18

Þóra rekte zich uit en leunde achterover in de stoel. Ze had net de laatste kabel aan de computer aangesloten en nu kon ze hem eindelijk aanzetten. Zij en Matthias zaten in Haralds studeerkamer, nadat ze die onpeilbare Gunnar Gestvík uitgelaten hadden. ‘Ik moet bekennen dat ik die theorie van jou en de familie Guntlieb over de onbekende moordenaar steeds minder van gezond verstand vind getuigen.’ Ze zette de computer aan en meteen hoorde ze een licht gezoem dat aangaf dat de computer opstartte. ‘Dat verhaal over bloed op Hugi’s kleren bijvoorbeeld: hoe valt dat in jullie theorie in te passen?’ Matthias antwoordde niet, dus ging ze verder: ‘En dat met die papieren daarstraks: ik zie helemaal geen verband tussen de moord en essays voor de universiteit, vooral omdat Harald zo te zien op het verkeerde pad geraakt was bij zijn bronnenonderzoek.’

‘Ik ben zeker van mijn zaak,’ zei Matthias zonder Þóra direct aan te kijken.

Iets in zijn gedrag viel Þóra op. Het was niet zijn gewoonte om haar niet in de ogen te kijken, maar afgezien daarvan merkte ze hoe hij naar het schermpje van zijn gsm staarde, alsof hij hoopte dat iemand zou bellen en hem van dit gesprek zou verlossen. Þóra sloeg haar armen over elkaar en keek hem scherp aan. ‘Je houdt iets voor mij verborgen.’

Matthias staarde nog steeds hoopvol naar zijn gsm. ‘Ja, ik mag toch echt hopen dat ik al mijn geheimen in deze korte tijd dat we elkaar kennen, nog niet heb onthuld,’ zei hij met een gemaakt opgewekte stem.

‘Onzin: je weet heel goed wat ik bedoel. Er zit wat meer achter dan geld en ogen die verdwijnen.’ Þóra had er nog steeds wat problemen mee, wanneer het over het ontbreken van de ogen in het lijk ging. Het was haar nog niet gelukt om er één zin over te uiten die vloeiend liep: haar woorden wilden er op een of andere manier niet uit komen. ‘Er is trouwens ook niets anders: ja, een of ander mailbericht, dat op zichzelf niets zegt, en nu een vinger die gevonden is op de universiteit waar de professoren het Spaans benauwd van kregen en die ze daarom vlug weggegooid hebben.’

Matthias stopte zijn gsm in zijn zak. ‘Al heb ik inderdaad iets voor je verborgen gehouden, wil je me dan toch op mijn woord geloven dat Hugi de moordenaar niet kon zijn of in elk geval niet alleen te werk gegaan is?’

Þóra lachte hardop. ‘Nee, eigenlijk niet.’

Matthias stond op. ‘Dat is jammer. Om je de waarheid te zeggen kan ik namelijk over bepaalde informatie niet in mijn eentje een beslissing nemen,’ zei hij en hij voegde er vlug aan toe: ‘Dat wil zeggen: als er meer te vertellen viel.’

‘Laten we nu eens doen alsof er inderdaad meer te vertellen valt en degene die de beslissing mag nemen om mij daarin te betrekken, daar positief tegenover staat. Zou het dan geen goed idee zijn als jij dat zou navragen?’

Matthias keek haar nadenkend aan en liep vervolgens weg. Þóra zag dat hij opnieuw zijn gsm in zijn hand had. Hopelijk was hij weggelopen om te gaan bellen. Þóra spitste haar oren en hoorde een onduidelijk gesprek vanuit de gang. Ze gaf het op om te proberen iets op te vangen en draaide zich weer om naar de computer. Een klein grijs vakje midden op het scherm vertelde haar dat ze het wachtwoord voor de administrator moest intoetsen. Þóra wist het wachtwoord niet en probeerde het steeds weer opnieuw: ‘Harald’, ‘Malleus’, ‘Windows’, Hexen en meer van dien aard. Niets werkte. Ze leunde achterover en keek hoopvol om zich heen op zoek naar inspiratie. Op een plank boven het bureau stond een ingelijste foto, die ze pakte. Het was een foto van een gehandicapte jonge vrouw in een rolstoel. Je hoefde er geen genie voor te zijn om te begrijpen dat dit Haralds zuster was, die een paar jaar ervoor overleden was. Hoe heette ze ook weer? Was ze niet naar haar moeder vernoemd? Hoe heette die ook alweer? Anna? Nee, maar het was wel iets wat met een A begon. Het was niet Agatha of Angelina. Amelia, ze heette Amelia Guntlieb. Þóra probeerde dat als wachtwoord in te toetsen. Er gebeurde niets. Ze zuchtte en besloot de naam niet met een hoofdletter, maar met een kleine letter in te typen: amelia.

Bingo! De computer liet het welbekende Windows-melodietje horen en Þóra was ingelogd. Ze bedacht hoeveel tijd de politie nodig had gehad om het wachtwoord te vinden en begreep dat ze wel een of andere computerexpert moesten hebben, die er via een omweg in gekomen was. Het kon haast niet dat ze er uren aan gezeten hadden en het steeds weer geprobeerd hadden. Het wallpaper op het scherm was nogal ongewoon en het kostte Þóra wat tijd om te begrijpen wat erop stond. Het gebeurde immers niet elke dag dat ze op een zeventien-inch beeldscherm in een mondholte keek. En wat voor een mondholte, want de tong zat aan weerszijden in twee tangen van roestvrij staal geklemd en er had zich een vuurrode scheidslijn over de punt of liever gezegd punten van de tong gevormd. Hoewel Þóra van zulke dingen misselijk werd, was haar in elk geval duidelijk dat de foto genomen was toen men bezig was de tong in te snijden. Of de operatie was aan de gang óf hij was net afgerond. Þóra had met wie ook maar een weddenschap willen afsluiten over wie de eigenaar van de tong was. Dat moest Harald zelf geweest zijn. Ze haalde aan aantal keren diep adem om van de misselijkheid af te komen.

Op de computer stonden een kleine vierhonderd tekstbestanden. Þóra rangschikte ze naar datum, waardoor de jongste het eerst verschenen. Hun titels waren verhelderend: op de eerste regel stonden documenten gerangschikt die allemaal gemeen hadden dat het woord Hexen erin voorkwam. Aangezien het al laat geworden was, pakte Þóra haar usb-stick uit haar handtas. Ze kopieerde alle heksendocumenten naar de stick, zodat ze die avond thuis in alle rust de bestanden kon bekijken, als Matthias haar in vertrouwen zou nemen en zou vertellen wat de familie Guntlieb haar eerder op dit punt verzwegen had. Als hij dat niet zou doen, dan was ze van plan de avond te verdoen met uitrekenen of ze het zich echt niet kon veroorloven hun te zeggen dat ze naar de pomp konden lopen. Kort gezegd: ze had er geen zin in om voor spek en bonen te werken.

Er was nog geen teken van Matthias en Þóra besloot te kijken wat voor gescande documenten op de computer te vinden waren. Ze vroeg het apparaat heel keurig om alle documenten te vinden die op .pdf eindigden, en dat leverde een stuk of zestig bestanden op. Ze ordende ze op datum, kopieerde de meest recente en zette die op haar usb-stick. Ze zou vanavond nog genoeg te doen hebben, dat stond vast. Þóra kwam vervolgens op het idee om foto’s die in de computer stonden te bekijken en opende de map met fotobestanden. Harald had duidelijk een digitale camera gehad en er flink gebruik van gemaakt. Er verschenen honderd bestanden, maar hun titels zeiden Þóra niets, aangezien de computer de bestanden een serie willekeurige nummers toegekend had. Harald was er nog niet aan begonnen de namen van die bestanden te veranderen; net zomin als Þóra, wanneer ze op haar eigen computer foto’s opsloeg. Ze koos ervoor de bestanden steekproefsgewijs te bekijken, zodat ze tot op zekere hoogte kon bepalen wat er op welke foto stond. Net als eerder rangschikte ze ze op datum. Þóra zag dat de meest recente foto’s in de woning genomen waren. De onderwerpen waren wat vreemd: op een paar stond niets bijzonders, de meeste waren in de keuken genomen tijdens het koken, dat van alle kanten belicht werd. Er stond niemand op de foto’s, maar op twee vielen handen te onderscheiden en Þóra kopieerde die naar haar usb-stick voor het geval de handen bij de moordenaar hoorden. Je kon maar nooit weten. Die foto’s van een geweldig pastagerecht in diverse stadia liet ze voor wat ze waren.

Þóra liep de foto’s langs en zag dat veel nogal ongelukkig genomen waren voor degenen die erop stonden: ze waren genomen tijdens diverse seksuele activiteiten. Þóra kleurde rood van plaatsvervangende schaamte voor de deelnemers, nadat ze meer van dit soort foto’s op het beeldscherm voorbij had zien komen. Ze kreeg het niet over haar hart om ze te vergroten – hoewel ze het vreselijk graag wilde – uit angst dat Matthias binnenkwam om te kijken wat ze deed. Vervolgens stuitte Þóra op een heleboel foto’s van de tongoperatie, waaronder ook de foto die Harald als achtergrond voor zijn desktop gekozen had. Er viel niet op te maken wie erbij aanwezig waren geweest, maar je kon een paar buiken zien en dus kopieerde Þóra die foto’s naar haar usb-stick. Andere foto’s waren allerlei kiekjes van feesten waarop veel gaande was, en daartussen zaten – totaal onverwacht – foto’s van de IJslandse natuur en van reizen door het binnenland. Een paar waren erg donker en lieten niets anders dan grijze rotswanden zien; toen Þóra een van de foto’s vergrootte, dacht ze een duidelijk kruis te zien dat uitgehouwen was in een van de rotswanden. Een heleboel foto’s waren genomen in een plaatsje dat Þóra niet herkende: veel ervan in een museum waarin naar het scheen een handschrift tentoongesteld werd en verder een steen van doleriet in een vitrine. Een van die foto’s was van een bordje; Þóra vergrootte hem in de hoop dat er op het bordje stond om welk museum het ging, maar ze werd teleurgesteld: er stond alleen ‘Verboden foto’s te nemen’. Þóra besloot de rest van de foto’s niet te bekijken: ze was bij tamelijk oude kiekjes aanbeland, die nauwelijks met de zaak te maken konden hebben. Ze bekeek de e-mail om te zien wat die nog verborgen hield. In de inbox lagen zeven ongeopende berichten te wachten. Waarschijnlijk waren er meer berichten binnengekomen sinds Harald vermoord werd, maar die moest de politie wel gezien en geopend hebben.

Matthias kwam binnen en Þóra keek op van de computer. Hij ging weer op zijn stoel zitten en glimlachte mysterieus. ‘En?’ zei ze vragend en ze wachtte op wat ging komen.

‘Also,’ zei Matthias en hij leunde naar achteren. Hij steunde met zijn ellebogen op zijn knieën en vouwde zijn handen in elkaar, alsof hij wilde gaan bidden. ‘Voordat ik je vertel wat jij zo nodig denkt te moeten weten,’ – hij legde op elk woord nadruk – ‘moet je me één ding beloven.’

‘En dat is?’ vroeg Þóra, terwijl ze het antwoord al wist.

‘Wat ik je ga vertellen is absoluut geheim en moet tussen ons blijven. Voordat ik het je vertel, moet ik bevestiging van je hebben dat je dit respecteert. Begrepen?’

‘Hoe moet ik weten of ik zo’n belofte kan houden, als ik geen idee heb waarover het gaat?’

Matthias haalde zijn schouders op. ‘Dat risico moet je dan maar nemen. Ik kan je eerlijk zeggen dat je het waarschijnlijk verder wilt vertellen; dat zeg ik zodat je weet dat ik je niet in een of andere val wil lokken.’

‘Aan wie zou ik het verder willen vertellen?’ vroeg Þóra. ‘Dat wil ik dan wel weten.’

‘De politie,’ antwoordde Matthias zonder te aarzelen.

‘Dus jij of Haralds familie beschikt over informatie die van groot belang voor de zaak zou kunnen zijn, maar hebt ervoor gekozen om dat geheim te houden? Heb ik dat nu goed begrepen?’

‘Mmm, ja,’ antwoordde Matthias.

‘Ik zal erover nadenken,’ zei Þóra. Ze dacht erover na. Ze verwachtte dat een of ander protocol haar ertoe kon verplichten om de autoriteiten in kennis te stellen van dingen die van openbaar belang konden zijn. Ze zou dit aanbod moeten afslaan en de politie ervan op de hoogte moeten brengen dat Matthias bewijsstukken achterhield of iets anders in verband met deze moordzaak. Aan de andere kant wist ze heel goed dat hij het alleen maar zou ontkennen en dan zou haar aandeel in dit onderzoek ten einde zijn. Dat deed niemand enig goed. Met enige soepelheid zou je echter ook kunnen concluderen dat het haar morele plicht was haar mond te houden en te proberen het raadsel dat voor hen lag naar beste kunnen op te lossen, gewapend met deze fantastische nieuwe informatie. Iedereen blij. Þóra dacht er in stilte over na. Liever een onzekere afloop dan de beste in de huidige situatie: een protocol moest toch op verzachtende omstandigheden berekend zijn, daar het doel de middelen heiligde. En zo niet, dan werd het tijd om het protocol te veranderen.

‘Oké,’ zei Þóra uiteindelijk. ‘Ik zal beloven niemand iets te vertellen – zelfs de politie niet – ongeacht wat je me ook wilt vertellen.’ Matthias glimlachte blij over haar beslissing, maar voordat hij iets uit de doeken kon doen, voegde ze er haastig aan toe: ‘Maar in ruil daarvoor moet jij mij beloven dat wij deze informatie aan de autoriteiten doorspelen, voordat het tot een zitting komt, als dit geheim de onschuld van Hugi bewijst en het ons niet lukt om dat op een andere manier aan te tonen.’ Matthias opende zijn mond, maar Þóra gaf hem geen gelegenheid iets te zeggen: ‘En er wordt niet aan de autoriteiten verteld dat ik hier kennis van had. En…’

Matthias legde haar het zwijgen op. ‘Oké, genoeg.’ Nu moest hij erover nadenken. Hij staarde Þóra aan zonder met zijn ogen te knipperen. ‘Afgesproken: jij vertelt niets en ik stel de politie van deze brief op de hoogte als het ons niet lukt om de onschuld van die Hugi tijdig vóór het voorkomen van de zaak te bewijzen.’

Brief? Nog een brief? Þóra begon zo langzaam aan te denken dat de hele zaak een grote grap was, als de autopsiefoto’s, die haar zeer helder voor de geest stonden, er niet waren geweest. ‘Wat voor brief bedoel je?’ vroeg ze. ‘Ik houd me aan mijn belofte.’

‘Een brief die Haralds moeder kort na de moord ontving,’ antwoordde Matthias. ‘Deze brief overtuigde de ouders ervan dat degene die vastzat, niet de schuldige kon zijn. Hij is namelijk verzonden, nadat Hugi in de gevangenis terechtgekomen was en niet meer in staat was om snel even naar het postkantoor te gaan. Ik betwijfel of de politie hem een plezier gedaan heeft door voor hem naar het postkantoor te gaan, met name omdat ze dan waarschijnlijk eerst de inhoud hadden onderzocht.’

‘En dat was?’ vroeg Þóra ongeduldig.

‘Wat erin stond was op zich niet zo vreemd; dat wil zeggen dat de tekst genadeloos met Haralds moeder afrekende. Maar de brief was geschreven met bloed: Haralds bloed.’

‘O god,’ liet Þóra zich ontglippen. Ze probeerde zich voor te stellen wat voor gevoel het moest zijn om een brief geschreven met het bloed van je overleden zoon te krijgen, maar ze was zo onder de indruk dat ze er niet in slaagde: ze vond het te onwerkelijk. ‘Van wie was die brief afkomstig? En hoe weten jullie dat het bloed van Harald was?’

‘De brief was met Haralds naam ondertekend, maar een handschriftdeskundige heeft bepaald dat het zijn handschrift niet was. Hij kon dat ook niet bevestigen, omdat het schrijfgerei nogal grof was en het handschrift daardoor slecht met dat van Harald vergeleken kon worden. De brief is trouwens voor onderzoek opgestuurd en daar is onder andere nagetrokken of het bloed van hem was. Dat bleek zo te zijn, maar het was niet helemaal onweerlegbaar: ze vonden ook sporen van het bloed van een roofvogel dat volgens het laboratorium met Haralds bloed vermengd scheen te zijn.’

Þóra sperde haar ogen wijd open. ‘Vogelbloed?’ Dat vond ze nog walgelijker dan dat mensenbloed alleen. ‘Wat stond er eigenlijk in die brief?’ vroeg ze. ‘Heb je hem bij je?’

‘Ik heb het origineel niet, als je dat bedoelt,’ antwoordde Matthias. ‘Zijn moeder zal het niet uit handen geven en ook geen kopie ervan. Ze zou een moord begaan, als dat gebeurde. Het was allemaal nogal onaangenaam.’

Þóra keek hem teleurgesteld aan. ‘En wat nu? Ik moet toch weten wat erin stond? Hebben jullie hem door iemand laten vertalen?’

‘Inderdaad, ja. Het was een gedicht over liefde dat best mooi begon, maar al gauw vrij gruwelijk werd.’ Hij keek naar Þóra en glimlachte. ‘Ik hebt trouwens mazzel dat ik het op kon schrijven, want ik was degene die hem moest vertalen. Met behulp van een woordenboek IJslands-Duits. Ik krijg waarschijnlijk geen prijs voor mijn vertaalwerk, maar de kern werd zo wel duidelijk.’ Terwijl Matthias dit zei, haalde hij een opgevouwen A4-tje uit zijn jaszak. Hij gaf het papier aan Þóra. ‘Sommige letters zijn misschien niet juist, want ik kende ze niet allemaal, maar het zou allemaal ongeveer moeten kloppen.’

Þóra las het gedicht. Het was een lange tekst, als je je realiseerde dat het origineel met bloed geschreven was. Ze kon zich niet voorstellen hoeveel bloed ervoor nodig was geweest om al deze letters te schrijven. Matthias had het met hoofdletters geschreven, waarschijnlijk in navolging van het origineel. Op het papier stond:

Ik kijk naar jou

maar geef jij me

genegenheid en liefde

met heel je hart.

Zit nergens,

lijd nergens,

tenzij je van me houdt.

Daarom bid ik Odin

en allen

die vrouwelijke runen

kunnen ontrafelen

dat jij nergens

ter wereld lijdt

of gegrepen wordt,

tenzij je van me houdt

met heel je hart.

Zo zal het jou in je botten

die je allemaal verbrandt

en in je vlees

steeds slechter gaan.

Blijf vrijgezel,

tenzij je van me houdt,

je voeten zullen bevriezen,

krijg nooit eer

of geluk.

Zit brandend,

laat je haar verweren,

scheur je kleren,

tenzij jij mij

dolgraag wilt hebben.

Þóra voelde zich onder het lezen wat vreemd: het gedicht was op een akelige manier gestoord. Ze kijk naar Matthias. ‘Ik ken dit helaas niet. Wie doet zoiets nou?’

‘Dat weet ik toch ook niet,’ antwoordde Matthias. ‘Wat nog onaangenamer was aan het origineel, was dat het op vel geschreven was: kalfsvel. Je moet echt een zieke geest hebben om de moeder van een vermoorde jongen zoiets aan te doen.’

‘Waarom zijn moeder? Was het niet ook aan zijn vader gericht?’

‘Er stond meer in, maar dat was in het Duits; ik heb het niet overgeschreven, maar herinner me enigszins waar het op neerkwam.’

‘En dat was?’ vroeg Þóra.

‘Het was een korte tekst, iets van de volgende strekking: “Mama, ik hoop dat je het gedicht en het cadeautje leuk vindt. Je zoon Harry.” Het woord “zoon” was twee keer onderstreept.’

Þóra keek van het papier naar Matthias. ‘Wat voor cadeautje? Kwam er nog iets na die brief?’

‘Nee, volgens de ouders niet en ik geloof hen. Ze waren volkomen ontdaan, toen dit bezorgd werd, en absoluut niet in staat om overtuigend te liegen.’

‘Waarom staat er “Harry” onder? Had de schrijver soms niet genoeg bloed meer?’

‘Nee, naar het schijnt werd hij door zijn oudste broer “Harry” genoemd, toen ze nog heel jong waren. Dat weten maar heel weinig mensen en is daarom een van de redenen dat die brief zijn moeder zo aangegrepen heeft.’

Þóra keek Matthias aan. ‘Was ze naar tegen hem? Klopt dat?’ Ze moest denken aan de foto’s van het kleine, afgewezen jongetje.

Matthias antwoordde niet meteen. Toen hij begon, koos hij zijn woorden heel voorzichtig en er was hem duidelijk veel aan gelegen dat hij het juist verwoordde, aangezien het een privéaangelegenheid van zijn werkgevers betrof, voor wie hij veel respect scheen te hebben. ‘Ik zweer je dat ik dat niet weet. Het was eerder alsof ze hem vermeed. Toch weet ik zeker dat ze de brief naar de politie op IJsland gestuurd zou hebben, als hun relatie goed geweest was. Dit raakte duidelijk een gevoelige plek.’ Hij zweeg even en keek nadenkend naar Þóra, voordat hij verderging. ‘Ze heeft gevraagd of ze met je kon praten. Van moeder tot moeder.’

‘Met mij?’ Þóra’s mond viel open. ‘Wat wil ze nou van mij? Zich verontschuldigen voor vreemd gedrag naar haar kind toe?’

‘Dat zei ze er niet bij,’ antwoordde Matthias. ‘Ze zei alleen dat ze met je wilde praten, maar niet in verband waarmee. Ze wilde er alleen wat beter mee om kunnen gaan.’

Þóra zei niets. Ze zou natuurlijk met de vrouw praten, als die dat wenste, maar het laatste waar ze zin in had, was iemand die haar kind pijn gedaan had, troosten. ‘Ik zie niet wat het doel is van deze brief,’ zei ze om van onderwerp te veranderen.

‘Ik ook niet,’ antwoordde Matthias kort. ‘Het is echt gestoord om te doen alsof Harald de brief zelf heeft gestuurd. Het lijkt mij daarom het meest waarschijnlijk dat de moordenaar gek is.’

Þóra staarde naar het papier. ‘Kan het zijn dat degene die dit geschreven heeft, duidelijk wilde maken dat Harald dood was en dat hij zijn moeder wilde achtervolgen?’

‘Met welk doel?’ vroeg Matthias terecht. ‘Wie heeft er nou zelf baat bij om haar op die manier te kwellen?’

‘Harald, natuurlijk, maar die was dood,’ zei Þóra. ‘Misschien zijn zus: misschien was hun moeder ook naar tegen haar?’

‘Nee,’ antwoordde Matthias. ‘Niemand is naar tegen haar geweest; dat kan ik je verzekeren. Zij is de oogappel van haar ouders.’

‘Maar wie kan het dan zijn geweest?’ vroeg Þóra zonder enige hoop op antwoord.

‘Hugi in elk geval niet. Tenzij hij een handlanger had.’

‘Pech dat we niets van het bloed op zijn kleren wisten, toen we vanochtend met hem gesproken hebben.’ Þóra keek op de klok. ‘Misschien krijg ik hem telefonisch wel te pakken.’ Ze belde 118 en kreeg het nummer voor de gevangenis in Litla-Hraun. De dienstdoende bewaarder gaf haar toestemming om met Hugi te praten, op voorwaarde dat het gesprek kort zou zijn. Ze wachtte ongeduldig een paar minuten aan de lijn en luisterde naar een elektronische versie van Für Elise, totdat Hugi’s stem buiten adem door de hoorn klonk.

‘Hallo.’

‘Ja hoi, Hugi, met Þóra Guðmundsdóttir van vanochtend. Ik zal het niet lang maken, maar helaas zijn we eerder vergeten je te vragen hoe het zat met dat bloed op je kleren. Hoe verklaar jij dat?’

‘Dat verdomde bloed,’ zuchtte Hugi. ‘De politie vroeg me ernaar. Ik weet niet welk T-shirt met bloed ze bedoelden, maar ik legde ze uit hoe het zat met dat bloed op de kleren die ik die avond aanhad.’

‘Hoe zat dat dan?’ vroeg Þóra.

‘Ik en Harald gingen op dat feest naar de wc om coke te snuiven. Hij kreeg een enorme bloedneus en spatte mij onder het bloed. Het was een heel klein toilet.’

‘Was het niet mogelijk om dat te laten bevestigen?’ vroeg Þóra. ‘Zouden andere feestgangers niet gemerkt hebben dat jij onder de bloedspatten uit de wc kwam?’

‘Ik zat niet helemaal onder het bloed en daarnaast was iedereen bezopen en van de wereld. In elk geval heeft niemand er tegen mij een opmerking over gemaakt. Je zou toch denken dat iemand het doorhad.’

Shit, dacht Þóra. ‘Maar dat met bloed doorweekte T-shirt in je kast: weet jij hoe dat daar beland is?’

‘Geen idee.’ Er volgde een korte stilte en toen vlug: ‘Ik denk dat de politie het daar neergelegd heeft. Ik heb Harald niet vermoord en heb ook geen bloed opgedweild met een T-shirt. Ik weet niet eens of het een T-shirt van mij of van een ander is. Ik heb het nooit te zien gekregen.’

‘Dat zijn zware beschuldigingen, Hugi, en om je de waarheid te zeggen denk ik niet dat de politie zoiets doet. Er moet wel een andere verklaring voor zijn, als wat je zegt waar is.’ Ze rondden het gesprek af en Þóra lichtte Matthias in.

‘Nou ja, hij heeft toch een verklaring voor één van de twee vragen,’ zei hij. ‘We moeten bij de andere feestgangers natrekken of ze zich iets van een bloedneus herinneren.’

‘Ja,’ zei Þóra met weinig hoop dat dat iets zou opleveren. ‘Maar ook als ze het zich herinneren, dan hebben we nog geen verklaring voor het T-shirt in zijn kast.’

‘Pling!’ klonk het uit de computer en ze keken tegelijk naar het scherm. You’ve got mail stond er in een kadertje rechtsonder in de hoek. Þóra pakte de muis en klikte op het plaatje van een kleine envelop.

De post kwam in beeld: van Mal.