Hoofdstuk 4

 

Daar kwam ik pas achter toen Tony over de toog leunde en zei: “Je hebt een pint Ex te goed als je deze op hebt.”

“Van wie dan?” vroeg ik.

Hij trok zijn wenkbrauwen op en hield zijn hoofd een beetje scheef, zodat ik langs hem heen kon kijken. Voorbij de toog in de bovenbar zag ik meneer Parker in gesprek met de waard en een paar buurtbewoners. Toen hij me zag gaf hij me glimlachend een knikje.

“Complimenten van je baas,” zei Tony.

“Uh…hij is mijn baas eigenlijk niet,” zei ik. “Ik heb alleen een paar klusjes voor hem opgeknapt, dat is alles.”

Tony grijnsde. “Als jij het zegt.”

Ik was niet de enige die profiteerde van meneer Parkers gulheid. Ook Bryan Webb had klaarblijkelijk een gratis biertje te goed. De man op de barkruk kreeg er ook een, hoewel hij niets te maken had gehad met het terugkrijgen van de roeiboten. De laatste paar dagen was ik erachter gekomen dat hij Kenneth heette, en dat hij een soort monteur was. Dat maakte ik op uit de vele gesprekken die hij voerde over automotoren. Hij werd voortdurend bestookt met vragen over carburateurs, bougies en antivries, die hij altijd afdeed met: “Breng hem maar langs, dan zal ik er wel ‘s naar kijken.”

Kort nadat zijn glas was vol getapt, verkaste Kenneth naar de bovenbar, met de mededeling dat hij “iets met Tommy te bespreken had.”

In de loop van de avond keek ik bij tijd en wijle naar waar meneer Parker audiëntie hield en werd getroffen door het grote belang dat er aan zijn aanwezigheid leek te worden gehecht. Aan de lopende band kwamen er mensen naar hem toe om met hem te praten, om vervolgens terug te keren met een uitdrukking op hun gezicht alsof hij hun grootste wens in vervulling had gebracht. Na ongeveer een halfuurtje leek het moment aangebroken om hem op mijn beurt een drankje aan te bieden, dus vroeg ik Tony of hij hem zou willen vragen wat hij wilde drinken.

“Een lichte ale, als dat geen bezwaar is,” luidde het antwoord.

Dat leek me heel redelijk en ik betaalde met genoegen voor zijn drankje. Maar ik keek vreemd op toen Tony terugkeerde met een boodschap van meneer Parker.

“Hij vraagt of je die pond bij je hebt die hij nog van je te goed heef t?”

“Uh…o, ja,” zei ik. “Dat was me even helemaal ontschoten.”

Ik overhandigde hem het geld en Tony bracht het naar de bovenbar. Dat had een heel pijnlijk voorval kunnen zijn, ware het niet dat de meeste aanwezigen alleen maar oog hadden voor het dartsspel en niemand er aandacht aan besteedde. Ik besloot me er verder niet druk over te maken en liep naar het schoolbord om mijn naam erop te zetten.

Even later kondigde Tony aan dat het laatste restje Topham’s Excelsior Bitter was geconsumeerd en dat er alleen nog bier uit vaatjes en flesjes te krijgen waren. Ik tuurde in mijn lege glas en overwoog dat het maar goed was dat ik over een paar dagen vertrok.

Toen ik na sluitingstijd terugliep naar het kampeerterrein hoorde ik van verre, van de overkant van het meer opnieuw dat deuntje. Ja, het was beslist ‘Als hier een pot met bonen staat’. Een ogenblik later ving ik in de verte een glimp op van het voertuig met zijn vaag glinsterende lichten. Het reed ergens in de buurt van Bryan Webbs huis over de weg.

De volgende ochtend trof ik meneer Parker in de grote loods, omringd door een regen van blauwe vonken. Die gingen vergezeld van een scherp knetterend geluid. Ik keek, mijn ogen afschermend, een tijdje toe tot de vonkenregen was afgenomen. Toen zag ik dat hij bezig was een takelinstallatie aan de voorkant van zijn aanhangwagen te lassen. Het leek alsof hij in de loods enige orde op zaken had gebracht. De boot die we de dag tevoren hadden verplaatst stond nu vlakbij op een paar houtblokken en daaromheen was een flinke ruimte vrijgemaakt. Toen hij me daar zag staan liet hij zijn laskap zakken.

“Goedemorgen,” zei hij. “Ik dacht, ik doe dit meteen maar even, nu ik toch de tijd heb.”

“Zo te zien zou die wel eens goed van pas kunnen komen,” merkte ik op.

“Ja, een takel kan heel handig zijn. Ik ben bijna klaar. Wil je me even een nieuwe stang aangeven, alsjeblieft?”

Ik stond te kijken hoe hij zijn werk voltooide en vervolgens de lasapparatuur wegzette.

“Zo, nu eens even kijken of het werkt.”

Er was een lange kabel rond de haspel gewonden met aan één uiteinde een haak. Meneer Parker gaf me de haak en liet me daarmee door de loods lopen tot op een afstand van een meter of tien. Toen haalde hij de hendel over en spoelde me terug tot de haak tegen de takelkast aan hing.

“Dat lijkt prima te functioneren,” zei hij. “Zo, ben je klaar om te leren hoe je deze zaag moet bedienen?”

“Zo klaar als ik maar zijn kan,” antwoordde ik.

“Mooi zo. Dan haal ik de tractor zodat we hem erop kunnen bevestigen.”

De cirkelzaag hing nog steeds aan de lier waar we hem hadden achtergelaten. Meneer Parker klom op de tractor, startte de motor en bracht hem in stelling. Ik zag dat er een aantal bevestigingspunten op de zaagmachine zaten die waarschijnlijk correspondeerden met andere punten aan de achterkant van de tractor, maar helaas wist ik niet wat waar hoorde. Het gevolg daarvan was dat meneer Parker het monteren grotendeels zelf moest doen, wat inhield dat hij diverse malen de tractor op en weer af moest. Tijdens die verrichtingen had ik een paar keer de indruk dat hij op het punt stond zijn geduld te verliezen. Bij het geven van instructies sloeg zijn stem van frustratie over en dat leek te wijzen op een naderende crisis. Het probleem was dat ik geen enkele ervaring had met dergelijke apparatuur en geen flauw idee had hoe ik ermee moest omgaan. Meneer Parker daarentegen was duidelijk zeer bedreven in zulke zaken, en zag niet in waarom het mij ook maar enige moeite zou kosten. Toen hij me vroeg de takel iets te laten zakken, presteerde ik het zelfs om hem de verkeerde kant op te bewegen zodat hij omhoog in plaats van omlaag ging, waardoor zijn ergernis nog werd vergroot.

Maar na tien minuten hadden we de zaag naar behoren op de tractor bevestigd en kalmeerde hij weer. Toen liep hij met een oliespuit het apparaat na en oliede alle contactpunten. Ten slotte wendde hij zich tot mij.

“Ik hoef je natuurlijk niet te vertellen dat dit een levensgevaarlijk stuk gereedschap is,” zei hij. “Daarom lijkt het me beter als we beginnen met een kleine demonstratie.”

Hij gebaarde me opzij te gaan en liep naar de tractor toe. Ik hoorde een metaalachtige bonk toen hij het aandrijf mechanisme in werking stelde en het enorme zaagblad begon onmiddellijk te draaien. Na de snelheid te hebben geregeld pakte hij een plank van de nabije stapel. Zijn voeten zorgvuldig in stelling brengend, voerde hij de plank langs het zaagblad en sneed hem in tweeën. Na dat een paar keer te hebben herhaald, deed hij een stap terug en liet mij het proberen. Toen liet hij me zien hoe ik een plank precies op maat kon zagen door de zaagmachine op een bepaalde manier af te stellen. Hij drukte me voortdurend op het hart ver uit de buurt van het zaagblad te blijven omdat, zoals hij zelf naar voren bracht, de veiligheidskap ontbrak.

“Die moet ergens in het verleden zoek zijn geraakt,” was zijn enige uitleg.

Hij schakelde de motor uit en het zaagblad vertraagde en kwam tot stilstand. Toen begonnen we samen planken op de aanhangwagen te laden, tot er voldoende waren om alle oude planken van de steiger te vervangen.

“Wel eens eerder een tractor bestuurd?” vroeg hij.

“Nee,” antwoordde ik. Dat had ik niet. Dus volgde er een korte les in het besturen van een tractor. Eindelijk waren we gereed om te vertrekken. Ik reed langzaam naar het meer en meneer Parker volgde in zijn pick–up met de aanhangwagen erachter. Toen we bij de steiger aankwamen haalde hij een aantal gereedschappen uit zijn cabine. Het waren onder andere een hamer, een kleine koevoet en een handzaag. Er was ook een doos spijkers bij.

“Zo,” zei hij. “Ik help je even op weg en daarna mag je het verder helemaal zelf uitzoeken.”

Hij pakte de koevoet en ramde die onder de eerste plank van de steiger en gaf er een bekwame ruk aan. Er klonk een krakend geluid en de plank kwam een stukje omhoog. Hij deed hetzelfde aan de andere kant van de plank. Een ogenblik later was de plank los en wierp hij die opzij voor hij aan de volgende begon. Toen hij er nog een stuk of drie, vier had verwijderd, draaide hij zich naar me om en zei: “Nou, dat is zo gepiept. Ik geloof dat ik het verder wel aan jou over kan laten. Je past toch wel op met die zaagmachine, hè?”

“Ik zal mijn best doen,” antwoordde ik grijnzend. “Anders ben ik de enige die het zal bezuren.”

Hij glimlachte zuinig en gaf me een knikje waarna hij in zijn truck stapte en wegreed. Toen pakte ik de koevoet en begon met het lostrekken van de volgende plank. Ik merkte al meteen dat het karwei lang niet zo eenvoudig was als meneer Parker had doen voorkomen. Het kostte me een aantal pogingen om de koevoet in de juiste positie te krijgen en zelfs toen gaf de plank zich niet gemakkelijk gewonnen. Toen ik hem eindelijk los had lag hij in stukken. Ik realiseerde me opnieuw dat meneer Parker veel sterker was dan ik, ook al was hij dan twintig jaar ouder. Hij had waarschijnlijk zijn hele leven hier zwaar lichamelijk werk verricht en dat was te merken. Gereedschappen en materialen leken zich naar zijn hand te zetten, terwijl ik er op de een of andere manier altijd mee worstelde. Toch had ik zo’n gevoel dat de klus eenvoudiger zou worden als ik er eenmaal wat handigheid in kreeg, dus zwoegde ik voort. Een uur later had ik een stuk of twaalf planken met succes los weten te krijgen. Degene die ze had bevestigd, had goed zijn best gedaan en heel wat spijkers waren bijzonder hardnekkig ook al waren ze erg roestig. Maar daardoor liet ik me niet op mijn kop zitten. Ik besloot dat het nu tijd was om wat nieuwe planken op maat te zagen. Ik startte de tractor, liep er een paar keer omheen om me ervan te verzekeren dat alles in orde was, en schakelde toen de aandrijving in. Toen het zaagblad begon te draaien, pakte ik een plank van de stapel en tekende, met een van de oude planken als meetlat, de juiste lengte en breedte af. Toen begon ik te zagen. Tot mijn verbazing was het eerste stuk hout dat ik zaagde precies op maat. Daar was ik zo vergenoegd over dat ik onmiddellijk de zaag stopzette en meteen naar de steiger liep om hem erop te spijkeren. Opeens zag ik voor me hoe die eruit zou zien als de klus geklaard was. Ik restaureerde een steiger aan de oever van een meer en besefte dat ik op die manier mijn stempel op de omgeving drukte. Als ik hier ooit zou terugkeren zou ik naar de waterkant gaan en mijn werk inspecteren om te zien hoe het zich hield onder invloed van de elementen. Misschien zou ik iemand de steiger aanwijzen en zeggen: “Die heb ik gebouwd.”

Of in ieder geval opgeknapt.

De rest van de ochtend was ik bezig met het op maat zagen van planken en die op hun plaats bevestigen, voor ik er weer een stel oude planken afsloopte. Naarmate de uren verstreken werd me duidelijk dat dit geen karweitje was dat ik in één dag kon klaren, maar dat leek me niet meer zo belangrijk omdat ik er veel plezier aan beleefde. Ik had geen flauw idee hoeveel meneer Parker me voor dit werk wilde betalen, want daar hadden we het nog niet over gehad, maar waarschijnlijk zou hij de hoogte van het bedrag laten afhangen van de tijd die het me had gekost om het te voltooien. Maar dat zou ik vanzelf wel merken. Intussen had ik honger gekregen en dus liep ik naar de caravan en maakte iets te eten klaar. Van meneer Parker of zijn pick–up was geen spoor te bekennen, dus veronderstelde ik dat hij ergens heen was voor zaken. Nu hij afwezig was leek het heel erg stil op het erf. Even kwam ik in de verleiding om een kijkje te nemen in de grote loods om te zien wat daar nog meer opgeslagen lag, maar daar zag ik van af uit angst dat hij plotseling terug zou komen. In plaats daarvan sjokte ik terug naar het meer en ging door met mijn werk.

Toen ik een uur later druk doende was met het zagen van nog wat meer planken, drong het opeens tot me door dat ik een toeschouwer had. Ik had me net omgedraaid om een nieuwe plank van de stapel te pakken toen ik een oudere man in de gaten kreeg die aan de bosrand stond en me gadesloeg. Maar hij gaf geen blijk van herkenning dus ging ik door met mijn werkzaamheden. Het gezamenlijke kabaal van de tractor en de cirkelzaag isoleerde me enigszins van de rest van de wereld en bovendien hield ik het zaagblad voortdurend in het oog. Met het gevolg dat ik geen flauw idee had hoe lang hij daar al stond. Waarschijnlijk was hij bij toeval op mij gestuit toen hij een wandelingetje langs het meer maakte. Ik verwachtte dat hij ieder moment zijn weg zou vervolgen, maar toen ik opnieuw naar de bosrand keek zag ik dat hij een stukje dichterbij was gekomen. Na een poosje was hij zo dichtbij dat ik hem vriendelijk kon toeknikken. Hij reageerde door me de volgende plank aan te geven en die vast te houden toen ik de maat nam. Terwijl ik bezig was die te zagen, pakte hij de meetlat en tekende vast de volgende plank af. En toen nog een. Dat spaarde me heel wat tijd uit, en luttele minuten later had ik al een aantal planken op maat klaarliggen. Ik schakelde de zaagmachine uit, zette de tractormotor uit en wendde me, toen het lawaai verstomde, tot de oude man.

“Dank u,” zei ik. “U hebt me reuze geholpen.”

“Hoog tijd dat dit eens gebeurde,” antwoordde hij.

“Ja,” beaamde ik. “Het zou niet verantwoord zijn geweest om het nog lang zo te laten.”

“Die andere kerel had het eigenlijk moeten doen toen hij hier was.”

“Welke andere kerel?”

“Die kerel die hielp met de boten.”

“O,” zei ik. “Bryan Webb, bedoelt u.”

“Die mafkees met die kartonnen kroon op zijn kop?”

“Uh…ja.”

“Nee,” zei de oude man. “Die bedoel ik niet.”

“Nou,” antwoordde ik. “Dan zou ik het echt niet weten.”

Hij schudde ongeduldig zijn hoofd. “Er was hier gedurende de zomermaanden een kerel die met het onderhoud van de boten was belast. Een luie nietsnut, was ‘t.”

“Echt waar?”

“Voerde geen klap uit.”

“O,” zei ik. “Ik wist niet dat daar iemand voor was.”

“Zodra er echt iets gedaan moest worden nam hij de kuierlatten. Het laatste wat hij heeft gedaan was de keet schilderen, en je ziet zelf wel wat een knoeiboel hij ervan heeft gemaakt.”

Ik keek in de richting van de keet en herinnerde me de problemen die we een paar dagen geleden hadden gehad toen we het luik wilden openen.

“Ja,” merkte ik op. “Het is me opgevallen dat het schilderwerk een beetje aan de slordige kant was.”

“Een beetje aan de slordige kant?” zei de man vinnig. “Ze moesten die gozer verbieden ooit nog een kwast aan te raken!”

“Ja, daar hebt u misschien wel gelijk in.”

“Zo te zien zou jij het er veel beter afbrengen.”

“Dank u.”

“Wel jammer dat je al die groene verf op Parkers oprit hebt gemorst.”

“O…uh…ja.”

“Maar je bent in ieder geval zo verstandig geweest om er een vierkant van te maken.” Toen bestudeerde hij de stapel planken. “Eersteklas hout, weet je.”

“Eerlijk gezegd heb ik daar geen verstand van.”

“Nou, neem het maar rustig van me aan,” zei hij. “Puik materiaal.”

Korte tijd later ging ik door met mijn werk aan de steiger. De oude man leek wel iets van timmeren af te weten en bleef nog een tijdje om te helpen, planken op hun plaats te leggen en er hier en daar een paar extra spijkers in te slaan. Maar toen de middag vorderde begon hij tekenen van vermoeidheid te vertonen en uiteindelijk kuierde hij weg, na me te hebben gezegd dat ik ‘redelijk’ werk afleverde. Ik bedankte hem voor zijn hulp en nam afscheid en daarna verdween hij tussen de bomen. Vervolgens zette ik me weer aan het werk.

Toen meneer Parker in zijn pick–up arriveerde begon het al te schemeren. Hij stapte uit en liep naar de steiger, waar hij met zijn laarzen op de planken stampte en een gedegen inspectie uitvoerde. Intussen keek ik toe en wachtte op zijn vonnis.

“Ik dacht dat je wel wat verder zou zijn gevorderd dan dit,” zei hij na verloop van tijd.

“Ik denk dat ik het morgen wel af krijg,” antwoordde ik.

“Dan is het goed. Wil je de tractor voor vannacht in de loods zetten, alsjeblieft?”

“Oké.”

Hij liep naar de pick–up, pakte de oliespuit en liep nog één keer om het apparaat heen om alle bewegende delen te oliën. Toen hij klaar was startte ik de tractor en vertrok in de richting van de loods. Tegen de tijd dat ik terug was bij de caravan was het al aardig donker en kon ik terugkijken op een arbeidzaam dagje. Ik dronk een kop thee, ging toen naar het huis om te zien of ik wat heet water kon krijgen en nam Gail Parkers voltooide huiswerk mee. Zij was het die de deur opende.

“Ah, daar ben je,” zei ik. “Als het goed is zitten er nu geen fouten meer in.”

“Bedankt,” zei ze glimlachend en ze legde het schrift terzijde zonder er zelfs maar een blik in te werpen.

“Zou ik misschien een beetje heet water kunnen krijgen, om me mee te wassen?”

“Dan kun je uit het ketelhuis halen,” antwoordde ze. “Een ogenblikje.”

Ze pakte een sleutel van een haakje en ging me langs de onderkant van het huis voor nrfar een andere buitendeur. Ze opende hem, ging naar binnen en deed het licht aan.

“Je zult het hier wel behoorlijk heet vinden,” merkte ze op toen ik achter haar aan liep.

In het schaarse licht zag ik midden in de ruimte een enorme verwarmingsketel onder een zwarte aluminium schoorsteenpijp. Er liep een aantal waterbuizen naar het plafond en op een daarvan was een kraan aangebracht.

“Heb je een emmer?” vroeg Gail.

“O,” zei ik. “Uh…nee.”

“Daar staat er een.”

Ik draaide me om, zag in de hoek een emmer staan en liep ernaartoe om hem te pakken. Op hetzelfde ogenblik wrong Gail zich langs me om hetzelfde te doen.

“Sorry,” zei ik, toen we tegen elkaar aan botsten.

“Geeft niet,” zei ze, terwijl ze me hem met een glimlach aanreikte. “Wil je hierna nog meer?”

“Nog meer wat?”

“Heet water.”

“Dat lijkt me wel fijn, ja,” antwoordde ik.

“Goed, dan zal ik kijken of ik een reservesleutel kan opduikelen.”

“Bedankt.”

Ze liet mij de emmer vullen en liep de deur uit. Ik dacht dat ze gelijk weer terug zou komen dus wachtte ik een poosje, maar na tien minuten was er nog steeds geen spoor van haar. Uiteindelijk gaf ik het op en keerde terug naar de caravan, waar het een luxe was me eindelijk na zoveel dagen weer eens met warm water te kunnen wassen en scheren. Tijdens mijn maaltijd bladerde ik de Trader’s Gazette door en daarna ging ik uit.

Gedurende de dag had ik besloten dat het misschien wel een aardig idee zou zijn om voor ik uit deze omgeving vertrok, puur voor de verandering, de andere kroeg van Millfold een bezoekje te brengen. Ik was daar nooit eerder geweest omdat het er minder levendig uitzag dan The Packhorse en die tent een bezadigder publiek leek te trekken. Niettemin leek het me de moeite waard om er eens een kijkje te nemen. Hij heette The Ring of Bells en lag aan de overkant van het plein, naast de winkel van Hodge.

Het verbaasde me niet dat Hodge zich onder de weinige gasten bevond. Hij gaf geen blijk van herkenning toen ik binnenkwam, en fluisterde de waard iets in het oor voor hij me met een knikje begroette. Hij zat aan het einde van de toog met een glas whisky. Een andere man zat op enige afstand op een kruk en aan een tafeltje bij het raam zaten nog twee mensen, maar afgezien daarvan was er niemand. Maar de waard maakte best een vriendelijke indruk en pakte zodra hij me in de gaten kreeg een glas van de plank.

“Pintje wat?” vroeg hij.

“Hebt u Topham’s Excelsior?”

“Ik vrees van niet,” zei hij. “Daar is hier te weinig vraag naar.”

“O, nou ja,” zei ik. “Pilsje dan maar, alstublieft.”

“Komt eraan.”

Terwijl de waard mijn biertje tapte, besloot Hodge een gesprek met me te beginnen.

“Op de motor vanavond?” vroeg hij.

“Nee,” antwoordde ik. “Ik loop liever.”

“Je maakt er niet vaak gebruik van, hè?”

“Niet voor korte ritjes, nee.”

“Ik heb je al een aantal dagen nergens gezien.”

“Nee, ach, ik had het nogal druk.”

“Maar ik dacht dat je op vakantie was.”

“Ja, dat is zo,” zei ik. “Dat ben ik ook.”

Om de waarheid te zeggen vond ik die Hodge een knap irritante kerel en ik begon spijt te krijgen van mijn komst naar The Ring of Bells. Wat de sfeer betreft was het in feite een kroeg van niks. Er was geen dartbord, geen rare snijboon met een kartonnen kroon op zijn kop en geen subtiel onderscheid tussen een boven- en een benedenbar. Er waren alleen maar die paar mensen die van hun whisky zaten te nippen en melige vragen stelden. Oké, The Packhorse was niet bepaald het centrum van het universum, maar het was er in ieder geval een flink stuk vermakelijker dan in The Ring of Bells. Ik vroeg me een saaie avond lang af hoe het zou zijn om hier te leven als dit de enige kroeg zou zijn en nam me plechtig voor hier niet nog eens te komen.

Ik was de volgende ochtend heel vroeg aan de oever van het meer, vastbesloten de steiger die dag te voltooien. Toen ik op de tractor wegreed, zag ik meneer Parker voor zijn keukenraam staan, maar hij kwam niet naar buiten. In feite sprak ik hem pas laat die middag weer. Intussen ging ik verder met de reparatiewerkzaamheden. Ik was inmiddels aardig bedreven in het loshalen van de oude planken en ging ook veel zelfverzekerder met de zaagmachine om. Ergens in de middag kwam de oude man weer opdagen, en al snel was hij me weer aan het helpen. Ik wist niet of hij speciaal daarom was teruggekomen of dat hij toevallig langskwam, maar hoe het ook zij, dankzij hem schoot het werk een stuk sneller op. Tegelijkertijd was er geen sprake van dat ik hem voor zijn inspanningen zou moeten belonen. Voorzover ik kon nagaan hielp hij, net zoals ik, omdat hij niets beters te doen had. Voor het donker werd hadden we het karwei geklaard, en opnieuw vertrok hij zonder afscheid te nemen. Ik borg de gereedschappen op en raapte de overgebleven planken bijeen om die mee terug te nemen naar het erf. Ten slotte was alles af en liep ik naar het puntje van de steiger en staarde uit over het meer.

Gedurende de dag had ik een weersomslag geconstateerd. Het leek alsof het voorgoed gedaan was met het zonnige weer en er stak een zacht briesje op. Het water zag er grijzig uit en een aangenaam boottochtje in de middag leek er niet meer in te zitten. De lucht was ook grijs en de heuvels leken zich dichtbij dreigend af te tekenen. Ik bedacht me dat dit het geëigende moment was om weer eens op te stappen. Na een tijdje hoorde ik een voertuig naderen en toen ik omkeek zag ik de truck van meneer Parker het strandje op rijden. In de laadbak lag een aantal lege olievaten. Hij liep naar me toe en kwam naast me op de steiger staan.

“Zei je niet dat je morgen vertrok?” vroeg hij.

“Ja,” antwoordde ik. “Dat is in ieder geval de bedoeling.”

“Nou, dan moet je vroeg zijn,” zei hij. “Er is regen op komst.”

“Ja, ik vond al dat het er een beetje somber uitzag.”

“De weerman zegt dat de isobaren dichter bij elkaar komen.”

“Echt waar?”

“De luchtdruk is 978 millibar en zakt snel.”

“O,” zei ik. “Juist.”

Meneer Parker had naar de overkant van het meer staan staren maar draaide zich nu naar mij toe.

“Je hebt het hier nog niet zien regenen, hè?”

“Een paar dagen geleden is er een buitje gevallen, ja.”

“Dat stelde niks voor,” zei hij. “Zolang je hier nog geen echte stortbui hebt meegemaakt weet je niet wat regen is.”

“Nee, dat zal dan wel niet.”

“Dan komt het water met bakken uit de hemel.”

“Dat wil ik best geloven.”

“Ik zou dus maar vroeg vertrekken als ik jou was.”

“Oké.”

En daarmee keerde hij terug naar de truck. We legden de overgebleven planken tussen de olievaten en toen reed hij weg, gevolgd door mij op de tractor.

Het verontrustte me enigszins dat hij met geen woord had gerept over het bedrag dat hij me zou uitbetalen, maar ik bedacht dat daar geen bijzondere haast mee was gezien het feit dat ik toch pas de volgende dag zou vertrekken.

Teleurstellender was het feit dat hij met geen woord repte over de kwaliteit van mijn werk. Het zat me niet bovenmatig dwars, maar het zou toch prettig zijn geweest als hij er toch tenminste iets over had gezegd. Al had hij maar opgemerkt dat ik alle planken recht had afgezaagd.

Toen realiseerde ik me dat het hem waarschijnlijk weinig kon schelen, dat voor hem alleen telde dat de klus geklaard was en hij zich daar niet meer om hoefde te bekommeren. Het kwam eenvoudig niet bij hem op om iemand een complimentje te geven voor wat eenvoudig timmerwerk.

Maar nadat we het gereedschap in de loods hadden opgeborgen, bleef hij bij de deur stilstaan.

“Ik bedacht me nog,” zei hij, “dat ik je waarschijnlijk wel iets schuldig ben voor het werk dat je voor me hebt verricht.”

“Uh…ach, dat is niet echt nodig,” antwoordde ik.

“Natuurlijk wel,” verklaarde hij. “Het was heel nalatig van ons dat we daar van tevoren geen duidelijke afspraken over hebben gemaakt.”

“Dat is misschien wel zo.”

“Dus vergeet niet dat ik je nog iets geef voordat je vertrekt.”

“Best.”

Hij wees op de groene benzinepomp naast de loods.

“Wat zou je ervan zeggen als ik je een volle tank gaf?”

“O…oké,” zei ik. “Als u dat zou willen.”

“Natuurlijk wel,” zei hij. “Dat is wel het minste wat ik kan doen.”

Ik liep naar de andere kant, pakte mijn motorfiets en hij vulde de tank met twaalf liter benzine.

“Bedankt,” zei ik.

“Graag gedaan,” antwoordde hij. “Je hebt het toch wel naar je zin gehad in de caravan, naar ik hoop?”

“O,” zei ik snel. “Ja, dat was heel vriendelijk van u.”

“Mooi zo.”

Hij sloot de pomp af en keerde zich toen naar me om.

“Nou dan. Ik weet niet of ik je morgen bij je vertrek nog zie, dus wens ik je nu vast een goede reis en ik hoop dat je ooit nog eens terugkomt als je kunt.”

We gaven elkaar een hand en hij liep dwars over het erf in de richting van zijn huis waar, zo zag ik, de lichten voor de avond inmiddels al waren ontstoken. Dat maakte dat het er heel knus en gezellig uitzag en de rest van het terrein daarmee vergeleken een nogal deprimerende indruk maakte. Toen ik naar mijn caravan liep, merkte ik dat het steeds harder begon te waaien. Ergens in het toenemende duister hoorde ik een onregelmatig geklingel dat erop zou kunnen duiden dat een van de golfplaten op de grote loods was losgeraakt. Het volgende uur ging ik een aantal malen naar buiten om de exacte oorzaak van het kabaal op te sporen, maar het was al snel te donker om iets te kunnen zien. Ik besloot dat er bovendien waarschijnlijk toch weinig aan te doen was. Meneer Parker was ongetwijfeld van het probleem op de hoogte en zou het wel repareren zodra hem dat uitkwam. Intussen maakte ik iets te eten klaar. Daarna was ik van plan mijn spullen in te pakken en uit te zoeken wat ik voor de reis de volgende dag nodig had. Eén ding was van het grootste belang. Ergens onder in mijn tas bevond zich een regenpak en ik was maar wat blij dat ik eraan had gedacht dat mee te nemen.

Nu buiten de donkere wolken zich samenpakten, was het vreemd dat het nog helemaal zomer had geleken toen ik hier voor het eerst aankwam. Dat leek nu heel lang geleden, maar in feite was het minder dan twee weken. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn om hier een hele winter door te brengen toen er op de deur van de caravan werd geklopt. Het was Gail.

“Ik kom je de reservesleutel van het ketelhuis brengen,” zei ze.

“O, bedankt,” antwoordde ik. “Uh…je weet toch dat ik morgen wegga, hè?”

“Ja, maar ik dacht dat je vanavond misschien nog wel wat heet water zou kunnen gebruiken.”

“O, juist. Nou, nogmaals bedankt.”

Ze bleef in de deuropening staan.

“Is er verder nog iets?” vroeg ik.

“Ja,” zei ze. “Ik moet een opstel schrijven voor school en ik weet niet hoe dat moet.”

Precies op dat moment kreeg de wind vat op de deur en smakte die tegen de buitenkant van de caravan.

“Kom even binnen,” zei ik. “Het wordt koud buiten.”

Ze stapte naar binnen, greep achter zich en deed de deur dicht.

“Waar gaat dat opstel over?”

“Het gaat over: ‘Waar ik woon’.”

“Is dat de titel?”

“Ja.”

“Het is dus eigenlijk een beschrijving.”

“Ja.”

“Nou,” zei ik. “Dat kan dan toch niet moeilijk zijn, zou ik zeggen.”

“Hoezo?”

“Omdat je in een heel interessante omgeving woont, vind je niet? Met de heuvels en de schapen en zo. En het meer.”

“Wat is daar nou zo interessant aan?”

“Ach, misschien ook eigenlijk niets. Maar het moet gemakkelijk genoeg zijn om te beschrijven.”

“Wat zou jij er dan over schrijven?”

Terwijl we stonden te praten, zag ik dat ze een kladschrift in haar hand had. Ze sloeg het open en stond klaar met een potlood in de aanslag.

“Wil je dan dat ik een paar suggesties doe?”

“Graag,” zei ze.

“Goed dan, je zou kunnen beginnen met: ‘Ik woon op een plek…’ Nee, wacht even. “De plaats waar ik woon is…’ Uh, misschien zou het beter zijn als je ging zitten.”

“Mij best.”

“Weet je wat, ga jij daar zitten, dan ga ik hier staan.”

“Oké.”

Voor ik verderging, nam zij plaats op het opklapbed en stelde ik me tegenover haar op.

“Oké, klaar?”

“Ja.”

’De plek waar ik woon is anders dan veel andere plekken.”’

Ik wachtte even terwijl ze het opschreef.

“Nee, wacht even. Verander dat in: ’verschilt van veel andere plekken.”’

Ze trok een pruilmondje. “Kun jij het niet gewoon opschrijven? Dan schrijf ik het later wel in het net over.”

“Wat? Wil je dat ik het hele opstel in mijn eentje maak?”

“Ja,” zei ze. “Jij brengt het er vast beter af dan ik.”

“Weet je, ik was eigenlijk van plan om vanavond uit te gaan.”

Ze glimlachte. “Het zal je niet veel tijd kosten.”

“Nee, daar heb je misschien wel gelijk in,” zei ik. “Maar misschien heb je moeite met het ontcijferen van mijn handschrift.”

“Daar kom ik wel uit, denk ik.”

Ik dacht een ogenblik na. “Goed dan, ik maak een kladversie en dan mag jij die in het net uitwerken.”

“Bedankt.”

“Ik zal het hier op de plank leggen.”

“Best.” Ze stond op van het bed, liep naar de deur en glimlachte opnieuw naar me. “Nogmaals bedankt.”

“Uh, wanneer zei je ook weer dat je zestien werd?” vroeg ik.

“Met Pasen.”

“O, nou ja, bij voorbaat gefeliciteerd dan maar.”

“Bedankt, doei.”

En ze verdween in de nacht.

Ik was drie kwartier bezig met het schrijven van het opstel, maar ik had het waarschijnlijk in tien minuten af kunnen hebben als ik had gewild. Eigenlijk was het een eitje, net zo simpel als een schilderijtje inkleuren op nummer. Ik beschreef gewoon de kastanjebruine boten die stilletjes vlak bij de beboste oever van het meer lagen te dobberen en de heuvels die zich in de sombere herf stgloed uitstrekten. Aan het einde vermeldde ik ook nog iets over een overvol maantje dat oprees tegen een decor van sterren, wat ik zelf heel aardig vond klinken. Daarna haalde ik een emmer heet water, waste me en ging uit. Ik wilde die avond niet te veel drinken, dus besloot ik voor de verandering op de motor te gaan. In Millfold aangekomen, parkeerde ik hem op het plein en ging door de voordeur The Packhorse binnen. Toen ik door de bovenbar liep, zag ik dat het heel stil was, maar dat tekort werd goedgemaakt in de onderbar die, hoewel ik maar weinig bekende gezichten zag, afgeladen vol leek. Het moment dat ik binnenkwam werd ik welkom geheten door Gordon die achter de toog stond.

“Blij dat je bent gekomen,” zei hij. “We spelen vanavond een dartswedstrijd tegen The Journeyman, en we komen een mannetje tekort. Wil jij ons uit de brand helpen?”

“Ach,” antwoordde ik. “Ik heb weinig wedstrijdervaring.”

“Dat geeft niet. Het gaat erom dat we met evenveel zijn.” Ik keek om me heen in de drukke kroeg. “Is er niemand anders die wil spelen?”

“Die komen allemaal uit The Journeyman,” zei Gordon. “Nou ja, ik ben ook geen autochtoon,” zei ik. “Maak je daar maar geen zorgen over. Je bent hier vaak genoeg binnen geweest om mee te mogen doen.”

“O, nou ja, goed dan. Waar is The Journeyman eigenlijk?”

“In Wainskill, ongeveer vijftien kilometer verderop.” Op deze onverwachte manier was ik overgehaald om mee te doen aan een dartswedstrijd uit de officiële kroegencompetitie. Ik keek niet vreemd op toen ik merkte dat Bryan Webb de aanvoerder van het Packhorse-team was.

Tony zou eigenlijk de tweede man moeten zijn, maar omdat zijn vader voor het een of ander was weggeroepen, was hij gedwongen achter de toog te blijven en Gordon te helpen. Dat was de reden dat ze mijn hulp inriepen. Bryan heette me gauw welkom aan zijn kant van de bar en stelde me voor aan de overige teamleden, onder wie ook Kenneth, de monteur. Het geval wilde dat ze toch allemaal al wisten wie ik was en met me praatten alsof ze me al jaren kenden.

Het was een leuke avond. De spelers en supporters van The Journeyman waren met genoeg man komen opdraven om de wedstrijd een echte sfeer van rivaliteit te geven, en tot mijn verbazing won ik twee van mijn partijtjes. Het viel me ook op dat er aardig wat vrouwen aanwezig waren, onder wie ook de vrouw die ik bij eerdere gelegenheid met Gordon en Tony had zien praten. Na een poosje kwam ik tot de conclusie dat zij een soort meespelende coach van het Journeyman-team was en dat zij een paar avonden geleden langs was gekomen om voorbereidingen te treffen voor de krachtmeting. Het duurde niet lang voor ik erachter was dat ze Lesley heette.

“Jammer dat we geen Ex voor je hebben,” merkte Gordon op toen ik naar de toog liep om mijn tweede pintje pils te pakken.

“Dat is eigenlijk maar goed ook,” zei ik. “Anders zou ik hier misschien nooit weggaan.”

“O ja,” zei hij. “Da’s waar, je vertrekt morgen, hè?”

“Dat is de bedoeling.”

“Nou, ik zou zo vroeg mogelijk zien weg te komen. Er is regen op komst.”

Het steeds slechter wordende weer buiten The Packhorse was niet iets waar je op een avond als deze lang bij stil bleef staan. Zoals gewoonlijk werd er door iedereen stevig ingenomen en ik begon spijt te krijgen dat ik op de motor was gekomen omdat dat inhield dat ik na dit glas niets meer kon drinken. Naarmate de dartswedstrijd vorderde, merkte ik dat Lesley ruime aandacht aan me besteedde. In welk deel van de kroeg ik me ook bevond, het duurde nooit lang voor zij ook weer in de buurt stond. Ik ben een paar keer ergens anders gaan staan om te zien wat er zou gebeuren, en elke keer deed zij hetzelfde, hoewel niet zo opvallend dat anderen het in de gaten kregen. Toen de thuisclub uiteindelijk de overwinning behaalde en alle spelers rondliepen om elkaar de hand te schudden, kwam ze naar me toe.

“Goed gespeeld,” zei ze. “Mag ik je iets te drinken aanbieden?”

“Uh…nee dank je,” antwoordde ik, “ik ben al aan mijn limiet. Maar evengoed bedankt.”

Ze glimlachte. “Misschien een andere keer.”

“Dat zit er niet in. Ik vertrek morgen.”

“Ga je naar een interessante omgeving?”

“Ja, naar India.”

“Echt waar?” Haar ogen glinsterden.

“Ja, ik overweeg over land te gaan. Je weet wel, Turkije, Perzië, die route.”

“Dat klinkt geweldig.”

“Heb je zelf veel gereisd?”

“Nog niet,” zei ze. “Ik wacht mijn kans nog af.”

“O, juist.”

“Weet je zeker dat je niets wilt drinken?”

“Ja, heel zeker, bedankt.”

In stilte kon ik mezelf wel voor mijn kop slaan. Wat een gemiste kans! Dat me dit op de laatste avond van mijn verblijf hier moest overkomen en net nu ik op de motor was gekomen. Even later had Lesley zich weer bij haar teamgenoten gevoegd en was er een einde gekomen aan ons korte gesprek. Kort daarna verliet ik stilletjes de kroeg zonder de moeite te nemen iemand gedag te zeggen. De wind, die steeds stormachtiger werd, voerde dikke regendruppels met zich mee. Toen ik terugkwam bij Hillhouse herinnerde ik me dat meneer Parker had gezegd dat ik mijn motorfiets wel in een van de schuren mocht zetten. Dat aanbod had ik eigenlijk meteen met beide handen moeten aangrijpen, maar daarvoor was het nu te laat. Toen ik het boven-erf opreed, was alles in duisternis gehuld en ik vermoedde dat alle deuren op het nachtslot waren. Ik parkeerde de motor naast de caravan en ging naar binnen. Toen ik een gaslamp aanstak viel mijn blik toevallig op de plank waar ik Gails opstel had neergelegd. Het was verdwenen.