6

Mettertijd werden de dagen langer. De lente kwam eraan. De leden van de oostelijke expeditie hielden halt om naar de lichtgloed aan de zuidelijke horizon te kijken toen Thorsson hen erop had geattendeerd. Ze hadden er reikhalzend naar uitgekeken sinds ze de uitgestrekte winderige vlakte hadden bereikt en de rotsachtige wildernis achter zich hadden gelaten. En hoewel de duisternis nog steeds overheerste, konden ze hier veel makkelijker hun weg vinden. Tostig had ervoor gekozen om de verandering van omgeving te markeren met een vaste halte voor de terugreis. Ze lieten hier een deel van hun voedselvoorraad achter, wat water en nog enkele andere spullen. Evenals drie van de vijf tenten. Het plan was om met zo weinig mogelijk spullen het laatste deel van de reis af te leggen. Thorsson had uitgerekend dat het Overeengekomen Verste Punt eindelijk binnen bereik lag.

“Toch vreemd, vind je niet,” zei Tostig, “dat we ons nu, volgens onze eigen definitie, buiten het bereik van de beschaving bevinden.”

Hij lag naast Guthrum in de tent. De tweede tent werd bezet door Thorsson en Snaebjorn terwijl Thegn zich in de voorraadtent had gepropt en tussen de strikt noodzakelijke goederen lag.

“Zeker vreemd,” antwoordde Guthrum.

“En dat onderstreept mijn dilemma,” ging Tostig verder. “Namelijk de kwestie van de groene inkt.”

“Wat is het punt?”

“Simpelweg het volgende, Guthrum. Hoe dichter we bij onze bestemming komen, hoe kleiner de kans wordt dat we datgene zullen aantreffen waarop we hadden gehoopt. Ik heb het nog niet in de buurt van de andere mannen laten vallen, maar je moet toegeven dat de aanwijzingen verre van bemoedigend zijn. Deze vervloekte wind wekt niet de indruk dat we in de buurt zitten van een klimaat waar we naar op zoek zijn. En we hebben ook nog geen vleugje groen gezien sinds we dat uitgedroogde takje hebben gevonden.”

“En dat was een behoorlijk valse aanwijzing.”

“Wat je zegt,” zei Tostig. “En zo kom ik weer bij de groene inkt. We hebben één potje en dat blijft ongeopend. Het potje weegt net zoveel als een dagrantsoen gedroogd voedsel voor vijf man. Het doel van onze mars is om een soort groene oase te vinden en het doel van de inkt is om deze op onze kaart aan te geven. Maar het lijkt volkomen onzinnig om de inkt mee te nemen als we die waarschijnlijk nooit zullen gebruiken. Het zou veel beter zijn om die achter te laten zodat we wat extra eten mee kunnen nemen.”

“Maar als er geen groen toevluchtsoord is, dan heeft onze reis geen zin meer.”

“Aldus een korte samenvatting van mijn dilemma.”

Tostig slaakte een zucht en bleef even stil. Buiten in de zwarte nacht klonken de bellen van twee of drie ezels die beschutting zochten in de beschutting van de tent. (Tostigs ezels mochten ‘s nachts loslopen.)

“Moet ik ze wegjagen?” vroeg Guthrum.

“Nee, laat ze maar staan,” zei Tostig. “Er is daar buiten niets wat ze kwaad kan doen en al het voedsel ligt veilig opgeslagen bij Thegn. Laat ze maar slapen waar ze willen.”

“Wat u wilt, meneer. Maar om nog even terug te komen op uw dilemma.”

“Ja?”

“Ik neem aan dat het niet uw bedoeling is om terug te gaan?”

“Dat klopt.”

“Dan is er volgens mij maar één oplossing.”

“Werkelijk, Guthrum? Laat maar horen, ik ben een en al oor.”

“De oplossing ligt in het simpele feit dat we de kaart hoe dan ook moeten afmaken. Wat de expeditie betreft, maakt het geen verschil wat we aantreffen op het OVP. Of het een oase is of een woestijn. We kunnen niet naar huis gaan zonder een compleet verslag van onze reis; daarom moeten we de inkt gewoon meenemen.”

“Je hebt natuurlijk gelijk, Guthrum, en dat heb je ook nog eens heel goed gezegd.”

“Dank u.”

“Herinner Snaebjorn eraan om het morgen gewoon bij de bepakking te stoppen. In de tussentijd moeten we ons voorbereiden op een andere teleurstelling: namelijk de mogelijkheid dat Johns ons heeft verslagen.”

“Is dat waarschijnlijk?”

“Ik heb geen idee,” zei Tostig. “Niettemin moeten we er serieus rekening mee houden. Als hij ons inderdaad voor is geweest, betekent dat dat zijn route de snelste is. Alle voordelen zullen hierdoor aan hem toevallen en wij zullen met lege handen blijven staan. Want het staat natuurlijk buiten kijf, Guthrum, dat er veel meer op het spel staat dan alleen het planten van een vlag.”

“Dat neem ik zonder meer aan.”

“Stel je eens even voor dat De Theorie bruikbaar blijkt te zijn; dat er net voorbij de horizon een land ligt dat volledig aan onze eisen voldoet. Daaruit volgt dat degene die daar als eerste aankomt niet alleen met de eer kan strijken maar er ook een aardige duit uit kan slaan als het herontgingingsproces begint. Denk aan de lucratieve contracten die klaarliggen: de verscheping, de toevoerlijnen, de moedermaatschappijen. Geen wonder dat Johns er zo’n race van heeft gemaakt!”

“Denk u dat hij niet belangeloos heeft gehandeld?”

“O, ik weet zeker dat zijn oorspronkelijke bedoelingen zuiver zijn geweest,” verklaarde Tostig. “Ik heb een aantal van zijn publicaties gelezen en het is duidelijk dat hij onze wens deelt om de ezels in hun natuurlijke staat terug te brengen. Maar dan nog kan niemand ontkennen dat hij voortdurend zijn eigen weg heeft bewandeld. Hij heeft nooit met andere belangenpartijen samengewerkt of om hulp gevraagd. Johns is een man met een raszuivere ondernemingszin, maar net als andere grote ontdekkingsreizigers is hij ook een overduidelijke egoïst. En in zijn geval ben ik bang dat zijn ambitie de overhand heeft genomen.”

“Des te meer reden om hem voor te zijn,” merkte Guthrum op.

“Inderdaad, ja,” zei Tostig. “We moeten deze twijfels opzijzetten en ons geheel en al op de resterende reis richten en Johns uit ons hoofd bannen. Het is ons tot nu toe nog steeds gelukt om deze onderneming als een uitdaging op zich te beschouwen. We hebben ons op de dagelijkse logistiek geconcentreerd en niet op het glorieuze moment van aankomst. En dat moeten we vasthouden. We hebben een uitstekende uitrusting, tien gezonde ezels en precies voldoende rantsoen om ons doel te bereiken. En verder is ons teamwerk eersteklas geweest.”

Hier pauzeerde Tostig om zichzelf te corrigeren.

“Eerste klas met uitzondering van één persoon. Eén persoon die de betekenis van teamwerk niet lijkt te begrijpen. Weet je Guthrum, zonder onze waakzaamheid zou hij de ploeg verschillende malen in gevaar hebben gebracht. Soms sta ik in de verleiding om hem een week op scheepsbeschuit te zetten om hem een toontje lager te laten zingen.”

Buiten was het gerinkel van de bellen gestopt. Het enige geluid werd veroorzaakt door de wind die tegen het tentdoek sloeg. Verder lag het kleine kamp ondergedompeld in stilte. Guthrum schraapte zijn keel. “Mag ik met uw permissie mijn persoonlijke visie geven?”

“Natuurlijk. Laat horen.”

“Nou, ik denk dat u die jongen te streng beoordeelt.”

“O,” zei Tostig. “Dat verbaast me.”

“Als je beseft dat dit zijn eerste reis is, is hij met sprongen vooruitgegaan.” Guthrum vervolgde: “Hij is toegewijd, hij werkt hard en hij is behoorlijk dapper. Het is waar dat hij af en toe een steek laat vallen, maar hebben wij dat allemaal niet gedaan toen we jong waren?”

“Dat zal wel.”

“Ik weet dat er velen zijn die hem tot een van ons rekenen. Zo heeft hij bijvoorbeeld een ‘oom’ van wie ik zeker weet dat die goede redenen heeft om trots op hem te zijn.”

“Werkelijk?” zei Tostig, op opgewektere toon.

“En ik kan u vertellen dat Thorsson deze mening deelt.”

“Thorsson is een man met een voortreffelijk beoordelingsvermogen.”

“Precies.”

“Nou, nou, Guthrum. Het schijnt dat ik onze nieuweling heb onderschat.”

“Hij is nauwelijks meer een nieuweling te noemen, meneer. Hij is al bijna twaalf maanden bij ons, de zeereis meegerekend.”

“Nou je het zegt, ja, twaalf maanden! Wat is de tijd omgevlogen!”

Na een ogenblik nagedacht te hebben, kwam Tostig plotseling overeind en deed hij de lamp aan. Terwijl de tent zich met licht vulde, reikte hij naar zijn jekker en liep zijn zakken na tot hij had gevonden wat hij zocht. Toen deed hij de lamp weer uit. Ten slotte sprak hij zijn metgezel in het donker aan.

“Guthrum,” zei hij, “jij blijft mijn vertrouwde Nummer Twee.”

“Dank u, meneer,” klonk het antwoord.¬

 

Tostig was de volgende ochtend als eerste opgestaan, nog voor Snaebjorn, en toen de anderen tevoorschijn kwamen was hij druk in de weer. Hij had de ezels al gevoerd en de pan opgezet voor het ontbijt. Hij leek in een opgewekte bui te zijn, onaangedaan door de meedogenloze wind die maar niet leek te luwen. Omdat het nog een uur zou duren voor de zon opkwam, vond hij het goed dat de lamp werd aangestoken voor het ontbijt (meestal werd deze maaltijd in het donker genuttigd) en konden de mannen genieten van de luxe van een potje marmelade. Onmiddellijk erna kondigde hij aan dat hij eventjes het woord tot hen wilde richten.

“Zou jij even naar voren willen komen, Thegn,” was zijn verzoek.

Vandaag, voor de eerste keer sinds de groep de kust had verlaten, was Tostigs vlag gehesen. Hij wapperde vlak naast Tostig in de wind boven aan een dunne paal. Toen Thegn dichterbij kwam reikte hij hem de hand.

“Welnu, Thegn,” zei hij. “Guthrum vertelde me dat jij ons al twaalf maanden hebt gediend.”

“Elf maanden en drie weken,” antwoordde Thegn.

“Nou, ik denk dat wij er in ons besloten gezelschap best twaalf maanden van kunnen maken. Is iedereen het daarmee eens?”

“Jazeker,” zei Thorsson.

“En in dit kader,” ging Tostig verder, “wil ik van deze gelegenheid gebruikmaken om de zilveren ster aan jou terug te geven.”

Hij haalde de ster tevoorschijn en overhandigde hem aan Thegn, toen boog hij zich voorover en zoende hem plechtig op beide wangen, gevolgd door een keurige saluut.

Thegn staarde uitdrukkingsloos naar de ster in zijn hand.

“Wil je nog enige woorden tot ons richten?” vroeg Tostig.

Thegn zei niks.

“Thegn?”

“O, ja, sorry,” zei hij uiteindelijk. “Ik ben gewoon verbaasd, meer niet.”

“Maar je ziet hem toch niet voor het eerst?” zei Tostig. “Wat is er zo verbazingwekkend?”

“Ik heb het niet over de ster.”

“Maar waar hij voor staat?”

“Nee,” zei Thegn. “Ik bedoel gewoon dat ik verbaasd ben.” Weer viel hij stil.

“Een saluut voldoet evengoed als een speech,” mompelde Guthrum.

“Natuurlijk,” antwoordde Thegn die onmiddellijk in de houding sprong en salueerde.

Tostig nam hem van top tot teen op.

“Mooi zo,” zei hij. “Uitstekend.”

Daarna was de bijeenkomst voorbij, werden de tenten opgevouwen en de voorbereidingen voor het vertrek getroffen. De bulk van het werk was binnen een half-uur gebeurd. Een tijdje later was Thegn bezig om zijn ster vast te zetten op zijn bootspet toen Snaebjorn op hem afkwam.

“Welkom terug bij de kudde,” zei hij als begroeting.

“Ik wist niet dat ik de kudde verlaten had,” antwoordde Thegn.

“Ik wilde je even op de hoogte stellen van Tostigs nieuwe bevel.”

“Ja?”

“Hij vindt de weersomstandigheden te bar voor onze normale hoofdtooi. Daarom moeten alle leden van de groep hun petten omruilen voor een wollen bivakmuts. Ik neem aan dat jij er een bij je hebt?”

“Hij zit in mijn rugzak.”

“Ga hem er dan direct uithalen. Dit betekent helaas dat jij niet meer met je ster kunt pronken.”

“Maar dat geldt dan ook voor jou,” zei Thegn.

“Dat laat mij volledig koud,” antwoordde Snaebjorn en daarmee draaide hij zich om en liep weg.

Het laatste wat nog moest gebeuren voor ze konden vertrekken, was een voedselrantsoen omruilen voor het potje groene inkt. Het rantsoen werd in de opslagtent gelegd. Vervolgens leidden de mannen, met bivakmutsen op, de stoet ezels naar het noorden.¬

 

“Heb je dat gehoord?” zei Tostig. “Heb je midden in de nacht een soort geloei gehoord?”

“Nu je het zegt, wel,” antwoordde Guthrum.

“En jij dacht zeker dat het de wind was?”

Ja.

“Ik ook,” haakte Tostig in. “Ik dacht dat het dat onvermoeibare gekreun van die windvlagen was die over de vlakte trekken. Maar toen ik bijna in slaap was gevallen, realiseerde ik me plotseling dat het geluid bij ons uit het kamp kwam. En toen had ik het ineens door. De wind speelde helemaal niet met de stormlijnen: het waren stemmen. Sterker nog, het waren stemmen die ik sinds mijn jeugd niet meer had gehoord. Zeg eens, Guthrum, heb jij weleens een ezel horen zingen?”

“Nooit.”

“Ik wel. Vele jaren geleden. In die vervlogen tijden dat ze nog werden beschouwd als een curieuze minderheid en we nauwelijks oog voor ze hadden. Af en toe vingen we, zonder enige aanleiding, flarden van liedjes uit hun onderkomen op, die zo melancholisch werden gezongen dat het ons volkomen onbekend in de oren klonk. Zoals ik al zei, ik was een kind in die tijd, maar ik kan me nog herinneren dat hun gezang dezelfde sombere eigenschappen had als het geloei dat we gisternacht hebben gehoord. Ze dansten ook, zo is me verteld, heen en weer wiegend en tollend als dronkaards, maar dat heb ik nooit met eigen ogen gezien.”

“Wat uitzonderlijk,” zei Guthrum.

“Uiteindelijk is dat gedrag natuurlijk onderdrukt en heb ik die stemmen sindsdien nooit meer gehoord. Tot gisternacht dan.”

“Wat zou ze hebben bezield?”

“Ik weet het niet,” zei Tostig. “Misschien worden ze moedeloos van dit verlaten land en zoeken ze troost in de gebruiken van hun voorouders. Dat lijkt me vrij natuurlijk; ze hebben niks anders, of wel dan?”

“Misschien moeten we onze ongelukkige reisgenoten wat beter in de gaten houden.”

“Ik denk dat je gelijk hebt, Guthrum. Het laatste waar we op zitten te wachten is dat ze in deze laatste fase van onze reis de moed verliezen. Ik vraag me trouwens ook af of we ze ‘s nachts niet moeten vastbinden.”

“Voor hun eigen veiligheid?”

“Precies.”

“Ik zal ervoor zorgen.”

“Het is opvalllend,” ging Tostig verder, “dat Thegn al aan het begin van de reis heeft laten vallen dat de ezels problemen konden opleveren naarmate we dichter bij onze bestemming zouden komen. ‘Die kunnen nog wel eens voor problemen gaan zorgen’ waren zijn exacte woorden. Ik weet nog dat ik dit idee wegwuifde, maar nu blijkt dat hij misschien wel gelijk heeft gehad. Blijkbaar was zijn bezorgdheid niet ongegrond en het geeft maar weer eens aan dat deze jongen over een gezond verstand beschikt. Zo kom ik iedere dag wel weer iets nieuws van hem te weten.”

Tostig en Guthrum hadden de steile rots beklommen die honderd voet boven de vlakte uitstak. Het was bijna middag en de wind was gaan liggen. Onder hen zagen ze hun drie metgezellen: Snaebjorn was een lichte maaltijd aan het bereiden terwijl Thorsson zich met berekeningen bezighield en Thegn voor de ezels zorgde. Deze stonden, op rij aan elkaar vastgebonden, geduldig op hun eten te wachten. Naar het zuiden verdween het vage pad in de duisternis. Naar het noorden strekte de leegte zich verder uit.

“Mooi uitzicht,” zei Tostig.

“Of juist niet,” antwoordde Guthrum. “Hangt er maar net vanaf hoe je het bekijkt.”

“Dat er nu even geen wind staat heeft zeker niks te betekenen?”

“Volgens Thorsson niet, nee.”

“Er komen nog stormen aan?”

“Blijkbaar.”

“Geen vooruitzicht op een zachte westenwind?”

“Nee.”

“Jammer.”

Ze staarden nog een tijdje in de verte. Toen ze genoeg hadden gezien, liepen ze terug naar de anderen. Tostig ging direct naar Thegn.

“Hoe staat het met hun eetlust?” informeerde hij.

“Grappig dat u dat vraagt,” zei Thegn. “Ze eten best goed, maar ze doen er wel vreselijk lang over. Het is nogal een sombere bedoening eigenlijk. Je zou bijna denken dat ze dit als hun galgenmaal beschouwen.”

Sommige ezels waren opgehouden met eten en keken de twee mannen aan.

“Ze hebben vannacht gezongen,” zei Thegn.

“Daar hoef jij je niet mee te bemoeien,” zei Tostig, die in de richting van een bepaalde ezel knikte. “Zie je die daar vooraan? Klopt het dat zij altijd vooroploopt?”

“Ja, dat klopt.”

“Wil jij ervoor zorgen dat ze iedere dag wat extra mengvoer krijgt? Niet te veel, maar net genoeg om de anderen jaloers te maken. Met enig geluk zullen ze daardoor minder aandacht voor hun zelfmedelijden hebben.”

“Komt voor elkaar, meneer.”

“En wat onze eigen rantsoenen betreft: ik ben bang dat we het allemaal een dag of twee met wat minder zullen moeten doen, tot het tekort weer is opgeheven.” Tostig wierp een blik op de slinkende voorraad voor hij grimmig in zichzelf lachte. “En dat allemaal vanwege een klein potje inkt.”

Toen Thegn weer met zijn werkzaamheden doorging, liep Tostig naar Thorsson om hem naar hun positie te vragen. Thorsson liet vallen dat de rots de eerste noemenswaardige aanvulling sinds tijden op de kaart zou zijn. Het was het enige markeringspunt in de kilometerswijde omtrek en hij stelde voor om hem een officiële naam te geven. Tostig vond dat een goed idee maar hij kon niks passends bedenken en daarom gooide hij de kwestie tijdens de lunch in de groep.

“Wat denken jullie van ‘Observatie Punt?” deed Guthrum een gooi.

“We hebben nauwelijks wat gezien,” zei Tostig. “De horizon was zeer versluierd.”

“Goed dan: ‘Versluierd Punt’.”

“Te vaag.”

Guthrum blies zijn wangen bol en tuurde naar de rotswand, maar zei verder niks meer.

“Ik stel voor dat we het ‘Eenzaam Punt’ noemen,” zei Thorsson.

“Niet slecht,” zei Tostig. “En jij dan, Snaebjorn? Wat vind jij?”

“‘Eenzame Rots’.”

“Interessante variant. Zeg, we hebben ineens een gezellig spelletje voor in de huiskamer bedacht. Kom op, Thegn, nu ben jij aan de beurt.”

“We zouden het kunnen noemen naar degene die hem het eerst zag.”

“En wie was dat dan?” Niemand gaf antwoord.

“Kom, kom,” zei Tostig. “Laten we er niet omheen draaien. Een van jullie moet hem toch als eerste hebben gezien?” Een volle minuut keek hij de een en de ander in het gezicht, maar niemand wilde de overwinning in zijn zak steken.

“Goed heren,” zei hij uiteindelijk, “ik moet bekennen dat deze terughoudendheid me met trots vervult. Ieder van jullie had zichzelf kunnen noemen, maar in plaats daarvan hebben jullie elkaar de kans gegeven. Dat spreekt boekdelen over de vriendschap die zich tussen ons allen heeft ontwikkeld; sterker nog, het biedt antwoord op de vraag van onze discussie: Thorsson, de volgende keer dat jij de kaart bijwerkt moet je deze plek aangeven als ‘Rots der Bescheidenheid’.”

“Ja, meneer.”

Toen de kwestie was beslist, aten ze snel hun eten op en gingen zich voorbereiden op het vervolg van de reis. Ze hadden een sombere middag voor de boeg en toen ze vertrokken, stak de wind zelfs weer op. Hij kwam uit het noorden en voerde fijne dwarrelende stofdeeltjes mee: iets wat ze nog niet eerder hadden meegemaakt. Toen het in hun ogen en kelen terechtkwam, nam de onrust toe, wat onvoorziene vertragingen opleverde en de vraag opriep of ze wel voldoende water bij zich hadden.

“We moeten snel een rivier of een beek vinden,” zei Tostig, toen ze zich die avond te rusten hadden gelegd. “Als we niet van de dorst willen omkomen.”

“De ezels lijken het meest onder de omstandigheden te lijden,” zei Guthrum. “Hun tempo is fors gedaald.”

“O, ik denk niet dat het weer de oorzaak is.”

“Echt niet?”

“Nee, ik ben bang dat ze alle tekens vertonen van koppige luiheid. Dat is een aandoening die Younghusband al jaren geleden heeft onderkend. Hij heeft het zelfs in een boekje beschreven dat het onderwerp behandelde. Het kwam er volgens hem op neer dat in moeilijke tijden de ezels alle energie in hun emoties stoppen en niet in een of andere fysieke activiteit. Want je hebt toch wel gezien hoe sterk ze zijn als ze dat willen?”

“Jazeker,” zei Guthrum.

“Dus stel je de kracht eens voor waarmee ze hun verdriet uitdrukken. Dat was al te horen aan dat gehuil die ene nacht: een hulpkreet, volgens mij, aan een of andere god die ze moet komen helpen. Goed, wij weten dat er niet zoiets als een god bestaat en dat alleen onze eigen inspanning ons kan redden en dat geldt ook voor de ezels, of ze dat nou leuk vinden of niet.”

“Wat kunnen we eraan doen?”

“Gewoon doorploeteren, Guthrum. We hebben al geprobeerd om ze te manipuleren met een voedingsregime, maar Thegn zegt dat hun leider het extra voer dat ze kreeg steevast afsloeg. Dan zullen we gewoon op een andere methode moeten overschakelen. Ik vind het niet prettig om hardvochtig te zijn, maar als het nodig is zullen we ze gewoon de laatste paar kilometers met stokken vooruit drijven!”¬

 

De volgende ochtend stak Snaebjorn al vroeg zijn hoofd door de flappen van de voorraadtent waar Thegn op een oor lag.

“Ben je wakker?” vroeg hij.

“Nog niet, nee,” antwoordde Thegn.

“Maar mag ik je wat vragen?”

“Vooruit dan maar. Kruip erin als je dat lukt.”

Eenmaal binnen ging Snaebjorn op een houten doos zitten. Zijn kleren zaten onder een dikke laag stof.

“Is het nog steeds hetzelfde buiten?” informeerde Thegn.

“Nog erger zelfs,” antwoordde Snaebjorn, voor hij in een langdurige stilte verviel. Uiteindelijk zei Thegn: “Wat wilde je me nou vragen?”

“Het volgende,” zei Snaebjorn. “Waarom heb je niet gezegd dat jij de rotswand het eerste zag?”

“Omdat ik niet zeker wist of ik het wel was.”

“Maar jij moet het wel geweest zijn. Jij hebt het grootste gedeelte van die ochtend vooropgelopen.”

“Dat betekent toch niet meteen dat ik de rots als eerste heb gezien. Maar nu je het zegt, ik kan jou precies hetzelfde vragen. Jouw ogen zijn ongetwijfeld beter dan de mijne.”

“Misschien wel,” zei Snaebjorn. “Toch denk ik dat jij hem het eerst hebt gezien.”

“Ga me dan maar aangeven bij Tostig!” beet Thegn hem toe. “Zodat ik weer beschuldigd kan worden van hoogverraad of dat soort onzin, net als de vorige keer!”

“Dat was wat anders,” mompelde Snaebjorn. “Toen deed ik alleen maar mijn plicht.”

“Waar gaat dit dan over?”

“Dat ik je misschien verkeerd heb beoordeeld.”

“O.”

“Ik veronderstelde dat jij alleen met de expeditie mee mocht dankzij jouw ‘connecties’, terwijl ik nu inzie dat jij wel degelijk over bepaalde capaciteiten beschikt.”

“Werkelijk?” zei Thegn. “Nou, van mij hoef je ze niet op te sommen.”

“Dank je.”

“Was dat het wat je op het hart lag?”

“Ja.”

“Dan kunnen we dat hoofdstuk nu sluiten.”

Nadat Snaebjorn zich had teruggetrokken, lag Thegn nog een aantal minuten naar het dak van zijn tent te staren. Op zijn gezicht stond een uitdrukking van verbijstering, maar die maakte uiteindelijk plaats voor een glimlach. Hij lachte zacht en schudde zijn hoofd; toen stond hij op en ging naar buiten. Snaebjorn was druk bezig met het ontbijt en beide mannen besteedden geen aandacht aan elkaar. Tostig en Guthrum stonden bij het groepje ezels aandachtig naar hun eetgedrag te kijken. Gedurende de hele nacht was het gerinkel van bellen te horen geweest in het kleine kamp en toen de wind de tentdoeken had doen klapperen was het sombere gezang weer begonnen. Dat hield enige uren aan en pas tegen zonsopgang waren de stemmen verstomd. Nu stonden de ezels in een halve cirkel te eten, met hun ruggen naar de mannen toe. Ze leken onaangedaan door het rondvliegende stof.

“Vreemd,” merkte Guthrum op. “Als ze de kans krijgen, gaan ze meestal met hun rug naar de wind staan.”

“Ja, maar je weet zelf hoe koppig ze kunnen zijn,” zei Tostig. “Eerlijk gezegd verbaas ik me nergens meer over wat hun gedrag betreft.”

“Daar komt Thorsson aan.”

“Ah, de terugkeer van de navigator.”

Thorsson had op de open vlakte het een en ander bestudeerd. Nu kwam hij terug met het nieuws dat het Overeengekomen Verste Punt minder dan acht kilometer verderop lag. “We zouden er rond het middaguur moeten zijn,” voegde hij eraantoe. “Dan ben ik in staat om de exacte plek aan te wijzen.”

Na het ontbijt kondigde Tostig aan dat ze lootjes gingen trekken om uit te maken wie de vlag mocht dragen en daarmee de eer zou krijgen hem op de plek van bestemming te planten.

“Hiermee kunnen we eenzelfde soort terughoudendheid voorkomen die we bij de Rots der Bescheidenheid hebben meegemaakt,” legde hij uit. “Ik wil niet dat we in dit stadium van onze reis alleen maar ‘na u’ gaan zeggen, want dat schiet niet op.”

Uiteindelijk viel het winnende lot in Thegns handen die mompelend bedankte en verder niet veel meer zei toen de vlag aan hem in bewaring werd gegeven. Daarop werd het kamp afgebroken en trok de expeditie verder. Het afgelopen uur was de stof storm nog meer aangetrokken. Hierdoor kwamen ze amper vooruit. Omdat het zicht nauwelijks beter was dan tijdens de donkerste dagen moesten ze vaak stoppen zodat Thorsson kon bepalen of ze nog wel in de goede richting liepen. En na iedere stop werd het steeds moeilijker om de ezels weer in beweging te krijgen. Snaebjorn had ze van Thegn overgenomen, maar zelfs hij had moeite om de ezels mee te krijgen (ze hadden geen stokken bij de hand om ze mee op te drijven). Maar later in de ochtend ging de wind af en toe liggen en daarmee ook het stof zodat de reizigers een glimp konden opvangen van wat er voor ze lag. Het was nog steeds hetzelfde: een enorme, verlaten wildernis die zich tot de horizon uitstrekte. Zichtbaar afgemat legden ze nog anderhalve kilometer af. Toen sprak Thorsson met Tostig en werd iedereen een halt toegeroepen. Het was bijna middag. Onder een loodgrijze lucht haalde Thorsson zijn kompas tevoorschijn en maakte hij wat berekeningen in zijn aantekenboek. Hij tuurde naar het noorden en naar het oosten voor hij zich omdraaide en Tostig toeknikte.

“Dit is het.”

“Het Overeengekomen Verste Punt?”

Ja.

Er viel een langdurige stilte waarin Thegn de vlaggenstok treurig in de grond stak. Onmiddellijk ontvouwde de vlag zich en begon hevig te wapperen in de wind. De mannen keken elkaar met lege blik aan. Intussen hieven de ezels hun kop op en begonnen erbarmelijk te loeien; ze wiegden heen en weer, sloegen hun ogen naar de hemel op in een uitbarsting van onmetelijk verdriet. Tostig bleef lange tijd bewegingsloos staan, blijkbaar in gedachten verzonken. Hij keek naar de ezels, toen naar het land waar hij ze naartoe had gebracht. Uiteindelijk sprak hij.

“Dit is een vreselijke plek,” zei hij. “Hier kunnen ze onmogelijk leven.”