4
Hoewel er vijf vellen uit de printer kwamen gerold, voldeed niet één aan Þóra’s verwachtingen. De homepage had duidelijk meer omvat dan waarvoor op het beeldscherm plaats was en Þóra begon op weg terug naar haar werkkamer de teksten te lezen.
In een korte inleiding werd verteld dat Malleus Maleficarum ongetwijfeld een van de beruchtste boeken in de geschiedenis van de mensheid was. Het was voor het eerst in 1486 uitgegeven en moest een handleiding voor onderzoeksrecht zijn; het moest degenen die daarin werkzaam waren, leren heksen te herkennen en te vervolgen. Er werd gezegd dat het boek er nadruk op legde dat zwarte kunst en diverse volksgebruiken voortaan als godslasterlijk beschouwd werden en dat daar in die tijd de doodstraf op stond: zij die daaraan schuldig bevonden werden moesten op een brandstapel verbrand worden. Het boek bleek in drie delen onderverdeeld te zijn. Het eerste deel was bedoeld om mensen erover te informeren dat tovenaars en heksen echt waren, en ook hoe abnormaal en duivels zoiets was. Vervolgens vertelde het werk dat alleen al het geloven in zwarte kunst godslasterlijk was, wat klaarblijkelijk iets nieuws was. In het tweede deel was een opsomming te vinden van verschrikkelijke verhalen over wat heksen zoal uitvoerden. Seks met duivelse schepsels vierde hierbij hoogtij. Het derde en laatste deel legde de basis voor gerechtelijke vervolging van heksen. Er werd benadrukt dat folteringen toegestaan waren om bekentenissen te krijgen en dat allen in staat geacht werden om tegen degene te getuigen die van dergelijke misdaden beschuldigd werd, ongeacht hun reputatie of iets anders wat een getuige in andere gevallen onbekwaam of bevooroordeeld maakte.
Er werd gezegd dat de schrijvers van de tekst twee dominicanen waren: Jakob Sprenger, de toenmalige rector magnificus van de universiteit in Keulen, en Heinrich Kramer, hoogleraar in de Godgeleerdheid aan de universiteit van Salzburg en aangesteld als ‘Inquisitor’ bij het onderzoeksgerechtshof in Tirol. Van laatstgenoemde werd verondersteld dat hij een groter aandeel in het geschrift had gehad, aangezien hij vanaf 1476 een aanzienlijke bijdrage aan de vervolging van heksen geleverd had. Het werk werd geacht geschreven te zijn op initiatief van de toenmalige paus, Innocentius viii, die te oordelen naar wat er over hem te lezen stond nu niet bepaald een charmant persoon was. Hij zou het startsein hebben gegeven voor de heksenjachten in Europa met de uitgave van een pauselijke verklaring op 5 december 1484, getiteld Daarin werd het onderzoeksgerechtshof toegestaan heksen te vervolgen en werd hekserij aan godslastering gelijkgesteld.
Deze paus probeerde, eenmaal op leeftijd gekomen, zijn eigen dood te voorkomen door het drinken van moedermelk en door bloedtransfusies. Het verzekerde hem niet van een vergroting van zijn hoeveelheid levensdagen, maar had daarentegen de dood van drie jongens van tien tot gevolg.
Þóra zag dat het boek snel verspreid was geraakt vanwege de opkomst van de boekdrukkunst en vanwege het feit dat de auteurs bekende en gerespecteerde mannen waren. Zowel katholieken als protestanten gebruikten het boek als uitgangspunt in de strijd tegen hekserij. Delen ervan kwamen terecht in de wetboeken van het Heilige Roomse Rijk, waaronder die van het huidige Duitsland, Oostenrijk, Tsjechië, Zwitserland, Oost-Frankrijk, Nederland en delen van Italië. Þóra kon het maar nauwelijks geloven toen ze las dat het boek nog regelmatig opnieuw uitgegeven werd.
Ze legde de print weg. Dit was zeker interessant, maar een zeshonderd jaar oud boek wierp tegelijkertijd nauwelijks licht op de moord op Harald Guntlieb. Ze keek op de klok en zag dat ze nog maar een uur overhad. Ze niette de bladen aan elkaar, legde ze terzijde en trok de map over Harald weer naar zich toe. Ze bladerde naar het zesde hoofdstuk, het deel over het politieonderzoek.
Op het eerste gezicht was de samenvatting niet dik genoeg om alle details van de zaak in hun geheel te kunnen omvatten. Misschien was het Matthias niet gelukt meer dan een paar delen te krijgen; Þóra vond het trouwens sowieso moeilijk te geloven dat hij die in zijn bezit gekregen had zonder dat hij formeel had hoeven proberen ze in handen te krijgen. Ze las vlug de inhoud door die een kopie van politieverhoren bleek te zijn, een halve maand geleden bij ontvangst afgestempeld. Op dit gebied was ze thuis. Het was allemaal in het IJslands en misschien de reden waarom de familie Guntlieb besloten had een IJslander in de arm te nemen. Er was veel op de bladzijden gekrabbeld en het was duidelijk dat Matthias geprobeerd had zich erdoorheen te worstelen. Matthias had onder andere boven in de rechterhoek van de meeste rapporten een korte notitie geschreven waarin hij vastlegde wie elke keer aan het verhoren geweest was, en ook de relevantie van het gesprek voor de zaak. De meeste rapporten betroffen verhoren van Hugi Þórisson die nog steeds in hechtenis was en een uitspraak in de zaak afwachtte. Þóra vond het opmerkelijk dat hij bij de verhoren vanaf het begin de rechtspositie van verdachte en nooit die van getuige had gehad; iets had er dus voor gezorgd, dat hij van meet af aan als verdachte was aangemerkt. Aldus had hij overeenkomstig de IJslandse wet niet naar waarheid een verklaring hoeven afleggen, zoals voor een getuige geldt. Hij kon dus praktisch zeggen wat hij maar wilde, hoewel dat zijn belangen nauwelijks ten goede zou komen wanneer het tot een straf kwam: de rechters zouden namelijk nogal chagrijnig worden als verdachten zeiden dat ze ten tijde van de misdaad bij Donald Duck aten of iets dergelijks.
Þóra besefte hoe Matthias aan deze gegevens gekomen moest zijn. De raadsman van een verdachte heeft toegang tot de stukken van de politie aangaande de zaak in kwestie. De advocaat van Hugi Þórisson had dus toegang tot dit alles gehad. Þóra bladerde vlug door de rapporten op zoek naar een verhoor waar Hugi zijn advocaat bij zich gehad had, zodat ze zou kunnen zien wat voor advocaat dat was. Bij de eerste verhoren was Hugi alleen geweest. Dat was te verwachten: over het algemeen willen getuigen liever niet dat hun advocaat bij het begin van het onderzoek aanwezig is, waarschijnlijk omdat ze denken dat ze daarmee de verdenking op zichzelf laden. Wanneer alles zich verhardt naarmate het onderzoek vordert, wordt het hun echter vaak heet onder de voeten en maar al te vaak weigeren ze uiteindelijk uitspraken te doen zonder dat een advocaat ze ondersteunt. Ook bij Hugi was dit het geval geweest, want Þóra zag dat hij aan het einde van het onderzoek had besloten om zo’n raadsman te vragen. Hij had Finnur Bogason toegewezen gekregen. Þóra herkende de naam. Deze Finnur was een van die advocaten die hoofdzakelijk zaken behartigden waarin ze cliënten toegewezen kregen. Met andere woorden: niemand wendde zich uit eigen beweging tot deze advocaten. Þóra was ervan overtuigd dat hij Matthias voor het juiste bedrag de gegevens had gegeven. Tevreden over haar vermogen zo’n conclusie te trekken, begon ze de verhoren door te nemen.
De rapporten waren niet chronologisch gerangschikt, maar ingedeeld naar de persoon die het verhoor afgenomen had. Slechts eenmaal waren getuigen ondervraagd. Onder hen bevonden zich de conciërge van het instituut, schoonmaaksters, Haralds huurbaas, een taxichauffeur die hem en Hugi op die fatale avond opgepikt had, en dan nog een paar medestudenten en docenten van Harald. Het hoofd van de vakgroep Geschiedenis – degene die het lijk gevonden had – was tweemaal gehoord, aangezien hij de eerste keer dusdanig overstuur was dat er niets zinnigs uit hem te krijgen viel. Þóra had medelijden met de arme man: het was waarschijnlijk een afschuwelijke ervaring geweest. De ontsteltenis die zich meester van hem gemaakt had toen het lijk op hem gevallen was, droop dan ook van elke zin in het latere verhoor.
Daarna volgden degenen op wie de verdenking gerust had, tijdelijk althans. Onder hen bevond zich dus Hugi Þórisson, die bij hoog en laag zijn onschuld volhield. Þóra las vlug de meeste van zijn verhoren door. Hugi zei dat hij Harald op de avond in kwestie ontmoet had op een feestje in Skerjafjörður; ze waren even naar buiten gegaan en daar scheidden hun wegen, omdat Harald terug naar het feest wilde en Hugi naar de stad ging. Tijdens de eerste verhoren had Hugi weinig gezegd over waar hij en Harald samen heen gegaan waren: hij zei iets vaags over een ommetje over het kerkhof. Tijdens de latere verhoren, toen het hem duidelijk werd dat ze hem voor moord zouden moeten aanklagen, zei hij dat ze naar zijn huis aan de Hringbraut gegaan waren om de drugs te halen die Harald van hem wilde kopen. Hij zwoer bij hoog en laag dat hij Harald daarna niet meer gezien had: hij had geen zin meer om weer de stad in te gaan en was daarom thuisgebleven. Voor de rest van de avond kon hij geen geldig alibi verschaffen en hij gaf als excuus op dat hij die bewuste avond dronken en high geweest was. Hij zei dat hij dacht dat Harald terug naar het feest had willen gaan. Men scheen Hugi talloze keren gevraagd te hebben hoe hij zijn gedrag rond één uur in de nacht van zaterdag 29 op zondag 30 oktober verklaarde. Daaruit leidde Þóra af dat de autopsie dat als het waarschijnlijke tijdstip van overlijden had vastgesteld. Steeds weer werd de vraag herhaald waarom Hugi Harald de ogen had uitgestoken en waar hij ze gelaten had. Hugi gaf de hele tijd aan dat hij de ogen er niet uit gehaald had. Hij had geen ogen, behalve die van hemzelf natuurlijk. Þóra kon alleen maar medelijden hebben met deze arme kerel, als hij de waarheid vertelde. Ze had het vermoeden dat de man inderdaad niet gelogen had. Hoewel ze de zaak maar vluchtig doorgenomen had, bleef Þóra eraan twijfelen dat een slappeling, zoals Hugi scheen te zijn, na afloop van lange, eenzame en zware verhoren iets anders dan de waarheid kon volhouden.
Vrienden en kennissen van Harald die op het feestje in Skerjafjörður geweest waren, lagen eerst onder verdenking, maar waren later als getuige verhoord. Dat waren bij elkaar tien man, onder wie vier van de vijf jongeren die op de lijst met namen stonden waarop Þóra vóór in de map gestuit was. De enige naam die ontbrak was van de student geneeskunde, Halldór Kristinsson.
De feestgangers hielden allemaal hetzelfde verhaal vol: het feest begon om negen uur en was rond twee uur afgelopen, toen ze naar de stad terugreden. Harald had het feest om middernacht met Hugi verlaten, maar niemand leek te weten waarom. Men zei dat ze even weg wilden en in een taxi vertrokken waren die Hugi besteld had. Ongeveer twee uur later hadden ze het opgegeven nog te wachten en besloten zich naar de stad te haasten. Op de vraag of ze niet geprobeerd hadden Harald en Hugi te bellen, gaven ze vervolgens allemaal hetzelfde antwoord: de batterij van Haralds gsm was al vóór die avond leeg en Hugi had herhaalde telefoontjes op zijn gsm of zijn telefoon thuis niet beantwoord. Niemand had bij Harald thuis opgenomen, toen ze geprobeerd hadden daarheen te bellen. Een paar vragen gingen erover wanneer ze van de stad naar huis gegaan waren, maar vanwege het tijdskader waren deze vragen meer pro forma. Daaruit kwam naar voren dat er op verschillende tijdstippen mensen afgehaakt waren om naar huis te gaan, allemaal vóór vijf uur. De laatste mensen die naar huis gingen, waren de vrienden van de namenlijst en de vijfde, de geneeskundestudent, had zich in de stad bij hen gevoegd. Þóra bladerde door in de hoop dat hij eveneens verhoord was. Hij scheen de enige van het stel te zijn die niet op het feestje geweest was op het moment dat de moord begaan werd. Waar was hij toen geweest, dacht Þóra.
Het antwoord op die vraag was later in het hoofdstuk te vinden. Halldór was verhoord en daarbij kwam aan het licht dat hij tot middernacht in het academisch ziekenhuis in Fossvogur aan het werk geweest was, waar hij naast zijn studie werkte. Daarom was hij niet op het feest geweest. Daar viel volgens Halldór veel meer over te vertellen, dan dat hij daar een paar diensten per maand draaide: hij werkte daar wanneer iemand ziek geworden was of om andere redenen niet in staat was te werken. Hij had kleren bij zich gehad om zich te kunnen omkleden en toen hij in het ziekenhuis een douche genomen had en zich had omgekleed, had hij de bus naar het centrum genomen. Naar eigen zeggen was zijn auto kapot en hij had de naam van de garage opgegeven waar die op dat moment in reparatie was. Halldór had gezegd dat hij aan het begin van plan was geweest over te stappen en de bus te nemen die naar Skerjafjörður ging, maar hij had de laatste bus gemist en daarom besloten dan liever de stad in te gaan en in een café op de feestgangers te wachten dan zichzelf op een taxi te trakteren of erheen te lopen. Hij gaf aan dat hij ze gebeld had en ze hadden gezegd dat ze er nog lang niet waren. Hij had gemeend dat het een uur of één geweest was toen hij café De Koffiebrander binnenging, en hij had een biertje besteld terwijl hij wachtte. Tegen tweeën had hij eindelijk de feestgangers getroffen, toen ze in een taxi de stad in gekomen waren.
Een paar getuigenverklaringen volgden nu waarin met diverse docenten van de vakgroep Geschiedenis was gesproken. Deze informatie richtte zich hoofdzakelijk op wat de personen in kwestie van Harald wisten en ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal: dat ze hem niet van buiten de universiteit kenden en weinig over hem te vertellen hadden. Iets anders waarnaar gevraagd werd, betrof een vergadering in Árnagarður op de avond dat Harald vermoord werd. De vergadering was gehouden om de samenwerking met een Noorse universiteit te vieren bij de aanvraag van een grote Erasmus-subsidie. Þóra las tussen de regels door dat deze ‘vergadering’ meer van een cocktailparty weghad en tot laat in de avond geduurd had. De laatste mensen waren niet voor middernacht weggegaan. De namen kende Þóra niet, behalve die van Gunnar, het vakgroepshoofd, en Þorbjörn Ólafsson, de hoogleraar die Haralds scriptiebegeleider was.
De laatste rapporten waren van een barkeeper uit De Koffiebrander en van de buschauffeur die Halldór van Fossvogur naar de stad gereden had. De barkeeper, die Björn Jónsson heette, had verklaard Halldór rond één uur op de bewuste avond bediend te hebben, daarna in datzelfde uur nog een paar keer en tot slot een laatste keer tegen tweeën, toen zijn vrienden erbij gekomen waren. Hij zei dat hij zich Halldór goed kon herinneren, aangezien hij die avond maar doordronk, veel sneller en meer dan normaal. De buschauffeur had ook verklaard dat hij zich Halldór als passagier op zijn laatste rit herinnerde: er zaten toen maar weinig mensen in de bus en ze waren begonnen te praten over de toestand in de gezondheidszorg en hoe slecht oude mensen eraan toe waren. Þóra kreeg de indruk dat deze Halldór een waterdicht alibi had net zoals Haralds andere vrienden, met uitzondering van Hugi.
Na deze rapporten volgden een paar bladzijden met gekopieerde foto’s die op de plaats van het misdrijf waren genomen. Ze waren onduidelijk en zwart-wit, maar toch duidelijk genoeg om een goede indruk van de gruwelijke aanblik te krijgen. Þóra begreep nu de ontsteltenis van de man die het lijk gevonden had en waagde te betwijfelen of hij deze gruwelen ooit volledig te boven zou komen. Þóra’s gsm herinnerde haar eraan dat het kwart voor vijf was. Ze haastte zich verder te gaan naar het laatste hoofdstuk, dat over de autopsie. Merkwaardig, dacht ze en ze stond op. Er zat niets achter het zevende tabblad: het hoofdstuk was leeg.