7
In Het Internationale Café was het niet druk. Þóra had juist dat café gekozen, omdat het daar mogelijk was in alle rust en kalmte te praten, dit in tegenstelling tot de meeste andere cafés in de stad. Matthias en zij zouden kunnen praten zonder bezorgd te hoeven zijn dat gasten aan nabijgelegen tafels mee zouden luisteren. Ze zaten afgezonderd in een zijkamer van het etablissement. Op het geblokte tafelblad tussen hen in lag de gele archiefmap met de autopsiegegevens, die Matthias meegekregen had.
‘Het zal je beter gaan nadat je koffie gedronken hebt,’ zei Matthias niet helemaal op zijn gemak en hij keek in de richting van de deuropening, waardoor een serveerster net met hun bestelling weggelopen was.
‘Het gaat uitstekend met mij,’ antwoordde Þóra bits. Dat klopte inderdaad: de misselijkheid die haar bij de arts had overvallen, was voorbij. Ze was van zijn werkkamer naar een toilet gegaan dat ze op de gang gevonden had, en was erin geslaagd zich op te frissen door koud water in haar gezicht te gooien. Ze had altijd een nogal zwakke maag gehad en het had haar eraan herinnerd hoe slecht ze tegen de studieboeken kon die haar ex overal geopend rond liet slingeren toen hij Geneeskunde studeerde. De foto’s in die boeken kwamen nog niet in de buurt van wat ze vanochtend gezien had, misschien wel omdat de foto’s uit die boeken op een of andere manier onpersoonlijker waren. Ze voegde er wat vriendelijker aan toe: ‘Ik weet niet wat me bezielde. Ik hoop dat ik die arts niet beledigd heb.’
‘Het waren geen bijzonder aangename foto’s,’ zei Matthias. ‘De meeste mensen zouden net zoals jij reageren. Ik zei tegen hem dat je net van een ziekte hersteld was waarbij je veel moest overgeven en daarom nog niet in staat was om dit soort dingen te bekijken.’
Þóra knikte. ‘Wat voor de duvel waren dat eigenlijk voor foto’s? Ik dacht dat ik het meeste wel begrepen had, maar bij nader inzien weet ik niet zeker of ik de inhoud van die foto’s wel meegekregen heb.’
‘Nadat jij weggegaan was, zijn wij een aantal ervan langsgelopen,’ zei Matthias. ‘Het heeft er veel van weg dat Harald allerlei mutilaties aan zijn eigen lichaam heeft laten uitvoeren. Volgens de arts zijn de oudste iets van een jaar oud en de meest recente een paar maanden.’
‘Waarom deed hij dat?’ vroeg Þóra. Ze kon met geen mogelijkheid begrijpen wat een jongeman ertoe kon brengen zichzelf te verminken.
‘Joost mag weten waarom,’ antwoordde Matthias. ‘Harald was altijd al anders dan de meeste mensen. Op grond van datgene wat ik van zijn familie te weten ben gekomen, ging hij altijd om met figuren aan de rand van de samenleving. De ene keer waren het milieuactivisten, dan weer een groep die tegen de G8 protesteerde. Toen hij zich uiteindelijk op de studie Geschiedenis gestort had, denk ik dat hij wat richting gekregen had in zijn leven.’ Matthias streek zacht over de gele map. ‘Waarom hij hieraan begonnen is, gaat mijn begrip te boven.’
Þóra zei niets terwijl ze nadacht over de foto’s en de pijn die Harald doorgemaakt moest hebben. ‘Wat was het nou precies op die foto?’ vroeg ze en ze voegde er vlug aan toe: ‘Ik kan het wel aan.’
Intussen kwam de serveerster binnen met de koffie en het hapje eten dat ze besteld hadden. Toen ze weg was, begon Matthias te praten. ‘Het waren allerhande operaties en sneden. Wat me het meest trof was zijn tong. Je hebt waarschijnlijk begrepen dat een van de foto’s van Haralds mondholte was.’ Þóra knikte en Matthias ging verder. ‘Hij heeft zijn tong laten insnijden, om precies te zijn hem over de lengte laten klieven. Hij moest ongetwijfeld op een slangentong gaan lijken, waarvan ik eerlijk moet toegeven dat dat uitstekend bij hem paste.’
‘Kon hij nog wel gewoon praten toen zijn tong zo in tweeën gesneden was?’ vroeg Þóra.
‘Volgens de arts is het niet onwaarschijnlijk dat hij daarna enigszins is gaan slissen, maar hij zei dat dat niet zeker was. Verder wees hij erop dat deze operaties niet op zichzelf stonden: het is natuurlijk heel ongewoon, maar Harald was in elk geval op dit gebied geen pionier.’
‘Hij heeft dit niet zelf gedaan? Wie voert nu zulke operaties op mensen uit?’ vroeg Þóra.
‘De arts meende dat dit vrij recentelijk uitgevoerd is, aangezien het niet helemaal genezen was. Hij had er geen idee van wie er gesneden heeft, maar zei er wel bij dat een ieder die de beschikking heeft over verdovingsmiddelen, tangen en scalpels, dit in een oogwenk zou kunnen doen. Hij zei er ook nog bij dat dezelfde persoon antibiotica en pijnstillers zou moeten hebben of op zijn minst toegang daartoe.’
‘Jezus, dat lijkt me duidelijk,’ zei Þóra, ‘maar dan nog: al die zwellingen, littekens, symbolen en haken en Joost mag weten wat nog meer, wat heeft dat allemaal te betekenen?’
‘Volgens de arts had Harald diverse voorwerpen onder zijn huid laten aanbrengen om hun omtrekken te laten uitkomen. Daarbij zaten ook die haken of spikes die uit zijn schouders staken. De arts zei dat ze naast deze dingen nog tweeëndertig versieringen verwijderd hebben, allemaal uit die kleine zwellingen zoals je bij zijn geslachtsdelen gezien hebt.’ Matthias keek Þóra even ongemakkelijk aan. Ze nam een slok van haar koffie en glimlachte ten teken dat ze dit niet pijnlijk vond. Hij ging verder: ‘Op die plaats zaten ook een soort tekens; die bleken allemaal met zwarte kunst en satanisme verband te houden. Harald had veel uithoudingsvermogen: er waren weinig plekken op zijn lichaam die niet op een of andere manier versierd waren.’ Matthias pauzeerde even om een broodje te eten. Daarna ging hij door: ‘Hij schijnt geen genoegen genomen te hebben met traditionele huidversieringen… Want de tatoeages die hij had waren littekens.’
‘Littekens?’ vroeg Þóra. ‘Had hij zijn littekens laten verwijderen?’
‘Nee nee, het waren tatoeages die gezet worden door in de huid te snijden of de huid weg te halen teneinde een patroon of teken van littekens te maken. Een nogal drastische beslissing om zoiets te laten doen. Ik begreep van de arts dat je van zulke tatoeages niet af kunt komen behalve door behandeling van de huid en dan zou er een ander en groter litteken achterblijven.’
‘Tsja, ja,’ zei Þóra verwonderd. Alles was nu duidelijk. Toen zij jong was, werd het al wild gevonden drie gaatjes in je oor te hebben.
‘De arts zei verder dat één snee aan Harald verricht is nadat hij gestorven was. Eerst dachten ze dat het slechts een van de tatoeages was die hij onlangs had laten zetten, maar bij nader onderzoek kwam aan het licht dat dat niet het geval was. Het was iets wat op een magisch teken leek in zijn borst gesneden.’ Matthias haalde een pen uit de zak van zijn jas en pakte een wit servetje. Hij schetste het teken en gaf het servetje daarna aan Þóra. ‘Dit teken is onbekend,’ vertelde de arts; de politie heeft er althans niets uit kunnen opmaken, dus misschien heeft de moordenaar dat gewoon ter plekke bedacht. Waarschijnlijk waren omstandigheden er de oorzaak van dat hij afgeleid werd en het teken er niet zo uitziet als hij van plan was. Het is niet eenvoudig om in de huid te snijden.’
Þóra pakte het servetje op en bekeek het teken. Het bestond uit vier strepen die een vakje vormden, een soort molen. Aan het uiteinde van de strepen waren er streepjes doorheen gezet die buiten het vak zaten; in het vak was een kleine cirkel getekend.
Þóra gaf Matthias het servetje terug. ‘Ik weet helaas niets van magische tekens af. Ik had ooit een hanger met een rune, maar ik kan me niet herinneren wat die betekende.’
‘We moeten gaan praten met iemand die iets van deze dingen afweet. Wie weet is de politie onzorgvuldig geweest in het onderzoek naar wat dit teken voorstelt. Als we weten wat het betekent, kan dat ons helpen de zaak op te lossen.’ Matthias scheurde het servetje in vieren. ‘In elk geval is de moordenaar tenminste van plan geweest daar zo’n moeite voor te doen. De meeste moordenaars denken aan één ding: na de moord zo snel en zo ver mogelijk weg te komen.’
‘Misschien is de moordenaar krankzinnig,’ opperde Þóra. ‘Je bent toch niet echt bij je verstand als je runen in een lijk snijdt en de ogen eruit haalt.’ Ze huiverde. ‘Tien tegen één dat hij zo stoned als een garnaal was. Hetgeen zou passen bij die arme kerel die nu vastzit.’
Matthias haalde zijn schouders op. ‘Misschien.’ Hij nam een slok koffie. ‘Of misschien niet. We moeten hem hoe dan ook zo snel mogelijk in de gevangenis opzoeken.’
‘Ik zal contact met zijn raadsman opnemen,’ zei Þóra. ‘Hij moet toch voor een gesprek bij hem langs kunnen gaan en zou er bovendien het voordeel van moeten inzien om ons te helpen bij ons onderzoek. Onze belangen vallen samen: als het ons lukt de moordenaar te vinden die de politie over het hoofd gezien heeft, hebben we vanzelfsprekend ook de cliënt van deze man van blaam gezuiverd. Ik heb de politie ook een formeel verzoek om overdracht van de onderzoeksgegevens gestuurd. Zoiets is heel normaal en voor zover ik weet krijgen de naaste verwanten die vaak zonder omhaal overhandigd, behalve in sommige uitzonderingsgevallen.’
Matthias nam nog een broodje en keek op de klok. ‘Wat vind je ervan als we een kijkje in Haralds woning gaan nemen? Ik heb de sleutels en de politie heeft de spullen die ze bij de huiszoeking meegenomen hebben, al teruggegeven. We kunnen misschien in die spullen neuzen om te zien of er iets nuttigs bij zit.’
Þóra vond het een prima plan. Ze stuurde haar zoon een sms’je en vroeg hem of hij zijn zusje meteen uit de naschoolse opvang wilde halen, zodra hij uit school kwam. Þóra voelde zich beter als ze wist dat Sóley snel thuis was en ze liet haar daarom in zo’n geval soms door haar zoon ophalen. Ze probeerde echter wat dit betrof geen misbruik van Gylfi’s goedheid te maken, maar hij was vaak genoeg bereid om op haar verzoeken in te gaan. Þóra had amper de ‘send’-toets ingedrukt toen het antwoord van Gylfi binnenkwam. Ze opende het bericht en las ‘oké; hoe laat kom je thuis?’ Þóra antwoordde direct dat dat tegen zessen zou zijn en vroeg zich af of ze zich gewoon maar inbeeldde dat Gylfi de laatste tijd erg graag wilde weten wanneer ze precies thuis zou komen. Misschien was het om in alle rust computerspelletjes te kunnen spelen, maar het was in elk geval opvallend hoe hij begonnen was hiernaar te vragen.
Voordat Þóra de telefoon wegstopte, belde ze met het kantoor om te laten weten dat ze haar de eerstkomende uren niet hoefden te verwachten. Niemand nam op: het antwoordapparaat ging na vijf keer overgaan aan. Þóra liet een bericht achter dat ze niet naar het kantoor zou komen en hing op. Het merendeel van Bella’s werkzaamheden bestond uit het aannemen van de telefoon, maar hoe zelden Þóra ook naar kantoor moest bellen, slechts in de helft van de gevallen werd de telefoon opgenomen. Þóra zuchtte: ze wist dat het geen enkele zin had dit nog een keer met die secretaresse uit het jaar nul te bespreken. ‘Oké, ik ben klaar,’ zei ze tegen Matthias, die de tijd gebruikt had om wat er van het eten over was, op te eten. Þóra nam de laatste slok koffie uit haar kopje voordat ze opstond en haar jas aantrok.
Ze gingen naar de kassa, waar Matthias afrekende, voordat ze het café verlieten. Hij wees er nadrukkelijk op dat dit alles op kosten van de familie Guntlieb was, maar het was Þóra niet duidelijk of hij dit deed omdat hij niet wilde dat zij dacht dat hij het haar aangeboden had, of dit gezegd had uit de pure plicht tot het geven van uitleg. Ze knikte ongeïnteresseerd en bedankte hem.
Ze liepen de vrieskou in en gingen naar de parkeergarage waar ze de huurauto geparkeerd hadden. De woning van Harald was aan de Bergstaðastræti niet ver van de Hverfisgata. Þóra was goed bekend in de wijk Þingholt sinds ze aan de Skólavörðustígur was gaan werken, dus ze kon Matthias zonder problemen de weg wijzen. Hoewel er niet veel straten in de wijk waren, kon het verwarrend zijn voor degenen die er niet bekend waren om al rijdend door de tamelijk nauwe straatjes met eenrichtingsverkeer de weg te vinden. Ze vonden een parkeerplaats pal voor een eerbiedwaardig wit stenen huis aan de Bergstaðastræti, waarvan Matthias zei dat het Haralds woning was. Het was een van de aantrekkelijker gebouwen in de wijk: zo te zien goed onderhouden en Þóra wilde zich dan ook geen voorstelling maken hoe hoog het getaxeerd was. Het verklaarde althans de duizelingwekkend hoge huur die ze in de huurovereenkomst van Harald gezien had.
‘Ben je hier al eens eerder geweest?’ vroeg Þóra terwijl ze naar een deur aan de zijkant van het huis liepen. De hoofdingang, die op de straat uitkwam, gaf volgens Matthias toegang tot een andere woning op de begane grond, waar de eigenaren van het huis woonden.
‘Ja, een paar keer om precies te zijn,’ antwoordde Matthias. ‘Dit is echter pas de tweede keer dat ik er uit eigen beweging naartoe ga, om het zo maar te zeggen. De eerste keren ben ik hier met de politie geweest. Ze hadden een getuige nodig toen ze omwille van het onderzoek enige papieren en voorwerpen weghaalden en daarna nog een keer toen ze die terugbrachten. Ik ben er vrijwel zeker van dat wij het appartement veel nauwkeuriger kunnen onderzoeken dan de politie deed. Ze hadden voor zichzelf al besloten dat deze Hugi de moordenaar was en hebben de woning daarom dus meer pro forma onderzocht.’
‘Is de woning net zo ongewoon als de bewoner was?’ vroeg Þóra.
‘Nee, ze is heel gewoon,’ antwoordde Matthias en hij stak een van de twee sleutels in het slot van de buitendeur. De sleutels hingen aan een stalen sleutelhanger waarop een afbeelding stond van de IJslandse vlag. Þóra trok daaruit de conclusie dat de sleutelhanger apart voor deze sleutels in een van de souvenirwinkels in de stad gekocht was. Ze zag Harald niet direkt voor zich op zo’n winkeltochtje, omgeven door IJslandse wollen truien en papegaaiduikers. ‘Ga je gang,’ zei Matthias, terwijl hij de deur opende.
Voordat Þóra binnen kon gaan, kwam er een jonge vrouw om de hoek, die hen in vrijwel vlekkeloos Engels aansprak. ‘Pardon,’ zei ze, terwijl ze de getailleerde trui die ze aanhad dichter om zich heen trok om de kou af te weren. ‘Bent u hier niet namens de familie van Harald?’
Aan de kleren van de vrouw kon Þóra afleiden dat ze uit de andere woning gekomen moest zijn. Matthias reikte de vrouw de hand en zei in het Engels: ‘Ja, hallo; we hebben elkaar ontmoet toen ik de sleutels bij u opgehaald heb. Ik heet Matthias.’
‘Ja, dat herinner ik me,’ zei de vrouw. Ze schudde Matthias de hand en glimlachte. Ze was heel aantrekkelijk, slank met mooi gekapt haar en een mooi, opgemaakt gezicht, overduidelijk zeer bemiddeld. Toen ze glimlachte, zag Þóra dat ze misschien toch niet zo jong was als ze op het eerste gezicht leek, aangezien er zich vele rimpeltjes om haar mond en ogen gevormd hadden. De vrouw gaf Þóra een hand. ‘Hallo, ik heet Guðrún,’ zei ze in het IJslands en ze liet erop volgen: ‘Mijn man en ik waren Haralds huurbazen.’
Þóra stelde zich voor en glimlachte terug. ‘We wilden alleen maar een beetje rondkijken. Ik weet niet hoelang we nodig hebben.’
‘O, geen enkel probleem,’ zei de vrouw vlug. ‘Ik vroeg me alleen wel af of er al bericht was over wanneer de woning vrijkomt.’ Ze lachte weer, ditmaal verontschuldigend. ‘We hebben al wat aanvragen gekregen, begrijpt u.’
Þóra begreep het helemaal niet. Zij wist immers niet beter dan dat de familie Guntlieb de huur nog betaalde en men het toch heel goed zou moeten vinden om een woning voor die prijs te verhuren zonder dat dit met ongemak van de huurders gepaard ging. Ze wendde zich naar Matthias, die de vrouw daar waarschijnlijk antwoord op zou kunnen geven.
‘Tot mijn spijt zal dat niet in de nabije toekomst gebeuren,’ antwoordde hij kortaf. ‘De overeenkomst blijft bestaan; dat heb ik u de laatste keer toen we over deze zaak spraken laten weten.’
De vrouw haastte zich om zich te verontschuldigen. ‘Ja, ja, begrijp me niet verkeerd; dat is ook zo. Het leek ons alleen prettig te weten wanneer de familie van plan is de huur op te zeggen. Dit is een duur bezit en het is niet altijd makkelijk huurders te vinden die de vastgestelde huur kunnen betalen.’ De vrouw keek ongemakkelijk naar Þóra. ‘We hebben namelijk een aanbod van een van die grote winkelondernemingen gekregen. Dat is van een dusdanige aard, dat het moeilijk is er nee tegen te zeggen. Ze willen de woning binnen twee maanden hebben, dus vraag ik me af wat u van plan bent. U begrijpt dat toch wel?’
Matthias knikte. ‘Ik begrijp uw dilemma, maar ik kan in de huidige situatie helaas niets beloven,’ zei hij. ‘Het hangt er allemaal van af hoe het gaat met het uitzoeken van Haralds bezittingen. Ik kan u verzekeren dat we niets mee zullen nemen dat van belang zou kunnen zijn.’
De vrouw, die inmiddels rilde van de kou, knikte heftig. ‘Als ik iets kan doen om dit te versnellen, laat u het me dan vooral weten.’ Ze gaf hun een visitekaartje van een importbedrijf dat Þóra niet herkende. Daarop stond de naam van de vrouw en haar telefoonnummer te lezen, en ook een gsm-nummer.
Þóra viste haar kaartje uit haar handtas en gaf dat in ruil aan de vrouw. ‘Neemt u ook het mijne en belt u als u of uw man zich iets herinnert dat ons wellicht zou kunnen helpen. We proberen erachter te komen wie Harald vermoord heeft.’
De vrouw zette grote ogen op. ‘Hoe zit het dan met de man die de politie in hechtenis heeft?’
‘We hebben er twijfels over dat hij de moordenaar is,’ antwoordde Þóra. Ze kreeg het gevoel dat de vrouw geschokt was toen ze dit hoorde. Ze liet er vlug op volgen: ‘Ik denk niet dat u zich nu zorgen hoeft te maken: wie het ook is, het is nauwelijks waarschijnlijk dat hij hierheen zal komen.’ Ze glimlachte.
‘Nee, dat was het niet,’ zei de vrouw gehaast. ‘Ik dacht alleen dat dit allemaal afgerond was.’
Ze namen afscheid en Þóra en Matthias gingen de warmte van de woning binnen. In de hal stonden ze voor een witgelakte trap naar de eerste verdieping, waar de woning te vinden was. Verder was er een deur waarvan Matthias haar zei dat die toegang gaf tot een gezamenlijke wasruimte. Ze liepen de trap op en op de overloop opende Matthias de woning met de andere sleutel aan de sleutelhanger-met-de-vlag.
Het eerste wat Þóra te binnen schoot toen ze naar binnen ging, was dat Matthias een nogal ruime uitleg aan de feiten had gegeven toen hij zei dat de woning ‘heel gewoon’ was. Ze keek verwonderd om zich heen.