32
In zijn afwezigheid had het geregend, genoeg om de druiven aan de ranken te doen zwellen en de hoop op een acceptabele oogst te versterken. Het verdorde grasbij de grot had zelfs een groene gloed, maar dat was de enige opvallende verandering in de gedenktuin.
Adam sloeg het boek open dat signora Docci hem had gegeven. Het was een geschenk dat hij mocht houden: een in leer gebonden uitgave van de Metamorphosen van Ovidius, oud en behoorlijk kostbaar, vermoedde hij. Ze had hem laten beloven dat hij de opdracht op het schutblad pas zou lezen als hij in de tuin was.
Die was kort en erg ontroerend, en bij dezelfde bladzijde had ze een papiertje in het boek gestoken waarop ze iets had geschreven.
Metamorphosen 1:316
Hij glimlachte toen hij de tekstregel had gevonden. Ze gaf hem het antwoord niet cadeau.
Hij was er nog steeds niet achter op het moment dat hij het grasveld van Hyacinthus bereikte. Toen hij voor het beeld van Apollo stond, sloeg hij het boek weer open bij de relevante passage. Het was een regel uit het verhaal van Deucalion en Pyrrha, de enige overlevenden van de grote vloed, die op hun vlot waren aangespoeld op de berg Parnassus. De regel luidde als volgt:
Steil daar verheft zich een berg met dubbele toppen ten Hemel.
Wijd als Parnassus befaamd, zijn spitsen doorboren de wolken.
Hij keek op naar Apollo boven op de Parnassus, de berg die zijn thuis was, alleen was het niet de Parnassus, want het was één heel spitse piek. Het was niets voor Federico Docci om zonder reden van Ovidius af te wijken. Daarvoor had hij te nauwkeurig aandacht besteed aan de details.
Hij nam de andere mogelijkheden door: de Olympus, de Helicon, maar ook die leverden niets op. Pas toen besefte hij dat hij het helemaal verkeerd aanpakte.
Dit was niet Apollo, maar Flora’s minnaar, vermomd als Apollo. En dat betekende ook dat dit niet de Parnassus was, maar gewoon een berg, een die uitliep in een hoge, spitse top.
Een hoge berg.
‘Montalto,’ zei hij zachtjes.
Het was een letterlijke vertaling.
Fulvio Montalto, de jonge architect van Villa Docci. Geen wonder dat hij van de aardbodem leek te zijn verdwenen. Daar had Federico Docci voor gezorgd.
Het kringetje was rond, af. Net als Flora. Die laatste onthulling, dat laatste stukje van de puzzel, maakte haar op de een of andere manier compleet, driedimensionaal. Haar liefde was immers weer tot leven gekomen. Toen hij, vlak voordat hij de tuin verliet, even bleef staan om naar haar te kijken, zag hij die liefde in haar ogen branden, zoals Fulvio’s liefde voor haar nog altijd nasmeulde in de ongedwongen schoonheid van de villa die hij voor haar had ontworpen.
Ongetwijfeld viel er nog meer over hun verhaal te ontdekken, en misschien zat er zelfs ergens in een stoffig archief nog een vermelding van Fulvio’s dood verstopt. Maar haar taak zat erop. Ze had het stokje aan hem doorgegeven. Nu was het aan hem wat hij ermee wilde doen.
Terwijl hij zich over het overwoekerde pad een weg terug baande naar de villa, keerde hij in gedachten terug naar die zonovergoten dag in mei, in Cambridge – waar het allemaal was begonnen – en vroeg hij zich af of hij het anders zou hebben aangepakt als hij had geweten wat hij nu wist.
Die vraag was niet eenvoudig te beantwoorden.
Hij herkende zichzelf nauwelijks in de zorgeloze jongeman die over het jaagpad langs de rivier was gefietst, hotsend en botsend door de kuilen, zodat de fles wijn in het mandje aan het stuur op en neer danste.
Hoezeer hij ook zijn best deed, hij had geen idee wat er in het hoofd van die vreemdeling omging, laat staan dat hij met enige zekerheid kon zeggen hoe hij zou hebben gereageerd op de mededeling dat de nabije toekomst moord en doodslag voor hem in petto had.