-~oOo~-

 

Langzaam kantelde de juwelier het goud op het kleine aambeeldje en zachtjes klopte hij de laatste vreemd geslepen diamant op zijn plaats.

'Van een trollentand, zei je toch?' mompelde hij, kippig turend naar zijn werkstuk.

'Jazjeker', zei Cohen, 'en de resjt mag je houden.' Hij tastte rond in een bak vol gouden ringen.

'Heel royaal van je,' mompelde de edelsmid, een dwergachtig persoon met een fijne neus voor voordelige zaakjes. Hij zuchtte.

'Weinig omhanden de laatsjte tijd?' vroeg Cohen. Hij keek door de kleine etalageruit naar buiten en zag hoe zich een groepje suf kijkende lieden verzamelde aan de overkant van het straatje.

'Wie zjijn toch al die met sjterren besjchilderde lui?' zei Cohen.

De juwelendwerg keek niet op.

'Gekken,' zei hij. 'Ze zeggen dat ik mijn werk niet meer mag doen omdat de ster in aantocht is. Ik zeg tegen ze dat ik nooit wat te lijden heb gehad van sterren, ik wou maar dat ik hetzelfde kon zeggen van mensen.'

Terwijl Cohen peinzend knikte maakten zich uit de groep zes mannen los en die kwamen nu op de winkel af. Ze waren voorzien van een ruime sortering wapens en oogden tamelijk vastberaden en bezeten.

'Vreemd,' zei Cohen.

'Ik ben zoals je ziet van het dwergenslag,' zei de edelsmid. 'Een van de tovervolken, naar men zegt. Die sterrenlui geloven dat de Schijf niet vergaat als we ons van het toveren afkeren. Ze zullen me wel wat op mijn donder komen slaan. Dat moet dan maar weer.'

Hij stak zijn laatste werkstuk omhoog met een tangetje.

'Het raarste ding dat ik ooit heb gemaakt', zei hij, 'maar wel praktisch. Dat snap ik best. Hoe zei je ook weer dat het heette?'

'Een broodeesjer,' zei Cohen. Hij bekeek het tweetal hoefijzervormpjes in het gerimpelde holletje van zijn hand, deed toen zijn mond open en uitte een reeks pijnlijke knor- en schraapgeluiden.

De deur klapte open. De mannen kwamen binnen en stelden zich langs de muren op. Ze waren wat schichtig en het zweet stond op hun voorhoofd, maar hun aanvoerder duwde Cohen minachtend opzij en tilde de dwerg op aan zijn hemd.

'Gister zeien we het al, onderdeur,' zei hij. 'Je gaat eruit met je poten omhoog of omlaag, maakt ons niks uit. Dus gaan we nou eens echt -'

Cohen tikte hem op de schouder. De man keek geërgerd om.

'Mot je, opa?' snauwde hij.

Cohen wachtte even tot hij alle aandacht van de man had en glimlachte toen. Het was een trage, luie lach, die ongeveer 300 karaat aan oraal edelgesteente onthulde, en het leek wel of het hele vertrek erdoor oplichtte.

'Ik ga tot drie tellen,' zei hij op innemende toon. 'Een, twee.' Zijn knokige knie schoot omhoog en plofte met een bevredigend vlezig geluid in de derde oksel van de man, en na een halve draai plantte hij ook nog een elleboog met volle kracht in zijn nieren, zodat de aanvoerder temidden van zijn pijnbelevend privé-heelal in elkaar zakte.

'Drie,' sprak hij tot de lijdende kluwen op de vloer. Cohen had wel eens van eerlijk vechten gehoord, en lang geleden al besloten om zich er nooit mee in te laten.

Hij keek op naar de andere kerels en liet weer zijn ongelooflijke lach blinken.

Ze hadden hem moeten bestormen. In plaats daarvan probeerde een van hen, zich veilig wetend omdat hij een slagzwaard had en Cohen niet, hem zijdelings als een krab te besluipen.

'O nee,' zei Cohen en hij wuifde met zijn hand. 'Kom nou toch, kerel; zo moet dat toch niet.'

De man keek hem zijdelings aan.

'Hoe moet dat niet?' vroeg hij argwanend.

'Heb je dan nooit eerder een zwaard vastgehouden?'

De kerel draaide zich half naar zijn collega's om steun te zoeken.

'Niet zo veel, nee,' zei hij. 'Niet vaak.' Dreigend zwaaide hij met het zwaard.

Cohen haalde zijn schouders op. 'Ik ga dan misschien wel dood, maar ik hoop dan wel gedood te worden door een vent die zijn zwaard als een krijger weet vast te houden,' zei hij.

De man keek naar zijn handen. 'Ziet er voor mij toch prima uit,' zei hij weifelend.

'Hoor eens, zeun, ik heb hier een beetje verstand van. Ik bedoel, kom eens even hier en - mag ik even? - mooi, je linkerhand hier, om het gevest, en je rechter - juist, precies hier - en dan gaat de kling hoepla in je been.'

Terwijl de man schreeuwend naar zijn ene been greep schopte Cohen het ander onder hem uit, waarna hij zich tot het vertrek in het algemeen wendde.

'Dit wordt teveel gehannes,' zei hij. 'Waarom bestormen jullie me niet?'

'Juist,' zei een stem bij zijn middel. De edelsmid had een zeer grote en smerige bijl voor de dag gehaald, één die aan al de gruwelen van het krijgsbedrijf ook nog eens tetanus beloofde toe te voegen.

Het viertal nam even de tijd om zijn kansen te overwegen en begon zich naar de deur terug te trekken.

'En veeg die malle sterren eraf,' zei Cohen. 'Vertel iedereen maar dat Cohen de Barbaar reuzekwaad wordt als hij nog eens zulke sterren te zien krijgt, goed?'

De deur sloeg dicht. De bijl knalde er een oogwenk later tegenaan, kaatste weer terug en sneed een reepje leer van de neus van Cohens sandaal.

'Pardon,' zei de dwerg. 'Hij was nog van mijn opa. Ik gebruik hem alleen om aanmaakhoutjes te kloven.'

Cohen probeerde eens hoe zijn kaken nu voelden. De broodeser-helften leken zich nogal goed te zetten.

'Als ik jou was, zou ik toch maar maken dat ik hier wegkwam,' zei hij. Maar de dwerg dribbelde al van hot naar her door de winkel en kieperde laden vol edelmetaal en -gesteente in een leren zak. Een gereedsschapstasje ging in zijn ene broekzak, een etui met kant-en-klare sieraden in de andere, en met een grom stak de dwerg zijn armen door twee hengsels ter weerszijden aan zijn smidshaard om die in één keer op zijn rug te zwaaien.

'Mooi,' zei hij. 'Klaar ben ik.'

'Je gaat met me mee?'

'In elk geval tot de stadspoort, als het mag,' zei hij. 'Kun je me toch niet kwalijk nemen.'

'Nee. Maar laat die bijl hier.'

Ze traden naar buiten in de namiddagzon en een verlaten straat. Toen Cohen zijn mond opendeed straalde de heldere glinstering zijn lichtjes naar alle schaduwen.

'Ik moet hier in de buurt nog een paar vrienden oppikken,' zei hij. En hij vervolgde: 'Ik hoop maar dat het goed met ze is. Hoe heet jij?'

'Nekklomp.'

'Kan ik hier soms ergens in de buurt -' Cohen zweeg even liefdevol om goed van de woorden te genieten '- een runderlap bestellen?'

'Die sterrenlui hebben alle eethuizen gesloten. Ze zeiden dat het verkeerd is om te gaan eten en drinken als -'

'Ik weet het, ik weet het,' zei Cohen. 'Ik begin het, geloof ik, al door te krijgen. Vinden ze dan niks goed?'

Nekklomp moest er even over nadenken. 'Dingen in de brand steken,' zei hij ten slotte. 'Daar zijn ze vrij goed in. Boeken en zo. Daar hebben ze van die grote vuren van.'

Cohen was diep geschokt.

'Vuren van boeken?'

'Ja. Afschuwelijk, hè?'

'Nou,' zei Cohen. Hij vond het weerzinwekkend. Iemand die zijn leven lang in het ruige veld onder de blote hemel slaapt weet alles van de waarde van een goed dik boek, dat immers makkelijk een seizoen vuurmaken meegaat als je een beetje zorgvuldig bent met blaadjes uitscheuren. In menige sneeuwnacht was al menig leven gered met een handvol nat brandhout en een behoorlijk droog boek. Als je zin had in een rokertje maar je pijp was zoek, dan bracht een boek altijd weer uitkomst.

Cohen wist wel dat ze in boeken dingen opschreven. Dat was hem altijd voorgekomen als een frivole vorm van papierverspilling.

'Ik ben bang dat je vrienden, als ze tegen die lui aanliepen, wel eens in de puree kunnen zitten,' zei Nekklomp somber toen ze de straat uit liepen.

Ze gingen de hoek om en zagen het vuur. Het brandde midden op straat. Een stel sterrenlui onderhielden het met boeken uit een belendend huis, dat voorzien was van geschilderde sterren en ingetrapte deuren.

Het nieuws over Cohen had zich nog niet erg verspreid. De boekverbranders letten niet op hem toen hij naderbij slenterde en tegen een muur leunde. Krullende vlokken verbrand papier dansten in de hete lucht en zweefden weg over de daken.

'Wat zijn jullie aan het doen?' vroeg hij.

Eén vrouw van het sterrenvolk streek met een roetbesmeurde hand het haar uit haar ogen, staarde strak naar Cohens linkeroor en zei: 'De schijf ontdoen van slechtigheden.'

Twee kerels liepen het gebouw uit en keken dreigend naar Cohen, of tenminste naar zijn linkeroor.

Cohen stak een hand uit en nam het zware boek over dat de vrouw droeg. Op de kaft zat met een hele korst van rode en zwarte stenen iets gespeld dat volgens Cohen vast een woord was. Hij liet het aan Nekklomp zien.

'Het Necrotelecomnicon,' zei de dwerg. 'Wordt gebruikt door tovenaars. Gaat over hoe je contact krijgt met de doden, geloof ik.'

'Echt iets voor tovenaars,' zei Cohen. Tussen duim en wijsvinger voelde hij aan een blad; het was dun en vrij soepel. De nogal akelige, haast levende tekst erop kon hem niet zo schelen. Ja, een boek als dit zou pas een goede kameraad zijn -

'Ja? Wou je iets?' vroeg hij aan een van de sterrenlui die hem bij zijn arm had gepakt.

'Alle toverboeken moeten verbrand,' zei de man, maar wel nogal weifelend, want er was iets met Cohens tanden dat hem een akelig helder gevoel bezorgde.

'Hoezo?' vroeg Cohen.

'Dat is ons geopenbaard.' Nu werd Cohens glimlach breed en open als politiek overleg, maar heel wat valser.

'Ik denk dat we maar eens verder moesten,' zei Nekklomp zenuwachtig. Achter hen in de straat was een hele ploeg sterrenlui opgedoken.

'Ik denk dat ik nu wel eens iemand zou willen doodmaken,' zei Cohen met nog altijd die lach.

'De ster beveelt dat de Schijf gezuiverd moet worden,' zei de man achteruit schuifelend.

'Sterren kunnen niet praten,' zei Cohen en hij trok zijn zwaard.

'Als je mij doodmaakt nemen er duizend mijn plaats in,' zei de man, die intussen zijn rug tegen een muur had.

'Ja', zei Cohen op een toon die de redelijkheid zelf was, 'maar daar gaat het niet om, hè? Het gaat erom dat jij dan dood bent.'

De adamsappel van de kerel ging op en neer als een jojo. Hij gluurde omlaag naar Cohens zwaard.

'Daar zit wat in, ja,' gaf hij toe. 'Goed dan - wat dacht je ervan als we het vuur uitmaakten?'

'Prima idee,' zei Cohen.

Nekklomp trok hem aan zijn riem. De andere sterrenlui kwamen op hen af gerend. Er waren er een boel van, en het zag ernaar uit dat het wat ernstiger begon te worden.

Cohen zwaaide uitdagend met zijn zwaard in hun richting, draaide zich om en zette het op een lopen. Zelfs Nekklomp had moeite hem bij te houden.

'Gek', hijgde hij toen ze een andere steeg insloegen, 'dacht ik toch even - dat je stand wilde - houden en vechten.'

'Maak hem - nou, zeg - ben je gek.'

Aan het eind van het steegje kwamen ze weer in het licht; Cohen drukte zich tegen een muur, trok zijn zwaard, hield zijn hoofd wat scheef bij het inschatten van de naderende voetstappen, en zwiepte toen zijn zwaard om de hoek in een vlakke zwaai op buikhoogte. Er klonk een onaangenaam geluid gepaard met wat gegil, maar Cohen was alweer een eind de straat ingerend, op die eigenaardige sukkeldraf waarmee hij zijn likdoorns ontzag.

Terwijl Nekklomp verbeten naast hem meestampte zwenkte hij een rood besterd eethuisje in, waar hij met niet meer dan een flauw kreetje van pijn op een tafel sprong, daar overheen rende - en intussen holde Nekklomp, in haast volmaakt gesynchroniseerde choreografie, er zonder bukken recht onderdoor - er aan de andere kant weer af sprong en zich schoppend een weg naar de keuken baande, om zo weer in een nieuwe steeg te belanden.

Ze ijlden nog een paar hoeken om en drongen ten slotte bij elkaar in een portiek. Cohen klemde zich aan de muur vast en hijgde uit tot de blauwe en paarse lichtjes verdwenen.

'Nou', kraste hij, 'wat kreeg je te pakken?'

'Uh, het peper-en-zoutstelletje,' zei Nekklomp.

'Anders niks?'

'Nou, ik moest toch onder de tafel door? En zoveel heb je er zelf ook niet van terecht gebracht.'

Cohen keek geringschattend naar het meloentje dat hij in volle vaart aan zijn mes had weten te rijgen.

'Ik zal me er doorheen bijten,' zei hij en hij hapte met zijn tanden door de schil.

'Moet je er wat zout op?' vroeg de dwerg.

Cohen zei niets. Hij stond daar maar met de meloen en zijn mond hing open.

Nekklomp keek achterom. Het doodlopende steegje was leeg, afgezien van een kist die iemand tegen een muur had laten staan.

Dat was waar Cohen naar stond te kijken. Hij gaf zonder zijn blik af te wenden de meloen aan de dwerg en liep het zonlicht in. Nekklomp keek toe en zag hoe hij steels om de kist heen sloop, of zo steels als maar kon met gewrichten die kraakten als een schip met volle zeilen, en hoe hij er wat met zijn zwaard in porde, maar heel behoedzaam, alsof hij er haast op rekende dat de kist zou ontploffen.

'Het is maar een kist,' riep de dwerg. 'Wat is daar nou voor bijzonders aan?'

Cohen zei niets. Hij hurkte pijnlijk neer en tuurde naar het slot van de klep.

'Wat zit erin?' vroeg Nekklomp.

'Dat zou je vast liever niet willen weten,' zei Cohen. 'Help me eens overeind, alsjeblieft?'

'Goed, maar deze kist -'

'Deze kist', zei Cohen, 'deze kist is -' hij wuifde wat met zijn handen.

'Langwerpig?'

'Unheimisch,' zei Cohen geheimzinnig.

'Oenhaimiesj?'

'Krek.'

'O,' zei de dwerg. Ze stonden zo nog even naar de kist te kijken.

'Cohen?'

'Ja?'

'Wat betekent oenhaimiesj?'

'Nou, unheimisch is -' Cohen zweeg en keek geërgerd omlaag. 'Geef hem maar een schop, dan merk je het vanzelf.'

De stalen neus van Nekklomps dwergenlaars dreunde tegen de zijkant van de kist. Cohen huiverde van schrik. Verder gebeurde er niets.

'Op die manier,' zei de dwerg. 'Oenhaimiesj betekent dus van hout?'

'Nee,' zei Cohen. 'Hij had - hij had niet zo moeten doen.'

'Op die manier,' zei Nekklomp die juist niet wist op welke, en die langzamerhand wenste dat Cohen zich niet in al dat zonlicht had gewaagd. 'Dacht je dan dat hij weg had moeten rennen?'

'Ja. Of je been eraf bijten.'

'Aha,' zei de dwerg. Zachtjes pakte hij Cohen bij de arm. 'Deze kant op is lekker veel schaduw,' zei hij. 'Ga toch even lekker -'

Cohen schudde hem af.

'Hij zit naar die muur te kijken,' zei hij. 'Kijk maar, daarom trek hij zich niks van ons aan. Hij staart maar naar die muur.'

'Ja hoor, zo is het,' zei Nekklomp kalmerend. 'Natuurlijk, hij zit maar naar die muur te kijken met zijn oogjes -'

'Klets niet zo stom, hij heeft helemaal geen oogjes,' snauwde Cohen.

'O pardon,' zei Nekklomp haastig. 'Hij kijkt naar de muur zonder oogjes, pardon hoor.'

'Volgens mij zit hij ergens over in,' zei Cohen.

'Nou, dat zit er wel in,' zei Nekklomp. 'Hij wil vast gewoon dat wij opduvelen en hem alleen laten.'

'Ik denk dat hij ergens erg verbaasd over is,' voegde Cohen eraan toe.

'Ja, hij ziet er bepaald verbaasd uit,' zei de dwerg. Cohen staarde hem woedend aan.

'Waar kun jij dat dan aan zien?' bitste hij.

Nekklomp besefte ineens dat de rollen nu wel oneerlijk werden omgekeerd. Hij keek van Cohen naar de kist, en deed telkens zijn mond open en dicht.

'En waar zie jij dat dan aan?' vroeg hij toen. Maar Cohen luisterde toch niet. Hij ging tegenover de voorkant van de kist zitten, aangenomen dat het deel met het sleutelgat de voorkant was, en keek er gespannen naar. Nekklomp ging voetje voor voetje achteruit. Typisch toch, zei zijn geest, maar dat vervloekte ding kijkt me echt aan.

'Goed', zei Cohen, 'ik weet dat jij en ik het niet altijd kunnen vinden, maar we zijn allemaal op zoek naar iemand waar we om geven, ja toch?'

'Ik ben -' begon Nekklomp, maar het drong tot hem door dat Cohen het tegen de kist had.

'Dus vertel me nu maar waar ze heen zijn.'

Onder de ontzette ogen van Nekklomp stak de Bagage zijn beentjes uit; de kist nam een aanloop en rende in volle vaart tegen de muur. Kluiten baksteen en stoffige mortel ploften in het rond.

Cohen tuurde het gat in. Erachter lag een kleine slonzige opslagplaats. Midden op de vloer stond de Bagage te stralen van opperste verbijstering.

 

-~oOo~-

 

'Volk!' riep Tweebloesem.

'Is hier iemand?' vroeg Betta.

'Oeioei grr,' zei Rinzwind.

'We moesten hem maar ergens laten zitten, dacht ik, en een glas water voor hem zoeken,' zei Tweebloesem. 'Als hier iemand is.'

'Verder is er van alles,' zei Betta.

Het vertrek zat vol schappen en de planken daarvan zaten vol met van alles. Spullen die men er niet op kwijt kon hingen in bundels van de duistere, beschaduwde zoldering; overal op de vloer stonden kisten en zakken die overliepen van allerlei rommel.

Van buiten drong geen geluid door. Betta keek eens rond en kwam er zo achter hoe dat kwam.

'Zoveel spullen heb ik nog nooit gezien,' zei Tweebloesem.

'Eén ding hebben ze niet in voorraad,' zei Betta met nadruk.

'Hoe weet je dat?'

'Kijk gewoon maar. Alle uitgangen zijn op.'

Tweebloesem keerde zich om. Waar eerder deur en etalage waren, zag je nu alleen planken met stapels dozen; die zagen eruit of ze er al heel lang waren.

Tweebloesem zette Rinzwind in een gammele stoel bij de toonbank en neusde weifelend tussen de planken. Er waren dozen met spijkers, en met haarborstels. Er waren stukken zeep, vaal van ouderdom. Er stond een stapel potten met nat en smeltend badzout, waaraan iemand een nogal treurig en jolig kaartje had gehangen dat, in weerwil van alle schijn, betoogde welk een Ideaal Geschenk zo'n pot wel zou wezen. Verder was er ook tamelijk wat stof.

Betta gluurde naar de planken aan de overkant en schoot in de lach.

'Moet je dit nu eens zien!' zei ze.

Tweebloesem keek ernaar. Wat ze beet had was een - tja, het was een klein chalet, een berghutje, maar dan met overal schelpjes erop geplakt, en daarna had de dader in gloeiende-pookwerk 'Speciaal Souvenir' op het dak gezet (dat natuurlijk open kon om er sigaretten in te bewaren, waarbij dan een iel deuntje gespeeld werd).

'Heb je ooit zoiets gezien?' zei ze.

Tweebloesem schudde zijn hoofd. Zijn mond viel open.

'Ben je wel in orde?' vroeg Betta.

'Ik vind dit het allermooiste dat ik ooit heb gezien,' zei hij.

Boven hun hoofd klonk een ratelend geluid. Ze keken omhoog.

Er had zich een grote zwarte bol uit de duisternis van het plafond laten zakken. Er flitsten kleine rode lichtjes op aan en uit, en onder hun ogen draaide hij een slag rond en hij keek hen aan met een groot glazen oog. Tamelijk dreigend was het, dat oog. Nadrukkelijk leek het te willen zeggen dat het nu naar iets onsmakelijks keek.

'Hallo?' zei Tweebloesem.

Er verscheen een hoofd boven het randje van de toonbank. Het hoofd zag er boos uit.

'Nu hoop ik maar dat jullie van plan waren om dat te betalen,' zei het hatelijk. Uit de uitdrukking ervan viel op te maken dat het verwachtte dat Betta met ja zou antwoorden, en dat het haar dan niet zou geloven.

'Dit hier?' zei Betta. 'Ik zou dit nog niet willen kopen als je er een hoed vol robijnen op toe gaf en -'

'Ik koop het wel. Hoeveel is dat?' zei Tweebloesem ademloos en hij tastte al in zijn zak. Teleurstelling nam bezit van zijn gezicht.

'Eerlijk gezegd heb ik helemaal geen geld,' zei hij. 'Het zit in mijn Bagage, maar ik -'

Er klonk gesnuif. Het hoofd verdween van achter de toonbank en dook weer op vanachter een uitstalling tandenborstels.

Het bleek bij een heel klein mannetje te horen dat haast verstopt zat achter een groene voorschoot. Het mannetje leek nogal ontdaan.

'Geen geld?' zei het. 'Dat komt daar zomaar mijn winkel binnen -'

'Het was niet expres,' zei Tweebloesem gauw. 'We hadden niet gemerkt dat je winkel hier was.'

'Dat was hij ook niet,' zei Betta nadrukkelijk. 'Hij is zeker betoverd, hè?'

Het winkeliertje aarzelde.

'Ja,' gaf het met tegenzin toe. 'Een beetje wel.'

'Een beetje?' vroeg Betta. 'Een beetje betoverd?'

'Tamelijk wat, dan,' gaf het mannetje achteruit deinzend toe; en: 'Goed dan,' beaamde het toen Betta dreigend bleef kijken. 'Hij is betoverd. Ik kan er ook niets aan doen. Die vervloekte deur ging zeker weer van zo issie er wel - zo issie er niet?'

'Ja, en we zijn niet zo blij met dat geval aan het plafond.'

Hij keek omhoog en fronste zijn voorhoofd. Meteen verdween hij achter een klein kralengordijntje dat half tussen de koopwaar verstopt zat. Er was flink wat geratel en gerammel en de zwarte bol verdween weer in de schaduw. In zijn plaats verschenen achtereenvolgens: een bosje kruiderijen, een reclamehanger die iets aanprees waar Tweebloesem nooit van gehoord had maar dat kennelijk een slaapmutsje was, een harnas, en een opgezette krokodil met een levensechte gelaatsuitdrukking die hevige pijn en verrassing uitdrukte.

Het winkeliertje kwam weer te voorschijn.

'Zo beter?' vroeg het bits.

'Het knapt er iets van op,' zei Tweebloesem weifelend. 'Maar die kruiden vond ik het best.'

Dit was het moment waarop Rinzwind begon te kreunen. Hij stond op het punt te ontwaken.

 

-~oOo~-

 

Er zijn drie algemene theorieën geopperd ter verklaring van het verschijnsel der zwervende winkels of, zoals men die klasse aanduidt, de tabernae vagantes.

Theorie één gaat uit van de stelling dat zich vele duizenden jaren geleden ergens in het veelal wezens hadden ontwikkeld die nergens anders in uitblonken dan in het voordelig inkopen en weer prijzig verkopen. Al gauw hadden ze her en der in hun melkweg kolonies gesticht, of liever, zoals zij het uitdrukten, de Filialen gevestigd van hun Melkwegketen, en de meer gevorderde leden van dit volk ontdekten een manier om hun winkels te voorzien van een uniek type aandrijving, dat de donkere muren van ruimte en tijd kon doorbreken om geweldige nieuwe markten open te leggen. En terwijl de planeten of Filialen van die Melkwegketen al lang zijn ondergegaan in de hittedood van het betrokken heelal, na een laatste opstandige opheffingsuitverkoop, drijven de zwervende sterrenwinkels nog altijd hun nering, zigzaggend door de oerpoel van het tijdruimterooster als geodetische kikkers in een cartesische bron.

De tweede houdt in dat ze geschapen zijn door een welwillend Noodlot, dat het op zich neemt om overal precies het juiste artikel op precies het juiste moment te bezorgen.

De derde behelst dat het gewoon een reuzehandige truc is ter omzeiling van de diverse wetten voor winkelsluiting en zondagsheiliging.

Al deze theorieën, zo uiteenlopend als ze zijn, hebben twee dingen gemeen. Ze verklaren de waarneembare feiten en ze zitten er totaal en volkomen naast.

 

-~oOo~-

 

Rinzwind deed zijn ogen open en lag even naar het opgezette reptiel te kijken. Het was niet het beste om te zien te krijgen als je uit nare dromen ontwaakte…

Toveren! Zo voelde dat dus! Geen wonder dat tovenaars zich zo weinig inlieten met seks!

Natuurlijk wist Rinzwind wel wat een orgasme was, hij had ze ooit ook wel gehad, soms zelfs in gezelschap, maar niets uit zijn ervaring kwam ook maar in de buurt van dat strakke, hete ogenblik waarop elke zenuw van zijn lijf met blauwig wit vuur werd doorstroomd en de onversneden toverij uit zijn vingers vlamde. Het vervulde je en verhief je en liet je langs de stijgende, krullende golf in de branding van macht over de elementen glijden. Geen wonder dat tovenaars vochten om de macht…

Enzovoorts. Maar ja, de Bezwering in zijn hoofd had het gedaan en niet Rinzwind. Hij kreeg nu toch echt een hekel aan die Bezwering. Als die niet altijd alle andere bezweringen had verjaagd had hij vast wel op eigen kracht een behoorlijke tovenaar kunnen zijn.

Ergens in Rinzwinds geplaagde ziel ontblootte de worm der opstandigheid even een slagtand.

Juist, dacht hij. Jij gaat terug de Octavo in, zodra ik de kans krijg.

Hij ging overeind zitten.

'Waar voor de donder zitten we nu weer?' zei hij, met de handen om zijn hoofd om te voorkomen dat het ontplofte.

'In een winkel,' zei Tweebloesem mismoedig.

'Ik hoop dat ze bijlen verkopen, want ik heb wel zin om mijn hoofd eraf te hakken,' zei Rinzwind. Iets in de blik van het tweetal tegenover hem deed hem bedaren.

'Dat was een grapje,' zei hij. 'Grotendeels, dan. Waarom zitten we in deze winkel?'

'We kunnen er niet uit,' zei Betta.

'De deur is verdwenen,' voegde Tweebloesem er behulpzaam aan toe.

Nog wat wankel ging Rinzwind rechtop staan.

'Ach,' zei hij. 'Dat soort winkel dus?'

'Zo kan hij wel weer,' zei het winkeliertje gepikeerd. 'Hij is betoverd, ja, hij is dan weer hier en dan weer daar, ja, en nee, ik ga niet vertellen waarom -'

'Mag ik alsjeblieft een glaasje water?' vroeg Rinzwind.

Het winkeliertje trok een beledigd gezicht.

'Eerst al geen geld, dan willen ze weer een glas water,' blafte het mannetje. 'Nu is de maat toch -'

Betta snoof en deed een grote stap naar het ventje, dat achteruit wilde deinzen. Te laat.

Ze tilde hem aan zijn schortbanden tot vlak voor haar dreigende ogen. Al was haar jurk dan gescheurd, al zat haar haar dan in de war, voor het ogenblik werd ze even het symbool voor elke vrouw die ooit een man met een valse aas in de mouw van het leven betrapte.

'Tijd is geld,' siste ze. 'Ik geef je dertig tellen om hem een glas water te bezorgen. Vind je dat niet royaal?'

'Zeg,' fluisterde Tweebloesem. 'Vind je haar ook geen wilde rakker als ze eenmaal boos is?'

'Ja hoor,' zei Rinzwind zonder geestdrift.

'Goed, goed,' zei de zichtbaar inbindende middenstander.

'En dan kun je ons eruit laten,' voegde Betta eraan toe.

'Vind ik best, ik was eigenlijk toch al niet open, ik was alleen even gestopt om te zien waar ik was en toen vielen jullie zomaar binnen!'

Hij mopperde verder achter zijn kralengordijntje en kwam terug met een beker water.

'Ik heb hem nog extra omgespoeld,' zei hij, Betta's blik ontwijkend.

Rinzwind keek naar de vloeistof in de beker. Voordat er iets in werd gegoten was hij vast wel schoon geweest, nu zou eruit drinken een volkenmoord zijn op duizenden onschuldige kiemwezentjes.

Hij zette de beker voorzichtig neer.

'En ik ga me nu eens goed wassen!' verklaarde Betta en ze beende naar achter het gordijntje.

De winkelier wapperde wat met zijn hand en keek Rinzwind en Tweebloesem hulpeloos aan.

'Ze is zo kwaad nog niet,' zei Tweebloesem. 'Ze gaat trouwen met een vriend van ons.'

'Weet hij dat al?'

'Lopen de zaken soms niet zo goed met de sterrenwinkels?' vroeg Rinzwind zo meelevend als hij wist op te brengen.

Het mannetje huiverde. 'Je zou het niet willen geloven,' zei het. 'Ik bedoel, je went eraan niet teveel te verwachten, je verkoopt hier eens wat en dan daar, je verdient je brood, weet je wel? Maar die lui van tegenwoordig, die met die sterdingen op hun gezicht geverfd, nou, koud heb ik de winkel geopend of daar dreigen ze alweer hem in brand te steken. Te betoverd, zeggen ze. Dus ik zeg, natuurlijk betoverd, wat dacht je anders?'

'Komen ze nogal voor, die lui?' vroeg Rinzwind.

'Over de hele Schijf, vriend. Vraag me niet waarom.'

'Ze geloven dat de Schijf tegen een ster gaat botsen,' zei Rinzwind.

'En gaat hij dat?'

'Een hoop mensen denken van wel.'

'Zonde is dat. Ik heb hier goede zaken gedaan. Te betoverd, zeggen ze! Wat mankeert er eigenlijk aan toveren, als ik even vragen mag?'

'Wat ga je doen?' vroeg Tweebloesem.

'Och, naar een ander heelal, er zijn er zat,' zei het winkeliertje luchtig. 'Nog bedankt voor wat je me over die ster zei, trouwens. Kan ik jullie ergens afzetten?'

De Bezwering gaf een schop tegen Rinzwinds geest.

'Uh, nee', zei hij, 'we kunnen misschien beter hier blijven. Om het uit te zingen, weet je wel.'

'Ben je dan niet bezorgd over dat sterding?'

'Die ster betekent leven, geen dood,' zei Rinzwind.

'Hoezo?'

'Hoe hoe?'

'Nu deed je het alweer!' zei Tweebloesem met een beschuldigend vingertje. 'Eerst zeg je iets en dat weet je niet meer dat je het zei.'

'Welles, ik zei gewoon dat we beter konden blijven,' zei Rinzwind.

'Je zei dat de ster leven was en geen dood,' zei Tweebloesem. 'Je stem werd heel krakerig en hij klonk uit de verte. Ja toch?' Hij wendde zich ter bevestiging tot de middenstander.

'Dat is zo,' zei het mannetje. 'Ik geloof dat hij ook wat scheel keek.'

'Dan is het de Bezwering,' zei Rinzwind. 'Die probeert mij over te nemen. Hij weet wat er gaat gebeuren en ik denk dat hij naar Ankh-Meurbork wil. Ik wil daar ook heen,' voegde hij er uitdagend aan toe. 'Kun jij ons erheen brengen?'

'Is dat die grote stad aan de Ankh? Ligt er nogal verspreid bij, stinkt naar beerputten?'

'Hij heeft een eeuwenoude eerbiedwaardige geschiedenis,' zei Rinzwind en zijn stem stond stijf van gekwetste burgertrots.

'Zo had je hem mij niet beschreven,' zei Tweebloesem. 'Je beschreef hem als de enige stad die vanaf zijn allereerste begin in verval was.'

Rinzwind keek betrapt. 'Ja maar, nou ja, het is mijn geboorteplaats, snap je wel?'

'Nee', zei het winkeliertje, 'eigenlijk niet. Ik zeg altijd maar, waar je hoed hangt ben je thuis.'

'Hum, nee,' zei Tweebloesem, altijd bereid tot een voorlichtende taak. 'Waar je hoed hangt is een kapstok, in een gang. Je bent thuis waar -'

'Ik zal nu vlug even zien of ik jullie op weg kan helpen,' zei het winkeliertje haastig toen Betta weer binnenkwam. Hij glipte langs haar heen.

Tweebloesem ging hem achterna.

Achter het gordijntje was een kamer met een klein bedje, een nogal groezelig fornuis en een tafeltje met drie poten. Toen deed het winkeliertje iets met het tafeltje, er klonk een geluid alsof er een kurk met tegenzin uit een fles kwam, en het vertrek was kamerbreed gestoffeerd met heelal.

'Wees maar niet bang,' zei het winkeliertje terwijl de sterren langsstroomden.

'Ik ben niet bang,' zei Tweebloesem met schitteroogjes.

'O,' zei het winkeliertje wat geërgerd. 'In elk geval, het is maar door de winkel opgeroepen beeldmateriaal, het is niet echt.'

'En kun je overal naartoe?'

'Welnee,' zei het winkeliertje diep geschokt. 'Er zitten allerlei beveiligingen ingebouwd; het zou toch geen zin hebben ergens heen te gaan waar niet genoeg besteedbaar inkomen per hoofd is? En dan moet er natuurlijk nog een geschikte muur zijn. Aha, daar zijn we al, dit is jullie heelal. Een vlot juweeltje, vind ik zelf altijd. Meer iets van een universette…'

 

-~oOo~-

 

Hier heb je het zwart van de ruimte, de myriaden sterren die glanzen als diamantstof of, zoals sommige mensen zeggen, als grote waterstofbollen die heel in de verte ontploffen. Maar ja, sommige mensen zeggen van alles.

Een schaduw begint nu het verre geschitter te bedekken, een schaduw zwarter dan de ruimte zelf.

Van hieruit lijkt hij ook heel wat groter, want de ruimte is eigenlijk niet zo groot, het is gewoon iets om groot in te zijn. Planeten, die zijn groot, maar planeten horen groot te zijn en het is geen kunst om van het juiste formaat te zijn.

Maar deze vlek die als Gods voetafdruk de hemel bedekt, is geen planeet.

Het is een schildpad, vijftienduizend kilometer lang van kraterpokkige kop tot gepantserde staart.

En Grote A'Tuin is enorm.

Loom en zwaar rijzen en dalen de platte poten, waarbij de ruimte tot vreemde vormen wordt verwrongen. De Schijfwereld glijdt als een kosmische trekschuit langs het uitspansel. Maar kijk eens, de Grote A'Tuin zelf lijkt ook wel te worstelen nu hij ruimtes wijde diepten verlaat en weerstand moet bieden tegen de folterende druk der stellaire engtes. Tovenarij is veel zwakker hier, aan de zoom van alle schijnsel. Nog veel meer dagen zo en de Schijfwereld zal worden uitgewist door de drang der werkelijkheden.

De Grote A'Tuin weet dit, maar de Grote A'Tuin herinnert zich dit allemaal eerder te hebben gedaan, vele duizenden jaren geleden.

De ogen van de astrocheloniër, rood glanzend in het licht van de dwergster, zijn niet daarop gericht, maar op een klein plekje in de ruimte vlakbij…

 

-~oOo~-

 

'Ja, maar waar zitten we?' zei Tweebloesem. Het winkeliertje stond over zijn tafeltje gebogen en haalde zijn schouders op.

'Ik denk niet dat we ergens zijn,' zei het. 'We zitten in een elliptische snarenknoop, dacht ik. Ik kan het mis hebben. De winkel weet doorgaans wat hij doet.'

'Jij dan niet, bedoel je?'

'Ik steek zo hier en daar wel eens wat op.' Het mannetje snoot zijn neus. 'Soms beland ik op een wereld waar ze van dit soort dingen verstand hebben.' Hij richtte een paar kleine droeve oogjes op Tweebloesem. 'Jij hebt een aardig gezicht, jongeheer. Jou wil ik het wel vertellen.'

'Me wat vertellen?'

'Geen leven is het, weet je, dat op de Winkel passen. Nooit ergens tot rust komen, altijd weer verder moeten, nooit eens de zaak dichtlaten.'

'Waarom houd je er dan niet mee op?'

'Ach, dat is het hem juist, jongeheer - dat kan ik niet. Ik leef onder een vloek, leef ik. Een vreselijk iets.' Hij snoot nog eens zijn neus.

'Een vloek die je een winkel doet drijven?'

'Voor eeuwig, jongeheer, voor eeuwig. En nooit een dagje dicht! Honderden jaren al! Daar was zo'n tovenaar, zie je. En ik deed iets verschrikkelijks.'

'In een winkel?' vroeg Tweebloesem.

'O jawel. Ik weet niet meer wat hij hebben wou, maar toen hij ernaar vroeg maakte ik - ik maakte zo'n zuigend sisgeluidje, weet je wel, net als fluiten maar dan achterstevoren?' Het mannetje deed het voor.

Tweebloesem trok een somber gezicht, maar in zijn hart was hij een aardig ventje en altijd bereid om te vergeven.

'Vandaar,' zei hij langzaam. 'Evengoed -'

'Het is nog niet alles!'

'Ach.'

'Ik zei dat er geen vraag naar was!'

'Na eerst dat zuiggeluidje?'

'Ja. Ik zal er ook wel bij gegrijnsd hebben.'

'O jeetje. Je zei toch niet ook nog dat het net was uitverkocht?'

'Zou - zou best kunnen.'

'Oei.'

'Er is nog meer.'

'Nee toch?'

'Ja. Ik zei dat ik het wel kon bestellen en dat hij dan de middag van de volgende dag nog eens langs moest komen.'

'Dat klinkt anders zo erg niet,' zei Tweebloesem, die er als enige van alle mensen in het heelal geen bezwaar tegen had als winkels wat voor hem moesten bestellen, en ook helemaal niet als hij dan vrij grote sommen gelds moest betalen aan de winkelier, ter vergoeding van het ongemak wegens het in voorraad houden van het bestelde gedurende dikwijls wel verscheidene uren.

'Dat was net de middag van de verplichte winkelsluiting,' zei het winkeliertje.

'Ach.'

'Ja, en ik hoorde hem aan de deur rammelen. En ik had zo'n kaartje in de deur, weet je wel, met zoiets als “Gesloten - ook voor de verkoop van Lijkzegger ijswafels”, nou ja, en ik hoorde hem bonzen en toen lachte ik.'

'Je moest lachen?'

'Ja. Zo: chnuffechnuffechnuffeglrt.'

'Vast niet zo handig om dat te doen,' zei Tweebloesem hoofdschuddend.

'Weet ik. Weet ik. Mijn vader zei altijd, hij zei: nooit de nering naar de bezwering zetten… In elk geval, ik hoor hem nog iets roepen van Nooit Meer Sluiten, en nog een hoop woorden waar ik niks van begreep, en toen begon de winkel - de winkel - te leven.'

'En sindsdien heb je altijd zo rondgezworven?'

'Ja. Misschien vind ik op een dag nog eens die tovenaar en wie weet heb ik dan wat hij zocht net in voorraad. Tot het zover is ben ik gedoemd om van hot naar her te gaan -'

'Het was wel iets verschrikkelijks om te doen,' zei Tweebloesem.

Het winkeliertje snoot zijn neus in zijn schort. 'Dank je wel,' zei het.

'Maar toch, zo erg had hij je ook weer niet hoeven vervloeken,' voegde Tweebloesem eraan toe.

'O. Tja, och.' Het mannetje streek zijn voorschoot glad en deed een dappere poging zich te vermannen. 'Hoe dan ook, zo komen jullie niet in Ankh-Meurbork.'

'Het gekke is', zei Tweebloesem, 'dat ik ooit in een zaak als deze mijn Bagage heb gekocht. Nog zo'n winkel, dus.'

'O ja, er zijn er wel meer van ons,' zei het winkeliertje dat weer naar zijn tafeltje ging. 'Die tovenaar was een erg ongeduldige vent, begrijp ik.'

'Eeuwig rondzwervend door het heelal,' mijmerde Tweebloesem.

'Zo is dat. Evengoed, fiscaal was het wel een besparing, nooit meer een aanslag gehad.'

'Een viskale aanslag?'

'Ja, dat was -' de middenstander zweeg en rimpelde zijn voorhoofd. 'Ik kan het me niet goed meer voor de geest halen, het was ook zo lang geleden. Een fixale, vis-kale -'

'Een overval die je kaal als een vis achterlaat?'

'Zoiets zal het wel geweest zijn.'

 

-~oOo~-

 

'Wacht even - hij denkt over iets na,' zei Cohen.

Nekklomp keek vermoeid op. Het was best leuk geweest, hier in de schaduw zitten. Hij was er net achter dat hij zich bij zijn poging om uit een stad vol dolle gekken te ontsnappen kennelijk aan de volledige aandacht van één bepaalde gek had blootgesteld. Hij vroeg zich af of hij lang genoeg zou leven om daar spijt van te krijgen.

Hij hoopte maar van wel.

'Jazeker, hij denkt vast ergens over na,' zei hij bitter. 'Dat zie je meteen.'

'Ik denk dat hij ze heeft gevonden.'

'Mooi, hoor.'

'Klim erop en hou je vast.'

'Ben je nou helemaal?' zei Nekklomp.

'Vertrouw me nu maar, ik ken dit ding. Trouwens, wou je anders liever hier achterblijven bij al die sterrenlui? Het zou kunnen dat die nog een appeltje met je te schillen hebben.'

Cohen sloop naar de Bagage en sprong er toen schrijlings bovenop. De kist gaf geen krimp.

'Schiet op,' zei de held. 'Ik geloof dat hij gaat vertrekken.'

Nekklomp haalde zijn schouders op en klauterde met weerzin achter Cohen op de kist.

'O ja?' vroeg hij, 'en hoe vertrekt hij -'

 

-~oOo~-

 

Ankh-Meurbork!

Parel der steden!

Natuurlijk is dat geen volmaakt nauwkeurige beschrijving - de stad was geen glimmend bolletje - maar zelfs de bloedigste vijanden zouden beamen dat als je hem al ergens mee moest vergelijken, je dat net zo goed kon doen met een korreltje vuiligheid overdekt met de ziekelijke uitscheiding van een zieltogend weekdier.

Grotere steden zijn er geweest. Er waren rijkere steden. Stellig zijn er fraaiere steden geweest. Maar geen stad in het veelal kon tegen Ankh-Meurbork op als het ging om de geur.

De Antieken, die alles weten van alle heelallen en de geur roken van Calcutta en !Xrk-! en Marshaven Oud-Oost, zijn het eens dat zelfs deze fraaie staaltjes van nasale dichtkunst maar sinterklaasverzen zijn naast de roemrijke pracht van Ankh-Meurborks walm.

Je kunt het over spruitjes hebben. Je kunt het over knoflook hebben. Je kunt het over Frankrijk hebben. Ga maar door. Maar als je nog nooit Ankh-Meurbork geroken hebt op een hete dag, dan heb je nog niks geroken.

De inwoners zijn er trots op. Op echt goeie dagen zetten ze hun stoel buiten om ervan te genieten. Ze blazen hun wangen op en slaan op hun borst en wijzen elkaar opgewekt op de fijnere reuknuances. Ze hebben er zelfs een standbeeld voor opgericht, om de tijd te gedenken dat de troepen van een concurrerende staat op zekere donkere nacht heimelijk probeerden binnen te vallen en inderdaad nog tot bovenop de stadswal wisten te komen voordat, tot hun afgrijzen, hun neusproppen het lieten afweten. Rijke kooplieden die vele jaren buitenslands hebben vertoefd laten zich van thuis speciaal afgekurkte en verzegelde flesjes opsturen met het spul, dat tranen doet opwellen in hun ogen.

Zo'n uitwerking heeft die geur.

Eigenlijk is er maar een manier om de uitwerking van Ankh-Meurborks geur op de bezoekende neus weer te geven, en dat is langs de weg van analogie.

Neem een Schotse ruit. Besprenkel die met confetti. Schijn er nu met flitsende strobe-lampen op.

Neem vervolgens een kameleon.

Zet de kameleon op de Schotse ruit.

Kijk er nu goed naar.

Zie je wel?

En dit verklaart waarom Rinzwind, toen de winkel ten slotte stoffelijk in Ankh-Meurbork opdook, met een schok overeind kwam en zei: 'We zijn er,' en waarom Betta verbleekte en Tweebloesem, die geen reukzin had, opmerkte: 'Echt? Hoe weet je dat?'

Het was een lange middag geweest. Telkens waren ze uit de snarenknoop in het ruimtehier beland in een muur in steeds weer een andere stad, omdat het toverkrachtveld van de Schijf volgens het winkeliertje zulke kuren vertoonde dat alles in de war liep.

Alle steden waren door het merendeel van hun inwoners verlaten en in bezit genomen door zwervende bendes van verdwaasde linkeroorlui.

'Waar komen die toch allemaal vandaan?' vroeg Tweebloesem tijdens het ontvluchten van alweer zo'n kudde.

'In elk normaal mens zit een idioot verstopt, die loert op een kans om eruit te komen,' zei het winkeliertje. 'Dat heb ik altijd al gevonden. Niemand wordt vlugger stapelgek dan een doodnormaal persoon.'

'Dat klopt toch niet?' zei Betta. 'En als het wel klopt, dan vind ik het maar niks.'

De ster was groter dan de zon. Vannacht zou het geen nacht worden. Boven de horizon aan de overkant deed het eigen zonnetje van de Schijf zijn uiterste best om gewoon onder te gaan, maar het totaaleffect van al dat rode licht was dat de stad, toch al nooit bijzonder fraai, eruit zag als het product van een bezeten schilder na een slechte trip op de schoensmeer.

Maar hier was je thuis. Rinzwind tuurde links en rechts langs de lege straat en voelde zich haast gelukkig.

Achter in zijn geest zat de Bezwering kabaal te schoppen, maar hij liet hem begaan. Misschien was het echt zo dat de toverij zwakker werd naarmate de ster dichterbij kwam, of misschien had hij de Bezwering al zo lang in zijn hoofd dat hij zoiets als geestelijk immuun was geworden, maar hij merkte dat hij nu weerstand kon bieden.

'We zijn bij de haven,' verklaarde hij. 'Ruik die zeelucht maar!'

'O', zei Betta die steun zocht tegen de muur, 'ja.'

'Dat is ozon, is dat,' zei Rinzwind. 'Dat is lucht met karakter, en dat is het.' Hij ademde diep in en uit.

Tweebloesem richtte zich tot het winkeliertje.

'Nou, ik hoop dat je je tovenaar vindt,' zei hij. 'Neem ons maar niet kwalijk dat we niks hebben gekocht, maar al mijn geld zit in mijn Bagage, zie je.'

Het mannetje duwde hem iets in de hand.

'Een presentje,' zei hij. 'Je zult het nog nodig hebben.'

Hij glipte zijn winkel weer in, de bel rinkelde, het bord met 'Morgen Weer Volop Gestampte Kwallen, die Droge Slijmerds' klepperde troosteloos tegen de deur, en de winkel vervaagde in het metselwerk alsof hij er nooit was geweest. Tweebloesem betastte behoedzaam de muur als wilde hij het maar niet geloven.

'Wat zit er in die zak?' vroeg Rinzwind.

Het was een zak van dik bruin papier, met hengsels van touw.

'Als er pootjes uitgroeien wil ik er niks over horen,' zei Betta.

Tweebloesem gluurde in de zak en trok de inhoud eruit.

'Is dat nou alles?' zei Rinzwind. 'Een huisje met schelpjes erop?'

'Hartstikke nuttig hoor,' zei Tweebloesem bedremmeld. 'Je kunt er sigaretten in bewaren.'

'En dat is dus net wat je nodig hebt?' vroeg Rinzwind.

'Had mij maar een flesje goed sterke zonnebrandolie gegeven,' zei Betta.

'Kom mee,' zei Rinzwind en hij begaf zich de straat op. De anderen gingen hem achterna.

Het kwam bij Tweebloesem op dat er woordjes van troost op hun plaats waren, enige lichte conversatie om Betta wat uit de sleur te halen, zoals hij dat zou uitdrukken, en haar in het algemeen wat op te beuren.

'Maak je maar geen zorgen,' zei hij. 'Er is nog wel een kansje dat Cohen misschien nog leeft.'

'O, ik geloof best dat hij nog in leven is,' zei ze en ze stampte over de straatkeien alsof die haar stuk voor stuk ooit persoonlijk hadden gegriefd. 'Je haalt in zijn vak de zevenentachtig niet als je overal altijd maar doodgaat. Maar hier is hij niet.'

'Mijn Bagage al evenmin,' zei Tweebloesem. 'Al is dat niet hetzelfde, natuurlijk.'

'Denk jij dat de ster op de Schijf zal botsen?'

'Nee,' zei Tweebloesem zelfverzekerd.

'Waarom niet?'

'Omdat Rinzwind denkt van niet.'

Verbluft keek ze hem aan.

'Want kijk', ging de toerist verder, 'je weet van wat ze met zeewier doen?'

Betta, geboren en getogen als ze was op de Draaikolkse Vlakten, kende de zee alleen uit verhaaltjes en had besloten dat ze er niets aan vond. Ze keek dus niet bepaald begrijpend.

'Opeten soms?'

'Nee, wat ze doen is, ze hangen het buiten op en dan zien ze eraan of het gaat regenen.'

Iets anders dat Betta had geleerd, was dat je net zo goed niet kon proberen om iets te snappen van wat Tweebloesem zei, en dat alles wat je kon doen was proberen met het gesprek mee te hollen in de hoop aan boord te springen als het de bocht nam.

'Ach ja,' zei ze.

'Zo is Rinzwind nu ook, snap je.'

'Als zeewier.'

'Ja. Als er ook maar iets was om bang voor te zijn, dan was hij bang. Maar dat is hij niet. De ster is zowat het enige dat ik ooit zag waar hij niet bang voor is. En als hij zich geen zorgen maakt, neem dan maar van mij aan dat er niets is om je zorgen over te maken.'

'Gaat het dus niet regenen?' vroeg Betta.

'Nee, niet dus. Overdrachtelijk gezien dan.'

'O.' Betta vroeg maar niet wat 'overdrachtelijk' betekende, voor het geval het soms met zeewier te maken had.

Rinzwind draaide zich om.

'Kom op,' zei hij. 'Niet ver meer.'

'Waarheen?' vroeg Tweebloesem.

'De Gesloten Universiteit, natuurlijk.'

'Is dat nu wel zo verstandig?'

'Waarschijnlijk niet, nee, maar ik ga toch -' Rinzwind zweeg en zijn gezicht werd een masker van pijn. Hij legde zijn handen tegen zijn oren en kreunde.

'Last van de Bezwering?'

'Jagg.'

'Probeer het eens met neuriën.'

Rinzwinds gezicht vertrok. 'Ik ga zorgen dat ik dit ding kwijtraak,' zei hij gesmoord. 'Hij moet weer terug in het boek waar hij hoort, ik wil mijn hoofd terug!'

'Maar dan -' begon Tweebloesem, en hij zweeg weer. Ze konden het allemaal horen - eentonig gezang in de verte en het dreunen van vele voetstappen.

'Denk je dat het van die sterrenlui zijn?' vroeg Betta.

Dat waren het. De voorhoede kwam honderd meter voor hen een hoek om gemarcheerd, achter een rafelig wit vaandel met een achtpuntige ster erop.

'Niet alleen sterrenlui,' zei Tweebloesem. 'Allerlei lui!'

De menigte sleurde hen in het voorbijgaan mee. Het ene ogenblik stonden ze nog in een verlaten straat, het andere stroomden ze noodgedwongen mee in de mensenvloed die hen meevoerde door de stad.

 

-~oOo~-

 

Het fakkellicht flakkerde zenuwachtig in de klamme tunnels diep onderin de Gesloten Universiteit, en de optocht van de Chefs der Toverordes wandelde voort.

'Het is tenminste koel hier beneden,' zei er een.

'Het was nog beter als we hier helemaal niet hoefden te wezen.'

Roppaf, die voorop ging, zei niets. Maar hij dacht uit alle macht na. Hij dacht na over het flesje olie aan zijn gordel, en aan de acht sleutels die de tovenaars meedroegen - acht sleutels die pasten op de acht sloten waar de Octavo mee aan zijn lessenaar zat geketend. Hij bedacht dat oude tovenaars die bespeuren dat de toverij aan het weglekken is, hun handen vol hadden aan eigen problemen en dus wat minder opmerkzaam waren dan goed voor hen was. Hij bedacht dat hij binnen een paar minuten de Octavo, die grootste samenballing van tovenarij op de Schijf, in zijn handen zou hebben.

Ondanks de koelte in de tunnel begon hij te zweten.

Ze bereikten een met lood beklede deur in het kale gesteente. Roppaf haalde een zware sleutel voor de dag - een goede, eerlijke ijzeren sleutel, heel anders dan die onthutsend gekronkelde sleutels waarmee je de Octavo ontsloot - sprietste wat olie in het slot, stak de sleutel erin en draaide die om. Het slot ging open, onder piepend protest.

'Zijn wij allen tot hetzelfde besloten?' vroeg Roppaf. Hij hoorde een reeks vaag bevestigende grommen.

Hij duwde de deur open.

Er rolde een warme bui van dikke en zeg maar vettige lucht over hen heen. De lucht was vervuld van de hoge tonen van een onaangenaam gekwetter. Kleine vonkjes octarijn vuur flitsten van elke neus, vingernagel en baard.

De tovenaars bogen het hoofd tegen de storm van willekeurig verhutselde tovenarij die uit het vertrek woei, en drongen naar voren. Gedaanten namen half kenbare vormen aan, giechelden en fladderden om hen heen, want de nachtmerries die de Kerkerdimensies bevolken zullen altijd blijven tasten (met dingen die alleen voor vingers doorgaan omdat ze aan het eind van armen zitten) naar een onbewaakte bres in de vlammende kring die men aanziet voor het heelal van rede en orde.

Zelfs in dit voor alle getoverte zo ongunstige tijdsgewricht, zelfs in een ruimte ontworpen om alle tovertrillingen weg te dempen, knetterde de Octavo nog altijd van de toverkracht.

Aan de fakkels was hier niet echt behoefte. De Octavo vulde het vertrek met een dof, nors licht, dat strikt gezien helemaal geen licht was maar het tegendeel daarvan; duisternis is niet het tegendeel van licht, het is gewoon het ontbreken ervan, en wat hier uit het boek wasemde was dat wonderbare licht, dat aan gene zijde ligt van het duister.

De kleur ervan was een nogal teleurstellend paars.

Zoals eerder is gemeld zat de Octavo vastgeketend aan een lessenaar, die was gebeeldhouwd in de vorm van iets vagelijk vogelachtigs, enigszins reptilisch en akelig levend. Twee glinsterogen keken de tovenaars aan met ingehouden haat.

'Ik zag het bewegen,' zei een van hen.

'We lopen geen gevaar zolang we het boek niet aanraken,' zei Roppaf. Hij trok een rol perkament uit zijn gordel en rolde die uit.

'Breng die fakkel hierheen', zei hij, 'en doe die sigaret uit!'

Hij wachtte tot er een ontploffing van woedende trots zou losbarsten. Maar die kwam niet. In plaats daarvan verwijderde de aanstootgevende toverwijze de peuk met trillende vingers van tussen zijn lippen en hij trapte hem plat op de vloer.

Roppaf was opgetogen. Aha, dacht hij, dus ze doen wat ik zeg. Zolang het duurt, misschien - maar dat is lang genoeg.

Hij tuurde naar het krabbelschrift van een lang geleden overleden tovenaar.

'Juist', zei hij, 'laat eens zien: 'Om Die Te Versoenen, Die Saeck Die Waeckt Oever…'

 

-~oOo~-

 

Het gepeupel golfde over een van de bruggen waarmee Meurbork werd verbonden met Ankh. Daaronder stroomde de rivier, troebel genoeg in de beste omstandigheden, nu niet meer dan een dampend sijpelstroompje.

De brug schudde onder hun voeten erger heen en weer dan het hoorde. Rare rimpeltjes gleden over de modderige resten van de rivier. Van het dak van een naburig huis gleden wat pannen omlaag.

'Wat was dat?' vroeg Tweebloesem.

Betta keek achterom en gilde het uit.

De ster kwam nu echt op. Terwijl het zonnetje van de Schijf zelf een goed heenkomen zocht achter de horizon, klom de enorme opgeblazen bol van de ster traag en gestaag de hemel in, tot hij in zijn geheel enkele graden boven de rand van de wereld stond.

Ze trokken Rinzwind in de beschutting van een portiek. De menigte sloeg er nauwelijks acht op, maar holde verder als panische lemmingen.

'Er zitten vlekken op de ster,' zei Tweebloesem.

'Nee,' zei Rinzwind. 'Dat zijn… dingesen. Dingesen die om de ster draaien. Net zoals de zon om de Schijf draait. Maar ze zijn er dichter bij, omdat…' hij zweeg even. 'Ik weet het bijna!'

'Wat weet je?'

'Ik moet van die Bezwering af!'

'Welke kant uit is de universiteit?' vroeg Betta.

'Deze kant!' zei Rinzwind, en hij wees de straat in.

'Dan is hij zeker erg in trek. Iedereen gaat die kant uit.'

'Ik vraag me af waarom?' zei Tweebloesem.

'Ik weet niet', zei Rinzwind, 'maar het zal wel niet zijn om zich te gaan inschrijven voor de avondcursus.'

Om je de waarheid te zeggen, de Gesloten Universiteit werd belegerd, of tenminste de delen ervan die naar buiten staken in de gebruikelijke dimensies van alledag werden belegerd. De massa's voor de poorten ervan stelden, algemeen gesproken, luidkeels één van twee eisen. Ze eisten dat de tovenaars hetzij a) ophielden met hun geknoei en eindelijk die ster eens wegwerkten, hetzij b), en deze eis had de voorkeur onder het sterrenvolk, meteen alle getover staakten en ordentelijk zelfmoord pleegden, om daarmee de Schijf te verlossen van de vloek der toverij en de vreselijke dreiging aan de hemel af te weren.

De tovenaars aan gene zijde van de muren hadden geen idee hoe men a) zou kunnen uitvoeren, en waren niet van zins om tot b) over te gaan, terwijl velen het zelfs hielden op c), wat vooral inhield dat je door verborgen zijdeurtjes wegglipte en je zo snel mogelijk bediende van je kuierlatten, zo niet sneller dan mogelijk.

Al wat er nog aan betrouwbare toverkracht in de Universiteit restte werd nu ingezet om de grote poort intact te houden. Het drong tot de tovenaars door dat het wel mooi en indrukwekkend was om een paar poortdeuren te hebben die met tovenarij op slot konden, maar dat het bij de bouwers had moeten opkomen om er ook een reservesysteem bij te doen, zoals (om maar wat te noemen) een paar gewone, niet indrukwekkende maar wel dikke ijzeren grendels.

Op het plein voor de poort had men diverse vuren ontstoken, meer voor de sfeer dan om iets anders, want de hitte van de ster werd verschroeiend.

'Maar je kunt nog altijd de sterren zien,' zei Tweebloesem. 'De andere sterren, bedoel ik. De kleintjes. In een zwarte hemel.'

Rinzwind negeerde hem. Hij keek naar de poort. Een gecombineerde ploeg van sterrenlui en burgerlieden deed pogingen de deuren in te rammen.

'Het is hopeloos,' zei Betta. 'We komen er nooit in. Waar ga jij heen?'

'Even aan de wandel,' zei Rinzwind. Vastberaden sloeg hij een zijstraat in.

Hier waren enkele zelfstandige plunderaars in de weer, vooral met het vernielen van winkels. Daar lette Rinzwind niet op, maar hij volgde de muur tot waar die evenwijdig liep met een donker steegje waarin de ook overal elders gebruikelijke, minder gelukkige steegjesgeur hing.

Toen begon hij van heel nabij het metselwerk te onderzoeken. De muur was hier zes meter hoog en van boven bezet met wrede metalen punten.

'Nu heb ik een mes nodig,' zei hij.

'Ga je er dan een gat doorheen snijden?' vroeg Betta.

'Zorg nou maar voor een mes,' zei Rinzwind. Hij begon op de stenen te kloppen.

Tweebloesem en Betta keken elkaar eens aan en haalden hun schouders op. Een tijdje later kwamen ze weer aanzetten met een sortering messen, en Tweebloesem had zelfs een zwaard bemachtigd.

'We hebben onszelf maar bediend,' zei Betta.

'Maar we hebben wat geld neergelegd,' zei Tweebloesem. 'Ik bedoel, we zouden wat geld hebben neergelegd, als we het gehad -'

'Dus wilde hij per se een briefje schrijven,' zei Betta vermoeid.

Tweebloesem richtte zich op tot zijn volle lengte, wat nauwelijks de moeite waard was.

'Ik zie geen enkele reden -' begon hij stijfjes.

'Ja, ja,' zei Betta die triest ging zitten. 'Natuurlijk niet, weet ik toch. Rinzwind, alle winkels zijn opengebroken en geplunderd, er was een heel stel dat eerst alle schatten uit een juwelenzaak haalde en hem toen in de fik stak, niet te geloven toch?'

'Tja,' zei Rinzwind die peinzend een mes nam om het te beproeven. 'Dat zullen dan wel brandschatters zijn.'

Hij stak het lemmet in de muur, draaide het en stapte achteruit toen er een grote steen uit de muur viel. Hij keek omhoog, telde intussen binnensmonds de stenen af, en wrikte er nog een los.

'Hoe deed je dat?' vroeg Tweebloesem.

'Geef me eens een kontje, wil je?' zei Rinzwind. Door zijn voeten een voor een in de zopas geschapen gaten te steken, was hij even later al halverwege een beklimming van de muur.

'Zo kan dit hier al eeuwen,' kwam zijn stem omlaaggezweefd. 'Om een paar van de stenen zit geen mortel. Geheime ingang, hè? Van onderen!'

Weer kwakte er een steen op de keien.

'Lang geleden door studenten gemaakt,' zei Rinzwind. 'Handige in- en uitgang na sluitingstijd.'

'Aha,' zei Tweebloesem. 'Dit begrijp ik. De muur over en ervandoor naar de helverlichte taveernes voor drank en gezang en gedichten opzeggen, zeker?'

'Ja, bijna goed, op het gezang en het opzeggen na,' zei Rinzwind. 'Een paar van deze punten hier moeten los zitten -' Er klonk gerinkel.

'Aan deze kant is het niet zo diep naar beneden,' hoorde je even later zijn stem. 'Kom nu maar. Als jullie komen tenminste.'

 

-~oOo~-

 

En aldus kregen Rinzwind, Tweebloesem en Betta toegang tot de Gesloten Universiteit.

Elders op het academieterrein -

De acht tovenaars staken elk hun sleutel in het slot, draaiden hem om en wisselden onderwijl menige bezorgde blik. Heel vaag klonk er een snapgeluidje en het slot gleed open.

De Octavo was ontketend. Een speciale glans van octarijn licht speelde over de band van het boekwerk.

Roppaf deed er een greep naar en tilde het op, en geen van de anderen uitte bezwaren. Zijn arm tintelde.

Hij draaide zich om naar de deur.

'Op naar de grote hal nu, broeders', zei hij, 'als ik voor mag gaan -'

En er klonken geen bezwaren.

Nu was hij al bij de deur met het boek onder zijn arm gestoken. Het voelde warm aan, en kriebelig, leek het wel.

Bij elke tred verwachtte hij een protest, een schreeuw, en er kwam niets. Hij moest elk greintje zelfbeheersing inzetten om zijn lachen in te houden. Het ging makkelijker dan hij had durven dromen.

De anderen waren pas halverwege de benauwende kerker toen hij al de deur uit liep, en misschien hadden ze nu iets aan zijn houding bespeurd, maar het was te laat want hij was de drempel al over, greep de deurknop al, smeet de deur dicht, draaide de sleutel om, en lachte zijn lachen eruit.

Bedaard liep hij terug door de gang, zonder zich te storen aan het woedend gekrijs van de tovenaars, die juist merkten hoe onmogelijk het is om bezweringen uit te voeren in een vertrek met een toverbestendige inrichting.

De Octavo kronkelde om los te komen, maar Roppaf hield hem stevig vast. Nu begon hij te hollen, ook als afleiding van de gruwelijke gewaarwording onder zijn arm waar het boek transformeerde tot harige, knokige en stekelige vormen. Hij verloor het gevoel in zijn hand. De zwakke kwettergeluidjes die hij aldoor al hoorde werden luider en erachter werden andere geluiden hoorbaar - lonkende geluiden, wenkende geluiden, het stemgeluid van onvoorstelbare gruwels die Roppaf zich maar al te goed kon voorstellen. Nu rende hij de Grote Zaal door en de centrale trap op, terwijl schaduwen in beweging kwamen en om hem samendromden en het drong tot hem door dat hij gevolgd werd, door iets dat zich razendsnel voortbewoog op naargeestige trippelpootjes. Op de muren begon zich ijs af te zetten. Deuren haalden zwaaiend naar hem uit toen hij langsdenderde. En onder zijn voeten leek de trap nu wel aan te voelen als een levende tong…

Niet voor niets had Roppaf lange uren doorgebracht met het stalen van zijn mentale spieren in de eigenaardige ruimte die op de Universiteit de rol van een sportzaal speelde. Vertrouw niet op je zintuigen, wist hij, want die zijn voor de gek te houden. De trap is er wel, ergens - maak met je wil dat hij er is, roep zijn bestaan op onder het klimmen en, kerel, ik zou maar zorgen dat ik er goed in was. Want dit is niet allemaal inbeelding.

 

-~oOo~-

 

A'Tuin de Grote minderde vaart.

Met zijn platte zwempoten zo groot als continenten vocht de hemelschildpad tegen de zuiging van de ster, om het juiste moment af te wachten.

Lang zou hij niet hoeven wachten…

 

-~oOo~-

 

Rinzwind sloop de Grote Zaal binnen. Er brandden niet veel fakkels hier en het leek wel of de boel was ingericht voor het doen van een of ander toverkarwei. Maar de ceremoniële kandelaars lagen omver, de op de vloer gekrijte, ingewikkelde octogrammen zaten vol vegen alsof er iets op had gedanst, en zelfs naar de ruime Ankh-Meurborkse begrippen hing er een erg onplezierige geur in de lucht. Er zat een zwavelig vleugje in, maar dat zat weer onder iets ergers. Het rook naar de bodem van een tuinvijver.

In de verte hoorde hij een krakend lawaai en een heleboel geschreeuw.

'Ziet ernaar uit dat de poort het heeft begeven,' zei Rinzwind.

'Laten we hier weggaan,' zei Betta.

'De kelders zijn deze kant uit,' zei Rinzwind en hij beende onder een boog door.

'Daar naar beneden?'

'Ja. Wou je dan liever hier blijven?'

Hij pakte een fakkel uit zijn houder aan de muur en begon de trap af te dalen.

Na een paar ziggen en zaggen waren de wanden van de trap niet langer betimmerd, het gesteente lag er bloot. Hier en daar stonden zware deuren op een kier.

'Ik dacht iets te horen,' zei Tweebloesem.

Rinzwind luisterde even. Er leek inderdaad een geluid uit de diepte daar beneden te komen. Het klonk niet angstaanjagend. Het klonk alsof er een boel mensen op een deur bonsden onder het roepen van 'Oehoe!'

'Het zijn toch niet die Dingen uit de Kerkerdimensies waar je het over had, hè?' zei Betta.

'Die vloeken niet zo,' zei Rinzwind. 'Vooruit.'

Ze joegen langs druipende gangen, geleid door de luidkeelse vloeken en het schorre raspende gehoest dat iets geruststellends had; iets dat zo hijgde en hoestte, besloten de toehoorders, kon onmogelijk enig gevaar betekenen.

Ten slotte kwamen ze bij een deur in een nis. Die leek sterk genoeg om de zee te weerstaan. Er zat een klein tralieroostertje in.

'Hela!' schreeuwde Rinzwind. Erg nuttig was dat niet, maar hij wist niets beters te verzinnen.

Ineens werd het stil. Toen zei een stem van de andere kant van de deur, heel langzaam: 'Wie is dat daar?'

Rinzwind herkende die stem. Die had hem, jaren geleden, op menige hete schoolmiddag uit zijn dagdromen en naar de verschrikking gesleurd. Dit was Menuël Heicht, die zich er ooit persoonlijk op had toegelegd de rudimentaire beginselen van kristallezen en demonoproepen in Rinzwinds hoofd te stampen. Hij herinnerde zich nog de priemende oogjes in het biggengezicht en de stem die altijd zei: 'En nu komt meneer Rinzwind maar eens naar voren om het betreffende teken op het bord te zetten' en de tocht van miljoenen kilometers door de klas, waarbij hij zich vertwijfeld probeerde te herinneren waarover de stem de voorafgaande minuten toch aldoor had gezeurd. Zelfs nu werd zijn keel nog droog van doodsangst en willekeurig schuldgevoel. Met Kerkerdimensies had het gewoon niets te maken.

'Ja meneer, ik ben het, meneer, Rinzwind, meneer,' piepte hij. Hij zag hoe Tweebloesem en Betta hem aanstaarden en kuchte. 'Ja,' voegde hij eraan toe met de zwaarste stem die hij kon opzetten. 'Die ben ik. Rinzwind. Juist.'

Aan de andere kant van de deur welde een gefluisterd geroezemoes op.

'Rinzwind?'

'Prins wat?'

'Doet me denken aan een jochie dat totaal geen -'

'De bezwering, weet je nog?'

'Rinzwind?'

Er viel een stilte. Toen zei de stem: 'Ik neem niet aan dat de sleutel in het slot steekt?'

'Nee,' zei Rinzwind.

'Wat zei die?'

'Nee zei die.'

'Echt wat voor dat joch.'

'Ahum. Wie zijn dat daar binnen?'

'De Meesters der Tovenarij,' zei de stem uit de hoogte.

'En waarom?'

Er viel weer een stilte, gevolgd door een beraadslaging van gegeneerd gefluister.

'Wij, uh, zijn ingesloten geraakt,' zei de stem met tegenzin.

'Wat, bij de Octavo?'

Fluister, fluister.

'Eigenlijk gezegd, de Octavo is hier niet, eigenlijk gezegd,' zei de stem schoorvoetend.

'Ach. Maar jullie wel?' vroeg Rinzwind zo beleefd als hij kon, maar grijnzend als een necrofiel in het lijkenhuis.

'Dat schijnt het geval te zijn.'

'Kunnen wij misschien nog voor iets zorgen?' vroeg Tweebloesem zorgzaam.

'Jullie zouden kunnen zorgen dat wij eruit kwamen.'

'Is dat slot open te knutselen?' vroeg Betta.

'Onbegonnen werk,' zei Rinzwind. 'Absoluut inbraakbestendig.'

'Cohen zou het vast wel gekund hebben,' zei Betta trouwhartig. 'Waar hij nu dan ook uithangt.'

'De Bagage zou hem ook gauw genoeg openrammen,' viel Tweebloesem haar bij.

'Nou, dat was het dan,' zei Betta. 'Laten we de frisse buitenlucht opzoeken. Frissere lucht, in elk geval.' Ze wilde al omdraaien en weggaan.

'Ogenblikje, ogenblikje,' zei Rinzwind. 'Daar gaan we weer, hè? Die stomme Rinzwind zal er wel weer niks op weten, hè? Welnee, het is maar behelpen met die sukkel. Geef maar een schop alsie langskomt. Reken vooral niet op hem, hij is een -'

'Goed dan,' zei Betta. 'Laat maar eens horen dan.'

'- nietsnut, een misbaksel, niks dan een - watte?'

'Hoe wou jij de deur openmaken?' vroeg Betta.

Rinzwind keek haar met open mond aan. Toen keek hij naar de deur. Die was toch echt erg massief en dat slot oogde ook al zo zelfvoldaan.

Maar ooit was hij er al eerder binnengekomen, lang geleden. De student Rinzwind had tegen de deur geduwd en die was open gezwaaid, en een oogwenk later was toen de Bezwering zijn geest in gesprongen om zijn verdere leven te bederven.

'Hoor eens,' zei een stem vanachter het rooster, zo vriendelijk als hij maar wist op te brengen. 'Ga nu maar gauw een tovenaar voor ons zoeken, dan ben je een brave kerel.'

Rinzwind haalde diep adem.

'Uit de weg daar,' kwaakte hij.

'Wat?'

'Zoek maar iets om achter te schuilen,' blafte hij met een stem die maar heel weinig bibberde. 'En jullie ook,' zei hij tegen Betta en Tweebloesem.

'Maar je kunt helemaal niet -'

'Ik meen het!'

'Hij meent het,' zei Tweebloesem. 'Dat adertje opzij van zijn voorhoofd, zie je, als dat zo klopt, nou -'

'Koppen dicht!'

Rinzwind stak onzeker een arm op en wees ermee naar de deur.

Er heerste doodse stilte.

O grote goden, dacht hij, hoe moet het nu verder?

In het zwarte duister achterin zijn geest schoof de Bezwering onrustig heen en weer.

Rinzwind probeerde af te stemmen of wat dan ook op het metaal van het slot. Als hij nu maar tweedracht kon zaaien tussen de atomen ervan zodat het uit elkaar vloog -

Er gebeurde niets.

Hij haalde diep adem en richtte zijn aandacht op het houtwerk. Dat was oud als een fossiel en bijna versteend, en zou waarschijnlijk zelfs niet willen branden als je het doordrenkt met olie in een oven gooide. Toch probeerde hij het maar, onder meer door de antieke moleculen op het hart te drukken vooral flink op en neer te springen om warm te blijven -

In de drukkende stilte van zijn eigen geest keek hij woedend naar de Bezwering, die schaapachtig terugkeek.

Hij ging de lucht rond de deur zelf eens na, hoe kon je die het best zo tot enge vormen wringen dat de deur in een heel ander stel dimensies kwam te bestaan?

De deur bleef zitten waar hij zat, uitdagend massief.

Zwetend en met een geest die weer de eindeloze gang naar het schoolbord ten overstaan van de grijnzende klas aflegde, wendde hij zich vertwijfeld nog eens tot het slot. Dat moest bestaan uit kleine stukjes metaal, niet al te zwaar -

Heel zacht hoorde hij een geluid uit het roostertje. Het was het geluid van tovenaars die zich ontspannen en hun hoofd beginnen te schudden.

Er fluisterde iemand: 'Ik zei toch -'

Er kwam een heel klein knarsje, en een klik.

Rinzwinds gezicht was een masker. Zweet droop van zijn kin.

Weer kwam er een klik, en het geknars van tegenstribbelende stangetjes. Roppaf had het slot geolied, maar de olie was in de roest en het stof van jaren getrokken, en de enige manier waarop een tovenaar iets met toverij in beweging kan brengen is, buiten het aanwenden van een uitwendige beweger, gebruik te maken van zijn eigen geest als een hefboom.

Rinzwind probeerde uit alle macht te voorkomen dat zijn brein via zijn oren eruit werd geduwd.

Het slot ratelde. Metalen spieën liepen stuik in hun verweerde banen, schoten los en drukten tegen hefbomen.

Hefbomen klikten, pallen grepen aan. Toen kwam er een lang aangehouden geknars dat Rinzwind op zijn knieën deed zinken.

De deur zwaaide open om zijn gepijnigde hengsels. De tovenaars slopen omzichtig naar buiten.

Tweebloesem en Betta hielpen Rinzwind op de been. Wankelend en met een grauw gezicht stond hij overeind.

'Niet slecht,' zei een van de tovenaars na een nauwkeurige blik op het slot. 'Misschien wat aan de langzame kant.'

'Laat dat nu maar zitten!' snauwde Goggel Praad. 'Hebben jullie drieën onderweg naar beneden nog iemand gezien?'

'Nee,' zei Tweebloesem.

'Iemand heeft de Octavo gestolen.'

Rinzwinds hoofd schoot omhoog. Zijn ogen werden weer helder.

'Wie?'

'Roppaf -'

Rinzwind slikte. 'Lange vent?' zei hij. 'Blond haar, oogt een beetje als een fret?'

'Nu je het zegt -'

'Zat bij mij in de klas,' zei Rinzwind. 'Ze zeiden altijd dat hij het nog ver zou schoppen.'

'Hij schopt het nog veel verder als hij dat boek opendoet,' zei een van de tovenaars, die gejaagd een sigaretje rolde met bevende vingers.

'Hoezo?' zei Tweebloesem. 'Wat gebeurt er dan?'

De tovenaars keken elkaar aan.

'Dat is een oeroud geheim, van toverwijze op toverwijze overgeleverd, en we kunnen dat niet bekendmaken aan een onweter,' zei Praad.

'Ach, maak het even,' zei Tweebloesem.

'Goed dan, het maakt vast toch niets meer uit. Een enkele geest kan al de bezweringen niet bevatten. Hij stort in en er blijft een gat achter.'

'Wat? In zijn hoofd?'

'Ahum, nee. In het weefsel van het heelal,' zei Praad. 'Hij denkt dan misschien wel dat hij ze in zijn eentje kan beheersen, maar -'

Ze voelden het geluid nog voordat ze het hoorden. Het begon als een trage trilling in het gesteente, klom toen ineens op tot een messcherp gejank dat de trommelvliezen oversloeg en zich rechtstreeks in het brein boorde. Het klonk als een mensenstem die iets zong, of declameerde, of gilde, maar er waren zwaardere en engere onder- en boventonen.

De tovenaars verbleekten. Toen draaiden ze zich als één man om en ze holden de trap op.

Buiten het gebouw stond de menigte. Sommige mensen staken fakkels omhoog, anderen onderbraken het opstapelen van brandhout onderlangs de muren. Maar iedereen staarde omhoog naar de Toren der Kunsten.

De tovenaars wrongen zich een doorgang tussen het gepeupel dat niet op hen lette, en keken ook omhoog.

De hemel zat vol manen. Elk ervan was drie maal zo groot als de eigen maan van de Schijf, en elk was in de schaduw, afgezien van een rose sikkeltje waar hij het licht van de ster opving.

Maar op de voorgrond van dit al stak de top van de Toren der Kunsten af als een razende gloed. Vaag kon je er gedaanten in ontwaren, maar daar was niets geruststellends aan. Het geluid was intussen overgegaan in een wesperig gonzen, maar dan een miljoen maal versterkt.

Enkele tovenaars zonken op de knieën.

'Nou heeft hij het gedaan,' zei Praad hoofdschuddend. 'Hij heeft een doorgang geopend.'

'Zijn die dingen daar demonen?' vroeg Tweebloesem.

'O, demonen,' zei Praad. 'Demonen zijn een fluitje van een cent vergeleken met wat daarboven erdoor probeert te komen.'

'Ze zijn erger dan alles wat we ons ooit zouden kunnen indenken,' zei Heicht.

'Ik voor mij kan me anders tamelijk akelige dingen indenken,' zei Rinzwind.

'Deze zijn erger.'

'O.'

'En wat dachten jullie eraan te doen?' klonk een heldere stem.

Ze draaiden zich om. Met de armen over elkaar stond Betta hen dreigend aan te kijken.

'Pardon?' zei Praad.

'Jullie zijn toch tovenaars?' zei ze. 'Nou, maak dan wat voort.'

'Wat, dat daar aanpakken?' zei Rinzwind.

'Weet je dan wat anders?'

Praad werkte zich naar voren. 'Jongedame, ik denk niet dat je helemaal snapt -'

'De Kerkerdimensies gaan leeglopen in ons Heelal, dat heb ik toch goed?' zei Betta.

'Tja, ja -'

'Dan worden we allemaal opgegeten door dingen met tentakels in plaats van een gezicht, zo is het toch?'

'Zo aangenaam helaas niet, maar -'

'En dat laat je zomaar gebeuren?'

'Hoor eens,' zei Rinzwind. 'Alles is voorbij, snap je. Je kunt de bezweringen niet in het boek terugstoppen, je kunt wat is opgezegd niet ongezegd maken, je kunt geen -'

'Je kunt het wel proberen!'

Rinzwind slaakte een zucht en wendde zich tot Tweebloesem.

Die was er niet. Onvermijdelijk draaiden Rinzwinds ogen naar de voet van de Toren der Kunsten en zo zag hij nog net hoe de mollige gestalte van het toeristje door de deur verdween, met een zwaard onvakkundig in zijn hand.

Rinzwinds voeten trokken hun eigen conclusie, en vanuit het oogpunt van zijn brein was dat totaal de verkeerde.

De andere tovenaars keken hem na.

'Nou?' zei Betta. 'Hij gaat toch ook?'

De tovenaars probeerden elkaars blikken te ontwijken.

Uiteindelijk zei Praad: 'Misschien moesten we het erop wagen. Het lijkt zich niet verder uit te breiden.'

'Maar we hebben zo goed als geen toverkracht meer,' zei een van de tovenaars.

'Heb jij dan een beter idee?'

De tovenaars, hun ceremoniële gewaden glinsterend in het naargeestige licht, draaiden zich een voor een om en sjokten naar de toren.

De toren was hol van binnen, en de stenen treden van zijn wenteltrap zaten omhoogschroevend als een kurkentrekker aan zijn muren gemetseld. Tweebloesem had al verscheidene windingen afgelegd tegen de tijd dat Rinzwind hem inhaalde.

'Wacht nou even,' zei hij zo opgewekt als hij kon. 'Dit soort karwei is meer iets voor lui als Cohen, niets voor jou. Neem me niet kwalijk, hoor.'

'Zou hij er iets van terecht brengen?'

Rinzwind keek op naar het witgloeiende licht dat door het verre gat aan het topje van de trap als een speer omlaagstraalde.

'Nee,' gaf hij toe.

'Dan ben ik toch evenveel waard als hij?' zei Tweebloesem, wapperend met zijn buitgemaakte zwaard.

Rinzwind hinkelde achter hem aan en bleef zo dicht als hij kon bij de muur.

'Je snapt het niet!' schreeuwde hij. 'Er zijn daarboven onvoorstelbare gruwelen!'

'Je zegt toch altijd dat ik geen voorstellingsvermogen heb?'

'Daar heb je gelijk in, ja', gaf Rinzwind toe, 'maar -'

Tweebloesem ging zitten.

'Kijk,' zei hij. 'Al de tijd sinds ik hier belandde zie ik al uit naar zoiets als dit. Ik bedoel, dit is toch pas een avontuur? In je eentje tegen de goden, van die dingen?'

Rinzwind deed een paar tellen lang zijn mond open en dicht voordat hij de juiste woorden wist uit te brengen.

'Kun jij met een zwaard omgaan?' vroeg hij slap.

'Weet ik het. Nog nooit geprobeerd.'

'Je bent stapel!'

Met zijn hoofd schuin keek Tweebloesem hem aan. 'Mooie die het zegt,' zei hij. 'Ik ben hier omdat ik niet beter weet, maar hoe zit dat met jou?' Hij wees naar beneden waar de andere tovenaars de trap op zwoegden. 'En met die daar?'

Blauw licht spiesde door het toreninwendige omlaag. Er rolde een donderslag.

Onder vreselijk gehoest en snakkend naar adem voegden de tovenaars zich bij het tweetal.

'Hoe luidt het plan?' vroeg Rinzwind.

'Er is geen plan,' zei Praad.

'Mooi. Prima,' zei Rinzwind. 'Dan kan ik het verder wel aan jullie overlaten.'

'Jij gaat met ons mee,' zei Heicht.

'Maar ik ben niet eens echt een tovenaar. Jullie hebben me toch eruit gegooid?'

'Ik kan me geen onbekwamere student herinneren', zei de oude tovenaar, 'maar je bent hier nu eenmaal en meer getuigschriften heb je niet nodig. Vooruit dus.'

Het licht laaide op en ging uit. De afschuwelijke geluiden verstilden alsof ze werden gewurgd.

Stilte vulde de toren; zo'n zware, drukkende stilte.

'Het is opgehouden,' zei Tweebloesem.

Er bewoog iets, heel hoog tegen de kring van de rode hemel. Het daalde langzaam neer, het tuimelde om en om en dreef zijdelings af. Een winding hoger kwam het op de trap terecht.

Rinzwind was er het eerst bij.

Het was de Octavo. Maar hij lag daar even slap en levenloos op de stenen als elk ander boek, en de bladen ervan fladderden in het windje dat in de toren omhoog woei.

Tweebloesem kwam Rinzwind achterna gehijgd en ook hij keek omlaag.

'Ze zijn leeg' fluisterde hij. 'Elke bladzij is helemaal leeg.'

'Dan heeft hij het dus gedaan,' zei Praad. 'Hij heeft inderdaad de bezweringen opgezegd. En nog met succes ook. Ik had het niet voor mogelijk gehouden.'

'Er was wel veel lawaai,' zei Rinzwind weifelend. 'En dat licht. Die gedaanten. Ik vond dat niet naar succes klinken.'

'Ach, je trekt bij elk groot toverkarwei nu eenmaal een zekere mate van extradimensionale aandacht,' zei Heicht minachtend. 'Het maakt indruk op de mensen, meer niet.'

'Het zag eruit of er daarboven monsters waren,' zei Tweebloesem die dichter bij Rinzwind kwam staan.

'Monsters? Laat me dan maar eens wat monsters zien!' zei Praad.

Werktuiglijk keken ze omhoog. Geluid was er niet. En er bewoog niets tegen die kring van licht.

'Dan moesten we maar naar boven gaan om hem geluk te wensen,' zei Praad.

'Gelukwensen?' ontplofte Rinzwind. 'En hij heeft de Octavo gestolen! Hij had jullie opgesloten!'

De tovenaars wisselden blikken van verstandhouding uit.

'Ja, ach,' zei een van hen. 'Als je eenmaal wat hebt gepresteerd in dit vak, kereltje, dan kom je er wel achter dat het er soms alleen om gaat of je geslaagd bent.'

'Het gaat er maar om of je er komt,' zei Praad ronduit. 'Niet om hoe je je onderweg verplaatst.'

Ze vervolgden hun wentelende weg.

Rinzwind ging erbij zitten en staarde mismoedig in het donker.

Hij voelde een hand op zijn schouder. Het was Tweebloesem met de Octavo in zijn hand.

'Zo behandel je een boek toch niet,' zei hij. 'Kijk, hij heeft de rug helemaal achterover gevouwen. Dat doen ze nou altijd, ze weten gewoon niet hoe je ermee moet omgaan.'

'Joe,' zei Rinzwind verstrooid.

'Maak je maar geen zorgen,' zei Tweebloesem.

'Ik maak me geen zorgen, ik ben alleen maar kwaad,' bitste Rinzwind. 'Geef hier dat kreng!'

Hij griste het boek weg en zwiepte het ruw open.

Hij scharrelde wat rond in zijn achtergeest, waar de Bezwering uithing.

'Mooi zo,' snauwde hij. 'Uit met de pret, mijn leven heb je verwoest, ga nu maar terug naar waar je hoort!'

'Maar ik -' protesteerde Tweebloesem.

'De Bezwering man, ik bedoel de Bezwering,' zei Rinzwind. 'Vooruit, terug in je bladzij!'

Hij staarde dreigend naar het antieke perkament tot hij er scheel van keek.

'Dan ga ik je opzeggen!' brulde hij en zijn stem echode door de toren omhoog. 'Dan kun je je bij die andere voegen en veel succes er maar mee!'

Hij duwde Tweebloesem het boek weer in de armen en wankelde de trap weer op.

De tovenaars waren intussen al boven en verdwenen uit het gezicht. Rinzwind klom ze achterna.

'Een kereltje ben ik dus?' mopperde hij. 'Terwijl ik toch wat heb gepresteerd in dit vak, hè? Ik wist toch maar even jaren lang rond te lopen met een van de Grote Bezweringen in mijn kop, zonder stapelgek te worden, hè?' Bij de laatste vraag stond hij enige tijd stil. 'Ja, dat wist je dus,' stelde hij zichzelf gerust. 'Je begon niet tegen bomen te praten, zelfs niet toen de bomen tegen jou gingen praten.'

Zijn hoofd dook op in de broeiende lucht bovenaan de toren.

Hij had erop gerekend vuurgeblakerde stenen aan te treffen, kriskras doorkerfd met klauwsporen, of misschien nog wel iets ergers.

In plaats daarvan zag hij de zeven vooraanstaande tovenaars bij Roppaf, die geheel ongedeerd leek te zijn. Hij draaide zich om en lachte Rinzwind beminnelijk toe.

'Ha, Rinzwind. Kom toch bij ons.'

Dat was het dus, dacht Rinzwind. Al dat spektakel voor niets. Misschien ben ik wel echt niet in de wieg gelegd voor tovenaar, misschien -

Hij keek op in de ogen van Roppaf.

Misschien had de Bezwering, door al die jaren doorgebracht in Rinzwinds hoofd, wel wat met zijn ogen gedaan. Misschien had hijzelf, door de tijd die hij was opgetrokken met Tweebloesem die immers alles zag zoals het hoorde te zijn, geleerd om alles te zien zoals het was.

Maar dit was zeker: het moeilijkste dat Rinzwind in zijn leven ooit deed was het aankijken van Roppaf, zonder gelijk tot brakens toe misselijk weg te rennen.

Het leek of de anderen niets hadden gemerkt.

Het leek ook wel of ze erg stil stonden.

Roppaf had geprobeerd de zeven Bezweringen te omvatten met zijn geest, maar die was toen ingestort - en wel hoor, toen hadden de Kerkerdimensies hun gaatje gevonden. Dom dat hij zich had verbeeld dat de Dingen uit een soort scheur in de hemel te voorschijn zouden marcheren, met voelsprieten en tentakels wapperend. Dat was maar ouderwets gedoe, veel te riskant ook. Zelfs naamloze verschrikkingen leerden om met hun tijd mee te gaan. Het enige waarin ze echt naar binnen hoefden te gaan was in een enkel hoofd.

Zijn ogen waren lege gaten.

Inzicht priemde Rinzwinds geest binnen als een mes van ijs. De Kerkerdimensies zouden een peuterspeelzaal zijn vergeleken bij wat de Dingen konden aanrichten in een geordend heelal. De mensen smachtten naar orde, en die zouden ze krijgen ook - de orde van de duimschroef, de onwankelbare wet van rechte lijnen en getallen. Ze zouden nog smeken om hutspot…

Roppaf keek hem maar aan. Iets keek hem maar aan. En nog hadden de anderen niets gemerkt. Zou hij het ook kunnen uitleggen? Roppaf zag er net zo uit als altijd, afgezien van zijn ogen en een lichte glans op zijn vel.

Rinzwind staarde terug, en begreep dat er veel erger dingen zijn dan het Kwaad. Alle demonen van de hel zouden zonder meer je ziel folteren, maar dat was nu juist omdat zielen hun zoveel waard waren; het kwade zou steeds weer proberen om het heelal te stelen, maar het vond het heelal tenminste nog de moeite van het stelen waard. Maar de grauwe wereld achter die lege ogen zou vertrappen en vernietigen zonder zijn slachtoffers zelfs de waardigheid van de haat te gunnen. Hij zou ze niet eens opmerken.

Roppaf stak zijn hand uit.

'De achtste Bezwering,' zei hij. 'Geef op.'

Rinzwind deinsde achteruit.

'Je bent ongehoorzaam, Rinzwind. Ik ben toch je meerdere? Ik ben zelfs gekozen tot opperhoofd van alle Ordes.'

'Is het echt?' vroeg Rinzwind hees. Hij keek naar de andere tovenaars. Ze stonden onbeweeglijk als standbeelden.

'Jazeker,' zei Roppaf minzaam. 'Ik hoefde niet eens aan te dringen. Heel democratisch.'

'Ik had liever de traditie,' zei Rinzwind. 'Dan hadden zelfs de doden een stem.'

'Je gaat me de bezwering vrijwillig overgeven,' zei Roppaf. 'Moet ik je laten zien wat ik anders ga doen? En ten slotte geef je hem toch. Je zult krijsend smeken om de kans hem aan mij te mogen geven.'

Als ergens de grens ligt, dacht Rinzwind, dan hier wel.

'Je zult hem van me moeten afpakken,' zei hij. 'Ik geef hem niet aan je.'

'Ik herinner me je wel,' zei Roppaf. 'Stelde als student niet veel voor, weet ik nog. Je wilde nooit echt op tovenarij vertrouwen, je bleef maar zeggen dat er een betere manier moest zijn om een heelal te laten draaien. Nou, dat maak je dan nog mee. Ik ben wat van plan. Wij kunnen -'

'Niet wij,' zei Rinzwind vastberaden.

'Hier met die Bezwering!'

'Zie maar dat je hem krijgt,' zei Rinzwind achteruit deinzend. 'Volgens mij kun je dat niet.'

'O nee?'

Rinzwind sprong opzij voor het octarijne vuur dat uit Roppafs vingers flitste en een magmaplasje liet opborrelen uit de stenen.

Hij kon voelen hoe de Bezwering in zijn achtergeest zat te loeren. Hij kon de angst ervan voelen.

Hij deed een greep ernaar in de zwijgende grotten van zijn hoofd. Verbijsterd deinsde het toverschepsel achteruit, als een hond die oog in oog komt met een dolgeworden schaap. Hij bleef het volgen, stampvoette kwaad door de afbraakpercelen en probleemwijken van zijn onderbewustzijn tot hij het schepsel aantrof, verscholen achter een stapel onvertoonbaar verklaarde herinneringen. Het brulde hem toe in zwijgende uitdaging, maar Rinzwind wilde er niets van weten.

Gaat dat zo? schreeuwde hij het toe. Als het erop of eronder is ga je je drukken? Ben je soms bang?

Het schepsel zei, wat een onzin, dat geloof je toch niet, ik ben een van de Acht Bezweringen. Maar schreeuwend en wel ging Rinzwind het te lijf. Misschien ja, maar het is nu eenmaal zo dat ik het wel geloof en je kunt maar beter eens goed beseffen van wie dat hoofd is waarin je zit! Daarin kan ik alles geloven wat ik wil!

Rinzwind sprong nog eens opzij toen er alweer een vuurschicht door de broeierige nacht striemde. Roppaf grijnsde en maakte weer een ingewikkelde beweging met zijn handen.

Rinzwind werd gegrepen door een druk. Elke centimeter van zijn vel voelde aan alsof hij als aambeeld werd gebruikt. Hij knikte op zijn knieën in elkaar.

'Er zijn nog veel ergere dingen,' zei Roppaf minzaam. 'Ik kan je het vlees van de botten branden, of je lijf vol met mieren stoppen. Ik heb de macht om -'

'Denk erom, ik heb een zwaard.'

Die stem piepte van de uitdagende lef.

Rinzwind tilde zijn hoofd op. Door een paars waas van pijn zag hij achter Roppaf Tweebloesem staan, die op precies de verkeerde manier een zwaard vasthield.

Roppaf lachte luid en knakte met zijn vingers. Even was zijn aandacht afgeleid.

Rinzwind was kwaad. Hij was kwaad op de Bezwering, op de wereld, op hoe oneerlijk alles verdeeld was, op het feit dat hij de laatste tijd zo weinig geslapen had, op het feit dat hij zijn hoofd niet goed bij elkaar had. Maar hij was vooral kwaad op Roppaf, zoals die daar stond, vol van de toverkracht die Rinzwind ook altijd had gewild maar nooit had bereikt, en hij daar deed er niks nuttigs mee.

Hij nam een sprong, raakte Roppaf met zijn hoofd in de maag en sloeg in vertwijfeling zijn armen om hem heen. Getweeën sulden ze over de stenen zodat Tweebloesem omver werd geduwd.

Roppaf snauwde en grauwde, en had al de eerste lettergreep van een bezwering uitgebracht toen hij door Rinzwinds wild uithalende elleboog in de nek werd getroffen. Een vlaag door elkaar gehutselde toverkracht verschroeide Rinzwinds haar.

Rinzwind vocht zoals hij altijd vocht, onbeholpen en oneerlijk en ontactisch, maar met alle inzet van een wervelwind. De strategie was: voorkomen dat de tegenstander genoeg tijd kreeg om te beseffen dat Rinzwind helemaal niet zo'n goede of sterke vechtjas was, en vaak werkte dat.

Nu werkte het ook, want Roppaf had veel te veel tijd besteed aan het lezen van antieke handschriften en veel te weinig aan gezonde lichaamsbeweging en vitamines. Hij wist nog wel een paar klappen uit te delen, maar Rinzwind was veel te dronken van razernij om daar iets van te merken, en het opperhoofd gebruikte alleen zijn handen waar Rinzwind zich bediende van handen en voeten, benevens zijn tanden.

Hij was eigenlijk aan de winnende hand.

Dat was een hele schok.

De schok werd nog erger toen hij Roppaf, geknield op zijn borst, keer op keer tegen zijn hoofd raakte en zag hoe dat hoofd opeens veranderde. Het vel van het gezicht kronkelde en bibberde als iets dat je ziet in een van hitte trillende verte, en Roppaf sprak.

'Help me!'

Eventjes keken zijn ogen Rinzwind aan met een smekende blik vol angst en pijn. Toen waren het helemaal geen ogen meer, maar dingen uit talloos veel facetjes in een kop die je alleen hoofd kon noemen als je de definitie daarvan tot het uiterste wist te rekken. Tentakels en zaagtandpoten en klauwen werden ontvouwd om Rinzwinds nogal schaarse vlees van zijn lijf te rukken.

Tweebloesem, de toren en de rode lucht, het verdween allemaal. De tijd vertraagde, en stond stil.

Rinzwind beet venijnig in een tentakel die zijn gezicht eraf wilde scheuren. De tentakel strekte zich gepijnigd uit, hij stootte zijn vrijgekomen hand naar voren en voelde hoe die door iets heets en klefs brak.

Zij keken toe. Hij draaide zijn hoofd om en zag dat hij nu aan het vechten was op de vloer van een geweldig amfitheater. Aan beide kanten keken rijen en rijen wezens op hem neer, wezens met lijven en gezichten die gemaakt leken te zijn door het kruisen van nachtmerries. Hij ving ook een glimp op van nog veel ergere dingen achter zich, enorme schimmen die reikten tot in de betrokken hemel, maar toen deed het Roppafmonster een uitval met een geweerhaakte angel zo groot als een speer.

Rinzwind wist hem te ontwijken, zwaaide rond met beide handen gebald tot één vuist en trof het ding in zijn maag, of misschien het borststuk, met een dreun die eindigde in het bevredigend kraken van chitine.

Hij dook naar voren en vocht nu met de moed der doodsangst voor wat er gebeuren zou als hij ophield. De spookachtige arena werd beheerst door het geritsel van de Kerkerwezens, een muur van ritselgeluid die onder het vechten op zijn oren beukte. Hij beeldde zich in hoe dat geluid bezit zou nemen van de Schijf, en hij haalde uit met slagen en slagen tot redding van de wereld der mensen, tot behoud van het vurige lichtkringetje in de duistere nacht van de wanorde, en tot sluiting van de bres waardoor de nachtmerrie aanrukte. Maar hij raakte het wezen vooral ter voorkoming van zelf geraakt worden.

Scharen of klauwen trokken witgloeiende strepen over zijn rug en er beet iets in zijn schouder, maar hij vond een nest weke buisjes tussen alle haren en schubben en kneep daar eens hard in.

Een gestekelde arm met weerhaken maaide hem opzij en hij tolde omver in het stoffige zwarte gruis.

Instinctmatig rolde hij zich tot een bal, maar er gebeurde niets. Hij verwachtte een woedende aanval, maar toen hij zijn ogen opendeed zag hij in plaats daarvan hoe het wezen van hem weghinkte, en hoe er allerlei vloeistoffen uitlekten.

Het was voor het eerst dat er iets voor Rinzwind op de loop ging.

Hij dook er achteraan, wist een schubbig been te grijpen, en rukte. Het schepsel kwetterde iets tegen hem en zwiepte wanhopig met al wat het nog aan bruikbare aanhangsels had, maar Rinzwinds greep liet zich niet afschudden. Hij trok zich overeind en plaatste een laatste voldoening schenkende stomp in het als enige overgebleven oog. Het wezen krijste en zette het op een lopen. En er was nog maar één plek waar het heen kon.

De toren en de rode hemel kwamen terug met de klik van tijd die weer loopt.

Zodra hij de druk van de plavuizen weer onder zijn voeten voelde wierp Rinzwind zijn volle gewicht naar één kant; hij rolde op zijn rug met het panische schepsel op armlengte.

'Nu!' gilde hij.

'Wat nu?' vroeg Tweebloesem. 'O. Ja. Juist!'

Hij zwaaide het zwaard ondeskundig maar met enige kracht; het miste Rinzwind op een centimeter en plofte diep in het Ding. Er klonk een schel gonzen, alsof hij een wespennest had stukgeslagen, en het gewoel van armen en benen en tentakels zweepte gepijnigd in het rond. Het rolde nog een keer om, zweepte gillend op de plavuizen, maar toen zweepte het in het niets want het was over de rand van de trap gerold in een val die ook Rinzwind meesleurde.

Met kleffe klappen stuiterde het nog op een paar van de stenen treden en met een in de diepte wegstervend gekrijs tuimelde het door de toren omlaag.

Ten slotte was er een doffe ontploffing en een flits van octarijn licht.

En daar stond Tweebloesem toen alleen op de toren - dat wil zeggen, alleen, afgezien van de zeven tovenaars die nog aan de grond genageld leken te zijn.

Hij ging verbijsterd zitten toen er zeven vuurbollen uit het zwart stegen en neerploften in de weggeworpen Octavo, die meteen weer de oude leek en opeens ook veel interessanter.

'O jee,' zei hij. 'Dat zullen de Bezweringen wel zijn.'

'Tweebloesem.' Het was een holle, galmende stem die hij nog net als die van Rinzwind herkende.

Tweebloesems hand was al halverwege het boek, maar hij hield in.

'Ja?' zei hij. 'Ben jij - ben jij dat, Rinzwind?'

'Ja,' zei de stem met de galmende klank van het graf. 'En ik wil dat je iets heel belangrijks voor me doet, Tweebloesem.'

Tweebloesem keek om zich heen. Hij vermande zich. Het lot van de Schijf zou dus toch nog van hem afhangen.

'Ik sta klaar,' zei hij met een stem die trilde van trots. 'Wat wil je dat ik doe?'

'Ten eerste wil ik dat je heel goed luistert,' zei Rinzwinds ontlijfde stem geduldig.

'Ik luister.'

'Het is van groot belang dat je niet 'Wat bedoel je?' zegt als ik je vertel wat je doen moet, en dat je niet tegenspreekt of zoiets, begrijp je dat?'

Tweebloesem stond aandachtig in de houding. Tenminste, zijn geest stond in de houding, zijn lijf kon dat echt niet. Hij stak enkele van zijn kinnen naar voren.

'Ik sta klaar,' zei hij.

'Mooi. Wel, wat ik wil dat je doet is -'

'Ja?'

Rinzwinds stem welde op uit de diepten van het trapgat.

'Ik wil dat je me omhoog komt helpen voor ik alle houvast op deze stenen rand kwijtraak,' zei de stem.

Tweebloesem deed zijn mond al open, maar sloot hem weer gauw. Hij holde naar het vierkante gat en tuurde omlaag. In het rossige licht van de ster kon hij nog net Rinzwinds ogen onderscheiden die hem aankeken.

Tweebloesem ging op zijn buik liggen en stak een hand uit. Rinzwinds hand greep hem bij de pols met het soort greep waaruit Tweebloesem kon opmaken dat als hij, Rinzwind, niet vlug werd opgetrokken, die greep met geen mogelijkheid ooit meer zou loslaten.

'Ik ben blij dat je nog leeft,' zei hij.

'Mooi. Ik ook,' zei Rinzwind.

Hij hing nog wat te hangen in het duister. Gezien de laatste paar minuten was het bijna aangenaam, maar niet meer dan bijna.

'Trek me dan maar op,' gaf hij een wenk.

'Ik denk dat dat zo'n beetje moeilijk kan worden,' gromde Tweebloesem. 'Ik geloof eigenlijk niet dat ik dat kan, om je de waarheid te zeggen.'

'Waar hou je je dan nu aan vast?'

'Aan jou.'

'Ik bedoel afgezien van mij.'

'Hoe bedoel je, afgezien van jou?' vroeg Tweebloesem.

Rinzwind sprak een woord.

'Zeg, hoor eens,' zei Tweebloesem. 'De trap wentelt toch rond als een schroef? Als je nou eens zo'n beetje zwaaide en dan los liet -'

'Als je wilt voorstellen dat ik een val van zes meter probeer door een pikdonkere toren in de hoop een paar vettige traptreetjes te raken, die er misschien niet eens meer zijn, vergeet het dan maar,' zei Rinzwind scherp.

'Dan is er nog een alternatief.'

'Voor de dag ermee, man.'

'Probeer eens een val van honderdvijftig meter door een pikdonkere toren in de zekerheid van de stenen bodem te raken,' zei Tweebloesem.

Van onder hem kwam nu doodse stilte. Toen zei Rinzwind vol verwijt: 'Dat was sarcastisch.'

'Ik dacht dat ik gewoon zei hoe het er voorstond.'

Rinzwind gromde wat.

'Ik neem aan dat je niks met toverij zou kunnen -' begon Tweebloesem.

'Nee.'

'Het was maar een idee.'

Van helemaal in de diepte kwam een lichtflits, verward geschreeuw, toen nog meer lichtjes, meer geschreeuw ook, en een rij fakkels begon de lange wenteltrap te bestijgen.

'Er komt een stel mensen de trap op,' zei Tweebloesem, als altijd graag bereid tot leerrijke uitspraken.

'Ik hoop dat ze hollen,' zei Rinzwind. 'Ik voel mijn arm niet meer.'

'Heb jij even geluk,' zei Tweebloesem. 'Ik mijne nog wel.'

De voorste fakkel onderbrak zijn geklim en er schalde een stem die de holle toren vulde met niet te ontcijferen gegalm.

'Ik vermoed', zei Tweebloesem die in de gaten had dat hij langzamerhand meer het gat in gleed, 'dat daar iemand riep dat we moesten volhouden.'

Alweer sprak Rinzwind een woord.

Toen zei hij, zachter maar ook dringender: 'Ik geloof eigenlijk niet dat ik het nog langer houd.'

'Doe je best.'

'Het lukt niet, ik voel dat mijn hand losglijdt!'

Tweebloesem slaakte een zucht. Het werd tijd voor drastische maatregelen. 'Laat maar, dan,' zei hij. 'Laat je dan maar vallen. Kan mij wat schelen.'

'Watte?' zei Rinzwind, zo verbijsterd dat hij vergat los te laten.

'Toe dan, ga dan dood. Neem de makkelijkste uitweg maar.'

'Makkelijk?'

'Je hoeft alleen maar krijsend door de lucht te keilen en alle botten in je lijf te breken,' zei Tweebloesem. 'Kan iedereen toch. Toe dan. Mij hoor je niet zeggen dat je eigenlijk moet blijven leven omdat we je nog nodig hebben voor het opzeggen van de Bezweringen en het redden van de Schijf. O nee. Wie kan het wat schelen als we allemaal verbranden? Toe dan, denk toch alleen aan jezelf. Laat je maar vallen.'

Er viel een lange, pijnlijke stilte.

'Ik weet niet hoe het komt', zei Rinzwind ten slotte, iets luider dan nodig was, 'maar sinds ik met jou kennismaakte lijk ik wel steeds een heleboel tijd door te brengen met aan mijn vingers hangen, in dodelijke vrees boven wisse afgronden; merk je dat ook?'

'Andersom nu,' verbeterde Tweebloesem.

'Wat andersom?' vroeg Rinzwind.

'Wisse dood en vreselijke afgronden,' zei Tweebloesem behulpzaam en hij probeerde niet te denken aan de trage maar gestage glijtocht van zijn lijf over de plavuizen. 'Je hangt boven een wisse dood in een vreselijke afgrond. En dat met jouw hoogtevrees.'

'Hoogte vind ik zo erg niet,' zei Rinzwinds stem uit het donker. 'Met hoogte valt wel te leven. Het is meer de diepte die momenteel mijn aandacht opeist. Weet je wat ik ga doen als we hieruit komen?'

'Nee?' zei Tweebloesem; hij wist zijn tenen in een spleetje tussen twee plavuizen te wurmen en probeerde zich met louter wilskracht onbeweeglijk te houden.

'Ik ga een huis bouwen in het vlakste land dat ik kan vinden, en er komt alleen een benedenverdieping in en ik ga zelfs geen sandalen met dikke zolen dragen -'

De voorste fakkel kwam de laatste bocht van de wenteltrap om en Tweebloesem keek omlaag in het grijnzende gezicht van Cohen. Daarachter kon hij de omvangrijke en geruststellende gedaante van de Bagage ontwaren, die nog altijd moeizaam huppend de treden beklom.

'Alles in orde hier?' vroeg Cohen. 'Kan ik nog iets doen?'

Rinzwind haalde diep adem.

Tweebloesem herkende de verschijnselen. Rinzwind stond op het punt om dingen te zeggen als 'Ja, ik heb een kriebeltje daar achterin mijn nek, zou je dat nu je toch in de buurt bent misschien even willen krabben?' of 'Nee hoor, ik ben gek op het hangen boven bodemloze diepten' en Tweebloesem besloot dat hij dat nu niet kon hebben. Gauw nam hij het woord.

'Trek Rinzwind naar je toe op de traptreden,' blafte hij. Rinzwinds snauw bleef ontwapend in zijn keelgat hangen.

Cohen greep hem om zijn middel vast en rukte hem zonder plichtplegingen op de traptreden.

'Vieze bende daar beneden op de vloer,' zei hij terloops. 'Wie was dat?'

'Zaten er -' Rinzwind slikte, 'zaten er soms nog - je weet wel - tentakels en zo aan?'

'Nee,' zei Cohen. 'Alleen de gewone dingetjes. Wel wat uitgesmeerd, natuurlijk. Wie was het?'

Rinzwind keek naar Tweebloesem, maar die schudde zijn hoofd.

'Gewoon een tovenaar die het allemaal wat teveel werd,' zei hij.

Onvast en met armen die tegen hem gilden liet Rinzwind zich weer het dak van de toren op helpen.

'Hoe ben jij hier gekomen?' voegde hij eraan toe.

Cohen wees naar de Bagage, die intussen naar Tweebloesem was gedribbeld en nu zijn klep opendeed als een hondje dat weet dat hij stout geweest is en hoopt dat een snel vertoon van aanhankelijkheid de opgerolde krant van het gezag kan afwenden.

'Hobbelig maar snel,' zei hij vol bewondering. 'Ik kan je wel zeggen, niemand probeert je tegen te houden.'

Rinzwind keek omhoog naar de lucht. Die zat inderdaad vol manen, ronde knoerten vol kraters, intussen tienmaal zo groot als het kleine satellietje van de Schijf. Hij keek er zonder veel belangstelling naar. Hij voelde zich uitgeblust en tot op de draad versleten, zo gaar als een honderdjarige sok.

Hij ontdekte dat Tweebloesem probeerde zijn plaatjesdoos op te stellen.

Cohen keek intussen naar de zeven leidinggevende tovenaars.

'Rare plek om standbeelden neer te zetten,' zei hij. 'Niemand kan ze hier zien. Bovendien, volgens mij stellen ze niet veel voor. Zwak werk, hoor.'

Rinzwind wankelde erheen en klopte voorzichtig op de borst van Praad. Hij was van massief gesteente.

Dat was het dan, dacht hij. Ik wil alleen nog maar naar huis.

Wacht even, ik ben thuis. Min of meer. Dan wil ik gewoon eens goed slapen, en morgenochtend is het dan misschien allemaal over.

Zijn blik viel op de Octavo, die contouren had gekregen van kleine flitsjes octarijn vuur. O ja, dacht hij.

Hij raapte hem op en bladerde hem afwezig door. De bladzijden zaten boordevol ingewikkeld en kronkelend gekrabbel dat onder zijn ogen veranderde en nieuwe vormen kreeg. Het leek of het boek erover twijfelde wat het moest zijn; het ene ogenblik was het een ordentelijk, zakelijk drukwerk; het volgende een verzameling hoekige runen. Dan zat het weer vol met krullerig Kissisch Bezweerschrift. En dan weer met pictogrammen van een antieke, boosaardige en vergeten schrijfwijze, die uitsluitend leken te bestaan uit akelige reptilische wezens die elkaar ingewikkelde en pijnlijke dingen aandeden…

De laatste bladzij was leeg. Rinzwind zuchtte en keek achterin zijn geest. De Bezwering loerde terug.

Van dit moment had hij gedroomd, hoe hij uiteindelijk de Bezwering eruit zou zetten om vrij zijn eigen ongemeubileerde hoofd te aanvaarden, en om al die mindere bezwerinkjes te leren die tot heden te bang waren om in zijn geest te verblijven. Om een of andere reden had hij het zich veel spannender voorgesteld.

In plaats daarvan staarde hij, finaal uitgeput en niet in de stemming voor tegenspraak, kil de Bezwering aan en hij wees met een figuurlijke duim over zijn schouder.

Jij daar. Deruit.

Het zag er even naar uit dat de Bezwering nog iets wilde tegenwerpen, maar hij was zo wijs om daarvan af te zien.

Rinzwind kreeg een tintelende gewaarwording, zag een blauwe flits achter zijn ogen, en had ineens een leeg gevoel.

Toen hij weer op de bladzij keek stond die vol met woorden. Het ging weer om runen. Daar was hij blij om, want die reptilische plaatjes waren niet alleen onzegbaar stuitend maar waarschijnlijk ook ontzaglijk onuitspreekbaar en deden hem denken aan dingen die erg moeilijk zouden zijn om te vergeten.

Hij keek beteuterd naar het boek, terwijl Tweebloesem onbewaakt rondscharrelde en Cohen vergeefs probeerde de ringen van de versteende tovenaars los te wrikken.

Hij moest iets doen, hield hij zichzelf voor. Wat was het ook weer?

Hij sloeg het boek bij de eerste bladzijde open en begon te lezen, zijn lippen bewogen en met zijn wijsvinger ging hij de omtrek van elk teken langs. Zodra hij een woord uitmompelde verscheen het geluidloos naast hem in de lucht, in heldere kleuren die op de nachtwind wegslierden.

Hij sloeg de bladzij om.

Er kwamen nu ook andere mensen de trap op - sterrenlui, burgerlieden, zelfs een paar lijfwachten van de Patriciër. Enkele sterrenlui deden nog een niet al te overtuigde poging om Rinzwind te naderen, die nu werd omringd door een regenboogsluier van tekens en totaal geen acht op hen sloeg, maar Cohen trok zijn zwaard en keek ze even nonchalant aan, zodat ze er maar van afzagen.

Vanuit Rinzwinds gebogen gestalte begon zich een stilte uit te breiden als een rimpeling in een plas. De stilte stortte als een waterval over de torenrand en stroomde uit over het woelend gepeupel beneden, golfde over de muren, gutste duister de stad door en overspoelde het omliggende land.

De ster hing reusachtig en dreigend boven de Schijf. Er omheen wentelden de nieuwe manen traag en geluidloos langs de hemel.

Het enige geluid was het schorre gefluister van Rinzwind die bladzij na bladzij omsloeg.

'O wat is dit spannend!' zei Tweebloesem. Cohen rolde net een sigaretje uit de ingeteerde resten van de voorgangers en keek hem onnozel aan, met het vloeitje halverwege zijn lippen.

'Wat is er zo spannend?' vroeg hij.

'Al dat getover!'

'Het zijn alleen maar lichteffecten,' zei Cohen kritisch. 'Hij heeft niet eens duiven uit zijn mouwen getoverd.'

'Ja, maar voel je dan helemaal niets van het occulte potentieel?' vroeg Tweebloesem.

Cohen haalde ergens uit zijn tabakszak een grote gele lucifer voor de dag, keek even naar Praad en streek toen met veel aplomb de lucifer aan langs diens neus.

'Kijk,' zei hij tegen Tweebloesem. 'Wat verwacht je nu helemaal? Ik draai al heel wat jaartjes mee, ik heb die hele tover-hocus-pocus al eens gezien, en ik kan je wel zeggen: als je er telkens je bek bij open laat zakken, dan geven ze je er een klap op. Trouwens, tovenaars gaan net zo dood als een ander wanneer je ze steekt met -'

Er klonk een luide klap toen Rinzwind het boek dichtsloeg. Hij ging rechtop staan en keek om zich heen.

Wat er toen gebeurde was dit:

Niets.

Het duurde even voor het tot iedereen doordrong. Instinctmatig waren ze allemaal in elkaar gedoken, bedacht op een ontploffing van verblindend licht of een glinsterende vuurbol of, in het geval van Cohen die niet zulke hooggestemde verwachtingen had, een paar witte duifjes, mogelijk met nog wat verkreukelde konijntjes.

Het was niet eens een interessant soort niets. Het komt voor dat een gebeurtenis het laat afweten op een tamelijk indrukwekkende manier, maar zover het zulke gebeurtenieten aangaat was deze volstrekt ondermaats.

'Dat was het?' vroeg Cohen. Uit de menigte steeg een algemeen gemompel op en verscheidene sterrenlui begonnen al kwaad naar Rinzwind te kijken.

De tovenaar keek Cohen met waterige oogjes aan.

'Dat dacht ik wel,' zei hij.

'Maar er is niks gebeurd.'

Rinzwind keek beteuterd naar de Octavo.

'Misschien is de uitwerking heel subtiel?' opperde hij hoopvol. 'We weten immers niet wat er hoort te gebeuren.'

'Dachten we het niet!' schreeuwde een van de sterrenlui. 'Toverij doet het niet! Het is allemaal inbeelding!'

Met een boog kwam er over het dak een steen aangekeild en Rinzwind werd geraakt aan zijn schouder.

'Jaaa!' riep een ander sterrenpersoon. 'Pak hem beet!'

'Laten we hem van de toren gooien!'

'Jaaa! Laten we hem beetpakken en van de toren gooien!'

De menigte golfde naar voren. Tweebloesem stak een hand op.

'Hier is vast sprake van een klein misverstand -' begon hij en zijn benen werden onder hem vandaan geschopt.

'Daar heb je het gelazer,' zei Cohen; hij liet zijn peukje vallen en trapte het uit onder zijn sandaal. Hij trok zijn zwaard en zocht om zich heen naar de Bagage.

Die was Tweebloesem niet te hulp gesneld. De kist had zich opgesteld voor Rinzwind, die de Octavo als een warme kruik aan zijn borst hield geklemd en in wilde paniek om zich heen keek.

Een sterrenkerel deed een uitval naar hem. Dreigend verhief de Bagage zijn deksel.

'Ik weet waarom het niet werkte,' zei een stem achter uit de menigte. Het was Betta.

'O ja?' zei de naastbijzijnde burgerman. 'En waarom zouden we naar jou luisteren?'

Minder dan een tel later zat Cohens zwaard tegen zijn nek gedrukt.

'Bij nader inzien', zei de man uitgestreken, 'zouden we misschien enige aandacht kunnen schenken aan wat deze jongedame te berde wil brengen.'

Terwijl Cohen zich met het zwaard in de aanslag langzaam omdraaide liep Betta naar voren om te wijzen naar de wervelende vormen van de bezweringen, die nog steeds om Rinzwind heen in de lucht hingen.

'Die daar kan niet kloppen,' zei ze met een vinger gericht op een vuilbruine veeg tussen de kloppende, helgekleurde flitsen. 'Je hebt gewoon een woord verkeerd uitgesproken. Laat eens zien.'

Zwijgend drukte Rinzwind haar de Octavo in de hand.

Ze deed hem open en tuurde naar de bladzijden.

'Wat een raar schrift,' zei ze. 'Het verandert steeds weer. Wat doet dat krokodilding daar met die inktvis?'

Rinzwind gluurde over haar schouder en vertelde het haar. Ze zweeg een ogenblik.

'O,' zei ze toonloos. 'Ik wist niet dat krokodillen dat konden.'

'Het is maar een antiek soort plaatjesschrift,' zei Rinzwind haastig. 'Als je even wacht verandert het wel. De Bezweringen kunnen zich in elke bekende schriftsoort vertonen.'

'Kun je je nog herinneren wat je zei toen die verkeerde kleur verscheen?'

Rinzwind liep met zijn vinger de bladzij over.

'Hier, dacht ik. Waar die tweekoppige hagedis bezig is met - waar hij dan ook mee bezig is.'

Tweebloesem dook op bij haar andere schouder. De Bezwering vloeide over in een ander schrift.

'Ik kan het niet eens uitspreken,' zei Betta. 'Krulletje, krulletje, puntje, streep.'

'Dat is Quppuqumuit, geschreven in sneeuwrunen,' zei Rinzwind. 'Moest je dat niet uitspreken als “zvv”?'

Ze keken naar het woord. Het behield zijn onverbiddelijke miskleur.

'Of “zff” dan?' opperde Betta.

'Kon ook “svv” zijn,' weifelde Rinzwind. De kleur kreeg hooguit een nog viezere tint bruin.

'Wat zou je van “sff” denken?' vroeg Tweebloesem.

'Doe niet zo mal,' zei Rinzwind. 'Bij sneeuwrunen moet je de -'

Betta porde haar elleboog in zijn maag en wees.

De eertijds bruine veeg in de lucht was nu felrood.

Het boek trilde in haar handen. Rinzwind greep haar om haar middel, pakte Tweebloesem bij zijn kraag en sprong achteruit.

Betta verloor haar houvast op de Octavo en het boek tuimelde op de vloer. Maar haalde die niet.

 

-~oOo~-

 

De lucht rondom de Octavo gloeide. Het boek steeg langzaam op en de bladen klapten als vleugels op en neer.

Toen klonk er een klaaglijk en lieflijk getokkel en het boek leek te ontploffen tot een ingewikkelde zwijgende bloem van licht die derwaarts ijlde, vervaagde en verdween.

Maar veel hoger in de hemel speelde zich nog iets af…

 

-~oOo~-

 

Onderin de geologische diepten van Grote A'Tuins geweldige brein stortten zich nieuwe gedachten langs zenuwpaden als zesbaanswegen. Het was voor een hemelschildpad niet weggelegd om van gezichtsuitdrukking te veranderen, maar op een ondefinieerbare manier zag zijn schubbige, kraterpokdalige kop er nu nogal verwachtingsvol uit.

Star staarde hij naar de acht bollen in hun eindeloze baan om de ster, bij het strand aan de oevers van het wereldruim.

In de bollen verschenen barsten.

Enorme rotsbrokken braken los en begonnen aan een lange spiraalval omlaag naar de ster. De hemel raakte vol met glinsterende scherven.

Uit het puin van een van de holle schalen peddelde een heel klein hemelschildpadje het rode licht in. Het was nauwelijks groter dan een planetoïde, met een rugschild dat nog nat was van de gesmolten dooier.

Er zaten ook vier wereldolifantkalfjes op. En op hun rug lag een schijfwereldje, nog heel klein, overdekt met rook en vulkaantjes.

De Grote A'Tuin wachtte tot alle acht babyschildpadjes zich uit hun eierschaal hadden bevrijd en onthutst hingen te ruimtetrappen. Toen wendde de oude schildpad behoedzaam, om vooral geen schrik aan te jagen, de kop en begon hij met kennelijke opluchting aan de lange uitzwemmerij naar de gezegend koele, bodemloze diepten van de open ruimte.

De jonge schildpadjes zwommen mee, in een baan om hun ouderlijke beschermer.

 

-~oOo~-

 

In vervoering staarde Tweebloesem naar het schouwspel daarboven. Waarschijnlijk had hij hier het beste uitzicht van iedereen op de Schijf.

Toen kwam er een vreselijke gedachte bij hem op.

'Waar is de plaatjesdoos?' vroeg hij dringend.

'Hè?' vroeg Rinzwind met zijn ogen strak naar de hemel.

'De plaatjesdoos,' zei Tweebloesem. 'Ik moet hier een plaatje van maken!'

'Kun je het niet gewoon onthouden?' vroeg Betta zonder hem aan te kijken.

'Misschien vergeet ik het weer.'

'Ik zal het nooit vergeten,' zei ze. 'Het is het mooiste wat ik ooit heb gezien.'

'Veel beter dan duifjes en biljartballen,' viel Cohen bij. 'Dat moet ik je nageven, Rinzwind. Hoe doe je dat?'

'Kweenie,' zei Rinzwind.

'De ster wordt kleiner,' zei Betta.

Het drong vaag tot Rinzwind door dat Tweebloesems stem ruziede met het duveltje dat in de doos woonde en daar de plaatjes schilderde. Het was nogal een technische discussie over scherptediepte en of het duveltje nu wel of niet genoeg rode verf over had.

Er zij hier opgemerkt dat A'Tuin de Grote momenteel heel tevreden en in zijn nopjes was, en in een brein ter grootte van verscheidene steden moeten zulke gevoelens wel een neiging hebben tot uitstraling. Het kwam erop neer dat de meeste lieden op de Schijf momenteel verkeerden in een geestestoestand die men doorgaans alleen bereikt na levenslange toewijding aan meditatie, of zowat dertig tellen onwettig kruidengebruik.

Tweebloesem is weer de oude, dacht Rinzwind. Niet dat hij geen schoonheid kan waarderen, hij doet dat alleen op een wel heel eigen manier. Ik bedoel, als een dichter een roos ziet, kijkt hij er langdurig naar en dan schrijft hij er een lang gedicht over, maar Tweebloesem drentelt heen op zoek naar een boek over plantkunde. Onderweg trapt hij erop. Wat Cohen zegt klopt. Hij kijkt alleen maar naar dingen, maar geen ding waar hij naar keek is ooit meer hetzelfde. Mijzelf incluis, vermoed ik.

De eigen zon van de Schijf kwam op. De ster was al sterk geslonken en dus niet meer zo'n concurrent. Het oude vertrouwde schijflicht vloeide over het verrukte landschap als een gouden zee.

Of, zoals meer betrouwbare waarnemers doorgaans melden, als frietsaus.

 

-~oOo~-

 

Dit is een fraai dramatisch slot, maar zo gaat het niet in het leven en er stonden nog andere dingen te gebeuren.

Daar had je bijvoorbeeld de Octavo.

Zodra het zonlicht erop viel sloeg het boek dicht en het begon weer naar de toren te vallen. En menig waarnemer besefte dat wat daar naar hen toe viel het volstrekt toverkrachtigste voorwerp van de hele Schijfwereld was.

Het gevoel van zalige broederschap vervluchtigde met de morgendauw. Ellebogen drongen Rinzwind en Tweebloesem aan de kant toen het gepeupel weer oprukte, met graaiende armen worstelend in een poging om over elkaar heen te klimmen.

De Octavo kwam in het midden van dit schreeuwende gewoel terecht. Er klonk een luide klap. Een besliste klap, van het soort dat een klep maakt die niet van plan is spoedig weer open te gaan.

Rinzwind gluurde tussen iemands benen door naar Tweebloesem.

'Weet jij wat ik denk dat er gaat gebeuren?' vroeg hij met een grijns.

'Wat dan?'

'Ik denk dat als je de Bagage opendoet er alleen maar je schone wasgoed in te zien zal zijn, dat denk ik.'

'O jee.'

'Ik denk dat de Octavo wel op zichzelf weet te passen. De beste plek ervoor, eigenlijk.'

'Ja, dat zal wel. Weet je, soms krijg ik het gevoel dat de Bagage precies weet wat hij doet.'

'Ik weet wat je bedoelt.'

Ze kropen naar de rand van de kolkende massa, gingen staan, klopten zich af en zetten koers naar de trap. Niemand lette op hen.

'Wat zijn ze nu aan het doen?' vroeg Tweebloesem die over de hoofden van het gedrang probeerde te kijken.

'Het lijkt wel alsof ze proberen hem open te wrikken,' zei Rinzwind.

Er klonk een klap en een gil.

'Ik geloof dat de Bagage nogal van die aandacht geniet,' zei Tweebloesem terwijl ze voorzichtig aan hun afdaling begonnen.

'Ja, het zal wel goed voor hem zijn om eens onder de mensen te komen', zei Rinzwind, 'en ik geloof dat het nu wel goed voor mij zou zijn om eens wat drankjes te bestellen.'

'Goed idee,' zei Tweebloesem. 'Dan neem ik ook wat te drinken.'

 

-~oOo~-

 

Het was al haast middag toen Tweebloesem wakker werd. Hij wist niet meer waarom hij op een hooizolder lag, of waarom hij de jas van iemand anders aanhad, maar hij ontwaakte met één bepaald idee helemaal voorin zijn geest.

Het was, besloot hij, van het grootste belang dat Rinzwind er meteen van hoorde.

Hij liet zich uit het hooi vallen en kwam op de Bagage terecht.

'O, zit jij dus hier?' zei hij. 'Ik hoop maar dat je je schaamt.'

De Bagage keek hem verbijsterd aan.

'In elk geval wil ik mijn haar kammen. Ga open,' zei Tweebloesem.

Gewillig klapte de Bagage zijn deksel op. Tweebloesem rommelde wat rond tussen de zakken en dozen daarbinnen tot hij een kam en een spiegel vond, en daarmee herstelde hij wat van de schade van de afgelopen nacht. Toen keek hij de Bagage streng aan.

'Je zult me wel niet willen vertellen wat je met de Octavo hebt gedaan?'

De kist, zo moest men het wel beschrijven, liet zich niet kisten.

'Goed dan. Kom maar mee.'

Tweebloesem stapte in de zonneschijn, die naar zijn huidige smaak iets te fel was, en hij drentelde doelloos de straat op. Alles leek fris en nieuw, zelfs de geuren, maar er leken nog niet veel mensen op te zijn. Het was een lange nacht geweest.

Hij trof Rinzwind aan onder de voet van de Toren der Kunsten, waar hij toezicht hield op een ploeg werklui die op het dak een soort takelstellage hadden gebouwd, waarmee ze de stenen tovenaars naar de grond lieten zakken. Het leek wel of hij werd bijgestaan door een aap, maar Tweebloesem was niet in de stemming om nog ergens verbaasd over te zijn.

'Zullen ze nog weer teruggetoverd kunnen worden?' vroeg hij.

Rinzwind keek om. 'Hè? O, ben jij het. Nee, dat zal wel niet. Die arme ouwe Praad hebben ze trouwens helaas laten vallen. Van wel honderdvijftig meter hoog op de keien.'

'Kun je daar dan nog iets aan doen?'

'Een aardig grindperkje ervan maken.' Rinzwind draaide zich om en zwaaide naar de werklieden.

'Je bent erg opgewekt,' zei Tweebloesem met licht verwijt. 'Ben je niet naar bed geweest?'

'Gek eigenlijk, ik kon niet slapen,' zei Rinzwind. 'Ik ging naar buiten om een luchtje te scheppen en daar leek niemand enig idee te hebben van wat er moest worden gedaan, dus heb ik zo'n beetje wat lui opgetrommeld', hij wees naar de bibliothecaris, die hem een handje probeerde te geven, 'en begon ik het een en ander te regelen. Mooi weer, hè? Luchtje als kristal.'

'Rinzwind, ik heb besloten om -'

'Zeg weet je, ik denk erover me weer in te schrijven,' zei Rinzwind opgewekt. 'Ik zou er dit keer, denk ik, echt tegenaan willen gaan. Ik zie mezelf echt mijn tanden in de toverij zetten en echt goed afstuderen. Ze zeggen altijd dat als je het summa cum laude doet, er een luizig leventje -'

'Mooi, want -'

'Plaats genoeg ook aan de top, nu al die grote jongens bezet zijn met hun tuinbeeldenbaantjes, en -'

'Ik ga naar huis.'

'- en een snelle jongen met wat wereldervaring zou - Watte?'

'Oeoek?'

'Ik zei ik ga naar huis,' herhaalde Tweebloesem, onder beleefde pogingen om de bibliothecaris van zich af te schudden, want die probeerde hem telkens te vlooien.

'Welk huis?' vroeg Rinzwind verbluft.

'Mijn huis thuis. Waar ik woon,' legde Tweebloesem schaapachtig uit. 'Overzee. Je weet wel. Waar ik vandaan kom. Wil je daar alsjeblieft mee ophouden?'

'O.'

'Oeoek?'

Men zweeg. Toen zei Tweebloesem: 'Want zie je, het kwam gisteravond bij me op, ik dacht, nou, het ligt zo, al dat gereis en dat gekijk naar alles is wel mooi, maar je kunt ook erg veel plezier hebben van er geweest zijn. Weet je wel, al je plaatjes in een boek plakken en aan alles terugdenken.'

'Is het heus?'

'Oeoek?'

'Nou en of. Waar het bij het hebben van zoveel herinneringen op aankomt, is zorgen dat je ze achteraf ergens kunt gaan herinneren, snap je wel? Je moet dus ophouden. Je bent eigenlijk nergens echt geweest tot je weer thuis bent. Ik geloof dat ik dat bedoel.'

Rinzwind draaide deze zinnen nog een keer af in zijn geest. De tweede keer leken ze er niet beter op geworden.

'O,' zei hij nog eens. 'Nou, prima. Als je het zo bekijkt. Wanneer ga je dan weg?'

'Vandaag, dacht ik. Er vertrekt vast wel een schip dat een eind die kant op moet.'

'Dat zal wel,' zei Rinzwind onbeholpen. Hij keek naar zijn voeten. Hij keek naar de lucht. Hij schraapte zijn keel.

'Wij tweeën hebben nogal het een en ander beleefd, hè?' zei Tweebloesem met een por in Rinzwinds ribben.

'Nou zeg,' zei Rinzwind met zijn gezicht tot een soort grijns vertrokken.

'Je bent toch niet van streek?'

'Wie, ik?' zei Rinzwind. 'Tjeetje, nee. Honderd-en-een dingen te doen.'

'Dan is het in orde. Hoor eens. Laten we gaan ontbijten en dan kunnen we naar de haven.'

Rinzwind knikte mismoedig, wendde zich tot zijn assistent en haalde een banaan uit zijn zak.

'Je kent het klappen van de zweep nu, dus neem jij het maar even over,' mompelde hij.

'Oeoek.'

 

-~oOo~-

 

Nu was er eigenlijk geen enkel schip met een bestemming in de buurt van het Agatese Rijk, maar dat was maar een theoretisch probleem, want Tweebloesem telde gewoon net zo lang goudstukken uit in de hand van de eerste de beste kapitein met een zo goed als schoon schip, tot de betreffende er ineens het nut van inzag om zijn plannen te wijzigen.

Rinzwind wachtte op de kade tot Tweebloesem eindelijk de zeelui zowat het veertigvoudige had uitbetaald van wat het schip waard was.

'Dat is dan geregeld,' zei Tweebloesem. 'Hij zet me af op de Bruine Eilanden en vandaar kan ik met gemak een schip vinden.'

'Prachtig,' zei Rinzwind.

Tweebloesem trok even een peinzend gezicht. Toen deed hij de Bagage open en hij haalde er een zak vol goud uit.

'Heb jij Cohen en Betta nog ergens gezien?' vroeg hij.

'Ik geloof dat ze ergens gingen trouwen,' zei Rinzwind. 'Ik hoorde Betta zeggen dat het nu of nooit was.'

'Nou, als je ze ziet, geef ze dan dit maar,' zei Tweebloesem en hij reikte hem de zak aan. 'Ik weet dat het duur is, voor het eerst een huishouding opzetten.'

Tweebloesem had de gapende kloof van de wisselkoers nooit helemaal onder de knie gekregen. Met deze zak kon Cohen met gemak een koninkrijkje beginnen.

'Ik draag het bij de eerste de beste gelegenheid over,' zei Rinzwind die tot zijn verrassing besefte dat hij het nog meende ook.

'Mooi. Ik heb ook nagedacht over iets om aan jou te geven.'

'Ach, dat is toch helemaal niet -'

Tweebloesem snuffelde wat in de Bagage en haalde er een grote zak uit. Hij begon die vol te stoppen met kleren en geld en de plaatjesdoos tot de Bagage op het laatst helemaal leeg was. Het laatste wat hij in de zak deed was zijn sigaretten/muziekdoos-souvenir met het schelpjesbezette dekseltje, zorgvuldig gewikkeld in zacht papier.

'Nu is hij van jou,' zei hij toen hij de klep dichtsloeg. 'Ik zal hem niet echt meer nodig hebben, en thuis past hij toch niet in mijn kast.'

'Hè?'

'Wil je hem soms niet?'

'Nou, ik - natuurlijk wel, maar - hij is van jou. Hij loopt achter jou aan, niet achter mij.'

'Bagage', zei Tweebloesem, 'dit is Rinzwind. Je bent van hem, afgesproken?'

De Bagage stak langzaam zijn beentjes uit, draaide zich doelbewust om en keek Rinzwind aan.

'Eigenlijk geloof ik dat hij van niemand anders is dan van zichzelf,' zei Tweebloesem.

'Ja,' zei Rinzwind weifelend.

'Nou, dat is het dan zowat,' zei Tweebloesem. Hij stak zijn hand uit.

'Vaarwel, Rinzwind. Ik stuur wel een ansicht als ik thuis ben. Of zoiets.'

'Ja. En kom je nog eens in de buurt, er is hier vast wel iemand die dan weet waar ik uithang.'

'Ja. Nou. Dat was het dan.'

'Juist ja. Zo is het.'

'Juistem.'

'Krek.'

Tweebloesem liep de loopplank op en de ongeduldige bemanning haalde die meteen binnenboord.

De roeierstrommel begon te bonzen en het schip werd traag voortgestuwd over de troebele wateren van de Ankh, die weer op hun oude peil waren; het vaartuig raakte in het aflopend tij en wendde de steven naar open zee.

Rinzwind keek het na tot het een stipje was. Toen keek hij omlaag naar de Bagage. Die keek gewoon terug.

'Hoor eens,' zei hij. 'Hoepel op. Ik geef je aan jezelf, snap je?'

Hij draaide de kist de rug toe en beende weg. Na een paar tellen meende hij het getrippel van voetjes achter zich te horen. Met een ruk draaide hij zich weer om.

'Ik zei toch dat ik je niet moest!' snauwde hij en hij gaf een schop.

De Bagage zeeg neer. Rinzwind beende weg.

Na een paar meter lopen stond hij stil om te luisteren. Er was geen geluid. Toen hij zich omkeerde zat de Bagage waar hij hem had achtergelaten. Hij zat er wat bedremmeld en in elkaar gekropen bij, leek het wel. Rinzwind dacht een tijdje na.

'Nou goed dan,' zei hij. 'Kom maar mee.'

Hij keerde zich weer om en schreed weg naar de Universiteit. De Bagage leek even later ook tot een besluit te komen: hij stak zijn beentjes uit en drentelde de tovenaar achterna. Hij zag eigenlijk geen enkele andere keus.

Hun weg voerde hen langs de haven en de stad in, een tweetal stipjes in een krimpend landschap waarin we, nu het gezichtsveld breder werd, ook een klein scheepje konden zien wegkoersen over een wijde groene zee, die slechts weer een deel was van een heldere allesomringende oceaan op een wolkenomsluierde Schijf op de rug van vier reuzenolifanten die zelf weer op het schild stonden van een geweldige schildpad.

Die weldra nog maar was een glinstering was tussen de sterren, en verdween.

 

 

 

EINDE