De Driekusman is een volksdans die algemeen voorkomt op alle bewoonde werelden van dit veelal.
Men danst hem onder blauwe hemels ter viering van het tot leven komen der akkers en onder de blote sterren omdat het lente is en de kooldioxide dus met wat goede wil weer zal ontdooien. De aandrang wordt gevoeld door diepzeewezens die nog nimmer de zon zagen en door stadsmensen wier enige aanraking met de kringlopen der natuur erin bestaat dat hun Volvootje ooit een egel overreed.
In alle onschuld wordt hij gedanst door pluisbaardige jonge wiskundigen begeleid door een minder bekwame accordeonversie van 'De Commensaal van Juffrouw Staal' en meedogenloos door dezulken als de Driekusninja's van Nieuw Ankh, die tot enge en vreselijke dingen in staat zijn met louter klepper en midwinterhoorn.
Maar nooit danst men hem zoals het hoort.
Afgezien van op de Schijfwereld, die plat is en steunt op de ruggen van vier olifanten die door de ruimte zeilen op het schild van de Grote A'Tuin, de wereldschildpad.
En zelfs daar doen ze het maar op één plek zoals het moet. Er is een klein gehucht, hoog in het Ramtop-gebergte, waar men het grote en zo eenvoudige geheim van generatie op generatie doorgeeft.
Daar dansen op midwinterdag de mannen, één sprong voorwaarts en dan weer terug, de kleppers geheven en met wapperende rode halsdoeken. Men stroomt toe om dit te aanschouwen. Naderhand braadt men een hele os, en iedereen vindt het een enig uitje voor het hele gezin.
Maar dat is niet het geheim. Het geheim is de Driekusvrouw. En die laat nog even op zich wachten.
Er klinkt tikken, zoals een klok dat kan doen. En jawel, daar in de lucht is een klok, en daaruit stroomt het getik van kakelverse sekonden.
En voeg daar dan bij het scherpe klikken van botten op stenen, steeds dichterbij.
Een donkere gedaante kruist ons blikveld en glijdt naar de eindeloze schappen met ruisend glaswerk. Klik klik. Daar is er een waarvan de bovenste bol haast leeg is. Knokige vingers reiken omhoog en raken. Selecteren. En nog een. Selecteren. En nog meer. Nog vele, vele meer. Selecteren en selecteren.
Dit gebeurt hier dag in, dag uit. Tenminste, als dagen hier bestonden.
Klik klik, en de donkere gedaante gaat geduldig de rijen langs.
En staat stil.
En aarzelt.
Want hier staat zowaar een klein gouden lopertje, niet veel groter dan een horloge.
Gister was dat er nog niet, tenminste, als gisters hier bestonden.
Knokige vingers welven er zich omheen en houden het tegen het licht.
Er staat een naam op, met kleine hoofdlettertjes.
De naam luidt: DE DOOD.
De Dood zet het lopertje neer en tilt het weer op. De korrels des tijds stromen er al doorheen. Hij probeert het eens om te draaien, je weet maar nooit. Maar de korrels stromen verder, zij het deze keer omhoog. Niet dat hij iets anders had verwacht.
Dit betekende: ook al hadden hier morgens kunnen bestaan, er zouden er geen meer zijn. Nooit meer.
In de lucht achter hem was wat beweging.
De Dood keerde zich langzaam om en richtte zich tot het verschijnsel dat beverig door het halfduister schemerde.
WAAROM?
Het vertelde het hem.
MAAR DAT IS... NIET ZOALS HET HOORT.
Het zei hem: Nee, zo hoort het wel.
Geen spier verroerde zich op het gezicht van de Dood, want die had hij niet.
IK GA IN BEROEP.
Het zei hem: Hij zou toch moeten weten dat er geen beroep mogelijk was. Recht van beroep was er niet. Recht van beroep was er nooit.
De Dood dacht hier even over na en zei toen:
IK HEB ALTIJD NAAR BESTE WETEN MIJN PLICHT GEDAAN.
Het verschijnsel zweefde nader. Het had wel iets van een monnik in een grauwe pij met kap.
Het zei hem: Dat weten we. En daarom laten we je dan ook het paard houden.
De zon was niet ver van de kim.
De kortst levende schepselen van de Schijf zijn de eendagsvliegen, die maar nauwelijks de vierentwintig uur halen. Twee van de oudste zigzagden net doelloos over het water van een forellenbeekje en bespraken de geschiedenis met enkele jongere leden van het avondgebroed.
'Je hebt toch niet meer die zon als we vroeger hadden,' zei er een.
'Daar zeg je wat. In die goede ouwe uren hadden we een echte zon. Helemaal geel was die. Niet van dit rooiïge.'
'Hoger stond-ie ook.'
'Dat klopt. Daar zeg je wat.'
'En de nymfen en larven kenden hun plaats nog.'
'Nou en of. Nou en of,' zei de andere eendagsvlieg heftig.
'Ik dacht zo, als eendagsvliegen zich tegenuurdig wat beter gedroegen zouden we nog een echte zon hebben.'
De jonge eendagsvliegen hoorden beleefd toe.
'Ik weet nog van', zei een van de oudere eendagsvliegen, toen dit allemaal akkers waren, zover je maar zien kon.'
'De jongere eendagsvliegen keken eens in het rond.
'Het zijn nog akkers,' waagde een van hen na een beleefde pauze.
'Ik weet nog van toen het mooiere akkers waren,' zei de oude eendagsvlieg bits.
'En of,' zei zijn collega. En er was een koe.'
'Je zegt het! Daar zeg je zowat! Ik weet nog van die koe! Stond daarzo, och, zeg maar wel zo'n veertig minuten. Bruin wassie, zover ik me herinner.'
'Zulke koeien heb je tegenuurdig niet meer.'
'Je hebt helemaal geen koeien meer.'
'Wat is dat, een koe?' zei een van het broedsel.
'Zie je nou?' zei de oudste triomfantelijk. 'Dat is nou moderne Haften ten voeten uit.' Hij zweeg even. 'Wat deden we ook weer voor we het over de zon kregen?'
'Doelloos zigzaggen over het water,' zei een van de jonge vliegjes. Hiermee kon je in elk geval niet ver mis zitten.
'Nee, daarvoor nog.'
'Uh... je was aan het vertellen over de Grote Forel.'
'Ach, ja. Okee. De Forel dus. Nou, snap je, als je een nette eendagsvlieg bent geweest, altijd netjes heen en weer hebt gezigzagd -'
'- met veel eerbied voor wie ouder en deftiger is -'
'- ja, en met altijd veel eerbied voor wie ouder en deftiger is, dan zal ten slotte de Grote Forel -'
Plop
Plop
'Ja, en?' zei een van de jonge eendagsvliegjes. Er kwam geen antwoord.
'Dan zal de Grote Forel wat?' zei een ander vliegje zenuwachtig.
Ze keken neer op een stel concentrische kringen op het water.
'Het heilige teken!' zei een eendagsvlieg. 'Ik weet nog van toen me dat werd verteld! Een Grote Cirkel op het water! Aldus zal het teken zijn van de Grote Forel!'
Het oudste onder de jonge vliegjes keek peinzend naar het water. Het begon te beseffen dat het nu, als veteraan onder de aanwezigen, het voorrecht had om het dichtst boven het watervlak te zweven.
'Men zegt', zei het vliegje bovenaan de zigzagmenigte, 'dat je als de Grote Forel je komt halen naar een land gaat dat overvloeit van... overvloeit van...' Eendagsvliegjes eten niet. Het wist niet verder. 'Overvloeit van water,' besloot het maar.
'Ik vraag me toch a£..' zei het oudste vliegje.
'Het moet daar toch echt fijn wezen,' zei het jongste.
'O ja? Hoezo?'
'Want er wil nooit iemand terug.'
Terwijl de oudste wezens op de Schijfwereld de roemruchte Grove Teldennen zijn, en die groeien net langs de eeuwigesneeuwgrens in het hoge Ramtop-gebergte.
De Grove Telden is een van de weinige voorbeelden van ontleende evolutie.
De meeste soorten zorgen zelf voor hun evolutie en werken er al doende aan, net zoals de Natuur dit heeft bedoeld. En dat is allemaal erg natuurlijk en organisch en afgestemd op de ondoorgrondelijke kringloop van de kosmos, die gelooft dat er niets gaat boven miljoenen jaren lang akelig frustrerend proberenderwijs pielen als je een soort wilt voorzien van incasseringsvermogen of, in bepaalde gevallen, van ruggegraat.
Dit zal wel in orde zijn vanuit het standpunt van de soort, maar vanuit het gezichtspunt van de daadwerkelijk betrokken individuen kan het een zware bevalling zijn, of op zijn minst een groot paars ei dat via iets ovovivipaars ooit nog eens tot een zware bevalling leidt.
De Grove Teldennen vermeden dat alles derhalve door andere gewassen hun evolutie te laten doen. Als een grof telzaadje ergens op de Schijf terecht komt, neemt het terstond via morfische resonantie de lokaal meest doelmatige genetische code over en groeit dan uit tot wat het best past bij de plaatselijke bodem- en klimaatverhoudingen, en het brengt het er dan doorgaans veel beter van af dan de inheemse bomen zelf, die meestal worden verdrongen.
Wat echter de Grove Teldennen wel heel opmerkelijk maakt is hun manier van tellen.
In het vage besef dat mensen de leeftijd van een boom hadden leren bepalen door hun jaarringen te tellen, hadden de oorspronkelijke Teldennen het idee opgevat dat dit de reden was waarom mensen bomen omhakten.
Van de ene op de andere dag paste elke Grove Telden zijn erfelijkheidscode zodanig aan dat hij voortaan, ongeveer op ooghoogte op de stam, zijn exacte leeftijd aangaf. Binnen het jaar waren ze vrijwel tot uitstervens omgehakt door de sierhuisnummerbranche, en nu zijn er nog maar zeer weinige over in moeilijk toegankelijke streken.
Het zestal Grove Teldennen in de onderhavige bosschage luisterde juist naar de oudste, wiens knoestige stam verkondigde dat hij eenendertigduizend zevenhonderd en vierendertig jaren oud was. Dit gesprek duurde zeventien jaar, maar wordt versneld afgedraaid.
'Ik weet nog van toen dit allemaal geen akkers waren.'
De Teldennen tuurden over duizend landschappelijke kilometers. De hemel flikkerde als een slecht gelukte trucage in een tijdreizigersfilm. Er dook even sneeuw op, die weer smolt. 'Wat was er dan toen?' vroeg de naburige Telden.
'IJs. Voor zover je het ijs kunt noemen. Toentertijd had je nog echte gletsjers. Niet van dat ijs zoals je nu hebt, het ene seizoen is het er en het volgende al weer weg. Het bleef eeuwenlang plakken.'
'Wat is er dan mee gebeurd?'
'Het ging weg.'
'Waarheen dan?'
'Naar waar dingen heengaan. Alles is altijd zo weer verdwenen.'
'Oei. Dat was een strenge.'
'Wat dan?'
'Die winter daarnet.'
'Noem je dat een winter? Toen ik nog een zaailing was hadden we winters -
En weg was de boom.
Na een geschokt zwijgen van enkele jaren zei een bosschagelid: 'Hij was zomaar weg! Zomaar opeens! De ene dag was hij er nog en de volgende, foetsjie!'
Als de andere bomen mensen waren geweest hadden ze nu met hun voeten geschuifeld.
'Dat gebeurt nu eenmaal, knul,' zei er eentje zachtzinnig. 'Hij is van ons heengevoerd naar een Beter Oord,[*] daar kun je van op aan. Het was een brave boom.'
Het jonge boompje dat maar een schamele vijfduizend en honderdelf jaar was, vroeg: 'Wat voor Beter Oord?'
'Dat weten we niet precies,' zei een ander uit de bosschage. Hij trilde onrustig in de storm van die week. 'Maar we geloven dat het iets te maken heeft met... zaagsel.'
Aangezien de bomen nog geen greintje konden bespeuren van iets dat zich in minder dan een dag voltrok, ontging het geluid van de bijlen hun totaal.
Windel Poens, oudste tovenaar van de ganse toverstaf van de Gesloten Universiteit - broedplaats van toverkracht, tovenaardij en grote eetgelagen - stond ook op het punt om dood te gaan.
Hij wist het, op een broze en bibberige manier.
Natuurlijk, peinsde hij terwijl hij zijn rolstoel over de plavuizen naar zijn gelijkvloerse studeerkamer rolde, in zeer algemene zin weet iedereen dat hij dood gaat, zelfs het gemene volk. Niemand wist waar je was voor je werd geboren, maar als je eenmaal geboren was duurde het niet lang of je merkte dat je retoertje vóór aankomst al was geknipt.
Maar tovenaars wisten het echt. Niet als de dood gepaard ging met moord of geweld, vanzelf, maar als de doodsoorzaak gewoon neerkwam op het opraken van je leven dan... tja, dan wist je het. Doorgaans kreeg je het voorgevoel ruim op tijd om je bibliotheekboeken nog terug te brengen en ervoor te zorgen dat je beste pak schoon was en om grote sommen gelds van je vrienden te lenen.
Hij was nu honderddertig. Het kwam bij hem op dat hij voor het grootste deel van zijn leven een oude man was geweest. Eigenlijk leek dat niet eerlijk.
En niemand had er iets van gezegd. Hij had er een opmerking over gemaakt in de Ongezelschapszaal, maar niemand had de wenk begrepen. En met de lunch vanmiddag hadden ze haast niet tegen hem gesproken. Zelfs zijn zogenaamde vrienden leken hem te mijden, terwijl hij niet eens geprobeerd had om geld te lenen.
[*] In dit geval wel drie betere oorden. De tuinhekjes van Olmenstraat nummers 31, 7 en 34 in Ankh-Meurbork.
Het was net als wanneer ze je verjaardag vergeten, maar dan erger.
Hij ging helemaal alleen sterven, en het deed niemand wat.
Hij bonsde de deur open met het wieltje van zijn stoel en tastte op het tafeltje bij de deur naar de tondeldoos.
Dat was ook zoiets. Haast niemand gebruikte tegenwoordig nog een tondeldoos. Ze kochten van die grote stinkende gele lucifers die de alchemisten maakten. Windel keurde dat af. Vuur was belangrijk. Het hoorde niet dat je het zomaar aandeed, dat was oneerbiedig. Echt de mensen van vandaag de dag, altijd maar rondrennen en... vuur. Ja, in de ouwe tijd was het ook al veel warmer. Van het vuur in de haarden van tegenwoordig werd je alleen maar warm als je er bovenop zat. Er was iets met dat hout... het was van de verkeerde soort. Alles was fout tegenwoordig. Te dun. Vager. Nergens zat meer echt leven in. En de dagen, die waren korter. Mmm. Er was iets fout gegaan met de dagen. Het waren kortere dagen. Mmm. Elke dag duurde eeuwig voor hij om was, en dat was raar, want dagen in het meervoud raasden voorbij als een dolle kudde. Er was niet veel dat men een 130 jaar oude tovenaar wilde laten doen en Windel was gewend geraakt om wel twee uur voor de aanvang van elke maaltijd aan tafel te verschijnen, louter om de tijd te doden. Eindeloze dagen, die voorbij snelden. Daar deugde niks van. Mmm. Vanzelf, van het deugen van vroeger zag je nog maar weinig.
En tegenwoordig lieten ze de Universiteit draaien door van die blagen. Vroeger werd hij nog gedraaid door behoorlijke tovenaars, grote lieden met het postuur van rivierschuiten, het soort tovenaars waar je tegenop keek. En toen waren ze opeens weg en moest Windel zich laten betuttelen door knapen die soms nog wat van hun eigen tanden hadden. Zoals die knul van Ridiekel. Die kon Windel zich nog best herinneren. Een dun ventje, met uitstaande oren, die nooit eens goed zijn neus snoot en de eerste nacht in de slaapzaal om zijn moeder jankte. Altijd ondeugend. Iemand had Windel proberen te vertellen dat Ridiekel nu de Aartskanselier was. Mmm. Dachten zeker dat hij kinds was.
Waar was nou die verdomde tondeldoos? Vingers... vroeger had je nog goeie vingers...
Iemand trok de koker van een lantaarn weg. Iemand anders duwde een glas in zijn tastende hand.
'Verrassing!'
In de hal van het huis van de Dood staat een klok met een messcherpe slinger maar zonder wijzers, want in het huis van de Dood is geen andere tijd dan het heden. (Er was natuurlijk ook een heden vóór het heden nu, maar ook dat was het heden. Alleen ouder.)
Die slinger is een lemmet dat Edgar Allan Poe ertoe zou hebben gebracht om er de brui aan te geven en opnieuw te beginnen als humorist op bruiloften en partijen. Bij het zwaaien doet hij zachtjes van wumm-wumm, terwijl hij zoetjes de termijnplakjes van de salami der eeuwigheid snijdt.
De Dood schreed langs de klok en de sombere schemer van zijn studeervertrek in. Zijn knecht Albert wachtte hem op met handdoek en poetsgerei.
'Goedemorgen, meester.'
De Dood zette zich zwijgend in zijn grote zetel. Albert vlijde de handdoek over de hoekige schouderbladen.
'Alweer een mooie dag,' zei hij om het ijs te breken. De Dood zei niets.
Albert sloeg de poetsdoek open en trok de kap van de Dood achterover.
ALBERT.
'Ja meneer?'
De Dood haalde het gouden lopertje te voorschijn.
ZIE JE DIT?
'Jawel meneer. Heel aardig. Nog nooit zo een gezien. Van wie is die?'
VAN MIJ.
Alberts ogen gleden opzij. Op een hoek van het bureau van de Dood stond een grote levensloper in een zwart raamwerk. Er zat geen zand in.
'Ik dacht dat die van jou was?'
WAS HIJ OOK. MAAR NU IS DEZE HET. CADEAU BIJ MIJN PENSIONERING. VAN AZRAËL ZELF.
Albert tuurde naar het geval in de hand van de Dood. 'Maar... die korrels, meester. Ze stromen.'
ZEG DAT WEL, JA.
'Maar dat wil zeggen... Ik bedoel..?'
HET WIL ZEGGEN DAT OP EEN DAG ALLE KORRELS ZIJN WEGGESTROOMD, ALBERT.
'Dat weet ik wel, meester, maar... jij... Ik dacht dat de Tijd alleen iets was dat andere lui overkwam. Ja toch? Jou toch niet, meester?' Aan het eind van die zin kreeg Alberts stem helemaal een smekende toon.
De Dood deed de handdoek af en stond overeind.
KOM EENS MEE.
'Maar jij bent de Dood, meester,' zei Albert terwijl hij als een krab meehinkte met de lange gedaante die hem voorging door de hal en de gang naar de stal.
'Dit is toch niet een of ander grapje?' besloot hij vol hoop.
IK STA NIET BEKEND OM MIJN ZIN VOOR GRAPPEN.
'Nou nee, natuurlijk niet, neem me niet kwalijk. Maar hoor eens, jij kunt niet doodgaan, want je bent de Dood, dan zou je jezelf moeten overkomen, net als die slang die aan zijn eigen staart begint -'
DESALNIETTEMIN GA IK STERVEN. ER IS GEEN BEROEP MOGELIJK.
'Maar wat moet er dan van mij worden?' zei Albert. Angst glinsterde aan zijn woorden als metalen braamschilfers aan het scherp van een mes.
ER ZAL EEN NIEUWE DOOD KOMEN.
Albert rechtte zijn rug.
'Ik denk toch echt niet dat ik onder een nieuwe meester kan dienen,' zei hij.
GA DAN WEER NAAR DE WERELD TERUG. IK ZAL JE GELD GEVEN. JE BENT EEN GOEDE KNECHT GEWEEST, ALBERT.
'Maar als ik terugga -
JA, zei de Dood, DAN ZUL JE STERVEN.
In de warme, paardige schemer van de stal stond het bleke paard van de Dood; het keek op van zijn haver en hinnikte even een groet. Het paard heette Binkie. Het was een gewoon echt paard. De Dood had het vroeger geprobeerd met vurige rossen en geraamtepaarden, maar merkte dat die niet praktisch waren, met name die vurige die er toe neigden hun eigen stroleger in brand te steken, en daar stonden ze dan beteuterd bij te kijken. De Dood haalde het zadel van de haak en keek even naar Albert, die leed onder grote gewetensnood.
Duizenden jaren eerder had Albert ervoor gekozen liever de Dood te dienen dan te overlijden. Letterlijk onsterfelijk was hij niet. In het rijk van de Dood was reële tijd echter verboden. Er bestond alleen het immer veranderlijke nu, al duurde dat wel erg lang. In reële tijd restten hem nog maar nauwelijks twee maanden; hij zat op zijn dagen als een vrek op zijn geld.
'Ik, uh...' begon hij. 'Nou, ja -'
JE BENT BANG VOOR HET STERVEN?
'Niet dat ik niet zou willen... Ik bedoel, ik heb altijd... nou ja, dat leven is wel een gewoonte die je niet zomaar aflegt...'
De Dood keek met belangstelling op hem neer, zoals men wel kijkt naar een kever die op zijn rug is beland en zich niet kan omdraaien.
Ten slotte zette Albert het op een zwijgen.
IK BEGRIJP HET, zei de Dood, terwijl hij Binkie's hoofdstel van de wand haakte.
'Maar je lijkt wel helemaal niet bezorgd! Ga je echt wel sterven?'
JA. HET ZAL EEN HEEL AVONTUUR ZIJN.
'O ja? Ben je dan niet bang?'
IK WEET NIET HOE JE BANG MOET ZIJN.
'Dat kan ik je eventueel wel laten zien,' opperde Albert.
NEE. IK WIL DAAR LIEVER ZELF ACHTER KOMEN. IK GA IETS BELEVEN. EINDELIJK DAN.
'Meester... als jij heengaat, komt er dan -?'
ER ZAL EEN NIEUWE DOOD OPSTAAN UIT DE GEESTEN DER LEVENDEN, ALBERT.
'O.' Albert leek opgelucht. 'Weet je toevallig ook wat voor iemand dat zal zijn?'
NEE.
'Misschien zou het goed zijn als ik het hier, weet je wel, wat opruimde, en een inventaris opmaakte, zulke dingen?'
GOED IDEE, zei de Dood, allerzachtaardigst. ALS IK DE NIEUWE DOOD STRAKS TREF, ZAL IK JE VAN HARTE AAN HEM AANBEVELEN.
'O. Dus je spreekt hem nog?'
O ZEKER. EN NU MOET IK WEG.
'Wat, zo gauw al?'
JAZEKER. VOORAL GEEN TIJD VERSPILLEN!
De Dood haalde de zadelriem aan, draaide zich om en hield triomfantelijk het levenslopertje onder Alberts neus.
KIJK! IK HEB TIJD. EINDELIJK HEB IK TIJD!
Albert week zenuwachtig achteruit.
'En nu je die dan hebt, wat wou je ermee gaan doen?'
De Dood besteeg zijn paard.
IK GA HEM BESTEDEN.
Het fuifje was in volle gang. Het spandoek met de leus 'Vaarwel Windel 130 Roemrycke Jaeren' was wat verlept in de hitte. Men naderde het punt waarop er alleen nog maar bowl te drinken was, en niks anders te eten dan de rare gele dipsaus met de zeer verdachte tortilla's, zonder dat iemand dat erg vond. De tovenaars babbelden met die geforceerde gezelligheid van lieden die elkaar toch al de hele dag zien en nu zelfs de hele avond. Temidden van dit al troonde Windel Poens met een enorm glas rum en op zijn hoofd een lollig hoedje. Hij was de tranen nabij. 'Een echte Vaarwelfuifl' mummelde hij telkens weer. 'Niet meer gehad sinds die goeie ouwe "Krabberd" Leenhiel ons Vaarwel Zei', de hoofdletters vielen moeiteloos op hun plaats, 'destijds in, mm, het Jaar van de IJzingwekkende, mm, Bruinvis. Dacht al dat iedereen zulke fuiven vergeten was.'
'De Bibliothecaris heeft het allemaal voor ons uitgeplozen,' zei de Administrateur, wijzend naar een forse orang oetan die net probeerde op een rolpieper te blazen. 'Hij heeft ook voor de bananendip gezorgd. Ik hoop maar dat er gauw iemand van eet.' Hij boog zich omlaag.
'Kan ik je van nog een huzarenslaatje voorzien?' zei hij, met die luide nadruk die men hanteert bij het spreken tot zwakzinnigen en bejaarden.
Windel welfde een bibberhand achter zijn oor.
'Hè? Wat?'
'Nog wat! Huzarensla! Windel?'
'Nee, dank je wel.'
'Nog een worstje, dan?'
'Hè?'
'Worstje!'
'Dan ben ik verder de hele avond zo winderig,' zei Windel. Hij stond hier even bij stil, en nam er toen vijf.
'Zegges', schreeuwde de Administrateur, 'weet je misschien ook hoe laat -?'
'Hè?'
'Hoe! Laat?'
'Half tien,' zei Windel meteen en volmondig.
'Ach, niet gek,' zei de Administrateur. 'Dan heb je de rest van de avond, uh, vrij.'
Windel grutte in de stuitende diepten van zijn rolstoel, kerkhof voor oude kussens, beduimelde boeken en oeroude, halfopgezogen snoepjes. Hij wapperde met een groen boekje en stak het uit naar de Administrateur.
De Administrateur pakte het aan en draaide het om. Op het omslag stonden de woorden: Windel Poens Syn Aachenda. De datum van vandaag was gemerkt met een spekzwoerdje. Onder het kopje 'Wat te doen?' was gekrabbeld: Doodgaan.
De Administrateur kon de verleiding niet weerstaan en sloeg om.
Jawel. Bij de datum van morgen, onder 'Wat te doen?', stond: Geboren Worden.
Zijn blik gleed opzij naar een tafeltje aan een kant van de kamer. Ondanks het feit dat het vertrek behoorlijk was afgeladen lag er rondom dit tafeltje een stukje lege vloer, alsof het er een eigen persoonlijke ruimte op nahield waarin niemand durfde binnen te dringen.
In de Vaarwel-ceremonie hadden strikte instructies gestaan aangaande dit tafeltje. Er moest een zwart kleedje over, met wat geborduurde toveremblemen. Er stond een schotel op met een assortiment luxe gebakjes. Bovendien een glas wijn. En na ampele beraadslagingen hadden de tovenaars er ook nog een feestmutsje bijgedaan.
Ieders blik was nu vol verwachting.
De Administrateur haalde zijn horloge tevoorschijn en wipte het dekseltje open.
Dit was zo'n nieuwerwets zakhorloge, met wijzertjes. Die wezen kwart over negen aan. Hij schudde er eens aan. Onder de 12 ging een luikje open en een duveltje stak zijn kopje naar buiten en zei: 'Laat dat nou, meester, ik trap al zo vlug als ik kan.'
Hij deed het horloge weer dicht en keek radeloos rond. Niemand anders leek veel animo te hebben om in Windels buurt te komen. De Administrateur ging er dus van uit dat hem de taak toeviel om een beleefd gesprek te voeren. Hij ging de mogelijke onderwerpen na. Alle hadden ze zo hun problemen. Windel Poens was hem voor.
'Ik denk erover terug te komen als vrouw,' zei hij langs zijn neus weg.
De Administrateur deed een paar keer zijn mond open en dicht.
'Ik verheug me daar echt op,' ging Poens verder. 'Ik geloof dat dat best eens, mm, geinig kan zijn.'
De Administrateur bladerde radeloos door zijn beperkt babbelrepertoire ter zake van vrouwen. Hij boog zich naar Windels doorgroefde oor.
'Brengt dat niet veel gedoe met zich mee', tastte hij in het wilde weg, 'zoals wassen? En bed opmaken en eten koken en al die dingen?'
'Niet met het soort, mm, leven dat ik op het oog heb,' zei Windel beslist.
De Administrateur deed zijn mond dicht. De Aartskanselier hamerde met een lepel op een tafel.
'Broeders - begon hij zodra er iets viel dat op stilte leek. Dit ontlokte de menigte een luid en verward gejuich.
'- Zoals je allen weet zijn wij vanavond bijeen ter viering van het, um, emeritaat' - wat zenuwachtig gelach - 'van onze oude vriend en confrater Windel Poens. En weet je, nu ik de brave Windel hier vanavond zo zie zitten doet me dat zomaar denken aan het verhaal van de koe met de drie houten poten. Naar het schijnt was er een koe die -'
De Administrateur liet zijn geest afdwalen. Dat verhaal kende hij. De Aartskanselier wist de clou altijd weer te verknallen, en bovendien had hij wel wat anders aan zijn hoofd.
Hij keek aldoor weer naar het tafeltje.
De Administrateur was een goeiige maar wat onrustige ziel,
die zijn baantje wel kon waarderen. Nog afgezien van alles, werd het door geen enkele andere tovenaar begeerd. Hopen tovenaars wilden Aartskanselier worden, of hoofd van een van de acht toverordes, maar praktisch geen enkele tovenaar wilde eindeloos in een kantoor zitten om met papierwerk te schuiven en sommen te maken. Alle paperasserij van de Universiteit belandde vroeg of laat in het kantoor van de Administrateur, wat inhield dat hij 's avonds wel laat naar bed ging maar tenminste goed sliep en niet nijver hoefde speuren naar onverwachte schorpioenen in zijn nachthemd.
Het vermoorden van een tovenaar met een hogere graad was een erkende metode om in de ordes hogerop te komen. De enige echter die ooit de Administrateur zou willen ombrengen was een andere persoon die een kalm behagen schiep in cijferkolommen, netjes gerangschikt, en zulke lui zien zelden iets in moord. [*]
Hij haalde zich zijn kindheid voor de geest, lang geleden in het Ramtop-gebergte. Met zijn zusters zette hij elke Berewaaksavond weer een glas wijn met een taart buiten voor de Berevaar. Toen was alles heel anders. Hij was toen heel wat jonger, veel wist hij nog niet, maar waarschijnlijk was hij wel veel gelukkiger.
Bij voorbeeld, hij wist toen nog niet dat hij ooit een tovenaar zou zijn die met andere tovenaars meedeed met het op een tafeltje uitstallen van een glas wijn en wat taartjes en een tamelijk bedenkelijke kip à la coq-au-fond plus een feestmuts voor...
...iemand anders.
Er waren toen ook Berewaaksfeestjes, toen hij een jongetje was. Die verliepen altijd volgens een vast patroon. Net wanneer alle kinderen haast misselijk werden van de spanning zei dan een van de volwassenen olijk: 'Ik denk dat we vanavond hoog bezoek krijgen!' en nee maar, net op dat moment, klonk dan voor het raam het verdachte geluid van berebelletjes, en daar trad dan...
En binnen trad dan...
De Administrateur schudde zijn hoofd. Iemands opa met een valse baard, natuurlijk. Deze of gene lollige ouwe vent met een zak vol speelgoed, die de sneeuw van zijn laarzen stampte. Iemand die je iets gaf.
Vanavond echter...
Vanzelf, die brave Windel zou er wel anders over denken. Na honderddertig jaar zou de dood wel iets uitnodigends hebben. Je zou dan
[*] Tenminste, tot die dag dat ze opeens een briefopener grijpen en zich via de staf van Interne Boekhouding een naam griffen in de griffieannalen.
wel nogal belang gaan stellen in wat erna gebeurde.
De omslachtige anekdote van de Aartskanselier ontknoopte zich met horten en stoten. De verzamelde tovenaars lachten plichtmatig en probeerden vervolgens uit te plussen wat er leuk aan was.
De Administrateur keek tersluiks op zijn horloge. Het was nu twintig over negen.
Windel Poens stak een rede af. Die was lang, wijdlopig en warrig en ging maar door over de goeie ouwe tijd en hij leek wel te denken dat de meeste lui om hem heen lui waren die in feite al vijftig jaar dood waren, maar dat gaf niet want je was gewend geraakt om niet naar ouwe Windel te luisteren.
De Administrateur kon zijn ogen niet meer losrukken van zijn horloge. Uit het inwendige klonk het knersen van de trapaandrijving en het duveltje dat geduldig voortpeddelde naar de eeuwigheid.
Vijfentwintig over heel.
De Administrateur vroeg zich af hoe het in zijn werk zou gaan. Hoorde je soms - Ik denk dat we vanavond hoog bezoek krijgen! - hoefgetrappel buiten?
Ging de deur gewoon open of kwam hij er doorheen? Domme vraag. Hij was vermaard om zijn vermogen om door te dringen in afgegrendelde ruimtes - bij voorkeur afgegrendelde ruimtes, als je er logisch bij stilstond. Laat je ergens in afgrendelen en het is maar een kwestie van afwachten.
De Administrateur hoopte maar dat Hij fatsoenlijk de deur zou nemen. Zijn zenuwen stonden toch al op springen.
Het gespreksniveau daalde. Nogal wat andere tovenaars, viel het de Administrateur nu op, keken steels naar de deur. Windel werd het midden van een zich tactvol verwijdende kring. Niemand ontweek hem echt, maar het leek gewoon of een willekeurige Brownse beweging iedereen zoetjesaan uit de buurt dreef.
Tovenaars kunnen de Dood zien. En als een tovenaar sterft komt de Dood hem in eigen persoon naar Gene Zijde voeren. De Administrateur vroeg zich af waarom men dat als een pluspunt beschouwde -
'Zou niet weten waar jullie allemaal naar staan te kijken,' zei Windel opgewekt.
De Administrateur deed zijn horloge open. Het luikje onder de 12 klapte open.
'Ken je nu eens uitscheiden met dat geschud?' piepte het duveltje. 'Ik raakt aldoors de tel kwijt.'
'Sorry,' siste de Administrateur. Het was één minuut voor half. De Aartskanselier trad naar voren.
'Vaarwel dan, Windel,' zei hij en hij schudde de perkamenten oude-mannenhand. 'Zonder jou zal het hier niet meer hetzelfde zijn.'
'Geen idee hoe we het moeten redden,' zei de Administrateur dankbaar.
'Veel succes in het volgende leven,' zei de Hoofddekaan. 'Kom vooral eens langs als je toch in de buurt bent en, ik zal maar zeggen, nog weet wie je was.'
'Blijf wel in kontakt, denk erom,' zei de Aartskanselier.
Windel Poens knikte minzaam. Hij had niets verstaan van wat ze zeiden. Hij knikte maar wat uit beleefdheid.
De tovenaars keerden zich als één man naar de deur. Het luikje onder de 12 klapte weer omhoog.
'Bing bing beng bing,' zei het duveltje. 'Bingele bingele beng bing. Bong.'
'Hè?' schrok de Administrateur.
'Half tien,' zei het duveltje.
De tovenaars wendden zich tot Windel Poens. Hun blik had iets beschuldigends.
'Wat kijken jullie nou?' zei hij.
De sekondewijzer van het horloge knerste verder.
'Hoe voel je je nu?' vroeg de Hoofddekaan luid.
'Beter dan ooit,' zei Windel. 'Is er nog wat over van die, mm, rum?'
De verzamelde tovenaars keken hoe hij een gul rantsoen in zijn beker goot.
'Ik zou maar wat kalm aan doen met dat spul,' zei de Hoofddekaan zenuwachtig.
'Op je gezondheid!' zei Windel Poens.
De Aartskanselier liet zijn vingers op de tafel trommelen.
'Meneer Poens', zei hij, 'ben je wel zeker van alles?'
Windel had een andere draad te pakken. 'Zijn er nog van die tormentilla's? Niet dat ik het echt eten zou noemen', zei hij, 'dat gedoop met brokjes bikkecement in zo'n prutje, wat is daar nou aan? Waar ik nu echt trek in heb is zo'n beroemde krokotet van die Snikkel -'
En toen overleed hij.
De Aartskanselier keek even naar zijn medetovenaars, liep toen op zijn tenen naar de rolstoel en pakte een blauw dooraderde pols om die eens te voelen. Hij schudde zijn hoofd.
'Zo zou ik ook wel willen gaan,' zei de Hoofddekaan.
'Wat, al mompelend over kroketten?' zei de Administrateur.
'Nee. Te laat.'
'Ho even. Ho even,' zei de Aartskanselier. 'Hier klopt iets niet, hoor. Volgens de traditie hoort de Dood zelf te verschijnen op de dood van een tove -'
'Misschien had hij het te druk,' zei de Administrateur haastig. 'Precies,' zei de Hoofddekaan. 'Heerst nogal een hevige griepepidemie daar in Quorm, hoorde ik.'
'Nogal een zware bui ook, gisteravond. Allemaal schipbreuken, zou ik zeggen,' zei de Lector Recentelijke Runen.
'En het is vanzelf lente, zodat je in de bergen heel wat lawines krijgt.'
'En dan nog de pest.'
De Aartskanselier streek peinzend door zijn baard.
'Hmm,' zei hij.
Als enige van alle schepselen ter wereld geloven trollen dat al wat leeft achterstevoren door de Tijd gaat. Als het verleden zichtbaar is maar de toekomst verborgen, zeggen ze, dan houdt dat in dat je de verkeerde kant op kijkt. Al wat leeft gaat achteruit door het leven. En dat is een heel belangwekkende gedachte, als je bedenkt dat hij is bedacht door lui die het grootste deel van hun tijd besteden aan het elkaar op de kop slaan met stenen.
Hoe-om hij ook in elkaar zit, Tijd is iets waarover levende wezens kunnen beschikken.
De Dood galoppeerde omlaag door hoog oprijzende duistere wolken.
En nu had hij ook Tijd.
De tijd van zijn leven.
Windel Poens tuurde het donker in.
'Hallo?' zei hij. 'Hallo. Is daar iemand? Hela zeg?'
Uit de verte klonk een hopeloos suizen, als wind aan het eind van een tunnel.
'Kom, kom te voorschijn, waar je ook uithangt,' zei Windel met een stem die beefde van krankzinnige joligheid. 'Maak je geen zorgen, ik kijk er nogal naar uit, eerlijk gezegd.'
Hij klapte in zijn spookhanden en wreef ze met geforceerd enthousiasme.
'Maak eens voort. Er zijn er hier bij die naar een nieuw leven moeten,' zei hij.
Het duister verroerde zich niet. Er was geen vorm en geen geluid. Het bleef oningevuld, zonder gedaante. Het geestelijk beginsel van Windel Poens zweefde over de donkerte.
Het schudde zijn hoofd. 'Leuk geintje,' mopperde het. 'Hier deugt helemaal niks van.'
Het beginsel bleef nog even rondhangen en zette toen omdat er weinig anders leek op te zitten, koers naar de enige plek die het ooit als thuis had gekend.
Het had die plek honderddertig jaar lang bewoond. De plek had hem niet terug verwacht en verzette zich flink. Om zoiets de baas te worden moet je hetzij zeer vastbesloten, hetzij zeer machtig zijn, maar Windel Poens was al meer dan een eeuw tovenaar geweest. Trouwens, het had wel iets van inbreken in je eigen huis, dat oude vertrouwde pand waarin je jaren had gewoond. Je wist bij wijze van spreken waar het raampje zat dat niet helemaal dicht kon.
Tovenaars geloven niet in goden op net zo'n manier als gewone mensen het niet de moeite vinden om in, laten we zeggen, tafels te geloven. Ze weten dat ze er zijn, ze weten dat ze ergens toe dienen, ze zullen het er vast wel over eens zijn dat ze hun plaats hebben in elk welgeordend heelal, maar ze zouden er geen nut in zien om te geloven, om iets te zeggen als: 'O grote tafel, zonder wien wij nietswaardig zijn'. In elk geval bestaan die goden of je er nu in gelooft of niet, of ze zijn er alleen als een functie van dat geloof, dus je kunt de kwestie hoe dan ook net zo goed negeren en, zeg maar, doen of je thuis bent.
Desniettemin is er in de buurt van de Eetzaal van de Universiteit een kapelletje, want weliswaar staan de tovenaars vierkant achter de bovengeschetste filosofie, maar je wordt geen succesvol tovenaar door de goden tegen hun haren in te strijken ook al bestaan die haren alleen in etherische of overdrachtelijke zin. Want al geloven tovenaars niet in goden, ze weten wis en waarachtig wel dat de goden in goden geloven.
En in dat kapelletje lag het lijk van Windel Poens. De Universiteit had een vierentwintigurige opbaring ingesteld sinds de dag van die pijnlijke kwestie dertig jaar eerder met wijlen 'Geinponum' Prekard Theeprud.
Het lijk van Windel Poens deed zijn ogen open. Twee muntjes rinkelden op de stenen vloer.
De tot nu toe op de borst gekruiste handen ontvouwden zich. Windel hief zijn hoofd op. Een of andere gek had een lelie op zijn buik geprikt.
Zijn ogen wentelden naar opzij. Aan weerszijden van zijn hoofd stond een kaars.
Hij tilde zijn hoofd wat hoger.
Ja, daar stonden nog twee kaarsen.
Godzijdank voor die goeie ouwe Theeprud, dacht hij. Anders had ik al tegen de onderkant van een tamelijk goedkoop vuren deksel liggen aankijken.
Toch gek, dacht hij. Ik denk. Helder en wel.
Jemig.
Windel ging weer liggen en voelde hoe zijn geest zijn lijf weer vulde als glanzend gesmolten metaal dat een vorm in stroomt. Witgloeiende gedachten schroeiden door het duister van zijn brein en vuurden de taaie neuronen aan tot aktie.
Het was nooit zoals dit toen ik nog leefde.
Maar ik ben niet dood.
Niet levend en niet dood.
Zoiets als onlevend.
Of ondood.
O jeetje...
Hij zwaaide overeind. Spieren die al zo'n zeventig, tachtigjaar niet meer behoorlijk gewerkt hadden schakelden in de hoogste versnelling. Voor het eerst in zijn hele leven - hij verbeterde zich: zeg liever 'bestaansperiode' - stond het lijf van Windel Poens geheel onder gezag van Windel Poens. En de geest van Windel Poens was niet van zins zich de les te laten lezen door een bundeltje spieren.
Nu ging het lijf staan. De kniegewrichten boden even weerstand, maar waren al even weinig bij machte om deze overval van wilskracht te verduren als een zieke mug bestand is tegen een lasbrander.
De deur van de kapel zat op slot. Windel ontdekte echter dat de geringste druk al genoeg was om het slot uit het timmerwerk te trekken en om vingerafdrukken achter te laten in het metaal van de deurkruk.
'Goeie grutten,' zei hij.
Hij loodste zichzelf de gang op. Van verre klinkend gekletter van bestek en geroezemoes van stemmen deden vermoeden dat een van de vier dagelijkse Universiteitsmaaltijden in volle gang was.
Hij vroeg zich af of eten geoorloofd was als je dood was. Vast niet, dacht hij.
En kon hij trouwens wel eten? Niet dat hij geen trek had. Maar het leek gewoon... nou, hij wist hoe hij moest denken, en lopen en bewegen waren louter een kwestie van porren in wat tamelijk voor de hand liggende zenuwen, maar hoe werkte je maag eigenlijk?
Het begon Windel te dagen dat het menselijk lichaam niet wordt gedreven door het brein, ondanks wat dat brein daarvan dacht. In werkelijkheid wordt het lichaam gestuurd door tientallen zelfstandige systeempjes, allemaal kalmpjes doorsnorrend en -tikkend met die soort nauwkeurigheid die pas opvalt als het zaakje stuk gaat.
Hij nam zichzelf eens op vanuit de regelkamer van zijn schedel. Hij keek naar de zwijgende chemiefabriek van zijn lever en kreeg het zelfde zinkende gevoel als een kanobouwer die opeens de besturing van een gecomputeriseerde supertanker onder ogen krijgt. De mysteriën van zijn nieren wachtten geduldig tot Windel zich bekwaamd had in hemodialyse. En als puntje bij paaltje kwam, wat was een milt eigenlijk? En hoe kreeg je die aan de gang?
Zijn hart zonk in zijn schoenen.
Of liever, het zonk niet.
'O goden,' mompelde Windel terwijl hij tegen de muur leunde. Hoe werkte het ook weer? Hij porde in een paar in aanmerking komende zenuwen. Ging het van systole... diastole... systole... diastole...? En daar kwamen dan de longen nog eens bij...
Als een jongleur die achttien borden tegelijk aan het draaien houdt - als iemand die een videorecorder probeert te programmeren met een handleiding die uit het Japans in het Deens is vertaald door een Koreaanse rijstdorser - als een man die daadwerkelijk ontdekt wat volstrekte zelfbeheersing in het echt betekent, zo waggelde Windel Poens heen.
De tovenaars van de Gesloten Universiteit hechten zeer aan ferme, stevige maaltijden. Men kon niet verwachten dat iemand overging tot serieus toveren, meenden ze, zonder eerst soep, vis, wild, diverse reuzeschotels vlees, enkele pasteien, iets groots en bibberends met slagroom erop, kleine smakelijkheidjes op toast, fruit, noten en een fors chocoladeblok met koffie toe. Dat gaf je iets achter de knopen. Ook was het van belang dat de maaltijden op gezette tijden werden opgediend. Dat gaf struktuur aan de dag, zeiden ze.
Behalve dan de Administrateur, natuurlijk. Hij at weinig, maar leefde op zijn zenuwen. Hij was er zeker van dat hij anorectisch was, want telkens als hij in de spiegel keek zag hij een dikzak. Dat was de Aartskanselier, die achter hem naar hem stond te schreeuwen.
En het was de Administrateur aan wie het droeve lot ten deel viel dat juist hij tegenover de deur zat toen Windel Poens er doorheen brak, want dat was makkelijker dan dat geveugel aan de deurknop.
Hij beet dwars door zijn houten lepel.
De tovenaars wentelden rond op hun houten banken en staarden.
Windel Poens wankelde even terwijl hij de teugels vergaarde van stembanden, lippen en tong, en zei toen: 'Ik denk dat ik misschien bij machte ben om alcohol te verteren.'
De Aartskanselier herstelde zich het eerst.
'Windel!' zei hij. 'We dachten dat je dood was!'
Hij moest toegeven dat dit een zwakke tekst was. Je legde iemand niet op een zerk met kaarsen en lelies er omheen omdat je dacht dat hij wat hoofdpijn had en even een half uurtje moest liggen.
Windel deed enkele stappen vooruit. De dichtstbijzijnde tovenaars wisten niet hoe gauw ze uit zijn buurt moesten raken.
'Ik ben dood, jij stom rotjongetje,' mopperde hij. 'Dacht je dat ik er altijd zo uitzie? Jeminee.' Hij keek de verzameling tovenaars woedend aan. 'Weet iemand hier soms hoe een milt hoort te werken?'
Hij wist bij de tafel te komen en ging zitten.
'Zal wel iets met de spijsvertering van doen hebben,' zei hij. 'Gek hoor, je kunt je hele leven zoek brengen terwijl dat kreng rustig doortikt of noem maar op, doorpruttelt of wat ook, zonder dat je er ooit achter komt waar hij eigenlijk toe dient. Net als wanneer je 's nachts in je bed ligt en je hoort je maag of zo doen van prippel-ippel-gloinng. Voor jou louter geborrel, maar wie weet wat voor wonderbaarlijk ingewikkelde chemische omzettingsprocessen er feitelijk gaande -
'Ben je dan een ondode?' vroeg de Administrateur, die het eindelijk lukte om die woorden uit te brengen.
'Ik heb er niet om gevraagd,' zei wijlen Windel Poens geërgerd, terwijl hij het eten bekeek en zich afvroeg hoe je het verdorie aanpakte om dat om te zetten in Windel Poens. 'Ik kwam alleen maar terug omdat ik nergens anders heen kon. Dacht je soms dat ik hier wil zijn?'
'Maar je hebt toch', zei de Aartskanselier, 'heb je dan niet... je weet wel, die vent, die met die kale schedel en die zeis -'
'Nergens gezien,' zei Windel bondig terwijl hij de naastgelegen schotels keurde. 'Raak je echt van uit je doen, dat on-doodgaan.'
De ontstelde tovenaars gaven elkaar over zijn hoofd heen wilde tekens. Hij sloeg zijn blik omhoog en keek ze boos aan.
'En denk maar niet dat ik al die wilde gebaren niet kan zien,' zei hij. En hij stond versteld in het besef dat dit waar was. Ogen die de afgelopen zestig jaar alles aanschouwd hadden door een bleke, wazige sluier, waren nu ertoe opgejut om te werken op het niveau van uitgelezen optische instrumenten.
De geesten der tovenaars van de Gesloten Universiteit werden momenteel beheerst door twee onderscheidenlijke gedachtenstromingen.
Wat door de meeste tovenaars werd gedacht luidde: dit is vreselijk, zit daar echt die ouwe Windel in, dat was toch zo'n lieve ouwe knakker, hoe komen we er weer van af? Hoe komen we er weer van af?
Wat gedacht werd door Windel Poens, in de gonzende, flitsende cockpit van zijn geest, luidde: nou, het is dus waar. Er is een leven na de dood. En dat is hetzelfde leven. Bof ik effe.
'Nou', zei hij, 'wat wilde je eraan gaan doen?'
Er waren vijf minuten voorbij gegaan. Een handjevol van de gevorderdste tovenaars draafde gehaast door de tochtige gang in het toga-wapperende kielzog van de Aartskanselier.
Hun gesprek luidde aldus:
'Maar dat moet Windel wel zijn! Het praat zelfs net als hij!'
'Dat is onze ouwe Windel niet. Ouwe Windel was veel ouwer!' 'Ouder? Ouder dan dood?'
'Hij zegt dat hij zijn oude slaapkamer terug wil, en ik zie niet in waarom ik plaats moet maken -'
'Zag je die ogen van hem? Net priempjes!'
'Hè? Watte? Hoe bedoel je? Soms die dwerg die zo'n delicatessenzaak heeft op de Kabelstraat?'
'Ik bedoel dat ze gewoon door je heen prikken!'
'- met dat prachtige uitzicht op de tuin en al mijn spullen staan er al in en het is niet eerlijk -'
'Is dit ooit eerder voorgekomen?'
'Nou, je had die ouwe Theeprud -
'Jawel, maar die ging nooit echt dood, die deed alleen groene verf op zijn gezicht en dan duwde hij het deksel van de kist en hij riep: "Verrassing, heb ik jullie even -"
'Een zombie, dat hebben we hier nooit gehad.'
'Is hij dan een zombie?'
'Volgens mij wel -'
'Houdt dat in dat hij op van die bolle trommels gaat slaan en de hele nacht gaat bimbo dansen?'
'Doen ze dat dan?'
'Onze Windel? Lijkt me niks voor hem. Toen hij nog levend was hield hij ook niet zo van dansen -'
'In elk geval, die voedoegoden zijn niet te vertrouwen. Vertrouw nooit op een god die aldoor grijnst met een hoge hoed op, dat is mijn parool.'
'- ben je belazerd, ik ga mijn slaapkamer niet opgeven voor een zombie als ik er jaren op gewacht heb -'
'O ja? Raar parool, hoor.'
Windel Poens wandelde nog eens rond in zijn eigen hoofd. Raar geval, dit. Nu hij dood was, of niet meer leefde, voelde zijn geest helderder aan dan ooit.
En dat beheersen leek ook makkelijker te worden. Hij hoefde zich haast niet meer te bemoeien met dat ademgedoe, die milt leek ook min of meer te werken, de zintuigen draaiden op topsnelheid. Tja, die spijsvertering was nog steeds een beetje een raadsel.
Hij bekeek zich eens in een zilveren schotel.
Hij zag er nog altijd dood uit. Bleek gezicht, rood onder zijn ogen. Een dooie. Nog wel in werking maar evengoed dood, zeg maar. Was dat nou eerlijk. Was dat rechtvaardig? Was dat een fatsoenlijke beloning voor bijna 130 jaar innig geloven in reïncarnatie? Terugkomen als een lijk?
Geen wonder dat men per traditie aannam dat ondoden zeer kwaad waren.
Er stond iets prachtigs te gebeuren, als je voldoende afstand in acht nam.
Als je vanaf korte of middelmatige afstand oordeelde, stond er iets akeligs te gebeuren.
Het is als het verschil tussen de aanblik van een prachtige nieuwe ster, en daadwerkelijk in de nabijheid verkeren van de supernova. Het verschil tussen de schoonheid van de morgendauw op het spinneweb en werkelijk.een vlieg zijn.
Het was iets dat normaal gesproken in geen duizenden jaren zou gebeuren.
Nu ging het gebeuren.
Het ging gebeuren achterin een afgedankte kast onderin een rommelkelder in 't Donkert, dat oudste en onguurste deel van Ankh-Meurbork.
Plop.
Het geluidje was zo zacht als de eerste regendruppel op een eeuwdikke stoflaag.
'Misschien kunnen we een zwarte kat over zijn doodkist laten lopen.'
'Maar hij heeft geen doodkist!' jammerde de Administrateur, die altijd al een minder vaste greep had op zijn geestvermogens.
'Goed dan, we kopen een leuke nieuwe kist voor hem en dan laten we er een zwarte kat overheen lopen.'
'Nee, dat is stom. We moeten hem breken met wateren.'
'Hè?'
'Wateren. Ondoden kunnen daar niet mee overweg.'
De tovenaars waren intussen samengedromd in het studeervertrek van de Aartskanselier en schonken deze mededeling al hun geboeide aandacht.
'Zeker weten?' vroeg de Hoofddekaan.
'Algemeen bekend,' zei de Lector Recentelijke Runen beslist.
'Toen hij nog leefde had hij nooit problemen met wateren,' zei de Hoofddekaan weifelend.
'Maar wel als hij dood is.'
'O ja? Tja, lijkt ook logisch.'
'Stromende wateren,' zei de Lector Recentelijke Runen opeens.
'Het gaat om stromend water. Neem me niet kwalijk. Dat kunnen ze niet oversteken.'
'Nou, ik kan ook geen stromend water oversteken,' zei de Hoofddekaan.
'Ondode! Ondode!' De Administrateur raakte wat uit zijn voegen.
'Ach, plaag hem toch niet,' zei de Lector die de trillende man op zijn rug klopte.
'Ik kan het echt niet,' zei de Hoofddekaan. 'Dan zink ik.'
'Ondoden kunnen stromend water zelfs niet oversteken via een brug.'
'En is hij dan wel de enige? Krijgen we soms een hele plaag van die lui?' zei de Lector.
De Aartskanselier trommelde met zijn vingers op het bureaublad.
'Dat komen en gaan van dooien is maar onhygiënisch,' zei hij.
Dat snoerde ze de mond. Nog niemand had het ooit zo bekeken, maar Mustrum Ridiekel was er echt het type voor. Mustrum Ridiekel was, afhankelijk van je gezichtspunt, hetzij de ergste hetzij de beste Aartskanselier die de Gesloten Universiteit de laatste honderden jaren had gekend.
Er was teveel van hem, om maar wat te noemen. Niet dat hij bijzonder groot was uitgevallen, maar hij had gewoon het soort enorme persoonlijkheid dat alle beschikbare ruimte opvult. Bij het avondeten werd hij dronken als een kanon en dat was prima want aanvaardbaar tovenaarsgedrag. Maar dan ging hij weer naar zijn kamer om eerst de hele nacht met pijltjes te gooien en dan om vijf uur in de ochtend op eendejacht te gaan. Hij schreeuwde tegen jan en alleman. Hij overstelpte je met joviale aanmoediging. En hij droeg vrijwel nooit een gepaste pij. Hij had mevrouw Copsuf, de gevreesde huishoudster van de Universiteit, overgehaald om een soort hobbezakkig broekpak voor hem te maken van opzichtig rood met blauw; twee maal daags stonden de tovenaars er verbouwereerd bij te kijken als hij doelbewust om de collegezalen draafde, waarbij zijn tovenaarlijke punthoed met een touwtje vastzat onder zijn kin. Onderwijl riep hij hun montere kreten toe, want een wezenskenmerk van lui met Mustrums temperament is het rotsvaste geloof dat alle anderen dit ook leuk zouden vinden, als ze het maar eens wilden proberen.
'Misschien gaat hij wel dood,' zeiden ze hoopvol tegen elkaar, terwijl ze toekeken hoe hij de korst op de Ankh probeerde te doorbreken voor een frisse ochtendduik. 'Al die gezonde training kan nooit goed voor hem zijn.'
Verhalen drongen zoetjes aan door tot de Universiteit. De Aartskanselier had het twee ronden op de blote vuist uitgehouden tegen Gneisbaard, de enorme klusjestrol van de Gelijmde Trom. De Aartskanselier had om een weddenschap armgeworsteld met de Bibliothecaris en al had hij natuurlijk niet gewonnen, zijn arm zat er naderhand wel nog aan. De Aartskanselier wilde dat de Universiteit zijn eigen elftal opstelde voor de grote stadscompetitie op Berewaaksdag. Intellectueel gezien handhaafde Ridiekel zijn positie om twee redenen. De ene was dat hij nooit en te nimmer van mening veranderde. De andere was dat het hem verscheidene minuten kostte om een aan hem aangeboden nieuw idee door te krijgen, en dat is een zeer waardevol trekje bij een leider, want alles wat iemand je na twee minuten nog probeert uit te leggen is waarschijnlijk van belang en alles wat ze na een luttel minuutje of zo al opgeven is vrijwel zeker iets waarmee ze je toch al nooit hadden moeten lastigvallen.
Er leek veel meer Mustrum Ridiekel te wezen dan een enkel lijf redelijkerwijs hoorde te kunnen bevatten.
Plop. Plop.
In de donkere kast in die kelder was al een hele plank volgeraakt.
Er was precies zoveel Windel Poens als er in één lijf paste, en hij loodste het omzichtig de gangen door.
Dit had ik nooit verwacht, dacht hij. Dit heb ik niet verdiend. Er moet ergens een vergissing zijn gemaakt.
Hij voelde een koele luchtstroom langs zijn gezicht en besefte dat hij naar buiten, de open lucht in gewaggeld was. Daar voor hem uit was de poort van de Universiteit, de deuren op slot. Opeens kreeg Windel Poens acuut een aanval van engtevrees. Jaren had hij op zijn sterven gewacht, en nu was het gebeurd en daar zat hij dan vast in dit - dit mausoleum vol malle ouwe kerels, waar hij de rest van zijn leven als dooie moest slijten. Goed, het eerste wat hem te doen stond was wegwezen en er fatsoenlijk een eind aan maken -
'Navond, meneer Poens.'
Hij draaide zich heel langzaam om en zag de kleine gedaante van Modo, de dwergse tuinman van de Universiteit, die in de schemer een pijpje zat te roken.
'O. Hallo, Modo.'
'Naar ik hoor was je storven, meneer Poens.'
'Uh. Ja. Dat klopt.'
'Daar benne je dan weer van of, zo te zien.'
Poens knikte en keek mismoedig de muren langs. De poort van de Universiteit ging elke avond bij zonsondergang op slot, wat studenten en docenten ertoe verplichtte over de muur te klimmen. Hij twijfelde ernstig of hij daartoe wel in staat zou zijn.
Hij kneep zijn handen tot vuisten. Vooruit dan maar...
'Is er ergens nog een ander poortje, Modo?' vroeg hij.
'Nee, meneer Poens.'
'Goed, waar willen we er een hebben?'
'Pedon, meneer Poens?'
Er klonk het geluid van gepijnigd metselwerk en er verscheen een lichtelijk Poensvormig gat in de muur. Windels hand stak nog even naar binnen om zijn hoed op te rapen.
Modo stak zijn pijp weer eens aan. Toch zie je heel wat interessants in dit baantje, bedacht hij.
In een steegje en dus tijdelijk uit het zicht van voorbijgangers keek iemand die Rigter Schoen heette en dood was, schichtig naar beide kanten en met de uit zijn zak verschenen kwast en verfblik schilderde hij op de muur de tekst:
DOOD, JA! VOORBIJ, NEE!
... en weg holde hij, of tenminste, weg wankelde hij in hoog tempo.
De Aartskanselier deed een raam open naar de nacht. 'Luister eens,' zei hij.
De tovenaars luisterden.
Er blafte een hond. Ergens floot een dief, en er kwam antwoord van een naburig dak. In de verte had een echtpaar het soort ruzie waarvoor de meeste omringende straten hun vensters opendoen om te luisteren en aantekeningen te maken. Maar dit waren louter hoofdmotieven tegen het voortdurende gonzen en zoemen van de stad. Ankh-Meurbork snorde de nacht door, onderweegs naar het krieken, als een enorm levend schepsel zij het dat dit, natuurlijk, maar overdrachtelijke beeldspraak is.
'Nou?' zei de Bovenstalmeester. 'Ik hoor niks bijzonders.'
'Dat bedoel ik. Elke dag sterven er in Ankh-Meurbork tientallen mensen. Als die allemaal net als die brave ouwe Windel terugkwamen, dan zouden we dat toch moeten merken? Het zou daar een heibel wezen. Meer heibel dan anders, bedoel ik.'
'Er lopen altijd een paar ondoden rond,' zei de Hoofddekaan aarzelend. 'Vampiers en zombies en jammergeesten.'[*]
'Jawel, maar die zijn meer ondood op hun natuurlijk,' zei de Aartskanselier. 'Die weten het goed te brengen. Het is ze aangeboren.'
'Je kunt geen geboren ondode zijn,' wierp de Bovenstalmeester[**] tegen.
'Ik bedoel dat ze bij de traditie horen,' bitste de Aartskanselier. 'Waar ik ben opgegroeid hadden we een paar heel deftige vampiers. Die kwamen al eeuwen in hun families voor.'
'Jawel, maar ze drinken bloed,' zei de Bovenstalmeester. 'Dat wekt bij mij geen al te deftige indruk.'
'Ik las ergens dat ze niet echt echt bloed nodig hebben,' zei de Hoofddekaan in zijn ijver. 'Ze hebben alleen behoefte aan iets dat in bloed zit. Helmoglobines, waren het geloof ik.'
De andere tovenaars keken hem aan.
De Hoofddekaan haalde zijn schouders op. 'Ik kan er ook niks aan doen,' zei hij. 'Helmoglobines. Dat stond er. Iets met bolle lichaampjes met ijzer die iedereen in zijn bloed heeft.'
'Ik weet verrekte zeker dat ik geen gehelmde kaboutertjes in mijn bloed heb,' zei de Bovenstalmeester.
'Ze zijn tenminste beter dan zombies,' zei de Hoofddekaan. 'Lui van veel meer stand. Vampiers lopen niet aldoor te schuifelen.'
'Mensen kunnen veranderd worden in zombies, wist je dat?' zei de Lector Recentelijke Runen langs zijn neus weg. 'Daar is niet eens toverkracht voor nodig. Louter de lever van een bepaalde zeldzame vis en het aftreksel van een zekere wortel. Eén eetlepel, en als je wakker wordt ben je een zombie.'
'Wat voor soort vis?' vroeg de Bovenstalmeester.
'Hoe moet ik dat weten?'
'Hoe moet iemand dat dan weten?' zei de Bovenstalmeester vals. 'Werd er soms iemand op een goeie morgen wakker en hij zegt, hela, dat is een idee, laat ik eens iemand in een zombie veranderen, ik heb niet meer nodig dan zo'n zeldzame vis en een stukkie wortel, alleen effe de goeie vinden? Je kunt je zeker de rij al voorstellen die zich vormt voor die hut? Nummer 94,
[*] Een jammergeest, meestal vrouwelijk, zit op
het dak en jammert. Dit heet de dood aan te kondigen van een van de
huisgenoten.
[**] De rang van Bovenstalmeester was ongebruikelijk, net als de
naam ervan. In sommige centra van geleerdheid is de
Bovenstalmeester een vooraanstaand wijsgeer; in andere is hij
louter iemand die over de paarden gaat. Op de Gesloten Universiteit
was de Bovenstalmeester een wijsgeer die er uitzag als een paard, waarmee beide definities
keurig werden samengevat.
lever van Rooie Streepvis met Maniakwortel... deed niks. Nummer 95, Stekelvislever en Dumdumwortel... deed niks. Nummer 96, -'
'Waar heb je het toch over?' eiste de Aartskanselier.
'Ik wilde alleen wijzen op de intrinsieke onwaarschijnlijkheid dat -'
'Hou je kop,' zei de Aartskanselier zakelijk. 'Het lijkt mij... het lijkt mij... hoor eens, de dood moet gewoon doorgaan, ja? De dood moet gebeuren. Dat is waar leven nu eenmaal om draait. Je leeft, en dan ben je dood. Dat kan niet zomaar ophouden.'
'Maar bij Windel is hij niet opgedoken,' voerde de Hoofddekaan aan.
'Dat gaat altijd maar door,' liet Ridiekel zich niet van de wijs brengen. 'Allerlei zaken gaan aldoor dood. Zelfs groentes.'
'Maar volgens mij kwam de Dood nog nooit voor een aardappel,'zei de Hoofddekaan aarzelend.
'Voor Alles Komt De Dood,' zei de Aartskanselier beslist. De tovenaars knikten wijs.
Na een tijdje zei de Bovenstalmeester: 'Weet je dat, ik las kort geleden dat elke atoom in je lijf elke zeven jaar wordt vervangen? Telkens worden er nieuwe aangehaakt en ouwe vallen af. Gaat de hele tijd maar door. Eigenlijk wonderbaar.'
De Bovenstalmeester werkte op een gesprek net als dikke stroop op het trapstel van een precisie-uurwerk.
'O ja? Wat gebeurt er dan met de ouwe?' vroeg Ridiekel, tegen wil en dank geïnteresseerd.
'Kweenie. Die zullen wel in de lucht zweven, dacht ik, tot ze aan iemand anders vastraken.'
De Aartskanselier keek gekwetst. 'Wat, zelfs aan tovenaars?'
'Zeker wel. Aan iedereen. Dat hoort bij het wonder van het bestaan.'
'O ja? Lijkt mij maar onhygiënisch,' zei de Aartskanselier. 'Ik neem aan dat het niet valt tegen te houden?'
'Dat lijkt me niet,' zei de Bovenstalmeester zuinig. 'Ik dacht niet dat je wonderen van het bestaan mocht tegenhouden.'
'Maar dat wil zeggen dat iedereen is gemaakt van alle anderen!' zei Ridiekel.
'Ja. Is dat niet wonderbaarlijk?'
'Het is walgelijk, dat is het,' zei Ridiekel kortaf. 'In elk geval, waar ik heen wilde... waar ik heen wilde...' Hij zweeg even en probeerde het zich te herinneren. 'Je kunt de dood niet zomaar afschaffen, daar wil ik heen. De Dood gaat niet dood. Dat is net of je een schorpioen vraagt om zichzelf te steken.'
'Nu je het zegt', zei de Bovenstalmeester altijd klaar met een handig weetje, 'je kunt een schorpioen wel dege-'
'Kop dicht,' zei de Aartskanselier.
'Maar je kunt zo'n ondode tovenaar toch niet vrij laten rondlopen?' zei de Hoofddekaan. 'Je weet maar nooit wat hij zich in zijn hoofd haalt om te gaan doen. We moeten... hem een halt toeroepen. Voor zijn eigen bestwil.'
'Daar zeg je wat,' zei Ridiekel. 'Voor zijn eigen bestwil. Zo moeilijk kan het niet wezen. Er moeten tientallen manieren zijn om van ondoden af te komen.'
'Knoflook,' zei de Bovenstalmeester zelfverzekerd. 'Ondoden houden niet van knoflook.'
'Gelijk hebben ze. Zelf heb ik er ook een hekel aan,' zei de Hoofddekaan.
'Ondode! Ondode!' zei de Administrateur met een beschuldigend wijzende vinger. Niemand lette op hem.
'Ja, en dan zijn er de gewijde voorwerpen,' zei de Bovenstalmeester. 'De modale ondode vergaat tot stof zodra hij die ziet. En ze houden niet van daglicht. En als de nood aan de man komt begraaf je ze op een kruispunt. Dat zit geheid, hoor. En dan sla... en dan sla... en dan hamer je er een eind hout door om er zeker van te zijn dat ze niet meer opstaan.'
'Met wat knoflook,' zei de Administrateur.
'Och, ja. Je zou er misschien wat knoflook bij kunnen doen,' gaf de Bovenstalmeester schoorvoetend toe.
'Ik vind niet dat er knoflook door de sla mag,' zei de Hoofddekaan. 'Alleen wat olie en azijn.'
'Rode paprika's, ook lekker,' zei de Lector Recentelijke Runen gretig.
'Koppen dicht,' zei de Aartskanselier.
Plop.
Eindelijk gaven de scharnieren van de kast de geest en de inhoud stortte zich uit in de kelder.
Sergeant Dendarm van de Ankh-Meurborkse Stadswacht had dienst. Hij bewaakte de Koperen Brug, hoofdschakel tussen Ankh en Meurbork. Tegen dieven.
Als het op misdaadpreventie aankwam vond Sergeant Dendarm het beter om in het groot te denken.
Er was een denktrant die geloofde dat de beste manier om in Ankh-Meurbork te worden erkend als nijver wetshandhaver erin bestond dat je wachtliep in straten en stegen, tipgevers omkocht, verdachten schaduwde, enzovoorts.
Deze bepaalde trant werd niet gevolgd door het denken van Sergeant Dendarm. Niet, zou hij zelf meteen zeggen, omdat proberen in Ankh-Meurbork de misdaad eronder te houden net zoiets was als proberen om in zee het zout de kop in te drukken of omdat de enige erkenning waarop een nijver wetshandhaver hier kon rekenen zo'n beetje ging van: 'Hé, dat lichaam daar in de goot, is dat niet die ouwe Sergeant Dendarm?' maar omdat de moderne, flitsende, bij-de-tijdse wetsdienaar de huidige crimineel altijd één stap voor moest zijn. Er kwam ooit een dag dat ze de Koperen Brug zouden willen stelen, en dan zouden ze stuklopen op Sergeant Dendarm die ze al ter plekke stond op te wachten.
In de tussentijd vond je er een rustig plekje, uit de wind, waar hij kon genieten van een kalmerend rokertje en vast niks zou zien om van in de war te raken.
Hij leunde met zijn ellebogen op de leuning en peinsde vagelijk over het Leven.
Er kwam uit de nevel een gedaante aangewankeld. Sergeant Dendarm ontwaarde de vertrouwde puntmuts van een tovenaar.
'Goeienavond, agent,' kwaakte de mutsdrager schor.
'Goeiemorgen, edelbare.'
'Zou je zo vriendelijk willen wezen, agent, om me op de leuning te helpen?'
Sergeant Dendarm aarzelde. Maar deze vent was wel een tovenaar. Van tovenaars niet helpen kon je grote narigheid krijgen.
'Wat nieuwe toverij proberen, edelbare?' vroeg hij monter terwijl hij het magere maar verrassend zware lijf op de gebarsten stenen hielp.
'Nee.'
Windel Poens stapte van de brug. Er klonk een kleffe klets.[*]
Sergeant Dendarm zag neer op de zich traag weer sluitende wateren van de Ankh.
Die tovenaars. Altijd streken.
Hij bleef nog even kijken. Na verscheidene minuten was er wat beroering in het schuim en aanspoelsel onderaan een van de brugpijlers, net waar een vettige trap omlaagvoerde naar het water.
Er verscheen een puntmuts.
Sergeant Dendarm hoorde hoe de tovenaar onder binnensmonds gevloek langzaam de trap beklom.
[*] Het is juist dat ondoden niet over stromend water kunnen. De van nature troebele Ankh, zwaar als hij is van slib uit de vlakten, kan echter na het passeren van de stad (1.000.000 inw.) niet zonder meer recht doen gelden op de term 'stromend', of zelfs 'water'.
Windel Poens was weer bovenaan op de brug aangeland. Hij droop.
'Ik zou me maar gauw omkleden,' opperde Sergeant Dendarm. 'Het zou nog je dood worden, als je zo bleef staan.'
'Ha!'
'Als ik jou was strekte ik gauw mijn benen voor de haard.'
'Ha!'
Sergeant Dendarm keek naar Windel Poens in zijn particuliere plasje.
'Je hebt zeker een bijzonder soort onderwatertoverij geprobeerd, edelbare?' waagde hij.
'Nou nee, agent.'
'Ik vroeg me altijd al af hoe het onder water was,' zei Sergeant Dendarm ter aanmoediging. 'De geheimen van de diepe, vreemde en wonderbare schepsels... mijn ma vertelde me ooit een verhaal, over dat jongetje dat een meermin werd, nou ja, geen meermin, en hij beleefde allerlei avonturen onder z -'
Zijn stem stierf weg onder de vreselijke blik van Windel Poens.
'Het gaat door merg en been,' zei Windel. Hij draaide zich om en begon weg te waggelen door de nevel. 'Door merg en been. Finaal door merg en been, zo saai.'
Sergeant Dendarm was weer alleen. Hij stak met bevende handen een vers sigaretje aan en begon gehaast naar het hoofdkwartier van de Wacht te lopen.
'Dat gezicht,' zei hij bij zichzelf. 'En die ogen... net als dinges... wie is ook weer die rotdwerg met die delicatessenzaak in de Kabelstraat...'
'Sergeant!'
Dendarm verstijfde. Toen keek hij omlaag. Een gezicht staarde hem tegemoet vanaf de begane grond. Toen hij zich in de hand kreeg ontwaarde hij de lepe trekken van zijn oude vriend Snij'k-In-Eigen-Vlees Snikkel, het levend en pratend bewijs op de Schijfwereld voor de theorie dat de mens afstamt van een knaagdierensoort. Snikkel beschreef zichzelf graag als een koopman-avonturier; alle anderen beschreven hem graag als een marskramer-winkelier met winstplannetjes die steevast in duigen vielen door een klein maar essentieel gebrek, zoals het pogen zaken te verkopen die niet zijn eigendom waren of het niet deden of, nu en dan, niet eens bestonden. Van elfengoud is algemeen bekend dat het tegen de ochtend verdampt, maar het was een gewapend betonblok vergeleken bij sommige kramerijen van Snikkel.
Hij stond momenteel onderaan een trapje dat omlaagvoerde naar een van Ankh-Meurborks talloze kelders.
'Hallo, Vlees.'
'Kun je even hier beneden komen, Wies? Ik zit verlegen om wat juridisch advies.'
'Problemen soms, Vlees?'
Snikkel krabde zijn neus.
'Tja, Wies... Is het een misdrijf als je iets krijgt? Ik bedoel, zonder dat je ergens van weet?'
'Hebben ze je dan wat gegeven, Vlees?'
Vlees knikte. 'Lijkt wel zo. Je weet dat ik hier handel bewaar?' vroeg hij.
'Jawel.'
'Nou zie je, ik kom daarnet even wat inventaris opmaken en...' Hij wuifde hulpeloos. 'Nou... kijk zelf maar...'
Hij deed de kelderdeur open.
In het donker deed iets van plop.
Windel Poens wankelde doelloos door een duistere steeg in 't Donkert, zijn armen voor zich uitgestrekt, met de handen omlaaghangend van de polsen. Hij wist niet waarom. Het leek gewoon of het zo hoorde.
Van een gebouw springen? Nee, dat zou ook niet helpen. Het was toch al moeilijk genoeg om te lopen, en met twee gebroken benen ging dat er niet op vooruit. Vergif? Hij stelde zich voor dat het net zo zou wezen als flinke buikpijn. De strop? Zomaar wat hangen zou vast nog saaier zijn dan dat gezit op de rivierbodem.
Hij kwam op een rommelige binnenplaats waar diverse stegen samenkwamen. Er trippelden ratten uit zijn buurt. Er krijste een kat die wegglipte over de daken.
Terwijl hij zich stond af te vragen waar hij was, waarom hij was en wat er vervolgens hoorde te gebeuren, voelde hij het puntje van een mes tegen zijn ruggegraat.
'Mooi zo, opa', klonk een stem achter hem, 'dus je geld of je leven.'
In het donker vormde Windel Poens zijn mond tot een verschrikkelijke grijns.
'Ik sta niet te leuteren hoor, ouwe,' zei de stem.
'Zijn jullie van het Dievengilde?' zei Windel zonder zich om te draaien.
'Nee, we zijn... zelfstandigen. Vooruit, laat je geld eens wapperen.'
'Ik heb niks,' zei Windel. Hij keerde zich om. Daar stonden nog twee rabauwen.
'Goeie goden, moetje die ogen zien,' zei eentje.
Windel hief zijn armen boven zijn hoofd.
'Oeoeoeoeoe,' jammerde hij.
De rabauwen weken achteruit. Helaas stond er een muur achter hen. Ze drukten zich er plat tegenaan.
'OeoeOEOEoeoelazeropoeoeOEOEoeoe,' zei Windel die niet doorhad dat hun enige vluchtweg recht door hem heen voerde. Voor nog meer effekt liet hij zijn ogen rollen.
Waanzinnig van doodsangst doken de overvallers in spe onder zijn armen door, maar niet dan nadat een van hen zijn mes tot het heft in Windels kippeborst had gedreven.
Hij keek ernaar.
'Hela! Dit was mijn beste pij!' zei hij. 'Ik wilde erin begraven - moet je nou eens zien! Weet je wel hoe lastig het is om zijde te stoppen? Kom onmiddellijk te - Kijk toch eens, net waar je de -'
Hij stond even te luisteren. Je hoorde alleen nog de zich snel verwijderende voetstappen in de verte.
Windel Poens verwijderde het mes.
'Had m'n dood wel kunnen wezen,' mopperde hij terwijl hij het weggooide.
In de kelder raapte Sergeant Dendarm een van de voorwerpjes op waar de vloer mee lag volgetast.
'Het moeten er wel duizenden zijn,' zei Vlees achter hem. 'Wat ik wel eens zou willen weten, wie heeft ze hier neergelegd?'[*]
Sergeant Dendarm keerde het voorwerpje om en om in zijn handen.
'Nog nooit zo eentje gezien,' zei hij. Hij schudde er eens aan. Zijn gezicht straalde. 'Toch prachtig?'
'Met de deur op slot en al,' zei Vlees. 'En ik heb alles voldaan bij het Dievengilde.'
Dendarm schudde het dingetje nog eens. 'Mooi hoor,' zei hij.
'Wies?'
Dendarm stond maar geboeid te kijken hoe de sneeuwvlokjes neerdwarrelden in hun glazen bolletje.
'Hmm?'
[*] Hoewel schaars op de Schijfwereld zijn er wel degelijk zulke zaken als antimisdrijven, geheel naar de basiswet dat alles in dit veelal zijn tegendeel heeft. Ze zijn vanzelf zeldzaam. Louter iemand iets geven is nog niet het tegendeel van beroving; wil het een antimisdrijf zijn, dan moet het zodanig geschieden dat het grievend of vernederend voor het slachtoffer is. Dus kent men insluiping met braak en behangen, gelegenheid geven tot gêne (zoals bij pensioneringsrecepties) en aanpersing (zoals dreigen dat je de stiekeme schenkingen van een bendeleider aan bijvoorbeeld iets liefdadigs zult gaan verklappen aan zijn vijanden). Antimisdrijven hebben nooit veel aanhang gekregen.
'Wat moet ik hier nu mee aan?'
'Kweenie. Ik neem aan dat ze van jou zijn, Vlees. Geen idee evengoed waarom iemand ze kwijt zou willen.'
Hij wendde zich naar de deur. Vlees sneed hem de pas af.
'Dat wordt dan een twaalfduitstuk,' zei hij gladjes.
'Watte?'
'Voor die je net in je zak stak, Wies.'
Dendarm grutte het bolletje op uit zijn zak.
'Zeg, kom nou!' protesteerde hij. 'Je hebt ze hier net gevonden! Ze hebben je geen duit gekost!'
'Jawel, maar daarbij komt het voorraad houden... het verpakken en sorteren...'
'Tweeduits,' zei Dendarm radeloos.
'Tienduits.'
'Drieduits.'
'Een zevenduitsstuk - en dan snij'k in eigen vlees, denk erom.'
'Top,' zei de sergeant tegen zijn zin. Hij schudde nog eens met het bolletje.
'Toch fraai hè?' zei hij.
'Elke duit dubbel en dwars waard,' zei Snikkel. Vol hoop wreef hij zich in zijn handen. 'Moeten wegvliegen als warme broodjes,' zei hij terwijl hij er alvast een paar in een doos stopte. Hij deed de deur achter hen op slot toen ze weggingen.
In het donker ging er iets van plop.
Ankh-Meurbork heeft altijd de mooie traditie opgehouden om een welkom te bieden aan mensen van alle rassen, kleuren en vormen, mits voorzien van zakgeld en een retoertje.
Volgens die beroemde uitgave van het Koopliedengilde, Wellekome in Ankh-Meurbork, Stadt der Duysent Verrassingen, 'sult ghy besoecker verseekert syn van een Warm Wellekome in de talloose Herrebergen en Taweernen deeser Oeroude Stadt, wier menigheen sich toeleyt op proviandeering naer de smaeck van gasten uyt veere contreien. Of ghy nu Mensch syt, Trolle, Dwergh, Caboutert of Aertmannetje, Ankh-Meurbork sal UEd. het feestelyck Glas heffen ende seggen: Prosit! Daer gaet ghy, Maetjen! Clinck eenen claere!'
Windel Poens wist niet waar ondoden heen moesten voor een verzetje. Al wat hij wist, en dat wist hij zeker, dat als ze ergens een verzetje konden beleven - dan vast wel in Ankh-Meurbork.
Zijn moeizame tred voerde hem dieper 't Donkert in. Al was die tred niet meer zó moeizaam.
Gedurende ruim een eeuw had Windel Poens binnen de Universiteitsmuren gewoond. Uitgedrukt in vergaarde jaren had hij misschien een hele tijd geleefd. Uitgedrukt in levenservaring was hij ongeveer dertien.
Hij zag, hoorde en rook momenteel dingen die hij nooit eerder had gezien, gehoord of geroken.
't Donkert was het oudste stadsdeel. Als je een soort van reliëfkaart kon maken van zondigheid, boosaardigheid en algemene zedeloosheid, zo'n beetje als die weergaven van het zwaartekrachtveld om een zwart gat, zelfs dan zou 't Donkert in AnkhMeurbork worden voorgesteld door een mijnschacht. Inderdaad leek 't Donkert merkwaardig veel op eerder genoemd sterrekundig verschijnsel: het had een sterke aantrekkingskracht, licht kwam er niet uit, en het kon werkelijk een toegang zijn tot een andere wereld. De andere wereld.
't Donkert was een stad in de stad.
De straten waren volgepakt. Omfloerste gedaanten repten zich steels naar geheime doelen. Eigenaardige muziek welde op uit in de straat verzonken trappenhuizen. Vergezeld van scherpe en opwindende geuren.
Poens kwam langs kaboutercafetaria's en dwergenkroegen, waaruit de geluiden opklonken van zingen en vechten, wat dwergen per traditie gelijktijdig beoefenen. En er waren trollen, die door de menigte gingen als... als grote mensen die door kleine mensjes waadden. En dat ging niet houterig.
Tot heden had Windel alleen trollen gezien in de deftiger delen van de stad,[*] waar ze zich met overdreven zorg verplaatsten voor het geval ze per ongeluk iemand doodsloegen en opaten. In 't Donkert schreden ze onbevreesd, met zo hoog opgeheven hoofd dat het bijna zelfs boven hun schouders uitstak.
Windel Poens dwaalde door de drukte als een wild weggeschoten kogel door de knikkermachine. Nu dreef een vlaag rokerig geluid uit een bar hem weer eens de straat op, dan weer werd hij als een magneet aangetrokken door een discrete deuropening die ongewone en verboden geneugten beloofde. Windels leven had niet eens erg veel gebruikelijke en toegestane geneugten bevat. Hij wist niet eens zeker wat het waren. Enkele prenten naast een rose-verlichte, uitnodigende deur deden hem geheel in het duister tasten, maar dan wel op ongelooflijk leergierige wijze.
Hij wendde zich van hot naar her in aangename verbijstering. Wat een oord! Nog geen tien minuten lopen of een kwartier wankelen van de Universiteit! En hij had nooit geweten dat het er was! En al die mensen! Al dat lawaai! Al dat leven! Diverse lieden van uiteenlopende vorm en soort drongen hem uit de weg.
[*] D.w.z. overal buiten 't Donkert.
Een paar wilden nog iets tegen hem zeggen, maar deden schielijk hun mond dicht en repten zich weg.
Ze dachten: zijn ogen! Net priempjes!
En toen klonk er een stem uit de schaduw die zei: 'Hallo, grote knul. Wil jij eens lekker verwend worden?'
'O ja!' zei Windel Poens overmand door verbazing. 'O, ja! Ja!'
Hij draaide zich om.
'Krijg het lazerus!' Je hoorde hoe iemand zich weghaastte door de steeg.
Windels gezicht zakte in.
Verwend worden in dit leven was blijkbaar alleen voor levenden weggelegd. Misschien was dit hele terug-in-je-lijf gedoe achteraf toch een vergissing. Dom dat hij anders had verwacht. Hij draaide zich om en zonder veel moeite te doen om zijn hart aan het kloppen te houden ging hij terug naar de Universiteit.
Windel sjokte de binnenplaats over naar de Grote Zaal. De Aartskanselier wist vast wel hoe het verder -
'Daar is hij!'
'Dat is hem!'
'Grijp hem!'
Windels gedachtentrein reed in de afgrond. Hij keek om zich heen naar vijf rode, bezorgde en vooral vertrouwde gezichten. 'O, hallo Hoofddekaan,' zei hij triest. 'En ben jij de Bovenstalmeester? Ach, en de Aartskanselier, dat komt -'
'Pak zijn arm!'
'Kijk niet naar zijn ogen!'
'Pak zijn andere arm!'
'Dit is voor je eigen bestwil, Windel!'
'Dit is Windel niet! Dit is een Schepsel van de Nacht!'
'Ik verzeker je toch -'
'Heb jij zijn benen?'
'Pak zijn been beet!'
'Pak zijn andere been beet!'
'Hebben jullie nu alles beet?' brulde de Aartskanselier. De tovenaars knikten.
Mustrum Ridiekel tastte in de wijdvertakte krochten onder zijn pij.
'Mooi, jij demon in mensengedaante', gromde hij, 'wat dacht je hiervan, hè? A-ha!'
Windel tuurde naar het dingetje dat hem triomfantelijk onder de neus was geduwd.
'Tja, uh...' weifelde hij. 'Ik zou zeggen... ja... hmm... ja, die geur is heel typerend, hè? Ja, absoluut. Allium sativum. De gewone gekweekte knoflook. Klopt?'
De tovenaars staarden hem aan. Ze staarden naar het witte teentje. Ze staarden weer naar Windel.
'Ik heb het toch goed?' zei hij met een poging tot glimlachen.
'Uh,' zei de Aartskanselier. 'Ja. Ja, dat klopt.' Ridiekel zocht naarstig naar nog iets. 'Goed zo,' zei hij.
'Bedankt voor de poging,' zei Windel. 'Kan ik echt waarderen.'
Hij stapte naar voren. De tovenaars hadden net zo goed kunnen proberen een gletsjer te stuiten.
'En nu moet ik even liggen,' zei hij. 'Dit was een lange dag.'
Hij wankelde het gebouw in en kraakte de gangen door tot hij bij zijn kamer kwam. Het scheen dat iemand anders er zijn spullen had ingezet, maar daar maakte Windel korte metten mee door het allemaal met één armzwaai op te pakken en in de gang te smijten.
Toen ging hij op het bed liggen.
Slapen. Nou, hij was moe. Dat was tenminste iets. Maar slapen betekende ook de teugels laten gaan, en hij wist niet al te zeker of alle systemen alweer volledig werkten.
Trouwens, als je het op de keper beschouwde, hoefde hij eigenlijk wel te slapen? Ga maar na, hij was dood. Men zei dat dat net als slapen was, maar dan erger. Ze zeiden dat doodgaan net zoiets was als inslapen, al konden er natuurlijk als je niet uitkeek wel stukjes van je gaan rotten en eraf vallen.
Wat deed je eigenlijk normaal gesproken als je sliep? Dromen... had dat niet iets van doen met je geheugen opruimen of zo? Hoe pakte je dat dan aan?
Hij staarde naar het plafond.
'Nooit gedacht dat dood zijn zo lastig zou wezen,' zei hij hardop.
Na een tijdje deed een vaag maar aanhoudend gepiep hem omkijken.
Boven de haard zat een sierkandelaar via een steun aan de wand bevestigd. Het was zo'n vertrouwd onderdeel van het meubilair dat Windel hem al geen vijftigjaar echt had gezien. Deze was zich nu aan het losdraaien. Hij draaide langzaam rond met een piep bij elke omwenteling. Na een stuk of vijf draaien viel hij kletterend op de grond.
Onverklaarbare verschijnselen waren op de Schijfwereld niet per se ongebruikelijk. Maar dan hadden ze meestal wel meer zin, of ze waren in elk geval interessanter.[*]
Het leek of er verder niets in beweging wilde komen. Windel ontspande zich en ging door met het ordenen van zijn herinneringen. Er zat van alles bij dat hij totaal vergeten was.
[*] Visregens waren bij voorbeeld zo algemeen in het door land ingesloten dorpje Grove Den Donder, dat men er een bloeiende rook-, inblik en haringfilet-industrie op nahield. En in de bergregionen van Sirrot kon men van schapen die men de hele nacht had buitengelaten vele des morgens aantreffen met hun neuzen de andere kant op, zonder de kennelijke bemoeienis van enig menselijk ingrijpen.
Op de gang werd kort gefluisterd, toen barstte de deur open en -
'Pak zijn benen! Pak zijn benen!'
'Hou zijn armen vast!'
Windel probeerde rechtop te zitten. 'O, dag allemaal,' zei hij.
'Wat is er aan de hand?'
De Aartskanselier stond aan het voeteneind in een zak te grabbelen en haalde een groot, zwaar voorwerp te voorschijn. Hij hield het omhoog.
'A-ha!' zei hij.
Windel tuurde ernaar.
'Ja?' moedigde hij aan.
'A-ha,' zei de Aartskanselier nog eens, maar met een tikkeltje minder overtuiging.
'Dat is een symbolische dubbelsteelse bijl uit de eredienst voor Oochytoe,' zei Windel.
De Aartskanselier keek hem onnozel aan.
'Uh, ja', zei hij, 'dat klopt.' Hij gooide hem over zijn schouder, waardoor de Hoofddekaan haast een oor moest missen, en tastte weer in de zak
'A-ha!'
'Dat is een tamelijk fraai exemplaar van de Mystieke Tand van Offlaar de Krokodilgod,' zei Windel.
'A-ha!'
'En dat is een... even denken... ja, dat is een komplete wandset heilige Eenden in de Vlucht van de hand van Oorbort Wansmaak. Tjee zeg, wat leuk is dit!'
'A-ha.'
'Dat is... nee, niet zeggen, niet zeggen... dat is de heilige linglang van de beruchte Roetie cultus, toch?'
'A-ha?'
'Ik geloof dat die daar de driekoppige vis is van de Gwombanaanse driekoppige-viskerk,' zei Windel.
'Dit is absurd,' zei de Aartskanselier en hij liet de vis vallen. De tovenaars lieten hun schouders hangen. Religieuze voorwerpen waren blijkbaar toch niet zo'n geheide remedie tegen ondoden.
'Het spijt me echt dat ik je zo'n last bezorg,' zei Windel.
De Hoofddekaan klaarde opeens op.
'Daglicht!' zei hij opgewonden. 'Daarmee zal het lukken!'
'Grijp het gordijn!'
'Pak dat andere gordijn!'
'Eén, twee, drie... nu!'
Windel knipperde met zijn ogen in het binnenrukkende zonlicht.
De tovenaars hielden hun adem in.
'Jammer, hoor,' zei hij. 'Het werkt niet, lijkt het.'
Ze zakten weer in.
'Voel je dan helemaal niks?' vroeg Ridiekel.
'Geen aandrang om tot stof te vervallen en weg te waaien?' vroeg de Bovenstalmeester hoopvol.
'Mijn neus vervelt gauw als ik te lang in de zon blijf,' zei Windel. 'Ik weet niet of je daar wat aan hebt?' Hij probeerde te lachen.
De tovenaars keken elkaar aan en haalden hun schouders op.
'Weg wezen,' zei de Aartskanselier. Ze dromden de kamer uit. Ridiekel sloot de rij. Bij de deur hield hij even in om een vinger te heffen tegen Windel.
'Met dit gebrek aan medewerking, Windel, zul je niets opschieten,' zei hij en hij sloeg de deur achter zich dicht.
Na een paar tellen draaiden de drie schroeven waar de deurkruk mee vast zat zich heel langzaam los. Ze stegen omhoog, draaiden enkele baantjes onder het plafond en vielen omlaag. Hier dacht Windel een tijdje over na.
Herinneringen. Daar had hij een boel van. Honderddertig jaar herinneringen. Toen hij nog leefde was het hem niet gelukt zich maar een honderdste te herinneren van wat hij wist maar nu hij dood was, met een van alle rompslomp behalve het ene zilverdraadje van zijn gedachten ontdane geest, kon hij ze allemaal voelen zitten. Al wat hij ooit had gelezen, al wat hij ooit had gezien, al wat hij ooit had gehoord. Alles was er, op rijen gerangschikt. Niets vergeten. Alles op zijn plaats.
Drie onverklaarbare verschijnselen op één dag. Vier, als je het feit van zijn voortgezette bestaan meetelde. Dat was pas onverklaarbaar.
Er was een verklaring voor nodig.
Nou, dat was iemand anders' probleem. Alles was nu iemand anders' probleem.
De tovenaars hurkten voor de deur van Windels kamer.
'Hebben we alles?' vroeg Ridiekel.
'Waarom kunnen we het niet laten doen door het personeel?' mopperde de Bovenstalmeester. 'Dit botst met onze waardigheid!'
'Omdat ik wil dat het fatsoenlijk en waardig gebeurt,' snauwde de Aartskanselier. 'Als er al een tovenaar moet worden begraven op een kruispunt met een eind hout door zijn bast, dan wel eventjes door tovenaars. Wij zijn uiteindelijk zijn vrienden.'
'Wat is dit trouwens voor geval?' zei de Hoofddekaan die het werktuig dat hij meedroeg eens bekeek.
'Dat heet een schep,' zei de Bovenstalmeester. 'Die heb ik de tuinlieden wel zien gebruiken. Dat scherpe eind steekje in de grond. Daarna wordt het een beetje technisch.'
Ridiekel gluurde door het sleutelgat.
'Hij is weer gaan liggen,' zei hij. Hij ging staan, klopte het stof van zijn knieën en greep de deurknop. 'Vooruit,' zei hij. 'Let op mijn tellen. Eén... twee...'
Modo de tuinman kruide net een lading hegsnoeisel naar een brandstapel achter het nieuwe gebouw voor Onderzoek naar Hoge-Energie Toverkracht toen er een handvol tovenaars aan hem voorbijging in een - voor tovenaars - zeer hoog tempo. Temidden van hen werd Windel Poens hooggeheven meegevoerd. Modo hoorde hem zeggen: 'Maar Aartskanselier, weet je echt zeker dat dit wel werkt -?'
'We doen het allemaal in jouw eigen belang,' zei Ridiekel.
'Vast wel, maar -'
'Wij zorgen wel dat je je gauw weer de oude voelt,' zei de Administrateur.
'Helemaal niet!' siste de Hoofddekaan. 'Dat is het hem juist!'
'Wij zorgen wel dat je je gauw niet meer de oude voelt, dat is het hem juist,' stamelde de Administrateur terwijl ze de bocht namen.
Modo pakte de handvaten van zijn kruiwagen weer op en duwde hem peinzend naar het besloten plekje waar hij zijn brandstapel had, en zijn composthopen, zijn bladaardeberg, en het schuurtje waarin hij zat als het regende.
Ooit was hij ondertuinman geweest op het paleis, maar dit baantje was veel interessanter. Hier kreeg je pas wat van het leven te zien.
De Ankh-Meurborkse gemeenschap is er een van de straat. Daar is altijd iets belangwekkends aan de gang. De voerman van een tweespans fruitkar hield momenteel de Hoofddekaan aan de lurven van zijn pij op tien centimeter van de grond en dreigde het gezicht van de Hoofddekaan door het achterhoofd van de Hoofddekaan te drukken.
'Dit bennen perziken, voel je wel?' bulderde hij aldoor. 'Weet je wat perziken doen als ze te lang blijven liggen? Dan worden ze beurs. Ik weet er nog een paar hier die beurs gaan worden.'
'Zeg, weet je wel dat ik tovenaar ben?' zei de Hoofddekaan met bengelende puntschoenen. 'Als het niet zo was dat het tegen de regels was als ik op enig andere wijze dan louter ter verdediging toverkracht gebruikte, dan zou je bepaaldelijk in de penarie zitten.'
'Wat moet dat hier, trouwens?' zei de voerman en hij liet de Hoofddekaan wat zakken zodat hij wantrouwig over zijn schouder kon kijken.
'Persies', zei een vent die met moeite het span voor een wagen vol balken in bedwang hield, 'wat moet dat? Er zijn hier lui bij die per uur betaald worden, hoor!'
'Schiet eens op daar vooraan!'
De balkenvoerder draaide zich om op zijn bok en richtte zich tot de karrenrij achter hem. 'Ik doe mijn best,' zei hij. 'Kan ik er wat aan doen? Er is hier een troep tovenaars bezig om de hele rotstraat op te graven!'
Het bemodderde gezicht van de Aartskanselier gluurde over het randje van de kuil.
'Ach, in hemelsnaam, Hoofddekaan,' zei hij. 'Ik zei toch dat je dit moest oplossen!'
'Ja, ik ging deze meneer net vragen om achteruit te gaan en een andere weg te nemen,' zei de Hoofddekaan die vreesde dat hij begon te stikken.
De ooftman liet hem ronddraaien zodat hij door de drukke straten kon kijken. 'Ooit geprobeerd om zestig karren tegelijk achteruit te laten rijden?' vroeg hij kwaad. 'Dat gaat zomaar niet. Vooral niet als iedereen vastzit omdat jullie stelletje het voor mekaar hebben gekregen dat alle karren in alle zijstraten stilstaan en niemand weg kan omdat iedereen iedereen in de weg zit, vat je?'
De Hoofddekaan probeerde te knikken. Zelf had hij zich ook afgevraagd of het wel verstandig was om het gat te graven op de kruising van de Kleingodenstraat met de Breestraat, twee van de drukste straten in Ankh-Meurbork. Het leek toen zo logisch. Zelfs de hardnekkigste ondode hoorde toch netjes begraven te blijven onder zoveel verkeer. Het probleem was alleen dat niemand er bij stilstond dat je lastig een paar hoofdstraten kon gaan openleggen op het spitsuur.
'Vooruit, achteruit, wat is hier aan de hand?'
De toeschouwende menigte week uiteen voor de omvangrijke gestalte van Sergeant Dendarm van de Wacht. Hij naderde onstuitbaar door het volk, en zijn buik liep voorop. Toen hij de tovenaars zag, tot aan hun middel in een gat middenin de straat, klaarde zijn rode gezicht wat op.
'Wat krijgen we nou?' zei hij. 'Een bende internationale kruispuntdieven?'
Hij was opgetogen. Zijn lange-termijnvisie op surveillance was uitgekomen!
De Aartskanselier kiepte een schepvol Ankh-Meurborkse leem over zijn laarzen.
'Doe niet zo stom, kerel,' snauwde hij. 'Dit is van levensbelang.'
'Ja, ja, dat zeggen ze allemaal,' zei Sergeant Dendarm, niet iemand die zich makkelijk van een bepaalde denktrant liet afbrengen als hij mentaal eenmaal goed op gang was. 'Ik wil wedden dat er honderden dorpjes zijn in heidense streken zoals Klatsch, die goed geld over hebben voor een fraai indrukwekkend kruispunt als dit hier. Toch?'
Uit de diepte keek Ridiekel hem met open mond aan.
'Wat bazel je toch, agent?' zei hij. Hij wees geërgerd naar zijn puntmuts. 'Heb je me niet gehoord? Wij zijn tovenaars. Dit zijn tovenaarsaangelegenheden. Als je dus even het verkeer zo'n beetje wilt omleiden, brave man -'
'- deze perziken worden al beurs as je der even naar kijkt -' zei een stem achter Sergeant Dendarm.
'Die ouwe gekken houden ons al een half uur op,' zei een veedrijver die al geruime tijd het bevel kwijt was over veertig stieren die nu doelloos door de omliggende straten zwierven. 'Ik wil dat je ze arresteert.'
Het begon de sergeant te dagen dat hij zich ongemerkt middenin het toneel had geplaatst van een drama met honderden mensen, ten dele tovenaars en allemaal kwaad.
'Wat voeren jullie hier dan uit?' zei hij hulpeloos.
'We begraven een collega van ons. Wat dacht je anders?' zei Ridiekel.
Dendarms ogen zwenkten naar een openstaande doodkist langs de weg. Windel Poens wuifde even naar hem.
'Maar... die is toch... niet dood?' vroeg hij met een voorhoofd vol rimpels van zijn pogingen om de situatie onder de knie te krijgen.
'Schijn bedriegt,' zei de Aartskanselier.
'Maar hij wuifde net nog naar me,' zei de sergeant radeloos.
'En?'
'Toch niet normaal, als je -'
'Niets aan de hand, sergeant,' zei Windel. Sergeant Dendarm sloop dichter bij de doodkist.
'Heb ik jou niet in de rivier zien springen, gisteravond?' zei hij uit zijn mondhoek.
'Ja. Je was heel behulpzaam,' zei Windel.
'En toen sprong je er zeg maar weer uit,' zei de sergeant.
'Helaas wel.'
'Maar je bleef uren onder.'
'Nou ja, het was ook zo donker. Ik kon de trap niet vinden.'
Sergeant Dendarm zag hier de logica wel van in.
'Nou, dan neem ik maar aan dat je dood bent,' zei hij. 'Niemand kan daar zolang onder blijven zonder dood te zijn.'
'Het is zover,' stemde Windel in.
'Maar waarom wuif en praatje dan?' vroeg Dendarm. De Bovenstalmeester stak zijn hoofd uit het gat.
'Het is niet ongehoord dat een dood lijk nog beweegt en geluid maakt na de dood, Sergeant,' bracht hij te berde. 'Dat zit hem in die onwillekeurige spierkrampen.'
'Inderdaad, de Bovenstalmeester heeft gelijk,' zei Windel Poens. 'Ik las dat ook ergens.'
'O.' Sergeant Dendarm keek eens rond. 'Vooruit,' zei hij weifelend. 'Nou... dat zal dan wel...'
'Mooi, wij zijn klaar', zei de Aartskanselier terwijl hij uit de kuil klauterde, 'die is diep genoeg. Vooruit Windel, erin met jou.'
'Echt, ik ben diep geroerd,' zei Windel, achterover in zijn kist. Het was nog een hele beste, uit de rouwkamer in de Olmenstraat. Hij had hem zelf mogen uitkiezen van de Aartskanselier.
Ridiekel raapte een zware houten hamer op. Windel ging weer rechtop zitten.
'Al die moeite die iedereen heeft gedaan -'
'Ja, in orde hoor,' zei Ridiekel die om zich heen keek. 'Kom - wie heeft het eind hout?'
Iedereen keek naar de Administrateur.
De Administrateur keek bedrukt.
Hij grabbelde in een zak.
'Ik kon er geen een krijgen,' zei hij.
De Aartskanselier sloeg een hand voor zijn ogen.
'Welja,' zei hij bedaard. 'En weet je dat dit me niet verbaast? Verbaast me totaal niet. Goed, wat heb je? Een stuk triplex? Een mooie wandelstok?'
'Saté met knoflook,' zei de Administrateur.
'Komt van zijn zenuwen,' zei de Hoofddekaan vlug.
'Een satéstokje,' zei de Aartskanselier met een zelfbeheersing, zo strak, dat je er een hoefijzer om kon buigen. 'Juist.'
De Administrateur overhandigde hem een besausd prikkertje.
Ridiekel nam het aan.
'Goed, Windel', zei hij, 'dan wil ik dat je je inbeeldt dat wat ik hier in mijn hand heb -'
'Maakt niks uit, hoor,' zei Windel.
'Ik weet eigenlijk niet of ik met die hamer -'
'Ik vind het niet erg, echt niet,' zei Windel.
'Nee?'
'Het principe deugt,' zei Windel. 'Als jij me nu dat stokje geeft en denkt dat je op een eind hout hamert, zal dat vast wel genoeg zijn.'
'Dat is fideel van je,' zei Ridiekel. 'Daarmee toon je de ware korpsgeest.'
'Esprit de cadaver,' zei de Bovenstalmeester.
Ridiekel keek hem even boos aan en reikte het stokje theatraal over aan Windel.
'Daar!' zei hij.
'Dank je wel,' zei Windel.
'En laten we dan vlug het deksel erop doen en wat gaan eten,' zei Ridiekel. 'Wees maar niet bang, Windel. Het werkt gegarandeerd. Dit is de laatste dag van de rest van je leven.' Windel lag in het donker te luisteren naar het getimmer. Er klonk een bons en een gesmoorde verwensing naar de Hoofddekaan omdat hij zijn eind niet goed vasthield. En daarna het gekletter van klei op het deksel, dat zwakker werd en steeds verder weg klonk.
Na een tijdje gaf een gerommel uit de verte aan dat de handel en wandel van de stad was hervat. Hij kon zelfs gesmoorde stemmen opvangen.
Hij bomde op het deksel van de doodkist.
'Kan het wat zachter!' commandeerde hij. 'Er zijn hier mensen die proberen dood te zijn!'
Hij hoorde hoe de stemmen stokten. Er klonk een geluid van zich wegreppende voeten.
Windel bleef daar geruime tijd liggen. Hoe lang wist hij niet. Hij probeerde alle functies stil te leggen, maar daar kreeg hij alleen een akelig gevoel van. Waarom was doodgaan nu zo moeilijk? Andere mensen leek het wel te lukken, nog wel zonder oefening.
Bovendien jeukte zijn been.
Hij probeerde zich te buigen om te krabben, en zijn hand raakte iets kleins met een onregelmatige vorm. Hij wist zijn vingers erom te krijgen.
Het voelde aan als een mapje lucifers.
In een doodkist? Dachten ze soms dat hij hier als tijdverdrijf even lekker een sigaartje ging opsteken?
Na een zekere inspanning wist hij met de ene schoen de andere uit te duwen en die omhoog te werken tot hij er net bij kon. Nu had hij een ruw oppervlak om een lucifer op aan te strijken - Zwavelig licht doorstroomde zijn langwerpige wereldje.
Er zat een klein stukje karton aan de binnenkant van het deksel geprikt.
Hij las het.
Hij las het nog eens.
De lucifer ging uit.
Hij stak er nog een aan, louter om te controleren of wat hij gelezen had echt bestond.
De boodschap bleef even raar, ook voor de derde keer:
Dood? Neerslachtig?
Liever opnieuw begonnen?
Kom dan vooral eens naar de
CLUB VAN HERSTARTERS
Donderdags 24:00, Olmenstraat 668
LAAT JE NIET KISTEN
De tweede lucifer ging uit, en nam het laatste beetje zuurstof mee.
Windel bleef een tijdje in het donker liggen nadenken wat hem te doen stond en verorberde de laatste saté.
Wie zou dat gedacht hebben?
En opeens drong het tot Windel Poens zaliger door dat niets ooit iemand anders' probleem was, en dat de wereld net als je dacht dat hij je eruit had geschopt vol vreemdsoortigheid bleek te zitten. Uit ervaring wist hij dat de levenden nog niet de helft merkten van wat er echt voorviel, omdat ze het te druk hadden met het de levenden wezen. De toeschouwer zie het meest van de wedstrijd, zei hij in zichzelf.
Het waren de levenden die het vreemdsoortige en wonderbaarlijke over het hoofd zagen, want het leven zat al te vol met het saaie en alledaagse. En toch was het vreemd. Er zaten dingen in als zichzelf losschroevende schroeven, en berichtjes aan de doden.
Hij besloot te gaan uitvissen wat er loos was. En dan... als de Dood hem niet zou komen halen, ging hij wel naar de Dood.
Hij had toch rechten? Nou en of. Hij zou de grootste speurtocht aller tijden naar een vermiste op poten zetten.
Windel grijnsde in het donker. Vermist - vermoedelijk de Dood. Dit werd de eerste dag van de rest van zijn leven.
En Ankh-Meurbork lag aan zijn voeten. Bij wijze van spreken, dan. Hij kon alleen maar omhoog.
Hij tastte in het duister boven zich naar het kaartje en trok het los. Hij stak het tussen zijn tanden.
Windel Poens zette zijn voeten schrap tegen het eind van de kist, werkte zijn handen langs zijn hoofd en duwde uit alle macht.
De kleffe leem van Ankh-Meurbork bewoog even.
Windel stopte uit gewoonte even om op adem te komen maar besefte meteen dat dit geen zin had. Hij duwde nog eens. Het eind van de kist ging aan splinters.
Windel trok de brokken naar zich toe en verscheurde het massieve grenen alsof het papier was. Zo verkreeg hij een stukje plank dat als schep volstrekt nutteloos was geweest voor iemand zonder gezombiede krachten.
Eerst draaide hij zich op zijn buik, toen nam hij de improvisatieschep om de aarde om zich heen weg te spitten en met zijn voeten weg te rammen, en zo groef Windel Poens de herstarter zich een weg omhoog.
Stel je een landschap voor, een vlakte met golvende glooiingen.
Het is nazomer in de octarijngraslanden onder de steil oprijzende pieken van de hoge Ramtoppen, en de kleuren zijn overheersend omber en goud. Hitte schroeit het landschap. Sprinkhanen knisperen als in de koekepan.
Zelfs de lucht is te heet om zich te verroeren. Dit is de heetste zomer sinds mensenheugenis en in deze contreien is dat een hele lange tijd.
Stel je een ruiter voor, die traag een stoffige weg volgt door korenvelden die nu al een ongewoon rijke oogst beloven. Stel je een hek voor van heetgestookt, dor hout. Er zit een boodschap aan geprikt. De zon heeft de letters verbleekt, maar ze zijn nog leesbaar.
Stel je de schaduw voor die over de boodschap valt. Je kunt haast horen hoe hij de beide woorden leest.
Er loopt een zijpad van de weg naar een groepje uitgebleekte bouwsels.
Stel je nu sloffende voetstappen voor.
Stel je een deur voor, open.
Stel je een koele, donkere kamer voor, een glimp ervan door de deuropening. Dit is geen kamer waarin veel is gewoond. Het is een kamer van lui die buiten leven maar soms naar binnen moeten, als het donker wordt. Het is een kamer voor paardentuig en honden, een kamer waar oliegoed te drogen wordt gehangen. Bij de deur staat een bierton. Er liggen plavuizen op de vloer en aan de zolderbalken zitten spekhaken. Er staat een geschuurde tafel waaraan honderd hongerige mannen zouden kunnen gaan zitten.
Er zijn geen mannen. Er zijn geen honden. Er is geen bier. Er is geen spek.
Na het kloppen was er stilte, en daarna het flapflappen van muilen over plavuizen. Ten slotte gluurde een magere oude vrouw, een gezicht met dezelfde kleur en struktuur als een walnoot, om de hoek van de deur.
'Ja?' zei ze.
OP DE BOODSCHAP STOND 'KNECHT GEZOCHT'.
'Stond dat er? O ja? Die zit er al sinds verleden winter!'
PARDON? ZOEK JE GEEN KNECHT?
Het gerimpelde gezicht keek hem bedachtzaam aan.
'Maar meer dan een zesduitsstuk per week kan er niet af,' zei het.
De lange gedaante die tegen het zonlicht oprees leek dit in overweging te nemen.
JA, zei hij ten slotte.
'Ik zou niet eens zo gauw weten met wat voor klusje ik je moet laten beginnen. We hebben al in geen drie jaar een echte knecht gehad. Ik huur gewoon wat van die luie nietsnutten uit het dorp als ik ze nodig heb.'
JA?
'Het maakt je dus niet uit?'
IK HEB EEN PAARD.
Het oude mens tuurde langs de vreemdeling. Op het erf stond het indrukwekkendste paard dat ze ooit had gezien. Haar ogen vernauwden zich.
'En dan is dat zeker je paard?'
JA.
'Met al dat zilver op zijn tuig enzovoort?'
JA.
'En jij wil hier werken voor zes duiten per week?'
JA.
De oude vrouw kneep haar lippen samen. Ze keek van de vreemdeling naar het paard en naar het verval rondom de boerderij. Blijkbaar kwam ze tot een besluit, wellicht in de geest van dat iemand die geen paarden had niets hoefde te duchten van een paardendief.
'Slapen doe je in de schuur, begrepen?' zei ze.
SLAPEN? JA. NATUURLIJK. JA, IK ZAL MOETEN SLAPEN.
'In huis zou ik je niet over de vloer kunnen hebben, trouwens. Dat zou niet passen.'
DE SCHUUR ZAL ZEER TOEREIKEND ZIJN, WEES GERUST.
'Maar voor de maaltijden mag je in huis komen.'
DANK JE.
'Ik heet juffrouw Waardvliet.'
JA.
Ze wachtte.
'Jij zult toch ook wel een naam hebben,' moedigde ze aan.
JA. DAT KLOPT.
Ze wachtte nog eens. 'En?'
PARDON?
'Hoe heet je?'
De vreemde snuiter staarde haar even aan en keek toen wild om zich heen.
'Vooruit,' zei juffrouw Waardvliet. 'Ik ga me daar niet iemand aannemen zonder naam. Meneer...?'
De gedaante staarde omhoog.
MENEER LUCHT?
'Niemand heet meneer Lucht.'
MENEER... DEUR?
Ze knikte.
'Zou kunnen. Meneer Deur zou kunnen. Ik heb eens een vent gekend die Van der Deur heette. Okee. Meneer Deur. En je voornaam? Ga nou niet zeggen dat je die ook niet hebt. Je moet toch een Wim zijn of een Ton of een Frans of zo'n soort naam.'
JA.
'Wat?'
EEN VAN DIE.
'Welke dan?'
UH. DE EERSTE?
'Jij bent een Wim?'
JA?
Juffrouw Waardvliet sloeg haar ogen ten hemel. 'Vooruit dan maar, Wim Lucht...' zei ze.
DEUR.
'O ja. Pardon. Vooruit dan, Wim Deur...'
ZEG MAAR WIM.
'En noem jij mij maar juffrouw Waardvliet. Je zult wel iets warms willen?'
IETS WARMS? ACH. JA. HET AVONDLIJK MAAL. JA.
'Je lijkt wel uitgehongerd, eerlijk gezegd. De dood nabij, eigenlijk.' Ze tuurde naar de gedaante. Om een of andere reden was het bar moeilijk om uit te maken hoe Wim Deur er precies uitzag, of je zelfs te herinneren hoe zijn stem precies klonk. Blijkbaar was hij er wel, en blijkbaar had hij iets gezegd - waarom zou je je anders iets kunnen herinneren?
'Er zijn hier in de buurt veel lui die niet de naam voeren waarmee ze geboren zijn,' zei ze. 'Ik zeg altijd maar dat je er niks mee opschiet als je persoonlijke vragen blijft stellen. Ik neem aan dat je wel kunt werken, meneer Wim Deur? Ik ben nog bezig het hooi binnen te halen van de hoge weilanden en met de oogst zal er heel wat werk zijn. Kun je overweg met een zeis?'
Wim Deur leek even op deze vraag te broeden. Toen zei hij: IK GELOOF DAT HET ANTWOORD DAAROP EEN VOLMONDIG 'JA' IS, JUFFROUW WAARDVLIET.
Snij'k-In-Eigen-Vlees Snikkel zag ook al nooit heil in het stellen van persoonlijke vragen, tenminste zover ze betrekking hadden op hem en de richting uitgingen van 'Is dat wel van jou wat je daar verkoopt?' Maar er kwamen blijkbaar totaal geen lui opdagen die hem beknorden wegens de verkoop van hun eigendom, en dan vond hij het al lang goed. Hij had vanmorgen al meer dan duizend van die bolletjes verkocht en had een trol moeten aanstellen om voor aanvoer te zorgen uit de vreemde toeleveringsbron in de kelder.
Men was er gek op.
Het werkingsbeginsel was lachwekkend eenvoudig en met gemak te bevatten door de modale Ankh-Meurborkse burger, na enkele mislukte pogingen.
Als je een bolletje schudde wervelde er in de vloeistof van binnen een wolkje witte sneeuwvlokken op, om dan zoetjes neer te dalen op een piepklein modelletje van een Ankh-Meurborkse bezienswaardigheid. In sommige bolletjes was dat de Universiteit, of de Toren der Kunsten, of de Koperen Brug, of het Patriciërspaleis. De detaillering was treffend.
En toen waren ze op. Ach, dacht Vlees, dat is nou jammer. Omdat ze technisch gezien niet van hem waren - al waren ze moreel, ja moreel gezien natuurlijk wel van hem - kon hij niet echt klagen. Nou ja, hij kon wel klagen, vanzelf, maar alleen overzicht en niet tegen een bepaald iemand. Misschien was het maar beter zo, bij nader inzien. Grote stapels, goedkoop van de hand. Ja, vooral van de hand - dan kon je die des te beter uitspreiden in een gebaar van gekwetste onschuld als je zei: 'Wie, ik?'
Echt mooi waren ze anders wel. Afgezien dan, raar genoeg, van het opschrift. Dat stond op de bodem van elk bolletje, in dilettantische bibberletters, alsof ze geschreven waren door iemand die nog nooit schrift had gezien en het probeerde na te tekenen. Op de bodem van elk bolletje, onder het gedetailleerde sneeuwoverdekte gebouwtje, stond de tekst:
Mustrum Ridiekel, Aartskanselier van de Gesloten Universiteit, was een schaamteloze autospecerist.[*]
Bij ieder maal liet hij zich zijn eigen rekje voorzetten. Dit behelsde zout, drie soorten peper, vier soorten mosterd, vier soorten azijn, vijftien verschillende varianten mayonaise en zijn bijzondere liefde: Oei-Oei Saus, een mengsel van gerijpte herelak, ingelegde komkommer, kappertjes, mosterd, mango's, vijgen, geraspte wahoenie, ansjovis-essence, duivelsdrek en, let op, zwavel en salpeter voor extra sterkte. Ridiekel had de formule geërfd van zijn oom die op zekere avond na een kwart liter saus over een copieus maal en na een verkoold beschuitje om zijn maag tot bedaren te brengen, zijn pijp aanstak waarop hij verdween onder verdachte omstandigheden, al vond men de volgende zomer wel zijn schoenen op het dak.
De lunch bestond uit koud schapevlees. Schapevlees ging prima samen met Oei-Oei Saus; op de avond van de dood van Ridiekel senior, bij voorbeeld, ging het op zijn minst vijf kilometer mee.
Mustrum bond zijn servet om zijn nek, wreef zich de handen en stak er een van uit.
Het rekje ging opzij.
Hij greep nog eens. Het gleed uit de weg. Ridiekel slaakte een zucht.
'Okee, kerels,' zei hij. 'Geen getover aan Tafel, je kent de regels. Wie speelt hier de pias?'
[*] Iemand die zeker zout en waarschijnlijk ook peper doet over elk maal dat je hem voorzet wat het ook is en ongeacht hoeveel er al opzit en afgezien van hoe het smaakt. Gedragspsychiaters in dienst van snackbarketens in het ganse heelal hebben miljarden in geeft-nietwelke lokale muntsoort bespaard doordat ze dit autospecerisme ontdekten en hun werkgevers dus adviseerden om zelf alle specerij maar weg te laten. Dit is echt zo.
De andere gevorderde tovenaars staarden hem aan.
'Ik, ik, ik geloof dat we dat niet meer kunnen,' zei de Administrateur, die momenteel nog maar af en toe in het voorbijgaan bij zinnen was. 'Ik, ik, ik geloof dat we wat van die pionnetjes kwijt zijn...'
Hij keek om zich heen, giechelde en probeerde weer zijn schapelapje te snijden met een lepel. De andere tovenaars hielden de messen voorlopig uit zijn buurt.
Het hele kruidenrekje zweefde nu de lucht in en begon traag rond te tollen. Toen ontplofte het.
De tovenaars, doorweekt met azijn en dure specerijen, stonden er met grote ogen bij te kijken.
'Dat zal wel die saus geweest zijn,' opperde de Hoofddekaan. 'Die begon absoluut gisteravond al wat kritisch te worden.'
Er viel iets op zijn hoofd dat in zijn lunch belandde. Het was een zwarte ijzeren schroef van haast tien centimeter.
Een volgende schudde de hersenen van de Administrateur. Na een stuk of twee tellen landde een derde met de punt omlaag op de tafel om naast de hand van de Aartskanselier te blijven steken.
De tovenaars richtten hun blikken omhoog.
Des avonds werd de Eetzaal verlicht door een enkele zware kroonluchter, al leek dit dikwijls met glinsterend prismatisch glaswerk verbonden woord niet van toepassing op het enorme, massieve, zwarte, kaarsvetbemorste geval dat aan de zoldering hing als een dreigende naheffing. Het bevond zich recht boven de tafel met gevorderde tovenaars.
Alweer rinkelde er een schroef op de vloer bij de haard. De Aartskanselier schraapte zijn keel.
'Hollen?' stelde hij voor. De luchter kwam los. Stukjes tafel en vaatwerk kwakten tegen de muren. Brokken dodelijk kaarsvet ter grootte van een mensenhoofd snorden door de vensters. Een hele kaars schoot met dolle vaart weg uit de ravage en boorde zich centimeters diep in een deur.
De Aartskanselier ontwarde zich uit de restanten van zijn stoel. 'Administrateur!' gilde hij.
De Administrateur werd opgediept uit de haard.
'Hum, jawel, Aartskanselier?' bibberde hij.
'Wat moest dat nu weer voorstellen?'
Ridiekels hoed steeg op van zijn hoofd.
Nu was dat de standaard, slapgerande toverpunthoed, maar dan aangepast aan de ongeremde levenswijze van de Aartskanselier. Er zaten haken met visvliegjes aangeprikt. In de hoedeband zat een handboogje met pistoolgreep gestoken voor het geval hij onder het joggen iets te schieten tegenkwam, en Mustrum Ridiekel had bedacht dat het puntgedeelte net aan de maat was voor een flesje Föckincks Zeer Oude Aparte Genever. Aan deze hoed was hij nogal gehecht.
Maar de hoed was niet meer aan hem gehecht.
Hij zweefde kalmpjes door het vertrek. Er klonk een zacht maar herkenbaar klokkend geluid.
De Aartskanselier sprong overeind. 'Ben je belazerd,' bulderde hij. 'Dat spul is wel negen daalders de kan!' Hij deed een uitval naar de hoed, miste en schoot door tot hij een meter boven de vloer tot stilstand gleed.
De Administrateur stak een zenuwachtig handje op.
'Houtworm, kan dat?'zei hij.
'Als er nog één keer zoiets gebeurt', grauwde Ridiekel, 'één keertje maar, denk erom, dan word ik me toch kwáád!'
Hij werd neergelaten op hetzelfde moment dat de grote deuren opengingen. Er draafde een conciërge binnen gevolgd door een patrouille van de paleiswacht van de Patriciër.
De hoofdman bekeek de Aartskanselier van top tot teen met het dédain van iemand voor wie het woord 'burger' net zo dient te worden uitgesproken als 'kakkerlak'.
'Ben jij de chef hier?' vroeg hij.
De Aartskanselier streek zijn habijt glad en probeerde zijn baard wat te ordenen.
'Ik ben de Aartskanselier van deze Universiteit, ja,' zei hij.
De hoofdman keek nieuwsgierig de zaal rond. De studenten stonden allemaal bang aan het andere eind. Kwakken eetwaar bedekten het merendeel van de wanden tot bovenaan het plafond. Stukjes meubilair lagen rond de puinhoop van de kroonluchter als bomen om de inslagkrater van een meteoriet.
Toen nam hij het woord met alle weerzin van iemand wiens eigen voortgezette opleiding werd gestaakt op zijn negende jaar, maar die dingen gehoord heeft...
'Zeker weer je kroegjool aan het botvieren geweest?' zei hij.
'Beetje met kadetjes gooien en zo?'
'Mag ik de reden van deze verstoring weten?' vroeg Ridiekel kil.
De hoofdman leunde op zijn speer.
'Kijk', zei hij, 'het zit zo. De Patriciër zit in zijn slaapkamer verschanst vanwege dat het meubilair door het paleis zeilt van heb ik jou daar, de keukenmeiden willen voor geen goud meer de keuken in vanwege wat daar gebeurt...'
De tovenaars probeerden niet naar de punt van de speer te kijken. Deze was zich aan het losschroeven.
'In elk geval', ging de hoofdman verder, zich van geen metalige geluidjes bewust, 'de Patriciër roept door het sleutelgat, vat je, tegen mij zoiets van: "Berend, zou je misschien even voor mij naar de Universiteit willen wippen om de chef daar te vragen of hij zo goed wil zijn even langs te komen, als het schikt?" Maar ik kan natuurlijk altijd teruggaan om hem te zeggen dat jullie bezig waren met studentenjool, als je wilt.'
De speerpunt was haast los van de schacht.
'Hoor je wel wat ik zeg?' zei de hoofdman wantrouwig.
'Hmm? Wat?' zei de Aartskanselier die met moeite zijn ogen losrukte van het wentelende metaal. 'O. Ja. Nou, ik verzeker je, jongmens, dat wij niet de oorzaak zijn van -'
'Aaauchch!'
'Pardon?'
'Die speerpunt viel op mijn voet!'
'O ja?' zei Ridiekel onschuldig.
De hoofdman hupte op en neer.
'Hoor eens, komen jullie verrekte hokuspokusverkopers nou mee of niet?' zei hij tussen twee huppen. 'De baas is niet blij. Helemaal niet zo blij.'
Er dreef een grote vormeloze wolk Leven over de Schijfwereld, als water dat stijgt achter een dam als de sluisdeuren dicht zijn. Zonder Dood om de levenskracht weg te halen als men ermee klaar was, kon die nergens heen.
Hier en daar sloot hij zich kort naar de grond in de vorm van ongerichte klopgeeststoringen, als de flitsen zomerbliksem voorafgaand aan een zware bui.
Al wat bestaat verlangt naar leven. Dat is waar die hele levenskringloop om draait. Dat is de motor die de grote biologische pomp van de evolutie aandrijft. Alles probeert langs de boom omhoog te kruipen, met klauwen, tentakels of louter slijm, steeds hoger naar de volgende niche tot het de top haalt - die dan achteraf nooit al die moeite waard lijkt.
Al wat bestaat verlangt naar leven. Zelfs niet-levende dingen. Dingen die een soort onderleven hebben, een overdrachtelijk leven, een bijna-leven. Zodat er nu, net zoals een plotse warmteperiode zorgt voor onnatuurlijke en uitheemse bloeiwijzen... Er was iets met die bolletjes. Je moest ze wel oprapen en schudden, kijken hoe die leuke sneeuwvlokjes wervelden en schitterden. En dan mee naar huis nemen en op de schoorsteenmantel zetten.
Om ze dan te vergeten.
De betrekkingen tussen de Universiteit en de Patriciër, absoluut heerser en bijna verlicht dictator van Ankh-Meurbork, waren gevoelig en delicaat.
De tovenaars gingen ervan uit dat ze een hogere waarheid dienden, en dus niet gehouden waren aan de wereldlijke wetten van de stad.
De Patriciër zei dat dit inderdaad het geval was, maar geen reden om verdomme niet net als iedereen belasting te betalen. De tovenaars zeiden dat ze als volgelingen van het licht der wijsheid aan geen sterveling onderworpen hoefden te zijn.
De Patriciër zei dat dit best kon wezen maar dat ze wel onderworpen waren aan de stadsbelasting à tweehonderd daalders per hoofd per jaar, per kwartaal te voldoen.
De tovenaars zeiden dat de Universiteit op betoverde grond stond en derhalve gevrijwaard was van belasting en trouwens, kennis kon je niet belasten.
De Patriciër zei van wel. Namelijk met hoofdelijk tweehonderd daalders; als dat hoofdelijk problemen gaf, viel het onthoofdelijk te regelen.
De tovenaars zeiden dat de Universiteit nooit belasting betaald had aan het staatsapparaat.
De Patriciër zei dat hij in de kelder nog andere apparaten had. De tovenaars zeiden, wat dacht hij van een gunstige regeling? De Patriciër zei dat hij het had over een gunstige regeling. Over de ongunstige regeling zouden ze niets willen horen.
De tovenaars zeiden dat er ooit iemand regeerde in, ach, dat moest de Eeuw van de Waterjuffer geweest zijn, die ook geprobeerd had de Universiteit te commanderen. De Patriciër kon hem eens komen bekijken, als hij wilde.
De Patriciër zei dat hij dat best wilde. En zou.
Uiteindelijk kwam men overeen dat de tovenaars weliswaar natuurlijk geen belasting afdroegen, maar niettemin een geheel vrijwillige bijdrage zouden doneren van, och, laten we zeggen hoofdelijk tweehonderd daalders, geheel vrijblijvend, mutatis mutandis, onverplicht, strikt bestemd voor niet-militaristische en milieutechnisch aanvaardbare doeleinden.
Het was deze dynamische wisselwerking van machtsstrukturen waardoor Ankh-Meurbork zo'n interessante, stimulerende en vooral verrekt gevaarlijke woonplaats was.[*]
[*] Vele liederen heeft men gewijd aan deze bruisende metropool, waarvan men tot de beroemdste rekent: 'Wonderbaar, Wonderbaar Ankh en Meurbork, jij ouwe tang van een stad', maar anderen horen liever: 'Ankh-Meurbork ontwaakt (het is acht uur 's avonds)', 'O was ik maar weg uit Ankh-Meurbork!', 'Ankh-Meurbork, Da's geen stad voor mij!' en het eeuwige 'Toen wij uit Ankh-Meurbork vertrokken'.
Gevorderde tovenaars gingen zelden uit flaneren in wat Wellekome in Ankh-Meurbork waarschijnlijk aanduidde als de gezellige straten en intieme stegen van de stad, maar het was in één oogopslag duidelijk dat er iets mis was. Niet dat de straatkeien bij wijlen niet door de lucht vlogen, maar doorgaans had iemand ze gegooid. Gewoonlijk zweefden ze niet uit zichzelf.
Er sloeg een deur open en er kwam een kostuum naar buiten, en erachteraan danste een paar schoenen en een paar centimeter boven de lege kraag zweefde een hoed. Direct daarachter volgde een magere vent die met een haastig meegegriste handdoek streefde naar wat men normaal slechts bereikt met een volwaardige broek.
'Hédaar, kom terug!' schreeuwde hij terwijl ze de hoek rondden. 'Ik moet nog die zeven daalders voor je betalen!'
Een tweede broek dribbelde naar buiten en haastte hen achterna.
De tovenaars troepten op een kluitje als een schichtig dier met vijf puntige koppen en tien poten en vroegen zich af wie er het eerst iets van zou zeggen.
'Verrek zeg, dat is verbijsterend!' zei de Aartskanselier.
'Hmm?' zei de Hoofddekaan in een poging de indruk te wekken dat hij aldoor nog veel verbijsterenders zag, en dat de Aartskanselier door de aandacht te vestigen op zomaar wat kleding het hele aanzien der tovenaardij bedierf.
'Ach, kom nou. Zoveel kleermakers zijn er niet die een tweede broek leveren bij een zeven-daalderspak,' zei Ridiekel.
'O,' zei de Hoofddekaan.
'Als het nog eens langs komt, probeer het dan pijpje te lichten zodat ik even naar het label kan kijken.'
Er wurmde zich een laken door een bovenraam om klapwiekend over de daken te verdwijnen.
'Zeg 's', zei de Lector Recentelijke Runen, 'ik geloof nooit dat dit toverij is. Het voelt anders.'
De Bovenstalmeester hengelde in een van de diepe zakken van zijn pij. Er klonk gedempt gerinkel en geritsel en af en toe wat gekwaak. Ten slotte kwam hij met een donkerblauw glazen kubusje voor de dag. Voorop zat een wijzerplaat.
'Loop jij met zo eentje in je zak rond?' zei de Hoofddekaan. 'Zo'n kostbaar instrument?'
'Wat is dat verdomme?' zei Ridiekel.
'Verbazend gevoelige toverkrachtmeter,' zei de Hoofddekaan. 'Meet de dichtheid van het toverkrachtveld. Een thaumometer.' De Bovenstalmeester stak de kubus trots in de lucht en drukte op een knopje aan de zijkant.
De naald van de wijzerplaat wiebelde wat en stond stil.
'Zie je wel?' zei de Bovenstalmeester. 'Alleen maar natuurlijke achtergrond, zonder enig gevaar voor de volksgezondheid.'
'Harder graag,' zei de Aartskanselier. 'Ik versta je niet met al dit lawaai.'
Uit de huizen ter weerszijden van de straat klonken aanzwellende dreunen en kreten.
Mevrouw Ariënne Koek was medium, maar wat klein uitgevallen.
Het was geen veeleisend beroep. Maar weinig overledenen uit Ankh-Meurbork vertoonden enige neiging tot babbelen met hun nabestaanden. Zorg dat je zoveel mogelijk dimensies bij ze vandaan komt, dat was hun leus. Tussen haar afspraken door deed ze aan naai- en kerkwerk - gaf niet wat voor kerk. Mevrouw Koek was verslingerd aan godsdienst, maar dan wel onder regie van mevrouw Koek.
Ariënne Koek was niet zo'n kralengordijnen-met-wierook medium, ten dele omdat ze geen wierook verdroeg maar vooral omdat ze werkelijk goed was in haar beroep. Een goeie goochelaar kan je versteld doen staan met een ordinair lucifersdoosje en een doodnormaal spel kaarten, wil je ze even bekijken meneer, dan zie je dat dit een doodnormaal spel kaarten is - die heeft geen vingerklemmende klaptafels nodig en ingewikkelde klap-hogehoeden zoals mindere vingervluggerds. En op dezelfde manier had mevrouw Koek weinig behoefte aan zetstukken. Zelfs de industrie-kwaliteit kristallen bol stond daar alleen ten gerieve van de klanten. Mevrouw Koek kon waarachtig de toekomst lezen in een bord havermout.[*]
Ze kon een visioen halen uit een koekepan bakkend spek. Ze liefhebberde al een mensenleven lang in de geestenwereld, al was liefhebberen in Ariënne's geval niet goed getroffen. Zij was geen type voor liefhebberen. Het had meer van de geestenwereld binnenstampen en luidkeels om de chef roepen.
En terwijl ze haar ontbijt klaarmaakte en het hondenvoer voor Loedmilla prakte begon ze stemmen te horen.
Ze waren heel vaag. Niet dat ze maar net aan de gehoordrempel zaten, want dit waren het soort stemmen dat normale oren niet kunnen horen. Ze zaten in haar hoofd.
...kijk uit wat je doet... waar ben ik... hou op met dat geduw daar...
En ze vervaagden weer.
[*] Daar stond dan, bij voorbeeld, dat je weldra te maken zou krijgen met pijnlijke darmklachten.
In hun plaats kwam het piepgeluid uit de kamer ernaast. Ze duwde haar gekookte eitje opzij en schommelde door het kralengordijn.
Het geluid kwam vanonder de sobere, no-nonsens juten hoes over haar kristallen bol.
Ariënne ging weer naar de keuken en koos zich een ferme koekepan. Ze wuifde er een paar keer mee door de lucht om te zien hoe hij aanvoelde en sloop toen naar het overhoesde kristal. Met de pan hoog geheven om elke akeligheid ervan langs te geven, zwiepte ze de hoes weg.
De bol stond langzaam om en om te draaien op zijn voetstuk. Ariënne bleef even staan kijken. Toen deed ze de gordijnen dicht; ze liet haar gewicht op de stoel zakken, ademde diep in en zei: 'Is daar iemand?'
Het grootste deel van het plafond kwam omlaag.
Na enkele minuten en een zekere hoeveelheid geworstel wist mevrouw Koek haar hoofd vrij te krijgen.
'Loedmilla!'
Er klonken zachte voetstappen in de steeg en toen kwam er iets binnen van het achtererf. Het was overduidelijk, zelfs aantrekkelijk vrouwelijk van gedaante en gekleed in een doodgewone jurk. Het leed blijkbaar ook aan overtollige harigheid die zich met geen rose elegant scheerapparaat ter wereld liet verwijderen. Ook schreef de mode dit jaar lange nagels en tanden voor. Je wachtte er gewoon op dat het wezen zou gaan grommen, maar het sprak met een aangename en bepaald menselijke stem.
'Ja, moeder?'
'Ik sit hieronder.'
De angstwekkende Loedmilla tilde een zware bint op en wierp hem met gemak opzij. 'Hoe kwam dit? Had je je voorgevoel niet aan staan?'
'Ik had het uitgeset om met de bakker te praten. Nou seg, was me dat effe schrikken.'
'Zal ik even een kopje thee voor je zetten?'
'Ja seg, je weet best dat je altijd kopjes breekt as het je Tijd van de Maand is.'
'Maar ik ga vooruit,' zei Loedmilla.
'Brafe meid hoor, maar ik doe het self wel, dank je wel.'
Mevrouw Koek stond op, veegde het pleistergruis van haar schort en zei: 'Ze schreeuwden! Ze schreeuwden! Opeens, allemaal!'
Modo de Universiteitstuinman schoffelde een rozenperk toen het eeuwenoude, fluweelgladde gazon naast hem opgolfde en uitbotte met de winterharde overblijver Windel Poens, wiens ogen knipperden in het licht.
'Ben jij dat, Modo?'
'Dat klopt, meester Poens,' zei de dwerg. 'Zal ik je een handje geven?'
'Nee, ik red het denk ik zelf wel, dank je.'
'Ik heb nog een schep in mijn schuurtje, lijke je dat wat?'
'Nee, niets aan de hand.' Windel trok zich uit de zoden en veegde de modder van het restant van zijn pij. 'Het spijt me van je gazon,' ging hij verder, met een blik op het gat.
'Laat maar zitten, meester Poens.'
'Heeft het lang geduurd om het zo te krijgen?'
'Zowat vijfhonderdjaar achtermekaar, denk ik.'
'Tjee, dat spijt me, zeg. Ik had gemikt op de kelder, maar het schijnt dat ik wat ben afgeweken.'
'Make je daar maar niet drok over, meester Poens,' zei de dwerg opgeruimd. 'Alles is toch als een gek an de groeierij. Ik zal het vanmiddag nog opvullen en inzaaien en die vijfhonderd jaar flitsen gewoon opperdan, wacht maar of, dan zel je wat zien.'
'Zoals de zaken er nu voorstaan zal ik dat vast wel,' zei Windel bedrukt. Hij keek om zich heen. 'Is de Aartskanselier hier ergens?' zei hij.
'Ik zag ze allegaar naar het paleis trekken,' zei de tuinier.
'Dan ga ik maar eens even vlug een bad nemen en me verschonen. Ik zou niet graag iemand storen.'
'Ik hoor dat je niet alleen dood wazze maar begraven ook,' zei de tuinman toen Windel heenwankelde.
'Klopt, ja.'
'Flinke kerels krijgen ze er niet onder, hè?'
Windel draaide zich weer om.
'Tussen haakjes... waar is de Olmenstraat?'
Modo krabde aan zijn oor. 'Is dat niet bij de Stroopmijnweg?'
'O ja. Ik weet het weer.'
Modo hervatte het schoffelen.
Het kringloopkarakter van de dood van Windel Poens baarde hem geen zorgen. Ga maar na, bomen zien er 's winters dood uit en barsten elke lente weer los. Stop dorre ouwe zaadjes in de grond en het jonge groen bot je tegemoet. Vrijwel niets stierf definitief. Neem bij voorbeeld compost.
Modo's geloof in compost was even vurig als hoe mensen in goden geloofden. Zijn composthopen daalden en rezen en gloeiden flauw in de duisternis, wie weet vanwege de raadselachtige en wellicht onwettige ingrediënten waarmee Modo ze voerde, al was er nimmer iets bewezen en trouwens, niemand durfde er toch in te graven om te zien wat erin zat.
Allemaal dood spul, maar ergens toch levend. En rozen groeiden er maar flink van. De Bovenstalmeester had Modo uitgelegd dat zijn rozen zo groot werden omdat dat een wonder van dit bestaan was, maar voor zichzelf dacht Modo dat ze alleen maar zover ze konden bij zijn compost vandaan wilden komen. Vannacht konden de hopen op iets lekkers rekenen. De kruiden deden het echt prima. Nooit had hij planten zo snel en welig zien groeien. Dat moest toch aan die compost liggen, dacht Modo.
Tegen dat de tovenaars aan het paleis kwamen was het in rep en roer. Er zweefden meubelstukken langs de zoldering. Een school bestek, net zilverige witvisjes in de lucht, flitste voorbij de Aartskanselier en schoot weg in een gang. Het gebouw leek in de greep van een kieskeurige en ordelijk aangelegde orkaan. Anderen waren al eerder gearriveerd. Daaronder ook een groep die in velerlei opzicht net zo gekleed ging als de tovenaars, al kon het geoefende oog menig belangrijk verschil zien.
'Priesters?' zei de Hoofddekaan. 'Hier? Eerder dan wij?'
De twee groepen begonnen uiterst stiekem een zodanige houding te kiezen dat ze hun handen vrij hielden.
'Wat hebben die nou voor nut?' zei de Bovenstalmeester. De figuurlijke temperatuur daalde merkbaar.
Er golfde een tapijt langs.
De Aartskanselier kruiste de blik van de enorme Opperpriester van Oochytoe die als vooraanstaandste priester van de vooraanstaandste god van het hele bijeengeraapte Schijfse pantheon, in Ankh-Meurbork het meest benaderde wat men zoekt in een woordvoerder voor godsdienstige kwesties.
'Goedgelovige domoren,' mompelde de Bovenstalmeester.
'Goddeloze knoeiers,' zei een kleine koorknaap die om de massa van de Opperpriester heengluurde.
'Lichtgelovige imbecielen!'
'Atheïstisch schorriemorrie!'
'Slaafse dwazen!'
'Kinderachtige goochelaars!'
'Bloeddorstige priesters!'
'Verziekende tovenaars!' Ridiekel trok een wenkbrauw op. De Opperpriester knikte heel even.
Ze verlieten de twee groepen die elkaar van veilige afstand bestookten met beschimpingen en wandelden terloops naar een betrekkelijk rustig deel van het vertrek waar ze zich, naast het standbeeld van een ambtsvoorganger van de Patriciër, omdraaiden en elkaar weer aankeken.
'Wel... hoe staan de zaken ervoor in de godenlastigvallerij?' vroeg Ridiekel.
'We doen bescheiden ons best. Hoe gaat het met het gevaarlijk gepeuter aan wat nimmer bestemd was om door de mens te worden begrepen?'
'Niet beroerd. Niet beroerd.' Ridiekel deed zijn muts af en deed een greep in het puntstuk. 'Kan ik je een drupje van een of ander aanbieden?'
'Alcohol is een strik voor het spirituele. Trek in een sigaret? Ik dacht dat ook jullie je daaraan bezondigden?'
'Ik niet. Als ik je zou zeggen wat die uitrichten in je longen -'
Ridiekel schroefde het uiterste puntje van zijn hoed en goot er een gulle maat jenever in.
'Goed', zei hij, 'wat is er gaande?'
'Bij ons zweefde er een altaar de lucht in dat op ons terechtkwam.'
'Een kroonluchter schroefde zich los. Alles schroeft zich los. Weet je dat ik onderweg hierheen een herenpak zag hollen? Met twee broeken, voor zeven daalders!'
'Hmm. Kon je het label zien?'
'En daarbij, dat geklop overal. Heb je gemerkt hoe alles klopt?'
'Wij dachten dat het aan jullie lag.'
'Het is geen toverkracht. En de goden zijn neem ik aan niet bozer dan anders?'
'Kennelijk niet.'
Achter hen stonden de priesters en tovenaars kin tegen kin te krijsen.
De Opperpriester kwam wat dichterbij.
'Ik denk dat ik misschien sterk genoeg ben om een enkel strikje de baas te kunnen,' zei hij. 'Ik heb me niet meer zo gevoeld sinds mevrouw Koek in mijn kudde zat.'
'Mevrouw Koek? Wat is dat, een mevrouw Koek?'
'Jullie hebben toch... enge Dingen uit de Kerkerdimensies en zo? Die gruwelijke gevaren van je godvergeten beroep?' zei de Opperpriester.
'Ja.'
'Wij hebben iemand die mevrouw Koek heet.' Ridiekel keek hem vragend aan.
'Vraag niets,' zei de priester rillend. 'Wees maar blij dat je er nooit achter hoeft te komen.'
Ridiekel reikte hem zwijgend de jenever aan.
'Even onder ons gezegd', zei de priester, 'heb jij hier enig idee over? De wachters proberen hun heer uit te graven. En die zal antwoord willen hebben. Ik weet niet eens of ik de vragen ken.'
'Geen toveren en geen goden,' zei Ridiekel. 'Mag ik de strik weer? Dank je. Geen toveren en geen goden. Dan blijft er niet veel over, hè?'
'Ik neem aan dat er niet nog een soort toverij is waar jullie niks van weten?'
'Zo ja, dan weten wij er niks van.'
'Dat zal dan wel,' gaf de priester toe.
'Ik neem aan dat het niet de goden zijn die er iets goddeloos bijklussen?' was Ridiekels laatste strohalm. 'Een paar die wat herrie hebben of zo? Gelazer met gouden appels of iets dergelijks?'
'Aan het godenfront is het momenteel erg rustig,' zei de Opperpriester. Zijn ogen werden even glazig alsof hij in zijn hoofd een lijst raadpleegde. 'Hyperopie, godin der schoenen, denkt dat Zalando, god der gangen, de lang vermiste tweelingbroer is van Gruno, god der ongekalenderde vruchten. Wie deed de geit in het bed van Offlaar de Krokodilgod? Is Offlaar doende een verbond aan te gaan met Zevenhandige Sek? Onderwijl is Stoki de Strekenuithaler weer als vanouds aan de gang -'
'Ja, ja, best,' zei Ridiekel. 'Mij konden al dat soort dingen nooit erg interesseren.'
Achter hen probeerde de Hoofddekaan net de Lector in Recentelijke Runen te weerhouden van pogingen om de priester van Offlaar de Krokodilgod in een set bij elkaar passende koffertjes te veranderen, en de Administrateur had een bloedneus van een gelukstreffer met een wierookvat.
'Wat wij hier moeten laten zien', zei Ridiekel, 'is een eenheidsfront. Okee?'
'Okee,' zei de Opperpriester. 'Afgesproken. Voor zolang.' Een vloerkleedje sinusgolfde op ooghoogte voorbij. De Opperpriester gaf de jeneverfles nog eens terug.
'Tussen haakjes, moeder zei dat je de laatste tijd niets meer geschreven had,' zei hij.
'Ach ja...' De andere tovenaars zouden hebben opgekeken van de berouwvolle gêne van hun Aartskanselier. 'Ik had het druk. Je kent dat wel.'
'Ze drukte me op het hart je eraan te herinneren dat ze ons met Berewaaksdag op de lunch verwacht.'
'Dat was ik niet vergeten,' zei Ridiekel bedrukt. 'Ik zie ernaar uit.' Hij wendde zich tot het gewoel achter hen.
'Schei eens uit, jullie,' zei hij.
'Broeders! Laat af!' brulde de Opperpriester.
De Bovenstalmeester liet het hoofd van de hogepriester van de Hinkie-aanbidders gaan uit zijn greep. Een stel kapelaans staakte het geschop naar de Administrateur. Er volgde een algemeen herschikken van kleding, zoeken naar hoeden en een aanval van gegeneerd kuchen.
'Zo mag ik het zien,' zei Ridiekel. 'Goed dan, Zijne Eminentie de Opperpriester en ik hebben besloten om -'
De Hoofddekaan keek woedend naar een piepklein bisschopje. 'Hij schopte me! Jij schopte me!'
'Ohhh. Deed ik helemaal niet, mijn zoon.'
'Nou en of je dat deed, verdomme,' siste de Hoofddekaan. 'Van opzij, zodat niemand het zag!'
'- hebben besloten om -' herhaalde Ridiekel met een boze blik op de Hoofddekaan, 'een oplossing voor de huidige onrust na te streven in een geest van broederschap en welwillendheid en dat geldt ook voor jou, Bovenstalmeester.'
'Ik kon er niks aan doen! Hij gaf me een duw.'
'Ach! Moge het je vergeven. zijn!' zei de Aartsdeken van Dhroem rondborstig.
Van boven klonk een dreun. Er draafde een chaise-longue de trap af om met een knal door de haldeur te breken.
'Ik denk dat de wachters misschien nog altijd proberen om de Patriciër te bevrijden,' zei de Opperpriester. 'Kennelijk hebben zelfs zijn geheime gangen zich op slot gedaan.'
'Allemaal? Ik dacht dat die slimme duivel ze overal had,' zei Ridiekel.
'Allemaal op slot,' zei de Opperpriester. 'Allemaal.'
'Bijna allemaal,' zei een stem achter hem.
Ridiekel veranderde niet van toon toen hij zich omdraaide, al deed hij er wel een pietsje stroop bij.
Er was blijkbaar een gedaante uit de muur gestapt. Deze was menselijk, bij gebrek aan een beter woord. Dun, bleek en gehuld in stoffig zwart als hij was deed de Patriciër Ridiekel altijd denken aan een vleesetende flamingo, voorzover er zwarte flamingo's waren met het geduld van een steen.
'Ach, Heer Ottopedi', zei hij, 'wat fijn dat je ongedeerd bent.'
'Heren, ik zie jullie dadelijk in het Eivormig Kantoor,' zei de Patriciër. Een wandpaneel achter hem gleed geluidloos opzij.
'Ik, uh, ik geloof dat een aantal wachters momenteel boven probeert -' begon de Opperpriester.
De Patriciër wuifde een mager handje. 'Geen haar op mijn hoofd zou er een eind aan maken,' zei hij. 'Zo hebben ze iets omhanden dat ze een gewichtig gevoel geeft. Anders moeten ze de hele dag maar woest staan kijken en hun blaas in bedwang houden. Kom mee, deze kant op.'
De leiders van de andere Ankh-Meurborkse gilden arriveerden druppelsgewijs, zodat het vertrek langzaamaan volliep. Terwijl ze onderling krakeelden tuurde de Patriciër humeurig naar de papierberg op zijn bureau.
'Nou, wij zijn het niet,' zei het hoofd der Alchemisten.
'Als jullie in de buurt zijn vliegt er altijd van alles door de lucht,' zei Ridiekel.
'Jawel, maar dat is louter vanwege onvoorziene exotherme reacties,' zei de alchemist.
'Alles vliegt telkens in de lucht,' vertaalde het onderhoofd der alchemisten zonder op te kijken.
'Het vliegt dan wel de lucht in, maar het komt weer omlaag. Het blijft niet rondfladderen en schroeft zich bij voorbeeld niet los,' zei zijn chef met een waarschuwende frons. 'En trouwens, waarom zouden we het onszelf op de hals halen? Hoor eens, mijn eigen werkplaats is een janboel! Het suist er maar rond! Nog net voor ik hierheen ging brak er een groot en zeer kostbaar stuk glaswerk aan scherven!'
'Wis, dat was een puntige reactie,' zei een geplaagde stem. Het gedrang week uiteen en onthulde de Algemeen Secretaris en Juthoofd van het Gilde van Zotten en Hansworsten. Hij kromp ineen onder al die aandacht, maar zo kromp hij altijd al. Hij had de blik van iemand wiens gezicht tot doelwit gediend had van één roomtaart teveel, wiens broek eens teveel is doorweekt met witkalk, en wiens zenuwen totaal uiteen zouden vallen bij nog één maal een windkussentje. De andere gildeleiders deden hun best om aardig tegen hem te doen, net zoals men aardig doet tegen lui die op richels van zeer hoge gebouwen staan.
'Wat bedoel je, Govert?' vroeg Ridiekel zo vriendelijk mogelijk.
De Nar slikte. 'Nou, zie je', mompelde hij, 'puntig vanwege die splinters, en reactie vanwege zo'n grote alchemische reageerbuis, en zo krijg je een woordspeling "puntige reactie" wat ook iets betekent van, nou ja, een scherp antwoord. Puntige reactie. Snap je? Een woordgrap. Uh. Niet zo'n beste, zeker.'
De Aartskanselier keek in de twee rauwe-eierenoogjes.
'Ach, een woordspeling,' zei hij. 'Natuurlijk. Hohoho.' Hij wuifde ter aanmoediging naar de anderen.
'Hohoho,' zei de Opperpriester.
'Hohoho,' zei de leider van het Moordenaarsgilde.
'Hohoho,' zei de Hoofdalchemist. 'En zeg, wat het nog leuker maakt is dat het in werkelijkheid om een retort ging.'
'Dus wat jullie beweren', zei de Patriciër terwijl de Nar door zachte handen werd weggevoerd, 'is dat niemand van jullie voor deze gebeurtenissen verantwoordelijk is?'
Onderwijl keek hij Ridiekel nadrukkelijk aan.
De Aartskanselier wilde net antwoord geven toen zijn oog werd aangetrokken door een beweging op het bureau van de Patriciër.
Er stond een modelletje van het Paleis in een glazen bolletje. En ernaast lag een briefopener.
De briefopener trok langzaam krom.
'En?' zei de Patriciër.
'Wij niet,' zei Ridiekel met holle stem. De Patriciër volgde zijn blik.
De briefopener stond al krom als een boog.
De Patriciër keek de schaapachtige menigte langs tot hij Kaptein Doggema vond, chef Dagwacht van de Stadswacht.
'Kunnen jullie niks doen?' vroeg hij.
'Uh. Wat dan, heer? Die opener? Uh. Ik zou hem eventueel kunnen aanhouden wegens kromte in strijd met het rechte.'
Heer Ottopedi hief zijn armen ten hemel.
'Okee! Geen toverij dus! Geen goden! Geen mensen! Maar wat dan wel? En wie maakt er een eind aan? Wie moet ik roepen?'
Een half uurtje later was het bolletje verdwenen. Niemand merkte het. Dat doen ze nooit.
Mevrouw Koek wist wel wie ze moest roepen.
'Ben je daar, Fent-met-emmer?' zei ze.
Toen bukte ze gauw, voor het geval.
Er kwam een klagerige piepstem uit de lucht gesijpeld.
waar zat je? ik kan hier geen vin verroeren!
Mevrouw Koek beet op haar lip. Een zo direct antwoord betekende dat haar gids bezorgd was. Als hem niets dwarszat bleef hij vijf minuten kletsen over het geestenrijk en hoe hij vocht met bisons, al had Vent-met-emmer meer ervaring gehad met geestrijk vocht dan met bisons. En dan stopte hij heel wat meer 'ugh' en 'how' in zijn konversatie.
'Hoe bedoel je?'
is er een ramp gebeurd of zo? een of andere vliegende pest?
'Nee, niet dat ik weet.'
ik zit hier behoorlijk klem, weet je dat. waardoor al die vertraging?
'Hoe bedoel je?'
kopdichtkopdicht ik probeer met deze dame te praten! jullie daar, beetje stiller graag! o ja? vind jij zeker -
Mevrouw Koek werd andere stemmen gewaar die er bovenuit probeerden te komen.
'Fent-met-emmer!'
heidense wilde, ben ik dat? en weet je wat deze heidense wilde jou kan zeggen? ja? hoor eens, deze jongen zit hier al meer dan honderd jaar! van iemand die nog warm is hoef ik zulke praatjes niet te pikken! okee - dat is de druppel, jij...
Zijn stem vervaagde.
Mevrouw Koek stak haar kin vooruit.
Zijn stem kwam terug.
- o ja? o ja? nou, misschien was jij wel groot toen je leefde, makker, maar hier en nu ben je maar een laken met gaatjes! o, vind je dat niet leuk, uh -
'Hij gaat weer vechten, ma,' zei Loedmilla die opgerold voor het fornuis lag. 'Hij noemt ze altijd "makker" vlak voor hij ze een mep verkoopt.'
Mevrouw Koek slaakte een zucht.
'En zo te horen gaat hij er een hele zooi te lijf,' zei Loedmilla.
'Nou, fooruit dan maar. Haal effe een vaas. Maar wel een goedkope.'
Men vermoedt alom, maar men weet het meestal niet, dat elk ding verbonden is aan een geestvorm die als het de geest geeft voor korte tijd bestaat in de tochtige bres tussen de werelden van de levenden en de doden. Dit is van belang.
'Nee, die niet. Die was nog fan je oma.'
Dat geestelijk voortbestaan duurt niet lang zonder bewustzijn om het bij elkaar te houden, maar afhankelijk van watje voor de geest staat kan het net lang genoeg duren.
'Die is wel goed. Dat motiefje befiel me toch al nooit.'
Mevrouw Koek pakte een oranje vaas met rose pioenen aan uit de poten van haar dochter.
'Ben je daar nog, Fent-met-emmer?' zei ze.
- ik zal zorgen dat je nog de dag zult betreuren dat je stierf, jij jankende -
'Vangen.'
Ze liet de vaas op het fornuis vallen. Hij ging aan scherven. Een ogenblik later klonk er geluid van Gene Zijde. Als de ene onstoffelijke geest een andere onstoffelijke geest had geraakt met de geest van een vaas, dan had het net zo geklonken.
Ziezo, zei de stem van Vent-met-emmer, en van zulke kan ik er nog meer krijgen, okee?
De Koeken, moeder en harige dochter, knikten naar elkaar.
Toen Vent-met-emmer weer het woord nam, droop zijn stem van voldane tevredenheid.
louter wat onenigheid hier over anciënniteit, zei hij, gewoon even wat bewegingsruimte scheppen. heel wat problemen hier, mevrouw Koek. lijkt wel een wachtkamer -
Er klonk schel rumoer van andere immateriële stemmen.
- kun je alstjeblieft een berichtje doorgeven aan meneer -
- zeg tegen haar dat er een zak geld ligt op het richeltje in de schoorsteen -
- dat Agnes niet het zilveren bestek krijgt na wat ze zei over ons Miepie -
- ik kreeg de tijd niet meer om de kat te voeren, kan iemand soms - kopdichtkopdicht! Dat was Vent-met-emmer weer. jullie hebben ook totaal geen benul! is dat soms geestenpraat? de kat voeren? hoe zit het met 'ik ben heel gelukkig hier en verlang ernaar dat je je bij me voegt'?
- hoor eens, als er nu nog eentje bij komt, moeten we op elkaars hoofd staan -
daar gaat het niet om, daar gaat het niet om, ik bedoel iets anders. als je geest bent, zijn er van die dingen die je hoort te zeggen. Mevrouw Koek?
'Ja?'
je moet dit tegen iemand gaan zeggen.
Mevrouw Koek knikte.
'Ga nu maar allemaal weer weg,' zei ze. 'Ik krijg weer so'n hoofdpijn.'
De kristallen bol doofde.
'Nou zeg!' zei Loedmilla.
'Priesters ga ik niks aan hun neus hangen,' zei mevrouw Koek vastberaden.
Niet dat mevrouw Koek niet godsdienstig was. Zoals al aangestipt was ze juist uiterst godsdienstig. Er was geen tempel, kerk, moskee of stenenkring in de ganse stad die ze niet al te eniger tijd had bezocht, met als gevolg dat ze meer werd gevreesd dan een Tijdperk van Verlichting; louter de aanblik van mevrouw Koeks gezette lijf op de drempel deed de meeste priesters midden in hun litanie stilvallen.
De dood. Dat was de crux. Al die godsdiensten hadden zeer starre opvattingen over het praten met doden. Mevrouw Koek trouwens ook. Naar hun mening was het een zonde. Naar haar menig was het louter beleefdheid.
Dit leidde doorgaans tot een fel kerkelijk debat met als besluit dat mevrouw Koek de opperpriester naar wat ze noemde 'een veeg uit de pan' gaf. Ze had al zoveel vegen uit haar pan rondgedeeld dat het een wonder was dat ze nog zo dik was maar, vreemd genoeg, hoe meer vegen ze uit haar pan gaf hoe meer ze leek uit te zetten.
Dan was er de kwestie Loedmilla. Want Loedmilla was een kwestie. Wijlen meneer Koek, zijnzielrustinvrede, had zijn hele leven zelfs niet naar de volle maan gefloten en mevrouw Koek had een duister vermoeden dat Loedmilla een terugval was naar het verre bergverleden van de familie, of dat ze als kind wellicht iets genetisch had opgelopen. Ze was er vrij zeker van dat haar moeder ooit omzichtig had gezinspeeld op het feit dat Oudoom Erasmus zijn eten soms onder tafel moest nuttigen. Hoe dan ook, gedurende drie van elke vier weken was Loedmilla een fatsoenlijke, keurige jonge vrouw en in de rest van die tijd een net, behoorlijk en harig wolfgeval.
Priesters zagen dit dikwijls anders. Omdat mevrouw Koek tegen de tijd dat ze gebrouilleerd raakte met de priesters[*] die toevallig op dat moment tussen haar en de goden bemiddelden, zich meestal reeds door de pure kracht van haar persoonlijkheid had meester gemaakt van de bloemschikking, het altaren afstoffen, het tempel reinigen, het offersteen schrobben, het vestibuulse maagdenwerk, het knielkussens stoppen en elke andere ondersteunende religieuze rol, resulteerde haar vertrek in wanorde.
Mevrouw Koek knoopte haar jas dicht.
'Het lukt toch niet,' zei Loedmilla.
'Ik probeer de tofenaars wel. Die moeten erfan horen,' zei mevrouw Koek. Ze beefde van gewichtigheid, als een toornig voetballetje.
'Ja, maar je zei zelf dat ze nooit luisteren,' zei Loedmilla.
'Toch maar proberen. Trouwens, jij hoort toch op je kamer te sitten?'
'O, moeder. Je weet wat een hekel ik aan die kamer heb. Het is nergens voor -'
'Je kunt niet foorsichtig genoeg sijn. Stel dat het bij je opkomt om achter de mensen hun kippen aan te gaan? Wat souden de buren seggen?'
'Ik heb nooit een greintje neiging gehad om kippen achterna te zitten, moeder,' zei Loedmilla vermoeid.
'Of blaffend achter karren aanrennen.'
'Dat doen honden, moeder.'
'Ga jij nou maar weer naar je kamer met de deur op slot en naai maar eens wat, als een brafe meid.'
'Je weet best dat ik de naald niet goed kan vasthouden, moeder.
'Probeer toch maar, foor je moeder.' '
Ja, moeder.'
[*] Mevrouw Koek was ervan op de hoogte dat sommige godsdiensten priesteressen kenden. Wat mevrouw Koek vond van het wijden van vrouwen is ongeschikt voor publikatie. In Ankh-Meurbork vonden religies met priesteressen vooral aftrek bij in burger geklede geestelijken van andere geloofsrichtingen, op zoek naar enkele uren verpozing op een plek waar ze mevrouw Koek niet konden tegenkomen.
'En blijf weg van het raam. We willen niemand van streek maken.'
'Ja, moeder. En zet jij nu maar je voorgevoel aan. Je weet dat je niet meer zo best ziet.'
Mevrouw Koek zag haar dochter de trap op gaan. Toen deed ze de voordeur achter zich dicht en ze beende naar de Universiteit waar naar ze hoorde, de malligheid niet van de lucht was. Wie had gadegeslagen hoe mevrouw Koek haars weegs ging had enkele rare details opgemerkt. Ondanks haar zwalkende gang botste niemand tegen haar aan. Niet dat ze haar ontweken, ze was gewoon niet waar zij waren. Op zeker punt aarzelde ze en stapte ze een steegje in. Een oogwenk later rolde er een vat van een kar die voor een herberg werd uitgeladen, om op de keien waar ze zou zijn geweest aan duigen te kwakken. Mopperend in zichzelf stapte ze de steeg uit en over de ravage heen.
Mevrouw Koek mopperde heel wat af. Haar mond stond geen ogenblik stil, alsof ze een lastig pitje van ergens achter haar tanden probeerde los te krijgen.
Ze kwam bij de hoge zwarte Universiteitspoort en aarzelde weer, alsof ze luisterde naar een inwendige stem.
Toen stapte ze opzij om af te wachten.
Wim Deur lag in het duister van de hooizolder en wachtte. Beneden hoorde hij nu en dan de paardegeluidjes van Binkie - een zachte beweging, een kauwende kaak.
Wim Deur. Nu had hij dus een naam. Vanzelf, hij had altijd al een naam, maar dat was de naam voor wat hij belichaamde, niet voor wie hij was. Wim Deur. Dat klonk lekker degelijk. Meneer Wim Deur. De weledele Willem Deur. Wimpie Dnee. Geen Wimpie.
Wim Deur nestelde zich wat dieper in het hooi. Hij tastte onder zijn mantel en haalde het gouden lopertje te voorschijn. Er zat, heel merkbaar, minder zand in de bovenste bol. Hij stopte het weer weg.
En dan was er dat 'slapen'. Hij wist wat het was. Mensen deden het een tamelijk groot deel van hun tijd. Ze gingen liggen en de slaap overkwam ze. Vermoedelijk diende het ergens toe. Hij zag er belangstellend naar uit. Hij moest het maar eens onderwerpen aan een onderzoek.
De nacht schoof over de wereld, koel gevolgd door een nieuwe dag.
In het kippenhok achterop het erf verroerde zich iets. 'Koe-ker-de... uh.'
Wim Deur staarde naar het dak van de schuur.
'Koe-kel-re... uh.'
Grauw licht sijpelde door de kieren.
Maar nog geen oogwenk tevoren was er nog het rode licht van de zonsondergang!
Er waren zes uren verdwenen.
Wim trok het lopertje voor de dag. Ja. Het niveau was bepaald omlaag. Net toen hij wachtte op het beleven van de slaap, had iets een deel gestolen van zijn... van zijn leven. En het was hem ook nog totaal ontgaan -
'Koe... koe-ter... uh...'
Hij daalde van de zolder af en stapte de nevel in van de dageraad.
De bejaarde kippen keken behoedzaam hoe hij in hun woning gluurde. Een zeer oude en nogal beschaamde haan keek hem boos en schouderophalend aan.
Uit de richting van het huis klonk een kletterend geluid. Naast de deur hing een oude ijzeren hoepel van een ton en juffrouw Waardvliet sloeg daarop met een pollepel.
Hij beende derwaarts op onderzoek.
WAAROM MAAK JE DAT LAWAAI, JUFFROUW WAARDVLIET?
Met geheven pollepel draaide ze zich bliksemsnel om.
'Lieve help, jij moet sluipen als een kat!' zei ze.
IK MOET SLUIPEN?
'Ik bedoel dat ik je niet hoorde.' Ze stapte achteruit en bekeek hem van top tot teen.
'Toch heb jij iets waar ik maar niet uitkom, Wim Deur,' zei ze.
'Ik wou dat ik wist wat.'
Het twee-metergeraamte keek haar onverstoorbaar aan. Hij wist niet wat hij daarop kon zeggen.
'Hoe wil je je ontbijt?' zei de oude vrouw. 'Niet dat het uitmaakt, want het is gruttenbrij.'
Later dacht ze: hij moet er wel van gegeten hebben, want de kom is leeg. Waarom herinner ik me er niets van?
En dan had je dat geval met de zeis. Hij keek of hij er nog nooit een gezien had. Ze liet hem de steel zien en het haarspit. Hij bekeek ze beleefd.
HOE SLIJP JE HEM, JUFFROUW WAARDVLIET?
'Och heden, die zeis is scherp genoeg.'
HOE SLIJP JE HEM NOG SCHERPER?
'Dat kan niet. Scherp is scherp. Scherper gaat niet.'
Hij had er wat mee gezwaaid en maakte toen een teleurgesteld sisgeluidje.
En dan had je ook nog dat gras.
Het hooiland lag hoog op de heuvel achter de boerderij en keek uit over het korenveld. Ze sloeg hem een tijdje gade. Het was de belangwekkendste techniek die ze ooit had bijgewoond. Ze zou nooit hebben gedacht dat dit technisch mogelijk was.
Uiteindelijk zei ze: 'Het is best. je hebt er slag van en al.'
DANK JE, JUFFROUW WAARDVLIET.
'Maar waarom maar één halmpje tegelijk?'
Wim Deur keek naar zijn keurige rij halmen.
IS ER DAN NOG EEN MANIER?
'Je kunt er een hele hoop in één zwad doen, hoor.'
NEE. NEE. ELKE SLAG ÉÉN HALM. ELK ZIJN EIGEN SNEE.
'Op die manier maai je er niet zoveel,' zei juffrouw Waardvliet.
TOT DE LAATSTE HALM, JUFFROUW WAARDVLIET.
'Ja?'
DAARIN KUN JE STAAT OP ME MAKEN.
Juffrouw Waardvliet liet hem zijn gang gaan en ging weer naar de boerderij. Uit het keukenraam bleef ze nog een tijdje in de verte kijken naar de donkere gestalte, die zich voortbewoog over de heuvelhelling.
Ik vraag me af wat hij heeft uitgespookt, dacht ze. Hij heeft een Verleden. Hij is vast een van die Vreemde Snuiters. Misschien heeft hij een beroving gedaan en Houdt hij zich nu Koest.
Toch heeft hij al een hele lengte gedaan. Eén halm tegelijk, maar gek genoeg vlugger dan een kerel die een zwad breed maait...
De enige lectuur van juffrouw Waardvliet was de Boerenalmanak en Zaaigoedwijzer, waarmee je in het pleetje een heel jaar toekon als er niemand ziek werd. Bovenop de nuchtere informatie omtrent maanfasen en zaaitijden verhaalde het boekwerk met luguber genoegen van de diverse massamoorden, bloedige overvallen en natuurrampen die het mensdom ten deel vielen, in de stijl van '15 juni, het jaar van de Gebroddelde Bunzing: Op deze Dag sedert 150 jrn. werd een Man gedood door een Zonderlinge Regen van Goulash in Quorm' of '14 doden door toedoen van Tjoemp, de Beruchte Haringensmijter'.
Het belangrijke kenmerk van die dingen was het feit dat ze lang geleden voorvielen en heel ver weg, mogelijkerwijs door goddelijk ingrijpen. Het enige dat ter plaatse wel voorkwam was nu en dan het stelen van een kip, en soms een dolende trol. Natuurlijk, in de heuvels zaten ook rovers en bandieten maar die konden goed opschieten met de echte inwoners en waren van levensbelang voor de plaatselijke economie. Niettemin dacht ze zich veiliger te zullen voelen nu ze nog iemand in de buurt had.
De donkere gedaante op de helling was al flink op weg met de tweede strook. Achter hem verdorde het gras onder de zon.
IK BEN KLAAR, JUFFROUW WAARDVLIET.
'Ga dan de zeug maar voeren. Die heet Annie.'
ANNIE, zei Wim die het woord om en om keerde in zijn mond, alsof hij het van alle kant wilde zien.
'Vernoemd naar mijn moeder.'
DAN GA IK DE ZEUG ANNIE VOEREN, JUFFROUW WAARDVLIET.
Het kwam juffrouw Waardvliet voor dat er maar luttele tellen verstreken.
IK BEN KLAAR, JUFFROUW WAARDVLIET.
Ze tuurde hem aan. En ze veegde, langzaam en met nadruk, haar handen af aan een doek, stapte het erf op en koerste naar het varkenskot.
Annie zat tot aan haar ogen in de trogspoeling.
Juffrouw Waardvliet vroeg zich af wat ze er precies van moest zeggen. Op het laatst zei ze maar: 'Heel goed. Heel goed. Je, je, je kunt echt... snel werken.'
JUFFROUW WAARDVLIET, WAAROM KAN DE HAAN NIET BEHOORLIJK KRAAIEN?
'Ach, dat is Sibbe maar. Hij heeft niet zo'n best geheugen. Belachelijk, hè? Ik wou maar dat hij het eens voor elkaar kreeg.'
Wim Deur vond in de oude smidse van de boerderij een krijtje, duikelde tussen de rommel een stukje plank op en zat een tijdje zorgvuldig te schrijven. Hij zette het plankje vervolgens klem voor het kippenhok en wees Sibbe in de goede richting. DIT GA JIJ LEZEN', zei hij.
Sibbe tuurde bijziend naar het 'Kuke-le-kuu' in hoekige gothische letters. Ergens in zijn waanzinnige kippebreintje vormde zich het heldere en kille besef dat hij maar liever snel, heel snel moest leren lezen.
Wim Deur zat achterover in het hooi en overdacht de dag. Het leek een nogal volle te zijn geweest. Hij had gras gemaaid en dieren gevoerd en een raam gerepareerd. Hij had een oude overal gevonden die in de schuur hing. Deze leek veel passender voor een Wim Deur dan zo'n van louter duisternis geweven mantel, dus had hij hem aangetrokken. En van juffrouw Waardvliet had hij een strooien hoed gekregen.
En hij had zich gewaagd aan de tocht van een kilometer naar het dorp. Daar woonde haast nog minder dan anderhalve man en een paardekop. Als iemand een paard had gehad, dan was het opgegeten met kop en al. De inwoners hielden zich kennelijk in leven door elkaars wasgoed te stelen.
Er was een dorpsplein, en dat was belachelijk. Het was louter een groot uitgevallen kruispunt met een klokketoren. En er was een herberg. Hij was er naar binnen gegaan.
Na de aanlooppauze waarin ieders geest zich hergroepeerde om plaats voor hem in te ruimen toonde men zich behoedzaam gastvrij; nieuwtjes verspreiden zich nog sneller als er weinig monden zijn.
'Jij bent vast die nieuwe vent bij juffrouw Waardvliet,' zei de kroegbaas. 'Ene meneer Deur, naar ik hoor.'
ZEG MAAR WIM.
'Eu? Was ooit een best nette boerderij, destijds. Wij hadden nooit gedacht dat het brave mens er zou blijven zitten.'
'Eu,' was een stel oude kerels bij de haard het daarmee eens.
EU.
'Zeker voor het eerst in deze buurt?' zei de kroegbaas.
NIET PRECIES.
'Hier eerder geweest?'
IN HET VOORBIJGAAN.
'Ze zeggen dat juffrouw Waardvliet een gekke opoe is,' zei een van de personen op de banken langs de rookzwarte wanden.
'Maar wel slim als een vos,' zei een andere drankgebruiker. 'O, jawel. Maar al te slim. Maar evengoed gek.'
'En ze zeggen dat ze kisten vol kostbaars heeft in die salon van haar.'
'Gierig met geld is ze, dat weet ik wel.'
'Dat is het bewijs. Rijke lui zijn altijd gierig.'
'Okee. Slim en rijk. Maar evengoed gek.'
'Je kunt niet gek zijn en rijk. Als je rijk ben kun je alleen maar excentriek wezen.'
De stilte keerde weer en bleef hangen. Wim Deur zocht radeloos naar iets om te zeggen. In babbelen was hij nooit zo goed geweest. Hij had er nooit veel gelegenheid voor gehad.
Wat zeiden mensen ook weer in dit soort situaties? Ach ja.
IEDEREEN WAT TE DRINKEN VAN MIJ, verkondigde hij.
Wat later leerden ze hem een spel dat draaide om een tafel met gaten en netjes langs de rand, en vakkundig uit hout gesneden ballen, en die ballen moesten kennelijk tegen elkaar botsen en die gaten in. Het heette Karperder. Hij was er heel goed in. Eerlijk gezegd was hij volmaakt. In het begin wist hij nog niet hoe het moest. Maar toen hij hun verbaasde kreten een paar keer gehoord had verbeterde hij zich en begon hij met grote precisie wat fouten in te lassen; tegen de tijd dat ze hem leerden met pijltjes te gooien werd hij er echt handig in. Hoe meer fouten hij maakte hoe meer lui hem aardig vonden. Dus wierp hij de pijltjes met kille vaardigheid, zodat er geen een in de buurt kwam van de doelen die ze hem op het hart drukten. Hij liet er zelfs een ketsen via een spijker en een lamp zodat hij in iemands bier terechtkwam, iets dat een van de ouderen zo aan het lachen maakte dat hij in de frisse buitenlucht moest worden bijgebracht.
Ze noemden hem Die Brave Wim.
Nog nooit had iemand hem zo genoemd.
Wat een eigenaardige avond.
Toch was er een akelig ogenblik geweest. Hij hoorde een stemmetje zeggen: 'Die vent is een geraamdert' en bij het omdraaien zag hij hoe een kind in een hansop hem van over de toog aangluurde, niet met angst maar met iets van geboeide afschuw.
De waard, die naar Wim Deur intussen wist Tillem heette, lachte wat zenuwachtig en bood excuses aan.
'Dat is haar verbeelding maar,' zei hij. 'Wat kinderen niet allemaal zeggen, hè? Hopla naar bed met jou, Stien. En zeg tegen meneer Deur dat het je spijt.'
'Hij is een geraamdert met kleren aan,' zei het kind. 'Waarom loopt wat hij drinkt er niet weer uit?'
Bijna raakte hij in paniek. Zijn intrinsieke macht taande dus al. Mensen konden hem gewoonlijk niet zien - voor hun zintuigen zat hij in een blinde vlek, die ze ergens in hun hoofd invulden met iets wat ze liever aantroffen. Maar het onvermogen van volwassenen om hem duidelijk te zien was niet bestand tegen dit soort hardnekkige stelligheid, en hij voelde de verwarring om zich heen. Maar net op tijd was toen de moeder uit de achterkamer opgedoken om het kind mee te nemen. En de gesmoorde klachten à la '- een geraamdert, met allemaal botjes -' verdwenen om de bocht van de trap.
En al die tijd was de antieke klok boven de haard doorgegaan met tikken, met de tellen van zijn leven wegknippen. Niet zo lang geleden hadden dat er nog zoveel geleken...
Onder de hooizolder klonk zacht geklop op de schuurdeur. Hij hoorde hoe hij werd opengeduwd.
'Kan ik binnenkomen, Wim Deur?' zei de stem van juffrouw Waardvliet in het donker.
Wim Deur doorrekende deze zin op kontekstgebonden betekenis.
JA? waagde hij.
'Ik heb hier wat warme melk.'
JA?
'Kom, vlug dan. Anders wordt het koud.'
Wim Deur klom de houten ladder af. Juffrouw Waardvliet droeg een lantaarn en had een sjaal om haar schouders.
'Er zit wat kaneel op. Mijn Arie lustte dat altijd graag.' Ze slaakte een zucht.
Wim Deur had evenveel gevoel voor bijklanken als een ruimtevaarder voor de weerpatronen onder hem; allemaal zichtbaar, allemaal voorhanden, allemaal ter bestudering uitgestald en allemaal volstrekt los van de directe eigen ervaring.
DANK JE, zei hij.
Juffrouw Waardvliet keek eens rond.
'Nou, je hebt het je hier naar de zin gemaakt,' zei ze monter.
JA.
Ze trok de sjaal wat strakker om haar schouders.
'Dan ga ik maar weer eens naar het huis,' zei ze. 'Die mok kun je me wel morgenochtend teruggeven.'
En weg repte ze zich de nacht in.
Wim Deur nam de mok mee naar de zolder. Hij zette hem op een lage bint en keek er nog lang naar nadat hij allang was afgekoeld en de kaars uit was.
Na een tijdje werd hij een aanhoudend sissen gewaar. Hij haalde het gouden lopertje voor de dag en zette het helemaal aan het andere eind van de zolder onder een berg hooi.
Het maakte geen sikkepit uit.
Windel Poens tuurde naar de huisnummers - voor deze straat alleen al hadden honderd Grove Teldennen het leven gelaten - en besefte opeens dat hij dat niet hoefde. Hij was uit louter gewoonte bijziend. Hij herstelde zijn gezichtsvermogen.
Het vinden van nummer 668 vergde enige tijd want het was eigenlijk de bovenverdieping van een kleermakerij. De ingang liep via een steeg. Aan het eind van die steeg zat een houten deur. Op de afbladderende verf had iemand een briefje geprikt en daarop stond met optimistische belettering:
'Kom erin! Kom erin!! Club van Herstarters.
De Dood is nog maar het Begin!!!'
De deur leidde naar een trap die rook van oude verf en dooie vliegen. Hij kraakte nog erger dan Windels knieën.
Er had iemand op de muren staan schrijven. De bewoording was uitheems maar de algemene toonzetting was vertrouwd genoeg: Spoken aller landen Verenigt u, Ontwaakt Ontslapenen der Schijve en De Zwijgende Meerderheid eist Lijken Rechten en Stop Vitalisme, Nu!!!
Boven was een overloop waarop een enkele deur uitkwam. Ooit had hier iemand een lamp aan het plafond opgehangen, maar die leek al in geen duizenden jaren meer te zijn aangestoken. Een oeroude spin die mogelijk leefde van de olieresten, bekeek hem wantrouwig vanaf zijn horst.
Windel keek nog eens op het kaartje, haalde uit louter gewoonte diep adem, en klopte aan.