30
Hij moet wel komen. Hij moet wel komen.
Het was een irritante, hardnekkige mantra. Soms lukte het om hem even tot zwijgen te brengen, maar al binnen een paar minuten drong hij zich weer op.
Nadat Adam er drie uur lang tegen had gevochten, verveelde hij zich niet alleen, maar was hij bovendien uitgeput. En alles deed hem pijn. De aspirines werkten niet meer. Het feit dat hij ineengedoken in een krappe nis achter het altaar zat, maakte het er niet beter op.
Moeizaam kroop hij uit zijn schuilplaats, zodat hij met zijn armen langs zijn lichaam plat op de stenen vloer kon gaan liggen. De gedachte kwam bij hem op dat hij niet alleen was, dat zowel flora als Emilio vlakbij lag, languit in dezelfde houding, en dat gaf hem troost.
Hij staarde naar het plafond, dat in het zwakke licht van de kaars op het altaar nauwelijks zichtbaar was. Het was niet meer dan een vaag raster van balken en dwarsbalken. Hij stelde zich voor hoe het was gebouwd, door mannen op hoge houten steigers die het in elkaar hadden getimmerd met de zomers blauwe hemel als een koepel boven hun hoofden.
Met zijn ogen dicht probeerde hij het voor zich te zien, maar daardoor viel hij bijna in slaap. Hij stond met een ruk op en kroop terug in de nis achter het altaar, op zijn hurken, met zijn knieën tegen zijn borst.
Hij moet wel komen. Hij moet wel komen.
Misschien was hij inderdaad gekomen en was hij inmiddels alweer weg. Misschien had hij de ladder bij de muur van de kapel op de grond zien liggen, de ladder die Adam omver had geduwd nadat hij door het raam was geklommen. Dat was een hachelijke onderneming geweest, maar wel noodzakelijk, want Maurizio zou waarschijnlijk niet de kapel binnenkomen als de deur niet aan de buitenkant op slot was gedraaid en de sleutel niet veilig onder de steen lag.
Lieve help, wat had hij zin in een sigaret. Hij kon zich niet heugen wanneer hij voor het laatst zo lang achter elkaar niet had gerookt. Misschien tijdens die uitvoering van Ibsens Hedda Gablerin het Cambridge Arts Theatre, ruim drie uur tenenkrommend overdreven acteerwerk van studenten, niet eens onderbroken door een pauze. Hoewel, het was bepaald geen straf geweest om te moeten kijken naar dat blonde meisje van Newnham College dat Hedda speelde. Hoe heette ze ook alweer? Ze had een broer met een wijnvlek op zijn hals die aan Corpus Christi studeerde…
Hij werd gewekt door geschraap. Hij herkende het direct als het mechanisme van een oud slot dat amechtig piepte. Verstijfd van spanning spitste hij zijn oren. Hij hoorde krakende scharnieren, en toen gefluister.
Hij was niet alleen! Hij had iemand meegenomen. Of iets. Iets wat schuifelde en draafde. Een hond die zachtjes rondliep, zich oriënteerde en de geuren van honden uit het verleden opsnoof. Niet best. Slecht.
Een mannenstem siste een bevel – de hond werd aan de voet geroepen. Maar voor hoelang? De lichtstraal van een zaklantaarn doorsneed de duisternis en bewoog snel over het interieur, waardoor de schaduw van het altaar op de achterste muur viel.
Adam kroop angstig ineen. Hij was niet via de deur binnengekomen, dus hij had geen reukspoor achtergelaten dat de hond kon volgen, tenzij het beest ging ronddwalen. Hij kende de hond: een collie, gekruist met nog een paar andere rassen, jong en schichtig, maar niet bepaald een vechthond. Hij herinnerde zich dat hij aangenaam verrast was geweest over het feit dat Maurizio en Chiara het niet nodig hadden gevonden om een rashond aan te schaffen.
Weer een geluid, links van hem. Een tas met gereedschap die op de grond werd gelegd. Een hand die erin rommelde. Toen stilte, gevolgd door geschraap. Maurizio was de voeg rond het gedenkplaatje aan het wegkrabben. Adam kon maar beter even wachten voordat hij hem verraste.
De hond dacht daar anders over.
Hij zag het dier pas toen het vlak voor zijn neus opdook, hijgend en kwispelend. Goed gespeeld, maar ik heb je toch gevonden, leek het te willen zeggen.
Hij probeerde hem weg te duwen. De hond likte zijn hand en jankte zacht.
‘Ugo.’
Onmiskenbaar destemvanMaurizio.
Ugo blafte een paar keer vrolijk, en de lichtstraal van de zaklantaarn werd op het altaar gericht.
Adam gaf zich gewonnen en kroop uit zijn schuilplaats, met samengeknepen ogen tegen het licht. Hij deed zijn eigen zaklantaarn aan en richtte die op Maurizio’s gezicht, zodat ook hij verblind werd. Even bleven ze zo staan, maar toen richtten ze allebei de lichtstraal op de grond.
Adam aaide Ugo over zijn kop, een gebaar waarmee hij de indruk wilde wekken dat hij ontspannen en beheerst was. Maurizio had zich schrap gezet alsof hij een gevecht verwachtte, en zijn gezicht was asgrauw. De schroevendraaier in zijn hand zag er verre van onschadelijk uit.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg hij dreigend.
‘Weet ik niet.’
‘Vertel op,’ drong Maurizio aan.
‘Ik had geen keus. Ik moest het weten.’
Opeens draaide Maurizio zich om, en hij gebruikte de schroevendraaier om het gedenkplaatje van de muur te wrikken. Daarachter onthulde zijn zaklantaarn slechts kale, ruwe steen. Er lagen in elk geval geen pistool en geen kogels.
‘Heel slim,’ mompelde Maurizio. ‘Heel slim.’
Adams intuïtie vertelde hem dat hij zijn verbazing beter kon verbergen. Waar was dat stomme pistool gebleven?
Maurizio nam plaats op het uiteinde van een kerkbankje. Er sprak een zekere verslagenheid uit zijn houding die Adam moeilijk met zijn karakter kon rijmen, dus bleef hij op afstand.
‘Nou, nu weet je het.’
‘Maar waarom?’ vroeg Adam. ‘Hij was je broer.’
‘Het is gebeurd. Ik ben jou geen verklaring verschuldigd.’
‘Alleen maar hierom? Een huis, een stuk land?’ Hij wilde graag geloven dat er iets anders een rol had gespeeld: botsende ideologieën, iets anders dan ordinaire hebzucht.
Maurizio gaf geen antwoord. Hij staarde naar zijn handen alsof hij die de schuld wilde geven van zijn daden.
‘Waar was Gaetano?’
‘Hij kwam binnen op het moment dat de Duitsers weggingen. Hij was halverwege de trap toen hij de schoten hoorde.’ Maurizio keek op en voegde er op effen toon aan toe: ‘Je kunt toch niets doen.’
‘Ik kan het aan je moeder vertellen.’
‘Ja, dat kan. Maar ze zal niets ondernemen.’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Omdat ik dat niet zal toelaten.’
‘O nee?’ vroeg Adam spottend.
Maurizio’s glimlach had iets sluws. ‘Je bent een intelligente jongen. Denk eens goed na.’
Zelfs in het schemerlicht kon Adam de kille, achterbakse geslepenheid in zijn ogen zien. Maurizio leek te willen zeggen dat hij er geen been in zag om moedermoord te laten volgen op broedermoord, als de situatie dat vereiste.
‘Je moet het zelf weten.’
Ugo’s plotselinge geblaf klonk als een triomfkreet, een applaus voor de briljante, duivelse strategie van zijn baasje.
‘Zitto,’ snauwde Maurizio. Ugo was echter niet van zins om op te houden. Hij blafte opnieuw en sprong op de deur van de kapel a£ Maurizio kwam met indrukwekkende snelheid in beweging, maar toch zwaaide de deur open voordat hij hem kon bereiken.
Maria stapte de kapel binnen, met haar hand geheven om haar ogen tegen het felle licht van Maurizio’s zaklantaarn te beschermen.
‘Maria…’
Met een strak gezicht trok Maria de deur achter zich dicht. ‘Ik heb alles gehoord.’
Maurizio’s ogen schoten heen en weer tussen haar en Adam, op zoek naar een verband. Adam had hem kunnen vertellen dat er geen verband bestond, als Maurizio het zelf niet had uitgevogeld.
‘Wat doe jij hier?’
‘Luisteren.’
‘Namens wie? Mijn moeder?’
Maria gaf geen antwoord, maar Maurizio leek iets op te vangen in haar stilzwijgen.
‘Wie dan?’ vroeg hij. ‘Antonella?’
Weer kon Adam niets aan Maria’s gezicht aflezen dat op een antwoord leek. Maurizio doorzag haar klaarblijkelijk wel. ‘Natuurlijk… Ze weet dat zij hem erft als ik hem niet krijg,’ zei hij op een toon die suggereerde dat de puzzelstukjes nu voor hem op hun plaats begonnen te vallen.
Adam daarentegen kon het allemaal niet meer volgen. Het duizelde hem, zoveel moeite kostte het hem om al die informatie te verwerken.
Hij gaf het op toen Maurizio eraan toevoegde: ‘Wat ze je ook heeft beloofd, ik bied je meer.’
‘Ze heeft me heel veel beloofd.’
‘Het stelt niets voor.’
Maria nam even de tijd voordat ze antwoordde: ‘Ik wil een eigen huis. Geen flat. En ik wil geld.’
‘Hoeveel geld?’
‘Zoveel dat ik me nooit meer zorgen hoef te maken.’
‘Afgesproken,’ zei Maurizio.
Adam was niet van plan geweest iets te zeggen. De woorden rolden uit eigen beweging van zijn tong. ‘Maria, wat doe je?’
Ze wierp hem een vluchtige blik toe, beschaamd maar vastbesloten. ‘En hij?’ vroeg ze aan Maurizio.
‘Wat kan hij uitrichten? Morgen gaat hij naar huis. Hij weet al dat hij geen keus heeft.’
Maria knikte opnieuw en liep naar de deur.
‘Maria.’ zei Adam smekend.
Ze bleef staan en draaide zich om. ‘Wat nou? Wie denk je dat je bent? Wat weet jij nou? Helemaal niets.’ Ze stak haar vinger uit naar de villa. ‘Mijn hele leven heeft mijn vader voor haar gewerkt, en wat heeft het hem opgeleverd? Niets. En wat zal het mij opleveren? Niets. Zo is het nu eenmaal. Het enige wat ik wil, is onder mijn eigen dak sterven en mijn eigen begrafenis kunnen betalen. Is dat zoveel gevraagd? Nou?’
Maurizio maakte een sussend gebaar.
‘Wie denk je dat je bent?’ ging Maria verder. ‘Je bent nog maar een kind. Je weet niets.’
In de stilte die viel na haar vertrek zocht Adam steun bijeen kerkbankje. Dat bood geen soelaas. Hij moest even gaan zitten.
Maria had gelijk. Hij wist niets. Het ging hem allemaal ver boven de pet. Toen hij opkeek, zag hij dat Maurizio over hem heen gebogen stond. Er lag niets triomfantelijks in zijn blik, alleen maar kalme zelfverzekerdheid.
Ze verlieten samen de kapel. Maurizio deed de deur op slot en stak de sleutel in zijn zak. Toen keek hij op naar de sterren, om zich vervolgens naar Adam om te draaien. ‘Ik meende wat ik zei over mijn moeder. Je moet het zelf weten.’
Slapen was uitgesloten. Hij probeerde het niet eens. In plaats daarvan ging hij op het terras zitten kettingroken. Verbijstering en een overweldigend besef van zijn naïviteit streden in zijn hoofd om voorrang. Hij kon de gebeurtenissen waarvan hij getuige was geweest niet verwerken. Hij wist dat er een ruil had plaatsgevonden – Maria had een hoge prijs bedongen voor haar stilzwijgen – maar wat was dat nou allemaal over Antonella?
Wat ze je ook heeft beloofd, ik bied je meer.
Hij had Maurizio’s woorden niet verkeerd begrepen. En Maria’s reactie ook niet. Keer op keer ging hij in gedachten hun gesprek na. Koortsachtig probeerde hij er gaten in te schieten, andere verklaringen te bedenken, tot de slinkse dageraad alleen de helderste sterren nog niet uit de hemel had verdreven. Toen kwam hij overeind.
Vlakbij de boerderij bleef hij even staan om de opkomende zon te bewonderen die zijn bleke vingers over de heuvels uitstrekte. Als hij dat niet had gedaan, zou hij halverwege het erf zijn geweest, in het volle zicht, op het moment dat de deur boven aan de buitentrap open zwaaide en Fausto naar buiten kwam.
Meteen dook Adam weg achter de schuur. Fausto! Onmogelijk. Hij weerstond de aandrang om voor de zekerheid nog een keer te kijken, want hij wist dat zijn ogen hem niet bedrogen, al wilde hij dat graag geloven. Waarom kwam Fausto bij het krieken van de dag uit Antonella’s huis geslopen?
Snel liep hij aan de achterkant om de schuur heen. Vanachter de hoek van het bijgebouw kon hij tussen de groepjes cipressen door stukken van het pad naar San Casciano zien. Daar liep Fausto overheen, ernstig en peinzend, met licht gebogen schouders. Adam volgde hem, waarbij hij zo dicht mogelijk bij de bomen bleef.
Omdat hij niet gezien wilde worden, moest hij de afstand vergroten toen Fausto de rand van San Casciano bereikte. Tot twee keer toe verloor hij hem in de doolhof van straatjes bijna uit het oog. De derde keer raakte hij hem daadwerkelijk kwijt, maar toen wist hij al vrij zeker waar Fausto naartoe ging.
Pensione Amorini was nog niet open. Dankzij het feit dat op de begane grond alle luiken nog dicht zaten, kon hij onopgemerkt om het gebouw heen lopen. Door de deur in de stenen muur glipte hij de achtertuin binnen. De keuken bevond zich aan de achterkant van het pand, en de ramenboden uitzicht op de tuin.
Hij hoorde stemmen en het gekletter van serviesgoed. Toen hij voorzichtig om het raamkozijn heen tuurde, zag hij dat signora Fanelli borden en kommen op een dienblad stapelde. Ze stond met haar rug naar Adam toe, met als gevolg dat hij duidelijk Fausto’s hand kon zien, die op haar achterwerk rustte. Signora Fanelli draaide haar hoofd om en kuste Fausto vluchtig op de lippen.
Als in trance liep hij naar de bar aan de Piazza Cavour. Zijn hoofd bonsde, zijn ribben deden pijn en hij was opgefokt door het slaapgebrek. Natuurlijk hielp de koffie niet echt.
Minutieus ontleedde hij het bewijs dat hij met eigen ogen had aanschouwd, vurig hopend dat hij een hiaat zou ontdekken. Niet dus. Antonella beweerde dat ze Fausto niet kende, maar ze kende hem duidelijk wel. Signora Fanelli en Fausto hadden voorgewend vage kennissen te zijn, maar er was onmiskenbaar meer aan de hand.
Langzaam, draad voor kleverige draad, ontdekte hij het web dat was gesponnen om hem te vangen. Hij kon het niet helemaal zien, maar hij zag genoeg. Fausto was de sleutel tot het mysterie. Fausto was degene die twee weken eerder met een ogenschijnlijk nonchalante opmerking zijn wantrouwen jegens Maurizio had gewekt. Fausto was weliswaar teruggekrabbeld, maar dat had hij alleen maar gedaan om de verdenking van zichzelf af te wentelen en tegelijkertijd Adams interesse aan te wakkeren. Via Fausto had hij over La Capannina in Viareggio gehoord, en Antonella had hem verteld waar de sleutel van de bovenste verdieping la g. Hemel, wat had ze het spelletje slim gespeeld door hem één keer af te wijzen voordat ze zich aan hem had geschonken. En waarom had ze zich bij de warmwaterbronnen aan hem geschonken? Omdat ze bang was dat hij de volgende dag zou vertrekken? Omdat zijn werk nog niet af was en ze hem langer wilde laten blijven? Het antwoord was overduidelijk, onmogelijk te negeren.
Ook Maria had een rol gespeeld door bij Maurizio olie op het vuur te gooien en de gemoederen te verhitten. Het was helemaal niet nodig geweest om Maurizio te vertellen dat Adam op de bovenste verdieping was geweest, maar toch had ze het gedaan. Volgens signora Docci was het Maria’s idee geweest om Adam voor het feest uit te dossen in Emilio’s smoking, wat bij Maurizio ook in het verkeerde keelgat was geschoten.
De bewijzen stapelden zich vanzelf op. Bijna elke herinnering die bij hem opkwam steunde zijn verdenkingen. Zelfs het feit dat signora Fanelli hem had verleid was in het patroon in te passen, en als hij daaraan dacht, werd hij kotsmisselijk. Al sinds zijn allereerste nacht in San Casciano was hij een bepaalde richting op gestuurd.
Maar waarom hij? Tegen de tijd dat hij zijn tweede kopje koffie op had en de barkeeper had betaald, wist hij het antwoord.
Maurizio moest worden ontmaskerd, onttroond, anders zou Villa Docci niet in handen van Antonella’s tak van de familie komen. Kennelijk had ze haar zinnen op het landgoed gezet, maar kon ze niets ondernemen omdat ze alleen maar vage vermoedens had omtrent Maurizio’s betrokkenheid bij de dood van Emilio. Bovendien wist ze dat Maurizio veel te voorzichtig was om in een val te trappen die zij zelf had uitgezet. Daarom had ze een marionet gebruikt. Zij had aan de touwtjes getrokken en Adam had gehoorzaamd. En tot op het allerlaatste moment was alles volgens plan verlopen.
Dat was zijn enige troost: Maria’s verraad. Antonella had er niet op gerekend dat Maurizio haar zou overbieden op het moment dat de hamer neerkwam. Ze had hem onderschat. Maria, die ouder en wijzer was, niet.
Die aangename gedachte probeerde hij vast te houden terwijl hij kordaat over het pad terugliep naar Antonella’s huis.
Ze was er niet. Haar auto stond er ook niet. Allebei weg. Dat was maar goed ook. Hij zou alleen maar tegen haar tekeer zijn gegaan. Of erger.
Hij stelde zich ermee tevreden om een steen van de weg op te rapen en die door het keukenraam te smijten.
Het afscheid was absurd. Signora Docci was de enige in de hele farce die niet deed alsof. Omdat hij wist dat de inzet hoog was, speelde Adam zijn rol perfect. Maria ook. Er stonden zelfs tranen in haar ogen toen ze hem een zoen op beide wangen gaf. Maurizio bood vriendelijk aan om Adam met de auto naar het station te brengen.
Het grootste deel van de rit keken ze zwijgend voor zich uit. Ze hadden tijd genoeg, dus vroeg Adam of ze even naar de Piazza Repubblica konden om de foto’s op te halen die hij van de gedenktuin had gemaakt. Maurizio liep met hem mee naar de winkel Hij wilde per se bij Adam blijven totdat de trein vertrok. Zijn laatste woorden waren ongezouten.
‘Je hebt een goed stel hersens. Gebruik het. Ergens anders. Niet hier. Waag het niet om je gezicht hier nog eens te vertonen.’
Toen de trein hortend en stotend wegreed, pakte Adam de foto’s van de tuin. Die van Flora sloeg hij over, niet omdat ze slechter waren dan de rest – hij was een hopeloze fotograaf, ze waren allemaal belabberd – maar omdat hij zich schaamde. Hij had het gevoel dat hij haar had teleurgesteld.
Er zou geen gerechtigheid zijn voor de man die naast haar onder de stenen vloer van de familiekapel van de Docci’s sluimerde.