewonden en dacht dat hij had ontdekt wat er was gestolen van Kramer en op een lange weg naar de hel was gestuurd: Kramers eigen exemplaar van de Heksenhamer, het oudste bekende exemplaar van dit beroemde boek. Feitelijk, zei Harald, was dat exemplaar natuurlijk niet precies hetzelfde als het exemplaar dat een jaar later is uitgegeven; het was bijvoorbeeld waarschijnlijk geïllustreerd en met de hand geschreven. Bovendien had Springer, Kramers collega-auteur, er zijn mening nog niet over gegeven, maar dat was niet het enige wat Haralds interesse wekte. Het oorspronkelijke handschrift van Kramer zou zwart op wit hebben laten zien wie wat heeft geschreven. Sommigen zeggen namelijk dat Springer er niets mee te maken heeft gehad.’
‘Maar heeft degene die het handschrift had gestolen, het niet naar de hel gebracht? Waren dat niet precies jouw woorden?’ vroeg Þóra. ‘Je zou zeggen dat het logischer is dat het verbrand is.’
Elisa glimlachte. ‘In de laatste brief aan de bisschop van Brixen was er sprake van een bode die de taak op zich had genomen om naar de hel te gaan. Er werd gevraagd om hulp van de Kerk bij zijn tocht daarheen. Het boek is dus niet verbrand, tenminste niet meteen.’
Þóra trok haar wenkbrauwen op. ‘Juist. Een bode op weg naar de hel. Dat klinkt als de normaalste zaak van de wereld.’
Matthias glimlachte. ‘Precies.’ Hij nam een slok wijn.
‘In die tijd was dat niet zo absurd,’ zei Elisa serieus. ‘Men dacht dat de hel een echte plaats was, in het binnenste van de aarde. Er was zelfs een opening daarheen en men zei dat die op IJsland was, in een of andere vulkaan waarvan ik me trouwens de naam niet kan herinneren.’
‘Hekla,’ haastte Þóra zich te zeggen, voordat Matthias het zou proberen uit te spreken. Dus zo zat het: dit was de reden van Haralds komst naar IJsland. Hij was op zoek naar de hel, zoals Hugi beweerde dat hij hem ingefluisterd had.
‘Ja, precies,’ zei Elisa. ‘Dat was het reisdoel van het handschrift. Of dat dacht Harald althans.’
‘En? Kwam het op de plaats van bestemming aan?’ vroeg Þóra.
‘Harald vertelde me dat hij naar bronnen over de reis van deze bode had gezocht en een verwijzing naar hem had gevonden in de annalen van de Kerk in Kiel uit 1486; hij ging er althans vanuit dat dezelfde man bedoeld werd. In de annalen wordt een man genoemd die op weg naar IJsland was en een brief van de bisschop van Brixen bij zich had, waarin werd verzocht om hem onderdak en andere zorg te geven tijdens zijn reis. Hij was te paard gekomen en had iets bij zich waar hij voor zorgde alsof het zijn eigen kind was; iets zwarts en slechts. Hij kon dus niet ter communie gaan, aangezien het pakje niet mee de kerk in mocht en hij het nooit uit het oog verloor. Men schreef dat hij twee nachten is gebleven en toen verder naar het noorden is gereisd.’
‘Heeft Harald iets gevonden waaruit duidelijk werd hoe het afliep met de reis van de bode?’ vroeg Matthias.
‘Nee,’ antwoordde Elisa. ‘Niet meteen, in ieder geval. Harald kwam hierheen, nadat hij zijn speurtocht in Europa opgegeven had. In het begin ging liep het helemaal niet goed, maar toen kreeg hij een oude brief uit Denemarken in handen waarin wordt verteld van een jongeman die stierf aan de mazelen in een bisdom waarvan ik me de naam nu even niet kan herinneren… een jongeman die onderweg was naar IJsland. Hij kwam midden in de nacht aan bij het bisdom, was er slecht aan toe, werd ziek en stierf een paar dagen later. Hij kon echter nog voor zijn dood de bisschop verzoeken om voor het pakje te zorgen dat naar IJsland moest en in de Hekla moest worden gegooid, met de zegen van de bisschop van Brixen. In deze brief, die een aantal jaren later is geschreven, vraagt die Deense bisschop de katholieke Kerk op IJsland om dit af te handelen. Hij zei dat het pakje met een man mee zou komen die op weg was naar IJsland om voor de paus in Rome aflaten te verkopen vanwege de bouw van de Sint-Pieter, als ik het me goed kan herinneren.’
‘Dus het pakje is op IJsland terechtgekomen?’ vroeg Þóra.
‘Daar was Harald vast van overtuigd,’ zei Elisa. Ze liet haar rechter wijsvinger over de rand van het wijnglas glijden.
‘Maar is het document dan niet in de Hekla gegooid?’ vroeg Matthias.
‘Harald zei dat het niet waarschijnlijk is dat iemand de berg heeft durven beklimmen. De eerste bronnen daarover zijn veel jonger. Zo weten we zeker dat er een uitbarsting was en Harald dacht dat dat uiteindelijk iedereen zou afschrikken die zich aan zo’n reis zou wagen.’
‘En waar dook het boek dan op?’ vroeg Matthias.
‘In een bisdom waarvan de naam met een s begon, dacht Harald.’
‘In Skálholt?’ vroeg Þóra.
‘Ja, zoiets,’ antwoordde Elisa. ‘Dat was waar de verkoper van de aflaten ook heen ging; tenminste, waar hij met het geld dat hij ingezameld had, heen ging.’
‘En toen? Er is op Skálholt nooit een manuscript van de Heksenhamer gevonden,’ zei Þóra en ze nam een slok koffie.
‘Harald beweerde dat het manuscript daar is geweest, totdat de eerste boekdrukpers in het land kwam, maar dat het toen is verplaatst naar een ander bisdom. Iets met een p en een i.’
‘Hólar,’ zei Þóra, hoewel daar niet eens een p in voorkwam.
‘Ik kan het me echt niet meer herinneren,’ zei Elisa. ‘Dat zou best zo kunnen zijn.’
‘Dacht Harald dat ze van plan waren geweest om het daar uit te geven of zo?’
‘Ja, dat heb ik begrepen. Het was een van de meest wijdverspreide boeken van Europa in die tijd, op de Bijbel zelf na, en het is waarschijnlijk dat ze er in ieder geval over hebben nagedacht.’
‘Waarschijnlijk heeft iemand het pakje opengemaakt en ontdekt wat erin verborgen zat: er is niemand die zo ongeïnteresseerd is, dat hij niet zou proberen te kijken wat erin zat,’ zei Matthias. ‘Maar wat gebeurde er met het boek? Het is hier nooit uitgegeven, of wel?’ Hij richtte zijn woorden tot Þóra.
‘Nee,’ antwoordde ze. ‘Voor zover ik weet niet.’
‘Harald zei dat hij op het juiste spoor zat,’ zei Elisa. ‘Hij zei inderdaad dat hij op het verkeerde spoor zat wat betreft de boekdrukpers en het bisdom met de p…’
‘Hólar,’ onderbrak Þóra haar.
‘Ja, precies,’ zei Elisa. ‘Hij dacht dat die bisschop zich had ontdaan van het boek, voordat hij werd terechtgesteld, maar hij leek ook ontdekt te hebben dat het boek waarschijnlijk nooit weg is geweest uit dat ene bisdom, dat met de s.’
‘Skálholt,’ onderbrak Þóra haar.
‘Of zoiets,’ antwoordde Elisa. ‘Hij vond het boek in ieder geval, toen hij het in die hoek zocht; hij zei dat het verborgen was om te voorkomen dat het uit het land zou verdwijnen.’
‘En waar was het?’ vroeg Þóra.
Elisa nam een slokje van haar wijn, voordat ze antwoordde. ‘Ik weet het niet. Dat wilde hij me niet vertellen. Hij zei dat hij de rest van het verhaal geheim wilde houden, totdat hij mij het boek kon laten zien.’
Þóra en Matthias probeerden hun teleurstelling niet te verbergen. ‘Heb je niet doorgevraagd? Liet hij niets doorschemeren?’ vroeg Þóra ongeduldig.
‘Nee, het was al laat en hij was er zo blij over dat ik het niet voor hem wilde verpesten door erover door te zeuren.’ Elisa glimlachte gegeneerd. ‘De dag daarna hadden we het weer over andere dingen. Denken jullie dat het wat met de moord te maken heeft?’
‘Ik weet het echt niet,’ zei Þóra teleurgesteld. Ineens schoot haar Mal te binnen; misschien kende Elisa Haralds vrienden. Ze leken een hechte relatie te hebben, zoals ze over hem vertelde. Die Mal beschikte misschien over de informatie waaraan het hun ontbrak. ‘Elisa, weet je toevallig wie Mal is? Harald had een e-mail van hem waaruit bleek dat ene Mal iets wist over Haralds zoektocht naar het boek.’
Elisa glimlachte. ‘Ja, Mal. Ik weet wel wie Mal is: hij heet Malcolm en ze hebben elkaar leren kennen in Rome. Mal is ook historicus. Hij belde mij laatst; hij zei dat hij een rare e-mail over Harald uit IJsland had gekregen. Ik vertelde hem dat hij vermoord was.’
‘Denk je dat hij hier meer over weet?’ vroeg Matthias. ‘Zou je ons in contact met hem kunnen brengen?’
‘Nee, hij weet niets,’ antwoordde Elisa. ‘Hij hoorde me namelijk helemaal uit over het boek; hij zei dat Harald hem had verteld dat hij het gevonden had, maar het verder niet had toegelicht. Malcolm dacht altijd dat Harald in een eindeloze zoektocht verwikkeld was en hij wilde daarom graag weten hoe het allemaal was afgelopen.’
Þóra’s telefoon ging. Het was de politie.
Þóra wisselde een paar woorden met de politieman, legde haar telefoon weg en keek naar Matthias. ‘Ze hebben de geneeskundestudent Halldór gearresteerd voor de moord op Harald. Hij wil dat ik hem verdedig.’