DE ZON KWAM TRAAG OP, net of hij twijfelde of het al die moeite wel waard was.

Er daagde een nieuwe schijfdag, maar dan heel geleidelijk, en wel hierom.

Als licht een sterk toverkrachtveld tegenkomt raakt het gelijk elke zin voor opschieten kwijt. Het vertraagt meteen. Welnu, op de Schijfwereld was toverij onbeschaamd ruim voorhanden en dat hield in dat het zachtgele schijnsel van het ochtendgloren over het sluimerende landschap vloeide als de streling van een tedere minnaar of, zoals sommige mensen zeggen, als frietsaus. Als het een dal moest vullen ging het nog wat langzamer. Het stuwde op tegen bergruggen. Bij het bereiken van Axis Firmamenti, die vijftien kilometer hoge naald van grijs gesteente en groen ijs die de naaf van de Schijf markeerde en het thuis der goden was, kruide het licht tot stapels omhoog om ten slotte in een grote luie vloedgolf, zwijgend als fluweel, over het verder gelegen nog duistere landschap te storten.

Het was een schouwspel als men op geen andere wereld te zien kreeg.

Voorzeker, geen enkele andere wereld werd door de besterde oneindigheid gevoerd op de ruggen van vier reuzenolifanten, die zelf weer oprezen van het schild van een reuzenschildpad. Zijn naam - of Haar naam volgens een andere denktrant - was A'Tuin de Grote; hij - of wellicht zij - zal in het onderstaande geen centrale rol vervullen, maar voor een goed begrip van de Schijf is het onontbeerlijk te beseffen dat hij - of zij - er is, in de diepte voorbij de mijnen, het zeeslib en de fossiele nepbotten die her en der zijn neergelegd door een Schepper die niets beters wist te verzinnen dan archeologen opjutten en ze op malle gedachten brengen.

De sterrenschildpad A'Tuin de Grote dus, rugschild berijpt met bevroren methaan, pokdalig van de meteoorkraters, gestriemd met het stof van planetoïden. A'Tuin de Grote, met ogen als oerzeeën en een brein zo groot als een vasteland waardoor de gedachten als glinsterende gletsjertjes voortkruipen. A'Tuin de Grote, met die grote trage, trieste zwempoten en de door sterren tot glans gepoetste schaal, moeizaam onderweg door de nacht van de melkweg, beladen met de last van de Schijf. Zo groot als een wereld. Zo oud als de Tijd. Zo lijdzaam als een straatklinker.

In feite zitten de filosofen er totaal naast. Het is namelijk zo dat A'Tuin de Grote het geweldig naar zijn zin heeft.

De grote A'Tuin is het enige schepsel in het ganse heelal dat precies weet waar het heen gaat.

Zeker wel, filosofen hebben er jarenlang over gedelibereerd waar A'Tuin toch wel naar onderweg is, en ze zeiden vaak genoeg: we zijn toch zo bezorgd dat we er misschien wel nooit achter komen.

Over zo'n twee maanden gaan ze er achter komen. En dan zullen ze pas echt beginnen te piekeren…

Iets heel anders waar de schijfse wijsgeren met wat meer verbeeldingskracht al heel lang bezorgd over zijn is het vraagstuk van het geslacht van A'Tuin de Grote, en er is al heel wat tijd en moeite besteed aan pogingen om dat nu eindelijk eens met stellige zekerheid te bepalen.

Trouwens, nu de grote donkere gedaante hier net als een eindeloze schildpadhoornen haarborstel langsdrijft, krijgen we het resultaat van de laatste pogingen ter zake juist te zien.

Volstrekt onbestuurbaar tuimelt daar de bronzen romp langs van de Potige Padvinder, een soort stenen-tijdperkruimteschip, gebouwd en over het randje geduwd door de priester-astronomen van Kruul, dat zo handig gelegen is aan de uiterste velgrand van de wereld. Deze sprong in het heelal is er zo te zeggen naar 's lands wijs gelandseerd.

In het schip bevindt zich Tweebloesem, de eerste toerist op de Schijf. De afgelopen maanden heeft hij er nogal rondgereisd, maar nu verlaat hij hem met spoed om redenen die nogal ingewikkeld zijn maar van doen hebben met een poging om uit Kruul te ontsnappen.

Deze poging mag wel voor duizend procent geslaagd heten.

Maar ondanks alle aanwijzingen dat hij tevens de laatste toerist van de Schijf dreigt te worden, geniet hij momenteel van het uitzicht.

Een drie kilometer daar weer boven tuimelt in een even vrije val de tovenaar Rinzwind, gekleed in wat op de Schijf door moet gaan voor een ruimtepak. Stel het je voor als een duikerspak ontworpen door lieden die nimmer de zee hebben gezien. Zes maanden geleden was hij nog een doodnormale gesjeesde tovenaar. Toen kwam hij Tweebloesem tegen die hem voor een exorbitant salaris als gids inhuurde, en vanaf dat ogenblik besteedde hij de meeste tijd aan beschoten worden, de doodschrik krijgen, opgejaagd worden en het zonder uitzicht op redding hangen van zeer hoge plekken, of, zoals nu het geval is, het neerstorten van zeer hoge plekken.

Voor het uitzicht heeft hij geen oog, want voor zijn ogen trekt gedurig zijn hele leven voorbij en dat zit dus telkens in de weg. Hij komt er geleidelijk achter waarom het bij het aantrekken van een ruimtepak van wezenlijk belang is om de helm niet te vergeten.

Op dit punt zou men nog heel wat meer kunnen inlassen om de val van dit tweetal uit de wereld te verklaren, en waarom Tweebloesems Bagage, het laatst gezien bij een wanhopige poging om hem op honderden beentjes te volgen, helemaal geen gewone koffer is; maar zulke vraagstukken vergen tijd en allicht meer moeite dan ze waard zijn. Zo wordt wel gezegd dat iemand eens op een feestje de beroemde filosoof Siermuis Offerhans de vraag stelde: 'Waarom ben je hier?'; en het antwoord duurde drie jaar.

Van veel meer belang is een gebeurtenis die zich nog hoger voltrekt, ver boven A'Tuin, de olifanten en de tot een spoedig omkomen gedoemde tovenaar. Het weefsel zelf van de tijdruimte staat op het punt door de wringer te worden gehaald.

 

-~oOo~-

 

De lucht voelde typisch vettig aan, zoals altijd bij toverij, en er hing de bijtende rook van kaarsen, gegoten uit die zwarte was waarvan een verstandig persoon zich liever niet afvraagt hoe hij gemaakt wordt.

Er was hier iets heel raars aan de hand in de onderste kelderkamer van de Gesloten Universiteit, veruit de meest vooraanstaande toverhogeschool op de Schijf. Om te beginnen leek hij wel veel te veel dimensies te hebben, niet echt zichtbaar, maar zweverig en net buiten oogbereik. De wanden waren overdekt met occulte tekens en de vloer werd grotendeels in beslag genomen door het Achtvuldig Zegel van Stasis, waarvan in toverkringen algemeen wordt aangenomen dat het evenveel afwerend effect heeft als een welgemikte baksteen.

Het enige meubelstuk in de kamer was een lessenaar van donker hout, gebeeldhouwd in de gedaante van een vogel - nou ja, eerlijk gezegd meer in de gedaante van een gevleugeld ding dat je maar liever niet van te dichtbij moet bekijken - en op de lessenaar, eraan vastgemaakt met een zware ketting behangen met hangsloten, lag een boek.

Een groot, maar toch niet bijzonder indrukwekkend boek. Andere boeken in de bibliotheken van de Universiteit waren gebonden in omslagen voorzien van zeldzame edelstenen en uitheems hout, of vervaardigd uit drakenvel. Dit had er gewoon een van rafelig leer. Het zag eruit als het soort boek dat in het antiquariaat wordt beschreven als 'licht beduimeld', al gebiedt de eerlijkheid toe te geven dat het er meer uitzag als bevingerd, beteend en wellicht zelfs beneuzeld.

Het werd dicht gehouden door metalen slothaken. Versierd waren die niet, ze waren alleen heel zwaar - net als de ketting, die het boek niet zozeer aan de lessenaar bevestigd als wel gekluisterd hield.

Het hang- en sluitwerk zag eruit als het werk van iemand met een vastberaden doel voor ogen, iemand ook die zich het grootste deel van zijn leven onledig gehouden had met de vervaardiging van dressuurtuig voor olifanten.

De lucht verdichtte zich en wervelde rond. De bladen van het boek begonnen op te kreukelen op een tamelijk akelige, opzettelijke manier, en van tussen de bladen trad een blauw licht naar buiten. De stilte in de kamer drong opeen als een vuist die langzaam wordt samengebald.

Een zestal tovenaars in nachthemd gluurde om beurten door het roostertje in de deur naar binnen. Als er zoiets als dit gebeurde kon een echte tovenaar niet blijven slapen - de toenemende onversneden toverkracht rees in de universiteit omhoog als de opkomende vloed.

'Aha,' klonk een stem. 'Wat is hier aan de hand? En waarom heeft niemand mij geroepen?'

Gladdert Wedersmeer, Opper-Grootbegoochelaar van de Orde van de Zilveren Sterre, Rijksheer van de Heilige Staf, Ipsissimus van het Achtste Niveau tevens 304de Rector Magnificus van de Gesloten Universiteit, was niet zomaar een indrukwekkend gezicht, zelfs in zijn rode nachthemd met de handgeborduurde mystieke runen, zelfs met zijn slaapmuts met het bolletje eraan, zelfs met het Klein-duimpjekandelaartje in zijn hand. Het lukte hem zelfs bijna ook nog indruk te maken met de pluizige pantoffeltjes aan.

Zes bange gezichten draaiden zich naar hem toe.

'Uh, maar je bent geroepen, heer,' zei een van de ondertovenaars.

'Daarom ben je hier ook,' voegde hij er behulpzaam aan toe.

'Ik bedoel, waarom werd ik niet eerder geroepen?' snauwde Gladdert terwijl hij zich naar het roostertje wrong.

'Uh, eerder dan wie heer?' zei de tovenaar.

Gladdert keek hem dreigend aan en waagde een snelle blik door het rooster.

Intussen flonkerde de lucht in de kamer met kleine vonkjes, nu allerlei stofjes opvlamden in de stroom van onversneden toverkracht. Het Zegel van Stasis begon blazen te vertonen en aan de randen om te krullen.

Het betreffende boek werd de Octavo genoemd en het was maar al te duidelijk geen gewoon boek.

Natuurlijk zijn er heel wat beroemde toverboeken. Sommigen zullen dan spreken van het Necrotelecomnicon, met zijn bladen van oeroud hagedissenleer; anderen kunnen wijzen op het Boek van Rond Elven Eruit, geschreven door een geheimzinnige en tamelijk luie llama-sekte; weer anderen kunnen eraan denken dat de Foliant vol Bruisende Gein volgens zeggen de enig overgebleven oorspronkelijke mop in het heelal bevat. Maar het zijn allemaal maar pamfletjes vergeleken bij de Octavo, die de Schepper van het Heelal volgens zeggen kort na het voltooien van zijn hoofdwerk - met de hem kenmerkende verstrooidheid - heeft achtergelaten.

De acht bezweringen die in de bladzijden ervan zaten opgesloten leidden een geheel eigen geheim en ingewikkeld leven, en men geloofde algemeen dat -

Gladdert tuurde zorgelijk fronsend de woelige kamer in. Natuurlijk waren er momenteel nog maar zeven bezweringen. Een of ander halfgaar toverstudentje had op een dag stiekem een blik in het boek gewaagd en toen was een van de bezweringen ontsnapt om zich in zijn geest te hechten. Het was niemand ooit gelukt het fijne van wat er gebeurd was aan de weet te komen. Hoe heette hij ook alweer? Wenswond?

Octarijne en paarse vonken schitterden langs de rug van het boek. Er begon een ijle rookpluim uit de lessenaar op te stijgen en aan de zware metalen sloten die het boek dichthielden kon men duidelijk zien dat ze onder spanning stonden.

'Waarom zijn bezweringen toch zo ongedurig?' zei een van de jongere tovenaars.

Gladdert haalde zijn schouders op. Hij kon het natuurlijk niet laten merken, maar hij begon zich echt zorgen te maken. Als ervaren tovenaar van het achtste niveau kon hij al die half-ingebeelde gestalten zien die telkens even opdoken in de trillende lucht, vleierig wenkend. Ongeveer net zoals er mugjes verschijnen vlak voor een onweersbui, trekken zwaardere toverbuien altijd dingen aan uit de Chaotische Kerkerdimensies - akelige dingen, vol met kwijl en mismaakte organen, steeds op zoek naar een opening om de wereld der mensen te kunnen binnensluipen.[*]

Zo kon het niet langer.

'Ik heb een vrijwilliger nodig,' zei hij nadrukkelijk.

Opeens was iedereen stil. Het enige geluid kwam van achter de deur. Het was het enge geluid van metaal dat onder grote druk bezwijkt.

'Goed dan,' zei hij. 'In dat geval heb ik een zilveren pincet nodig, om en nabij een liter kattenbloed, een zweepje en een stoel -'

Men zegt wel dat lawaai het tegendeel is van stilte. Dat is niet zo. Stilte is maar het ontbreken van lawaai. Stilte was een hels kabaal geweest, in vergelijking met de plotse zachte ineenstorting van geluidloosheid die de tovenaars trof met alle kracht van uiteenspringend paardebloempluis.

Een zware zuil van licht spuwde uit het boek te voorschijn, raakte met een plens van vlammen de zoldering, en verdween uit het gezicht.

 

[*] Wij zullen ze niet beschrijven, want zelfs de fraaiste zien er nog uit als het kroost van een fiets en een inktvis. Het is een erkend feit dat dingen uit minder gewenste heelallen aanhoudend toegang zoeken tot het onderhavige, dat spiritueel overeenkomt met lekker dicht bij de bushalte en prima winkels in de buurt.

 

 

Gladdert staarde omhoog naar het gat en lette niet op de smeulende plekjes in zijn baard. Hij wees met een theatraal gebaar.

'Naar de bovenkelders!' riep hij en met grote sprongen besteeg hij de stenen trap. Met kletsende pantoffels en wapperende nachthemden volgden de andere tovenaars, waarbij ze over elkander struikelden in hun ijver om de laatste te zijn.

Desondanks kwamen ze nog allemaal op tijd aan om te zien hoe de vuurbol van occulte potentie door de zoldering van de bovengelegen kamer verdween.

'Oegrr,' zei de jongste tovenaar en hij wees naar de vloer.

De kamer was altijd een deel van de bibliotheek geweest tot de toverkracht erdoor was opgestegen, en die had op zijn weg alle mogelijkheidsdeeltjes met geweld herschikt. Men kon dus redelijkerwijs aannemen dat de paarse salamandertjes ooit deel hadden uitgemaakt van de vloer, en dat de ananasvla wellicht eens een paar boeken was geweest. En verscheidene van de tovenaars bezwoeren later dat de kleine, droeve orang oetan die er middenin zat heel erg leek op de hoofdbibliothecaris.

Gladdert staarde omhoog. 'Naar de keuken!' brulde hij en hij waadde door de vla naar de volgende trap.

Niemand kwam er ooit achter waarin het gietijzeren kookgerei was veranderd, want het had na het doorbreken van een wand al een goed heenkomen gezocht voordat het verfomfaaide gezelschap van verdwaasde toveraars naar binnen stormde. De chefkok-groente werd pas veel later aangetroffen in de soepketel waarin hij zich had verscholen en waar hij weinig behulpzame dingen zat te jammeren als 'Die knokkeltjes! Die vreselijke knokkeltjes!'.

De laatste sliertjes toverdamp, intussen al wat langzamer, verdwenen juist door de zoldering.

'Naar de Grote Zaal!'

De trap was hier veel breder en beter verlicht. Hijgend en geurend naar ananas bereikten de fitste tovenaars net de verdieping op het moment dat de vuurbol terechtkwam in het midden van de enorme tochtige ruimte die de hoofdzaal van de Universiteit was. Daar bleef hij bewegingloos hangen, al krulden er af en toe sliertjes uit die sputterend over het oppervlak gleden.

Tovenaars zijn rokers, zoals iedereen weet. Waarschijnlijk verklaart dat het koor van reutelende kuchjes en gierend gehijg dat achter Gladdert losbarstte toen hij de situatie stond op te nemen en zich afvroeg of hij zou durven omzien naar een schuilplaatsje. Hij greep een doodsbange student bij de kladden.

'Haal mij zieners, helderzienden, kristallezers en navelstaarders!' blafte hij. 'Dit moet bestudeerd worden!'

Binnenin de vuurbol begon iets vorm aan te nemen. Gladdert schermde zijn ogen af en tuurde naar het ding dat voor hem opdoemde. Daar kon je je niet in vergissen. Dat was het heelal.

Hij was daar volstrekt zeker van, want hij had er een model van op zijn studeerkamer en men was het er algemeen over eens dat het veel indrukwekkender was dan het origineel. Tegenover de mogelijkheden geboden door cultivépareltjes en zilverdraad stond de Schepper volstrekt met de mond vol tanden.

Maar dit heelalletje in de vuurbol was griezelig - nou ja, echt. Het enige dat ontbrak was kleur. Het was helemaal uitgevoerd in een nevelig doorschijnend wit.

Daar zag je A'Tuin de Grote en de vier olifanten, en de Schijf zelf. Onder deze hoek kon Gladdert het oppervlak niet zo goed zien, maar hij wist met kille zekerheid dat ook dat met absolute accuratesse gemodelleerd zou zijn. Wel kon hij nog net een miniatuurmodel onderscheiden van Axis Firmamenti, waar op het uiterste topje de twistzieke en tamelijk burgerlijke goden van deze wereld huisden in een paleis van marmer, albast en kamerbrede trijp, dat ze wensen aan te duiden als Duinmanifesting. Elke schijfburger met enige culturele pretenties zat het altijd behoorlijk dwars dat hij geregeerd werd door goden wier behoefte aan kunstzinnige verheffing al werd bevredigd door een muzikale deurbel.

Het embryonale heelalletje begon langzaam te bewegen, en het kantelde…

Gladdert probeerde te schreeuwen, maar zijn stem weigerde naar buiten te komen.

Zachtjes, maar met dezelfde onstuitbare kracht als een ontploffing, begon de vorm uit te zetten.

Met afgrijzen zag hij dat aan, en toen met verbijstering, want de vorm gleed licht als een gedachte dwars door hem heen. Hij stak zijn hand uit en keek hoe de spookachtige bleke schim van gelaagde rotsbodem met zwijgende ijver door zijn vingers stroomde.

A'Tuin de Grote, inmiddels groter dan een huis, was al vredig gezonken tot onder het vloerniveau.

De tovenaars achter Gladdert stonden tot aan hun middel in zeeën. Een bootje, kleiner dan een vingerhoed, werd nog net door Gladdert opgemerkt voor het met de stroom mee door de muur verdween.

'Naar het dak!' wist hij uit te brengen en met een bevende vinger wees hij naar de lucht.

Wie van de tovenaars ze nog genoeg op een rijtje had om te denken en nog adem genoeg om te hollen had ging achter hem aan, hollend door continenten die zonder even te haperen door de massieve muren vloeiden.

 

-~oOo~-

 

De nacht was stil, vaag kleurde de naderende dageraad de lucht. Juist ging er een maansikkel onder. Ankh-Meurbork, grootste stad van de landen rond de Cirkelzee, sliep nog.

Die mededeling is niet echt waar.

Enerzijds ja, die delen van de stad die zich gewoonlijk inlieten met bijvoorbeeld de verkoop van groente, het beslaan van paarden, het snijden van geraffineerde jaden versieringen, het wisselen van geld en het timmeren van tafels, die delen sliepen in het algemeen wel. Tenzij ze last hadden van slapeloosheid. Of misschien in de nacht waren opgestaan om het toilet te bezoeken. Anderzijds echter, velen van de minder gezagsgetrouwe burgers waren klaarwakker en druk in de weer met, bijvoorbeeld, het klimmen door andermans ramen, het doorsnijden van kelen, het elkaar aftuigen, het beluisteren van luide muziek in rokerige kelders en in het algemeen met het hebben van heel wat meer plezier. Maar de meeste dieren sliepen wel, behalve de ratten dan. En ook de vleermuizen, natuurlijk. Voor wat de insecten betreft…

De kwestie is dat beschrijvende literatuur maar heel zelden volstrekt nauwkeurig is en onder de regering van Olav Oedel de Tweede als Patriciër van Ankh werd daarom in enige wetgeving voorzien, in een vastberaden poging om aan dit soort zaken een eind te maken en eindelijk eens te zorgen voor wat eerlijkheid in de verslaggeving. Zodoende, als een legende gewag maakte van een opmerkelijke held met termen als 'elkeen roemde zijn kloekheid', dan voegde elke rapsode die zijn leven liefhad daar voortaan schielijk aan toe: 'uitgezonderd wat lui in zijn geboortedorp die hem een leugenaar vonden, en nog veel meer andere lui die eigenlijk nooit van hem gehoord hadden'. Dichterlijke vergelijkingen bleven voortaan strikt beperkt tot verklaringen als: 'zijn machtig ros was gezwind als een bries op een tamelijk rustige dag, dus zeg windkracht drie', en onbekommerd gepraat over een bemind gelaat dat duizend schepen te water liet gaan, diende men te onderbouwen met bewijzen dat het begeerde voorwerp inderdaad oogde als een champagnefles.

Oedel werd uiteindelijk gedood door een verongelijkte dichter ten tijde van een ten paleize uitgevoerde proefneming met betrekking tot de betwiste juistheid van het gezegde 'De pen is machtiger dan het zwaard', en te zijner nagedachtenis werd daar de nadere aanduiding 'mits het zwaard heel klein is en de pen erg scherp' in opgenomen.

Dus. Ongeveer zevenenzestig, misschien achtenzestig procent van de stad lag te slapen. Niet dat de andere ingezetenen onder het sluipend vervullen van hun doorgaans onwettige bezigheden iets merkten van de bleke vloed die door de straten sijpelde. Alleen de tovenaars, bekwaam in het zien van het onzichtbare, zagen hoe hij schuimend uitstroomde over de verre velden.

Plat als hij is heeft de Schijf geen echte horizon. Als een avontuurlijk zeevaarder zich al iets in het hoofd haalde vanwege het turen naar eieren en sinaasappels en koers zette naar vermeende tegenvoeters, dan kwam hij al gauw aan de weet dat de reden waarom het soms lijkt dat schepen in de verte over de rand van de wereld verdwijnen, gelegen is in het feit dat ze over de rand van de wereld verdwijnen.

Maar er was zelfs een grens aan Gladderts gezichtsvermogen in deze neveldoorwervelde, stofvervulde lucht. Hij keek omhoog. Hoog optorenend boven de Universiteit stond de sombere oeroude Toren der Kunsten, naar men zei het oudste gebouw op de Schijf, met zijn beroemde wenteltrap met achtduizend, achthonderd en achtentachtig treden. Vanaf het gekanteelde dak, roestplaats van raven en onthutsend opmerkzame waterspuwers, kon een tovenaar soms helemaal tot aan de rand van de Schijf uitkijken. Na eerst tien minuten aan een gruwelijk hijgende hoestbui te hebben besteed, natuurlijk.

'Dat gelazer,' mopperde hij. 'Maar ik ben toch niet voor niks tovenaar? Avyento, thessalous! Kom tot mij, geesten van lucht en duister!'

Hij spreidde een knokige hand uit en wees naar een brok vervallen borstwering. Octarijn vuur sproot voort vanonder zijn nicotinebevlekte nagels en sproeide tegen de vergruizende stenen ver boven hem.

Ze vielen omlaag. Via een haarfijn berekende uitwisseling van snelheden rees Gladdert omhoog, waarbij het nachthemd om zijn spillebenen fladderde. Hoger en hoger steeg hij in toenemende vaart door het bleke licht, als een, als een - nou ja, als een bejaarde maar machtige tovenaar die omhooggestuwd wordt door een vakkundig geplaatste duim op de weegschaal van het heelal.

Hij kwam tussen de rommel van oude nesten terecht, wankelde, maar bleef overeind en staarde in de diepte naar de duizelingwekkende schijfse dageraad.

In deze fase van het lange schijfjaar lag de Cirkelzee haast precies aan de zonsondergangszijde van Axis Firmamenti en waar het taaie daglicht door de streken rond Ankh-Meurbork voortvloeide, priemde de schaduw van die berg als de gnomon van Gods zonnewijzer over het landschap. Maar aan de nachtzijde, als in een wedloop met het trage licht naar de wereldrand, snelde een witte nevelstreep voorwaarts.

Achter hem klonk het geknap van dorre twijgen. Hij keerde zich om en zag IJspook Roppaf, de tweede in rang van de Orde, want dat was de enige tovenaar die hem had bijgehouden.

Gladdert negeerde hem voorlopig en zorgde alleen voor een nog vastere greep op het metselwerk en voor nog betere bezweringen voor zijn zelfbescherming. In een beroep dat traditioneel een lang leven met zich meebracht, kwam men niet snel hogerop en het werd aanvaard dat jongere tovenaars dikwijls aan hun carrière werkten over de rug van dode voorgangers, nadat ze die voorgangers tevoren in de vereiste toestand hadden gebracht. Bovendien had de jeugdige Roppaf wel iets bijzonder verontrustends over zich. Hij rookte niet, dronk alleen gekookt water, en Gladdert had het akelige vermoeden dat hij pienter was. Hij lachte niet vaak genoeg, en hij hield van getallen en het soort organisatieschema's waarop allemaal rechthoekjes staan met pijltjes die naar andere rechthoekjes wijzen. Om kort te gaan, hij was van het karaktertype dat zich in volle ernst van het woord 'personeelsbezetting' bedient.

De hele zichtbare Schijf was nu overdekt met een glinsterend wit vel dat er volmaakt overheen paste.

Gladdert keek omlaag naar zijn eigen handen en zag hoe ze bedekt waren met een bleek web van glanzende draden dat met elke beweging meegaf.

Hij herkende dit soort bezwering. Zelf had hij het ook wel gebruikt. Maar dan wel kleiner - veel kleiner.

'Het is een wisselbezwering,' zei Roppaf. 'De hele wereld wordt gewisseld, alles wordt veranderd.'

Sommige lui, bedacht Gladdert somber, zouden zo fatsoenlijk geweest zijn om achter zo'n mededeling een uitroepteken te zetten.

Er klonk een allervaagst maar zuiver geluidje, hoog en scherp, als het breken van een muizenhart.

'Wat was dat?' vroeg hij.

Roppaf hield zijn hoofd schuin.

'Hoge Cis, geloof ik,' zei hij.

Gladdert zei niets. De witte glinstering was verdwenen en de eerste geluiden van de ontwakende stad begonnen tot de twee tovenaars door te dringen. Alles leek precies zo te zijn als het tevoren geweest was. Al dat gedoe, louter om alles bij hetzelfde te laten?

Hij klopte afwezig op de zakken van zijn nachthemd en vond wat hij zocht achter zijn oor gestoken. Hij stak de kleffe peuk in zijn mond, riep van tussen zijn vingers een mystiek vuur op en trok met geweld aan het treurige sjekkie tot er blauwe lichtjes voor zijn ogen flitsten. Hij kuchte nog wat.

Hij stond uit alle macht na te denken.

Hij probeerde zich te herinneren of er nog goden waren die hem een wederdienst schuldig waren.

 

-~oOo~-

 

Nu was het zo dat de Goden met dit alles al even weinig raad wisten als de tovenaars, maar ze stonden machteloos en hadden trouwens de handen vol aan hun eeuwigdurende oerstrijd met de IJsreuzen, die het dit keer vertikt hadden de grasmaaier terug te brengen.

Maar een soort van aanwijzing voor wat er eigenlijk was gebeurd viel op te maken uit het feit dat Rinzwind, wiens voorbije levensloop net een interessant stukje had bereikt van toen hij vijftien was, opeens merkte dat hij toch niet doodging maar ondersteboven aan een dennenboom hing.

Hij kwam met gemak beneden door stuurloos van tak naar tak te vallen tot hij met zijn hoofd op een hoop dennennaalden belandde, waarin hij naar adem snakkend bleef liggen en wenste dat hij maar een beter mens was geweest.

Ergens, wist hij, moest toch een volmaakt logisch verband te vinden zijn. Het ene moment treft het dat je doodgaat, na van de rand van de wereld te zijn gevallen, het andere ogenblik hang je ondersteboven in een boom.

Zoals telkens weer op momenten als dit, kwam de Bezwering in zijn geest overeind.

Rinzwind werd door zijn leermeesters zonder uitzondering als een geboren tovenaar ingeschat in dezelfde zin als vissen geboren bergbeklimmers zijn. Waarschijnlijk zou hij toch wel uit de Gesloten Universiteit geknikkerd zijn - hij kon geen bezweringen onthouden en van roken werd hij misselijk - maar wat echt bonje had gegeven was dat stomme gedoe van die kamer insluipen waar de Octavo geketend lag en die dan open maken.

En wat de heibel nog erger maakte was dat niemand kon uitvissen waarom alle sloten toen tijdelijk waren opengeraakt.

Als commensaal was de bezwering niet veeleisend. Hij zat daar gewoon als een oude pad op de bodem van een vijver. Maar telkens als Rinzwind zich echt moe voelde of erg bang, dan probeerde hij zich opgezegd te krijgen. Niemand wist wat er zou gebeuren als een van de Acht Grote Bezweringen zich opzei, maar algemeen was men het eens dat de beste plaats van waaruit je dat kon meemaken het volgende heelal was.

Een rare gedachte was het, als je hem na net nog van de rand van de wereld te zijn gevallen lag te denken op een hoop dennennaalden, maar Rinzwind had een vermoeden dat de bezwering hem in leven wilde houden.

'Komt mij prima uit,' dacht hij.

Hij ging overeind zitten en keek naar de bomen. Rinzwind was een stadstovenaar en al begreep hij best dat er diverse verschillen bestonden tussen allerlei bomen, waardoor hun naaste bekenden ze uit elkaar konden houden, was het enige dat hij zeker wist dat het uiteinde zonder al die blaadjes in de grond hoorde. Hier stonden er veel te veel en ze stonden kris kras verspreid, zonder orde of regel. En er was in geen eeuwen geveegd.

Hij herinnerde zich iets van hoe je kon zien waar je was door te kijken aan welke kant van een boom het mos zat. Deze bomen hadden aan alle kanten mos, en houten wratten, en kronkelige ouwe scharreltakken; als bomen mensen waren, dan zouden deze hier in schommelstoelen zitten.

Rinzwind gaf de dichtstbijzijnde een schop. Trefzeker liet de boom een eikel op zijn kop vallen. Hij zei 'Au'. Met een stem als een heel oude deur die openzwaait zei de boom: 'Net goed.'

Men zweeg lange tijd.

Toen zei Rinzwind: 'Zei jij dat?'

'Ja.'

'En dat ook?'

'Ja.'

'O.' Hij dacht een tijdje na. Toen waagde hij: 'Ik neem aan dat je niet toevallig een uitweg weet uit dit bos?'

'Nee. Ik ben zelf nogal honkvast,' zei de boom.

'Tamelijk leeg bestaan, zeker?' zei Rinzwind.

'Ik kan er niks van zeggen. Het is nooit anders geweest,' zei de boom.

Rinzwind bekeek hem eens van dichtbij. Hij zag er eigenlijk net zo uit als elke andere die hij ooit had gezien.

'Ben jij betoverd?' vroeg hij.

'Heeft niemand me ooit verteld,' zei de boom. 'Maar ik denk het.'

Rinzwind bedacht: Ik kan toch niet met een boom aan de praat zijn. Als ik met een boom boomde was ik gek, en ik ben niet gek, dus bomen praten niet.

'Goeiedag dan maar,' zei hij beslist.

'Hé, ga nou niet weg,' begon de boom, maar hij besefte meteen dat het allemaal geen zin had. Hij keek de tovenaar, die wegstrompelde door de struiken, nog wat na en nam verder genoegen met het gevoel van de zon op zijn bladeren, het soppen en gorgelen van het water rond zijn wortels en het eb-en-vloed van zijn eigen sap onder invloed van het natuurlijk getij dat zon en maan teweegbrengen. Leeg, dacht hij. Wat eigenaardig gezegd. Bomen zijn dat vaak, natuurlijk, dankzij kevers en spechten, maar ik denk niet dat hij dat wilde bedoelen. En dan: wat zou je ertegen kunnen doen?

Rinzwind sprak eigenlijk nooit meer met deze bepaalde boom, maar die puurde uit dat korte gesprekje wel de grondslag van de eerste boomreligie, die mettertijd alle wouden van de wereld overspoelde. En de kern van het geloof was als volgt: een boom die een brave boom was, en die een zuiver, fatsoenlijk en diepgeworteld leven leidde, kon verzekerd zijn van een toekomstig leven na de dood. En als hij heel braaf was zou hij ten slotte gereïncarneerd worden tot vijfduizend rollen toiletpapier.

 

-~oOo~-

 

Enkele kilometers verderop was ook Tweebloesem net aan het bekomen van zijn verrassing over het opeens weer op de Schijf zijn. Hij zat op de romp van de Potige Padvinder die onderwijl borrelend wegzonk in het duistere water van een groot en door bomen omzoomd meer.

Vreemd genoeg maakte hij zich bepaald geen zorgen. Tweebloesem was toerist, de eerste van dat soort die zich op de Schijf had ontwikkeld, en de wezenlijke grondslag van zijn bestaan was een rotsvast geloof dat hem eigenlijk niets kwaads kon overkomen omdat hij er niet bij betrokken was; ook geloofde hij dat iedereen alles wat hij zei kon verstaan als hij het maar luid en langzaam zei, dat de mensen in de grond te vertrouwen waren en dat alles onder lieden van goede wil in der minne te schikken viel, mits ze maar verstandig deden.

Oppervlakkig gezien kon hij hieraan dezelfde overlevingskansen ontlenen als die van, laat ons zeggen, een marsepeinen haring, maar tot verbijstering van Rinzwind leek het of het allemaal nog werkte ook, en de volstrekte veronachtzaming door het ventje van elk soort gevaar ontmoedigde het gevaar kennelijk dermate dat het er de brui aan gaf en verdween.

Oog in oog staan met verdrinken maakte al helemaal geen kans. Tweebloesem was er vast van overtuigd dat men iemand in een welingerichte samenleving niet zomaar zou laten verdrinken.

Wel zat hij er een beetje over in wat er van zijn Bagage geworden was. Maar hij troostte zich met de wetenschap dat die van bezield perehout was gemaakt en dus intelligent genoeg hoorde te zijn om op zichzelf te passen…

 

-~oOo~-

 

In weer een ander deel van het bos onderging een jonge sjamaan net een hoofdbestanddeel van zijn opleiding. Hij had van de heilige paddestoel gegeten, de gewijde wortelschimmel gerookt, zorgvuldig de mystieke zwam verpulverd en in diverse lichaamsopeningen gestopt, en zat nu met gekruiste benen onder een dennenboom zich allereerst in te spannen om in verbinding te treden met de vreemde en wonderbare geheimen in de kern van het Zijnde, maar vooral om te voorkomen dat het bovenstuk van zijn kop losraakte en wegzweefde.

Blauwe vierkante driehoeken wentelden door zijn gezichtsveld. Nu en dan lachte hij veelbetekenend om niets in het bijzonder en dan zei hij zoiets als 'Wauw' en 'Oei'.

Er bewoog iets in de lucht en er klonk even wat hij later omschreef als 'net een soort van ontploffing maar dan achterstevoren, weet je wel?' en opeens was daar op de plek waar net nog alleen maar niks was, een houten kist.

Die kwam met een plof op de rottende bladeren terecht, stak tientallen beentjes uit en wendde zich zwaarwichtig om, oog in oog met de sjamaan. Dat wil zeggen, ogen had de kist niet, maar zelfs vanuit zijn mycologische nevelen besefte de sjamaan akelig goed dat hij werd aangekeken. En niet bepaald met een aardige blik. Het was verbluffend hoe onheilspellend een sleutelgat en een paar kwasten konden kijken.

De kist haalde tot zijn enorme opluchting als het ware zijn houten schouders op en zette het op een drafje tussen de bomen door.

Met een bovenmenselijke inspanning wist de sjamaan zich de juiste volgorde van bewegingen voor het opstaan te herinneren en het lukte hem zelfs een paar stappen te doen voor hij omlaag keek en het opgaf, want zijn benen waren achterop geraakt.

Intussen had Rinzwind een paadje gevonden. Het kronkelde nogal heen en weer en hij had het liever bestraat gehad, maar door het te volgen had hij wat om handen.

Verscheidene bomen probeerden een gesprek aan te knopen, maar Rinzwind was er bijna zeker van dat dit voor bomen geen normale manier van doen was en hij negeerde ze.

De dag vorderde. Er was geen ander geluid dan het gonzen van enge stekende insectjes, nu en dan ook het krakende breken van een vallende tak en het gefluister van de bomen over religie en die lastige eekhoorns. Rinzwind begon zich erg eenzaam te voelen. Hij beeldde zich in hoe het was om voor altijd in de bossen te moeten wonen, te moeten slapen op bladeren en te moeten eten van… eten van… wat je dan ook kunt eten in bossen. Bomen, nam hij aan, en noten en bessen. Hij zou dan moeten…

'Rinzwind!'

Daar langs het pad naderde Tweebloesem - druipnat, maar opgetogen stralend. Achter hem aan draafde de Bagage (alles uit dat hout volgde zijn eigenaar overal en het werd dan ook veel toegepast voor de verpakking van de grafgiften van zeer rijke dode koningen, die er zeker van wilden zijn dat ze hun nieuwe leven in de volgende wereld met schoon ondergoed konden aanvangen).

Rinzwind slaakte een zucht. Tot dit moment had hij nog wel gedacht dat de dag niet erger kon worden.

 

-~oOo~-

 

Het begon te regenen met een bijzonder natte en kille regen. Rinzwind en Tweebloesem zaten onder een boom en keken ernaar.

'Rinzwind?'

'Jum?'

'Hoe komt het dat we hier zijn?'

'Nou, sommigen zeggen dat de Schepper van het Heelal de Schijf heeft gemaakt, met alles erop en eraan, anderen zeggen dat het allemaal een erg ingewikkeld verhaal is over de testikels van de Hemelgod en de melk van de Kosmische Koe, en sommige anderen beweren zelfs dat we allemaal gewoon voortkomen uit de volstrekt willekeurige klontering van waarschijnlijkheidsdeeltjes. Maar als je bedoelt waarom we hier zitten in tegenstelling tot van de Schijf vallen, dan heb ik geen flauw idee. Het zal wel een of andere gruwelijke vergissing zijn.'

'O. Zou je denken dat er in dit bos iets te eten was?'

'Ja', zei de tovenaar wrang, 'wij dus.'

'Ik heb nog wat eikels, als je wilt,' zei de boom gedienstig.

Een tijdje zaten ze vochtig te zwijgen.

'Rinzwind, de boom zei -'

'Bomen praten niet,' snauwde Rinzwind. 'Dat moet je goed onthouden.'

'Maar je hoorde toch net -'

Rinzwind slaakte een zucht. 'Hoor eens,' zei hij. 'Het is toch allemaal simpel een kwestie van biologie? Als je wilt praten heb je het juiste gereedschap nodig, longen bijvoorbeeld en lippen en, en -'

'Stembanden,' zei de boom.

'Van dattem ja,' zei Rinzwind. Verder zei hij niks en hij staarde droef door de regen.

'Ik dacht dat tovenaars alles van bomen wisten en van eten in het wild en zo,' zei Tweebloesem verwijtend. Het was maar zelden dat iets in zijn stem de indruk wekte dat hij Rinzwind anders bekeek dan als een illuster begoochelaar, en de tovenaar werd nu dan ook tot een weerwoord geprikkeld.

'Is ook zo, ik weet ook van alles,' snibde hij.

'Nou, wat is dit dan voor boom?' zei de toerist. Rinzwind keek omhoog.

'Een beuk,' zei hij kordaat.

'Eigenlijk -' begon de boom, maar hij zweeg weer schielijk toen hij Rinzwinds blik opving.

'Die dingen bovenin lijken wel eikels,' zei Tweebloesem.

'Tja, ach, dan is dit de zevenlobbige ondersoort met zittende vrucht,' zei Rinzwind. 'De vrucht lijkt eigenlijk sprekend op een eikel. Haast iedereen haalt ze door elkaar.'

'Tjee,' zei Tweebloesem en meteen: 'En wat is dat daar dan voor een struik?'

'Een maretak.'

'Maar hij heeft doorns en rode bessen!'

'En?' zei Rinzwind streng en hij keek hem ijzig aan. Tweebloesem gaf het het eerst op.

'Niks,' zei hij gedwee. 'Dan was ik zeker verkeerd ingelicht.'

'Juist.'

'Maar er staan van die grote paddestoelen onder. Kun je die eten?'

Rinzwind keek er behoedzaam naar. Inderdaad, ze waren erg groot en ze hadden een rood met wit bespikkelde hoed. Eigenlijk was dit het soort dat de plaatselijke sjamaan (die momenteel kilometers verderop zat vriendschap te sluiten met een rotsblok) pas zou durven eten na eerst zijn ene been te hebben vastgeknoopt aan een heel grote steen. Maar er zat niets anders op dan door de regen te gaan om ze van nabij te bekijken.

Hij knielde op de bladaarde en tuurde onder hun hoeden. Na een tijdje zei hij zwakjes: 'Nee, deze kun je echt niet eten.'

'Waarom?' riep Tweebloesem. 'Zijn de plaatjes van het verkeerde geel?'

'Nou nee…'

'Dan hebben de stelen zeker het verkeerde soort ribbels.'

'Die zien er eigenlijk prima uit.'

'De hoed dan, ik neem aan dat de hoed de verkeerde kleur heeft,' zei Tweebloesem.

'Daar ben ik nog niet zo zeker van.'

'Nou, waarom kun je ze dan niet eten?'

Rinzwind schraapte zijn keel. 'Het zit hem in die deurtjes en raampjes,' zei hij bedremmeld. 'Daaraan zie je het altijd meteen.'

 

-~oOo~-

 

De donder rolde over de Gesloten Universiteit. De regen gutste over de daken ervan en borrelde omlaag uit de waterspuwers, al hadden een paar van de slimste daarvan tussen de wirwar van dakpannen een schuilplaatsje opgescharreld.

Ver daar beneden, in de Grote Zaal, hadden de acht machtigste tovenaars zich verzameld aan de hoekpunten van een ceremonieel octogram. In feite waren het vast niet de sterkste, om eerlijk te zijn, maar ze waren wel degelijk sterk in overleven en in de wedijverwereld van de toverij kwam dat zo goed als op hetzelfde neer. Achter elke tovenaar van het achtste niveau stonden er vijf of zes van het zevende die erop uit waren hem op te ruimen, en vooraanstaande tovenaars dienden dus een fijne neus te ontwikkelen voor, onder meer, schorpioenen in hun bed. Een oeroud gezegde vatte dit als volgt samen: een tovenaar die het moe is om naar glasscherven in zijn eten te zoeken, is levensmoe.

De oudste tovenaar, Grijsbrand Zwoord van de Aloude en Waarlijk Oprechte Wijsgeren van de Alronde Kring, leunde met al zijn gewicht op zijn rijkelijk besneden staf en sprak aldus:

'Schiet een beetje op, Wedersmeer, mijn voeten beginnen tekeer te gaan.'

Gladdert, die alleen even gezwegen had voor het effect, keek hem dreigend aan.

'Goed dan, ik zal kort zijn -'

'Mooi zo, kerel.'

'Allen hebben we naar steun en hulp gespeurd omtrent de voorvallen van hedenmorgen. Kan iemand van ons zeggen dat hij zoiets heeft mogen ontvangen?'

De tovenaars keken elkaar eens van opzij aan. Nergens buiten een broederlijke solidariteitsbijeenkomst van vakbonden vindt men zoveel onderling wantrouwen en achterdocht als bij een vergadering van vooraanstaande begoochelaars. Maar nu kwam het er ook nog op neer dat het deze dag heel slecht gegaan was. Anders toch heel mededeelzame demonen, pardoes opgeroepen uit de Kerkerdimensies, hadden op vragen gereageerd met wat schaapachtig gefrunnik. In toverspiegels waren zomaar barsten gekomen. Tarotkaarten raakten op geheimzinnige wijze zomaar al hun plaatjes kwijt. Kristallen bollen werden helemaal troebel. Zelfs theeblaadjes, iets waarvoor tovenaars anders de neus ophaalden als voor beuzelarij die geen beschouwing waardig was, raakten onderin de kopjes samengeklonterd en vertikten het om nog te bewegen.

Kort en goed, de tovenaars waren ten einde raad. Er klonk een gemompel van algemene eensgezindheid ter zake.

'En daarom stel ik voor dat wij het Ritueel van AschKentze gaan verrichten,' zei Gladdert dramatisch.

Hij moest wel toegeven dat hij op een wat gullere weerklank gerekend had, iets van de aard van: 'O nee, niet het Ritueel van AschKentze! Het is niet aan de mens zich met zulks in te laten!'

Maar er klonk juist algemeen goedkeurend gemompel.

'Goed idee.'

'Klinkt redelijk.'

'Gauw beginnen, dan maar.'

Wat in zijn wiek geschoten liet hij een sliert van mindere tovenaars opdraven, die diverse toverattributen de zaal in droegen.

Al eerder is gesuggereerd dat er in deze periode wat onenigheid heerste binnen de toverbroederschap aangaande hoe men de toverij moest bedrijven.

Met name jeugdiger tovenaars gaven telkens te kennen dat het tijd werd dat de toverij eens voor een eigentijdse beeldvorming zorgde, dat ze nu moesten ophouden met dat geknoei met stukjes was en gebeente en alles eens behoorlijk moesten herstructureren, met onderzoeksprojecten en driedaagse symposia in goede hotels waar ze rapporten konden inbrengen met titels als 'Aardzeggerij Waarheen?' of 'De rol van Zevenmijls Laarzen in een zorgzame samenleving'.

Roppaf, bijvoorbeeld, toverde tegenwoordig nog nauwelijks meer, maar hij draaide de Orde zo doelmatig als een zandloper, schreef een hele hoop notities en had een grote kaart aan de muur in zijn kantoortje, vol gekleurde tutteltjes en vlaggetjes en streepjes waar niemand echt iets van snapte maar die er erg indrukwekkend uitzag.

Het andere slag tovenaars vond dit allemaal maar drassig en klef en wilde niks van doen hebben met beeldvorming, tenzij men was als grondstof gebruikte en er dan spelden in stak.

De hoofden van de acht ordes waren allen deze mening toegedaan, stuk voor stuk toveraars van de oude stempel, en het gerei dat rond het octogram lag gestapeld was dan ook van zakelijk occulte, no-nonsense toversnit. Ramshoorns, schedels, bewerkelijk metaalspul en dikke kaarsen te kust en te keur, en dat ondanks de ontdekking door jongere tovenaars dat het Ritueel van AschKentze heel wel kon worden uitgevoerd met drie stukjes hout en vier cc muizenbloed.

De voorbereidingen vergden gewoonlijk verscheidene uren, maar door de gezamenlijke inzet van de gevorderde tovenaars werden ze aanzienlijk bekort, en na slechts veertig minuten galmde Gladdert al de laatste woorden van de bezwering. Even bleven ze voor hem in de lucht hangen, toen vervaagden ze.

De lucht in het midden van het octogram werd dik en lichtte op, en opeens was daar een lange duistere gestalte. Grotendeels ging die schuil in een zwarte mantel met een kap en dat was waarschijnlijk maar goed ook. De gestalte had in de ene hand een zeis en je kon er niet omheen dat wat eigenlijk vingers moesten zijn kennelijk louter witte botjes waren.

In de andere geraamtehand zaten kaasblokjes en een stokje met ananas eraan geprikt.

ZEG HET EENS? zei de Dood, met alle kleur en warmte van een ijsberg in zijn stem. Hij volgde de blik van de tovenaars en keek omlaag naar zijn prikhoutje.

IK WAS OP EEN FEESTJE legde hij uit op licht verwijtende toon.

'O schepsel van Aarde en Duisternis, wij dragen je op alles te laten varen dat -' begon Gladdert met zelfverzekerd, gezaghebbend stemgeluid. De Dood knikte.

JA, JA, DAT WEET IK ALLEMAAL AL zei hij. WAAROM HEB JE ME OPGEROEPEN?

'Men zegt dat jij zowel verleden als toekomst kunt zien,' zei Gladdert nogal nors, want de lange toespraak van bezwerende verbintenis was er een waar hij tamelijk op gesteld was en ze zeiden dat hij hem heel goed deed.

DAT IS VOLKOMEN JUIST

'Dan kun je ons misschien vertellen wat er vanmorgen precies gebeurd is?' vroeg Gladdert. Hij zamelde al zijn moed bijeen en vervolgde luid: 'Ik beveel dit bij Azimrodt, bij T'sjekkel, bij -'

JA, JA, IK HAD HET AL BEGREPEN zei de Dood. WAT WIL JE NU PRECIES WETEN? ER IS VANOCHTEND NIET ZO WEINIG GEBEURD, ER WERDEN MENSEN GEBOREN, ER GINGEN MENSEN DOOD, ALLE BOMEN WERDEN WAT HOGER, GOLFJES OP ZEE KABBELDEN IN AARDIGE PATRONEN -

'Ik bedoel dat met de Octavo,' zei Gladdert koeltjes.

DAT? O, DAT WAS GEWOON EEN AANPASSINKJE VAN DE WERKELIJKHEID. IK HEB BEGREPEN DAT DE OCTAVO EROP GEBRAND WAS DE ACHTSTE BEZWERING TE BEHOUDEN. HET SCHIJNT DAT DIE VAN DE SCHIJF AF VIEL

'Ho even, ho even,' zei Gladdert. Hij krabde onder zijn kin. 'Hebben we het dan over die in Rinzwinds hoofd? Zo'n lange dunne vent, nogal spichtig? Die hem -'

- NU AL JAREN MET ZICH MEEDRAAGT, JA

Gladdert fronste zijn voorhoofd. Dat leek toch een hoop overbodige moeite. Iedereen wist toch dat als er een tovenaar doodging alle bezweringen uit zijn hoofd vrijkwamen - waarom dan al die moeite om Rinzwind te redden? De bezwering zou uiteindelijk gewoon weer aan komen zweven.

'Enig idee waarom?' zei hij verstrooid, maar meteen had hij zich weer in de hand en hij vervolgde gauw: 'Ik bezweer je bij Jirriph en Kitsarla en -'

IK WOU DAT JE DAT NIET TELKENS DEED zei de Dood. AL WAT IK WEET IS DAT KOMENDE BEREWAAKSAVOND ALLE BEZWERINGEN MOETEN WORDEN OPGEZEGD OMDAT ANDERS DE SCHIJF TE GRONDE GAAT

'Praat eens wat harder, zeg!' eiste Grijsbrand Zwoord.

'Hou je mond!' zei Gladdert.

IK?

'Nee, die daar. Die suffe ouwe -'

'Dat hoorde ik nou es net!' snauwde Zwoord. 'Die jongelui ook met -' Hij hield zich in. De Dood stond hem peinzend op te nemen, alsof hij zich zijn gezicht probeerde te herinneren.

'Hoor eens', zei Gladdert, 'herhaal dat laatste nog eens, wil je? Wat gaat de Schijf anders?'

TE GRONDE, zei de Dood. KAN IK NU WEER GAAN? MIJN GLAASJE STOND ER NOG

'Nog even,' zei Gladdert gauw. 'Bij Tsjelilikkie en Orizoon enzovoort, hoe bedoel je, te gronde?'

HET IS EEN OEROUDE VOORSPELLING DIE STAAT GESCHREVEN OP DE BINNENWAND VAN DE GROTE PYRAMIDE VAN TSOORT. DAT DE WERELD TE GRONDE GAAT, HET LIJKT MIJ ZONDER MEER DUIDELIJK

'En meer kun je ons niet vertellen?'

ZO IS HET

'Maar het is nog maar twee maanden tot Berewaaksavond!'

ZO IS HET

'Je kunt toch op zijn minst zeggen waar Rinzwind uithangt!'

De Dood haalde zijn schouders op. Voor dat soort gebaar was zijn bouw bij uitstek geschikt.

het woud van schund, velgwaarts gelegen van het ramtop gebergte.

'Wat doet hij daar nou?'

ZICH HEEL ZIELIG VOELEN

'O.'

KAN IK NU DAN GAAN?

Gladdert knikte afwezig. Met weemoed dacht hij nog even aan het verdrijvingsritueel, dat begon met 'Scheer je weg, boze schim' en een paar tamelijk indrukwekkende passages kende waar hij goed op geoefend had, maar op een of andere manier kon hij de benodigde geestdrift nu niet opbrengen.

'Ach ja,' zei hij. 'Dank je wel, ja.' En omdat je zelfs de schepselen van de nacht maar beter te vriend kunt houden, voegde hij er beleefd aan toe: 'Ik hoop dat het een leuk feestje wordt.'

De Dood antwoordde niet. Hij stond naar Zwoord te kijken op net zo'n manier als een hond naar een bot kijkt, al zat het dit keer zo'n beetje andersom in elkaar.

'Ik zei, ik hoop dat het nog een leuk feestje wordt,' zei Gladdert wat luider.

MOMENTEEL IS HET DAT WEL zei de Dood onbewogen. IK DENK ZO DAT HET NA MIDDERNACHT WEL SNEL ACHTERUIT ZAL GAAN

'Hoezo?'

DAT IS HET MOMENT WAAROP ZE ALLEMAAL DENKEN DAT IK MIJN MASKER GA AFZETTEN

Hij verdween, en er lag alleen nog een cocktailprikkertje en een sliertje serpentine.

 

-~oOo~-

 

Een onzichtbaar waarnemer had dit alles gezien. Het was natuurlijk volstrekt tegen de regels, maar Roppaf wist alles van regels en had ze altijd beschouwd als leuk om te maken, maar niet bedoeld om op te volgen.

Lang voordat de acht tovermeesters goed en wel begonnen te ruziën over wat de verschijning nu wel had bedoeld, zat hij alweer beneden in de centrale verdieping van de universiteitsbibliotheek.

Dit was een ontzag inboezemende omgeving. Veel van de boeken waren tover-, en van toverkrachtige folianten moet men goed onthouden dat ze levensgevaarlijk zijn in handen van een ordelievende bibliothecaris, want die voelt zich gedwongen ze bij elkaar op dezelfde plank te zetten. Met boeken die de neiging hebben toverkracht te lekken is dat geen goed idee, want met meer dan een of twee bij elkaar vormen ze een kritische Mediamassa. Daar komt bij dat veel van de mindere bezweringen tamelijk kieskeurig zijn omtrent hun gezelschap, waarbij ze de neiging vertonen eventuele bezwaren te uiten door hun boeken gemeen hard door de zaal te smijten. En dan is er natuurlijk altijd nog de half-besefte aanwezigheid van de Dingen uit de Kerkerdimensies, altijd overal samenklonterend waar toverkracht weglekt en eeuwig tastend en rammelend aan de muren van de werkelijkheid.

Het baantje van een toverbibliothecaris, die elke werkdag moet doorbrengen in dat soort zwaar geladen ambiance, is dan ook een beroep met sterk verhoogd risico.

De Hoofdbibliothecaris zat momenteel op zijn bureau kalmpjes een sinaasappel te pellen, en hij was zich dit zeer wel bewust.

Toen Roppaf binnenkwam keek hij even op.

'Ik ben op zoek naar alles wat we hebben dat verband houdt met de Pyramide van Tsoort,' zei Roppaf. Hij had zich goed voorbereid: hij haalde een banaan uit zijn zak.

De bibliothecaris keek er treurig naar en wipte toen met een plof op de grond. Roppaf voelde hoe er zachtjes een handje in zijn hand werd gelegd en de bibliothecaris nam hem mee, droevig voortwaggelend tussen de schappen. Het voelde alsof je een leren handschoentje vasthield.

Om hen heen sputterden en vonkten de boeken, met nu en dan een ontlading van ongerichte toverkracht die via de zorgvuldig verdeelde, langs de planken vastgenagelde toverafleiders wegflitste. Er hing een blikkige, blauwige geur en net aan de gehoorgrens klonk het gruwelijke gekwetter van de kerkerwezens.

Zoals veel delen van de Gesloten Universiteit bevatte de bibliotheek nogal wat meer ruimte dan zijn buitenafmetingen deden vermoeden, want toverij verwringt de ruimte op vreemde manieren, en het was waarschijnlijk de enige bibliotheek in het heelal met Möbiusplanken. Maar het catalogusbrein van de bibliothecaris liep net zo gesmeerd als een naaimachine. Hij hield stil bij een torenhoge stapel muffe boeken en hij slingerde zich omhoog het donker in. Er klonk een ritselend papiergeluid en een stofwolk zweefde rondom Roppaf omlaag. Toen dook de bibliothecaris weer op, met een dun deeltje in zijn hand.

'Oeoek,' zei hij.

Roppaf nam het behoedzaam over.

Het omslag was gekrast en vertoonde ferme ezelsoren, het goud van de belettering was er lang geleden afgebladderd, maar hij kon nog net de woorden onderscheiden, in de oude tovertaal van het Dal van Tsoort: Die Greate Thempel die Tsoort Hiet, Iene Mystische Historij.

'Oeoek?' zei de bibliothecaris bezorgd.

Omzichtig sloeg Roppaf de bladzijden om. Hij was niet zo goed in talen, hij had ze altijd tamelijk onhandige dingen gevonden die maar beter vervangen konden worden door een soort makkelijk te vatten getallensysteem, maar dit leek toch precies wat hij zocht. Hele bladzijden waren overdekt met veelbetekenende hiëroglyfen.

'Is dit het enige boek dat je hebt over de Pyramide van Tsoort?' vroeg hij langzaam.

'Oeoek.'

'Zeker weten?'

'Oeoek.'

Roppaf luisterde gespannen. Heel in de verte hoorde hij al het geluid van naderende voetstappen en twistende stemmen. Maar ook daarop had hij zich voorbereid.

Hij stak een hand in zijn zak.

'Zou je nog een banaan lusten?' zei hij.

 

-~oOo~-

 

Het woud van Schund was inderdaad betoverd, iets wat op de Schijf helemaal niet ongewoon is, en het was ook het enige woud van het heelal dat - in het plaatselijk dialect - de naam droeg van Je Eigen Vinger Sukkel, de letterlijke betekenis van de term Schund.

De oorzaak hiervan is helaas maar al te gebruikelijk. Toen de eerste ontdekkingsreizigers uit de warme landen rond de Cirkelzee de kille binnenlanden introkken, vulden zij de witte plekken op hun kaarten in door de eerste de beste inboorling aan te klampen, een of ander terreinkenmerk aan te wijzen, luid en langzaam hun zegje te doen, en dan op te schrijven wat het onthutste slachtoffer te berde bracht. Dit leidde tot het vereeuwigen in generaties atlassen van aardrijkskundige rariteiten als Gewoon Een Berg, Weet Ik Het, Watte? en natuurlijk Je Eigen Vinger Sukkel.

Regenwolken dromden samen rond de kale hoogten van Piez Oelskuikrad ('Wie is deze Halve Gare die Niet Weet wat een Berg Is?') en de Bagage maakte het zich nog wat gemakkelijker onder een druipende boom, die vergeefs probeerde een gesprek aan te knopen.

Tweebloesem en Rinzwind hadden ruzie. De persoon over wie ze ruzieden zat op zijn paddestoel en nam hen belangstellend op. Hij zag eruit als iemand die rook naar iemand die in een paddestoel woonde, en dat zat Tweebloesem niet lekker.

'Nou, waarom heeft hij dan geen rode muts?'

Rinzwind aarzelde en probeerde zich wanhopig voor te stellen waar Tweebloesem op zinspeelde.

'Hè?' vroeg hij, want hij gaf het op.

'Hij zou een rode muts moeten hebben,' zei Tweebloesem. 'En hij zou vooral schoner moeten zijn en, en een beetje gezelliger. Ik vindt helemaal niet dat hij op een kabouter lijkt.'

'Waar heb je het toch over?'

'Kijk nou eens naar die baard,' zei Tweebloesem streng. 'Ik heb mooiere baarden gezien aan een oude kaas.'

'Hoor eens, hij is vijftien centimeter lang en hij woont in een paddestoel,' snauwde Rinzwind. 'Natuurlijk is hij een kabouter, verdorie.'

'Alleen omdat hij het zegt zeker.'

Rinzwind keek omlaag naar de kabouter.

'Excuseer mij even,' zei hij. Hij troonde Tweebloesem mee naar de overkant van de open plek.

'Luister,' siste hij tussen zijn tanden. 'Als hij vijftien meter lang was en zei dat hij een reus was, dan was dat zeker ook alleen maar waar omdat hij het zei?'

'Hij zou ook best een kobold kunnen wezen,' hield Tweebloesem koppig vol.

Rinzwind keek om naar het kleine wezentje dat ijverig in zijn neusje zat te peuteren.

'En?' zei hij. 'Wat dan nog? Kabouter, kobold, leperkaantje - wat zou dat nou?'

'Geen leperkaantje,' zei Tweebloesem beslist. 'Leperkaantjes, die hebben van die groene overalletjes aan en puntmutsjes op, en voelsprietjes met van die knobbeldingetjes op hun kop. Ik heb zelf de plaatjes gezien.'

'Waarin?'

Tweebloesem aarzelde en keek bedremmeld naar zijn voeten. 'Ik denk dat de titel van het boek mompel, mompel, mompel was.'

'Wat, wat was dat voor titel?'

Opeens had het ventje veel belangstelling voor de rug van zijn handjes.

'Bloemenelfjesboek voor het Kleine Volkje,' mompelde hij.

Rinzwind trok een wezenloos gezicht.

'Gaat dat over hoe je uit hun buurt moet blijven?' vroeg hij.

'O nee,' zei Tweebloesem vlug. 'Het vertelt juist waar je ze vinden kunt. Ik zie de plaatjes zo weer voor me.' Op zijn gezicht verscheen een dromerige blik en Rinzwind kreunde al inwendig. 'Er was ook een apart feetje dat je tandjes kwam halen.'

'Wat?! Kwam die naar je toe om je tanden eruit te -'

'Nee, nee, je hebt het mis. Ik bedoelde, als er een tandje uit was, wat je dan deed, je stopte het onder je kussen en dan kwam het feetje en die nam het mee en legde er een pegulstuk voor in de plaats.'

'Waarom?'

'Waarom wat?'

'Waarom haalde die de tandjes op?'

'Zo was het gewoon.'

Rinzwind stelde zich het tafereel voor van een raar soort wezen dat in een kasteel van tanden woonde. Het was het soort tafereel dat je meteen weer wilde vergeten. Zonder dat dat lukte.

'Brrr,' zei hij.

Rode mutsen! Hij vroeg zich af of hij de toerist moest voorlichten over hoe het leven echt was als een kikkertje al een goeie maaltijd betekende, een konijnenhol een geschikte plek om voor de regen te schuilen, en een uil een zwevend en zwijgend schrikbeeld in de nacht. Een broekje van mollenvel mocht dan typisch klinken, je moest het maar eens zelf zien los te krijgen bij de oorspronkelijke eigenaar, als die gemene sodemieter eenmaal in een hoekje van zijn hol in het nauw zat. En wat rode mutsen betreft, wie in kleurige en opzichtige uitdossing in het bos rondhing zou dat maar heel, heel kort kunnen doen.

Hij wilde zeggen: hoor eens, het leven van kabouters en kobolden is gemeen, ruw en kort. Zelf zijn ze dat ook.

Dit wilde hij allemaal zeggen, maar hij kon niet. Tweebloesem, nota bene een man vervuld van de zucht om de hele oneindigheid te zien, kwam eigenlijk nimmer buiten zijn eigen schedel. Hem de waarheid zeggen was net zoiets als een tekkel schoppen.

'Zwie wiwie wiedele wiets,' zei een stemmetje bij zijn voet. Hij keek omlaag. De kabouter, die zich als Zwierus had voorgesteld, keek omhoog. Nu had Rinzwind een goed oor voor talen. De kabouter had zojuist het volgende opgemerkt: 'Ik heb nog wat salamanderpuree over van gisteren.'

'Klinkt heerlijk,' zei Rinzwind.

Zwierus porde hem nog eens in zijn enkel.

'Die andere groterd, is-ie wel goed?' zei hij bezorgd.

'Die heeft alleen een beetje last van een werkelijkheidsschok,' zei Rinzwind. 'Je hebt toch niet toevallig een rode muts?'

'Wiet?'

'Zomaar een idee.'

'Ik weet waar wel wat te eten is voor groterds,' zei de kabouter. 'Onderdak ook. Ver is het niet.'

Rinzwind keek naar de betrekkende lucht. Het daglicht vloeide weg uit het landschap en de wolken zagen eruit of ze iets over sneeuw hadden gehoord en daar nu over nadachten. Natuurlijk, lui die in paddestoelen woonden kon je niet per se vertrouwen, maar een deur met daarachter een val en daarin weer als lokaas een warm maal - momenteel zou de tovenaar daar wat graag op bonzen om binnen te mogen.

Ze gingen op pad. Na een paar tellen stak ook de Bagage behoedzaam zijn beentjes uit om hen te volgen.

'Psst!'

Voorzichtig draaide de kist zich om door zijn beentjes wat ingewikkelde pasjes te laten doen, en het was net of hij omhoog keek.

'Is dat prettig, schrijnwerk zijn?' vroeg de boom gretig. 'Deed het zeer?'

Het leek of de Bagage er even over moest denken. Elk koperen handvat, elke kwast straalde volstrekte concentratie uit.

Toen haalde de kist zijn deksel op en hij wiebelde heen.

De boom zuchtte diep en schudde wat dode bladeren uit zijn twijgen.

 

-~oOo~-

 

Het hutje was klein, vervallen en even druk versierd als een nostalgische pianoloper. Het kwam Rinzwind voor of er een dolgeworden houtsnijder op had huisgehouden, die vreselijk tekeer was gegaan voor ze hem konden wegsleuren. Elke deur, elk luik was volop voorzien van houten druiventrossen en uitgesneden halve maantjes, en overal op de muren zat een hevige uitslag van in guirlandes gebeitelde denappeltjes. Hij had haast het gevoel dat er elk ogenblik uit een van de bovenraampjes een reuzenkoekoek naar buiten kon schieten.

Wat hij ook opmerkte was dat typische vettige gevoel in de lucht. Kleine groene en paarse vonkjes flitsten uit zijn vingernagels.

'Sterk toverkrachtveld,' mompelde hij. 'Van op zijn minst honderd milliPocus.'[*]

'Het wemelt hier van de toverij,' zei Zwierus. 'Er woonde hier een oude heks in de buurt. Ze is al lang geleden weggegaan, maar de toverkracht houdt het huisje aan de gang.'

'Kijk eens, er is wat raars met die deur,' zei Tweebloesem.

'Waarom zou een huis toverij nodig hebben om aan de gang te blijven?' vroeg Rinzwind zich af.

Behoedzaam raakte Tweebloesem een muur aan.

'Het is helemaal kleverig!'

'Noga,' zei Zwierus.

'Jemineetje! Een echt peperkoekhuisje! Rinzwind, een echt -'

Rinzwind knikte nors. 'Ja hoor, bouwkunst in Klassieke Versnaperingenstijl,' zei hij. 'Nooit wat geworden.'

Achterdochtig bekeek hij de dropklopper die op de deur zat.

'Het groeit zo'n beetje weer aan,' zei Zwierus. 'Wonderbaarlijk, eigenlijk. Tegenwoordig vind je zoiets niet meer, die peperkoek is nergens meer aan te komen.'

'Nee toch?' zei Rinzwind somber.

'Kom er in', zei de kabouter, 'maar denk om de deurmat.'

'Hoezo?'

'Suikerspin.'

 

[*] Een Pocus is de grondeenheid van toverkracht. Deze is universeel vastgesteld als de hoeveelheid toverkracht, nodig voor het te voorschijn toveren van één klein wit duifje of van drie biljartballen van standaardformaat.

 

-~oOo~-

 

De grote Schijf wentelde traag onder zijn zwoegende zonnetje door, het daglicht vormde plasjes in kommen en dalen, maar ten slotte zakte het weg toen de nacht inviel.

In zijn kille kamer in de Gesloten Universiteit zat Roppaf over het boek gebogen; zijn lippen bewogen terwijl hij met een vinger het eigenaardige, oeroude handschrift langsging. Hij las dat de Grote Pyramide van Tsoort, inmiddels al lang verdwenen, was gebouwd uit één miljoen drieduizend en tien blokken kalksteen. Hij las hoe tienduizend slaven zich bij de bouw ervan dood hadden moeten werken. Hij vernam dat hij een doolhof van geheime gangen bevatte, met wanden die volgens zeggen versierd waren met het destillaat van alle wijsheid van het oude Tsoort. Hij las verder dat de hoogte gedeeld door de halve breedte precies gelijk was aan 1,67563, oftewel precies 1.237,98712567 maal het verschil tussen de afstand naar de zon en het gewicht van een kleine sinaasappel. Hij vernam dat de constructie ervan wel zestig jaar in beslag had genomen.

Dat leek toch wel erg veel gedoe, zo peinsde hij, alleen maar om een scheermesje scherp te houden.

En in het Woud van Schund zetten Tweebloesem en Rinzwind zich aan een maal van peperkoeken schoorsteenmantel en met verlangen dachten ze aan zure uitjes.

En verder weg, maar wel als het ware op botskoers, rolde de grootste held die de Schijf ooit voortbracht net een sigaret, nog zonder enig idee van de rol die straks voor hem was weggelegd.

Het was trouwens een best interessant torpedootje dat hij daar tussen zijn vingers draaide, want net als al die dolende tovenaars die hem het kunstje hadden geleerd, had hij de gewoonte zijn peukjes op te sparen in een leren buideltje, om daar dan weer verse rokertjes van te rollen. De onweerlegbare wet van de grote getallen schreef derhalve voor dat een deel van zijn tabak intussen al jaren aan een stuk door was gerookt. Het geval dat hij nu vergeefs probeerde aan te steken was, nou ja, je had er een weg mee kunnen verharden.

De reputatie van dit personage was zo geweldig, dat een groepje barbaarse ruiternomaden hem had uitgenodigd om in hun kring rond het paardenvijgenvuur te komen zitten. De nomaden uit de naafstreken trokken bij het invallen van de winter gewoonlijk velgwaarts, en dit stel behoorde tot een stam die hun vilten tenten had opgezet bij een zwoele hittegolf van nog geen drie graden onder nul, waarbij ze last van vervellende neuzen kregen en steen en been klaagden over hun zonnesteek.

De barbarenhoofdman zei: 'Wat zijn dan de beste dingen die een man in het leven kan treffen?' Dit is het soort dingen dat je geacht wordt te zeggen, wil je in barbaarse kringen je steppewaardigheid handhaven.

De man rechts van hem dronk peinzend van zijn cocktail van paardenmelk en sneeuwkattenbloed, en hij sprak aldus: 'De frisse kim van de steppe, de wind door je haar, een vers paard tussen de benen.'

De man links van hem zei: 'De kreet van de arend op de hoogvlakte, de sneeuw die valt in het bos, een trefzekere pijl uit je boog.'

De hoofdman knikte en zei: 'En zeker zijn het de aanblik van je verslagen vijand, de vernedering van zijn stam en het weeklagen van zijn vrouwen.'

Er klonk een algemeen gemompel van baardige bijval voor dit overdreven spektakelstuk.

Toen wendde de hoofdman zich eerbiedig tot zijn gast, een frêle gestalte die net zijn wintervoeten warmde aan het vuur, en hij zei: 'Maar ook onze gast, wiens naam een legende is, moet ons naar waarheid vertellen: wat kan een man het beste in het leven noemen?'

De gast onderbrak zijn zoveelste vergeefse poging om er eentje op te steken.

'Wat sjegje?' zei hij tandeloos.

'Ik zeg: wat kan een man het beste in het leven noemen?'

De krijgers bogen zich naderbij. Dit zou de moeite van het horen waard zijn.

De gast dacht lang en diep na en zei toen weloverwogen: 'Warm sjtromend water, een goed gebit en zjacht toiletpapier.'

 

-~oOo~-

 

Schitterend octarijn licht vlamde hoog op in het smidsvuur. Gladdert Wedersmeer, met ontbloot bovenlijf en het gezicht verborgen achter een masker van beroet glas, tuurde in de gloed en liet zijn moker met chirurgische nauwkeurigheid neerkomen. De toverkracht gilde en kronkelde in zijn tang, maar hij hield vol en wist hem te bewerken tot een streep van gepijnigd vuur.

Er kraakte een vloerplank. Gladdert had vele uren besteed aan het stemmen van die planken, wat altijd een verstandige voorzorg is met zo'n eerzuchtige assistent die sluipt als een kat.

D mineur. Dat betekende dat hij net rechts van de deur was.

'Ha, Roppaf,' zei hij zonder zich om te draaien, en het deed hem plezier om te horen hoe achter hem even de adem werd ingehouden. 'Leuk dat je er bent. Doe de deur achter je dicht, wil je?'

Roppaf duwde zonder een spier van zijn gezicht te vertrekken tegen de zware deur. Op een plank hoog boven hem wentelden zich diverse ingemaakte onmogelijkheden in de geborgenheid van hun sterk-waterflessen en ze keken met belangstelling op hem neer.

Zoals veel toverwerkplaatsen zag deze eruit als het atelier van een preparateur die zijn handel had overgebracht naar een ijzergieterij en toen ruzie had gekregen met een waanzinnige glasblazer, waarbij hij tussen de bedrijven door nog een krokodil de kop ingeslagen had (zoeentje hing er aan de zoldering naar kamfer te stinken). Het zat er vol ringen en lampen waarover Roppaf maar wat graag wilde wrijven, en spiegels die eruit zagen of nadere beschouwing best eens wat op kon leveren. Een paar zevenmijlslaarzen roerde zich ongedurig in een kooi. Een hele bibliotheek toverfolianten, natuurlijk niet zo machtig als de Octavo maar toch zwaar van bezweringen, kraakten en rammelden aan hun ketens toen ze de begerige blik van de tovenaar voelden. De naakte kracht van dit alles raakte hem zoals niets anders dat kon, al betreurde hij de sjofele staat en Gladderts theatrale neigingen.

Zo wist hij bijvoorbeeld dat de groene vloeistof die daar geheimzinnig door een kronkelende doolhof van buizen borrelde, niks anders was dan zeepwater met een groene kleurstof erin, want hij had een van de bedienden omgekocht.

Eens komt de dag, dacht hij, dat dit er allemaal uitvliegt. Te beginnen met die verdomde alligator. Zijn knokkels trokken wit weg…

'O ja,' zei Gladdert opgewekt, terwijl hij zijn schort ophing en achterover leunde in zijn stoel met de leeuwenklauwsteunen en de eendenpoten. 'Je had me zo'n memotitietje gestuurd.'

Roppaf haalde zijn schouders op. 'Een memo, of een notitie. Het was alleen om er op te wijzen, heer, dat de andere Ordes allemaal agenten naar het Schundwoud hebben uitgestuurd om de bezwering weer te vangen, terwijl jij niets doet,' zei hij. 'Ongetwijfeld zul je mettertijd je redenen onthullen.'

'Je vertrouwen maakt me beschaamd,' zei Gladdert.

'De tovenaar die de bezwering weet te vangen zal zichzelf en zijn orde van veel eer verzekeren,' zei Roppaf. 'De anderen hebben onder meer laarzen aangewend en veel eldersbezweringen. Wat dacht je te gebruiken, meester?'

'Bespeur ik daar een vleugje sarcasme?'

'Volstrekt niet, meester.'

'Zelfs geen ietsepietsje?'

'Zelfs niet het geringste ietsepietsje, meester.'

'Goed zo. Want ik ben niet van plan om te gaan.' Gladdert bukte zich om een heel oud boek op te rapen. Hij mompelde een bevel en het ging krakend open; een boekenlegger die verdacht veel weg had van een tong, flapte terug tussen de rugbinding.

Hij frunnikte wat rond naast zijn kussen en haalde een leren tabakszakje te voorschijn en een pijp zo groot als een verbrandingsoven. Met alle handigheid van een nicotineverslaafde in het eindstadium verkruimelde hij met één hand een propje tabak dat hij stevig aanstopte in de pijpenkop. Hij knipte met de vingers en vuur vlamde op. Hij zoog met kracht, zuchtte toen voldaan…

…en keek op.

'Ben je er nog steeds, Roppaf?'

'Je had me geroepen, meester,' zei Roppaf uitgestreken. Tenminste, dat zei zijn stem. Diep in zijn ogen glansde heel flauwtjes iets dat zei dat hij een lijst bijhield van elke krenking, elke neerbuigende kwinkslag, iedere zachtaardige berisping, elke veelbetekenende blik, en voor elk daarvan afzonderlijk zou Gladderts brein ooit een jaar doorbrengen in bijtend zuur.

'Ach ja, dat is ook zo. Zie de tekortkomingen van een oud man maar door de vingers,' zei Gladdert opgeruimd. Hij stak het boek waarin hij las in de lucht.

'Ik voel niet zoveel voor al dat rondrennen,' zei hij. 'Heel dramatisch hoor, dat gedoe met tovertapijten en wat dies meer zij, maar naar mijn gevoel is dat niet de ware toverij. Neem nu die zevenmijlslaarzen. Als God had gewild dat mensen stappen van elf kilometer en tweehonderd meter konden doen, dan had hij ons wel langere benen gegeven… Waar was ik ook weer?'

'Ik zou het niet weten,' zei Roppaf kil.

'O ja, toch typisch dat we in de Bibliotheek niets over de Pyramide van Tsoort konden vinden, vind je ook niet? Je zou toch denken dat er wel iets was geweest.'

'De bibliothecaris zal getuchtigd worden, dat is zeker.'

Gladdert keek hem schuins aan. 'Niet al te streng, hoop ik,' zei hij. 'Een tijdje geen bananen, misschien.'

Ze keken elkaar een ogenblik aan.

Gladdert gaf dat het eerst op - het recht aankijken van Roppaf vond hij altijd onprettig. Het gaf je hetzelfde verwarrende gevoel als wanneer je in een spiegel keek en daar dan niemand zag.

'Hoe dan ook', zei hij, 'vreemd genoeg kon ik elders steun vinden. Om precies te zijn in mijn eigen bescheiden boekenkast. Het dagboek van Schrielt Wisselkorf, de stichter van onze orde. En jij, mijn nijvere jongeman die zoveel haast heeft om erop uit te gaan, weet jij wat er gebeurt als een tovenaar sterft?'

'Elke bezwering die hij heeft geleerd zal zichzelf opzeggen,' zei Roppaf. 'Dat is een van de eerste dingen die we leren.'

'Dat geldt om precies te zijn niet voor de oorspronkelijke Acht Grote Bezweringen. Na uitputtende detailstudies kwam Schrielt erachter dat een Grote Bezwering louter de wijk neemt in het dichtstbijzijnde brein dat vrij is om hem te ontvangen. Duw die grote spiegel eens hierheen, alsjeblieft.'

Gladdert kwam overeind en schuifelde naar het smidsvuur, dat intussen was afgekoeld. De strook toverkracht kronkelde nog wel, alsof hij er beurtelings wel en niet was, ja, alsof er een spleetje was geknipt naar een ander heelal vol heet blauw licht. Met gemak tilde hij de strook op, daarna pakte hij een grote handboog uit een rek en sprak hij een krachtig toverwoord uit, en voldaan zag hij hoe de toverkracht de uiteinden van de boog greep en toen aantrok tot het hout ervan kraakte. Ten slotte zocht hij een pijl uit.

Roppaf had een zware manshoge spiegel naar het midden van de vloer gesleept. Als ik eenmaal hoofd van de Orde ben, zei hij bij zichzelf, dan zul je mij hier beslist niet zien rondschuifelen op pluchen pantoffeltjes.

Zoals eerder opgemerkt was Roppaf van mening dat er door fris bloed heel wat kon worden gedaan als eerst het dorre hout maar eens werd weggehakt - maar voorlopig was hij wel degelijk geïnteresseerd in wat die ouwe sufferd nu weer zou gaan doen.

Wellicht had het hem goed gedaan te weten dat zowel Gladdert als Schrielt Wisselkorf er totaal naast zaten.

Gladdert gebaarde wat voor het spiegelglas langs en dat werd eerst troebel, maar klaarde weer op en toonde een uitzicht vanuit de lucht op het Woud van Schund. Hij keek er gespannen naar en hield intussen de boog zo vast dat de pijl zo'n beetje naar het plafond werd gericht. Hij mompelde wat woorden, zoals 'compenseren voor een wind van zeg drie knopen' en 'rekening houden met de temperatuur', en liet toen, met een wat tegenvallend sloom gebaar, de pijl uit de boog schieten.

Als de wetten van actie en reactie er iets mee te maken hadden gehad zou de pijl een meter verder op de grond getuimeld zijn. Maar die hadden er niets over te zeggen.

Met een geluid dat iedere beschrijving tart, maar dat men zich om wille van de volledigheid mag voorstellen als in beginsel een soort 'zzpang!', waaraan dan toegevoegd drie dagen zwoegen in een redelijk van apparatuur voorziene opnamestudio, verdween de pijl uit het zicht.

Gladdert gooide de boog opzij en grijnsde.

'Het kost hem natuurlijk wel nog een uur om er te komen,' zei hij. 'Maar dan volgt de bezwering gewoon het geïoniseerde pad hierheen terug. Naar mij.'

'Nee maar,' zei Roppaf, maar elke toevallig passerende telepaat zou in letters van meters hoog hebben kunnen lezen: gaat dat bij jou, dan ook bij mij. Hij keek omlaag naar de overladen werkbank, en een lang en heel scherp mes daar leek hem geknipt voor wat hem opeens inviel.

Lijfelijk geweld was niet iets waar hij graag mee te maken had, behalve dan via een tussenpersoon. Maar de Pyramide van Tsoort was maar al te duidelijk geweest over al die beloningen voor iemand die op het juiste moment alle acht bezweringen bij elkaar bracht, en Roppaf voelde er weinig voor om jaren van nijvere inspanning teloor te laten gaan, alleen omdat een ouwe sufferd zo'n helder idee had.

'Zou je onder het wachten een kop chocola lusten?' zei Gladdert en hij strompelde de kamer door naar het schellekoord.

'Jazeker,' zei Roppaf. Hij pakte het mes en balanceerde het op zijn hand om het op trefzekerheid te beoordelen. 'Ik moet je gelukwensen, meester. Ik zie in dat we allemaal heel wat vroeger op moeten staan als we het tegen jou willen opnemen.'

Gladdert lachte. En het mes verliet Roppafs hand met zo'n vaart dat het (vanwege de tamelijk slome aard van het licht op de Schijf) inderdaad wat korter werd en wat zwaarder, terwijl het trefzeker op Gladderts hals afkoerste.

Zover kwam het niet. In plaats daarvan zwenkte het opzij en het begon rond te gaan in een snelle baan - zo snel dat het leek of Gladdert opeens een metalen halsring droeg. Hij draaide zich om en het kwam Roppaf voor alsof hij opeens een meter langer en veel machtiger was geworden.

Het mes ontsnapte weer aan de baan en plofte trillend in de deur op nog geen schim van een haar van Roppafs oor.

'Heel wat vroeger?' zei Gladdert opgewekt. 'Beste jongen, je zult de hele nacht op moeten blijven.'

 

-~oOo~-

 

'Neem nog wat tafel,' zei Rinzwind.

'Nee, dank je wel, ik lust geen marsepein,' zei Tweebloesem. 'Trouwens, ik denk dat het niet netjes is om andermans meubilair op te eten.'

'Maak je maar niet druk,' zei Zwierus. 'De oude heks is al in geen jaren meer gezien. Ze zeggen dat ze er danig van langs heeft gehad van een paar jonge vlegels.'

'Die kinderen tegenwoordig,' vond Rinzwind.

'Voor mij zijn de ouders de schuld,' zei Tweebloesem.

Als je je mentaal maar eenmaal had aangepast, dan was het peperkoekhuisje best een aardig oord. Het toverresidu hield het gaande en het werd gemeden door wat er in de buurt aan wilde dieren nog niet was bezweken aan acuut tandbederf. In de open haard brandde een nogal kliederig vuur van dropblokken; Rinzwind had nog geprobeerd buiten wat hout te sprokkelen, maar dat had hij opgegeven. Het valt niet mee hout te verbranden dat tegen je praat.

Hij liet een boertje.

'Erg gezond is dit niet,' zei hij. 'Ik bedoel maar, waarom alleen snoep? Waarom geen beschuit met kaas? Of liever salami - een divan van salami, daar heb ik wel trek in.'

'Geen idee,' zei Zwierus. 'Die Opoe Copsuf deed alleen maar aan snoep. Je had haar schuimpjes eens moeten zien -'

'Dat heb ik,' zei Rinzwind. 'Ik heb de matrassen bekeken…'

'Peperkoek is historisch toch juister, of anders pannenkoek' zei Tweebloesem.

'Wat, voor in matrassen?'

'Denk nou toch na,' zei Tweebloesem goedig. 'Wie heeft er nu ooit van peperkoekmatrassen gehoord?'

Rinzwind gromde maar wat. Hij dacht aan eten - om precies te zijn aan eten in Ankh-Meurbork. Gek hoe die plaats hem steeds leuker voorkwam hoe verder hij er vandaan was. Hij hoefde zijn ogen maar dicht te doen om tot in elk watertandend detail al die eetkraampjes voor zich te zien, die er met honderd cultuurverschillen de markten verrijkten. Je kon er kwa-tze, of haaienvinnensoep eten, zo vers, dat zwemmers er angstvallig bij uit de buurt bleven, en -

'Zou je denken dat ik dit gebouw kopen kon?' zei Tweebloesem. Rinzwind aarzelde. Hij was erachter gekomen dat het altijd de moeite loonde om heel goed na te denken voordat je op Tweebloesems meer verrassende vragen antwoord gaf.

'Waarom zou je?' vroeg hij behoedzaam.

'Nou, er hangt zo'n sfeer, zo'n geur van romantiek.'

'Ach.'

'Romantiek, wat is dat?' vroeg Zwierus en hij snoof voorzichtig, met een gezicht dat duidelijk zei dat hij het niet gedaan had, wat het dan ook was.

'Dat is geloof ik een soort vette oude kwark,' zei Rinzwind. 'Trouwens, je kunt dit hier helemaal niet kopen, want er is niemand om van te kopen -'

'Dat kan ik wel regelen, denk ik; namens de bosraad natuurlijk,' onderbrak Zwierus, die probeerde te doen of hij Rinzwinds boze blikken niet zag.

'- en je kunt het trouwens niet meenemen. Ik bedoel, je zou het toch niet in de Bagage kunnen stoppen?' Rinzwind wees naar de Bagage die bij het vuur lag en er op een of andere onmogelijke manier wist uit te zien als een voldane, maar toch waakzame tijger; toen keek hij weer naar Tweebloesem. Teleurstelling nam bezit van zijn gezicht.

'Kun je dat dan wel?' herhaalde hij.

Hij had nog nimmer het feit verwerkt dat het inwendige van de Bagage niet helemaal van dezelfde wereld leek te zijn als waar de buitenkant zat. Zeker, dat was maar een bijverschijnsel van zijn algemene griezeligheid, maar toch was het onthutsend om te zien hoe Tweebloesem hem vol deed met vuile hemden, om dan later te zien hoe hij openging met stapels frisse, schone was, flauw geurend van de lavendel. Tweebloesem had ook een boel inheemse gebruiksvoorwerpen bij zich, of rommel, zoals Rinzwind dat noemde, en zelfs een meer dan twee meter lange berenbijtknuppel scheen er zomaar in te passen zonder dat ergens iets uitstak.

'Ik weet niet,' zei Tweebloesem. 'Jij bent tovenaar, jij weet zulke dingen.'

'Ja, nou, natuurlijk, maar bagagetoverij is een heel apart vak,' zei Rinzwind. 'Trouwens, de kabouters zouden toch niet echt willen verkopen, want het is, het is -' hij grabbelde en tastte in wat hij wist van Tweebloesems malle woordenschat '- een toeristische trekpleister.'

'Wat is dat dan?' vroeg Zwierus belangstellend.

'Het houdt in dat er hopen lieden als hij op af komen om ernaar te kijken,' zei Rinzwind.

'Waarom dat zo?'

'Omdat -' Rinzwind zocht weer naar woorden '- het typisch is. Uh, uit de oude doos. Folkloristisch. Uh, een prachtvoorbeeld van verdwenen volkskunst, doordrenkt van reeds lang vervlogen ambachtelijkheid.'

'O ja?' zei Zwierus en hij keek verbijsterd naar het hutje.

'Ja.'

'Al die dingen?'

'Ik kan er niks aan doen.'

'Dan help ik je wel inpakken.'

En de nacht vordert, onder een dek van dalende wolken dat vrijwel de hele Schijf bedekt - en maar goed ook, want als het opklaart krijgen de astrologen weer goed zicht op de hemel, en dan zullen ze overstuur raken en boos.

En in diverse delen van het woud raken ploegen tovenaars de weg kwijt, en ze draaien in kringetjes rond, en ze verschuilen zich voor elkaar; en ze raken de kluts kwijt, want elke keer als ze op een boom botsen verontschuldigt hij zich. En toch, met vallen en opstaan, komen er velen al tamelijk dicht bij het huisje…

 

-~oOo~-

 

Dit lijkt een goed moment om eens terug te gaan naar de slordige bouwsels van de Gesloten Universiteit, in het bijzonder naar de vertrekken van Grijsbrand Zwoord, momenteel de oudste tovenaar op de Schijf en vast besloten dat zo te houden.

Zojuist is hem een uiterst schokkende verrassing overkomen.

De laatste uren is hij heel druk bezig geweest. Hij mag dan doof zijn en een beetje harddenkend, maar bejaarde tovenaars beschikken over een geoefend overlevingsinstinct, en als er een lange gestalte in een zwarte mantel en voorzien van het laatste snufje in agrarisch handgereedschap peinzend naar je begint te kijken, dan weten ze dat het nu tijd wordt om snel in te grijpen. De bedienden zijn heengezonden. De deuren zijn rondom verzegeld met een pasta van gestampte voorjaarsvliegjes, en er zijn beschermende octogrammen op de ramen getekend. Zeldzame en tamelijk onwelriekende oliën zijn in ingewikkelde figuren over de vloer uitgegoten, figuren die zeer doen aan de ogen en doen vermoeden dat de ontwerper dronken was of uit een andere dimensie stamde, of misschien allebei; precies midden in de kamer zien we het achtvuldig octogram van Onttrekking, omringd door rode en groene kaarsen. En daar weer middenin staat een kist van waaigrenenhout, uit een boomsoort die heel oud wordt, van binnen bekleed met rode zijde en vol beschermende amuletten. Want Grijsbrand Zwoord weet dat de Dood op hem loert, en al jaren heeft hij geknutseld aan deze onneembare schuilplaats.

Hij heeft net het ingewikkelde uurwerk van het slot ingesteld en het deksel van de kist dicht gedaan, en nu ligt hij daar languit en hij weet dat dit nu toch wel de meest volmaakte verdediging is tegen zijn uiterste vijand, al heeft hij nog geen rekening gehouden met de belangrijke rol die luchtgaatjes nu eenmaal spelen in een onderneming als deze.

En vlak naast hem, heel dicht bij zijn oor, zei zojuist een stem: DONKER HIERBINNEN, HÈ?

 

-~oOo~-

 

Het begon te sneeuwen. De kandijraampjes van het hutje tekenden zich helder af tegen het duister.

Aan één kant van de open plek gloeiden even drie kleine lichtpuntjes op en er klonk een snel weer ingehouden, borstig kuchje.

'Kop dicht!' siste een derderangs tovenaar. 'Straks horen ze ons!'

'Wie dan? We hebben die knullen van de Koolstovers Broederschap afgeschud in het moeras, en die halve garen van de Eerwaarde Raad van Zieners liepen uit zichzelf al verkeerd.'

'Ja hoor', zei de jeugdigste tovenaar, 'maar wie praat er dan telkens tegen ons? Ze zeggen dat dit een toverbos is, het zit vol kobolds en wolven en -'

'Bomen,' zei een stem uit het duister, van heel hoog. Een baststem, dat kon niet missen.

'Ja hoor,' zei de jongste. Hij zoog aan zijn peukje en huiverde.

De ploegleider loerde over het rotsblok naar het huisje.

'Mooi,' zei hij en hij klopte zijn pijp uit tegen de hak van zijn zevenmijlslaars, die piepend protesteerde. 'We rennen erop af, grijpen ze, en dan wegwezen. Gesnapt?'

'Je weet zeker dat er alleen maar mensen zijn?' zei de jongste tovenaar zenuwachtig.

'Natuurlijk weet ik dat zeker,' grauwde de leider. 'Wat had je dan gedacht, drie beren of zo?'

'Er zouden ook monsters kunnen zitten. Dit is zo'n bos waarin monsters zitten.'

'En bomen,' zei een minzame stem van tussen de takken.

'Ja ja,' zei de aanvoerder voorzichtig.

 

-~oOo~-

 

Rinzwind bekeek het bed nauwkeurig. Het was best een aardig bedje, uitgevoerd in een soort harde toffee en ingelegd met zuivere karamel, maar hij zou er nog liever van eten dan in slapen en het zag eruit alsof iemand dat al eens had gedaan.

'Er heeft iemand van mijn bedje gegeten,' zei hij.

'Ik vind toffee lekker,' zei Tweebloesem als verdediging.

'Als je niet uitkijkt komt straks nog dat feetje om al je tanden eruit te halen,' zei Rinzwind.

'Nee, dat zijn elfen,' zei Zwierus vanaf de commode. 'Elfen doen dat. Ook teennagels. Soms licht geraakt hoor, die elfen.'

Tweebloesem plofte op zijn bed.

'Nu zit je ernaast,' zei hij. 'Elfen zijn edel en schoon en wijs en eerlijk; dat heb ik toch echt ergens gelezen.'

Zwierus wisselde een blik van verstandhouding met Rinzwinds knieschijf.

'Ik denk zo dat je het dan over andere elfen hebt,' zei de kabouter langzaam. 'Hier in de buurt hebben we een ander slag. Nou niet dat je ze opvliegend zou noemen,' voegde hij er vlug aan toe. 'Ten minste, niet als je liever niet naar huis gaat met je tanden in je muts.'

Flauw maar onmiskenbaar klonk het geluidje van een nogadeur die opengaat. Tegelijkertijd klonk vanuit de andere kant van het hutje een heel zacht gerinkel, als van een keisteen die zo stilletjes mogelijk probeert een kandijraampje aan gruzelementen te slaan.

'Wat was dat?' zei Tweebloesem.

'Wat van de twee?' zei Rinzwind.

Een zware tak sloeg met een bons tegen de dorpel van het raamkozijn. Onder het slaken van de kreet 'Elfen!' dribbelde Zwierus de vloer over om in een muizengaatje te verdwijnen.

'Wat doen we nu?' vroeg Tweebloesem.

'In paniek raken?' stelde Rinzwind hoopvol voor. Hij was altijd van mening dat paniek het beste overlevingsmiddel was; in overoude tijden, zo luidde zijn theorie, kon men lieden die oog in oog kwamen met sabeltandtijgers eenvoudig splitsen in lui die in paniek raakten en lui die bleven staan om dingen te zeggen als 'Wat een schitterend beest!' of 'Poere-poere'.

'Er is een kast,' zei Tweebloesem en hij wees naar een smal deurtje, ingeklemd tussen de muur en de haardschouw. Schielijk trokken ze zich in het muffe, zoetige duister terug.

Buiten de kast klonk het gekraak van de chocolade vloerdelen. Iemand zei: 'Ik hoorde stemmen.'

Iemand anders zei: 'Beneden, ja. Ik denk de Koolstovers.'

'En je zei nog zo dat we ze hadden afgeschud!'

'Hé, jullie; je kunt het hier eten! Hé, kijk eens, je kunt ervan -'

'Kop dicht!'

Er kwam nog veel meer gekraak en ook een gesmoorde kreet van beneden waar een Eerwaarde Ziener, behoedzaam kruipend onderweg van het gebroken raam door de donkere kamer, op de vingers trapte van een Koolstover die onder tafel verstopt zat. Plotseling had je daar al het geflip en gefloep van toverij.

'Lazer op!' zei buiten een stem. 'Ze hebben hem! Wegwezen!'

Nog wat meer gekraak en toen was het stil. Na een tijdje zei Tweebloesem: 'Rinzwind, ik geloof dat er een bezemsteel, een bezem in deze kast zit.'

'Nou, wat is daar dan zo bijzonder aan?'

'Deze heeft een stuur met handvaten.'

Van beneden kwam een ijselijke kreet. In het donker had een tovenaar geprobeerd het deksel van de Bagage open te doen. Gekletter in de bijkeuken begeleidde de aankomst van een ploeg Doorluchte Magisters van de Alronde Kring.

'Waar dacht jij dat ze op uit waren?' fluisterde Tweebloesem.

'Ik weet niet, maar het lijkt me een goed idee om er maar niet achter te komen,' zei Rinzwind peinzend.

'Je kon wel eens gelijk hebben.'

Stilletjes duwde Rinzwind de deur weer wat open. De kamer was verlaten. Op zijn tenen liep hij naar het raam en hij keek omlaag, recht in de omhoog gewende gezichten van drie Broeders van de Middernachtelijke Orde.

'Daar heb je hem!'

Haastig trok hij zich terug en hij holde naar de trap.

Het tafereel beneden viel niet te beschrijven, maar omdat zo'n verklaring onder het bewind van Olav Oedel de Tweede de doodstraf had betekend, is het beter een poging te wagen. Ten eerste, de meeste van de worstelende tovenaars probeerden het tafereel te verlichten met allerlei vlammen, vuurbollen en tovergloed, dus wekte de verlichting als geheel de indruk van een disco in een vuurwerkfabriek; stuk voor stuk probeerden ze een positie te vinden van waaruit je de rest van de kamer kon overzien zonder zelf te worden aangevallen, en volstrekt iedereen probeerde uit alle macht uit de buurt te blijven van de Bagage, die twee Eerwaarde Zieners had klemgezet in een hoek en die met zijn deksel naar ieder die naderbij kwam hapte. Maar toevallig was er één tovenaar die omhoogkeek.

'Daar issie!'

Rinzwind sprong achteruit, en tegen iets op. Haastig keek hij om en hij verstijfde toen hij Tweebloesem zag zitten - op de bezem, die zomaar in de lucht hing te zweven.

'De heks heeft hem vast hier laten staan!' zei Tweebloesem. 'Een echte betoverde heksenbezem!'

Rinzwind weifelde. Er schoten octarijne vonken uit de borstelharen van de bezem te voorschijn en hij had nog meer een hekel aan hoogte dan aan allerlei andere narigheid, maar waar hij echt het meest een hekel aan had was als hem tientallen bar kwaaie en vechtlustige tovenaars over de trap tegemoet snelden, en dat was nou net wat er gebeurde.

'Goed dan,' zei hij. 'Maar ik stuur.'

Hij zwiepte een van zijn laarzen naar een tovenaar die net halverwege een Bezwering van Verbintenis was, en sprong op de bezemsteel die door het trapgat omlaag dobberde en toen ondersteboven draaide, zodat Rinzwind gruwelijk genoeg oog in oog kwam te hangen met een Broeder van Middernacht.

Hij gilde het uit en rukte krampachtig het stuur om.

Er gebeurden verscheidene dingen tegelijk. De bezem schoot vooruit en brak in een regen van koekkruim door een muur: de Bagage stortte zich voorwaarts en beet de Broeder in zijn been: en uit het niets verscheen daar met een vreemd fluitend geluid een pijl, die Rinzwind op een handbreed miste en met een doffe slag in het deksel van de Bagage bleef steken.

De Bagage verdween.

 

-~oOo~-

 

In een dorpje diep in het bos gooide een stokoude sjamaan nog wat twijgen op zijn vuur en hij staarde door de rook naar zijn schaamtevolle leerling.

'Een kist met beentjes eraan?' vroeg hij.

'Ja, meester. Die verscheen zomaar in de lucht en hij keek me aan,' zei de leerling.

'Die kist, die had dus ogen?'

'N-,' begon de leerling en hij hield weifelend in. De oude man fronste zijn voorhoofd.

'Velen hebben er Topazski gezien, God van de Rode Paddestoel, en daarmee de naam van sjamaan verdiend,' zei hij. 'Er zijn er die Scheldert zagen, geest van rook, en die noemt men magiërs. Enkelen hadden het voorrecht Oemtsjerel te zien, ziel van het woud, en die kent men als de geestmeesters. Maar niemand zag nog een kist met honderden beentjes die hem aankeek zonder ogen, en die staan bekend als halve g-'

De onderbreking vond zijn oorzaak in een onverwacht luid gegil en een werveling van sneeuw en vonken die het vuur door de donkere hut joeg; even kon je vaag iets zien maar toen was de muur aan de overkant al opzij geblazen en de verschijning was weer verdwenen.

Er viel een langdurige stilte. Gevolgd door een wat kortere stilte. Toen zei de oude sjamaan voorzichtig: 'Je zag net toch niet toevallig twee man langskomen, niet, ondersteboven aan een bezem, die tegen elkaar gilden en schreeuwden?'

De jongen keek hem uitgestreken aan. 'Wis en waarachtig niet,' zei hij.

De oude man slaakte een zucht van verlichting. 'Een pak van mijn hart,' zei hij. 'Ik al evenmin.'

 

-~oOo~-

 

Het huisje was in rep en roer, want de tovenaars wilden niet alleen achter de bezem aan, maar wilden dat elkaar ook nog beletten, en dit gaf aanleiding tot diverse betreurenswaardige incidentjes. Het grootste spektakel, en in elk geval het grootste drama, deed zich voor toen een van de Zieners zijn zevenmijlslaarzen wilde aanwenden zonder de juiste reeks bezwerende voorbereidselen. Zevenmijlslaarzen, zo lieten we al eerder doorschemeren, zijn op zijn best een netelig soort tovergerei, en hij bedacht te laat dat men uiterst behoedzaam dient om te gaan met een vervoermiddel dat, om er maar geen doekjes om te winden, zijn doelmatigheid ontleent aan de neiging om het ene been ruim elf kilometer voorbij het ander te zetten. Het zal duidelijk zijn dat doekjes winden dan weinig meer helpt.

 

-~oOo~-

 

De eerste sneeuwbuien van de winter raasden al en eigenlijk gezegd lag de Schijf grotendeels bedolven onder een verdacht zwaar wolkendek. En toch, van heel hoog gezien in het zilverig licht van het schijfmaantje, was dit een van de allerprachtigste schouwspelen van het multiversum.

Grote wolkenflarden van honderden kilometers lang slierden van de Velgwaterval tot aan de Naafbergen. In de kille kristallen stilte glinsterde de witte spiraal ijzig onder de sterren, onmerkbaar ronddraaiend, precies alsof God in zijn koffie had geroerd en er toen room in gedaan had.

Niets verstoorde het oplichtend tafereel, dat -

Heel ver brak daar iets kleins door de laag wolken met een spoor van mistflarden er achteraan. In de stratosferische rust klonk luid en scherp het geluid van gekibbel.

'En je zei dat je met zo'n ding kon vliegen!'

'Helemaal niet; ik zei alleen maar dat jij dat niet kon!'

'Maar ik heb er nooit eerder op gezeten!'

'Tjee, wat toevallig!'

'Je zei trouwens - kijk de lucht!'

'Dat zei ik helemaal niet!'

'Wat is er met de sterren aan de hand?'

En zo kwam het dat Rinzwind en Tweebloesem de twee eersten op de Schijf waren die zagen wat de toekomst in petto had.

Vijftienhonderd kilometer achter hen priemde de centrale Naafberg Axis Firmamenti de lucht in en zijn schaduw lag scherp als een mes over de kolkende wolken, dus de Goden hadden het ook moeten merken - maar Goden kijken doorgaans niet naar de hemel en ze waren trouwens verwikkeld in een geding met de IJsreuzen, die hun radio niet zachter wilden zetten.

Velgwaarts, in de richting waarin de Grote A'Tuin onderweg was, was de hemel geheel van sterren ontdaan.

In dat duistere vlak stond maar één ster, een rode en onheilspellende ster, een ster zoals het glinstert in de oogkas van een dolle nerts. De ster was klein en gruwelijk en meedogenloos. En de Schijf werd er rechtstreeks naar toe gevoerd.

Rinzwind wist exact wat hij onder dit soort omstandigheden moest doen. Hij gilde en richtte de bezemsteel recht omlaag.

 

-~oOo~-

 

Gladdert Wedersmeer stond in het middelpunt van het octogram en stak zijn handen omhoog.

'Oersjaloo, dileptoor, k'hoela, doe wat ik gebied!'

Boven zijn hoofd vormde zich een neveltje. Van opzij keek hij even naar Roppaf, die wrokkig aan de rand van de toverkring stond.

'Wat nu komt is behoorlijk indrukwekkend,' zei hij. 'Kijk maar. Koot-b'haai! Koot-sjem! Tot mij, o geesten van alleenstaande keitjes en zorgelijke muisjes van niet minder dan acht centimeter lang!'

'Hè?' zei Roppaf.

'Ja, dat kostte me heel wat studeerwerk', beaamde Gladdert, 'vooral dat met die muisjes. Overigens, waar was ik? O, ja…'

Hij stak zijn armen weer omhoog. Roppaf keek ernaar en likte afwezig langs zijn lippen. Die ouwe sukkel spande zich echt in, concentreerde zich totaal op de Bezwering en lette nauwelijks meer op Roppaf zelf.

Machtwoorden rolden door de kamer, kaatsten van de wanden en verdwenen trippelend uit het gezicht achter planken vol kruiken. Roppaf aarzelde.

Gladdert deed even zijn ogen dicht, zijn gezicht werd een masker vol extase en hij bracht het laatste toverwoord uit.

Roppaf zette zich schrap en klemde zijn vingers weer om het mes. En Gladdert deed één oog open, knikte hem toe en stuurde zijdelings een krachtstoot op hem af die de jongeman optilde en languit tegen de wand wierp.

Gladdert knipoogde en stak zijn armen weer omhoog.

'Tot mij, o geesten van -'

Er klonk een donderslag, toen was er een ineenploffing van licht en een ogenblik van totale natuurverwarring waarin zelfs de wanden binnenstebuiten gekeerd leken te zijn. Roppaf hoorde hoe iemand opeens snel hijgde en daarna klonk er een doffe, zware slag.

Plotseling was de kamer van stilte vervuld.

Een paar minuten later kroop Roppaf achter de stoel vandaan en hij klopte zich af. Hij floot een paar maten van niks bijzonders en wendde zich met overdreven zorg naar de deur, onderwijl naar het plafond turend alsof hij dat nooit eerder gezien had. Hij bewoog zich op een manier die de indruk wekte dat hij een gooi deed naar het wereldrecord nonchalante loopjes.

In het midden van de kring zat de Bagage te zitten en het deksel ging open.

Roppaf bleef staan. Hij draaide zich heel, heel angstvallig om, doodsbang voor wat er misschien te zien viel.

Het leek of de Bagage wat schone was bevatte, licht naar lavendel geurend. Om de een of andere reden was dat het afschuwelijkste wat de tovenaar ooit had gezien.

'Tja, uh,' zei hij. 'je hebt hier toch niet toevallig nog een tovenaar gezien?'

Het lukte de Bagage nog dreigender te kijken.

'O,' zei Roppaf. 'Nou, goed dan. Het geeft ook niet.'

Hij frunnikte verstrooid aan de zoom van zijn mantel en had eventjes belangstelling voor de details van het stikwerk. Toen hij weer opkeek was die vreselijke kist er nog steeds.

'Nou, dag hoor,' zei hij en hij zette het op een lopen. Nog net op tijd wist hij de deur uit te komen.

 

-~oOo~-

 

'Rinzwind?'

Rinzwind deed zijn ogen open. Niet dat dat veel hielp. Het maakte alleen dat hij in plaats van niets anders dan zwart, nu niets anders dan wit zag, en dat bleek verrassenderwijs veel erger.

'Alles goed met je?'

'Nee.'

'Ach.'

Rinzwind ging overeind zitten. Naar het scheen zat hij op een met sneeuw bespikkelde kei, maar die leek toch niet alles wat een kei hoort te zijn. Hij zou eigenlijk, bijvoorbeeld, niet horen te bewegen.

Sneeuw woei om hem heen. Tweebloesem zat een meter of zo verderop, met een uitdrukking van welgemeende bezorgdheid op zijn gezicht.

Rinzwind kreunde. Zijn botten waren zeer ontstemd over de behandeling die ze kortelings hadden ondergaan en stonden in de rij met hun klachten.

'Wat is dit nou?' zei hij.

'Je weet nog van dat we aan het vliegen waren en ik was bezorgd dat we in die bui misschien ergens tegenaan botsten en jij zei dat het enige waar we ooit tegenaan konden botsen een met keien gevulde wolk was?'

'Nou en?'

'Hoe wist je dat?'

Rinzwind keek om zich heen, maar gezien de bezienswaardigheid en afwisseling van het omgevingstafereel hadden ze net zo goed in het binnenste van een pingpongbal kunnen zitten.

De keihobbel waarop hij zat - nou ja, die hobbelde. Hij streek erover met zijn hand en voelde de krassen van beitelwerk. Toen hij zijn oor op het natte, kille gesteente legde kon hij het dof en traag horen kloppen, als een hartslag. Hij kroop vooruit tot hij aan een rand kwam en daar loerde hij heel voorzichtig overheen.

Net op dat ogenblik zeilde de kei blijkbaar door een gat tussen de wolken, want hij ving juist het vage maar gruwelijk in de diepte gelegen beeld op van scherp getande bergkammen. Wat waren die ver!

Hij rochelde iets onsamenhangends en schoof vingertje voor vingertje weer achteruit.

'Maar dit is belachelijk,' zei hij tegen Tweebloesem. 'Keien kunnen niet vliegen. Ze staan er juist om bekend dat ze dat niet kunnen.'

'Misschien zouden ze het wel willen als ze maar konden,' zei Tweebloesem. 'Misschien is deze er net achtergekomen hoe het moet.'

'Laten we dan maar hopen dat hij het nu niet weer vergeet,' zei Rinzwind. Hij kroop in elkaar onder zijn drijfnatte mantel en somber bekeek hij de wolk om hen heen. Hij nam aan dat er vast wel ergens mensen waren die enig stuur over hun leven hadden; die stonden 's morgens op en gingen 's avonds naar bed met de redelijke zekerheid niet over de rand van de wereld te gaan vallen, door gekken te worden aangevallen of te ontwaken op een kei die het te hoog in de bol had. Vaag herinnerde hij zich ook zelf eens zo'n leven te hebben geleid.

Rinzwind snoof. Deze kei rook naar bakken en braden. Het leek wel of die geur van verder naar voren kwam en zijn maag voelde zich sterk aangesproken.

'Ruik jij ook iets?' zei hij.

'Gebakken spek, dacht ik,' zei Tweebloesem.

'Ik hoop maar dat het gebakken spek is', zei Rinzwind, 'want ik ga het opeten.' Hij kwam op de bibberende kei overeind en wankelde voorwaarts door de wolk, ingespannen door de schemerige nattigheid turend.

Op de voorste rand of boeg van de kei zat een klein uitgevallen druïde voor een vuurtje. Over zijn hoofd zat een lapje oliedoek, vastgeknoopt onder zijn kin. Hij porde met een decoratieve sikkel in een braadpan met spek.

'Ahum,' zei Rinzwind. De druïde keek op en liet de pan in het vuur vallen. Hij sprong overeind en greep de sikkel vechtlustig beet, of ten minste zo vechtlustig als iemand zich kan voordoen die gekleed gaat in een lang, wit en nat nachthemd en een druipende hoofddoek.

'Ik waarschuw je hoor, met kapers maak ik korte metten,' zei hij onder heftig genies.

'Dan zullen wij je helpen,' zei Rinzwind die onderwijl verlangend naar het brandende spek gluurde. Dit scheen de druïde te verwarren. Tot Rinzwinds verrassing was hij tamelijk jong; hij wilde best aannemen dat er in theorie zoiets als jonge druïden moesten zijn, maar hij had er gewoon nooit zo bij stil gestaan.

'Ga je dan niet de kei stelen?' vroeg de druïde, en hij liet de sikkel een haartje zakken.

'Ik wist toch niet eens dat dat kon, keien stelen,' zei Rinzwind ongeduldig.

'Neem me niet kwalijk', zei Tweebloesem beleefd, 'maar ik denk dat je ontbijt in de brand staat.'

De druïde keek vlug omlaag en sloeg onhandig naar de vlammen. Rinzwind snelde te hulp, er ontstond tamelijk wat rookontwikkeling, as en verwarring, en de gezamenlijke, triomfantelijke redding van enkele stukjes nogal geblakerd spek deed meer goed dan een boekwerk vol diplomatie.

'Hoe komen jullie hier eigenlijk?' zei de druïde. 'We zitten op een hoogte van honderdvijftig meter, tenzij ik de runen weer fout heb.'

Rinzwind probeerde niet aan hoogte te denken. 'Het kwam zo'n beetje uit de lucht vallen, ons bezoek; we waren toch in de buurt,' zei hij.

'Op weg naar beneden,' verduidelijkte Tweebloesem.

'Maar die kei van jou ving ons op,' zei Rinzwind. Zijn rug klaagde weer. 'Nog bedankt,' voegde hij eraan toe.

'Ik dacht daarnet al dat we in wat turbulentie geraakt waren,' zei de druïde, die Bielefon bleek te heten. 'Dat waren jullie dus.' Hij huiverde. 'Het zal nu wel ochtend zijn,' zei hij. 'Schijt aan de regels, we gaan hoger vliegen. Hou je vast.'

'Waaraan?' zei Rinzwind.

'Nou, neem maar een houding aan van ongeneigdheid tot eraf vallen,' zei Bielefon. En hij haalde een lange, ijzeren pendel uit zijn mantelzak en zwaaide die in een reeks verbluffende slingers over het vuur.

Wolken gierden langs hen heen, even was er een misselijk gevoel van zwaarte, en opeens brak de kei door in het zonlicht.

Een meter of wat boven de wolken vloog hij horizontaal verder onder een kille maar helder blauwe hemel. De wolken die gisteravond nog zo kil en ver hadden geleken en die vanochtend zo akelig klam bleken te zijn, vertoonden zich nu als een wollige witte vacht die zich naar alle richtingen uitstrekte; enkele bergtoppen staken er als eilanden doorheen. In het zog van de kei werden de wolken waar hij overvloog tot tijdelijke nevelwervels geboetseerd. De kei -

Die was zowat negen meter lang, drie meter breed en blauwachtig.

'Wat een verbluffend uitzicht,' zei Tweebloesem stralend.

'Ahum, hoe blijftie in de lucht?' zei Rinzwind.

'Overtuiging,' zei Bielefon die de zoom van zijn mantel uitwrong.

'Ach ja,' zei Rinzwind als een kenner.

'Ze in de lucht houden is makkelijk,' zei de druïde die een duim omhoog hield en daarover langs zijn arm naar een berg in de verte tuurde. 'De moeilijkheid ligt in het landen.'

'Dat zou je toch niet denken, hè?' zei Tweebloesem.

'Het hele universum wordt door overtuigingskracht bij elkaar gehouden,' zei Bielefon. 'Met zeggen dat het allemaal toverij is schiet je niks op.'

Toevallig keek Rinzwind net door de ijler geworden wolken omlaag op een aanzienlijk dieper gelegen sneeuwlandschap. Hij begreep dat hij in het gezelschap van een krankzinnige was, maar daar was hij wel aan gewend; als hij door naar deze gek te luisteren in de lucht kon blijven, was hij een en al oor.

Bielefon ging zitten en liet zijn voeten over het randje bungelen.

'Luister, maak je nou geen zorgen,' zei hij. 'Als jij telkens denkt dat de kei eigenlijk niet zou moeten vliegen zou hij je wel eens kunnen horen en zich door jou laten overtuigen, en dan krijg je nog gelijk ook, nou goed? Het is overduidelijk dat jij nog niet aan het moderne denken toe bent.'

'Dat schijnt zo,' zei Rinzwind flauwtjes. Hij deed zijn best niet aan keien op de grond te denken. Hij probeerde te denken aan keien die scheerden als zwaluwen, van louter lichtvoetigheid over landschappen zwierden, hemelwaarts zeilden in -

Hij kwam tot het afschuwelijke besef dat hij het er niet zo best afbracht.

 

-~oOo~-

 

De druïden op de Schijf gingen prat op hun vooruitstrevende instelling jegens het ontdekken van de mysteriën van het heelal. Zeker, net als alle druïden elders geloofden ze in de wezenlijke eenheid van alle leven, de geneeskracht van planten, het natuurlijk ritme der seizoenen en het levend verbranden van eenieder die hiertegenover niet de juiste instelling had, maar ook hadden ze lang en diep nagedacht over de grondslag van de schepping als zodanig en daarover de volgende theorie ontwikkeld:

Het heelal, vertelden ze, was voor zijn werking afhankelijk van het evenwicht tussen vier krachten die ze aanduidden als bekoring, overtuiging, onzekerheid en dwarskoppigheid.

Zodoende draaiden zon en maan in een baan om de Schijf omdat ze ervan overtuigd waren dat ze niet konden vallen, en ze vlogen ook weer niet weg wegens de onzekerheid. Door bekoring konden bomen groeien en staan bleven ze weer door dwarskoppigheid, enzovoorts.

Er waren wel druïden die opperden dat deze theorie zekere leemten en zwakke plekken vertoonde, maar meer gezaghebbende druïden wezen er zeer nadrukkelijk op dat er inderdaad wel enige ruimte was voor welingelichte discussie, voor het opwindende en indringende debat van de wetenschap, en dat die in wezen gelegen was bovenop het eerstvolgende zonnewendevuur.

 

-~oOo~-

 

'Aha, dus je bent sterrenkundige?' zei Tweebloesem.

'Jeetje nee', zei Bielefon terwijl de kei zachtjes de flank van een berg rondde, 'ik ben adviseur in computer hardware.'

'Wat betekent dat, komt-je-oeterhart-weer?'

'Nou, dit hier,' zei de druïde en met zijn sandaal klopte hij op de kei. 'Een deel ervan, tenminste. Het is een reserveonderdeel. Ik moet het bezorgen. Ze hebben averij met de grote kringen op de Draaikolkse Vlakten. Tenminste, dat zeggen ze; o, als ik toch een bronzen halsring kreeg voor elke gebruiker die zijn handboek niet goed las!' Hij haalde zijn schouders op.

'Wat doe je daar dan precies mee?' vroeg Rinzwind. Alles was goed, als het maar afleidde van die diepte daar.

'Je kunt het gebruiken om - om te zien wat voor tijd van het jaar het is,' zei Bielefon.

'Ach. Je bedoelt, als alles onder de sneeuw zit dan moet het wel winter zijn?'

'Ja. Ik bedoel nee. Ik bedoel, stel dat je wilt weten wanneer er een bepaalde ster zal opkomen -'

'Waarom dat?' vroeg Tweebloesem, stralend van beleefde belangstelling.

'Nou, misschien wil je weten wanneer je je zaaigoed moet planten' zei Bielefon die wat begon te zweten, 'of misschien -'

'Misschien wil je mijn almanak lenen?' stelde Tweebloesem voor.

'Almanak?'

'Een boek waarin staat wat voor dag het is,' zei Rinzwind vermoeid. 'Toch echt iets in jouw keienstraatje, dacht ik.'

Bielefon verstarde. 'Een boek,' zei hij. 'Met van dat papier?'

'Ja.'

'Dat lijkt mij toch niet zo betrouwbaar,' zei de druïde vuil. 'Hoe kan een boek nou weten wat voor dag het is? Papier kan toch niet tellen.'

Stampvoetend liep hij naar vooraan de kei, zodat deze gevaarlijk begon te wiebelen. Rinzwind slikte moeilijk en wenkte Tweebloesem naderbij.

'Heb jij wel eens gehoord van een cultuurschok?' siste hij.

'Wat is dat dan?'

'Dat is wat er gebeurt met mensen die al vijfhonderd jaar proberen om een keienring goed aan de praat te krijgen, en dan komt er iemand langs met een boekje dat voor elke dag een bladzij heeft en gezellige kletspraatgezegdes zoals “Dit is het goeie moment om tuinbonen te planten” en “Morgenstond heeft de dood in de mond”, en weet je wat je vooral over die cultuurschok', Rinzwind hield even op om adem te scheppen en zijn lippen bewogen stilletjes bij zijn poging zich te herinneren tot hoever zijn zin was gekomen; 'moet onthouden?' besloot hij.

'Wat dan?'

'Geef hem nooit aan iemand die een vliegende kei van duizend ton bestuurt.'

 

-~oOo~-

 

'Is hij al weg?'

Behoedzaam loerde Roppaf over de borstwering bovenop de Toren der Kunsten, die grote spits van afbrokkelend metselwerk die hoog boven de Gesloten Universiteit uitrees. Het groepje studenten en leermeesters in de toverij daar beneden hem in de diepte knikte bevestigend.

'Zeker weten?'

De administrateur welfde zijn handen om zijn mond en brulde naar boven.

'Hij is door de Naafwaartse deur heengebroken en al een uur geleden ontsnapt, heer,' gilde hij.

'Fout,' zei Roppaf. 'Hij is vertrokken, wij zijn ontsnapt. Nou, dan kom ik maar beneden. Heeft hij nog iemand te pakken gekregen?'

De administrateur slikte. Hij was geen tovenaar, maar een aardige, goedgeluimde kerel die het niet had verdiend om de dingen te zien waar hij de laatste uren allemaal getuige van was geweest. Natuurlijk, het kwam wel voor dat kleine demoontjes, kleurige lichtjes en half-stoffelijk ingebeeld allerlei over het hogeschoolterrein zwierven, maar dat onverzoenlijke geweld van de Bagage had iets over zich waardoor hij van zijn stuk was geraakt. Proberen om die tegen te houden was net zoiets als met een gletsjer proberen te worstelen.

'Hij - hij heeft het Faculteitshoofd Vrije Kunsten ingeslikt, heer,' riep hij.

Roppaf klaarde wat op. 'Achter de wolken schijnt…' mompelde hij.

Hij begon aan de lange afdaling langs de wenteltrap. Na een tijdje brak er op zijn gezicht een dunne, starre glimlach door. De dag ging toch echt vooruit.

Er viel heel wat te regelen. En als er iets was waar Roppaf van hield, dan was dat regelen.

 

-~oOo~-

 

De kei scheerde in een boog over de hoogvlakte en zweepte de sneeuw op van de luttele meters lager gelegen sneeuwbanken. Bielefon was jachtig in de weer, smeerde hier wat maretakbalsem, kalkte daar een runenteken neer, en onderwijl zat Rinzwind doodsbenauwd en uitgeput in elkaar op zijn hurken terwijl Tweebloesem zich zorgen maakte over zijn Bagage.

'Daar voor ons!' gilde de druïde boven het lawaai van de vliegwind uit. 'Ziedaar, de grote computer der hemelen!'

Rinzwind gluurde tussen zijn vingers door. Aan de einder doemde een gigantisch bouwsel op van grijze en zwarte rotsplaten, opgesteld in concentrische kringen en mystieke lanen, naargeestig en grimmig afgetekend tegen de sneeuw. Maar zulke ontluikende bergen konden toch zeker niet door mensen zijn neergezet - stellig was er een bende reuzen in stenen veranderd door een of ander -

'Hij ziet eruit als een hoop grote keien,' zei Tweebloesem.

Bielefon bleef aarzelend steken in zijn dramatische gebaren.

'Hè?' zei hij.

'Heel aardig hoor,' voegde de toerist er gauw aan toe. Hij zocht naar het juiste woord. 'Rustiek,' besloot hij.

De druïde verstarde. 'Aardig?' zei hij. 'Een triomf van geïntegreerde stapeling, een technisch wonder van moderne megalithonica - aardig?'

'O ja,' zei Tweebloesem, voor wie sarcasme niet meer was dan een woord van acht letters, beginnend met een S.

'Wat wil rustiek zeggen?' vroeg de druïde.

'Dat betekent vreselijk indrukwekkend', zei Rinzwind gauw, 'en we dreigen kennelijk te gaan landen, als ik even mag opmerken -'

Bielefon keerde zich om, nog steeds wat gekwetst. Hij stak zijn armen wijd in de lucht en schreeuwde een stel onvertaalbare woorden, met een gefluisterd 'aardig!' er achteraan.

De kei minderde vaart, dreef wat opzij in een wolk van opwaaiende sneeuw en bleef midden boven de kring in de lucht hangen. Op de grond wuifde een druïde ingewikkelde patronen met twee tuiltjes maretak en behendig bracht Bielefon het zware rotsblok met een zacht klikje als een dwarsligger op twee reusachtige menhirs tot stilstand.

Met een lange zucht liet Rinzwind eindelijk zijn ingehouden adem gaan, en die zocht haastig een goed heenkomen.

Er bonsde een ladder tegen een kant van het blok en over de rand verscheen even later het hoofd van een bejaarde druïde. Verbaasd merkte hij de twee passagiers op, toen keek hij omhoog naar Bielefon.

'Zal verdomme tijd worden,' zei hij. 'Nog zeven weken tot Berewaaksavond en alweer heeft hij ons in de steek gelaten.'

'Hallo, Zagrias,' zei Bielefon. 'Wat is er nu weer gebeurd?'

'Hij is helemaal dolgedraaid. Vandaag voorspelde hij de zonsopkomst wel drie minuten te vroeg. Tjonge, als je nog een kreng zoekt, nou, dit is er een.'

Bielefon klauterde op de ladder en verdween uit het gezicht. De passagiers keken elkaar even aan en tuurden toen omlaag naar de enorme open leegte tussen de keien van de binnenste kring.

'Wat zullen we doen?' vroeg Tweebloesem.

'Slapen gaan, soms?' opperde Rinzwind.

Tweebloesem negeerde hem en daalde de ladder af.

Rondom de kring waren druïden bezig met hamertjes op de megaliethen te kloppen, waarbij ze gespannen luisterden. Verscheidene van de enorme keien lagen op hun kant en om elk daarvan was een drom druïden bezig met zorgvuldig onderzoek en onderling gekrakeel. Esoterische zinswendingen zweefden omhoog tot waar Rinzwind zat:

'Aan incompatibiliteit van de programmatuur kan het niet liggen - de Zang der Betreden Spiralen is juist ontworpen voor concentrische kringen, sukkel…'

'Ik zou zeggen, gewoon weer opstarten en dan gewoon een maanceremonie proberen te laden…'

'…welja, welja, met die keien is niks aan de hand, nee hoor, alleen het heelal is een beetje in de fout gegaan, nou goed?…'

Vanonder de nevelen van zijn uitgeput brein wist Rinzwind zich iets te herinneren van de gruwelijke ster die ze aan de hemel hadden gezien. Het heelal was een beetje in de fout gegaan.

Hoe was hij eigenlijk weer op de Schijf terechtgekomen?

Hij had het gevoel dat het antwoord daarop ergens in zijn hoofd zat. En er begon een nog veel akeliger besef bij hem te dagen: dat er nog een andere toeschouwer van het toneeltje daar beneden was - die het vanachter zijn ogen zat waar te nemen.

De Bezwering was uit zijn schuilhoekje diep in de afgelegen modderslootjes van Rinzwinds geest te voorschijn gekropen, en zat nu zo brutaal als de beul in diens voorhoofdskwabben naar het zich ontspinnend tafereel te kijken en mentaal van de geestelijke borrelnootjes te peuzelen.

Rinzwind probeerde hem terug te dringen - en daar verdween de wereld…

Hij zat in het donker; een muf en warm donker, het donker van een graftombe, de fluwelen zwartheid van de mummiekist.

Er hing een sterke geur van oud leer en zurig oud papier. Het papier ritselde.

Hij voelde aan dat het donker vol onvoorstelbare gruwelen zat - en het probleem met onvoorstelbare gruwelen is dat je ze maar al te makkelijk kunt voorstellen…

'Rinzwind,' zei een stem. Nog nooit had Rinzwind een hagedis horen praten, maar als er een dat kon zou hij een stem hebben als deze.

'Uh', zei hij, 'ja?'

De stem grinnikte wat - een raar geluid, nogal knisperend.

'Je hoort “Waar ben ik?” te zeggen,' zei de stem.

'Zou ik het dan leuk vinden als ik dat wist?' vroeg Rinzwind. Hij tuurde scherp het duister in. Nu hij zich eraan had aangepast kon hij iets zien. Iets vaags, nauwelijks licht genoeg om echt iets te zijn, niet meer dan louter wat vage kriebels. Iets eigenaardig vertrouwds.

'Goed dan,' zei hij. 'Waar ben ik?'

'Je droomt.'

'Mag ik dan wakker worden, alsjeblieft?'

'Nee,' zei weer een andere stem, even oud en droog als de eerste maar toch net even anders.

'We moeten je iets belangrijks vertellen,' zei een derde stem, zo mogelijk nog droog-doodser dan de andere. Rinzwind knikte dommig. Achterin zijn geest zat de Bezwering op de loer en die gluurde behoedzaam mee over zijn geestelijke schouder.

'Je hebt ons heel wat last bezorgd, jonge Rinzwind,' vervolgde de stem. 'Al dat over de rand van de wereld vallen, zonder aan anderen te denken. We moesten behoorlijk wat aan de werkelijkheid versleutelen, weet je dat?'

'Jeemig.'

'En nu is er een heel belangrijke taak voor je weggelegd.'

'O. Mooi.'

'Jaren geleden al hebben we ervoor gezorgd dat een van ons zich kon verstoppen in jouw brein, want wij zagen dat er een tijd zou komen dat jij een heel belangrijke rol had te spelen.'

'Ik? Waarom?'

'Jij neemt nogal vaak de benen,' zei een van de stemmen. 'Dat is prima. Jij bent een overlever.'

'Een overlever? Maar ik ben al tientallen keren bijna doodgegaan!'

'Precies.'

'Aha.'

'Maar val alsjeblieft niet weer van de Schijf. Dat moet echt afgelopen zijn, vinden wij.'

'Wie zijn die wij precies?' vroeg Rinzwind.

Er was wat geritsel in het duister.

'In den beginne was het woord,' zei een dorre stem van vlak achter hem.

'Het was het Ei,' verbeterde een andere stem. 'Dat weet ik vrijwel zeker. Het Grote Ei van het Heelal. Een beetje gummi-achtig.'

'Om precies te zijn hebben jullie het allebei mis. Ik weet zeker dat het de oersoep was.'

Bij Rinzwinds knie zei een stem: 'Nee, dat kwam later pas. Eerst was er uitspansel. Allerlei uitspansel. Tamelijk kleverig, net suikerspin. Behoorlijk stroperig, eigenlijk -'

'Voor het geval het iemand interesseert', zei een kraakstem aan Rinzwinds linkerkant, 'jullie hebben allemaal ongelijk. In den beginne was het Schrapen van de Keel -'

'- en toen het woord -'

'Neem me niet kwalijk, de soep -'

'Echt nogal gummi-achtig, vond ik -'

Er viel een stilte. Toen zei een stem zorgvuldig: 'In elk geval, hoe het ook was, we weten het nog precies.'

'Juistem.'

'Klopt als een bus.'

'En het is onze taak, Rinzwind, ervoor te zorgen dat er niets vreselijks mee gebeurt.'

Rinzwind tuurde in het duister. 'Zou je zo vriendelijk willen zijn eens uit te leggen waar je het over hebt?'

Er klonk een ritselende zucht. 'Beeldspraak helpt ook al niet,' zei een van de stemmen. 'Luister, het is van groot belang dat je goed op de Bezwering in je hoofd past en dat je hem ons op het juiste moment terugbezorgt, snap je, zodat wij op precies het juiste ogenblik kunnen worden opgezegd. Begrijp je wel?'

Rinzwind dacht: kunnen worden opgezegd?

En het drong tot hem door wat de vage kriebels daar voor hem waren. Het was een bladzij vol handschrift, maar dan gezien van onderaf.

'Zit ik soms binnenin de Octavo?' vroeg hij.

'In een bepaald metafysisch opzicht,' zei een van de stemmen onverschillig. Nu kwamen ze dichterbij. Hij kon het dorre geknisper al voelen vlak voor zijn neus…

Hij nam de benen.

 

-~oOo~-

 

Het lichtpuntje stond eenzaam te gloeien in de donkere plek. Roppaf droeg nog altijd de ceremoniële mantel van zijn inwijding tot hoofd van de Orde, en hij kon zich maar niet losmaken van het gevoel dat het lichtpuntje nog terwijl hij keek alweer was gegroeid. Met een rilling keerde hij zich af van het raam.

'En?' vroeg hij.

'Het is een ster', zei de Hoogleraar Astrologie, 'denk ik.'

'Denk je?'

De astroloog kromp ineen. Ze stonden in de sterrenwacht van de Gesloten Universiteit en het robijnrode schitterlichtje aan de horizon keek hem niet enger aan dan zijn meester nu deed.

'Tja, zie je, de kwestie is dat we altijd geloofden dat sterren zo'n beetje hetzelfde waren als onze zon -'

'Vuurbollen, bedoel je, zowat een of twee kilometer breed?'

'Ja. Maar deze nieuwe is, nou ja - groot.'

'Groter dan de zon?' vroeg Roppaf. Hij had een kilometerbrede vuurbol altijd tamelijk indrukwekkend gevonden, ook al vond hij sterren eigenlijk maar niks. Ze maakten dat de hemel er zo slordig uitzag.

'Een heleboel groter,' zei de astroloog langzaam.

'Soms nog groter dan de kop van de Grote A'Tuin?'

De astroloog zag er gekweld uit.

'Nog groter dan de Grote A'Tuin en de Schijf bij elkaar,' zei hij. 'En we hebben het gecontroleerd', voegde hij er gauw aan toe, 'en we zijn er heel zeker van.'

'Dat is groot,' gaf Roppaf toe. 'Legt je het woord “enorm” in de mond.'

'Immens,' beaamde de astroloog vlug.

'Hmm.'

Roppaf ijsbeerde over het vloermozaïek van de sterrenwacht, ingelegd met de tekens van de schijfse dierenriem. Dat waren er vierenzestig, vanaf Hijgert de Tweekoppige Kangoeroe tot en met Gahoelie de Vaas der Tulpen (een sterrenbeeld met diep religieuze betekenis, die tegenwoordig helaas verloren gegaan is).

Hij hield stil op het blauw-met-gouden tegelwerk van Lubbo de Hyena en draaide zich opeens weer om.

'Botsen we er tegenaan?' vroeg hij.

'Helaas wel, heer,' zei de astroloog.

'Hmm.' Roppaf deed enkele passen voorwaarts en streek peinzend door zijn baardpluizen. Hij bleef staan op het hoorntje van Jokbok de Handelsreiziger naast De Hemelse Winterpeen.

'Nu ben ik niet deskundig in deze', zei hij, 'maar ik neem aan dat dat niet zo best is?'

'Nee, heer.'

'Erg heet hè, die sterren?'

De astroloog slikte moeizaam. 'Jawel, heer.'

'We zouden verbranden?'

'Uiteindelijk wel. Daarvoor zouden er natuurlijk schijfbevingen komen, vloedgolven, zwaartekrachtsontwrichtingen en waarschijnlijk zou de dampkring weggezogen worden.'

'Aha. In één woord, erg ongeorganiseerd allemaal.'

De astroloog weifelde, maar gaf zich over. 'Dat kun je wel zeggen, heer.'

'Mensen zouden in paniek raken?'

'Helaas nogal kortstondig.'

'Hmmm,' zei Roppaf die net over de Misschienpoort liep en een vlakke baan naar de Koe van de Kosmos volgde. Hij tuurde nog eens omhoog naar de rode gloed boven de horizon. Het scheen dat hij tot een besluit kwam.

'We kunnen Rinzwind niet vinden', zei hij, 'en als we Rinzwind niet vinden dan kunnen we de achtste bezwering van de Octavo niet vinden. Aan de andere kant geloven we dat de Octavo moet worden opgezegd om een ramp te voorkomen - waarom zou de Schepper hem anders hebben achtergelaten?'

'Misschien was hij gewoon maar wat vergeetachtig,' opperde de astroloog.

Roppaf keek hem woedend aan.

'De andere Ordes zoeken al het land tussen hier en de Naaf af', telde hij verder puntsgewijs af op zijn vingers, 'want het lijkt toch wel voor de hand te liggen dat iemand die een wolk in kan vliegen er ook weer uitkomt…'

'Tenzij die met keien was volgestopt,' zei de astroloog met een droevige en, naar het zich liet aanzien, totaal mislukte poging om de sfeer wat op te vrolijken.

'Maar hij moet wel omlaag komen - ergens. Waar? vragen we ons dan af.'

'Waar?' beaamde de astroloog volgzaam.

'En dan ligt er meteen een bepaalde aanpak voor de hand.'

'Aha,' zei de astroloog, die in draf probeerde om de tovenaar bij te houden bij zijn lange schreden over de Twee Dikke Neefjes.

'En die aanpak is dus..?'

De astroloog keek omhoog in twee ogen zo grijs en beminnelijk als staal.

'Ahum. Ophouden met zoeken?' waagde hij.

'Precies! We gebruiken de gaven die de Schepper ons schonk, namelijk, we kijken omlaag en wat zien we daar?'

De astroloog kreunde inwendig. Hij keek omlaag.

'Tegels?' gokte hij.

'Tegels ja, en samen vormen die de..?' Roppaf keek hem verwachtend aan.

'Dierenriem?' waagde de astroloog, een vertwijfeld man nu.

'Juist! En daarom hoeven we alleen maar Rinzwinds precieze horoscoop te trekken en we weten exact waar hij is!'

De astroloog grijnsde als iemand die na enig tapdansen op drijfzand weer de vastigheid van rotsen onder zijn voeten voelt.

'Daarvoor moet ik zijn precieze geboorteplaats en -tijd weten,' zei hij.

'Zo voor elkaar. Ik heb ze voor ik hierheen kwam uit het Universiteitsarchief overgenomen.'

De astroloog bekeek de aantekeningen en trok diepe rimpels in zijn voorhoofd. Hij stak de kamer over en trok een brede la vol kaarten open. Hij las de aantekeningen nog eens over. Hij zocht een ingewikkeld soort passer uit en paste het een en ander af op de kaart. Hij pakte een kleine messing astrolabiel en zwengelde er zorgvuldig aan. Hij floot tussen zijn tanden. Hij raapte een stukje krijt op en krabbelde wat cijfers op een schoolbord.

Roppaf stond intussen al die tijd naar de nieuwe ster te turen. Hij dacht: volgens de legende in de Pyramide van Tsoort zal degene die al de Acht Bezweringen tegelijk opzegt als de Schijf in gevaar is, alles verkrijgen wat hij werkelijk wenst. En wat gauw zou dat al zo wezen!

En hij dacht: ik weet nog wel van Rinzwind, was dat niet dat smoezelige jochie dat bij alles wat we oefenden altijd weer als laatste eindigde? Geen greintje tovenarij in zijn lijf. Als ik hem eenmaal tegenover me heb, dan zullen we nog eens zien of ik niet alle acht -

De astroloog fluisterde: 'Jeeminee.' Met een ruk draaide Roppaf zich om.

'En?'

'Reuzeboeiende kaart,' zei de astroloog ademloos. Hij fronste zijn voorhoofd. 'Eigenlijk nogal raar,' zei hij.

'Hoezo raar?'

'Hij werd geboren onder het Oersaaie Hoopje Zwakke Sterren, dat zoals je weet tussen de Vliegende Eland en het Knopentouwtje ligt. Men zegt dat zelfs de ouden niets belangwekkends over dat teken konden zeggen, dat een -'

'Ja, ja, schiet nou op,' zei Roppaf geërgerd.

'Dit teken wordt volgens overlevering in verband gebracht met schaakbordmakers, uienverkopers, fabrikanten van gipsen beeldjes met weinig godsdienstige betekenis, en mensen die allergisch zijn voor tin. Helemaal geen tovenaarsteken. En op het ogenblik van zijn geboorte lag de schaduw van Axis Firmamenti -'

'Al die technische details hoef ik toch niet te weten,' gromde Roppaf. 'Geef nou maar gewoon zijn horoscoop.'

De astroloog, die er net aardigheid in begon te krijgen, slaakte een zucht en maakte nog wat extra berekeningen.

'Goed dan,' zei hij. 'Hij gaat zo: “Vandaag is het een gunstig moment om vrienden te maken. Een goede daad kan onvoorziene gevolgen krijgen. Val geen druïden lastig. Binnenkort ga je op een vreemde reis. Je geluksvoedsel voor vandaag is kleine komkommertjes. Lieden die met messen naar je wijzen zijn vast niet veel goeds van plan. P.S.: dat van die druïden is menens.”'

'Druïden?' zei Roppaf. 'Ik vraag me af…'

 

-~oOo~-

 

'Ben je wel goed?' vroeg Tweebloesem.

Rinzwind deed zijn ogen open.

De tovenaar ging gejaagd overeind zitten en greep Tweebloesem bij zijn hemd.

'Ik wil hier weg!' zei hij dringend. 'Meteen!'

'Maar er komt nog een oeroude en overgeleverde ceremonie!'

'Kan me niks schelen hoe oud! Ik wil weer eerlijke straatkeien voelen onder mijn voeten, ik wil de oude vertrouwde stank van de beerputten, ik wil gaan waar hopen mensen zijn en vuren en daken en muren en dat soort aardige dingen! Ik wil naar huis!'

Hij merkte opeens hoe wanhopig hij naar de walmende rokerige straten van Ankh-Meurbork verlangde, waar het in de lente altijd op zijn best was, als er op de troebele wateren van de Ankh een slijmerige regenboogglans lag en langs de daken het vogelengezang weergalmde, of tenminste het ritmische vogelgekuch.

Er wrong zich een traan uit zijn oog toen hij terugdacht aan het tere spel van licht en schaduw in de Kleingodentempel, een vermaarde bezienswaardigheid, en er schoot hem een brok in de keel bij de herinnering aan het gebakken-viskraampje op de plek waar de Vaaltbeltstraat zich bij de Sluwe-Ambachtenstraat voegde. Hij dacht aan de zure bommen die ze daar verkochten, grote groene dingen die onderin hun pot als verdronken walvissen op de loer lagen. Hun roep kwam tot Rinzwind over al die kilometers heen, vol van belofte om hem tevens kennis te laten maken met de ingelegde eieren uit de kruik ernaast.

Hij dacht aan de gezellige zolders boven de paardenstallen en aan de warme luchtroosters waar hij zijn nachten doorbracht. Dwaas die hij was, had hij wel eens afgegeven op deze levensstijl. Het leek nu ongelooflijk, maar hij had het saai gevonden.

Nu had hij er genoeg van. Hij ging naar huis. Zure bommen, ik heb jullie roep gehoord…

Hij duwde Tweebloesem uit de weg, wikkelde zich met veel waardigheid in zijn gerafelde mantel en richtte zijn gezicht op dat deel van de horizon waarvan hij dacht dat het zijn geboortestad bevatte; en met grote vastberadenheid en aanzienlijke verstrooidheid stapte hij pardoes van het topje van een tien meter hoge menhirpoort.

Zowat tien minuten later, toen een bezorgde en nogal berouwvolle Tweebloesem hem uit de hoge sneeuwbank onderaan de stenen had opgegraven, was de uitdrukking op zijn gezicht niets veranderd. Tweebloesem tuurde in zijn ogen.

'Mankeer je soms iets?' zei hij. 'Hoeveel vingers houd ik hier op?'

'Ik wil naar huis!'

'Goed dan.'

'Nee, probeer het maar niet uit mijn hoofd te praten, ik heb er genoeg van, ik zou graag willen zeggen dat ik genoten heb, maar ik kan het niet, en - wat?'

'Ik zei goed dan,' zei Tweebloesem. 'Ik heb best zin om Ankh-Meurbork terug te zien. Ik neem aan dat ze er nu weer heel wat van hebben opgebouwd.'

Wij moeten hier aangeven dat die stad, de laatste keer dat het tweetal hem zag, nogal fiks in brand stond, iets wat nogal te maken had met Tweebloesems invoering van de brandverzekeringsgedachte onder de onnozele maar inhalige inwoners. Verwoesting door brand was evenwel een vertrouwd bestanddeel van de Meurborkse levensstijl en men had de stad dan ook altijd opgewekt en nauwgezet weer herbouwd uit de plaatselijk gebruikelijke materialen, zoals gortdroog hout voor de muren en watervast geteerd stro voor de daken.

'O,' zei Rinzwind, die wat inbond. 'O, mooi. Mooi zo. Prima. Dan moesten we maar gaan, dacht ik.'

Hij krabbelde overeind en klopte de sneeuw van zich af.

'Ik denk alleen dat we beter tot morgenochtend kunnen wachten,' ging Tweebloesem verder.

'Hoezo?'

'Nou, omdat het ijskoud is, omdat we eigenlijk niet weten waar we zijn, omdat de Bagage zoek is, omdat het donker wordt -'

Rinzwind haakte af. In de diepere krochten van zijn geest dacht hij het verre geknisper van oeroud papier te horen. Hij kreeg het afschuwelijke gevoel dat zijn dromen van nu af aan telkens wel erg hetzelfde zouden zijn en dat hij wel wat beters te doen had dan de les te worden gelezen door een stel antieke bezweringen, die het zelfs niet eens konden worden over hoe het Heelal ooit begon -

Een dor stemmetje in zijn achterhoofd zei Wat voor beters dan?

'Och, hou toch je mond,' zei hij.

'Maar ik zei alleen dat het ijskoud was en -' begon Tweebloesem.

'Ik bedoel jou niet, ik bedoel mij.'

'Hè?'

'Och, hou toch je mond,' zei Rinzwind vermoeid. 'Er is hier zeker niets te eten in de buurt?'

De reuzenstenen stonden zwart en dreigend tegen het groene stervenslicht van de zonsondergang. De binnenste kring zat vol druïden die bij het licht van allerlei vuren her en der rondscharrelden om alle randapparatuur die hoort bij een stenen computer af te stellen, zoals met maretak gekroonde ramsschedels op palen, of met kronkelende slangen volgeborduurde vaandels, enzovoorts. Buiten de vuurkringen had zich een groot aantal lieden van de vlakte verzameld: druïdenfestivals waren altijd populair, vooral als er iets misging.

Rinzwind staarde naar de menigte.

'Wat is daar aan de hand?'

'Nou', zei Tweebloesem geestdriftig, 'blijkbaar is er zo'n ceremonie die dateert van duizenden jaren her, om de, uh, wedergeboorte van de maan te vieren - of is het van de zon? Nee, ik dacht eigenlijk toch de maan. Blijkbaar gaat dat heel plechtig en prachtig en vervuld van kalme waardigheid.'

Rinzwind huiverde. Hij werd altijd bezorgd als Tweebloesem zo begon te praten. Hij had het tenminste nog niet over 'schilderachtig' of 'apart' gehad; voor die woorden had Rinzwind tot nu toe geen passende vertaling weten te vinden, maar hij kwam er heel dicht bij met 'vol narigheid'.

'Ik wou maar dat de Bagage hier was,' zei de toerist spijtig. 'Ik zou best mijn plaatjesdoos kunnen gebruiken. Het klinkt heel schilderachtig en apart.'

De menigte kwam vol verwachting in beweging. Kennelijk stond er iets te beginnen.

'Hoor nou,' zei Rinzwind dringend. 'Druïden, dat zijn priesters. Denk daar goed aan. Doe dus niets wat ze vervelend vinden.'

'Maar -'

'Bied niet aan om de keien te kopen.'

'Maar ik -'

'Begin niet over typische volksgebruiken.'

'Ik dacht -'

'Probeer vooral niet om ze een verzekering te verkopen, dat vinden ze altijd heel vervelend.'

'Maar het zijn toch priesters!' jammerde Tweebloesem. Rinzwind onderbrak zijn betoog.

'Ja,' zei hij. 'En dat is het hem juist, of niet?'

Aan de overkant van de buitenste kring begon men zich in een soort optocht op te stellen.

'Maar priesters zijn goede, aardige lieden,' zei Tweebloesem. 'Bij ons lopen ze rond met een bedelnap. Dat is hun hele bezit,' voegde hij eraan toe.

'Ach,' zei Rinzwind; hij wist niet zeker of hij het snapte. 'Die is dan zeker om het bloed in te doen?'

'Het bloed?'

'Ja, van de slachtoffers.' Rinzwind dacht aan de priesters die hij thuis had gekend. Natuurlijk wilde hij voor geen prijs een of andere god tegen zich in het harnas jagen en dus had hij talloze tempeldiensten bijgewoond; al met al, vond hij, luidde de beste omschrijving van een priester in de Cirkelzeese contreien als volgt: iemand die erg vaak tot aan zijn oksels onder het bloed zit.

Tweebloesem keek hem vol afschuw aan.

'O nee,' zei hij. 'Waar ik vandaan kom zijn priesters juist heilige mannen die hun leven gewijd hebben aan armoede, goede werken en de studie van Gods aard.'

Rinzwind stond even stil bij deze ongebruikelijke voorstelling van zaken.

'Geen slachtoffers?' vroeg hij.

'Helemaal niet.'

Rinzwind gaf het op. 'Nou', zei hij, 'erg heilig lijken die mij dan niet.'

Er klonk een luid brallend lawaai van een hele troep bronzen trompetten. Rinzwind keek in het rond. Langzaam marcheerde er een rij druïden voorbij, hun lange sikkels volgehangen met boeketten van maretak. Diverse aankomende druïden en leerlingen kwamen er achteraan, musicerend met allerlei slaginstrumenten die volgens de overlevering boze geesten konden verdrijven en daar ongetwijfeld in slaagden.

Fakkellicht wierp dramatisch opwindende patronen op de steenklompen, die vol dreiging tegen de groen oplichtende hemel stonden. Naafwaarts begonnen de mistig glanzende gordijnen van het naaflicht, de aurora axialis, flakkerend te schitteren tussen de sterren, een dans van miljoenen ijskristallen in het toverkrachtveld van de Schijf.

'Bielefon heeft het me allemaal uitgelegd,' fluisterde Tweebloesem. 'We gaan zo dadelijk de eeuwenlang in ere gehouden ceremonie zien die het Eén-zijn van Mens en Heelal gedenkt, dat was wat hij vertelde.'

Rinzwind bekeek de processie met een wrange blik. Intussen waaierden de druïden uit rond een grote platte kei die het midden markeerde en dus kon het niet anders of hij werd daar de aantrekkelijke, zij het ietwat bleke jongedame gewaar. Zij ging gekleed in een lange witte japon, een halsring van goud en een vagelijk benarde gezichtsuitdrukking.

'Is dat een druïdin?' vroeg Tweebloesem.

'Dat denk ik niet,' zei Rinzwind langzaam.

De druïden hieven een gezang aan. Het was, meende Rinzwind, een bijzonder akelig en tamelijk eentonig gezang dat duidelijk klonk alsof het tot een abrupt crescendo zou leiden. De aanblik van de jongedame, languit op de platte kei, droeg weinig bij aan een koersverandering van zijn gedachtegang.

'Ik wil erbij blijven,' zei Tweebloesem. 'Ik meen dat ceremoniën als deze rechtstreeks afstammen uit die primitieve eenvoud die -'

'Ja, ja', zei Rinzwind, 'maar haar gaan ze offeren, als je dat nog niet wist.'

Tweebloesem keek hem verbijsterd aan.

'Wat, haar doodmaken?'

'Ja.'

'Waarom?'

'Moet je mij niet vragen. Om de oogst te laten lukken of de maan te laten opkomen of zo. Of misschien zijn ze gewoon verzot op mensen doodmaken. Dat heb je met godsdienst.'

Hij werd een zacht zoemend geluid gewaar, je voelde het meer dan dat je het hoorde. Het leek of het uit de kei naast hen kwam. Onder het oppervlak ervan flikkerden kleine lichtpuntjes, net als spikkeltjes mica.

Tweebloesem stond onderwijl zijn mond open en dicht te doen.

'Kunnen ze dan niet gewoon bloemen en bessen en zo gebruiken?' vroeg hij. 'Symbolisch of zo?'

'O nee.'

'Heeft iemand dat ooit geprobeerd?'

Rinzwind moest ervan zuchten. 'Hoor eens,' zei hij. 'Geen Hogepriester met een greintje zelfrespect zal ooit, na al dat gedoe met die trompetten en optochten en vaandels en wat al niet, zijn mes in een narcis en een paar pruimen prikken. Je kunt het maar beter onder ogen zien, al die toestanden met evenwicht en kringloop der natuur komen ten slotte neer op seks en geweld, doorgaans beide tegelijk.'

Verbluft zag hij hoe Tweebloesems lip begon te trillen. Rinzwind wist eigenlijk ook wel dat Tweebloesem de wereld niet louter door een rose bril bekeek - hij bekeek hem via een rose brein en hoorde hem via rose oortjes.

Het gezang rees nu onafwendbaar tot een crescendo. De hoofddruïde voelde aan de snijkant van zijn sikkel en aller ogen werden gericht naar de stenen vinger op de besneeuwde heuvels buiten de kring, waar de maan zo meteen een gastoptreden zou verzorgen.

'Het helpt toch niks als je -'

Maar Rinzwind had het alleen nog tegen zichzelf.

 

-~oOo~-

 

Toch was het kille landschap buiten de kring niet geheel van leven verstoken. Allereerst naderde er op ditzelfde ogenblik een ploeg tovenaars, door Roppaf gewaarschuwd.

Maar ook werd er vanuit de beschutting van een handig omgevallen kei toegekeken door een kleine, eenzame gestalte. Een van de grootste legenden van de Schijf keek met aanmerkelijke belangstelling naar wat er in de keienkring voorviel.

Hij zag hoe de druïden zingend rondgingen, hoe de hoofddruïde zijn sikkel hief…

Hij hoorde de stem.

'Zeg eens! Pardon, ja! Mag ik even?'

 

-~oOo~-

 

Rinzwind zocht wanhopig naar een uitweg. Die was er niet. Daar stond Tweebloesem bij de altaarsteen, met één vinger in de lucht en een houding van vastberaden beleefdheid.

Rinzwind herinnerde zich nog hoe Tweebloesem eens vond dat een passerend veedrijver zijn vee te hard sloeg, en hoe zijn pleidooi voor een fatsoenlijke behandeling van dieren Rinzwind een nogal bloederige behandeling met zware schoppen had opgeleverd.

De druïden oogden naar Tweebloesem met het soort uitdrukking dat men doorgaans voor dolle schapen bewaart, of voor een onvoorziene regen van kikkers. Rinzwind kon niet goed horen wat Tweebloesem allemaal zei, maar enkele uitdrukkingen als 'rustieke volksgebruiken' en 'noten of bloemen' zweefden hem over de zwijgende kring tegemoet.

Toen klemden zich opeens vingers als een strooien kaasmatje om de mond van de tovenaar en een uiterst scherpe snede prikte aan zijn adamsappel, en vlak naast zijn oor zei een vochtige stem: 'Sjt, geen kik hoor, of ik sjteek je dood.'

Rinzwinds ogen wentelden opzij in hun kassen, alsof ze een uitweg probeerden te vinden.

'Als je wilt dat ik niets zeg, hoe kom je dan aan de weet dat ik snap wat je net hebt gezegd?' siste hij.

'Kop dicht en zjeg wat die andere sjukkel daar uitsjpookt!'

'Ja hoor eens, als ik mijn kop dicht moet houden, hoe -' Het mes aan zijn keel werd een hete pijnstreep en Rinzwind besloot de logica verder eraan te geven.

'Hij heet Tweebloesem. Hij is niet van hier.'

'Zjiet-ie niet naar uit. Isjt een vrindje van je?'

'We hebben een soort haat-haat verhouding, ja.'

Rinzwind kon zijn belager niet zien, maar zo te voelen had hij een lijf van klerenhoutjes. Ook geurde hij sterk naar pepermuntjes.

'Lef heeft hij wel, dat moet ik hem nageven. Doe nu presjies wat ik zjeg en heel misjchien krijgen we hem dan levend bij die sjteen vandaan.'

'Uggr.'

'Lef helpt namelijk niksj alsj die lui je lurven om die sjteen wikkelen. Erg eucumeniesj zjijn zje hieromtrent niet, zjie je.'

Juist op dit ogenblik kwam, gehoorzamend aan de wetten der overtuiging, de maan op, maar in weerwil van de wetten der computatie was dat heel ergens anders dan de keien hadden voorspeld.

Maar wat daar wel verscheen, glurend van tussen de wolkenflarden, was een grille rode ster. Hij bleef precies boven de heiligste kei van de kring hangen en schitterde het uit als de glinstering in de oogkas van de Dood. Hij was somber, nors en akelig, en het ontging Rinzwind niet dat hij weer wat groter was dan de vorige nacht.

Een kreet van afschuw steeg op uit de samengedromde priesters. De omringende menigte drong zich naar voren; dit zag er veelbelovend uit.

Rinzwind voelde hoe het heft van een mes in zijn hand gleed en de soppige stem achter hem zei: 'Heb je al eensj eerder zjo ietsj gedaan?'

'Wat voor iets?'

'Een tempel besjtormen, de priesjtersj doodmaken, het goud sjtelen en het meisje redden.'

'Nou nee, niet precies.'

'Het gaat zjo.'

Vijf centimeter van Rinzwinds oor barstte een stem los met het lawaai van een baviaan die in een echoput met zijn voet in een klem raakt, en een kleine maar pezige gedaante snelde langs hem heen.

Bij het fakkellicht zag hij dat het een heel oude man was, van het magere soort dat men gewoonlijk aanduidt als 'kras', met een volledig kaal hoofd, een baard die haast tot zijn knieën kwam, en een paar luciferbenen waarop de spataderen de plattegrond van een tamelijk grote stad weergaven. Ondanks de sneeuw droeg hij niets meer dan een benageld leren buideltje en een paar laarzen met ruimte genoeg voor nog een paar voeten.

De twee druïden die er het dichtst bij waren wisselden een blik en hieven hun sikkels omhoog. Even was er een werveling en daar stortten ze als rochelende rolletjes pijn op de grond.

In de opwinding die volgde wist Rinzwind van opzij naar de altaarsteen te sluipen, met het mes behoedzaam in zijn mouw teneinde geen ongewenst commentaar uit te lokken. Eigenlijk besteedde niemand erg veel aandacht aan hem; de druïden die nog niet uit de kring waren weggevlucht, over het algemeen de wat jongere met wat meer spieren, hadden zich nu om de oudere heer verzameld voor een discussie ter zake van heiligschennis, voor zover van toepassing op keienkringen, maar te oordelen aan het slissend gekakel en het suizen van vel over been had zijn inbreng toch de overhand.

Tweebloesem sloeg het handgemeen met belangstelling gade. Rinzwind greep hem bij de schouder.

'Kom, we gaan,' zei hij.

'Moeten we dan niet te hulp komen?'

'We lopen vast alleen maar in de weg,' zei Rinzwind gauw. 'Je weet hoe het is als ze op je vingers kijken als je bezig bent.'

'Op zijn minst moeten we de jongedame redden,' zei Tweebloesem streng.

'Goed dan, maar schiet op!'

Tweebloesem nam het mes over en haastte zich naar de altaarsteen. Na verscheidene onhandige halen lukte het hem dan toch de touwen die haar vasthielden door te snijden; ze ging rechtop zitten en barstte in snikken uit.

'Kom, kom, grien maar niet. Nu is alles weer goed -' begon hij.

'Helemaal niet, verdomme!' snauwde ze, en met roodomrande ogen keek ze hem kwaad aan. 'Waarom moeten ze toch altijd alles bederven?' Ze snoot verbolgen haar neus in de zoom van haar japon.

Tweebloesem keek Rinzwind hulpeloos aan.

'Ahum, ik geloof niet dat je het helemaal snapt,' zei hij. 'Ik bedoel, we hebben je zonet gered van een volmaakt wisse dood.'

'Zo makkelijk is het hier niet,' zei ze. 'Ik bedoel, zorgen dat je niet -' ze bloosde en frunnikte ellendig met de zoom van haar japon. 'Ik bedoel, het bewaren van je… je mag je niet laten… je moet aan de voorwaarden blijven voldoen…'

'Voorwaarden?' zei Tweebloesem, en hij verdiende daarmee de Rinzwind-beker voor traagste van begrip in het hele heelal. Het meisje kneep haar ogen tot spleetjes.

'Ik had intussen allang daarboven bij de Maangodin kunnen zijn, om mede te drinken uit zilveren kommen,' zei ze pruilend. 'Acht jaar elke zaterdagavond thuis blijven, die zijn wel naar de maan!'

Ze keek op en fronste Rinzwind dreigend aan.

Toen werd hij iets gewaar. Misschien was het een ternauwernood gehoorde voetstap achter hem, misschien ook een in haar ogen weerspiegelde beweging - maar hij bukte zich.

Waar zojuist nog zijn hals was floot iets door de lucht en het schampte even langs Tweebloesems kale kop. Rinzwind keerde zich om met een ruk en zag dat de aartsdruïde zijn sikkel voor een tweede zwaai in gereedheid bracht, en omdat elke hoop op weghollen was uitgesloten, haalde hij wanhopig uit met zijn voet.

Die raakte de druïde voluit op zijn knieschijf. Tegelijk dat de man het uitgilde en zijn wapen liet vallen klonk er nog een akelig vlezig geluidje en hij stortte voorover. Het langgebaarde heertje achter hem trok zijn zwaard uit het lichaam; hij veegde het netjes af met een handvol sneeuw en zei: 'Mijn jicht sjpeelt weer eensj op. Jij mag de sjchat dragen.'

'Schat?' zei Rinzwind flauwtjes.

'Al die halssjnoeren en zjo. Al die gouden halsjringen. Daar hebben zje er een boel van. Dat heb je met priesjtersj,' zei de oude man vochtig. 'Altijd maar halsjringen, halsjringen, halsjringen. Wie isj dat meisje?'

'Ze wil zich niet door ons laten redden,' zei Rinzwind. Het meisje keek de oude man uitdagend vanonder haar doorgelopen oogschaduw aan.

'Geen gelazer,' zei hij en hij tilde haar in één beweging op, strompelde een stukje, gilde het uit van de jicht en tuimelde omver.

Even later zei hij, nog steeds vanuit zijn liggende houding: 'Sjta daar niet te sjtaan, sjtom wijf - help me overeind.' Tot Rinzwinds stomme verbazing, en vrijwel zeker ook tot de hare, deed ze het ook nog.

Intussen probeerde Rinzwind Tweebloesem bij te brengen. Er liep een schampwond over zijn slaap die niet al te diep leek, maar het ventje was wel bewusteloos, en er zat een vagelijk bezorgd lachje op zijn gezicht geplakt. Zijn adem was nogal ondiep en - vreemd.

En hij voelde licht aan. Niet gewoon te licht, maar gewichtloos. De tovenaar had net zo goed een schaduw beet kunnen hebben.

Rinzwind herinnerde zich dat men zei dat druïden vreemde en vreselijke vergiffen gebruikten. Natuurlijk, er werd vaak en doorgaans door dezelfde mensen gezegd dat schurken dicht bij elkaar staande ogen hadden, dat de bliksem nooit tweemaal op dezelfde plek insloeg, en dat de goden, als ze hadden gewild dat mensen konden vliegen, iedereen wel een vliegticket zouden hebben gegeven. Maar er was iets met Tweebloesems lichtheid dat Rinzwind angst aanjoeg. Vreselijke angst.

Hij keek op naar het meisje. Ze had de oude man over een van haar schouders geslingerd en lachte Rinzwind half verontschuldigend toe. Ergens laag van achter haar rug zei een stem: 'Hebben we allesj? Wegweezjen dan, voordat zje weer terugkomen.'

Rinzwind nam Tweebloesem onder zijn arm en draafde hen achterna. Iets anders zat er niet op, zo leek het.