3

“U wilde mij spreken, Mr Johns?”

“Ah, Summerfield, ja. Blijf toch niet zo in de kou staan.”

“Dank u.”

Het was laat op de avond. Aanvankelijk had Summerfield alleen zijn hoofd in de tent van Johns gestoken, maar nu kwam hij helemaal binnen en deed de flappen achter zich dicht. In het zwak verlichte interieur was weinig ruimte over. Een groot gedeelte van de vloer werd ingenomen door beddengoed dat al was uitgelegd voor de nacht. De resterende ruimte stond volgepakt met uitrusting en bagage. Johns zat aan het kamptafeltje met zijn pennen en journaal voor zijn neus. In het licht van een hanglamp was te zien dat hij zijn wollen bivakmuts had afgezet.

Summerfield deed de zijne ook af voor hij om zich heen keek.

“Ga op die krat zitten als je wilt,” zei Johns.

“Dank u.”

Summerfield zette een krat met ingeblikt fruit op zijn kant en ging zitten. Op de hoek van het tafeltje lag een stel handboeken en een opgevouwen kaart. En ook een zakhorloge. Johns deed zijn journaal dicht en legde hem opzij; toen keek hij zijn bezoeker nadenkend aan.

“Je ziet er erg gezond uit, Summerfield,” was zijn commentaar. “Het lijkt of dit leventje van ons goed bij je past.”

“Ja, dat klopt wel.”

“En altijd al sportief geweest?”

“Jazeker.”

“Altijd een van de eersten op de honderd meter?”

“Dat kwam wel voor, ja.”

“Grote klasse, Summerfield. Grote klasse.”

Johns reikte naar een van zijn handboeken en hield het enige tijd in zijn hand. Toen begon hij het stofomslag nauwgezet te bestuderen en draaide het boek om zodat hij ook de rug en de achterkant kon bekijken. Intussen flikkerde de lamp omdat er een windstoot tegen de zijkant van de tent aansloeg wat het doek spasmodisch deed klapperen om vervolgens weer tot bedaren te komen.

“Hoe dan ook, Summerfield,” sprak hij uiteindelijk, “ik moet je toch verzoeken om het een beetje rustiger aan te doen als we aan het lopen zijn. Je moet dit niet opvatten als een soort reprimande, maar het is gewoon niet goed als jij zo voor de groep uit sprint. We zijn je de afgelopen dagen al een keer of twee compleet uit het oog verloren en ik ben bang dat we je kwijtraken en je dan niet meer terug kunnen vinden. Je moet begrijpen dat ik het belang van de hele expeditie in het oog moet houden. Het is van vitaal belang dat we als een hechte groep te werk gaan en niemand aan zijn individuele neigingen toegeeft. Dus zou je daar alsjeblieft de volgende keer aan kunnen denken als je weer vooroploopt?”

“Natuurlijk, Mr Johns,” antwoordde Summerfield. “En ik bied m’n verontschuldigingen aan als ik de oorzaak ben geweest van enige verontrusting. Maar het idee dat Tostig een steeds grotere voorsprong op ons neemt, is moeilijk te verdragen.”

“Dat is dus de reden van jouw ongeduld?”

“Grotendeels wel.”

“Om je eerlijk te zeggen, Summerfield, kan het mij geen moer schelen wat Tostig aan het doen is. En ik heb al vaker gezegd dat we niet aan een wedstrijd deelnemen. Bij gebrek aan een betere beschrijving noem ik dit een Gezamenlijk Internationaal Wetenschappelijk Onderzoek en het maakt niet uit wie als eerste op de plaats van bestemming komt, of wij dat nu zijn of Tostig of wie dan ook. Vergeet niet dat Younghusband en Clark er tien jaar geleden al hadden kunnen zijn als het geluk ze niet in de steek had gelaten. Dat was een verdomd ongelukkige affaire, hoe dat is verlopen; en als ze waren geslaagd, was ons natuurlijk deze moeite bespaard gebleven.”

Johns pauzeerde en stond toe dat Summerfield om deze opmerking glimlachte.

“Maar vooralsnog,” ging hij verder, “is het bereiken van ons gezamenlijk doel het enige dat telt.”

Op dat moment werd de tent weer van buiten belaagd. De tentstok die in het midden stond, begon te schudden en de lamp zwaaide even heen en weer zodat zijn gele lichtboog een paar keer op en neer ging.

“Daarbij,” waagde Johns te zeggen, “is het überhaupt niet zeker dat Tostig een voorsprong op ons heeft. Voor hetzelfde geld is hij enorm in de problemen geraakt. Je kunt uit eigen ervaring al zeggen dat dit hele gebied door de vreselijkste weersomstandigheden wordt bestookt. De wind is al dagen niet afgenomen en ik kan me niet voorstellen dat hij alleen in onze directe omgeving woedt. Ben jij trouwens onderweg hiernaartoe Chase nog tegengekomen? Ik verwacht elk moment een verslag van hem.”

“Ja, ik heb hem een kwartier geleden nog gezien,” zei Summerfield. “Hij zat aan de rand van het kamp het een en ander te bestuderen.”

“Mooi zo,” zei Johns, die zijn handen in elkaar sloeg. “Nou, Summerfield, ik hoop dat ik je gerustgesteld heb en dat jij je niet langer geroepen voelt om ons in een stofwolk achter te laten.”

“Ja, dank u meneer,” antwoordde Summerfield, die opstond.

Het handboek waar Johns eerder zoveel aandacht aan had besteed, lag nu plat op tafel en de vetgedrukte letters van de titel waren goed te zien. Summerfield gaf een knikje in de richting van het boek en vroeg: “Zou ik het misschien voor een dag of twee mogen lenen? Om het een en ander bij mezelf op te frissen?”

“Maar natuurlijk,” antwoordde Johns. “Leen het maar zolang je wilt.”

Summerfield bedankte Johns nog een keer en liet het boek in de binnenzak van zijn jekker glijden. Toen ging hij naar buiten, zette zich schrap tegen de wind en liep door het donker terug naar zijn tent. Toen hij bij de flap stond, stopte hij een paar seconden voor hij uiteindelijk naar binnen ging.

Plover lag uitgestrekt aan het eind. Hij lag met zijn gezicht naar de ingang op zijn zij, met de benen over elkaar gekruist en zijn hoofd gesteund op één hand.

“En hoe is het met onze geachte leider?” informeerde hij.

“Mr Johns maakt het goed,” antwoordde Summerfield. “Waar is Seddon?”

“Seddon ging net weg.”

“O.”

“Het had geloof ik iets met moutmelkdrankjes te maken.”

Ja.

Na zijn bezoekje aan Johns was Summerfield vergeten om zijn wollen bivakmuts weer op te zetten. Dat deed hij nu. Hij trok hem half over zijn gezicht en liet hem zo zitten terwijl hij in zijn eigen hoekje kroop. Plover zei verder niks meer, maar lag op dezelfde plek een beetje vaag te staren naar de spirituslamp die vlakbij stond en met tussenpozen siste. Zo zaten ze samen een minuut of twintig bij elkaar, stil en afgezonderd van de ander tot er ergens op een afgelegen plek van het kampement een gedempte stem klonk.

“Iemand zin in een warm drankje?” klonk de vraag.

Summerfield kwam direct overeind en hij trok zijn helm op zijn plaats. Toen hij bij de flappen kwam keek hij om naar zijn buurman en zei: “Kom je ook?”

“Nee, ik denk het niet,” antwoordde Plover. “Niet als dat betekent dat ik mijn laarzen weer aan moet trekken.”¬

 

Omdat ze hoger zaten dan Tostig kon de westelijke groep iedere dag rond het middaguur genieten van een korte periode van licht. Er waren geen schaduwen op de kiezelvlaktes, behalve die van de reizigers zelf, en voor korte tijd konden ze hun weg met redelijk gemak vinden. Dit was ook de tijd waarop Chase zijn belangrijkste observaties deed. Hij keek naar de horizon, vaag als die was, om zich ervan te verzekeren dat ze in de goede richting liepen. Hij hield ook de afgelegde mijlen bij. De rest van de tijd moesten de mannen echter genoegen nemen met de aanhoudende duisternis en was de wind, die ze gestaag vanuit het noorden in het gezicht blies, hun enige gids.

Omdat het verschil tussen dag en nacht miniem was, had Johns een strak tijdschema ingesteld zodat iedereen op een door hem aangegeven tijdstip naar bed ging en opstond. Dit was, zo legde hij uit, noodzakelijk om de gevaren van lethargie en desoriëntatie tegen te gaan. En daarom lagen Cook, Sargent en Medleycott de volgende ochtend om zeven uur wakker in hun tent, nadat Scagg ze had gewekt. Buiten woedde een hevige storm.

“Misschien kunnen we er nog vijf minuten aan vastplakken,” mompelde Sargent. “Daarna staan we weer vol in de wind.”

Cook kreunde en verborg zijn hoofd onder zijn deken.

“Het is best heftig, vind je niet?” zei Medleycott.

“Dat is nogal zwak uitgedrukt.”

“Maar wel spannend.”

“Spannend?” zei Sargent. “Bedoel je met die wind die de hele dag op je inbeukt?”

“Nee, nee,” zei Medleycott. “Ik bedoel het idee dat je weken achter elkaar een nachtleven leidt. Dat zal een behoorlijke uitdaging zijn: het zal op z’n vroegst pas over een maand weer lichter worden.”

“Dat had ik al begrepen.”

“We hebben een sombere tijd voor de boeg.”

“Wat je zegt.”

Opeens ging Medleycott overeind zitten om door de spleet in de tentflappen te gluren.

“Het is aardedonker buiten,” kondigde hij aan. “Maar wat hebben we al veel gezien sinds het begin van onze reis. Denk eens terug! Die loodgrijze maan die dreef op een glinsterende zee! Zonsopgang en zonsondergang die eenzelfde vlammende aanblik geven! De gloeiende hemel! De majestueuze lichtstralen die zich over de helling van de heuvel verspreiden! Is dat niet een geweldig schouwspel?”

“Het is me nooit echt opgevallen,” antwoordde Sargent.

Er viel een korte stilte toen de drie mannen in het donker naar hun spullen en kleren tastten. Toen zei Medleycott: “Tussen twee haakjes, ik hoop dat niet dat jullie het vervelend vinden dat ik de hele tijd bij jullie ben ingekwartierd. Scagg heeft dat allemaal geregeld. Ik denk dat jullie mijn gezelschap wel zat zijn zo onderhand, of niet soms?”

“Natuurlijk niet,” zei Cook. “Toch, Sargy?”

“Nee hoor. Zijn dit jouw laarzen?”

“Dank je, ja.”

Toen Medleycott naar zijn laarzen reikte, viel er iets uit een van zijn zakken. “Ah mijn souvenir,” zei hij. “Die was ik helemaal vergeten.”

“Wat is het?” vroeg Cook.

“Gewoon iets stoms. Eén van die blauwe kiezelstenen die we steeds zagen. Ik heb hem opgeraapt toen we net bij de helling met losse stenen kwamen.”

“Dertien in een dozijn, is het niet?”

“Ja, ik weet het; ik zou hem eigenlijk weg moeten gooien, maar nu ik hem al zo lang bij me heb, denk ik dat ik hem maar gewoon mee naar huis neem.”

“Als we naar huis gaan,” zei Sargent.

Bij deze woorden schrok Medleycott op. “Dat meen je toch niet,” zei hij. “Dat kan toch zeker niet?”

“Niks is zeker,” pareerde Sargent. “Je zei zelf dat het hier nogal heftig is.”

“Ja, maar…”

“Mr Medleycott, ik wil alleen maar zeggen dat niks zeker is. Ik heb al eerder dit soort reizen gemaakt en ik kan je wel vertellen dat het geen enkele zin heeft om over de terugkeer te praten, helemaal niet als we voorlopig nog even in de tegengestelde richting gaan.”

“Ja, daar heb je misschien wel gelijk in,” antwoordde Medleycott. “Als je het zo formuleert.”

“Het is nog een heel eind tot het Overeengekomen Verste Punt.”

Ja.

De tentflappen gingen open en Scaggs bebaarde gezicht verscheen in de opening. “Een interessante aardrijkskundige discussie?”

“Zoiets ja,” zei Medleycott.

“Dat is zeer prijzenswaardig.”

Scagg hield een lamp in zijn hand en hij scheen met het licht in de tent. Nu kon je zien dat Sargent en Cook een baard hadden terwijl Medleycotts wangen glad waren.

“Ik ben blij dat er nog iemand is die een bepaald niveau van beschaving handhaaft,” merkte Scagg op.

De enige andere lamp die gebruikt werd die ochtend hing aan een haak boven de inklapbare keuken. Hier stond Seddon in een paar pannen het ontbijt klaar te maken. Blanchflower en Firth waren al een uur eerder opgestaan om de muilezels hun warme mengvoer te geven en het duo was nu uit het zicht van het kamp verdwenen. Toen Medleycott, Cook en Sargent de verlichte cirkel betraden, zagen ze dat Plover en Summerfield in de luwte van een ruwe, stenen wal zaten die de vorige avond snel was opgebouwd. De constructie van dit soort bouwwerkjes had bij aankomst de hoogste prioriteit om de eenvoudige reden dat er geen andere bescherming was tegen de meedogenloze wind. Eerdere versies bestonden uit weinig meer dan lage bankjes waar de mannen achter konden schuilen als ze zich klein maakten. Maar de laatste tijd waren de wallen hoger geworden en hadden ze een licht gebogen vorm. Deze verbeteringen waren ingegeven door Summerfield die er iedere avond naar streefde om zijn kameraden iets meer comfort te bieden, inspanningen die steeds vaker achterwege werden gelaten naarmate de expeditie vorderde. Deze morgen zat hij achter zijn nieuwste creatie terwijl hij suiker door een stomende kom pap roerde.

“Schuif eens een beetje op,” zei Cook, die met zijn eigen kom naast hem ging zitten. “Dit weer is verrekte beestachtig.”

Ze werden vergezeld door Sargent.

“Er is nauwelijks plaats meer voor jou,” merkte Plover op, die nu naar het einde van de rij was geduwd. “Met geen mogelijkheid.”

Om zijn opmerking kracht bij te zetten, stond hij op en at zijn kom pap leeg terwijl hij langzaam naar de rand van het kamp afdwaalde. Zijn plek achter de wal werd meteen ingenomen door Medleycott. Scagg liep intussen naar de opgestapelde voorraden en de uitrusting om wat tellingen uit te voeren. Toen haalde hij een aantekenboekje te voorschijn, schreef wat getallen op en stopte het vervolgens weer weg. “Neemt die man nooit eens een dagje vrij?” mompelde Cook. “Sinds we de blokhut hebben verlaten doet hij niks anders dan inventariseren.”

“Hij wil gewoon weten of zijn berekeningen kloppen,” zei Summerfield. “Vergeet niet dat er elf man gevoed en gekleed moeten worden en we twee dozijn muilezels bij ons hebben. Dat is nogal wat!”

“Maar ik dacht dat Seddon kwartiermeester was.”

“Dat is hij voor de dagelijkse gang van zaken, ja, maar het was Scagg die in de eerste plaats voor de bevoorrading heeft gezorgd, zelfs voor we op zee gingen. Ik denk dat hij een zekere verantwoordelijkheid voelt ten opzichte van Johns.”

“Nou, ik heb liever dat hij vijf minuutjes de tijd zou nemen om zijn pap op te eten,” zei Cook. “Ik word al doodmoe als ik naar hem kijk.”

“Waar is Johns eigenlijk?” informeerde Sargent. “En nu we het er toch over hebben, waar is Chase?”

“Die zijn naar de volgende bergkam gegaan,” antwoordde Summerfield. “Aan de andere kant schijnt het nog erger te stormen. Johns zal beslissen of we vandaag nog doorgaan of dat we hier nog een dag blijven.”

“En had hij dat besluit niet kunnen nemen voor we allemaal uit bed waren getrommeld?”

“Blijkbaar niet.”

Het gesprek stokte toen Scagg terugkwam en naar het kookgedeelte liep. Hier wisselde hij enkele gedempte woorden met Seddon die de vier toekijkers niet verstonden omdat ze niks anders hoorden dan de huilende wind die om hun schuilplaats woei.

Hij raasde door hun kleine nederzetting. Met elke hevige vlaag werden de tenten afgeranseld en liep alles wat niet afdoende was vastgezet het gevaar meegesleurd te worden. Af en toe zorgden de rukwinden er ook voor dat Seddons lamp helder opvlamde. En zo kwam het dat Plover ineens in beeld verscheen. Ze zagen hoe hij zich langzaam aan de rand van het kamp bewoog en nog steeds met zijn papkom en lepel in zijn hand rondliep.

“Als hij met deze regelmaat blijft opduiken, hebben we geen klok meer nodig,” merkte Cook op.

Toen de lamp nog een keer opflikkerde, zagen ze dat Plover er niet meer in zijn eentje liep. In het duister achter hem bewoog zich een donkere schim die al snel veranderde in twee naderende figuren. Johns en Chase waren terug van hun onderzoek naar de bergkam. Op het moment dat ze verschenen, mompelde Sargent iets onverstaanbaars; toen stond hij op en ging naar de veldkeuken, op de voet gevolgd door Cook. Nadat ze hun kommen hadden ingeleverd liepen ze naar hun tent om hem af te breken. Summerfield schoot Seddon te hulp met het opruimen van het kookgerei. Ineens zat Medleycott in zijn eentje met zijn rug tegen het schuilmuurtje. Zo bleef hij enkele minuten zitten en staarde hij in gedachten verzonken naar het zuiden terwijl de wind van alle kanten om hem heen raasde. Pas toen Scagg terugkwam en een rits bevelen gaf, werden Medleycotts mijmeringen verbroken. Een algemene beroering uit de richting van de ezels gaf aan dat ze nu in een sleep aan elkaar werden geknoopt om de reis van die dag te aanvaarden. Intussen had Plover zijn doelloze geslenter gestaakt en hield hij zich bezig met het toewijzen van de lading. Medleycott kwam snel overeind om zich bij zijn tentgenoten te voegen.

“Sorry dat ik niet eerder ben gekomen om een handje te helpen,” zei hij. “Ik dacht dat we op Johns’ beslissing moesten wachten.”

“Dat was ook zo,” antwoordde Sargent. “Maar op het moment dat hij terugkwam was het duidelijk dat hij zijn besluit had genomen.”

“Waarom was dat duidelijk?”

“Omdat hij zo verrekte vrolijk keek, daarom!”

Kort daarna werd iedereen naar het midden van het kamp geroepen zodat Johns ze kon toespreken. Hij droeg een zware overjas, zijn wollen bivakmuts en wanten en had zich schrap gezet tegen de wind.

“Goedemorgen, mannen,” zei hij met stemverheffing. “Ik ben blij te zien dat jullie zin hebben om door te stoten. Sterker nog, ik vind het echt hartverwarmend. Jullie zullen al geraden hebben dat er voorbij de kam nog een flinke storm raast, maar ik ben tot de conclusie gekomen dat we er niks mee opschieten als we hier gaan zitten wachten, in de vage hoop dat hij zal afnemen. Het zou gewoon een verloren dag betekenen. Ik neem aan dat jullie allemaal ontbeten hebben en dus stel ik voor dat we direct vertrekken, als niemand daar iets op tegen heeft.”

“Ik niet,” antwoordde Scagg.

“Uitstekend,” zei Johns. “Ik raad jullie trouwens aan om je warmste kleren aan te trekken. Het is bitterkoud verderop.”

Met deze woorden keek hij even naar Plover die als enige nog steeds zijn hoge pet met klep droeg. Door bepaalde duistere krachten was dit voorwerp op het hoofd van zijn eigenaar blijven zitten ondanks de ergste windvlagen van de afgelopen dagen en was het de laatste tijd vaak het onderwerp van gesprek geweest tussen Johns en Scagg. Bij verschillende gelegenheden had Johns al zijn mening te kennen gegeven dat een wollen bivakmuts veel beter geschikt was onder de huidige weersomstandigheden dan wat voor soort pet dan ook omdat hij warnier is en op zijn plaats blijft zitten. Hij drong er bij Scagg op aan deze boodschap over te brengen aan Plover, maar om de een of andere reden was het Scagg nog steeds niet gelukt om dit te doen. Johns zelf sneed het onderwerp nooit aan bij Plover want, zei hij tegen Scagg, hij zou hem hiermee in verlegenheid kunnen brengen. Vandaar dat Plover zo afstak ten opzichte van zijn kompanen: zij met hun bivakmutsen en hij met zijn hoge pet met klep.

Hij droeg hem dertig minuten later nog toen ze het kamp verlieten en Summerflelds wal het enige tastbare bewijs was dat ze er ooit waren geweest. Toen ze de bergkam beklommen, had niemand gezien of Plover alle zeilen bij moest zetten om zijn pet op zijn hoofd te houden. Zonsopgang zou nog een paar uur op zich laten wachten en de combinatie van het duister en de oprukkende storm betekende dat ze al hun krachten moesten gebruiken om de bergkam te beklimmen en het gebied erachter te bereiken. Summerfield deed het baanbrekende werk, met zijn lichaam voorovergebogen naar de grond; in een langzaam maar resoluut tempo. Achter hem zaten Blanchflower en Firth die de ezels leidden, gevolgd door Scagg en de rest van de mannen die in een gelijkmatige stoet doorstapten met Johns als laatste man. Dit was de formatie die ze al bijna een week hadden aangehouden en op Scaggs aanraden moest hij ongewijzigd blijven.

“Er zal geen sprake zijn van achterblijvers als ze weten dat u de hekkensluiter bent,” had hij Johns op een zekere avond in de afzondering van hun tent laten weten. “Ik trek ze mee en u kunt ze zogezegd vooruit duwen.”

“Weet je zeker dat dat nodig is?” informeerde Johns. “Het zijn per slot van rekening allemaal zorgvuldig uitgekozen vrijwilligers die helemaal geen aansporing nodig hebben.”

“Let op mijn woorden, Mr Johns,” antwoordde Scagg. “Zelfs de meest enthousiaste vrijwilliger heeft af en toe een duwtje in de goede richting nodig.”

“Goed dan, als jij het zegt,” zei Johns. “Het heeft er veel van weg dat jij weet wat voor vlees we in de kuip hebben.”

Een tweede consequentie van dit beleid was dat Summerfield de facto de leider van de expeditie was geworden. Zijn enthousiasme had, na de voorzichtige woorden van Johns, klaarblijkelijk nog niets aan kracht ingeboet en hij was nog altijd degene die het kamp uitkoos omdat hij, zoals gewoonlijk, als eerste ter plekke was. In de dagen dat de storm woedde gaf hij blijk van een vlijmscherp talent om het ideale moment te bepalen waarop er gerust of gepauzeerd moest worden of wanneer ze volledig tot stilstand moesten komen. En vaak was het zo dat als de achterhoede op de nieuwe overnachtingsplek aankwam er al een rudimentaire wal stond en dat de plek voor de veldkeuken al zorgvuldig was aangegeven. Andere keren had Summerfield al een tijdelijk fornuis opgezet zodat zijn kameraden konden rekenen op warme moutmelk als ze hem hadden ingehaald. Johns leek zich volledig te hebben neergelegd bij zijn rol als wegbereider (zolang hij maar niet te ver vooruitliep) en merkte tegen Scagg op dat ze hierdoor verlost waren van de taak zich met logistieke zaken te bemoeien. De laatste tijd hadden ze regelmatig besprekingen gevoerd over de toestand van hun voorraden, gebaseerd op de berekeningen van Scagg. Hierbij werd ook gelet op de afgelegde afstand en de reis die ze nog voor de boeg hadden. Aan het eind van de twaalfde dag zaten Johns en Scagg in hun tent, gebogen over een bladzijde met berekeningen.

“Ja, daar ben ik het wel mee eens,” gaf Johns uiteindelijk toe. “Morgen lijkt me het meest geschikt. Denk je dat hij het wel alleen af kan?”

“Daar heb ik alle vertrouwen in,” zei Scagg. “Het is een heel capabel man, als hij z’n best doet.”

“Goed dan. Kun je vragen of hij even bij me komt?”

“Neem me niet kwalijk, maar ik ben zo vrij geweest om dat al te doen. Daar zul je hem net hebben.”

Buiten de tent klonk het gekraak van zware laarzen, gevolgd door een beleefde kuch waarna Cooks hoofd in de opening van de tent verscheen. “U wilde mij spreken, Mr Johns, meneer?”

“Ja, Cook. Kom binnen alsjeblieft.”

Cook deed wat hem werd opgedragen, zette zijn wollen bivakmuts af en hield deze stevig in een hand achter zijn rug vast.

Intussen was Scagg opgestaan en naar buiten gegaan. Tohns liet zijn ogen nog een keer over de berekeningen glijden en keek vervolgens naar de man die voor hem stond.

“Voel je iets voor een verandering, Cook?”

“Daar zou ik niks op tegen hebben, meneer.”

“Dan heb ik iets wat je voor me kunt doen.”

“Zegt u het maar.”

“Ik wil dat jij de aflossingsploeg wordt.”

“Wat zegt u?”

“Neem vier ezels mee en ga terug naar de blokhut.”

“Oh, natuurlijk, meneer.”

“Neem een dag of twee rust en dan, als je denkt dat de omstandigheden goed zijn, neem je resterende voorraden mee. Maar ga niet verder dan Summerfields Dal. Met enig geluk treffen we jou daar als we op terugreis zijn. Heb je dat begrepen?”

“Ja, meneer.”

“Mooi zo,” zei Johns. “Je kunt morgen meteen vertrekken. Je kunt bij Seddon terecht voor rantsoen en de spullen die je nodig denkt te hebben. Momenteel deel jij een tent met Medleycott en Sargent, is het niet?”

“Dat klopt, meneer.”

“Goed, dan denk ik dat ik even bij ze langsga om uit te leggen wat er gaat gebeuren. Ga jij maar voor, Cook.”

Een paar tellen later stonden ze in de nacht waar een zwakke gloed die uit elk van de drie andere tenten scheen de enige vorm van verlichting was. De rest van het kamp dat uit het zicht lag, werd geteisterd door de onvermoeibare wind. Cook, die vooropliep naar zijn tent en behoedzaam een rits stormlijnen vermeed, schoof de flappen van de tent opzij.

“Na u, meneer Tohns,” zei hij met luide stem.

Binnen was te zien hoe Medleycott en Sargent tegen hun bepakking onderuit lagen. Beiden tuurden terloops naar de ingang voor ze snel overeind gingen zitten om plaats te maken voor hun onverwachte gast. “Laat de formaliteiten maar achterwege,” zei Johns die naar binnen dook. Met een opgewekt gezicht glipte Cook achter hem aan. Na enkele beleefdheden te hebben uitgewisseld met de mannen informeerde Johns naar hun welzijn. Hij luisterde aandachtig naar hun antwoorden en vertelde ze daarna over Cooks ophanden zijnde vertrek. “Het markeert de tweede fase van onze operatie,” legde hij uit. “Ik heb het samen met Scagg uitgewerkt om ervoor te zorgen dat we volledig bevoorraad zijn tot en met onze terugreis. De andere kant van de medaille is dat we met vier ezels minder verdergaan dus ik ben bang dat we het zonder een deel van onze spullen moeten stellen. We zullen een van de tenten achterlaten als we morgen vertrekken met nog wat andere bagage en deze maatregelen moeten ervoor zorgen dat onze algehele last wordt gereduceerd. De grote telescoop bijvoorbeeld is overbodig gebleken en kan dus hier blijven. Ik zal zelf mijn kamptafel opofferen die ik als overbodige luxe ben gaan beschouwen. Als jullie een gelijksoortig gebaar willen maken, zou ik dat erg op prijs stellen.”

“We zullen erover nadenken,” bood Medleycott aan, na een afwachtende stilte.

“Uitstekend,” zei Johns. “Nou, dan wens ik jullie goede nacht en excuses voor het verstoren van jullie avond. Zorg dat je genoeg rust krijgt, Cook.”

“Dat zal ik doen, meneer. Welterusten.”

Johns ging nog bij de andere tenten langs om het nieuws aan iedereen te vertellen.

Toen ging hij terug naar Scagg die bij het lamplicht nog steeds zijn boek met berekeningen aan het bestuderen was.

“Ik vond dat Cook het bijzonder goed opnam,” merkte Johns op. “Hij gaf geen krimp toen hij werd geconfronteerd met ontelbare dagen van eenzaamheid in het vooruitzicht. Het was werkelijk bewonderenswaardig.”

“Ik verwacht dat hij er voor zichzelf het beste van zal maken,” zei Scagg. “Daar zorgt Cook meestal wel voor.”

“Tussen haakjes, is het je nog gelukt om een nieuwe indeling voor de tenten te maken?”

“Ik ben er net mee bezig, meneer. Met uw permissie wil ik Seddon bij Chase, Blanchflower en Firth zetten en dan kunnen Plover en Summerfield zich bij Medleycott en Sargent voegen.”

“Met z’n vieren in één tent,” zei Johns. “Dat wordt wel krap voor ze, vind je niet?”

“Ja, redelijk krap.”

“Moeten we misschien niet overwegen om één van hen bij ons te laten slapen?”

“Sorry, meneer Johns, maar daar wil ik niets van weten,” antwoordde Scagg. “U heeft uw privacy veel harder nodig dan zij.”¬

 

De volgende ochtend genoot Cook met volle teugen van zijn ontbijt en vroeg Seddon om een tweede en daarna zelfs een derde portie. Het was hem gegund, evenals enkele andere aanzienlijke ratsoenen. Toen begon Cook, die op zijn bepakking in de luwte van de wal zat, uit te weiden over de risico’s van zijn aanstaande reis. “Ik zal geen vriend hebben en helemaal alleen zijn,” jammerde hij. “Verloren in de wildernis zonder een ster die me de weg kan wijzen.”

“Ach, hou toch op,” zei Sargent. “Je hoeft alleen maar het spoor te volgen van de weg die we al hebben afgelegd.”

“Ik wist wel dat ik op jouw sympathie kon rekenen,” antwoordde Cook.

“Hier,” zei Medleycott, die hem een chocoladereep aanreikte. “Neem hier een stukje van, dat maakt je odyssee wat draaglijker.”

Cook bedankte hem en bereidde zich voor op zijn vertrek. Hij stond op en liet zijn blik over het kamp glijden. “Wat is het hier toch mooi,” merkte hij op. “Ik zal het echt missen. Prachtig landschap.”

Johns en Scagg hadden zich intussen bij de groep gevoegd.

“Veel succes, Cook,” zei föhns die zijn hand uitstak. “En dan zien we je weer bij Summerfields Dal.”

“Dank u, meneer,” antwoordde Cook, voor hij zich naar de verzamelde mannen omkeerde. “Nou mensen, ik zal met afgunst aan jullie denken als ik de blokhut heb bereikt. Als jullie de luxe van de veldbedden genieten, zal ik me moeten behelpen met lakens, kussens en een matras.”

“Oké, Cook, zo is het wel genoeg,” mompelde Scagg. “Schiet nou maar op of we sturen iemand anders.”

Cook salueerde, greep zijn bepakking en verdween met een hartelijke afscheidsgroet in de richting van de muilezels. Een paar tellen later hoorde je hoe hij de vier losmaakte die hij voor zijn reis had uitgekozen en toen was hij weg. Na het ontbijt werd het kamp afgebroken. Er werd ook een depot gemaakt dat bestond uit de extra tent en verschillende spullen die ze niet meer nodig achtten. Ze lieten hier ook een kleine voorraad noodrantsoenen achter. Johns gaf te kennen dat hij tevreden was met de overgebleven ‘lichtgewicht’ expeditie die zich voorbereidde om over een uur te vertrekken. Daarna las hij de namen voor van de mannen die de resterende tenten zouden delen. Plover leek wat moeite te hebben met het verwerken van deze aankondiging en vroeg of hij de lijst kon herhalen. Toen hij hem nog een keer had gehoord, viel hij wederom stil.

Net voor het vertrek werd Scagg benaderd door Blanchflower en Firth die met enige aandrang tegen hem spraken waarop hij op zijn beurt om een discreet woordje met Johns vroeg.

“Wat is er, Scagg?” informeerde Johns toen ze van de andere mannen vandaan liepen.

“Cook heeft vier ezelinnen meegenomen,” antwoordde Scagg. “Het was Blanchflower en Firth opgevallen toen zij de bepakking gingen opladen. Hij had twee van elk geslacht mee moeten nemen, of niet soms?”

“Natuurlijk had hij dat moeten doen,” zei Johns. “Je zou toch zeggen dat iedereen dat wel weet.”

“Maar heeft niemand het aan hem uitgelegd?”

“Ik zeker niet.”

“Nou, ik ook niet.”

“Wat ellendig! Dat betekent dat we minder fokparen tot onze beschikking hebben.”

“Zal ik Sargent achter hem aan sturen?”

Johns zuchtte en schudde langzaam zijn hoofd. “Nee, Scagg, hij is al te ver weg. We kunnen niet nog meer tijd verliezen, niet nu de voorraden beginnen te slinken. We zullen het gewoon weer moeten doen met de ezels die we hebben. En er valt Cook nauwelijks iets te verwijten als wij het niet voor hem hebben uitgespeld.”

Er viel een korte pauze waarin Scagg zijn keel schraapte. Hierdoor keek Johns hem snel aan.

“Is er verder nog iets?”

“Ik ben bang dat ik ook een blunder heb begaan, meneer,” antwoordde Scagg. Hij haalde een sleutel uit zijn zak die hij in zijn handpalm liet liggen. “Ik ben vergeten om hem aan het haakje te hangen toen we de blokhut verlieten. De deur is op slot.”

“Lieve hemel, Scagg,” zei Johns. “Dat is niks voor jou.”

“Ik weet het, meneer, en het spijt me heel erg. Ik kan alleen maar bedenken dat ik met mijn hoofd ergens anders was. Gelukkig hebben we alle voorraden buiten opgestapeld dus Cook kan er gewoon bij.”

“Dat is zeker een geluk.”

“Maar hij zal geen gebruik kunnen maken van zijn lakens, kussens en matras.”

“Ja, ja,” zuchtte Johns. “Misschien is het wel een goed lesje voor hem om voortaan niet meer zo geestig te zijn. Ik veronderstel dat hij wel zijn slaapzak bij zich heeft?”

“Ja, en nog een extra geloof ik.”

“Mooi zo. Dan zal hij zich gewoon warm moeten toedekken ‘s nachts.”

Toen hun bespreking was afgelopen, liepen ze terug naar de rest van de groep.

“Hoe staat het met de wind, Chase?” vroeg Johns.

“Pal in het gezicht, meneer,” klonk het antwoord. “Geen verschil met gisteren.”

“Het ziet ernaar uit dat we weer een zware mars voor de boeg hebben. Kun jij Summerfield vertellen dat we kunnen vertrekken?”

“Zeker, meneer.”

“O, en Chase,” voegde Johns eraantoe, “als jij deze plek op de kaart gaat markeren, noem hem dan Cooks Dwaasheid.”

“Zoals u wilt.”

Johns wachtte toen Chase naar voren liep om de boodschap aan Summerfield over te brengen. Een minuut later zette de stoet ezels zich in beweging. Langzaam liepen ze de duisternis in, met Blanchflower en Firth voorop en de rest van de mannen erachter. Uiteindelijk bleven alleen Plover en Johns over.

“Alles in orde, Plover?” vroeg Johns, toen Plover niet in beweging kwam.

“Ja, het gaat best, dank u,” antwoordde Plover.

“Ik hoop dat je geniet van ons uitstapje?”

“Tot nu toe wel, ja.”

“Mooi. Mooi.” Johns wachtte nog even en zei toen: “Nou, vooruit met de benen, Plover, voor we ze kwijtraken.”

“Natuurlijk, Mr Johns, het spijt me,” zei Plover, die zich plots omdraaide en de achtervolging inzette. Johns keek hem een paar seconden na voor hij achter hem aan ging.

Ze staken weer een bergkam over met de blijkbaar onuitputtelijke losse stenen. Het was de afgelopen twaalf moeizame dagen niets anders geweest dan bergkam op, bergkam af en daarna altijd weer op. Maar deze ochtend, zo vlak voor zonsopgang, leek er iets te veranderen. Nadat ze de tweede bergkam hadden beklommen, merkten ze dat de helling alleen maar afliep zonder enige indicatie van een volgende stijging. De storm sloeg ze nog steeds meedogenloos om de oren, maar toen ze op een gegeven ogenblik stopten om te pauzeren, hing er niettemin een gevoel van optimisme in de lucht. Johns en Scagg bespraken, met hun rug naar de wind, in het getemperde middaglicht, de vooruitzichten van het welslagen van de expeditie.

“Ik weet bijna zeker dat deze puinhelling vanaf nu alleen nog maar afloopt,” veronderstelde Johns. “Daarna wordt het misschien een laagvlakte.”

“We maken meteen al betere vorderingen,” zei Scagg.

“Ja, dat klopt,” zei Johns. “Zo is het humeur van de mannen er ook op vooruit gegaan. De enige uitzondering is Plover. Ik ben echt een beetje bezorgd, hij heeft de hele ochtend nauwelijks een woord gezegd. Hoe zou dat komen, Scagg?”

“Hij vindt het vast niet prettig dat hij met drie anderen in een tent wordt gepropt.”

“Op een reis zoals als deze is dat nu eenmaal onvermijdelijk. Iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen.”

“Ik denk dat Plover daar anders over denkt, Mr Johns.”

“Bedoel je dat hij een snob is?”

“Zo zou ik het niet willen zeggen, meneer.”

“Dus hij is een snob. Nou, het was me al opgevallen dat hij niet echt een gezelligheidsdier is. Hij gaat nooit echt mee in de stemming binnen de groep. En hij blijft maar vasthouden aan die hoge pet met klep. Heb je hem daar trouwens al over aangesproken?”

“Nog niet, nee. Sorry.”

“Ja, want het laatste wat we kunnen gebruiken is dat Plover bevriest als gevolg van…”

Johns hield op met praten toen Plover plotseling links van hem verscheen met een stomende mok in zijn hand. Toen hij in de gaten kreeg dat ze naar hem stonden te kijken, stopte hij om even te knikken, maar hij kwam niet naderbij.

“Ah, warme drank,” zei Johns die overeind kwam. Met een knikje richting Plover slenterde hij naar de veldkeuken. Scagg was in de tussentijd ook opgestaan en trok zijn overjas recht. Toen wandelde hij naar Plover.

“Je oren zullen wel pijn doen zeker?” zei hij.

“Niet echt,” antwoordde Plover. “Die van jou wel?”

“Nee, zeker niet,” zei Scagg. “Maar ik ben verbaasd dat jij geen last hebt. Erg verbaasd.”

Nadat Scagg hem had achtergelaten, bleef Plover nog een tijdje staan. Hij tuurde in de verte terwijl hij zijn mok leegdronk en hem aan Seddon teruggaf. Vervolgens pakte hij zijn rugzak en maakte de riempjes los. Hij graaide erin tot hij zijn wollen bivakmuts had gevonden die hij onmiddellijk verwisselde met zijn hoge pet met klep.¬

 

“Het spijt me dat ik niemand meer een stuk chocolade kan aanbieden,” zei Medleycott. “Ik ben bang dat Cook de hele reep heeft meegenomen.”

“Ik denk dat ik nog ergens iets heb,” zei Summerfleld. “Ik zal straks even kijken.”

Het was de avond van diezelfde dag en alle bedden waren al opgemaakt voor de nacht. De drie tenten stonden in een halve cirkel met de ingangen naar elkaar toe. De tent van Johns stond in het midden, gericht naar het zuiden. Zijn oosterburen waren Medleycott, Summerfield, Sargent en Plover, hoewel Plover op dat moment niet aanwezig was.

“Hij zei dat hij een kijkje in de omgeving ging nemen,” bracht Medleycott zijn gezelschap op de hoogte.

“Ik hoop dat hij snel terugkomt,” zei Sargent. “Ik wil gaan slapen.”

“Als jij nu eens die slaapplaats aan het einde neemt?” stelde Summerfield voor. “Dan kan niemand je verder meer storen.”

“Ik vind het prettig om bij de ingang te slapen,” antwoordde Sargent.

“Dan ga ik aan het einde liggen als niemand daar bezwaar tegen heeft.”

Op dat moment ging het doek open en kwam Plover binnen. In plaats van de flappen weer snel dicht te doen, bleef hij in de opening staan om zijn laarzen uit te trekken waardoor er een koude windvlaag in de tent kwam. Medleycott en Sargent keken elkaar aan maar zeiden niks toen de lamp opflikkerde. Plover, op zijn beurt, sprak met niemand. Intussen strekte Summerfield zich uit op zijn slaapzak. Hij had nog steeds zijn jekker aan en na een paar seconden kwam hij overeind. Hij stak zijn hand in zijn binnenzak en haalde het handboek tevoorschijn dat Johns hem enkele dagen ervoor gegeven had. Het had een effen grijze kaft met vetgedrukte zwarte letters erop:

De theorie van het transport

door

F.E. Childish

Summerfield, die het boek bij het licht van de lamp hield, begon te lezen.