2
“Waarom maakt hij het zichzelf zo moeilijk?” zei Tostig. “Wij hebben een pad uitgestippeld langs onze rivierbedding waar niks mis mee was en we hebben het om de zoveel meter duidelijk gemarkeerd, maar om de een of andere reden moest en zou hij een totaal andere route nemen. Volslagen onnodig.”
“Misschien probeert hij er toch een wedstrijd van te maken,” zei Guthrum.
“Zou je denken?”
“Hij lijkt het bewijs zelf te leveren.”
“Daar heeft het inderdaad alle schijn van, Guthrum, jazeker. Dus dat is hij van plan, hè? Goed dan: als hij zo graag een wedstrijd wil dan kan hij er een krijgen ook!”
Tostig tilde zijn verrekijker op en bleef kijken terwijl de kleine figuren in de verte zich centimeter voor centimeter over de kiezels voortbewogen. “Elf mannen,” zei hij. “En twee dozijn muilezels. Om en nabij de twee dozijn. Veel meer dan hij nodig heeft, zou ik zeggen, tenzij hij grote verliezen verwacht.”
“Hij heeft een stevig tempo,” merkte Guthrum op. “Dat moet een hels oppervlak zijn om overheen te trekken.”
“Het verbaast me helemaal niks,” antwoordde Tostig. “Het zijn nomaden, net als wij en zo’n traag recht stuk ontmoedigt ze echt niet. Afzien betekent niks voor ze.”
“Gaat u de anderen vertellen dat we een rivaal hebben?”
“Ja, natuurlijk. Ze moeten onmiddellijk geïnformeerd worden. Kom mee.” Zonder verder een woord te wisselen, keerden de mannen zich om en lieten hun uitkijkpunt achter zich. Ze hadden op een natuurlijke grens gestaan die aan één kant van de droge waterbedding omhoogliep. Onder hen, in de zanderige bedding waren hun drie reisgenoten het kamp aan het opbreken. De rivier was aanzienlijk smaller geworden sinds het begin van hun reis; er waren veel meanders en de dorre banken waren op veel plaatsen afgebrokkeld. Hoe dan ook, hij leverde wel een voortdurende kant-en-klare landinwaartse route op. Tostigs tocht was tot nu toe een makkie geweest. Nu, bij zijn terugkomst, had hij een mededeling voor hen.
“Johns en zijn gezelschap zijn eindelijk opgedoken,” begon hij. “We hebben zojuist gezien hoe ze op ongeveer negentien kilometer ten westen van ons een kiezelvlakte oversteken. We liggen nog steeds op ze voor, maar het is duidelijk dat ze behoorlijke vooruitgang hebben geboekt. Of ze dit tempo zullen volhouden is een geheel andere kwestie. Voorzover ik het kan zien, hebben ze enorme hoeveelheden voorraden en apparatuur bij zich, dus ik denk dat we rustig kunnen stellen dat dit meer dan een halfslachtig uitstapje is. Het is duidelijk dat Johns en Co de mouwen hebben opgestroopt.”
Tostig stopte even om de mannen de tijd te geven dit nieuws met elkaar te bespreken. Toen ging hij verder.
“Zoals jullie misschien wel weten, bestaat de bemanning van Johns uitsluitend uit vrijwilligers, terwijl wij natuurlijk allemaal professionals zijn. Bovendien hebben we het voordeel dat we met een kleinere ploeg zijn. Door onze lichtere bepakking kunnen we sneller tempo maken en hoewel we niet zijn uitgerust om lang op onze bestemming te blijven, twijfel ik er niet aan dat we de benodigde feiten binnen de gestelde tijd zullen vergaren. Ondertussen stel ik voor dat we zo lang mogelijk deze rivierbedding volgen. Heb jij onze positie bepaald, Thorsson?”
“Ja,” luidde het antwoord. “We zitten nog steeds op koers.”
“Dat is mooi.” Tostig knikte instemmend. “En van nu af aan,” voegde hij eraantoe, “laten we geen behulpzame markeringen meer achter.”
Hierdoor schoten de verzamelde mannen in de lach waarna ze weer snel doorgingen met hun afgebroken activiteiten. Het kamp bestond uit vijf éénpersoonstenten, iedereen had zijn eigen tent. Ze hadden ook een iets grotere tent als opslagruimte. Alles kon in een mum van tijd worden ingepakt. Tostig reisde met tien muilezels en ze zorgden er goed voor dat de voorraad eerlijk over de ezels werd verdeeld. Toen dit was gebeurd, gingen Tostig en Thegn op kop en werden ze op de voet gevolgd door Snaebjorn, Thorsson en Guthrum. Het was nog vroeg in de ochtend.
Allevijf droegen ze jekkers. Het gezelschap had nog niets van de barre weersomstandigheden meegemaakt die verderop in het westen heersten en vooralsnog hadden ze geen behoefte aan wollen mutsen. In plaats daarvan droegen ze een marinepet met een rode band. Tostigs pet was onderscheiden met drie zilveren sterren, Guthrums met twee en die van de rest met een.
“Hoe ervaar jij onze strijd met de beruchte Mr Johns?”
Tostig had de vraag gesteld aan Thegn die zijn best moest doen om hem bij te houden.
“O, het is een grote eer, meneer,” antwoordde hij. “Ik heb het aan u te danken dat ik hieraan mag deelnemen.”
“Onzin,” zei Tostig. “Je hebt niks aan mij te danken. Je bent hier, net als de anderen, vanwege je eigen kwaliteiten.”
“Ik zal mijn best doen om de missie te laten slagen.”
“Als ons geluk aanhoudt, weet ik zeker dat het gaat lukken.”
Thegn stopte en keek om naar de ezels die langzaam in hun kielzog achter ze aan sjokten. Toen verdubbelde hij zijn pas om zich weer bij zijn leider te voegen.
“Is het waar dat u Johns een aantal jaar geleden hebt ontmoet?” vroeg hij.
“Nee,” antwoordde Tostig vinnig. “We hebben elkaar nooit gesproken.”
“Maar ik dacht dat u allebei de eerste vergadering had bezocht.”
“Dat klopt maar om je de waarheid te zeggen, heb ik hem nauwelijks gezien. Hij is vanaf het begin heel erg op de achtergrond gebleven en heeft geen poging gedaan om in de ware zin van het woord ‘te vergaderen’. In die tijd was ik me er niet van bewust dat wij dezelfde ideeën hadden. Als iemand ons aan elkaar had voorgesteld, hadden we daar allebei iets aan kunnen hebben, maar het heeft niet zo mogen zijn. En zoals je weet, heeft hij niet de moeite genomen om naar de tweede conferentie te komen.”
“‘Geen Woorden Maar Daden’,” zei Thegn.
“Precies.”
“Zijn eigen lof zingen, kun je beter zeggen.”
“O, ik neem het hem niet kwalijk dat hij zo in de publiciteit is gekomen,” zei Tostig.
“De wereld moest vernemen wat er op tafel was gelegd. Maar hij leek het als een voldongen feit te beschouwen dat hij vooropliep in die strijd. Dat was het moment waarop ik besloten heb om ook te gaan en te zien wat ik kon doen. Het is gewoon toeval dat wij net iets eerder dan hij zijn aangekomen.”
“Ik neem aan dat hij op de hoogte is van onze aanwezigheid?”
“Ongetwijfeld. Je kunt maar op één manier de kust bereiken dus hij moet ons schip gezien hebben. En daarbij heeft hij van de blokhut gebruikgemaakt.”
“Ja, natuurlijk.”
“Johns weet donders goed dat wij er zijn.”
Thegn zette de conversatie niet verder voort omdat hij de ezels moest helpen een diepe kloof te betreden, daar waar de oevers van de rivier samenkwamen. Het zicht was hier slecht en pas na enige voorzichtige handelingen van Snaebjorn waren ze in de richting van de smalle opening te bewegen. Er lag hier geen zand meer maar bezinkingsgesteente, wat erop duidde dat zich hier ooit een krachtige stroom door de kloof had geperst. Tostig keek hoe de laatste ezel twijfelde en achteruitdeinsde voor hij uiteindelijk naar voren dook en bij de andere terechtkwam.
“Vroeg of laat zullen ze toch aan dit halfduister moeten wennen,” merkte hij op tegen Guthrum. “Het zal niet lang meer duren voor we nauwelijks meer een spatje daglicht zullen zien.”
“Hoeveel dagen met daglicht hebben we nog in het vooruitzicht?” informeerde Guthrum.
“Veertien volgens Thorssons berekeningen.”
“En dan gaat de echte test beginnen.”
“Dat kun je wel zeggen.”
Snaebjorn had de leiding over de stoet ezels overgenomen. Hij dirigeerde de dieren met veel ijver door de kloof en vermeed de gevallen rotsblokken waarmee het pad was bezaaid. De bedding werd al snel weer zanderig, maar het was duidelijk dat de reis in een nieuwe fase was beland. In plaats van brokkelige oevers, verrezen aan weerszijden steile hellingen die elk geluid weerkaatsten.
“Nu zitten we dus aan deze koers vast,” zei Tostig. “Nu hoeven we ons dus niet meer af te vragen of de route die we hebben gekozen wel de goede is of niet. De topografie van het gebied heeft ons geen keuze gelaten en daar kunnen we niks meer aan veranderen. In plaats daarvan moeten we al onze inspanningen richten op een snelle en efficiënte voortgang.”
Tostigs ezels hadden elk een kleine bronzen bel aan hun halsband hangen. Deze bellen rinkelden in koor toen het groepje zich voortbewoog in een slingerende mars die niet ophield tot de aanhoudende druilerigheid was overgegaan in een voortijdige schemering. Toen gaf Tostig eindelijk de opdracht om het kamp op te slaan. Lantaarns werden aangestoken en de tenten werden in een strakke lijn naast elkaar gezet onder aan de muur van steen. Intussen was Snaebjorn aan het avondeten begonnen.
“Ik zie geen reden om de ezels te tuieren vannacht,” kondigde Tostig aan. “Niet op deze desolate plek. Maak ze maar los en dan blijven ze wel bij ons in de buurt. Dan ga ik nu met Guthrum een korte verkenningswandeling maken.”
Even later kroop Snaebjorn uit de voorraadtent en liep naar het kookgedeelte. Toen keerde hij nog een keer terug naar de tent. Toen hij voor de tweede keer tevoorschijn kwam, stond Thegn voor hem.
“Ja?” zei hij.
“Zoek je deze soms?” vroeg Thegn en hij stak een stel miniatuur weegschaaltjes in de lucht.
“Toevallig wel,” antwoordde Snaebjorn. “Ik heb ze overal gezocht.”
“Het spijt me.”
“Wat heb je ermee gedaan?”
“Ik heb er onderzoek mee gedaan,” zei Thegn. “Ik heb ze geleend om iets uit te proberen.”
“Aha.”
“Weet je, de organisatie van onze reis is echt ongelofelijk. Behoorlijk grondig! Over elk aspect is van tevoren nagedacht, tot in de kleinste details. Bijvoorbeeld, wat is het verschil tussen het gewicht van een waterbus en een blikje biscuits?”
“Geen idee,” zei Snaebjorn.
“Raad eens.”
“Ik zeg toch dat ik geen idee heb.”
“Niks,” loste Thegn het raadsel op. “Ze wegen allebei precies hetzelfde.”
“Je meent het.”
“Tot op de gram. Blijkbaar moest er aan zoveel logistieke eisen worden voldaan dat ze, om dingen te vereenvoudigen, alle voorwerpen hebben ingedeeld in vaste gewichtseenheden. Zo kun je bijvoorbeeld een opgevouwen tent vervangen door, laten we zeggen, een tros touw zonder dat het wat uitmaakt voor de algehele lading. Als het je interesseert, kun je de exacte methode nalezen in de Scheepshandleiding.”
“Ik hou het in gedachten.”
“Appendix B.”
Snaebjorn pakte de weegschaaltjes en hield ze voor onderzoek omhoog. “Je bent wel goed geïnformeerd voor iemand die er zo laat bij is gekomen,” merkte hij op. “Alles was al ingeladen tegen de tijd dat jij aan boord kwam.”
“Daar was niks aan te doen,” antwoordde Thegn. “Ik ben zo snel als ik kon gekomen.”
“Dat is nog geen excuus om die weegschaal zonder toestemming te lenen.”
“Dat heb ik toch ook nooit beweerd.”
“Ze zijn ervoor om porties af te meten, niet om experimenten mee te doen.”
“Oké, het spijt me. Het zal niet meer gebeuren.” Er bewoog iets in het donker en Tostig verscheen.
“Hoe staat het met het eten?” informeerde hij.
“Bijna klaar,” antwoordde Snaebjorn. “Ik heb de nieuwe zakjes opengemaakt.”
“Het gedroogde voedsel?”
“Ja.”
“Heel goed,” zei Tostig. “Thegn, dit zal jij ongetwijfeld interessant vinden. Kom eens kijken.”
Ze volgden Snaebjorn naar het kookgedeelte waar een grote ketel water bijna stond te koken.
“Gedroogd voedsel is zonder meer hét wonder van deze eeuw,” ging Tostig verder. “Het is de sleutel voor lange reizen en daardoor hebben we de zware zakken die we moesten dragen niet meer nodig. Onze voorraden zijn het resultaat van beperkt onderzoek, maar zelfs in dit beginstadium zijn de gigantische reducties al een groot succes. In de nabije toekomst kan een hele maaltijd worden opgeslagen in een kubus die niet groter is dan een dobbelsteen.”
“Dat klinkt als iets van onschatbare waarde,” zei Thegn.
“Het is zeker onschatbaar,” stemde Tostig in. “En er zijn nog bijkomende voordelen ook. Het betekent dat we niet meer aan tafel hoeven te zitten met mensen die we niet kunnen luchten of zien. Je pakt gewoon je blokje en eet het alleen op. Wat zeg je daarvan, Snaebjorn?”
“Onschatbaar,” mompelde Snaebjorn, voor hij in het duister verdween. Hij kwam terug met een linnen zak waarvan hij de inhoud in de ketel goot.
“Is dat alles?” vroeg Thegn.
“Dat is alles,” zei Tostig. “Een maaltijd voor vijf. Ga de anderen maar even roepen.”
“We zijn er al,” zei Guthrum.¬
Onder normale omstandigheden nam het afbreken, opvouwen en opbergen van een éénpersoonstent vijf minuten in beslag. In de schemering duurde het iets langer, maar Tostig stond er desondanks op dat ze het iedere dag oefenden voor het geval ze ineens een keer snel moesten vertrekken. Alleen Snaebjorn kreeg het binnen vijf minuten voor elkaar. De anderen waren zelden getuige geweest van zijn prestatie omdat hij altijd als eerste opstond en zijn tent onmiddellijk afbrak. Tijdens hun eerste ochtend in de kloof zagen ze hem rondlummelen toen het duister langzaam plaatsmaakte voor flets daglicht. Hij had de ezels gevoed en de pan voor het ontbijt opgezet en er restte hem niks anders dan te wachten tot zijn reisgenoten ook wakker werden. Hij zag dat de ezels aan de uiterste rand van het kamp bij elkaar waren gekropen, op de plek waar ze ook de lange uren van de nacht hadden doorgebracht. In die nacht had het sporadische gerinkel van een bel aangegeven dat een van de ezels was opgeschoven naar een beter plekje om daarna weer verder te slapen. De ezels stonden, net als Snaebjorn, ook te wachten. Na een tijdje liep hij naar de rotsmuur. Hij vond een steunpunt en klom het korte stukje tot de rand omhoog waar hij minutenlang naar de rij stille tenten onder hem tuurde. Niks bewoog. Geen vogels. Geen insecten. Niks. Met enige moeite liet hij zich naar beneden zakken en keek naar zijn handpalmen. Er zaten lichtblauwe vlekken op. Hij stond ze nog steeds te bestuderen toen Guthrum zijn hoofd uit de ingang van zijn tent stak. Hij kwam volledig aangekleed te voorschijn, stond rechtovereind en zette zijn pet recht op zijn hoofd. Toen zag hij Snaebjorn en hij knikte hem toe.
“Hoe bevallen die twee sterren je?” informeerde Snaebjorn.
“Mij zul je niet horen klagen,” antwoordde Guthrum. “En hoe bevalt jou die ene ster?”
“Gaat wel.”
“Heb je nog geslapen?”
“Vieruurtjes.”
“Dat is meer dan genoeg voor jou.”
“Meer dan genoeg voor wie dan ook.”
“Misschien wel,” zei Guthrum. “Maar we mogen zes uur slapen dus als de andere mannen ‘uit willen slapen’ is dat hun volste recht.” Hij gebaarde naar het kookgedeelte. “Ik zie dat je niet stil hebt gezeten. Wat krijgen we voor ontbijt?”
“Hetzelfde als gisteren.”
“En net zo smakelijk mag ik hopen?”
“Uiteraard.”
“Is het al ochtend?” zei Tostig die zijn hoofd uit de tweede tent stak. Bij het geluid van zijn stem staken Thegn en Thorsson al snel hun hoofden uit de opening van hun tent en binnen enkele seconden was iedereen opgestaan.
Direct na het ontbijt ging Snaebjorn voorbereidingen treffen voor de reis van die dag, hij tuierde de ezels in een rij en voorzag ze één voor één van bepakking. Hij was net de goederenlijst aan het nalopen toen Thegn naar hem toe kwam en aanbood om te helpen. Snaebjorn sloeg het aanbod beleefd af door te zeggen dat het waarschijnlijk makkelijker was als hij het gewoon zelf even deed. Maar Thegn hield aan en hij mocht uiteindelijk meehelpen om elke lading ‘vast te knopen’.
“Het lijkt me dat je dit vroeg of laat onder de knie moet krijgen,” gaf Snaebjorn zich gewonnen. “Hou jij de ezel stil en let goed op als ik het voordoe. Dit deel van het touw in mijn linkerhand heet het vaste deel.”
“Het vaste deel,” herhaalde Thegn. “Juist.”
“Nu pak je het andere gedeelte, maak een lus, leg het achter het vaste deel en draai het als volgt. Dan trek je het losse eind erdoorheen tot je de juiste spanning hebt en knoop het vast. Heb je het gezien?”
Na een tweede demonstratie zei Thegn dat het hem wel zou lukken en hij deed zelf een poging om een lading vast te knopen. Snaebjorn zei dat het resultaat ermee door kon, maar dat hij het liever zelf nog eens over deed, als Thegn daar niks op tegen had. Toen ze naar de volgende ezel gingen deed Snaebjorn het knoopwerk. En die erna. In de tussentijd stond Thegn er zwijgend naar te kijken. Uiteindelijk was de laatste ezel aan de beurt en op dat moment kwam Tostig aangeslenterd.
“Ik zie dat je een hulpje hebt gevonden,” merkte hij op.
“Ik heb hem niet gevonden,” antwoordde Snaebjorn. “Hij heeft mij gevonden.”
“Ik ben de kneepjes van het vak aan het leren,” zei Thegn. “Het is heel interessant.”
“Fijn dat te horen.”
“En toen schoot me ineens weer een vraag te binnen.”
“En die luidt?”
“Ik vroeg me af of deze ezels enig idee hebben wat ze te wachten staat.”
“Natuurlijk niet,” zei Tostig. “Waarom zouden ze?”
“Omdat ze zo stil zijn.”
“Dat is een goed teken, geen slecht teken. Op zo’n reis als deze kun je geen opgewonden ezels gebruiken.”
“Maar je kon toch zien met hoeveel tegenzin ze deze kloof in zijn gegaan. Als Snaebjorn het niet zo uitstekend had aangepakt, dan hadden we ze bijna mee moeten sleuren. Het schoot plotseling door m’n hoofd dat ze misschien later voor problemen gaan zorgen. Als het tot ze door gaat dringen.”
“Zij zullen niet voor problemen zorgen,” zei Tostig. “Ik ben nu heel wat jaartjes met ezels in de weer en ik kan je verzekeren dat hun besef van dingen niet veel verdergaat dan de dagelijkse dingen als werken, eten en rusten. Ze hebben geen idee van onze bestemming. En dat zenuwachtige gedoe aan het begin van de kloof hadden we te danken aan de schaduwen die ze bang maakten. Iedereen weet dat ze niet van het donker houden. Moet je ze zien nu ze eraan gewend zijn: zo kalm als wat. Maak je geen zorgen, Thegn. Zo lang we ze niet overbelasten, is er niks aan de hand.”
“Nou ja, ik leg me geheel bij uw mening neer,” antwoordde Thegn. “Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik het onderwerp heb aangesneden?”
“Natuurlijk niet. Het is altijd het beste om je hart te luchten. Maar ik ben erg verheugd dat jij en Snaebjorn zo’n goed team vormen samen omdat ik wil dat jullie vandaag vooroplopen. Guthrum en ik hebben gisteravond het terrein dat voor ons ligt vluchtig verkend en het ziet er redelijk uit. Dus als jullie er klaar voor zijn…”
“We zijn nu al klaar,” zei Snaebjorn.
“Heeft iedereen gegeten?”
“Ja.”
“Is alles gepakt?”
“Ja.”
“Uitstekend,” zei Tostig. “Ik zou niet weten hoe we ons zonder jou zouden redden, Snaebjorn.”
Korte tijd later ging de hele groep op pad, achter elkaar in een rechte rij. Snaebjorn liep voorop. Met een zware bepakking op zijn rug had hij nu de rol van verkenner op zich genomen en Thegn en de stoet ezels volgden hem op de voet. Daarna kwam Thorsson, toen Tostig en als laatste Guthrum. Terwijl de kloof steeds dieper werd, werd het licht steeds zwakker. De droge wanden torenden aan beide kanten hoog boven hen uit en zo nu en dan kwam er een regen van steenschilfers naar beneden, maar al met al leken ze redelijk solide. Af en toe stopte Thorsson om hun veronderstelde positie in zijn logboek te noteren. (Het land was nog nooit in kaart gebracht, en zijn bevindingen waren dan ook voornamelijk gestoeld op giswerk. Maar desondanks stelden ze hem en Tostig in staat om iedere avond een begin te maken met een basiskaart waarop zij steeds meer details aanbrachten naarmate de expeditie vorderde.) Als Thorsson aantekeningen maakte, gebruikten de twee mannen achter hem de pauze om hun omgeving in zich op te nemen. Soms volgde er een korte uitwisseling op een vraag over het moeilijk begaanbare terrein of over de volgende rustpauze, maar meestal stond iedereen stilzwijgend, in gedachten verzonken te wachten tot de reis werd hervat en dan zorgden de echoënde bellen voor het enige geluid. Zo gauw Thorsson zijn boek had weggestopt, zette het drietal zich in beweging, altijd op rij, om zich weer bij de ezels aan te sluiten.¬
“Was het jou gisteren ook opgevallen?” vroeg Tostig. “Toen we naar Johns en zijn gezelschap keken. Heb je gezien hoe blauw die kiezels waren?”
“Jazeker,” antwoordde Guthrum.
“En jij ging ervan uit dat het met de lichtval te maken had?”
“Ja.”
“Ik ook,” viel Tostig hem bij. “Daarom heb ik het al die tijd voor me gehouden. Maar nu begin ik te vermoeden dat het iets inheems is. Vandaag heb ik al een paar keer dezelfde blauwe kleur in de steenlagen ontdekt. Zeer uitzonderlijk.” Het was avond en ze waren samen weer een wandelingetje buiten het kamp aan het maken. Nu stonden ze nietig aan de voet van enorme hoogtes terwijl de nacht hen langzaam besloop.
“Misschien kunnen we op de terugweg wat geologische monsters meenemen,” stelde Guthrum voor.
“Ja, dat was ik al van plan,” zei Tostig. “Het is zaak dat we ons het hoofd niet op hol laten brengen door vermoedelijk onbekende mineralen en van die dingen meer. Aan de andere kant zal een steentje meer of minder nauwelijks iets aan onze bepakking toevoegen.”
“Niet als ze op de juiste manier worden ingepakt.”
“Dat moeten we dan aan Snaebjorn overlaten; hij is de expert. O, en tussen twee haakjes, ik heb jullie gesprek toevallig opgevangen vanochtend. Hij zei iets over de twee sterren op jouw pet.”
“Dat klopt, ja,”
“Zeg me eens. Koestert Snaebjorn ambities om leider te worden?”
“Niet voorzover ik weet.”
“Waarom zei hij er dan iets over?”
“Ach, we kennen elkaar nog van vroeger,” zei Guthrum. “We waren verwikkeld in een soort luchtige rivaliteit, verder niets.”
“Ik snap het.”
“Snaebjorn bedoelde er niks mee, dat kan ik u verzekeren.”
“Mooi.” Tostig stond een paar tellen stilzwijgend te midden van de oprukkende duisternis. Daarna nam hij weer met opgewektere toon het woord. “Guthrum,” zei hij. “Jij blijft mijn vertrouwde Nummer Twee.”
“Dank u, meneer,” was daarop het antwoord.
Bijna tegelijkertijd werden ze begroet door een derde stem die in de verte uit het duister kwam. “Ik kan jullie niet zien!”
“We zijn hier!” riep Guthrum.
“Ah, bedankt!” klonk de stem weer en een minuutje later dook Thegn op uit de duisternis.
“Is er iets aan de hand?” vroeg Tostig.
“O, nee,” zei Thegn. “Het spijt me als ik u heb laten schrikken, maar de tenten staan en het eten is klaar en er was verder niks meer te doen; dus ik ben zo vrij geweest om de ‘verkenners’ te zoeken.”
Guthrum wierp een snelle blik op Tostig en staarde daarna ernstig naar de grond. Intussen gleed er een vage glimlach over Tostigs gezicht.
“Nou, je hebt ons gevonden,” zei hij. “We stonden net op het punt om terug te gaan.”
“Hoe is de verkenning gegaan?” informeerde Thegn.
“Het was zeer interessant.”
“Is…”
Thegn brak zijn zin af omdat zijn twee commandanten zonder een woord te zeggen plotseling wegbeenden in de richting waar hij net vandaan was gekomen. Hij volgde in hun kielzog en tuurde af en toe in de donkere omgeving, maar stelde verder geen vragen meer.
Toen ze het kamp hadden bereikt, kwamen ze Thorsson tegen die druk bezig was om de rudimentaire kaart bij te werken. Op de grond lag een groot opengevouwen stuk papier met een lamp ernaast en Thorsson op zijn knieën ervoor. In een doosje naast hem zat een aantal pennen in verschillende kleuren inkt die hij gebruikte om de details aan te brengen. Hij had het zojuist afgelegde gedeelte van de kloof gearceerd en zijn geschatte afmetingen opgeschreven. Zo had hij ook de laaggelegen gedeeltes van de droge rivierbedding, het kustgebied rondom de blokhut en het gebied met de kiezels in het westen aangegeven. Het grootste gedeelte van de kaart was leeg met uitzondering van een punt in de verste hoek waar een dikke X stond met de letters OVP ernaast.
“Ah, Thorsson,” zei Tostig. “Het ziet ernaar uit dat jij nog uren op je knieën moet liggen.”
“Zonder meer,” antwoordde Thorsson.
Net buiten de verlichte kring stond Snaebjorn. Hij stond stilletjes naar Thorsson te kijken die nauwkeurig de berekeningen uit zijn logboek op de kaart zette. Intussen liep Thegn eromheen en ging in de uiterste hoek op zijn hurken zitten.
“Is dit het Overeengekomen Verste Punt?” vroeg hij terwijl hij naar de dikke X wees.
“Klopt,” zei Tostig.
“Dan hebben we nog een eindje te gaan.”
“Jazeker,” luidde het antwoord. “Nog een heel roteind te gaan.”
Ze keken allemaal toe hoe Thorsson zijn aantekeningen van die dag verwerkte, tot Snaebjorn aankondigde dat er gegeten kon worden. Dat werd door iedereen apart in zijn eigen tent gedaan waarna de lampen werden gedoofd. Gerinkel van bellen aan de voet van de stenen wand markeerde de plek waar de loslopende ezels voor de nacht waren neergestreken. Het begon koud te worden en ze gingen dicht bij elkaar staan in afwachting van de dageraad die nog lang op zich zou laten wachten.
De volgende ochtend zorgde Thegn ervoor dat hij als eerste wakker was, nog voor Snaebjorn.
“Ik ben blij dat ik je tref,” zei hij rustig toen de laatste uit zijn tent kroop. “Ik vroeg me af of ik je vandaag een handje kan helpen met de ezels?”
“Dat mag als je dat wilt,” antwoordde Snaebjorn.
“Ik zou het liefst die knopen nog eens willen doornemen, om zeker te weten dat ik die verstelbare knoop die je mij hebt laten zien onder de knie heb.”
“Ik heb het je al een paar keer laten zien. Was dat nog niet genoeg?”
“Helaas niet.”
“Nou, je zult moeten wachten tot ik mijn tent heb afgebroken.” Snaebjorn keek op zijn horloge en ging aan het werk en viereneenhalve minuut later was zijn tent netjes tot een klein pakketje opgerold.
“Geweldig,” luidde het commentaar van Thegn. Hij kuierde achter Snaebjorn aan toen hij de ezels voedde, het ontbijt voor de mannen maakte en nog een aantal aanverwante karweitjes deed. Pas toen hij daarmee klaar was, konden ze met opladen beginnen.
“Je weet toch dat dit het vaste deel is?” informeerde Snaebjorn die een deel van het touw in zijn hand hield.
“Ja, dat weet ik,” zei Thegn.
“Mooi. Dan pak je het andere deel, maak een lus, leg hem eromheen en draaien maar. Dan trek je het losse eindje erdoorheen en knoop je hem vast. Makkie.”
Tegen deze tijd waren de andere leden van de expeditie ook op de been en toen de twee bezig waren, liep Thorsson toevallig langs. Toen hij weer weg was, zei Thegn: “Dat is een fascinerende kaart die ze aan het maken zijn, vind je niet?”
“Hij ziet er helemaal niet slecht uit,” gaf Snaebjorn toe.
“Thorsson lijkt er vrij zeker van dat hij onze precieze positie heeft kunnen vaststellen.”
“Hij zit er dichtbij, ja.”
Thegn stopte met wat hij aan het doen was en keek vluchtig naar Snaebjorn. “Hoe bedoel je?”
“Ik bedoel dat ik zijn berekeningen heb gecontroleerd en ze blijken min of meer te kloppen.”
“Wil je soms zeggen dat je ook kunt navigeren?”
“Natuurlijk.”
“Geweldig,” mompelde Thegn. “Navigeren, touwknoopkunst, kampcuisine, ezeldrijver. Jij bent echt een veelzijdig man.”
“Dat zou ik niet weten,” zei Snaebjorn. “Wat mij betreft is deze kennis gewoon een vereiste als je op een reis zoals deze meegaat. Je moet wel een domkop zijn als je je deze vaardigheden niet eigen maakt.”
“Zodat je de eerste kunt zijn om de vlag te planten?” vroeg Thegn.
“Als dat het doel is, wel.”
“Dan moet ik maar eens snel gaan oefenen.”
“Thegn!” riep Guthrum uit het midden van de kloof. “Heb je al ontbeten?”
“Ja, dank je!”
“Vergeet niet dat je je tent nog niet hebt afgebroken!”
“Ik help je gewoon met het bepakken van de ezels!”
“Laat maar,” zei Snaebjorn. “Ik maak het wel af. Ga jij nu maar je spullen pakken voordat ze zonder jou vertrekken.”
“Dat zouden ze toch nooit doen? Of denk je van wel?,” vroeg Thegn.
“Je weet maar nooit, maar zelfs als ze het zouden doen, hoef je je nog geen zorgen te maken: we laten een duidelijk spoor achter zodat je ons spoedig zult vinden.”
Het kwam erop neer dat Thegn niet achterbleef toen ze een half-uur later op pad gingen. De reis begon die dag met een opvallend verschijnsel. Het was tijdens de zonsopgang nogal bewolkt geweest maar precies op het moment dat ze vertrokken, verschenen er een paar zonnestralen en de bovenkant van de kloofwanden baadde in een doordringende gloed. Toen de reizigers omhoogkeken vanuit de sombere diepte konden zij duidelijk de dunne laag blauwgekleurd steen zien die tussen de andere lagen geperst leek. Daarna werden de stralen zwakker en lag de kloof weer gedompeld in schaduw. In dit stadium begon het diffuse licht de voortgang behoorlijk te belemmeren. Die ochtend hield Tostig regelmatig halt om de kwestie met Guthrum te overleggen. Ze waren het er allebei over eens dat het ontsteken van de lampen, die ze goed zouden kunnen gebruiken, door de schaarse brandstof een luxe was die ze voor het kampleven wilden bewaarden. Daarom was er geen andere oplossing dan te roeien met de riemen die ze hadden. Gelukkig hadden de oudere leden ervaring om zich aan moeilijke situaties aan te passen, ze hadden snel door hoe ze de schemering ‘te slim af konden zijn’ op hun reis door de kloof: soms knepen ze hun ogen halfdicht, soms gingen ze op echo’s af en soms namen ze de koers die de ezels op hun eigen instinct hadden gekozen. In dat laatste geval stond Snaebjorn even stil om de leidende ezels te laten passeren voor hij ze op de voet volgde, door zorgvuldig hun stappen te observeren en ze in het halfduister zacht en bemoedigend toe te spreken. De hele groep was nu in het natuurlijke ritme van de ezels teruggevallen en bewoog zich in een behoedzaam en niet-gehaast tempo dat echter wel aanhield. Op deze manier gingen er twee dagen en twee nachten voorbij waarin ze slechts zeer kleine belemmeringen ondervonden die hun voortgang vertraagden. Maar op de derde dag werd de colonne rond twaalf uur ‘s middags, het minst sombere tijdstip van de dag, tot stilstand gebracht. Snaebjorn was vooruitgegaan om de omgeving te verkenning en toen hij merkte dat zijn pad werd versperd door een gigantisch rotsblok, had hij geprobeerd of hij er links omheen kon gaan. Maar hier lag een tweede monoliet tegen de eerste aan. Een spleet aan de rechterkant maakte duidelijk waar het rotsblok uit de kloof was gekomen. En deze bood een doorgang waar Snaebjorn onmiddellijk gebruik van maakte. Helaas werd de weg opnieuw versperd en deze keer stootte hij bijna zijn hoofd tegen een rotsblok dat plat op een ander gevallen was. Ze hoorden belletjes naderen. Snaebjorn keerde terug om Thegn tegemoet te lopen en hem op te dragen de ezels tot stilstand te brengen terwijl hij zelf helemaal links op zoek ging naar een derde weg, maar geen enkele optie voldeed. Toen Tostig met de rest van groep arriveerde, besloten ze dat hij en Guthrum het gebied achter de spleet zouden onderzoeken en dat de anderen zouden uitrusten. Thorsson stelde voor dat ze een lamp mee zouden nemen, maar Tostig hield nog steeds vol dat ze zich met de beperkte middelen moesten redden. Ze verlieten de Latei Rots, zoals hij later werd genoemd, en traden door de spleet waar ze uiteindelijk een nog grotere hoop omgevallen reuzen ontdekten: grote ongehouwen brokken steen die in alle richtingen verspreid lagen en een doolhof van cul-de-sacs vormden, valse aanwijzingen en slecht gedefinieerde ingangen. Verschillende malen kozen ze een route die mogelijk voorwaarts zou leiden, maar ze kwamen er al snel achter dat ook dit pad doodliep of op zichzelf uitkwam. Toen probeerden ze om verder naar rechts te zoeken en voor het eerst sinds ze de kust hadden verlaten, werden ze geconfronteerd met een bries. Hij was snijdend en kil, en wrong en duwde zich tussen de omgevallen stenen en droeg een onmiskenbaar geluid met zich mee. Ergens in het oosten bulderde een zware watermassa die, zo leek het, in een onmetelijke diepte dook.♦