=>>O<<=
Dit lijkt een geschikt moment, een moment waarop Rinzwind en Conina vrijwel zeker weldra het slachtoffer zullen zijn van een moordaanslag en Munt op het punt staat de verzamelde bibbertovenaars ernstig toe te spreken inzake verraad, en de Schijf in handen dreigt te vallen van een toverdictatuur, om eens wat op te merken omtrent dichtkunst en inspiratie.
Neem bijvoorbeeld de Serief, die in zijn intieme woestenette zojuist door zijn verzengevulde bladzijden is achteruitgebladerd om de regels te herzien die aanvangen met:
De dag gaat open als een oude doos;
ik sta voor 't raam en zweet mijn kater uit,
de fles is leeg, en met benauwd geluid
kweel ik van droesemdauw en gordelroos.
- en er is hem een zucht ontsnapt, want de witgloeiende regels die door zijn verbeelding schroeien lijken er wel nimmer precies zo uit te komen als hij wil.
Het is inderdaad uitgesloten dat dat ooit gebeurt.
Helaas, zo gaat het aldoor.
Het is een alom in de menigdimensionale werelden van het veelal bekend en vastgesteld feit dat de meeste echt grote ontdekkingen te danken zijn aan een enkel ogenblikje van inspiratie. Eerst moet er veel grondwerk worden verspit, uiteraard, maar zijn beslag krijgt alles pas bij het zien van, laat ik zeggen, een vallende appel of een kokende ketel of water dat over de rand van de badkuip loopt. In het hoofd van de waarnemer gaat iets van klik en alles valt op zijn plaats. De vorm van DNA, zegt men, dankt zijn ontdekking aan de toevallige aanblik van een wenteltrap, toen de geest van die wetenschapper net op de juiste temperatuur van ontvankelijkheid was. Als hij de lift genomen had, dan zou de genetische wetenschap heel anders zijn uitgevallen.[*]
Men beschouwt dit als ergens wel prachtig. Dat is het niet. Het is tragisch. De hele tijd hagelt het in het heelal van de inspiratiedeeltjes die net zo makkelijk door de dichtste materie vliegen als neutrino's door een hooiberg van suikerspin, en de meeste missen hun doel.
Erger nog, de meeste die precies een breindoel raken, raken het verkeerde.
[*] Wellicht ook sneller, trouwens. En verboden voor meer dan veertien mensen tegelijk.
Neem nu die rare droom over een loden autoband aan een kilometershoge stellage, die in de juiste geest katalysator geweest zou zijn voor het uitvinden van represso-gravitationele elektriciteitsopwekking (een goedkope en onuitputtelijke, volstrekt niet-vervuilende vorm van energie waar de desbetreffende wereld al eeuwen naar zocht, en door welks ontbreken die wereld nu was ondergedompeld in een vreselijke en zinloze oorlog), die werd nota bene gedroomd door een verbijsterd eendje.
Of een ander ongelukkig toeval: de aanblik van een galopperende kudde witte paarden in een veld vol wilde hyacinten had een zwoegend componist kunnen brengen tot het schrijven van de beroemde Vliegende Godensuite, wat troost en steun had betekend voor miljoenen zielen, ware het niet dat hij thuis ziek te bed lag met gordelroos. De inspiratie kwam derhalve terecht in een naburige kikker, die veel minder in de gelegenheid was tot een opmerkelijke bijdrage aan de toonkunst.
Vele beschavingen hebben deze schandalige verspilling onderkend en diverse methoden geprobeerd om er een stokje voor te steken, meestal via aangename maar onwettige pogingen om de geest op de juiste golflengte te stemmen door middel van uitheemse kruiden of gistproducten. Nooit werkt het echt.
En zo kwam het dat Cooltheer wel een droom had met de inspiratie van een tamelijk knappe dichter, over leven en wijsbegeerte en hoe die er zoveel beter uitzagen door de bodem van een wijnglas, maar er volstrekt niets mee kon beginnen omdat hij ongeveer even dichtvaardig was als een hyena.
Waarom de goden dit laten voortduren is een mysterie.
Of eigenlijk, de flits van inspiratie die nodig is om dit helder en exact te verklaren heeft wel plaatsgehad, maar het ontvangende schepsel - een pimpelmeesvrouwtje - heeft het inzicht nooit helder kunnen verwoorden, zelfs niet via enkele zeer vermoeiende codeberichten in vetbollen. Raar, maar de filosoof die al enkele slapeloze nachten gewijd had aan ditzelfde raadsel, werd die ochtend toevallig wakker met een schitterend nieuw idee om pinda's te onttrekken aan een pindaketting.
Waarmee we keurig uitkomen op het onderwerp toveren.
Ver weg daarbuiten in de duistere ruimtediepten tussen de sterren ijlt momenteel een enkel inspiratiedeeltje lustig voort zonder enig besef van zijn bestemming, en maar goed ook, want die bestemming, binnen luttele uren, is de geest van Rinzwind.
Dat zou al een moeilijk doelwit zijn als Rinzwinds creatieve knobbel van redelijk formaat was, maar nu was het deeltje door zijn karma opgezadeld met de taak om een bewegend doelwit te treffen, zo groot als een rozijntje en op een afstand van vele honderden lichtjaren. Het leven in dit grote, dikke heelal is vaak erg moeilijk voor zo'n elementair deeltje.
Maar als het die toets doorstaat, dan zal Rinzwind een zeer filosofisch idee krijgen. Lukt het niet, dan zal een naburige baksteen verblijd worden met een belangrijk inzicht, waarvoor hij totaal niet is toegerust.
=>>O<<=
Het Serieflijk paleis, in legenden bezongen als het Alrhandra, besloeg het grootste deel van het centrum van Al Khali dat niet werd beslagen door de Wildernisse. Het meeste van wat verband hield met Cooltheer had een mythische vermaardheid en van het bogen-, koepels- en zuilenrijke paleis zei men dat het meer vertrekken had dan ooit iemand had kunnen becijferen. Rinzwind wist niet welk cijfer deze kamer had.
'Hij is zeker betoverd?' zei Obrom de Grootvizier.
Hij porde Rinzwind in zijn ribbenkast.
'Jij bent tovenaar,' zei hij. 'Vertel jij maar wat hij doet.'
'Hoe weet je nou dat ik tovenaar ben?' vroeg Rinzwind radeloos.
'Het staat op je hoed,' zei de vizier.
'Ach.'
'En op dat schip was je erbij. Mijn lui hebben je gezien.'
'Heeft de Serief slavenhalers in dienst?' snauwde Conina. 'Dat klinkt niet bepaald naar eenvoud!'
'O, die slavenhalers zijn in mijn dienst. Ik ben uiteindelijk de vizier,' zei Obrom. 'Van mij verwacht men zoiets.'
Hij blikte het meisje peinzend aan en knikte toen naar een paar van de wachters.
'De huidige Serief heeft nogal letterkundige inzichten,' zei hij. 'Die heb ik evenwel niet. Breng haar naar de harem, al neem ik aan', en met een geërgerde zucht rolde hij zijn ogen omhoog, 'dat je daar alleen verveling boven het hoofd hangt, en mogelijk een zere keel.'
Hij wendde zich tot Rinzwind.
'Zeg vooral niets,' zei hij. 'Hou je handen stil. Waag je niet aan onverwachte tovertoeren. Ik word beschermd door vreemde en sterke talismans.'
'Zeg wacht eens even -' begon Rinzwind, en Conina zei: 'Goed dan. Ik heb altijd al willen weten hoe zo'n harem eruit ziet.'
Rinzwinds mond ging maar open en dicht, al kwam er geen geluid uit. Ten slotte bracht hij uit: 'O ja?'
Ze wiebelde naar hem met een wenkbrauw. Dat zou wel een of ander seintje zijn. Rinzwind had het gevoel dat hij het moest begrijpen, maar in het diepst van zijn wezen ontwaakten vreemde lusten. Niet dat hij daar dapper van werd, maar boos werd hij er wel van. In versneld tempo verliep de dialoog achter zijn ogen ongeveer zo:
Blèh.
Wie daar?
Je geweten. Ik word er beroerd van. Hoor eens, ze gaan haar naar die harem slepen.
Zij liever dan ik, dacht Rinzwind, maar niet al te overtuigd.
Doe iets!
Er zijn teveel wachters! Die zouden me doodmaken!
Nou, dan maken ze je dood, dat is het eind van de wereld niet.
Voor mij wel, dacht Rinzwind somber.
Maar bedenk dan eens hoe goed je je zult voelen in het hiernamaals -
Hoor eens, hou je kop, wil je? Ik heb nu wel weer genoeg van mij.
Obrom stapte op Rinzwind af en keek hem verwonderd aan.
'Tegen wie heb jij het?' vroeg hij.
'Ik waarschuw je', zei Rinzwind van tussen zijn dichtgeklemde kaken, 'ik heb een toverkist op beentjes die geen enkele genade kent voor wie me aanvalt, één woordje van mij en -'
'Goh, dat maakt indruk op me,' zei Obrom. 'Is hij soms onzichtbaar?'
Rinzwind waagde een blik achterom.
'Toen ik binnenkwam had ik hem absoluut nog,' zei hij, langzaam leeglopend.
Het zou een vergissing zijn te zeggen dat de Bagage nergens te zien was. Hij was ergens te zien, al was die plek helemaal niet bij Rinzwind in de buurt.
Obrom liep langzaam om de tafel waarop de hoed lag, en draaide aan zijn snor.
'Nogmaals', zei hij, 'ik vraag je: dit is een machtig maaksel, dat voel ik, en jij moet me zeggen wat het doet.'
'Waarom vraag je het hem zelf niet?'
'Hij weigert het me te zeggen.'
'Nou, waarom wil je het dan weten?'
Obrom moest lachen. Dat klonk niet aardig. Het klonk alsof ze hem alles over lachen hadden verteld, langzaam waarschijnlijk, en herhaaldelijk, maar dat hij het nooit iemand echt had horen doen.
'Jij bent tovenaar,' zei hij. 'Tovenarij draait om macht. Ik ben zelf ook begonnen aan toverij. Ik heb er namelijk het talent voor.' De vizier richtte zich stijfjes op. 'Jazeker. Maar op de Universiteit wilden ze me niet toelaten. Ze zeiden dat ik geestelijk te labiel was, wil je dat geloven?'
'Nee,' zei Rinzwind oprecht. De meeste tovenaars op de Gesloten waren hem altijd voorgekomen als behept met meer dan één streepje erdoor. Obrom leek hem tamelijk normaal tovenaarsmateriaal.
Obrom glimlachte hem bemoedigend toe.
Rinzwind keek schuins naar de hoed. Die zei niks. Toen keek hij weer naar de vizier. Dat lachen was al eng, maar bij deze glimlach vergeleken was het net zo gewoon als vogelgefluit. Deze glimlach zag eruit of de vizier hem geleerd had aan de hand van een werktekening.
'Nog met geen wilde tijgers kun je me ertoe krijgen je te helpen,' zei hij.
'Aha,' zei de vizier. 'Uitdagen, hè?' Hij wenkte een wachter die vlakbij stond.
'Hebben wij nog wilde tijgers in de menagerie?'
'Een paar tamelijk kwaaie, meester.'
'Breng er vier van tot razernij en laat ze los op de zonmeese binnenplaats. O ja, en neem flink wat kettingen mee.'
'Ik zorg er meteen voor, meester.'
'Uh. Hoor eens,' zei Rinzwind.
'Ja?' zei Obrom.
'Nou, als je het zo stelt…'
'Je had iets op te merken?'
'Het is de hoed van de Aartskanselier, als je het per se weten moet,' zei Rinzwind. 'Symbool van alle tovenarij.'
'Met veel macht?'
Rinzwind rilde. 'Zeer veel,' zei hij.
'Waarom heet hij de hoed van de Aartskanselier?'
'De Aartskanselier is de meest vooraanstaande tovenaar, zie je. De baas. Maar, hoor nou -'
Obrom tilde de hoed op en draaide hem om en om in zijn handen.
'Hij is, om zo te zeggen, het embleem van die functie?'
'Zonder twijfel, maar hoor nou, als je hem opzet, dan moet ik je wel waarschuwen dat -'
Kop dicht.
Obrom sprong pardoes achteruit en liet de hoed op de grond vallen.
Die tovenaar weet nergens van. Stuur hem weg. Wij moeten eens onderhandelen.
De vizier keek met grote ogen neer op de schitterende octarijnen op de hoed.
'Ik, onderhandelen? Met een hoofddeksel?'
Ik heb heel wat te bieden, aan het juiste hoofd dan.
Rinzwind was ontsteld. Er is al aangeduid dat hij het soort instinct voor gevaar had dat je anders alleen aantreft bij zekere zeer kleine knaagdiertjes, en momenteel beukte het tegen de wand van zijn schedel in een poging weg te komen om zich ergens te verstoppen.
'Luister er niet naar!' schreeuwde hij.
Zet mij op, zei de hoed verleidelijk, met een oeroude stem die klonk alsof de spreker een mondvol vilt had.
Als er inderdaad ergens een school voor viziers was, dan had Obrom daar de hoogste cijfers gehaald.
'Eerst praten we,' zei hij. Hij knikte naar de wachters en wees op Rinzwind.
'Sleep hem weg en gooi hem in de spinnenbak,' zei hij.
'Nee, niet ook nog de spinnenbak, bij alle andere ellende!' jammerde Rinzwind.
De hoofdman van de wacht stapte naar voren en bracht een eerbiedige vuist aan zijn voorhoofd.
'Spinnen zijn op, meester,' zei hij.
'Ach.' Het gezicht van de vizier bleef eventjes leeg. 'Sluit hem dan maar op in de stal bij het wilde paard.'
De wachtsman aarzelde, en probeerde niet te letten op de plotse uitbarsting van gejammer naast hem. 'Het wilde paard is pas ziek geweest, meester. Ging de hele nacht op en neer.'
'Gooi deze snotterende lafaard dan maar in de put van het eeuwige vuur!'
Een paar wachters wisselden blikken uit over het hoofd van Rinzwind, die door zijn knieën gezakt was.
'Ach tja. Dat moeten we dan wel wat meer vooruit weten, meester -'
'- zodat we het zeg maar weer kunnen aanmaken.'
De vuist van de vizier dreunde op de tafel. En het gezicht van de hoofdman klaarde akelig op.
'We hebben de slangenkuil nog, meester,' zei hij. De andere wachters knikten. De slangenkuil, die had je altijd nog.
Vier hoofden draaiden zich naar Rinzwind, die opstond en het zand van zijn knieën klopte.
'Hoe sta je tegenover slangen?' vroeg een van de wachters.
'Slangen? Daar heb ik het niet zo op -'
'De slangenkuil dus,' zei Obrom.
'Okido. De slangenkuil,' stemden de wachters in.
'- ik wilde zeggen, sommige slangen zijn wel in orde -' vervolgde Rinzwind, terwijl twee wachters hem bij de elleboog namen.
Het bleek dat er maar één zeer behoedzame slang was, die hardnekkig opgerold in een hoekje van de duistere kuil bleef liggen en Rinzwind wantrouwig aanloerde, misschien omdat hij hem deed denken aan een vosaapje.
'Hoi,' zei de slang ten slotte. 'Ben jij soms een tovenaar?'
Als tekst voor een slangendialoog was het een hele verbetering op de gebruikelijke stroom essen, maar Rinzwind was voldoende bedrukt om geen tijd te verspillen met verbazing en antwoordde gewoon: 'Staat toch op mijn hoed, kun je niet lezen soms?'
'In zeventien talen, eerlijk gezegd. Mezelf geleerd.'
'Echt waar?'
'Schriftelijk cursussen. Maar ik probeer natuurlijk om niet te lezen. Zou niet bij m'n image passen.'
'Nee, dat lijkt me ook.' In elk geval was het de beschaafdste slangenstem die Rinzwind ooit gehoord had.
'Met die stem is het helaas al net zo,' vervolgde de slang. 'Eigenlijk moest ik nu helemaal niet met je praten. Niet zoals nu, in ieder geval. Misschien kon ik beter wat grommen. Ik denk zo dat ik eigenlijk zou moeten proberen je dood te maken.'
'Ik beschik over eigenaardige en ongewone krachten,' zei Rinzwind. Daar is weinig tegenin te brengen, dacht hij, een haast totaal onvermogen om enige vorm van toveren onder de knie te krijgen is nogal ongewoon voor een tovenaar, en trouwens, tegen een slang liegen geeft toch niks.
'Tjee. Nou, dan denk ik niet dat je hier lang zult blijven.'
'O?'
'Ik neem aan dat je je hier elk ogenblik uit omhoog gaat toveren.'
Rinzwind keek omhoog langs de vijf meter hoge muren van de kuil en wreef over zijn builen en schrammen.
'Wie weet,' zei hij op zijn hoede.
'Je zou me in dat geval toch wel mee willen nemen?'
'Hè?'
'Ik vraag nogal wat, ik weet het, maar zo'n kuil is nogal, tja, een dieptepunt.'
'Jou meenemen? Maar je bent een slang, het is jouw kuil. Men gaat er vanuit dat jij hier blijft en dat de mensen naar jou toekomen. Ik bedoel, ik heb daar verstand van.'
Een schaduw achter de slang kwam in beweging, en overeind.
'Dat is behoorlijk onaardig om tegen iemand te zeggen,' zei de schaduw.
En toen stapte hij naar voren in de lichtkring.
Het was een jongeman, langer dan Rinzwind. Nou ja, Rinzwind zat natuurlijk, maar de jongen zou zelfs langer geweest zijn als hij gestaan had.
Als je zei dat hij mager was liet je een volmaakte kans voorbijgaan om de uitdrukking 'vel over been' te gebruiken. Hij zag ernaar uit of er droogrekken en ligstoelen onder zijn voorouders voorkwamen, en dat viel vooral zo op door zijn kleren.
Rinzwind keek nog eens goed.
Ja, de eerste keer had hij het ook al gezien.
De sluikharige gedaante daar voor hem droeg de zeg maar traditionele kledij van een barbaarse held - een paar bespijkerde leren riemen, grote laarzen met bont, een leren buideltje en kippenvel. Daar was niets ongebruikelijks aan, in elke straat van Ankh-Meurbork zag je tientallen avonturiers met dito kleding, behalve dan dat je er nooit een zou zien in -
Het jongmens volgde zijn blik, keek omlaag en haalde zijn schouders op.
'Kan ik niks aan doen,' zei hij. 'Heb ik mijn moeder beloofd.'
'Wolletjes? Wollen ondergoed?'
=>>O<<=
Die nacht gebeurden er vreemde dingen in Al Khali. Uit zee rolde iets zilverachtigs landinwaarts dat de stadsastronomen voor raadselen zette, maar dat was het raarste niet. Er ontlaadden zich kleine flitsjes onversneden toverkracht vanaf elk scherp randje, net als statische elektriciteit, maar dat was het raarste niet.
Het raarste liep een herberg binnen aan de stadsrand, waar de eeuwigdurende wind de geur van de woestijn door elk ruitloos venster binnenwoei, en ging daar midden op de vloer zitten.
De aanwezigen zagen het een tijdje aan en lurkten aan hun kopjes koffie-met-woestijnoerak. Deze drank, bereid uit cactussap en schorpioenengif, is een van de venijnigste alcoholische dranken in het heelal, maar de woestijnnomaden drinken er niet van om zijn benevelende werking. Ze nemen het in omdat ze iets nodig hebben om het effect van de Klatschieke koffie wat te verzachten.
Niet zozeer omdat je met die koffie een schutting kon conserveren. Niet omdat hij door de ongeoefende maagwand ging als een heetgelopen kogellager door de warme boter. Hij deed iets veel ergers.
Je werd er neknord van.[*]
De zonen der woestijn blikten wantrouwig in hun vingerhoedkleine koffiekopjes en vroegen zich af of ze soms wat te scheutig met de oerak geweest waren. Zagen ze allemaal hetzelfde? Zou je voor gek staan als je er iets van zei? Dat zijn het soort dingen om je druk over te maken als je prijst stelt op je geloofwaardigheid als arendsogig zoon der wijde woestijn. Wijzen met een bevende vinger en iets zeggen van 'Kijk daar, er komt een kist binnen op honderden beentjes, is dat niet buitengewoon!', geeft blijk van een vreselijk en mogelijk fataal gebrek aan machismo.
[*] In een waarlijk toverheelal heeft alles zijn tegendeel. Zo heb je bijvoorbeeld anti-licht. Dat is niet gewoon duisternis, want dat is maar het ontbreken van licht. Anti-licht krijg je als je het duister voorbij bent en er aan de andere kant weer uitkomt. Langs dezelfde lijnen is een staat van neknordschap niet gewoon nuchterheid. Nuchterheid is daarbij vergeleken zoiets als een bad nemen in watten. Neknordschap wist elke illusie uit, heel dat troostrijke rose waas waarin men gewoonlijk zijn leven slijt, zodat men voor het allereerst helder ziet en denkt. Nadat men dan wat gegild heeft, zorgt men er vervolgens voor nooit meer neknord te worden.
De drinkgasten probeerden elkaars blikken te mijden, zelfs toen de Bagage tot stilstand schoof bij de rij oerakkruiken aan de tegenoverliggende wand. De Bagage had een manier van stilstaan die nog vreselijker was dan hem te zien bewegen.
Op het laatst zei een van hen: 'Ik geloof dat hij wat wil drinken.'
Er viel een langdurig zwijgen en toen zei een van de anderen, met de nauwkeurigheid van een grootmeester die de fatale zet uitdeelt: 'Wie dan?'
De overige gasten staarden onaangedaan in hun glazen.
Een tijdlang was er geen ander geluid dan het geplopplop van de muurhagedis die over de zwetende zoldering trippelde.
Toen zei de eerste drinkebroeder: 'Ik doelde op de demon die nu juist achter jou is gaan staan, O broeder der zanderijen.'
De huidige houder van de Pan-Duinse Beker der Onverstoorbaarheid behield zijn glazige glimlach tot hij voelde hoe er aan zijn gewaad werd getrokken. De glimlach bleef waar hij was, maar de rest van het gezicht wilde er kennelijk niets meer mee te maken hebben.
De Bagage was aangedaan door liefdesongeluk en deed wat ieder verstandig persoon in dergelijke omstandigheden zou doen, zich bedrinken. Geld had hij niet, en zijn wensen kon hij ook al niet onder woorden brengen, maar op een of andere manier viel het de Bagage nooit erg moeilijk om over te komen.
De herbergier bracht een zeer lange en eenzame nacht door met het bijvullen van een schoteltje oerak, tot de Bagage het pand nogal onvast door een van de muren verliet.
In de woestijn was het stil. Doorgaans was hij niet zo stil. Doorgaans was het er een kabaal van tsjirpende krekels, muggengezoem, het fluisterend suizen van jagende vleugels die over de afkoelende zandglooiing scheerden. Maar hedennacht heerste er de drukkende, naarstige stilte van nomaden die hun tenten opbraken en er als de sodemieter vandoorgingen.
=>>O<<=
'Heb ik mijn moeder beloofd,' zei de jongen. 'Want ik ben zo vatbaar, zie je.'
'Misschien moest je eens proberen, tja, wat meer kleren aan te doen?'
'O nee, dat zal niet gaan. Je moet nou eenmaal al dit leren spul aan.'
'Ik zou het geen al noemen,' zei Rinzwind. 'Er is niet genoeg van om het al te noemen. Waarom moet je het aan?'
'Zodat ze zien dat ik een barbaarse held ben, natuurlijk.'
Rinzwind leunde met zijn rug tegen de stinkende muur van de slangenkuil en staarde de jongen aan. Hij zag twee ogen als gekookte druiven, een bos rossig haar, en een gezicht dat tot slagveld diende voor de inheemse sproeten tegen de vreselijke invasietroepen der jeugdpuistjes.
Dit waren momenten waar Rinzwind wel van hield. Ze overtuigden hem ervan dat hij niet gek was, want als hij wel gek was hield je geen woord meer over om sommige lui die hij tegenkwam mee te beschrijven.
'Barbaarse held,' mompelde hij.
'Het is toch wel in orde? Al dit leren spul was erg duur.'
'Ja maar, hoor - hoe heet je, knul?'
'Niezel -'
'Kijk, Niezel -'
'Niezel de Verdelger,' vervolgde Niezel.
'Kijk eens, Niezel -'
'- de Verdelger -'
'Goed dan, de Verdelger -' zei Rinzwind ten einde raad.
'- zoon van Hazebil de Koopman in Grutterijen -'
'Wat!?'
'Je moet nu eenmaal iemands zoon zijn,' legde Niezel uit. 'Dat staat hier ergens -' Hij draaide zich half om en tastte in een beduimelde pelsbuidel, om ten slotte voor de dag te komen met een dun, gerafeld en beduimeld boek.
'Er stond hier iets in over je naam uitkiezen,' mompelde hij.
'Hoe kon je dan in deze kuil terechtkomen?'
'Ik was voornemens om wat van Cooltheers schat te stelen, maar toen kreeg ik een astma-aanval,' zei Niezel die onhandig de knisperende bladzijden doorvingerde.
Rinzwind keek op de grond naar de slang die nog steeds probeerde uit ieders buurt te blijven. Hij had het best naar zijn zin in die kuil, en wist wanneer er stront aan de knikker was. Hij ging niet iemand tegen de haren instrijken. Hij keek Rinzwind gewoon in zijn gezicht en haalde zijn schouders op, wat voor een reptiel een hele toer is.
'Hoelang ben je nu al een barbaarse held?'
'Ik begin nog maar net. Ik wilde er altijd al een zijn, zie je, en ik dacht dat ik het wel al doende onder de knie kon krijgen.' Niezel tuurde Rinzwind bijziend aan. 'Dat mag toch wel?'
'Wat je noemt van de hand in de tand leven, dat wel,' bracht Rinzwind te berde.
'Denk je er wel aan hoe het zou zijn om de komende vijftig jaar louter kruidenierswaren te verkopen?' pruttelde Niezel sikkeneurig.
Rinzwind dacht eraan.
'Zit daar ook sla bij?' vroeg hij.
'Jazeker,' zei Niezel die het geheimzinnige boek terugstopte. Toen begon hij de muren van de kuil eens aandachtig op te nemen.
Rinzwind slaakte een zucht. Sla, daar hield hij van. Die was zo onvoorstelbaar vervelend. Al jaren streefde hij naar verveling, maar nooit had hij die bereikt. Net als hij dacht er vat op te krijgen raakte zijn leven eensklaps vervuld van interessant levensgevaar. Het idee dat iemand vrijwillig het vooruitzicht op vijftig jaar verveling kon opgeven deed zijn knieën knikken. Met vijftig jaar voor de boeg, dacht hij, kon hij sleur tot een vorm van kunst verheffen. Wat kon je niet allemaal laten, in zoveel tijd!
'Ken jij soms nog lampenpitmoppen?' zei hij, zich behaaglijk nestelend op het zand.
'Dacht ik niet, nee,' zei Niezel beleefd; hij klopte eens op het gesteente.
'Honderden ken ik er. Allemaal heel grappig. Bijvoorbeeld, weet jij hoeveel trollen je nodig hebt om een lampenpit te vervangen?'
'Dat steen hier beweegt,' zei Niezel. 'Kijk, het is een soort deur. Help eens een handje.'
Hij duwde geestdriftig en de spierballen zwollen op zijn armen als erwten op een potlood.
'Zal wel een geheime gang of zo zijn,' vervolgde hij. 'Toe nou, tover maar eens wat. Hij klemt.'
'Wil je de rest van die mop dan niet horen?' vroeg Rinzwind gekwetst. Hier beneden zat je warm en droog en zonder dreigend gevaar, afgezien dan van de slang, en die probeerde zo weinig mogelijk op te vallen. Sommige lui waren ook nooit tevreden.
'Momenteel even niet, nee,' zei Niezel. 'Liever wat toverhulp, graag.'
'Ik ben er niet zo goed in,' zei Rinzwind. 'Nooit de slag te pakken gekregen, zie je, het is niet alleen zo je vinger ernaar uitsteken onder het roepen van “Hocus Pocus -”'
Er klonk een geluid alsof er een dikke schicht octarijne bliksem in een zware granieten deur sloeg en die in een sproeiregen van witgloeiende scherfjes uiteen liet spatten, en geen wonder.
Na een tijdje kwam Niezel langzaam weer op de been, onderwijl de vuurhaardjes uit zijn borstrok vegend.
'Tja,' zei hij en het klonk of hij kost wat kost zijn zelfbeheersing wilde bewaren. 'Nou. Mooi zo. Dat zullen we dan maar even laten afkoelen. En dan, en dan moesten we maar eens gaan.'
Hij kuchte wat.
'Ongng,' zei Rinzwind. Gebiologeerd staarde hij naar de vingertop aan het eind van zijn uitgestrekte arm, en kennelijk speet het hem dat die niet langer was.
Niezel tuurde door het smeulende gat.
'Het lijkt wel of je zo in een soort kamer komt,' zei hij.
'Ong.'
'Ga maar voor,' zei Niezel. Hij gaf Rinzwind een duwtje.
De tovenaar wankelde naar voren, stootte zonder het te merken zijn hoofd aan de rots en stuiterde het gat in.
Niezel beklopte de muur en zijn voorhoofd rimpelde. 'Voel jij iets?' vroeg hij. 'Moet zo'n rots bibberen?'
'Ong.'
'Alles in orde met je?'
'Ong.'
Niezel legde een oor op het gesteente. 'Er is zo'n raar geluid,' zei hij. 'Een soort gonzen.' Er kwam wat stof los uit het metselwerk boven zijn hoofd en dat zweefde omlaag.
Toen dansten zich een paar veel zwaardere rotsblokken los uit de muur van de kuil en die dreunden op het zand.
Rinzwind was intussen de tunnel ingewaggeld, onder geschokte kreetjes en zonder enige aandacht voor de stenen die hem op een centimeter misten of, nu en dan, per kilogram raakten.
Als hij bij machte geweest was er iets van te merken, had hij begrepen wat er gebeurde. De lucht voelde vettig en rook naar schroeiend blik. Flauwe regenboogvliesjes glansden op elk randje en puntje. Ergens heel dicht in hun buurt werd een toverlading opgebouwd, en het was een zware, en hij zocht naar massa om zich in te ontladen.
Een geschikte tovenaar, zelfs zo'n onhandige als Rinzwind, sprong eruit als een koperen vuurtoren.
Niezel kwam uit het rommelende, walmende stof gestrompeld en stuitte op Rinzwind die, omringd door een octarijne corona, in alweer een grot stond.
De tovenaar oogde vreselijk. Cooltheer zou vast zijn flitsende ogen en wuivend haar hebben opgemerkt.
Hij leek wel iemand die net een handvol pijnappelklieren heeft opgegeten, gevolgd door een litertje adrenocorticotroop hormoon. Hij leek zo beneveld dat je hem maar beter kon sluiten voor alle verkeer.
Elk haartje stond overeind op zijn hoofd en sproeide vonkjes. Zelfs zijn vel gaf de indruk dat het van hem weg wilde. Zijn ogen leken horizontaal rond te draaien; toen hij zijn mond opendeed flitsten er pepermuntvonken van zijn tanden. Waar zijn voetstap ging smolt het steen, of het kreeg oortjes of werd iets kleins, schubbigs en paars dat wegvloog.
'Zeg', zei Niezel, 'gaat het wel goed?'
'Ong,' zei Rinzwind en de lettergreep veranderde in een schijf ananas.
'Je ziet er niet goed uit,' zei Niezel, met wat je in de gegeven omstandigheden best ongewone schranderheid mocht noemen.
'Ong.'
'Waarom probeer je ons niet hieruit te krijgen?' vervolgde Niezel en wijselijk liet hij zich languit vallen.
Rinzwind knikte als een marionet en wees met zijn geladen kootje naar het plafond, dat smolt als ijs onder een snijbrander.
En het gerommel ging maar door met zijn verontrustende akkoorden die het paleis doortrilden. Het is populair-wetenschappelijk bewezen dat er frequenties zijn die paniek teweegbrengen, naast frequenties die tot pijnlijke incontinentie leiden, maar het bevend gesteente resoneerde op de frequentie waarvan de werkelijkheid gaat smelten tot hij er aan de hoekjes uitsijpelt.
Niezel beschouwde het druipend plafond en proefde eens behoedzaam.
'Citroenvla', zei hij, en vervolgens: 'Zeker geen kijk op een trap?'
Uit Rinzwinds geteisterde vingers sproeide nog meer vuur, dat samenbalde tot een haast volmaakte roltrap, afgezien dat het mogelijk de enige roltrap in het heelal was met krokodillenleren bekleding.
Niezel greep de zachtjes ronddraaiende tovenaar beet en sprong aan boord.
Gelukkig waren ze al boven toen opeens, heel opeens, de toverkracht weg was.
Als een paddestoel opgeschoten door een oud trottoir, middenuit het paleis en dwars door verbrijzelde daken, stond een witte toren die hoger was dan enig ander gebouw in Al Khali.
Onderin was een enorme dubbele deur opengegaan en daar schreden, alsof het hun bouwsel was, tientallen tovenaars uit naar buiten. Rinzwind meende een paar gezichten te herkennen, gezichten die hij vroeger vaag had zien stuntelen in collegezalen of beminnelijk had zien uitkijken op de wereld op het terrein van de Universiteit. Deze gezichten waren niet ingericht op boosaardigheid. Er zat niet één zichtbare hoektand tussen. Maar hun uitdrukkingen hadden een grootste gemene deler waar een weldenkend iemand de doodschrik van kreeg.
Niezel trok zich terug achter een geschikte muur. Zijn blik kruiste de doodsbange ogen van Rinzwind.
'Hela, maar dat is toverij!'
'Ik weet het,' zei Rinzwind. 'Het deugt niet!' Niezel tuurde langs de flonkerende toren omhoog.
'Maar -'
'Je voelt dat het niet deugt,' zei Rinzwind. 'Vraag me niet waarom.'
Een stuk of vijf Serieflijke wachters stormden uit een boogpoort naar buiten en stortten zich naar de Tovenaars, hun dolle ren des te onheilspellender door hun ijselijke strijdzwijgen. Een ogenblikje blonken hun zwaarden in het zonlicht, toen draaiden een paar tovenaars zich om, staken hun handen uit en -
Niezel wendde zijn blik af.
'Ullch,' zei hij.
Er kletterden enkele kromzwaarden op de keien.
'Ik geloof dat we maar heel stilletjes weg moesten gaan,' zei Rinzwind.
'Maar zag je dan niet waarin ze die kerels daarnet omtoverden?'
'Dooie kerels,' zei Rinzwind. 'Ik weet het. Ik wil er niet meer aan denken.'
Niezel dacht dat hij er altijd aan zou blijven denken, vooral om drie uur 's nachts bij harde wind. De kwestie is dat doodgemaakt worden door toverkracht zoveel vernuftiger is dan, laat ik zeggen, met staal; er waren allerlei interessante nieuwe manieren van doodgaan, en hij kreeg ze niet meer uit zijn hoofd, die vormen die hij gezien had, even maar, voor de vlaag octarijn vuur ze genadiglijk had overspoeld.
'Ik wist niet dat tovenaars zo waren,' zei hij terwijl ze zich door een gang repten. 'Ik dacht dat ze eerder, tja, mal dan moorddadig waren. Soortement schertsfiguren.'
'Lach daar dan maar eens om,' mopperde Rinzwind.
'Maar ze maakten ze zomaar dood, zonder maar -'
'Ik wou dat je er maar over ophield. Ik zag het ook, hoor.'
Niezel ging wat achteruit. Zijn ogen vernauwden zich.
'Jij bent ook een tovenaar,' beschuldigde hij.
'Maar zeker niet zo eentje,' zei Rinzwind kortaf.
'Wat voor een dan?'
'Zo een die niemand doodmaakt.'
'Vooral die manier waarop ze naar hen keken, alsof ze er gewoon niets toe deden -' zei Niezel hoofdschuddend. 'Dat was nog het ergst.'
'Ja.'
Rinzwind liet die enkele lettergreep, zwaar als een boomstam, vallen voor Niezels gedachtentrein. De jongen rilde, maar hield wel zijn mond. Rinzwind kreeg helemaal medelijden met hem, en dat was ongewoon - hij vond doorgaans dat hij alle medelijden voor zichzelf nodig had.
'Is dit de eerste keer dat je iemand zag doodmaken?' vroeg hij.
'Ja.'
'Precies hoe lang ben je nu al een barbaarse held?'
'Uh. Welk jaar hebben we?'
Rinzwind gluurde om een hoekje, maar wat er aan mensen in de buurt was had het veel te druk met paniek om op hen te letten.
'Zwervend bestaan, hè?' zei hij zachtjes. 'Geen idee van de tijd? Ik weet hoe dat gaat. Dit is het Jaar van de Hyena.'
'O. In dat geval zowat -' Niezels lippen bewogen geluidloos - 'zowat drie dagen. Hoor eens', vervolgde hij vlug, 'hoe kunnen mensen zomaar iemand doodmaken? Zonder er zelfs maar bij stil te staan?'
'Weet ik het,' zei Rinzwind, maar op een toon waaruit bleek dat hij er wel bij stilstond.
'Ik bedoel, ook al gooide die vizier me dan in de slangenkuil, het leek tenminste nog wel of het hem interesseerde.'
'Dat is prima. Iedereen moet zich ergens voor interesseren.'
'Ik bedoel, hij lachte helemaal!'
'Ach. Nog gevoel voor humor ook.'
Rinzwind meende zijn toekomst te kunnen voorzien met dezelfde helderheid als waarmee iemand die van de rotsen stort de bodem ziet aankomen, en om zowat dezelfde redenen. Dus toen Niezel zei: 'Ze staken gewoon maar hun vingers uit, zonder zelfs even -', snauwde Rinzwind: 'Hou nou je mond maar, ja? Hoe dacht je dat ik me nu voelde? Ik ben ook tovenaar!'
'Jawel, maar dan zit jij wel snor,' mopperde Niezel.
De klap was niet hard, want zelfs in razernij had Rinzwind nog spieren van maïzena, maar hij raakte Niezel opzij aan zijn hoofd en gooide hem omver, meer door de vaart van de verrassing dan door het erin vervatte arbeidsvermogen.
'Ja, en of ik tovenaar ben,' siste Rinzwind. 'Een tovenaar die van toveren niets terecht brengt! Tot heden wist ik te overleven door te onbelangrijk te zijn om te sterven! En als alle tovenaars eenmaal gehaat en gevreesd zijn, hoe lang dacht je dan precies dat ik het uithield?'
'Maar dat is belachelijk!'
Als Niezel hem had geslagen had Rinzwind niet onthutster kunnen zijn.
'Hè?'
'Sukkel! Je hoeft alleen maar op te houden die malle jurk te dragen en die gekke hoed weg te doen, en niemand hoeft enig idee te hebben dat je tovenaar bent!'
Rinzwinds mond ging een paar keer open en dicht in een zeer levensechte weergave van een goudvis die het idee van de tapdans probeert te bevatten.
'Ophouden met deze pij dragen?'
'Zeker. Al die sleetse glittertjes en zo, dat verraadt alles,' zei Niezel die opkrabbelde.
'De hoed wegdoen?'
'Je moet toch toegeven dat rondlopen met “Toofenaar” erop een tamelijk harde wenk is.'
Rinzwind lachte zorgelijk.
'Neem me niet kwalijk', zei hij, 'maar dat volg ik niet helemaal -'
'Gooi ze gewoon maar weg. Makkelijk zat, toch? Laat ze gewoon ergens vallen en dan kun je, nou, van alles zijn. Iets dat geen tovenaar is.'
Er viel een zwijgen, alleen verstoord door strijdgedruis uit de verte.
'Uh,' zei Rinzwind hoofdschuddend. 'Nu ben ik je even kwijt…'
'Goeie genade, zo moeilijk is het toch niet te vatten!'
'…niet zo zeker of ik voel waar je heen wilt…' mompelde Rinzwind, zijn gezicht akelig badend in zweet.
'Je kunt gewoon ophouden met tovenaar zijn.'
Rinzwinds lippen bewogen geluidloos terwijl hij elk woord hiervan nog eens afdraaide, eerst een voor een, toen alles tegelijk.
'Watte?' zei hij, en daarna: 'O.'
'Gesnopen? Of nog eens proberen?'
Rinzwind knikte somber.
'Ik geloof niet dat je het snapt. Tovenaar, dat is niet wat je doet, het is wat je bent. Als ik geen tovenaar was, dan was ik niks.' Hij nam zijn hoed af en frunnikte zenuwachtig aan de loshangende ster aan de punt, waardoor weer wat goedkope pailletjes afscheid namen.
'Ik bedoel maar, er staat tovenaar op mijn hoed geschreven,' zei hij. 'Het is van het grootste belang -'
Hij hield op en keek met grote ogen naar de hoed.
'Hoed,' zei hij verstrooid, en hij voelde hoe een opdringerige herinnering zijn neus tegen het venster van zijn geest drukte.
'Een prima hoed, hoor,' zei Niezel die meende dat zoiets van hem verwacht werd.
'Hoed,' zei Rinzwind weer, en vervolgens: 'De hoed! We moeten die hoed zien te vinden!'
'Je hebt hem al,' gaf Niezel aan.
'Niet deze hoed, die andere. En Conina!'
Hij deed enkele verstrooide passen een gang in, maar schuifelde weer terug.
'Waar denk jij dat ze zitten?'
'Wie?'
'Ik moet een toverhoed zien te vinden. En een meisje.'
'Hoezo?'
'Dat is misschien moeilijk uit te leggen. Het heeft, denk ik, onder andere te maken met gegil.'
Niezel had niet zoveel kin, maar voorzover voorhanden stak hij hem naar voren.
'Er valt een meisje te redden?' vroeg hij grimmig.
Rinzwind aarzelde. 'Vast wel iemand te redden,' gaf hij toe. 'Mogelijk zij. Of in elk geval in haar buurt.'
'Waarom zei je dat niet? Dat komt beter bij, dat is meer wat ik verwachtte. Dat is waar heldendom om draait. Vooruit!'
Er klonk weer een dreun en mensengeschreeuw.
'Waarheen?' zei Rinzwind.
'Ergens heen!'
Helden hebben doorgaans het vermogen om in het wilde weg door instortende, hun vrijwel onbekende paleizen te daveren, iedereen te redden en net eruit te komen als de hele bups ontploft of in het moeras verzinkt. In dit geval deden Niezel en Rinzwind de keukens aan, diverse troonzalen, de stallen (twee maal) en wat Rinzwind voorkwam als verscheidene kilometers gang. Nu en dan ijlden er groepjes zwartgeklede bewakers voorbij, maar die hadden geen oog voor hen.
'Dit is te gek,' zei Niezel. 'Waarom vragen we het niet aan iemand? Ben je soms niet goed?'
Rinzwind leunde hijgend tegen een zuil die versierd was met schaamteverwekkend beeldhouwwerk.
'Grijp bijvoorbeeld maar zo'n wachter en ontfolter hem even die informatie,' zei hij naar adem snakkend. Niezel keek hem bevreemd aan.
'Blijf even hier,' zei hij, en een eindje verderop vond hij een lakei die naarstig een provisiekast plunderde.
'Pardon?' zei hij, 'maar weet jij de weg naar de harem?'
'Na drie deuren links,' zei de man zonder om te kijken.
'Mooi.'
Hij wandelde terug en zei het tegen Rinzwind.
'Jawel, maar heb je hem gefolterd?'
'Nee.'
'Dat was dan niet zo barbaars, hè?'
'Nou, ik ben eraan bezig,' zei Niezel. 'Ik wil maar zeggen, ik heb geen “dank je wel” gezegd.'
Dertig tellen later, en ze duwden een zwaar kralengordijn opzij en betraden de harem van de Serief van Al Khali.
Er waren schitterende zangvogels in goudfiligreinen kooien. Er waren sprankelende fonteinen. Er waren potten met zeldzame orchideeën waartussen kolibries dartelden als prachtige juweeltjes. Er waren rond twintig jongedames met genoeg kleren aan voor, och, een stuk of vijf, bijeengedromd in een zwijgend groepje.
Rinzwind had oog voor niets van dit al. Hiermee is niet gezegd dat de aanblik van tientallen vierkante meters heup en dij, in elke tint van rose tot poolnachtzwart, geen getijden deed opstijgen in de diepe kloven van zijn libido, maar die werden overspoeld door het aanzienlijk groter getij van zijn paniek bij de aanblik van vier bewakers die zich langzaam, met kromzwaard in de handen en moordlust in de ogen, naar hem toekeerden.
Zonder aarzelen deed Rinzwind een ferme stap achterwaarts.
'Jouw beurt, vriend,' zei hij.
'Okido!'
Niezel trok zijn zwaard en stak het voor zich uit, met van inspanning bevende armen.
Het bleef enkele tellen volstrekt stil terwijl iedereen wachtte op wat er nu ging gebeuren. En toen slaakte Niezel de strijdkreet die Rinzwind zich tot het eind van zijn leven zou blijven herinneren.
'Ahum', zei hij, 'een ogenblikje…'
=>>O<<=
'Toch lijkt het zonde,' zei een kleine tovenaar.
De anderen zeiden niets. Het was zonde, en er was niemand onder hen die geen last had van het schuldgevoel dat door zijn ruggenmerg jankte. Maar zoals dat vaker gebeurt in die vreemde chemie van de ziel, het schuldgevoel maakte hen hoogmoedig en roekeloos.
'Hou nou maar je mond, ja?' zei de voorlopige leider. Deze heette Benaddus Vladder, maar iets in de lucht vanavond doet je denken dat het wel niet de moeite zal lonen die naam op te nemen in je geheugen. De lucht is donker en zwaar en vol spoken.
De Gesloten Universiteit is niet leeg, er zijn alleen geen mensen.
Maar uiteraard, de zes tovenaars die zijn uitgestuurd om de Bibliotheek te verbranden zijn niet bang voor spoken, want ze zijn zo opgeladen met toverkracht dat ze haast lopen te gonzen, ze dragen pijen die alles overtreffen wat iedere Aartskanselier ooit droeg, hun punthoeden zijn puntiger dan elke hoed tot heden was, en de reden dat ze zo dicht op elkaar staan is je reinste toeval.
'Wel vreselijk donker hier,' zei de kleinste tovenaar.
'Het is middernacht', zei Vladder bits, 'en het enige gevaarlijke hierbinnen zijn wij. Waar of niet, jongens?'
Er klonk een eenstemmig ontwijkend gemompel. Ze hadden allemaal ontzag voor Vladder die, zei men, aan oefeningen deed in positief denken.
'En van een paar ouwe boeken zijn we toch niet bang, kerels?' Hij keek boos naar de kleinste tovenaar. 'Jij toch ook niet?' vervolgde hij bits.
'Ik? Welnee. Tuurlijk niet. Dat is maar papier, net als hij zei,' zei het tovenaartje vlug.
'Nou dan.'
'Het zijn er wel negentig duizend,' zei een andere tovenaar.
'Ik heb altijd gehoord dat er geen eind aan kwam,' zei een ander. 'Dat ligt aan die dimensies, hoorde ik, alsof wat we zien maar het topje is van de dinges, weetjewel, dat geval dat grotendeels onder water zit -'
'Nijlpaard?'
'Krokodil?'
'Zee?'
'Hoor eens, kop dicht allemaal!' schreeuwde Vladder. Hij aarzelde. Het donker leek het geluid van zijn stem op te zuigen. Het propte de lucht als met veren vol.
Hij vermande zich een tikkeltje.
'Vooruit dan.' En hij wendde zich naar de onaandoenlijke deuren van de Bibliotheek.
Hij stak zijn handen op, wuifde wat ingewikkelde gebaren waarin zijn vingers, op een of andere traanverwekkende manier, door elkaar heen leken te gaan, en versplinterde de deuren tot zaagsel.
De stiltegolven gutsten terug en smoorden het geluid van de vallende spaanders.
Het leed geen twijfel dat de deuren verpletterd waren. Vier zielige scharnieren hingen trillend aan het kozijn, en achter de ravage lag een puinhoop van verbrijzelde banken en planken. Zelfs Vladder was een beetje verrast.
'Zo,' zei hij. 'Zo makkelijk is het. Zie je wel? Mij is niets gebeurd. Ja toch?'
Er klonk wat geschuifel van krulneuzig schoeisel. Het donker achter de deuropening was doortoetst met de wazige, maar in het oog lopende gloed van thaumaturgische straling, doordat de mogelijkheidsdeeltjes in het sterke toverkrachtveld sneller werden dan de werkelijkheid.
'Komaan', zei Vladder monter, 'wie wil de eer om het vuur aan te steken?'
Tien zwijgende seconden later zei hij: 'In dat geval doe ik het zelf. Jeminee, ik kan net zo goed tegen een muur praten.'
Hij schreed door de deuropening en haastte zich de vloer over naar het plekje sterrenlicht dat omlaagscheen door de glazen koepel hoog bovenin het midden van de Bibliotheek (al is er uiteraard van oudsher veel discussie over de precieze meetkundige structuur van dit oord; grote concentraties toverkracht vervormen zowel tijd als ruimte, en het is mogelijk dat de Bibliotheek niet eens een rand heeft, laat staan een midden).
Hij strekte zijn armen uit.
'Kijk. Zie je wel? Er gebeurt helemaal niets. Kom nu maar verder.'
Dat deden de andere tovenaars, zij het zeer schoorvoetend en met een neiging om bij het passeren van de deurpost schichtig te bukken.
'Prima,' zei Vladder nogal voldaan. 'Goed, heeft iedereen zoals opgedragen zijn lucifers? Tovervuur werkt niet, niet op deze boeken, dus ik wil dat iedereen -'
'Er bewoog iets daarboven,' zei het kleinste tovenaartje.
Vladder knipperde met zijn ogen.
'Hè?'
'Er bewoog iets bij de koepel,' zei het tovenaartje, en vervolgens ter toelichting: 'Ik zag het.'
Vladder tuurde omhoog in de verwarrende schaduwen en besloot wat gezag te laten gelden.
'Onzin,' zei hij kwiek. Hij haalde een bosje kwalijk stinkende gele lucifers tevoorschijn en zei: 'Nu moeten jullie allemaal een stapel -'
'Ik zag het echt, hoor,' zei het tovenaartje verongelijkt.
'Goed dan. En wat zag je?'
'Nou, echt zeker kan ik er niet van zijn -'
'Dus je weet het niet?' snauwde Vladder.
'Maar iets zag ik -'
'Je weet het niet!' herhaalde Vladder. 'Je ziet alleen maar schimmen, je probeert zeker alleen maar mijn gezag te ondermijnen, hè?' Vladder aarzelde en eventjes werden zijn ogen glazig. 'Ik ben kalm', declameerde hij, 'ik beheers me volkomen. Ik zal me niet laten -'
'Er was -'
'Hoor eens, muizekont, hou nou maar eens lekker je mond, ja?'
Een van de andere tovenaars loerde al een tijdje omhoog om zijn verlegenheid te verbergen en kuchte opeens gesmoord.
'Uh, zeg Vladder -'
'En dat geldt ook voor jou!' Vladder richtte zich op in zijn volle stekelige lengte en zwaaide zijn lucifers.
'Zoals ik al zei', zei hij, 'moeten jullie je lucifers nu aansteken en - ik zal wel weer moeten laten zien hoe je lucifers aansteekt, gezien het verstand van muizekont hier - en zeg, ik sta niet buiten voor het raam hoor. Goeie genade. Kijk me aan. Je neemt een lucifer -'
Hij stak een lucifer aan en de duisternis ontlook in een bol zwavelig wit licht, en de Bibliothecaris daalde op hem neer als een prehistorische parachutist.
De Bibliothecaris kenden ze allemaal wel, op diezelfde onmiddellijke en toch vage manier waarop men vertrouwd is met muren en vloeren en al die andere triviale maar onmisbare rekwisieten van 's levens landschap. Voor zover ze ooit aan hem dachten, was dat als aan een zachte, zich verplaatsende zucht, die onder zijn bureau een boek zat te herstellen, of langs de schappen knokkelde-beende op zoek naar stiekeme rokers. Elke roker die zo onverstandig was een heimelijk rokertje te wagen, werd pas iets gewaar als er een zachtleren handje opdook om het doe-het-zelvertje weg te grissen, maar de Bibliothecaris maakte verder geen drukte, keek alleen heel gekwetst over deze trieste zaak en at het vervolgens op.
Terwijl wat nu bijzonder gewelddadige pogingen deed om Vladders hoofd aan zijn oren eraf te schroeven, een krijsende nachtmerrie was, met weggerolde lippen die gele slagtanden onthulden.
De doodsbenauwde tovenaars wilden wegrennen, maar botsten telkens weer tegen boekenrekken die zomaar de gangpaden versperden. Het kleinste tovenaartje gaf een gil en rolde onder een met atlassen beladen tafel, waar hij met zijn handen over zijn oren bleef liggen om de vreselijke geluiden buiten te houden, terwijl de overige tovenaars nog probeerden te ontsnappen.
Uiteindelijk was er alleen nog maar stilte, maar dan die bijzonder zware stilte van iets dat zich heimelijk beweegt, wie weet op zoek naar iets anders. Het kleinste tovenaartje at van louter doodsangst de punt van zijn hoed op.
De zwijgende beweger greep hem bij zijn been en trok hem zachtjes maar zeker voor de dag, waar hij met zijn ogen dicht eerst nog wat jammerde, maar toen de ijselijke tanden in zijn keel uitbleven, waagde hij een vlugge blik.
De Bibliothecaris tilde hem op aan zijn nekvel en liet hem peinzend wat bungelen op een halve meter van de grond, net buiten het bereik van een bejaard witharig terriertje, dat zich probeerde te herinneren hoe je in iemands enkels beet.
'Uh -' zei het tovenaartje, maar toen werd hij in een vlakke baan door de deuropening gesmeten, waar zijn val werd gebroken door de vloer.
Na een tijdje zei de schaduw naast hem: 'Nou, dat was het dan. Nog iemand die halve gare rotzak Vladder gezien?'
En een schaduw aan zijn andere kant zei: 'Ik denk dat ik mijn nek gebroken heb.'
'Wie is dat?'
'Die halve gare rotzak,' zei de schaduw vuil.
'O. Neem me niet kwalijk, Vladder.'
Vladder ging staan, en nu werd zijn hele lichaam afgetekend tegen de tovernimbus. Trillend van woede stak hij zijn handen uit.
'Ik zal die prehistorische ellendeling wel eens leren om eerbied te hebben voor zijn evolutiemeerderen -' snauwde hij.
'Grijp hem, kerels!'
En weer raakte Vladder de plavuizen, onder het gewicht van alle vijf de tovenaars.
'Pardon hoor, maar -'
'- je weet dat als je bij de Bibliotheek -'
'- toverkracht gebruik, met al die toverkracht die daar al binnen is -'
'- één foutje, en je hebt een kritische Tovermassa en dan -'
'BENG! Welterusten, wereld!'
Vladder gromde. De tovenaars die op hem zaten besloten dat opstaan momenteel niet het verstandigste was.
Ten slotte zei hij: 'Goed. Jullie hebben gelijk. Bedankt. Mijn fout om zo uit mijn bol te gaan. Bedierf mijn oordeel. Moet me per se niet laten gaan. Volkomen gelijk, hebben jullie. Bedankt. Eraf.'
Ze waagden het erop. Vladder kwam overeind.
'Die aap', zei hij, 'heeft zijn laatste banaan gegeten. Breng me -'
'Uh. Mensaap, Vladder,' zei het tovenaartje voor hij zich kon inhouden. 'Het is een mensaap, zie je. Niet zomaar een aap…'
De blik deed hem verwelken.
'Wie kan dat wat schelen? Aap, mensaap, wat maakt het uit?' zei Vladder. 'Wat is het verschil, meneertje de dierkundige?'
'Ik weet niet, Vladder,' zei het tovenaartje bedremmeld. 'Iets met standsverschil, geloof ik.'
'Kop dicht.'
'Jawel, Vladder.'
'Akelig ventje,' zei Vladder.
Hij draaide zich om en vervolgde op een toon, zo strak als een lintzaag: 'Ik ben volkomen beheerst. Mijn hoofd is zo koel als een kale mammoet. Mijn verstand is volstrekt de baas. Wie van jullie zat er op mijn hoofd? Nee, ik mag niet kwaad worden. Ik ben niet kwaad. Ik denk positief. Mijn vermogens zijn volledig beschikbaar - iemand van jullie die daar iets tegenin wil brengen?'
'Nee, Vladder,' ging het in koor.
'Breng me dan een stuk of tien vaten olie en al het brandhout dat je vinden kunt! We zullen die mensaap roosteren!'
Hoog in het dak van de Bibliotheek, domein van uilen en vleermuizen en andere zaken, klonk het gerammel van een ketting en het geluid van glas dat zo eerbiedig mogelijk wordt gebroken.
=>>O<<=
'Erg bezorgd lijken ze niet,' zei Niezel nogal beledigd.
'Hoe zal ik het zeggen?' zei Rinzwind. 'Als ze ooit de lijst opstellen van Grootste Strijdkreten van de Wereld zal “Ahum, een ogenblikje” daar niet bij zijn.'
Hij ging aan de kant staan. 'Ik hoor niet bij hem,' zei hij nadrukkelijk tegen een grijnzende bewaker. 'Ik kwam hem daarnet ergens tegen. In een kuil.' Hij lachte even. 'Zoiets overkomt me nu elke keer,' zei hij.
De bewakers keken dwars door hem heen.
'Ahum,' zei hij.
'Goed dan,' zei hij.
Hij schuifelde weer naar Niezel.
'Kun je nogal wat beginnen met dat zwaard?'
Zonder zijn blik van de bewakers af te wenden grabbelde Niezel het boek uit zijn buidel om het aan Rinzwind te geven.
'Ik heb hoofdstuk drie helemaal uit,' zei hij. 'Er staan plaatjes bij.'
Rinzwind sloeg de gekreukte bladen om. Het boek was zo intensief gebruik dat je ze als kaarten had kunnen schudden, maar op wat vermoedelijk ooit het omslag was stond een nogal armzalige houtsnede van een gespierd manspersoon. Hij had armen als twee zakken vol voetballen, en stond met een voldane uitdrukking op zijn gezicht, tot aan zijn knieën in de zwijmelende vrouwen en zieltogende slachtoffers.
Daaromheen stond het opschrift: Ick maeck Ue totten Barrebeersche Helt in 7 Daeghen slegts! Daaronder, in een wat kleinere letter, stond de naam Cohen de Barbaer. Daar had Rinzwind zijn twijfels over. Hij had die Cohen ontmoet en al kon hij min of meer lezen, tot meesterschap van de pen was hij nooit gekomen en dus ondertekende hij nog met een 'X', die hij doorgaans verkeerd spelde. Aan de andere kant werd hij altijd ijlings aangetrokken door alles waar geld inzat.
Rinzwind keek nog eens naar de afbeelding en toen naar Niezel.
'Zeven dagen?'
'Nou ja, ik lees nogal langzaam.'
'Ach,' zei Rinzwind.
'En hoofdstuk zes sloeg ik over, want ik had mijn moeder beloofd het te laten bij plunderen en uitschudden tot ik het juiste meisje vond.'
'En uit dit boek leer je hoe je een held moet zijn?'
'Jazeker. Het is erg goed.' Niezel keek hem zorgelijk aan. 'Het is toch wel in orde? Het kostte een heleboel geld.'
'Och, tja. Nou, schiet dan maar op.'
Niezel rechtte zijn schouders (er is nu eenmaal geen beter woord) en wuifde nog eens met zijn zwaard.
'Jullie kunnen met zijn vieren maar beter een beetje uitkijken', zei hij, 'of… wacht even.' Hij nam het boek over van Rinzwind en bladerde tot hij vond wat hij zocht, en vervolgde: 'Ja, of “de ijselijke wind van het noodlot zal door je zongebleekte geraamte waaien/de legioenen der Hel zullen je ziel levend en wel verdrinken in het zuur”. Ziezo. Daar heb je… ogenblikje… niet van terug hè?'
In een metalig akkoord trokken vier mannen eenstemmig hun zwaard.
Het zwaard van Niezel verdween in een wilde wervel. Het voerde vlak voor hem een ingewikkelde kronkel uit, wentelde om zijn arm, zwiepte achter zijn rug van de ene in de andere hand, leek tweemaal een baan om zijn borst te beschrijven, en sprong op als een zalm.
Enkele van de haremdames barstten spontaan uit in applaus. Zelfs de bewakers leken onder de indruk.
'Dat is de Driedubbele Orcstoot met Extra Flip,' zei Niezel trots. 'Heel wat spiegels gebroken bij het leren ervan. Kijk eens, ze staan stil.'
'Zoiets hebben ze nog nooit gezien, stel ik me voor,' zei Rinzwind flauwtjes, onderwijl de afstand schattend naar de deur.
'Dat dacht ik ook.'
'Vooral het slotgedeelte, waar het in het plafond bleef steken.'
Niezel keek omhoog.
'Gek hè', zei hij, 'thuis deed ik dat ook altijd. Ik vraag me af wat ik fout doe.'
'Geen idee.'
'Jeetje, wat jammer nou,' zei Niezel en de bewakers die kennelijk beseften dat de voorstelling was afgelopen, dienden zich aan voor de genadeslag.
'Verwijt jezelf nu maar niets -' zei Rinzwind terwijl Niezel vruchteloos halsreikend aan zijn wapen rukte.
'Dank je.'
'- dat doe ik wel voor je.'
Rinzwind overwoog zijn volgende stap. Of liever, diverse volgende stappen. Maar de deur was te ver en trouwens, zo te horen stonden de zaken daarbuiten er niet veel veiliger voor.
Er stond hem maar één ding te doen. Hij moest proberen te toveren.
Hij stak zijn hand op en twee van de kerels vielen om. Hij stak nog een hand op en de andere twee vielen om.
Net toen hij hier verbaasd over werd kwam Conina, achteloos langs de zijkant van haar handjes wrijvend, sierlijk over de stapel lijven gestapt.
'Ik dacht al dat je niet meer kwam opdagen,' zei ze. 'Wie is dit maatje van je?'
=>>O<<=
Zoals reeds eerder aangeduid geeft de Bagage zelden blijk van emotie, of tenminste van minder extreme emoties dan blinde woede en haat, en het valt dus moeilijk zijn gevoelens te peilen toen hij, enkele kilometers buiten Al Khali, wakker werd op zijn deksel, in een opgedroogde wadi en met de beentjes omhoog.
Zelfs een paar minuten na zonsopgang was de lucht al als de adem van een oven. Na enig geschommel lukte het om alle voetjes de juiste kant op te krijgen, en daar stond de Bagage dan in een omslachtige vertraagde trippeldans, bedoeld om er zo weinig mogelijk tegelijk op het brandende zand te houden.
Hij was niet verdwaald. Hij wist altijd precies waar hij was. Hij was altijd hier.
Alleen leek de hele omgeving tijdelijk even verdwaald.
Na enig delibereren maakte de Bagage rechtsomkeert, en toen liep hij, heel langzaam, tegen een rotsblok.
Hij week achteruit en ging in verwondering zitten. Hij voelde zich of hij was volgestopt met warme veren, en besefte vagelijk de voordelen van schaduw en een heerlijk koel drankje.
Na enkele mislukte pogingen liep hij naar de top van een naburig duin, waar hij een weergaloos uitzicht aantrof op andere duinen.
De Bagage was diep geraakt in zijn hardhouten hart. Men had hem afgewezen. Men had hem gezegd weg te gaan. Men had hem vertrapt. Men had hem ook genoeg oerak geserveerd om een klein land mee te vergiftigen.
Als er iets is waar een reisbenodigdheid meer behoefte aan heeft dan al het andere, dan is het wel dat iemand hem nodig heeft. De Bagage ging op pad over het verzengende zand, onvast, maar van hoop vervuld.
=>>O<<=
'Geen tijd om je aan elkaar voor te stellen, denk ik,' zei Rinzwind terwijl in de verte een deel van het paleis in elkaar stortte met een dreun die de vloer deed trillen. 'Hoogste tijd dat we -'
Het drong tot hem door dat niemand luisterde.
Niezel liet zijn zwaard los.
Conina stapte naar voren.
'O, nee toch,' zei Rinzwind, maar het was al te laat. De wereld was opeens in twee delen gespleten - het deel met Niezel en Conina erin, en het deel met de hele rest. De lucht tussen hen knetterde. In hun deel begon nu zeker een orkest te spelen, kweelden roodborstjes, sjeesden rose wolkjes door de lucht, en al die andere dingen die dan gebeuren. Als er zoiets aan de gang is maken louter instortende paleizen in de belendende wereld geen schijn van kans.
'Hoor eens, misschien kunnen we het dan laten bij even voorstellen,' zei Rinzwind wanhopig. 'Niezel -'
'- de Verdelger -' zei Niezel zwijmelend.
'Ook goed, Niezel de Verdelger,' zei Rinzwind, en ter aanvulling: 'Zoon van Hazebil de -'
'Machtige,' zei Niezel. Even stond Rinzwind daarvan te kijken, toen haalde hij zijn schouders op.
'Goed, dinges,' gaf hij toe. 'Hoe dan ook, dit is Conina. En dat is nogal toevallig, want het zal je interesseren wie haar vader mmff.'
Conina had zonder haar blik af te wenden een hand uitgestoken en hield Rinzwinds gezicht in een tedere greep die, door slechts een geringe toename van de vingerdruk, zijn hoofd in een bowlingbal kon veranderen.
'Al kan ik me daarin vergissen,' vervolgde hij toen haar hand weer verdween. 'Wie zal het zeggen? Wie kan het wat schelen? Wat geeft het?'
Zij schonken er geen aandacht aan.
'Dan zal ik dus maar even die hoed zien te vinden?' vroeg hij.
'Goed idee,' murmelde Conina.
'Ik zal wel vermoord worden, maar dat vind ik niet erg,' zei Rinzwind.
'Goed zo,' zei Niezel.
'Ik neem niet aan dat iemand zelfs maar merkt dat ik weg ben,' zei Rinzwind.
'Prima, prima,' zei Conina.
'Ik zal wel in mootjes gehakt worden,' zei Rinzwind, onderweg naar de deur met de snelheid van een stervende slak.
Conina knipperde met haar ogen.
'Welke hoed?' zei ze, en toen: 'O, die hoed.'
'Ik neem aan dat er geen enkele kijk op is dat jullie een handje kunnen helpen?' waagde Rinzwind.
Ergens in Niezel en Conina's privéwereld gingen de roodborstjes op stok, verwaaiden de rose wolkjes en pakte het orkest zijn bullen om ergens stiekem te gaan snabbelen in een nachtclub. Een stukje van de werkelijkheid herkreeg zijn gezag.
Conina rukte haar bewonderende blik los van Niezels begoochelde gezicht en richtte hem op Rinzwind, waarbij hij lichtelijk bekoelde.
Ze schuifelde wat nader en greep de tovenaar bij zijn arm.
'Hoor nou', zei ze, 'vertel hem nou niet wie ik echt ben, alsjeblieft? Want jongens krijgen van die rare ideeën en - nou ja, als je het wel doet breek ik persoonlijk al je -'
'Daar krijg ik het veel te druk voor', zei Rinzwind, 'met alle jullie gehelp om die hoed te zoeken en wat al niet. Niet dat ik enig idee heb wat je in hem ziet,' besloot hij hooghartig.
'Hij is aardig. Zoveel aardige mensen lijk ik niet tegen te komen.'
'Och, tja -'
'Hij kijkt naar ons!'
'Nou en? Je bent toch niet bang voor hem?'
'Maar stel je voor dat hij tegen me praat!'
Rinzwind keek onthutst. Niet voor het eerst van zijn leven kreeg hij het gevoel dat hele gebieden der menselijke ervaring aan hem waren voorbijgegaan, als gebieden al aan mensen voorbij kunnen gaan. Misschien was hij aan hen voorbijgegaan. Hij haalde zijn schouders op.
'Waarom liet je je zonder slag of stoot naar die harem brengen?' vroeg hij.
'Ik wilde altijd al weten wat daar werd uitgespookt.'
Men zweeg even. 'En?' zei Rinzwind.
'Nou, we zaten gewoon wat, en toen kwam na een tijdje de Serief binnen, en die riep me bij zich en zei dat het omdat ik nieuw was nu mijn beurt was, en toen, je raadt nooit wat hij toen wilde dat ik deed. Die meiden zeggen dat het het enige is waarin hij belang stelt.'
'Uh.'
'Ben je wel goed?'
'Prima, prima,' pruttelde Rinzwind.
'Je hele gezicht glimt opeens.'
'Nee, nee. Alles is prima met me.'
'Hij vroeg of ik hem een verhaaltje wilde vertellen.'
'Waarover?' vroeg Rinzwind wantrouwig.
'De andere meiden zeiden dat hij liefst iets heeft met konijntjes erin.'
'Aha. Konijntjes.'
'Kleine, witte pluizige. Maar de enige verhaaltjes die ik ken heb ik van mijn vader toen ik klein was, en ik geloof niet dat die geschikt zijn.'
'Weinig konijntjes?'
'Veel afgehakte armen en benen,' zei Conina met een zucht. 'Daarom mag je er hem niets over vertellen, zie je? Ik ben gewoon niet in de wieg gelegd voor een normaal leven.'
'Verhaaltjes vertellen in een harem is om de sodemieter niet normaal,' zei Rinzwind. 'Zal nooit een rage worden.'
'Nu kijkt hij weer naar ons!' Conina pakte Rinzwinds arm.
Hij schudde haar af. 'Och, goeie genade,' zei hij, haastig onderweg naar Niezel aan de overkant, die zijn andere arm greep.
'Je hebt haar toch niets over mij verteld?' vroeg hij dringend. 'Ik kom er nooit vanaf als je haar hebt gezegd dat ik nog maar net begin te leren om -'
'Neeneenee. Ze wil ons alleen maar helpen. Een soortement plicht, een Kweeste.'
De ogen van Niezel glansden.
'Een Drijfvleugel bedoel je, hoe heet dat, een Waadveer?'
'Wablief?'
'Dat staat in het boek. Om een echte held te zijn moet je onderhevig zijn aan een Waadvleugel of zoiets.'
Rinzwind rimpelde zijn voorhoofd. 'Is dat soms een vogelsoort?'
'Ik dacht meer een soort verplichting, of zoiets,' zei Niezel, maar niet al te zeker van zichzelf.
'Klinkt mij meer als een soort vogel,' zei Rinzwind. 'Wel eens van gelezen in zo'n bestiarium, geloof ik. Groot. Niet zo'n vlieger. Grote rose poten, had hij.' Zijn gezicht werd uitdrukkingsloos toen zijn oren verwerkten wat ze zijn lippen hoorden zeggen.
Vijf tellen later waren ze de zaal uit, met achterlating van vier zieltogende bewakers plus de haremdames zelf, die eens goed gingen zitten voor een potje verhaaltjes vertellen.
=>>O<<=
Naafwaarts van Al Khali wordt de woestijn in tweeën gedeeld door de rivier de Tsoort, vermaard uit mythen en leugens, die zich een weg door de bruine vergezichten wurmt als een lange beschrijvende alinea, met zandbanken als interpunctie. En elke zandbank is bezaaid met zongeblakerde boomstammen, de meeste daarvan het soort boomstammen dat over tanden beschikt, en de meeste boomstammen deden één oog open op het nog verre geplas stroomopwaarts, en opeens hadden alle boomstammen pootjes. Een tiental geschubde lijven gleed in het troebele water, dat zich weer boven hen sloot. De donkere wateren waren rimpelloos, afgezien van enkele weinig ter zake doende, V-vormige rimpels.
De Bagage peddelde zachtjes stroomafwaarts. Door het water voelde hij zich weer wat beter. Langzaam wentelde hij rond in de trage stroom, temidden van diverse geheimzinnige kolkjes die over het watervlak naderijlden.
De rimpels vloeiden samen.
De Bagage kantelde. De klep vloog open. Hij schoot de diepte in met een korte, wanhopig krakende kreet.
De chocoladekleurige wateren van de Tsoort rolden deinend terug. Daar werden ze aardig goed in.
=>>O<<=
En de toren der betovernij torende boven Al Khali als een enorme en prachtige zwam, zo één waarbij in boeken een doodshoofdsymbooltje staat afgedrukt.
De Serieflijke wacht had zich wel verzet, maar nu waren er toch heel wat verbijsterde kikkers en salamanders rond de voet van de toren, en dat waren de mazzelaars. Die hadden hun armen en benen nog, zo'n beetje, en de meeste van hun essentiële organen zaten nog van binnen. De stad stond onder het bewind der betovernij… de staat van bezwering.
Enkele van de gebouwen vlakbij de voet van de toren veranderden al in het witte marmer waar tovenaars blijkbaar de voorkeur aan geven.
Het drietal keek naar buiten door een gat in de paleismuur.
'Heel indrukwekkend,' zei Conina schattend. 'Die tovenaars van jou zijn machtiger dan ik dacht.'
'Niks geen tovenaars van mij,' zei Rinzwind. 'Ik weet niet wie zijn tovenaars dit zijn. Het staat me niks aan. Alle tovenaars die ik ken konden nog niet de ene op de andere baksteen plakken.'
'Het idee dat tovenaars over iedereen heersen staat mij niet aan,' zei Niezel. 'Als held ben ik uiteraard wijsgerig gezien toch al tegen het hele idee van tovenarij. Ooit komt de dag dat,' zijn ogen werden wat glazig, alsof hij zich iets probeerde te herinneren dat hij ergens gezien had, 'ooit komt de dag dat alle tovenarij van de aardbodem is verdwenen en dat de zonen der, der - nou ja, dat we alles allemaal wat praktischer aanpakken,' besloot hij zwak.
'Zeker in een boek gelezen?' zei Rinzwind zuur. 'Kwamen er nog drijfwaders in voor?'
'Er zit wat in,' zei Conina. 'Ik heb niets tegen tovenaars, maar veel goeds verrichten ze ook niet. Eigenlijk zijn ze gewoon een beetje versiering. Tot nu toe.'
Rinzwind deed zijn hoed af. Die was verfomfaaid, gevlekt en grijs van het steengruis, er waren stukjes afgeknipt, de punt was gedeukt en de ster strooide pailletjes als glitterstuifmeel, maar onder al het vuil viel nog steeds het woord 'Toofenaar' te lezen.
'Zie je dat?' eiste hij rood aangelopen. 'Zie je? Zie je dat goed? En wat wil dat zeggen?'
'Dat je niet kunt spellen?' vroeg Niezel.
'Hè? Nee! Dat wil zeggen dat ik tovenaar ben, o zo! Twintig jaar aan de staf, en dat wil ik weten! Ik heb mijn steentje bijgedragen! Tientallen examens afg- bijgewoond! Als je alle bezweringen die ik gelezen heb op elkaar legde, dan zouden ze… was het… zou je een boel bezweringen krijgen!'
'Jawel, maar -' begon Conina.
'Ja?'
'Je bent er eigenlijk toch niet zo goed in?'
Rinzwind blikte haar woedend aan. Hij probeerde te verzinnen wat hij nu weer moest zeggen, en in een cel in zijn brein opende zich een receptortje, net op het moment dat een inspiratiedeeltje, op zijn door triljoenen voorvalletjes scheef en krom getrokken pad, door de dampkring kwam aankrijsen en op precies de juiste plek geluidloos openbarstte.
'Talent bepaalt alleen maar wat je doet,' zei hij. 'Het bepaalt niet wat je bent. Diep van binnen, bedoel ik. Als je weet wat je bent, kun je alles aan.'
Hij dacht nog wat na en vervolgde: 'Dat geeft tovenaars zoveel macht. Het belangrijkste is dat je weet wat je eigenlijk bent.'
Er viel een zeer wijsgerig zwijgen.
'Rinzwind,' zei Conina goedig.
'Hmm?' zei Rinzwind die zich nog steeds afvroeg hoe die woorden toch in zijn hoofd kwamen.
'Je bent echt een halve gare. Wist je dat?'
'Blijf allemaal doodstil staan, jullie.'
Obrom de Grootvizier trad uit de ruïne van een booggewelf. Hij droeg de hoed van de Aartskanselier.
=>>O<<=
De woestijn lag te bakken onder de vlammende zon. Niets bewoog, afgezien van de trillende lucht, heet als een geladen vulkaan, dor als een schedel.
Een basilisk lag hijgend in de bradende schaduw van een kei zijn bijtend gele slijm te kwijlen. De laatste vijf minuten hadden zijn oren het flauwe getrommel opgevangen van honderden beentjes die onvast over de duinen draafden, wat erop leek te wijzen dat het middagmaal in aantocht was.
Hij knipperde met zijn legendarische ogen en ontrolde vijf meter hongerig lijf, over het zand afgewikkeld als de vloeibare dood.
De Bagage wankelde tot stilstand en sperde dreigend zijn klep open. De basilisk siste, maar wat onzeker want hij had nog nooit een wandelende kist gezien, en zeker geen met zoveel alligatortanden in zijn deksel. Er kleefden ook lapjes leerachtig vel aan, alsof hij meegedaan had aan een gevecht in een handtassenfabriek, en op een wijze die de basilisk zelfs niet had kunnen uitdrukken als hij praten kon, leek het wel of hij hem dreigend aankeek.
Ook goed, dacht het reptiel, als je het zo wilt spelen…
Hij trakteerde de Bagage op een blik als een diamantboor, een oogopslag die via het oogwerk van de aangestaarde binnenglipte en diens brein van binnenuit ontvelde, een kijkstraal die de ijle vitrages voor de vensters van de ziel aan flarden reet, een zicht dat -
Het drong tot de basilisk door dat er iets volkomen mis was. Een geheel nieuwe en onwelkome ervaring welde op achter de schotels van zijn ogen. Eerst nog weinig, als het jeukje op die paar vierkante centimeters rug die je met geen duizend kronkelingen krabben kunt, maar aanzwellend tot een tweede, roodgloeiende en inwendige zon.
De basilisk onderging een vreselijke, overweldigende en onweerstaanbare aandrang om even met zijn ogen te knipperen…
Hij deed iets onvoorstelbaar doms.
Hij knipperde even met zijn ogen.
=>>O<<=
'Hij heeft het, nee, de hoed te pakken,' zei Rinzwind.
'Hè?' vroeg Niezel, die begon te beseffen dat de wereld van een barbaarse held niet dat kraakheldere, simpele oord was dat hij zich had voorgesteld toen het spannendste wat hij deed nog uit het stapelen van knollen bestond.
'De hoed heeft hem te pakken, zul je bedoelen,' zei Conina en ook zij week achteruit, zoals men neigt te doen in het aangezicht van de verschrikking.
'Hè?'
'Ik zal jullie niets doen. Jullie hebben me iets geholpen,' zei Obrom die met opgestoken armen naderstapte. 'Maar je hebt gelijk. Hij dacht aan macht te winnen door mij op te zetten. Het is natuurlijk andersom. Een verbazingwekkend sluwe en knappe geest.'
'Dus ben je nu maar eens naar zijn hoofd gestegen?' zei Rinzwind. Hij rilde. Ook hij had hem op gehad. Blijkbaar had hij niet het juiste soort geest. Obrom had wel de goede geest, en nu waren zijn ogen grauw en kleurloos, zijn vel was bleek en hij liep alsof zijn lijf aan zijn hoofd hing.
Niezel had zijn boek voor de dag gehaald en bladerde het koortsachtig door.
'Wat doe je in hemelsnaam?' vroeg Conina zonder haar ogen van die enge gedaante af te wenden.
'Ik zoek het Overzicht van Dolende Monsters,' zei Niezel. 'Denk je dat dit een Ondode is? Die krijg je maar bar moeilijk dood, dan heb je knoflook nodig en -'
'Dit hier zul je daar niet in vinden,' zei Rinzwind langzaam. 'Dit - dit is een Dolle Hoed.'
'Natuurlijk, een Zombie zou ook kunnen,' zei Niezel terwijl zijn vinger over de bladzij gleed. 'Hier staat dat je dan zwarte peper en zeezout moet nemen, maar -'
'Je moet vechten met die verrekte dingen, hoor, niet ze opeten,' zei Conina.
'Dit is een geest waar ik wat aan heb,' zei de hoed. 'Nu kan ik terugvechten. Ik zal de tovenarij te wapen roepen. Er is maar plaats voor één toverij in deze wereld, en ik belichaam die. Kijk uit betovernij, je bent gewaarschuwd!'
'O nee, hè,' zei Rinzwind bij zichzelf.
'Tovenarij heeft in de afgelopen twintig eeuwen heel wat opgestoken. Van deze parvenu kunnen we winnen. Jullie drieën volgen mij.'
Het was geen verzoek. Het was zelfs geen bevel. Het was meer een voorspelling. De stem van de hoed drong rechtstreeks naar je hersenstam zonder moeite te doen voor je bewustzijn, en Rinzwinds benen begonnen uit zichzelf te bewegen.
De andere twee staken ook stuiptrekkkend van wal, op die akelige marionettenmanier waar je aan zag dat ook zij aan het lijntje zaten.
'Vanwaar dat o nee?' vroeg Conina. 'Want met “o nee” in het algemeen kan ik wel meevoelen, maar had je er een bepaalde reden voor?'
'Als we even kans zien moeten we vluchten,' zei Rinzwind.
'Weet je ook iets van waarheen?'
'Dat zal wel niet uitmaken. Ten dode opgeschreven zijn we toch al.'
'Hoezo?' vroeg Niezel.
'Nou', zei Rinzwind, 'heb je wel eens van de Toverjarige Oorlogen gehoord?'
=>>O<<=
Er zijn op de Schijf een heleboel zaken die hun oorsprong danken aan de Toverjarige Oorlogen. Bezield perenhout is daar een van.
De oorspronkelijke boom was waarschijnlijk een doodgewone die in een staat van gezegend onbewustzijn zijn dagen sleet met het drinken van grondwater en het eten van zonneschijn, tot om hem heen de toveroorlog uitbrak, zodat zijn genen opeens opgeklopt raakten tot een staat van geslepen scherpzinnigheid.
Bovendien raakte hij, zeg maar in hart en nerf doordrongen van knorrigheid. Maar bezield perenhout kwam er nog genadig van af.
Ooit toen het achtergrondniveau van de toverruis op de Schijf nog jong en hoog was, en nog alle kans kreeg in de wereld los te barsten, waren alle tovenaars even machtig als de betovernaars, en bouwden ze hun torens op elke heuveltop. En als er iets is waar een echt machtige tovenaar niet tegen kan, dan is dat wel een andere tovenaar. Zijn instinctieve opvatting van diplomatie is: betover ze tot ze ervan gloeien, vervloek ze dan tot ze uitdoven.
Dat kon maar één ding betekenen. Nou ja, twee dingen. Drie dingen dan.
De Totale. Thaumaturgische. Oorlog.
En daarin bestonden vanzelf geen bondgenoten, partijen, afspraken, genade of opgeven. De hemel raakte in de knoop, de zeeën aan de kook. Het krijsen en sissen van vuurbollen deed de nacht in een dag verkeren, maar dat gaf niet want door de zodoende opgeroepen zwarte rookwolken verkeerde de dag in een nacht. Het landschap rees en daalde als een dekbed in de wittebroodsweken en het onderliggend weefsel van de ruimte verstrikte in multidimensionale knopen en werd langs de rivier des Tijds op de platte stenen gebeukt. Als voorbeeld: een gangbare bezwering toentertijd was Schilleschols Tijdverkorting, die bij één gelegenheid uitliep op schepping, evolutie, verspreiding, bloei en ondergang van een geslacht reuzenreptielen, alles in de spanne van maar vijf minuutjes, waarna in de bodem alleen nog verborgen botten restten tot volkomen misleiding van toekomstige generaties. Bomen zwommen, vissen liepen, bergen wandelden naar de winkel om een pakje sigaretten, en de wisselvalligheid van het bestaan ging zo ver dat het eerste wat een voorzichtig persoon bij het ontwaken deed, bestond uit het natellen van zijn armen en benen.
Dat was juist het probleem. Alle tovenaars waren nogal tegen elkaar opgewassen en woonden trouwens in zwaar met bezweringen beschermde torens, wat inhield dat de meeste toverwapens afketsten en neerkwamen op het gewone volk, dat een karig bestaan bijeenschraapte uit wat - voorlopig - de bodem was en een doodgewoon, fatsoenlijk (maar nogal kort) leven leidde.
En nog immer woedde het gevecht, beukte het de eigenlijke structuur van het ordelijk heelal, verzwakte het de muren der werkelijkheid, zodat het hele gammele bouwsel van ruimte en tijd dreigde om te tuimelen in de duisternis van de Kerkerdimensies…
Volgens zeker verhaal grepen de goden in, maar de goden mengen zich zelden in mensenzaken, tenzij ze dat grappig vinden. Een ander verhaal - en dit werd verteld door de tovenaars zelf, en opgetekend in hun boeken - luidde dat de tovenaars zelf bijeenkwamen en hun geschillen bijlegden ter wille van het welzijn der mensheid. En dit werd algemeen aanvaard als de juiste weergave, ook al was het op zich even aannemelijk als een loden zwemvest.
De waarheid laat zich niet zomaar op een bladzij vastpinnen. In de badkuip der geschiedenis is de waarheid nog minder grijpbaar dan de zeep, en veel moeilijker te vinden…
=>>O<<=
'Wat gebeurde er toen?' vroeg Conina.
'Het maakt niet uit,' zei Rinzwind triest. 'Het gaat weer van voren af aan beginnen. Ik voel het. Ik heb zo'n instinct. Er stroomt teveel toverkracht door de wereld. Er komt een verschrikkelijke oorlog. Alles gaat weer gebeuren. Maar dit keer is de Schijf er te oud voor. Alles is te versleten. Verdoemenis, duisternis en vernietiging hangen ons boven het hoofd. De Apocralyps is nabij.'
'De Dood waart rond,' hielp Niezel een handje.
'Hè?' snauwde Rinzwind, boos om de onderbreking.
'Ik zei, de Dood waart rond,' zei Niezel.
'Rond zou me niet kunnen schelen,' zei Rinzwind. 'Dat is maar voor beperkte kring. Waar ik minder naar uitkijk is een Dood die overal waart.'
'Het is maar beeldspraak,' zei Conina.
'Dat denk jij. Ik ben hem tegengekomen.'
'Hoe zag hij eruit?' zei Niezel.
'Hoe zeg je dat -'
'Ja?'
'Hij zat niet verlegen om een kapster.'
=>>O<<=
De zon zat nu als een soldeerlamp aan de hemel gespijkerd, en het enige verschil tussen het zand en roodgloeiende as was de kleur.
De Bagage zwalkte over de brandende duinen. De weinige gele slijmsporen op zijn deksel waren al bijna droog.
De eenzame kleine doosvorm werd vanaf de top van een naar vorm en temperatuur op een kachelsteen lijkende rotspiek gadegeslagen door een chimera. [*] De chimera behoort tot een uiterst zeldzame soort, en deze in het bijzonder was niet van zins iets aan de toestand te verbeteren.
Zorgvuldig wachtte het dier zijn kans af, het schopte zijn klauwen uit, ontvouwde zijn leerachtige vleugels en keilde omlaag op zijn prooi.
De techniek van de chimera was laag over zijn prooi scheren, die lichtjes aan de kook brengen met zijn vurige adem, en dan omkeren en de maaltijd met zijn tanden vermalen. Tot en met het vurige deel ging het goed maar toen, op het punt beland waar het schepsel uit ervaring op een door doodschrik overmand slachtoffer rekende, lag de chimera zomaar op de grond voor de geblakerde en woedend aanstormende Bagage.
Het enige aan de Bagage dat in lichterlaaie stond was zijn woede. Hij had nu al verscheidene uren hoofdpijn, en kennelijk probeerde de hele wereld hem intussen aan te vallen. Hij had er tabak van.
Nadat hij de onfortuinlijke chimera op het zand tot een vettig papje gestampt had bleef hij even staan, blijkbaar om over zijn toekomst te denken. Het begon te dagen dat niemands benodigdheid zijn heel wat moeilijker was dan hij had gedacht. Hij had vage maar dierbare herinneringen aan dienstbaarheid en een hele klerenkast voor zich alleen.
[*] Voor een beschrijving van de chimera wenden we ons tot Bezemists vermaarde bestiarium Animalia Nonnaturalia: 'Tbeest heeft die pooten eener meirminne, haaren eener schiltpadde, tanden eens vooghels, ende die vleugelen eens slangs. Natuerlyck, alleen selve kan ick dit weeten, want tbeest heeft die aedem eens oofens ende die wispletuerigheit eens rubbertballons in eene orkaen.'
Hij draaide zich heel langzaam om, telkens even inhoudend om zijn klep open te doen. Misschien snoof hij de lucht op, als hij al een neus had. Ten slotte kwam zijn geest tot een besluit, als hij al een geest had.
=>>O<<=
De hoed en zijn drager schreden al even doelbewust over het puin van het voormalige, legendarische Alrhandra naar de voet van de toren der betovernij, en hun onwillige escorte kwam er treuzelend achteraan.
In de voet van de toren zaten deuren. Anders dan die van de Gesloten Universiteit, die gewoonlijk wagenwijd open stonden, zaten ze stevig op slot. Het leek wel of ze gloeiden.
'Jullie drieën zijn bevoorrecht dat je hier bent,' zei de hoed via Obroms slappe mond. 'Dit is het ogenblik dat tovenarij ophoudt te vluchten', met een vernietigende blik voor Rinzwind, 'en eindelijk terugvecht. Je zult het je je hele leven blijven herinneren.'
'O ja, helemaal tot vanmiddag?' zei Rinzwind slapjes.
'Let goed op,' zei Obrom. Hij stak zijn handen uit.
'Bij het geringste kansje', fluisterde Rinzwind tegen Niezel, 'nemen we de benen, afgesproken?'
'Waarheen?'
'Vandaan,' zei Rinzwind. 'Het cruciale woord is waarvandaan.'
'Ik vertrouw die vent niet,' zei Niezel. 'Ik probeer niet te oordelen naar een eerste indruk, maar ik geloof absoluut dat hij weinig goeds van zin is.'
'Hij heeft je in de slangenkuil laten gooien!'
'Misschien had ik die wenk moeten aanvoelen.'
De vizier begon te mompelen. Zelfs Rinzwind, die onder zijn weinige gaven een talenknobbel telde, herkende het niet, maar het klonk als een speciaal voor gemompel ontworpen taal, met woorden die als zeisen op kuithoogte uitkrulden, donker en rood en zonder genade. Ze draaiden ingewikkelde krullen door de lucht, en zweefden zachtjes naar de torendeuren.
Waar ze het marmer raakten werd dit zwart en begon het te verkruimelen.
Toen de resten ervan op de grond dwarrelden stapte er een tovenaar uit die Obrom van top tot teen opnam.
Rinzwind was gewend aan de frutselse kleedgewoonten van tovenaars, maar deze was wel heel indrukwekkend, met een pij zo vol vullingen, nissen en steunberen in wonderbare plooien en vouwen, dat hij kennelijk ontworpen was door een architect. De bijpassende hoed leek wel een bruiloftstaart na een intieme botsing met een kerstboom.
Het eigenlijke gezicht dat door het spleetje tussen barokke kraag en filigreinomboorde hoedenrand tuurde, stelde een pietsje teleur. Kennelijk had het kortelings gemeend dat het er uiterlijk op zou vooruitgaan met een dun en borstelig snorretje. Het had zich vergist.
'Dat was verdikke onze deur!' zei het gezicht. 'Hier zul je spijt van krijgen!'
Obrom deed zijn armen over elkaar.
Het scheen dat de andere tovenaar hierdoor razend werd. Hij smeet zijn armen omhoog, ontwarde zijn handen uit het kant aan zijn mouwen en liet een krijsende vuurvlaag los.
Deze trof Obrom op zijn borst en ketste af in een laaiende golf, maar toen de blauwe nabeelden Rinzwind weer zijn ogen teruggaven zag hij Obrom staan, ongedeerd.
Zijn tegenstander klopte panisch het laatste vuurtje op zijn eigen kleren uit, en keek weer omhoog met van moordlust vervulde ogen.
'Je schijnt het niet te begrijpen,' kraste hij. 'Je hebt nu met betovernij te maken. Tegen betovernij kun je niet op.'
'Ik kan gebruik maken van betovernij,' zei Obrom.
De tovenaar grauwde en liet een vuurbal oprijzen, die op luttele centimeters van Obroms grijns onschadelijk uiteenbarstte.
Een blik van acute verbazing verscheen op het gezicht van de ander. Hij deed nog een poging, met lijnen van blauwhete toverkracht die uit het oneindige pardoes naar Obroms hart priemden. Obrom wuifde ze weg.
'Je keus is eenvoudig,' zei hij. 'Je sluit je bij me aan, of je sterft.'
Dit was het punt waarop Rinzwind gewaar werd dat er vlak bij zijn oor iets aan het schrapen was. Het had een akelige metalen klank.
Hij draaide zich half om en voelde het vertrouwde en hinderlijke prikgevoel van de Tijd die rondom hem vertraagde.
De Dood onderbrak even de beweging van zijn slijpsteen langs het zeisblad en knikte hem groetend toe, als beroepskrachten onder elkaar.
Hij legde een knokig kootje op zijn lippen, of liever, op de plek waar zijn lippen hadden moeten zijn als hij ze had gehad.
Alle tovenaars kunnen de Dood zien, maar daarom willen ze het nog niet.
Het plopte in Rinzwinds oren en de spookverschijning was weg.
Obrom en zijn tovenaarse tegenstrever werden omringd door een corona van ongeordende toverkracht, en dat had duidelijk geen uitwerking op Obrom. Rinzwind dreef net op tijd weer het land der levenden binnen om te zien hoe de kerel zijn hand uitstak om de tovenaar in de ordinaire kraag te grijpen.
'Mij kun je niet verslaan,' zei hij met de stem van de hoed. 'Ik had tweeduizend jaar de tijd om de toverkracht naar mijn hand te zetten. Ik kan mijn toverkracht onttrekken aan die van jou. Geef je aan me over en je zult niet eens tijd hebben er spijt van te krijgen.'
De tovenaar worstelde in tweestrijd en liet, helaas, zijn voorzichtigheid wijken voor zijn trots.
'Dat nooit!' zei hij.
'Sterf,' stelde Obrom voor
Rinzwind had in zijn leven heel wat raars gezien, meestal volstrekt tegen wil en dank, maar hij had nog nooit meegemaakt dat iemand echt door toverkracht werd gedood.
Tovenaars maken geen gewone mensen dood omdat ze a) die zelden opmerken en b) het als onsportief beschouwen en c) wie zou dan trouwens moeten zorgen voor het eten koken en voedsel verbouwen en zo. En het doden van een toverbroeder was vrijwel onmogelijk vanwege al die lagen beschermend bezweerwerk die elk behoedzaam tovenaar te allen tijde om zich in stand houdt.[*] Het allereerste dat een jong tovenaar op de Gesloten Universiteit leert - afgezien van wat zijn kapstokhaakje is en welke kant uit de toiletten zijn - is dat hij zich te allen tijde moet beschermen.
Sommige mensen houden dit voor paranoia, maar dat is het niet. Bij paranoia denk je dat iedereen het op jou heeft voorzien. Tovenaars weten het.
De kleine tovenaar droeg het occult equivalent van een metersdikke laag gehard staal en die smolt nu als boter onder een snijbrander. Hij vervloeide en was weg.
Als er woorden bestaan voor wat er toen met de tovenaar gebeurde, dan zitten ze opgesloten in een wilde thesaurus in de Bibliotheek van de Gesloten Universiteit. Misschien moesten we het maar overlaten aan de verbeelding, al zal iedereen die zich de vorm kan verbeelden die Rinzwind daar enkele tellen gepijnigd zag kronkelen tot hij goddank verdween, stellig in aanmerking komen voor dat vermaarde canvas jasje met riempjes en lange mouwen naar keuze.
'Zo zal het alle vijanden vergaan,' zei Obrom.
Hij verhief zijn gezicht naar de oprijzende toren.
[*] Natuurlijk maakten tovenaars elkaar dikwijls dood met gewone, tovervrije middelen, maar dit was volkomen toelaatbaar en dood door moordaanslag werd bij een tovenaar als een natuurlijke doodsoorzaak beschouwd.
'Ik daag uit,' zei hij. 'En al wie mij niet wil weerstaan moet mij volgen, want zo wil de Toverlevering.'
Er viel de lange, zware stilte van een heleboel ingespannen luisterende lieden. Ten slotte klonk van helemaal bovenop de toren een weifelende roep: 'Waar dan in de Toverlevering?'
'Ik belichaam de Toverlevering.'
Na enig ver verwijderd gefluister riep dezelfde stem: 'De Toverlevering is dood. Betovernij gaat boven de To-'
De zin eindigde in een gil omdat Obrom met uitgestoken linkerhand een dunne groene lichtbundel precies in de richting van de spreker liet vliegen.
Dit was ongeveer het moment waarop Rinzwind besefte dat hij weer zelf zijn ledematen kon bewegen. De hoed had voorlopig geen belangstelling voor hen. Hij blikte schuins naar Conina. In onverwijlde, stilzwijgende eensgezindheid grepen ze elk een arm van Niezel; ze draaiden zich om en holden weg, en stonden pas stil toen er verscheidene muren tussen hen en de toren waren. Onder het hollen verwachtte Rinzwind dat iets hem achterin zijn nek zou raken. Wie weet de wereld.
Gedrieën lieten ze zich op het puin vallen, hijgend en wel.
'Dat was nergens voor nodig,' pruttelde Niezel. 'Ik stond net op het punt hem eens flink de oren te wassen. Hoe kan ik nu ooit -'
Achter hen klonk een ontploffing en er krijsten veelkleurige vuurschichten over hen heen, die de vonken uit het metselwerk sloegen. Toen klonk een geluid of er een enorme kurk uit een piepklein flesje werd getrokken, en een klaterend lachen dat ergens helemaal niet zo leuk was. De bodem beefde.
'Wat gebeurt er?' vroeg Conina.
'De toveroorlog,' zei Rinzwind.
'Is dat iets goeds?'
'Nee.'
'Maar je wilt toch wel dat de tovenarij het wint?' vroeg Niezel.
Rinzwind haalde zijn schouders op en bukte toen er iets groots en onzichtbaars oversnorde met het geluid van een koppel patrijzen.
'Ik heb nog nooit een tovenaarsgevecht gezien,' zei Niezel, en hij wilde al op de puinhoop klauteren, maar gilde toen Conina hem bij zijn been greep.
'Dat lijkt me niet zo'n goed idee,' zei ze. 'Rinzwind?'
De tovenaar schudde somber zijn hoofd en raapte een steentje op. Hij gooide het omhoog boven de puinmuur uit, waar het veranderde in een blauw theepotje. Toen het de grond raakte ging het aan scherven.
'De bezweringen reageren met elkaar,' zei hij. 'Wie weet wat dat allemaal niet doet.'
'Maar achter deze muur zijn we veilig?' zei Conina.
Rinzwind klaarde wat op. 'O ja, echt?' vroeg hij.
'Dat vroeg ik juist aan jou.'
'O. Nee. Dacht ik niet. Het is maar doodgewoon steen. De juiste bezwering en… hoepla.'
'Hoepla.'
'Precies.'
'Zullen we dan verder vluchten?'
'Valt te proberen.'
Ze bereikten net een andere nog staande muur, een paar tellen voor een in het wilde weg sproeiende bol van geel vuur terechtkwam op het plekje waar ze gelegen hadden, en de bodem daar in iets vreselijks veranderde. De hele omgeving van de toren was een wervelwind van flikkerende lucht.
'We moeten een plan beramen,' zei Niezel.
'We kunnen bijvoorbeeld weer hollen,' zei Rinzwind.
'Maar dat lost niets op!'
'Lost anders de meeste dingen op,' zei Rinzwind.
'Hoe ver moeten we gaan om veilig te zijn?' vroeg Conina.
Rinzwind waagde het om een hoekje te gluren.
'Wijsgerig een interessante vraag,' zei hij. 'Ik ben heel ver geweest, maar nooit was ik veilig.'
Conina slaakte een zucht en staarde naar een naburige puinhoop. Ze keek nog eens goed. Er was iets raars mee, al kon ze het niet helemaal thuisbrengen.
'Ik zou ze kunnen bestormen,' zei Niezel verstrooid. Hij oogde verlangend naar Conina's rug.
'Gaat toch niet,' zei Rinzwind. 'Niets helpt tegen toverkracht. Behalve sterkere toverkracht. En het enige dat dan weer sterkere toverkracht aankan is nog sterkere toverkracht. En voor je het weet…'
'Hoepla?' opperde Niezel.
'Is eerder gebeurd,' zei Rinzwind. 'Duurde duizenden jaren, tot er geen -'
'Weet je wat er voor raars is aan die hoop stenen?' zei Conina.
Rinzwind keek even. Hij vernauwde zijn ogen.
'Wat dan, afgezien van die benen?' vroeg hij.
Het kostte verscheidene minuten om de Serief uit te graven. Hij hield nog altijd een bijna lege wijnfles omklemd en knipoogde hen toe in vage herkenning.
'Tjonge, dat was sterk', zei hij, en na enige moeite, 'spul, dit wijnjaar. Voelde net', vervolgde hij, 'of het hele paleis op me viel.'
'Dat was ook zo,' zei Rinzwind.
'Ach. Dan zal dat het zijn.' Cooltheer richtte, na diverse pogingen, zijn blik op Conina en wiegde achterover. 'Nee maar', zei hij, 'alweer die jongedame. Heel indrukwekkend.'
'Zeg -' begon Niezel.
'Je haar', zei de Serief, langzaam weer voorover wiegend, 'is als een, als een kudde geiten, die neergolven van Ginnegaps gebergte.'
'Hoor eens -'
'Je borsten zijn, zijn als', de Serief schommelde wat zijwaarts, met een droeve blik op de lege fles, 'als juweelbezette tweeling-meloenen in de roemrijke gaarde der dageraad.'
Conina sperde haar ogen wijd open. 'Echt waar?' zei ze.
'Vergeet', zei de Serief, 'elke twijfel. Ik haal juweelbezette meloenen er meteen uit. Als de blanke gazelles die temidden van de wateren weiden zijn je dijen, die -'
'Ahum, een ogenblikje -' zei Niezel terwijl hij met voorbedachten rade zijn keel schraapte.
Cooltheer wiegde zijn kant op.
'Hmm?' vroeg hij.
'Waar ik vandaan kom', zei Niezel ijzig, 'praat men niet zo tegen een dame.'
Conina zuchtte en Niezel kwam beschermend voor haar geschuifeld. Ja, bedacht ze, dat was maar al te waar.
'En eigenlijk', vervolgde hij met zijn kin zo ver mogelijk naar voren, waardoor die nog altijd op een pukkeltje leek, 'lijk ik wel gek -'
'Valt iets voor te zeggen,' zei Rinzwind die naar voren stapte. 'Uh, heer, heerlijkheid, we moeten hieruit. Weet je soms de weg?'
'Duizenden vertrekken', zei de Serief, 'hierbinnen, weet je. In geen jaren eruit geweest.' Hij hikte. 'Eeuwen. Ero's. Eigenlijk nooit eruit geweest.' Zijn ogen verglaasden in poëtische concentratie. 'Alles is zinloos, kil… Maar keer op keer, klinkt mij het glaasje wel, ben ik bezopen. Uh. Tijd is als vogels die, onzegbaar teer, op rose poten naar het Zuiden lopen.'
'Daar heb je die drijfvleugels weer,' mompelde Rinzwind.
Cooltheer wiegde in zijn richting. 'Obrom zorgt voor het regeerwerk, zie je. Vreselijk zware klus.'
'Maar momenteel', zei Rinzwind, 'brengt hij er weinig van terecht.'
'En wij willen hier zo'n beetje vandaan,' zei Conina, die nog altijd de zinswending omtrent de geiten om en om draaide.
'En ik zit met een waadveer,' zei Niezel met een boze blik op Rinzwind.
Cooltheer klopte hem op zijn arm.
'Dat is leuk,' zei hij. 'Iedereen zou een troeteldier moeten hebben.'
'Dus als je toevallig weet of je ergens een stal paarden hebt of zo…' hielp Rinzwind hem op weg.
'Honderden,' zei Cooltheer. 'Ik bezit sommige van de fraaiste, aller… fraaiste paarden van de wereld.' Hij rimpelde zijn voorhoofd. 'Heb ik me laten vertellen.'
'Maar je weet toevallig niet waar ze zijn?'
'Niet met zoveel woorden,' gaf de Serief toe. Een wilde tovervlaag veranderde de naburige muur in arseenchipolata.
'Ik geloof dat we in die slangenkuil beter af waren,' zei Rinzwind met zijn rug naar hen toe.
Cooltheer besteedde nog eens een treurige blik aan zijn lege wijnfles.
'Ik weet ergens een tovertapijt,' zei hij.
'Nee,' zei Rinzwind met zijn handen beschermend opgeheven. 'Geen denken aan. Nog voor geen -'
'Het was van mijn grootvader -'
'Een echt tovertapijt?' vroeg Niezel.
'Luister eens,' zei Rinzwind dringend. 'Ik krijg er al hoogtevrees van dat hoogheid hier de hoogte heeft.'
'Och, echt', boerde de Serief, 'genoeg. Aardig motiefje ook.' Hij loerde weer met een zucht naar de fles. 'Prachtig blauw was het,' vervolgde hij.
'En je weet toevallig niet waar het is?' vroeg Conina langzaam, als iemand die heel omzichtig een wild dier besluipt, dat elk ogenblik van schrik de benen kan nemen.
'In de schatkamer. Daarheen weet ik de weg wel. Ik ben ontzettend rijk, weet je. Heb ik me tenminste laten vertellen.' Hij liet zijn stem dalen en probeerde naar Conina te knipogen, wat ten slotte lukte met twee ogen tegelijk. 'Daar zouden we op kunnen zitten,' zei hij, in zweet uitbrekend. 'En dan zou jij me een verhaaltje kunnen vertellen…'
Rinzwind probeerde tandenknarsend te gillen. Het zweet stond hem al in de schoenen.
'Ik ga niet mee op een tovertapijt!' siste hij. 'Ik heb bodemvrees!'
'Hoogte, zal je bedoelen,' zei Conina. 'En stel je niet aan.'
'Ik weet best wat ik bedoel! De bodem, daarvan ga je dood!'
=>>O<<=
De slag bij Al Khali vormde een aambeeldvormige onweerswolk, en in de kolkende diepten daarvan kon je enge vormen horen en rare geluiden zien. Nu en dan striemde er een misser over de stad. Waar die dan neerkwam werd alles… anders.
Bijvoorbeeld, een flink deel van de sok was omgetoverd in een ondoordringbaar woud van gele reuzenpaddestoelen. Niemand wist wat voor uitwerking dat had op de inwoners, hoewel, die hadden het misschien niet gemerkt.
De tempel van Offlaar de Krokodilgod, patroongodheid van de stad, was nu een nogal lelijk, in vijf dimensies opgetrokken suikerding. Maar dit was geen probleem want hij werd alweer opgegeten door reuzenmieren.
Aan de andere kant, er waren nog maar weinig mensen over om deze uiting van verzet tegen ongebreidelde civiele renovatie te waarderen, want de meesten renden voor hun leven. In een gestage stroom vloden ze over de vruchtbare velden. Enkele waren in boten gegaan, maar deze vluchtwijze werd opgegeven toen het havengebied merendeels veranderde in een moeras, waarin een paartje rose olifantjes om onduidelijke redenen nu een nestje bouwde.
Onderlangs de paniek op de wegen drentelde de Bagage kalmpjes langs een van de bermsloten. Een stukje voor hem uit kroop een golf alligatortjes, ratten en geërgerde schildpadden juist uit het water om panisch op de oever te klauteren, gedreven door een onbenoemd maar volstrekt nauwkeurig dierlijk instinct.
De klep van de Bagage vertoonde een trek van grimmige vastberadenheid. Hij vroeg maar weinig van de wereld, afgezien van het volstrekte uitsterven van elke andere levensvorm, maar wat hij nu meer dan wat ook nodig had was een eigenaar die hem nodig had.
=>>O<<=
Men zag meteen dat het vertrek een schatkamer was aan de onvoorstelbare leegte. Deuren hingen scheef aan hun hengsels. Getraliede nissen waren opengebroken. Het lag vol met versplinterde kisten, en dat bezorgde Rinzwind een vlaag schuldgevoel, gedurende zo'n twee tellen, over waar de Bagage uithing.
Er heerste een eerbiedige stilte, zoals immer wanneer grote sommen gelds zijn heengegaan. Niezel slenterde wat rond en porde in enkele kasten in een vruchteloos speuren naar geheime laatjes, overeenkomstig de aanwijzingen uit hoofdstuk elf.
Conina raapte een koperen muntje van de grond.
'Wat afschuwelijk,' zei Rinzwind op het laatst. 'Een schatkamer zonder schat.'
De Serief stond erbij en straalde. 'Maak je geen zorgen,' zei hij.
'Maar al je geld is gestolen!' zei Conina.
'Het personeel, hè,' zei Cooltheer. 'Heel onbetrouwbaar van ze.'
Rinzwind keek hem bevreemd aan. 'Maak je je daar niet druk over?'
'Niet erg. Ik heb eigenlijk nooit wat uitgegeven. Ik vroeg me al vaak af wat het was om arm te zijn.'
'Nou, dan krijg je nu alle kans om daar achter te komen.'
'Moet je het leren?'
'Het waait je vanzelf aan,' zei Rinzwind. 'Al doende leert men.' In de verte klonk een ontploffing en een deel van het plafond veranderde in drilpudding.
'Ahum, een ogenblikje', zei Niezel, 'dat tapijt…'
'Ja', zei Conina, 'het tapijt.'
Cooltheer glimlachte hen welwillend en een tikje aangeschoten toe.
'Ach ja. Het tapijt. Duw eens op de neus van dat beeld achter je, o perzikgebild juweel van het woestijngloren.'
Blozend voltrok Conina deze geringe daad van heiligschennis aan een groot groen beeld van Offlaar de Krokodilgod.
Er gebeurde niets. Geheime bergplaatsen weigerden hardnekkig om open te gaan.
'Uh. Probeer de linkerhand eens.'
Ze probeerde eraan te draaien. Cooltheer krabde op zijn hoofd.
'Misschien toch de rechterhand…'
'Als ik jou was zou ik het me proberen te herinneren,' zei Conina bits, toen dat ook al niet werkte. 'Er zijn niet veel stukjes over waar ik aan zou durven trekken.'
'Wat is dat daar voor ding?'
'Als het niet de staart is zul je er echt meer van horen,' zei Conina, en ze gaf er een schop tegen.
Er klonk een ver, metalen gekreun, als een steelpan in hevige pijn. Het standbeeld huiverde. Vervolgens klonk ergens in de muur wat zwaar gebonk en Offlaar de Krokodilgod knarste gewichtig opzij. Erachter gaapte een tunnel.
'Mijn grootvader liet dit aanleggen voor onze interessantste schatten,' zei Cooltheer. 'Hij was erg -' hij tastte naar woorden - 'vindingrijk.'
'Als jij denkt dat ik daar een voet inzet -' begon Rinzwind.
'Ga opzij,' zei Niezel uit de hoogte, 'ik ga wel eerst.'
'Er zouden valstrikken kunnen zijn -' zei Conina weifelend. Ze oogde even naar de Serief.
'O, zeer waarschijnlijk, o gazelle des hemels,' zei hij. 'Ik ben hier niet meer geweest sinds ik zes was. Er waren wat vloerstenen waar je niet op moest trappen, staat me bij.'
'Maak je daar maar geen zorgen over,' zei Niezel in de schemertunnel turend. 'Ik dacht niet dat er een valstrik bestond die ik niet zou ontdekken.'
'O, dus je hebt daar nogal wat ervaring mee?' zei Rinzwind zuur.
'Nou, hoofdstuk veertien ken ik uit mijn hoofd. Er stonden plaatjes bij,' zei Niezel, en hij dook de schaduwen in.
Ze bleven verscheidene minuten staan wachten in wat een doodsbenauwde stilte had kunnen zijn, ware het niet dat de tunnel afwisselend gesmoorde verwensingen en doffe dreunen ten gehore bracht. Ten slotte galmde de stem van Niezel hen uit de verte tegemoet.
'Er is helemaal niks,' zei hij. 'Ik heb alles geprobeerd. Alles hier is zo vast als een huis. Zeker allemaal vastgelopen, of zo.'
Rinzwind en Conina wisselden blikken uit.
'Hij weet geen snars van valstrikken,' zei ze. 'Toen ik vijf was liet mijn vader me door een hele gang lopen die hij vol vallen had gestopt, alleen maar om me te leren -'
'Maar hij is er wel doorheen, toch?' zei Rinzwind.
Er klonk zo'n geluid als van een natte vinger langs een glas, maar dan een miljard keer versterkt, en de grond trilde.
'Trouwens, veel keus hebben we niet,' vervolgde hij, en hij dook de tunnel in. De rest volgde. Velen die Rinzwind hebben leren kennen, gingen hem allengs behandelen als een soort kolenmijnkanarie op twee benen[*] en namen doorgaans aan dat zolang Rinzwind nog overeind was en niet daadwerkelijk op de vlucht, er nog enige hoop restte.
'Gut, wat enig,' zei Cooltheer. 'Ik mijn eigen schatkamer beroven. Als ik me te pakken krijg kan ik me in de slangenkuil laten gooien.'
'Maar jij zou jezelf om clementie kunnen vragen,' zei Conina die een paranoïde oog over het metselwerk liet gaan.
'O, nee. Ik vind dat ik me maar eens een lesje moest leren, als een voorbeeld voor mezelf.'
Boven hen klonk een klikje. Een kleine steenplaat schoof opzij en er zakte traag en schokkend een roestige haak omlaag. Een andere stang knerste uit de muur om Rinzwind op zijn schouder te tikken. Juist toen hij zich omdraaide plakte de eerder genoemde haak een geel briefje op zijn rug om vervolgens weer in het plafond te verdwijnen.
'Wat deed hij? Wat deed hij?' krijste Rinzwind terwijl hij zijn eigen schouderblad probeerde te lezen.
'Er staat Schop Mij op,' zei Conina.
[*] Ja ja, je hebt gelijk. Maar je snapt waar ik heen wil.
Een heel muurgedeelte naast de aan de grond genagelde tovenaar schoof opzij. Een flinke laars, aan het eind van een bewerkelijk stelsel van metalen gewrichten, gaf een halfbakken waggel en toen knapte het hele geval af bij de knie.
Het drietal aanschouwde het zwijgend. Toen zei Conina: 'We hebben met een verknipt brein van doen, dat zie ik zo.'
Rinzwind maakte voorzichtig het briefje los en liet het vallen. Conina wrong zich langs hem en beende in behoedzame toorn door de gang, en toen er aan een veer een metalen handje werd uitgestoken dat vriendelijk wiebelde, schudde ze het niet, maar in plaats daarvan volgde ze de beschimmelde bedrading ervan tot bij een paar verweerde elektrodes in een grote glazen pot.
'Was die opa van je iemand met gevoel voor humor?' vroeg ze.
'O, ja. Altijd in voor een geintje,' zei Cooltheer.
'O, fijn,' zei Conina. Ze porde omzichtig aan een plavuis die Rinzwind niet anders voorkwam dan zijn maten. Met een treurig zwiepgeluidje wiebelde er op okselhoogte uit de wand een plumeautje tevoorschijn.
'Ik denk dat ik maar wat graag die ouwe Serief had leren kennen', zei ze tandenknarsend, 'hoewel niet om hem een hand te geven. Geef me hier eens een kontje, tovenaartje?'
'Pardon?'
Conina wees geërgerd naar een maar half geopende deur, vlak voor hen uit.
'Ik wil daar overheen kijken,' zei ze. 'Dus je moet me een eindje opduwen, snap je? Hoe krijg je het voor elkaar zo nutteloos te zijn?'
'Met nuttig zijn raak ik telkens in de problemen,' pruttelde Rinzwind die de vlezige warmte probeerde te negeren die aan zijn neus voorbijging.
Hij hoorde hoe ze boven de deur rondtastte.
'Dacht ik al,' zei ze.
'Wat was het? Gemeen scherpe spiezen, klaar om te vallen?'
'Nee.'
'Puntenrooster dat elk moment als een bijl -?'
'Het is een emmer,' zei Conina toonloos, en ze duwde er eens tegen.
'Wat, vol gloeiende, giftige -?'
'Witkalk. Gewoon een hoop ouwe, uitgedroogde witkalk.' Conina sprong naar beneden.
'Dat is nou echt grootvader,' zei Cooltheer. 'Eeuwig de grapjas.'
'Nou, ik heb er wel genoeg van,' zei Conina beslist en ze wees naar het eind van de tunnel. 'Vooruit, jullie twee.'
Ze waren nog geen meter van het eind toen Rinzwind boven zich iets door de lucht voelde bewegen. Conina trof hem onderin zijn rug zodat hij in de verdergelegen ruimte tuimelde. Toen hij de vloer raakte, rolde hij door en iets raakte nog net even zijn voet, op hetzelfde moment dat een luide klap zijn oren verdoofde.
Het hele plafond, een enorme steenplaat van een meter dik, was in de tunnel gestort.
Rinzwind kroop door de stofwolken naar voren en volgde met een trillende vinger het opschrift langs de rand van het blok.
'Lach Hier Dan Maar Eens Om,' zei hij.
Hij ging overeind zitten.
'Echt opa', zei Cooltheer opgewekt, 'altijd even -'
Hij kruiste Conina's blik, geladen als dubbelloops, en hield wijselijk zijn mond.
Niezel kwam hoestend uit de wolken tevoorschijn.
'Zeg, wat is er gebeurd?' zei hij. 'Niemand zich bezeerd? Toen ik erdoor kwam deed hij dat niet.'
Rinzwind speurde naar een weerwoord, maar wist niets anders te vinden dan: 'O nee?'
Licht sijpelde het diepe vertrek in via getraliede ruitjes langs het plafond. Er was geen andere uitweg dan de wandeling door enkele honderden tonnen gesteente waarmee de tunnel was afgesloten of met andere woorden, en dat waren de woorden die Rinzwind zou kiezen, ze zaten zonder twijfel in de val. Hij ontspande zich wat.
In het tovertapijt kon je je tenminste niet vergissen. Opgerold op een stenen verhoging lag het midden in het vertrek. Ernaast stond een klein, smal olielampje en - zag Rinzwind reikhalzend - een gouden ringetje. Hij kreunde. Een flauwe octarijne nimbus hing boven het drietal artikelen, om aan te geven dat het om toverartikelen ging.
Toen Conina het tapijt uitrolde vielen er een aantal voorwerpjes op de grond, waaronder een koperen haring, een houten oor, een paar grote vierkante pailletten en een loden kistje met een geconserveerde zeepbel erin.
'Wat zijn dat in hemelsnaam?' vroeg Niezel.
'Och', zei Rinzwind, 'voordat ze probeerden van dat tapijt te eten, motten vermoedelijk.'
'Tjee.'
'Dat begrijpen mensen als jullie nu nooit,' zei Rinzwind vermoeid. 'Jullie denken dat toverkracht gewoon iets is om aan te pakken en te gebruiken, als een, een -'
'Winterwortel?' vroeg Niezel.
'Fles wijn?' vroeg de Serief.
'Iets dergelijks,' zei Rinzwind op zijn hoede, en met vernieuwde moed vervolgde hij: 'Maar toverkracht is juist, is -'
'Juist niet zo?'
'Juist meer als een fles wijn?' zei de Serief hoopvol.
'Toverkracht gebruikt mensen,' zei Rinzwind gauw. 'Het heeft op jou net zoveel uitwerking als jij daarop, zogezegd. Je kunt je niet met toverzaken inlaten zonder dat je er iets aan overhoudt. Het leek me beter je maar te waarschuwen.'
'Dus als een fles wijn', zei de Cooltheer, 'die -'
'- van de weeromstuit jou opdrinkt,' zei Rinzwind. 'Leg die lamp en die ring dus maar weer neer, en wrijf in hemelsnaam nergens over.'
'Mijn grootvader heeft daarmee het familiekapitaal opgebouwd,' mijmerde Cooltheer. 'Zijn boze oom sloot hem op in een grot, zie je. Hij moest het daar zien te redden met wat hij aantrof. Hij had in de hele wereld niets dan een tovertapijt, een wonderlamp, een betoverde ring en een grotvol gesorteerde edelstenen.'
'Onderaan de ladder begonnen, hè?' zei Rinzwind.
Conina spreidde het tapijt over de vloer. Het vertoonde een bewerkelijk patroon van gouden draken op een blauwe achtergrond. Het waren erg ingewikkelde draken, met lange baarden, oren en vleugels, en ze leken wel gestold in hun beweging, gevangen in de overgang van de ene in de andere toestand, wat het idee gaf dat het gebruikte weefgetouw wat meer dimensies had dan de alledaagse drie, maar het ergste eraan was wel dat als je er lang genoeg naar keek, het patroon overging naar blauwe draken op een gouden achtergrond, en zo bekroop je het akelige gevoel dat als je bleef proberen beide drakentypen tegelijk te zien, je brein uit je oren zou druipen.
Met enige moeite wist Rinzwind zijn blik los te rukken toen alweer een verre ontploffing het gebouw deed schudden.
'Hoe werkt het?' vroeg hij.
Cooltheer haalde zijn schouders op. 'Ik heb het nooit gebruikt,' zei hij. 'Ik neem aan dat je gewoon “omhoog” en “omlaag” en van die dingen zegt.'
'Wat dacht je van “vlieg door de muur”?' vroeg Rinzwind.
Alle drie keken ze omhoog langs de hoge, donkere en vooral massieve muren van het vertrek.
'We kunnen er op proef op gaan zitten en dan “rijzen” zeggen,' bracht Niezel te berde. 'En dan konden we, net voor we het plafond raken, nou ja, “stop” zeggen.' Hij dacht hier even over en vervolgde toen: 'Als dat de juiste woorden zijn.'
'Of “zakken”', zei Rinzwind, 'of “afdalen”, “duiken”, “zinken”. Of “vallen”.'
'“Neerstorten”,' opperde Conina somber.
'Nu kun je', zei Niezel, 'natuurlijk, met al die rondvliegende toverkracht, ook proberen daarvan iets te gebruiken.'
'Ach -' zei Rinzwind, en: 'Tja -'
'Er staat anders “Toofenaar” op je hoed,' zei Cooltheer.
'Iedereen kan wel wat op zijn hoed zetten,' zei Conina. 'Je moet toch niet alles geloven wat je leest.'
'Nou wacht eens even,' zei Rinzwind verhit.
Ze wachtten even.
Ze wachtten nog even, zeventien tellen.
'Het is veel moeilijker dan je denkt, hoor,' zei hij.
'Nou, wat zei ik?' zei Conina. 'Kom op, laten we met onze nagels de specie tussen de stenen uit krabben.'
Rinzwind wuifde haar tot zwijgen, deed zijn hoed af, blies nadrukkelijk het stof van de ster, zette de hoed weer op, trok de rand recht, rolde zijn mouwen op, knikte zijn vingers in en uit en ging over op paniek.
Bij gebrek aan iets beters leunde hij maar tegen de muur.
Die trilde. Niet dat eraan geschud werd; het voelde aan of het rillen van binnenuit kwam.
Het was precies het soort beven wat hij destijds in de Universiteit had gevoeld, vlak voor de betovernaar verscheen. De stenen zaten bepaald ergens over in de rats.
Hij schuifelde de muur langs en legde zijn oor op de volgende steen, een kleinere, wigvormig behakt om in een hoek van de wand te passen, geen grote, aanzienlijke steen, maar een kleutersteen, die geduldig zijn steentje bijdroeg aan het welzijn van de muur als geheel. Ook deze trilde.
'Ssst!' siste Conina.
'Ik hoor niks,' zei Niezel luid. Niezel was er zo een die als je 'niet kijken' zei, meteen zijn hoofd zou omdraaien als een uil op een draaitafel. Zulke lui zijn dezelfde die als je hen op, laat ik zeggen, een fraaie krokus wijst naast hun voet, zich achteloos omdraaien om hun voet neer te planten met zo'n zielig pletgeluidje. Als ze in een ongebaande woestijn verdwaalden kon je ze opsporen door, ergens in het zand, iets klein en breekbaars neer te zetten, zoals die kostbare kom die al generaties meegaat in je familie, om dan haastig toe te snellen op het eerste gekraak.
Nou ja.
'Dat is het juist! Waar is die oorlog gebleven?'
Een kleine specielawine stroomde uit het plafond op Rinzwinds hoed.
'Er is iets dat de stenen belaagt,' zei hij zacht. 'Ze proberen weg te breken.'
'We staan anders recht onder een hele hoop ervan,' merkte Cooltheer op.
Boven hen klonk een knersend lawaai en er priemde een bundel daglicht naar beneden. Tot Rinzwinds verrassing ging dit niet gepaard met onmiddellijke dood door verplettering. Weer klonk er een geologisch geknars, en het gat groeide. De stenen vielen eruit, en ze vielen omhoog.
'Ik denk toch', zei hij, 'dat we nu het tapijt maar eens moeten proberen.'
De muur naast hem schudde zich als een hond en dreef uit elkaar, en onder het wegsuizen verkocht het metselwerk Rinzwind diverse flinke klappen.
In een onweer van rondvliegende keien plofte het viertal op het blauw-met-gouden tapijt.
'We moeten maken dat we hier weg komen,' zei Niezel om zijn reputatie als scherp waarnemer op peil te houden.
'Hou je vast', zei Rinzwind, 'dan zeg ik -'
'Jij zegt niks,' snauwde Conina die naast hem geknield zat. 'Ik zeg het. Jou vertrouw ik niet.'
'Maar je moet -'
'Kop dicht,' zei Conina. Ze klopte op het tapijt.
'Tapijt - ga omhoog,' beval ze.
Het bleef even stil.
'Omhoog.'
'Misschien verstaat het ons niet,' zei Niezel.
'Rijs. Leviteer. Vlieg.'
'Of het is, noem maar wat, gevoelig voor maar één bepaalde stem -'
'Ach, vlieg op.'
'Die had je al,' zei Niezel. 'Probeer klimmen eens.'
'Of zweven,' zei Cooltheer. Enkele tonnen tegelwerk zeilden op een paar centimeter langs zijn hoofd.
'Als het op zulke dingen reageerde had het dat toch al gedaan?' zei Conina. De lucht om haar heen was zwaar van stof door het langs elkaar raspende gesteente. Ze stompte op het tapijt.
'Opstijgen, verrekt kleed! Grrraw!'
Een stuk vensterbank schampte haar schouder. Ze wreef geërgerd over de schaafwond en keerde zich naar Rinzwind, die daar maar zat met zijn knieën onder zijn kin en zijn hoed over zijn oren.
'Waarom doet het ding het niet?' vroeg ze.
'Omdat je niet de goeie woorden zegt,' zei hij.
'Verstaat het ons dan niet?'
'Met verstaan heeft het niks te maken. Je ziet iets principieels over het hoofd.'
'En?'
'En wat?' snoof Rinzwind.
'Hoor eens, dit is niet het moment om gekwetst te doen!'
'Let dan maar niet op mij, en ga door met proberen.'
'Maak het aan het vliegen!'
Rinzwind trok zijn hoed nog meer over zijn hoofd.
'Alsjeblieft?' zei Conina.
De hoed ging een pietsje omhoog.
'Het zou ons allemaal enorm opkikkeren,' zei Niezel.
'Zo is het maar net,' zei Cooltheer.
De hoed kwam nog wat omhoog. 'Eerlijk waar?' vroeg Rinzwind.
'Ja!'
Rinzwind schraapte zijn keel.
'Omlaag,' beval hij.
Het tapijt steeg van de grond en bleef vol verwachting een meter boven het gruis hangen.
'Hoe wist -' begon Conina, maar Niezel viel haar in de rede.
'Tovenaars zijn ingewijd in hermetische kennis, dat zal het wezen,' zei hij. 'Het tapijt heeft vast een geheime zwemveer, waardoor het het omgekeerde doet van wat je zegt. Kun je het nog hoger laten gaan?'
'Ja, maar dat doe ik niet,' zei Rinzwind. Het tapijt zweefde langzaam naar voren en zoals vaker gebeurt op ogenblikken als dit, een kluit metselwerk kieperde precies op de plek waar het gelegen had.
Even later waren ze in de open lucht, en het steenonweer lieten ze achter zich.
Het paleis trok zichzelf uit elkaar, en de samenstromende brokstukken pluimden de lucht in als een omgekeerde vulkaanuitbarsting. De betovernijse toren was totaal verdwenen, maar er dansten stenen naar de plek waar hij had gestaan en…
'Ze bouwen alweer een nieuwe toren!' zei Niezel.
'En dat nog wel met mijn paleis,' zei Cooltheer.
'De hoed heeft gewonnen,' zei Rinzwind. 'Daarom bouwt hij nu zijn eigen toren. Als een soort reflex. Tovenaars bouwden destijds altijd torens om zich heen, net als die… hoe noem je die dingen ook weer, op de bodem van een sloot?'
'Kikkers.'
'Watertorren.'
'Mislukte gangsters.'
'Kokerjuffers bedoel ik,' zei Rinzwind. 'Als een tovenaar aan het vechten sloeg, was het eerste wat hij altijd deed een toren bouwen.'
'Groot is hij wel,' zei Niezel.
Rinzwind knikte droevig.
'Waar moeten we heen?' vroeg Conina.
Rinzwind haalde zijn schouders op.
'Hiervandaan,' zei hij.
De buitenmuur van het paleis zweefde precies onder hen door. Net op dat moment begon hij te schudden, en baksteentjes ervan begonnen af te zwenken naar het onweer van rondvliegende stenen dat om de nieuwe toren ronkte.
Ten slotte zei Conina: 'Goed dan. Hoe kreeg je het tapijt aan het vliegen? Doet het echt het tegendeel van wat je zegt?'
'Nee. Ik besteedde alleen aandacht aan zekere principiële details van de ruimtelijke ordening der gelaagdheden.'
'Dat kon ik even niet volgen,' gaf ze toe.
'Je wilt het in ontovenaarse woorden?'
'Ja.'
'Je had het ondersteboven uitgespreid,' zei Rinzwind.
Conina bleef een tijdje doodstil zitten. Toen zei ze: 'Ik moet zeggen dat dit erg lekker zit. Het is voor het eerst dat ik met een vliegend tapijt ga.'
'Het is voor het eerst dat ik er een bestuur,' zei Rinzwind verstrooid.
'Je doet het prima,' zei ze.
'Dank je.'
'Je zei dat je hoogtevrees had.'
'Verschrikkelijk.'
'Niet aan je te zien.'
'Ik wil er niet aan denken.'
Rinzwind draaide zich om en keek naar de toren achter hen. Hij was de afgelopen minuut flink gegroeid, en bovenaan bloeide een wirwar van kantelen en torentjes. Er zweefde een zwerm tegeltjes boven, die een voor een omlaagdoken en op hun plaats rinkelden als keramische kamikazebijen. Hij was nu onvoorstelbaar hoog - de stenen onderaan zouden vermorzeld zijn zonder de toverkracht die ertussen knetterde.
Nou, dat was het dan wel wat de georganiseerde tovenarij betrof. Tweeduizend jaar vreedzaam toveren naar de ratsmodee, daar schoten de torens weer op, en met overal die onversneden toverkracht moest er wel iets ernstige schade oplopen. Het heelal waarschijnlijk. Een teveel aan toverkracht wikkelde ruimte en tijd om zich heen, en dat was slecht nieuws voor het soort lieden dat gewend was geraakt aan dingen als oorzaken die voorafgingen aan dingen als gevolgen.
En natuurlijk, hij zou het zijn metgezellen nooit kunnen uitleggen. Het leek of ze die ideeën maar niet goed konden vatten; vooral leken ze maar niets te vatten van ondergang. Ze leden aan de vreselijke waanvoorstelling dat je er iets aan doen kon. Ze leken wel bereid om de wereld zo te maken als ze hem wilden hebben of anders erin te blijven; en het probleem met ergens in blijven was dat je erin bleef.
De hele zin van die Universiteitsorganisatie was dat hij een soort vrede bewaarde tussen tovenaars die net zo makkelijk met elkaar overweg konden als katten in een jutezak, en nu de handschoentjes uit waren zou iedereen die zich ermee bemoeide, zware krabben oplopen. Dit was niet die ouwe, lieve, nogal malle toverij waar de Schijf aan gewend was; dit was de toveroorlog, witgloeiend en bruinverzengend.
Helderziendheid was niet Rinzwinds sterkste punt; eigenlijk kon hij maar nauwelijks in het heden zien. Maar hij wist met vermoeide stelligheid dat op zeker punt in de zeer nabije toekomst, zeg na dertig tellen, iemand zou zeggen: 'Maar wij kunnen er toch wel iets aan doen?'
De woestijn gleed onder hen door, beschenen door het strijklicht van de ondergaande zon.
'Er lijken niet veel sterren te zijn,' zei Niezel. 'Misschien zijn ze te bang om te komen stralen.'
Rinzwind keek omhoog. Hoog in de lucht hing een zilverig waas.
'Er slaat klinkklare toverkracht neer uit de lucht,' zei hij. 'Die is ermee verzadigd.'
Zevenentwintig, achtentwintig, neg-
'Maar wij kunnen er -' begon Conina.
'Wij kunnen niets,' zei Rinzwind bot, maar wel met een zweem van zie je wel. 'De tovenaars zullen elkaar bestrijden tot er maar één overwinnaar is. Voor anderen valt er niets aan te doen.'
'Ik zou wel eens wat willen drinken,' zei Cooltheer. 'We kunnen zeker niet even ergens stoppen waar ik een herberg kan kopen?'
'Waarmee?' vroeg Niezel. 'Je bent arm, weet je nog?'
'Arm is niet erg,' zei de Serief. 'Nuchter, daar heb ik problemen mee.'
Conina porde Rinzwind zachtjes in zijn ribben.
'Bestuur je dit ding wel?' vroeg ze.
'Nee.'
'Waar gaat het dan heen?'
Niezel tuurde naar beneden.
'Zo te zien', zei hij, 'gaat het de naafkant op. Naar de Cirkelzee.'
'Iemand moet het toch besturen.'
Hallo daar, zei een vriendelijke stem in Rinzwinds hoofd.
Je bent toch niet weer mijn geweten, hè? dacht Rinzwind.
Ik heb het nu echt wel te kwaad.
Nou, jammer hoor, dacht Rinzwind, maar ik kan hier helemaal niks aan doen. Ik ben louter een slachtoffer van de omstanders. Ik zie niet in dat ik de schuld op me moet nemen.
Jawel, maar je zou er wel iets aan kunnen doen.
Wat bijvoorbeeld?
Je zou de betovernaar kunnen vernietigen. Dit zou dan allemaal in elkaar zakken.
Ik zou geen schijn van kans hebben.
Als je maar probeert, dan kon je er altijd nog in blijven. Dat is misschien wel te verkiezen boven het maar laten uitbreken van de toveroorlog.
'Hoor eens, hou nou maar je kop, hè?' zei Rinzwind.
'Watte?' vroeg Conina.
'Hè?' zei Rinzwind afwezig. Hij keek verstrooid omlaag op het blauw-met-gouden patroon onder zich en vervolgde: 'Jij bestuurt dit zeker, hè? Via mij! Dat is stiekem gedoe!'
'Waar heb je het over?'
'O. Pardon. Had het tegen mezelf.'
'Ik geloof', zei Conina, 'dat we maar moesten landen.'
Ze zweefden omlaag naar een boogvormig strandje waar de woestijn aan de zee grensde. Onder normaal licht zou het verblindend wit zijn geweest door het zand dat uit miljarden schelpengruisjes bestond, maar op dit moment van de dag had het een bloedrode oerkleur. Slierten drijfhout, gebeeldhouwd door de golven en gebleekt door de zon, lagen langs de vloedlijn gestapeld als de botten van oeroude vissen of de grootste toonbank voor bloemschikartikelen in het heelal. Niets verroerde zich, afgezien van de golven. Hier en daar was er wel een rotsblok, maar dat was dan heet als een kachelsteen en dus geen verblijf voor weekdier of zeewier.
Zelfs de zee leek verdord. Als ooit een proto-amfibie opdook op een strand als dit, zou hij het op staande voet weer opgeven, in het water teruggaan en al zijn kennissen zeggen die poten maar te vergeten, je kwam er geen stap verder mee. De lucht voelde aan alsof hij gekookt was in een sok.
Niettemin stond Niezel erop dat ze een vuur maakten.
'Het is gezelliger,' zei hij. 'En trouwens, wie weet zijn er monsters.'
Conina keek naar de oliegladde golfjes die het strand oprolden in wat veel had van een halfslachtige poging om uit zee weg te komen.
'Daarin?' vroeg ze.
'Je weet maar nooit.'
Rinzwind lummelde wat langs de waterlijn, raapte verstrooid wat steentjes op om in zee te gooien. Een stuk of twee werden teruggegooid.
Even later had Conina een vuur aan de gang en het beenderwitte, zoutdoortrokken hout deed blauwe en groene vlammen oplaaien in een fontein van vonken. De tovenaar zette zich, met zijn rug tegen een stapel witgebleekt hout, neer in de dansende schaduwen en omwikkelde zich met zulk een wolk van ondoordringbare somberheid dat zelfs Cooltheer niet meer over dorst klaagde en zijn mond hield.
Na middernacht werd Conina wakker. Boven de horizon hing een halve maan en het zand lag onder een kil neveldek. Cooltheer lag op zijn rug te snurken. Niezel, die in theorie de wacht hield, lag in diepe slaap.
Conina bleef doodstil liggen en tastte met ieder zintuig naar wat haar had gewekt.
Ten slotte hoorde ze het weer. Het was een miniem, weifelend rinkelen, maar net hoorbaar boven het gedempte geslurp van de zee.
Ze stond op, of liever, ze gleed zo geraamteloos als een kwal naar de verticale stand en griste Niezels zwaard uit zijn lijdzame hand. Toen schuifelde ze door de mist zonder dat ze er de slierten en krullen van verstoorde.
Het vuur zakte verder weg in zijn bed van as. Even later was Conina weer terug en ze schudde de andere twee wakker.
'Wattizzer?'
'Ik geloof dat jullie dit moeten zien,' fluisterde ze. 'Volgens mij kan het van belang zijn.'
'Ik heb mijn ogen maar eventjes dicht gedaan -' verweerde Niezel zich.
'Laat dat nou maar. Kom mee.'
Cooltheer tuurde over het geïmproviseerde kampterrein.
'Waar zit die toverkerel?'
'Dat zul je wel zien. En wees muisstil. Het is misschien gevaarlijk.'
Ze struikelden haar zeewaarts achterna door de kniehoge nevel.
Na een tijdje zei Niezel: 'Hoezo gevaarlijk -'
'Ssst! Hoor je het niet?'
Niezel luisterde.
'Een soort van rinkelen?'
'Kijk maar…'
Rinzwind liep als een ledenpop langs het strand, met in elke hand een grote ronde kei. Hij liep hen zonder een woord voorbij en zijn ogen staarden recht vooruit.
Ze volgden hem over het koude strand tot hij aan een kaal stuk tussen de duintjes kwam, waar hij halt hield en nog altijd met de vloeiende bewegingen van een droogrek, de keien liet vallen. Dat gaf een rinkelend geluid.
Er was een brede cirkel van nog meer stenen. Maar heel weinig ervan was het gelukt op elkaar te blijven liggen.
Het drietal hurkte neer om toe te kijken.
'Slaapt hij?' vroeg Cooltheer.
Conina knikte.
'Wat probeert hij toch?'
'Ik denk dat hij een toren bouwt.'
Rinzwind slingerde weer de steenkring binnen en legde met uiterste zorg alweer een kei op de lucht. De kei viel.
'Hij brengt er maar weinig van terecht,' zei Niezel.
'Wat treurig,' zei Cooltheer.
'Misschien kunnen we hem beter wakker maken,' zei Conina. 'Al heb ik gehoord dat als je slaapwandelaars wakker maakt, hun benen eraf vallen of zo. Wat vinden jullie?'
'Lijkt me riskant, bij een tovenaar,' zei Niezel.
Ze probeerden het zich op het kille zand gerieflijk in te richten.
'Toch tamelijk zielig, hè?' zei Cooltheer. 'Nou niet wat je noemt een behoorlijke tovenaar.'
Conina en Niezel probeerden elkaars blik te ontwijken. Uiteindelijk kuchte de jongen, en hij zei: 'Eigenlijk ben ik geen barbaarse held, weet je. Misschien merkte je dat al.'
Ze sloegen de zwoegende gedaante van Rinzwind een tijdje gade, en toen zei Conina: 'Nu we toch bezig zijn, ik geloof dat ik het een of ander mis als het op haarverzorging aankomt.'
Beiden bleven ze de slaapwandelaar fixeren, elk in beslag genomen door de eigen gedachten en rood van wederzijdse schaamte.
Cooltheer schraapte zich de keel.
'Voor het geval ik daar iemand een plezier mee doe', zei hij, 'ik word bij wijlen gewaar dat mijn dichtkunst veel te wensen over laat.'
Rinzwind probeerde zorgvuldig een grote kei te laten balanceren op een kiezeltje. Hij viel eraf, maar de tovenaar scheen er tevreden mee.
'Jij als dichter', zei Conina behoedzaam, 'wat zou jij zeggen van deze toestand?'
Cooltheer ging onrustig verzitten. 'Rare toestand hoor, dat leven,' zei hij.
'Tamelijk treffend.'
Niezel leunde achterover en keek op naar de wazige sterren. Toen schoot hij overeind.
'Zag je dat?' vroeg hij heftig.
'Wat?'
'Een soort flits, een soortement -'
De naafwaartse kim ontplofte in een zwijgende kleurenbloem die, snel alle tinten van het doordeweekse spectrum doorlopend, opzwol en toen in schitterend octarijn opvlamde. Hij grifte zich in hun oogbollen en verflauwde toen tot hij weer weg was.
Even later klonk er een ver gerommel.
'Een of ander toverwapen,' zei Conina oogknipperend. Een vlaag warme wind nam de nevels en liet ze langs hen heenstromen.
'Je kunt mij wat,' zei Niezel overeind komend. 'Ik ga hem wakker maken, ook al houdt dat in dat we hem verder moeten dragen.'
Hij wilde net Rinzwinds schouder grijpen toen er iets heel hoog over hen heenvloog met het geluid van een kudde waadvogels onder invloed van lachgas. Het verdween in de woestijn achter hen. Toen kwam er een geluid dat zelfs zeer deed aan een kunstgebit, een groene lichtflits en een dreun.
'Ik maak hem wel wakker,' zei Conina. 'Haal jij het tapijt.'
Ze klauterde de keienring over en nam de tovenaar zachtjes bij zijn arm, en dit zou een manier uit het boekje zijn geweest om een slaapwandelaar te wekken als Rinzwind de kei die hij droeg niet op zijn voet had laten vallen.
Hij deed zijn ogen open.
'Waar ben ik?' vroeg hij.
'Op het strand. Je hebt… uh… gedroomd.'
Rinzwind knipoogde tegen de mist, de hemel, de keienring, Conina, nog eens de keienring en ten slotte weer tegen de hemel.
'Wat is er gebeurd?' vroeg hij.
'Een of ander tovervuurwerk.'
'O. Dus het is begonnen.'
Hij waggelde onvast de kring uit, op een manier die Conina het idee gaf dat hij nog niet helemaal wakker was, en wankelde terug naar de resten van het vuur. Hij deed nog een paar passen en scheen zich iets te herinneren.
Hij keek naar zijn voet en zei: 'Au.'
Hij was haast bij het vuur toen de rukwind van de laatste bezwering hen bereikte. Die was gericht geweest op de toren te Al Khali, op dertig kilometer hiervandaan, en de schokgolf was al danig verwaterd. Hij had nauwelijks nog invloed op de aard der dingen toen hij met een flauw zuiggeluidje over de duintjes aanwoei; het vuurde laaide een tel rood en groen op, een van Niezels sandalen veranderde in een kleine, geërgerde das, en er kwam een duifje uit de tulband van de Serief gevlogen.
Toen was was de vlaag voorbij om over zee weg te razen.
'Wat was dat?' zei Niezel. Hij gaf de das die zijn voet besnuffelde een schop.
'Hmm?' vroeg Rinzwind.
'Dat!'
'O, dat,' zei Rinzwind. 'Gewoon maar de weerslag van een bezwering. Ze zullen de toren in Al Khali wel hebben geraakt.'
'Moet wel flink geweest zijn als wij er hier last van hebben.'
'Dat zal zeker.'
'Hela, dat was mijn paleis,' zei Cooltheer slap. 'Ik bedoel, ik weet wel dat het veel was, maar het was al wat ik had.'
'Jammer, hoor.'
'Maar er woonden mensen in die stad!'
'Die zullen wel ongedeerd zijn,' zei Rinzwind.
'Mooi.'
'Wat ze nu ook zijn.'
'Hè?'
Conina greep hem bij de arm. 'Schreeuw niet zo tegen hem,' zei ze. 'Hij is zichzelf niet.'
'Aha', zei Cooltheer wrang, 'een hele verbetering.'
'Nou zeg, dat is niet erg eerlijk,' protesteerde Niezel. 'Ik bedoel maar, hij heeft me uit de slangenkuil gehaald en, och, hij weet veel -'
'Ja, tovenaars zijn heel goed in het je uit het soort penarie halen waarin alleen tovenaars je kunnen krijgen,' zei Cooltheer. 'En dan verwachten ze dat je dankjewel zegt.'
'Nou, ik geloof -'
'Het moest maar eens gezegd,' zei Cooltheer met een geërgerd gebaar. Even werd hij verlicht door het passeren van alweer een bezwering langs de geteisterde hemel.
'Kijk die eens!' snauwde hij. 'Ach, hij bedoelt het wel goed. Dat doen ze allemaal. Ze zullen wel allemaal denken dat de Schijf beter af was als zij de baas waren. Neem maar van mij aan, er is niets vreselijker dan iemand die de wereld een dienst wil bewijzen. Tovenaars! Als je alles bij elkaar telt, wat heb je dan aan ze? Ik bedoel, kun je me iets noemen dat ooit een tovenaar deed, dat de moeite waard is?'
'Ik vind dat een tikkeltje wreed,' zei Conina, maar in haar stem zat een zweem die aangaf dat ze openstond voor verdere argumenten in deze.
'Nou, ik kots van die lui,' pruttelde Cooltheer, die zich uitermate nuchter voelde en dat helemaal niet leuk vond.
'Volgens mij zullen we ons allemaal veel beter voelen als we eerst eens wat slapen,' zei Niezel diplomatiek. 'Bij daglicht ziet alles er altijd beter uit. Bijna alles, tenminste.'
'Mijn mond voelt ook al zo akelig,' mopperde Cooltheer met het vaste voornemen de restanten van zijn woede te blijven koesteren.
Conina keerde zich weer naar het vuur, en bespeurde een leemte in de omgeving. De leemte was Rinzwindvormig.
'Hij is weg!'
Inderdaad was Rinzwind al haast een kilometer buitengaats boven het donkere zeewater, als een boze boeddha gezeten op het tapijt, zijn geest een razende soep van vernedering en woede, waarin een toefje verontwaardiging.
Nooit van zijn leven had hij veel gewild. Hij was de tovenarij trouw gebleven ook al bracht hij er niets van terecht, hij had altijd zijn best gedaan, en nu zwoer de hele wereld tegen hem samen. Nou, hij zou ze eens wat laten zien. Wie die “ze” precies waren en wat hij ze ging laten zien zag hij later wel.
Hij reikte omhoog en voelde ter geruststelling aan zijn hoed, net toen de laatste pailletjes door de vliegwind werden meegesleurd.