10

 

 

Adam liet het fototoestel zakken. ‘Verdorie,’ mompelde hij, niet voor het eerst.

Het licht was volmaakt, kristalhelder na drie hete, heiige zomerdagen, maar nu kwam hij tot de ontdekking dat hij de open plek niet in zijn geheel op de foto kon krijgen. De drie standbeelden die verspreid over het grasveld stonden, weigerden resoluut zich samen in één kader te laten vangen.

Als hij aan de zuidelijke rand tot aan zijn middel tussen de laurierstruiken ging staan, kon hij zowel Zephyr – de westenwind, die met gebolde wangen uit alle macht blies – als Hyacinthus, die met de discus naast zich dood op zijn voetstuk lag, vastleggen. Alleen Apollo bleef buiten bereik.

Sterker nog, waar Adam ook ging staan, de 50 mm-lens op de oude Leica van zijn vader (‘Als je hem kwijtraakt, hoefje niet meer thuis te komen’) was niet in staat meer dan twee figuren tegelijk in beeld te nemen.

Het verhaal dat ze uitbeeldden was vrij eenvoudig, wat zijn frustratie omdat hij het niet op één foto kon vastleggen alleen maar vergrootte: Zephyr, jaloers vanwege de liefde die Apollo koesterde voor de beeldschone Spartaanse prins Hyacinthus, besloot iets te ondernemen. Terwijl Apollo de jongeling leerde de discus te werpen, liet Zephyr een krachtige wind opsteken, die de discus tegen het hoofd van Hyacinthus joeg, met de onmiddellijke dood tot gevolg. De eerste hyacint ontsproot vervolgens aan de aarde op de plek waar zijn bloed was gevloeid.

Aan de noordelijke rand van het grasveld stond Apollo, met een van verdriet vertrokken gezicht en zijn armen uitgestrekt naar de gevallen jongeling. Hij zat boven op een kegelvormige, ruw gebeeldhouwde bergtop. Misschien moest dat de Parnassus voorstellen, de berg waarop hij samen met de muzen woonde, maar die toevoeging leek nogal overbodig. De Parnassus kwam helemaal niet voor in het verhaal zoals dat door Ovidius was vastgelegd, en trouwens, Apollo was al afdoende herkenbaar aan zijn boog en lier.

Het standbeeld van Hyacinthus riep nog meer vragen op. Waarom lag hij op zijn buik op de grond, met zijn lange haar over zijn gezicht, zodat alleen een klein deel van zijn mooie mond zichtbaar was? En waarom was een jongeling die vermaard was om zijn atletische vermogens niet naakt afgebeeld, maar in een wijd gewaad met lange mouwen?

Het dossier bood geen inzicht. Hetzelfde gold voor de uitgebreide aantekeningen die de vader van signora Docci tijdens zijn onderzoek had gemaakt, hoewel Adam daarin wel enkele regels had aangetroffen uit Keats’ Endymion over Zephyrs aandeel in de dood van Hyacinthus. Het was een lekker lang stuk poëzie dat zijn scriptie mooi zou aanvullen, maar net als de overige kleine ontdekkingen die hij de afgelopen dagen had gedaan, liet het hem merkwaardig koud.

Hij was nu veilig – hij wist dat hij al meer dan genoeg had voor een overtuigende scriptie – en eigenlijk hoorde hij dat heugelijke feit te vieren. Dat kon hij echter niet zolang er nog zoveel vragen door zijn hoofd spookten. Die hadden zich in rap tempo vermenigvuldigd na zijn wandeling door de tuin met Antonella, toen het allemaal heel even zo duidelijk, zo eenvoudig had geleken.

De steile helling waar het amfitheater tegenaan was gebouwd was duidelijk kunstmatig, maar waarom had Federico Docci al dat geld en al die moeite gespendeerd aan het verplaatsen van tonnen aarde, alleen voor dat ene element? Een dergelijke grootscheepse onderneming paste niet bepaald bij de discretie die hij elders in de tuin had betracht. En wat het amfitheater zelf betrof: waarom negen verdiepingen in plaats van zeven, zoals in het amfitheater bij Bomarzo?

Die vragen stoorden hem, als valse noten in een verder volmaakt muziekstuk; ze weigerden zich te laten negeren. Hij had geprobeerd ze van zich af te zetten, maar telkens als hij door de taxushaag de tuin binnenging, wist hij dat ze hem zouden opwachten. Zelfs nu, terwijl hij bezig was met iets heel praktisch, namelijk het fotograferen van de tuin, waren er weer twee nieuwe vragen bij hem opgekomen over de standbeelden van Apollo en Hyacinthus.

Hij maakte nog een laatste kiekje van Hyacinthus en wandelde toen door het bos terug naar de grot. Onderweg bedacht hij dat hij een ongezonde obsessie voor de tuin aan het ontwikkelen was. Dat was niet bepaald verrassend. Al sinds zijn aankomst had hij nauwelijks ergens anders aan gedacht. Als hij er niet rondliep, zat hij er wel over te lezen. Elke avond nam hij in het mandje van zijn fiets boeken en papieren mee terug naar het pensione, zodat hij tijdens het eten en tot in de kleine uurtjes kon doorwerken.

In de trattoria was er niemand die hem kon berispen omdat hij las tijdens het eten. Tot zijn grote teleurstelling had Fausto zijn gezicht niet meer laten zien sinds die eerste avond, en volgens signora Fanelli was de kans klein dat hij snel zou terugkomen. Klaarblijkelijk was dat de eerste keer in lange tijd geweest dat hij haar met een bezoek had vereerd. Misschien had Adam het zich ingebeeld, maar hij had ook bij haar een vleugje teleurstelling bespeurd.

Geen Fausto. En geen Antonella, drie dagen lang.

‘Ze is hard aan het werk,’ had signora Docci tijdens een van zijn vaste audiënties in haar slaapkamer onthuld. ‘Naar het schijnt zijn er belangrijke klanten in de stad, inkopers van grote Amerikaanse warenhuizen.’

Ze deed weinig moeite om de milde spot in haar stem te verhullen.

‘Keurt u het af, wat ze doet?’

‘Het is de taak van oude mensen om alles wat jonge mensen doen af te keuren.’

‘O, is dat zo?’

‘Als wij hen niet afkeuren, hebben jongeren niets om zich tegen af te zetten, en dan verandert de wereld nooit. Dan blijft hij steken.’

‘Zo heb ik het nog nooit bekeken.’

‘Ik mag hopen van niet. Jij hebt wel belangrijkere dingen aan je hoofd.’

‘Zoals?’

‘O, weet ik veel…’ Ze maakte een vaag handgebaar. ‘Elvis Presley.’

‘Indrukwekkend, hoor.’

‘Antonella houdt me op de hoogte van dergelijke zaken.’

‘En plichtsgetrouw als u bent, keurt u hem af.’

‘Elvis Presley is duidelijk een jongeman met twijfelachtige normen en waarden.’

‘Gebaseerd op uw kennis van zijn muziek.’

‘En zijn films.’

‘Hebt u die gezien?’

‘Natuurlijk niet. Je begrijpt het niet. Oude mensen mogen hun standpunten altijd ventileren, zelfs als ze helemaal niets over het onderwerp weten. Sterker nog, júíst als ze er niets over weten.’

Adam moest lachen, zoals zo vaak als hij bij haar was. ‘Misschien vindt ze haar werk leuk,’ zei hij. ‘Misschien is ze er goed in.’

‘Vrienden van me die verstand hebben van dat soort zaken zeggen dat ze veel talent heeft. Maar ik heb altijd gedacht dat ze het verder zou schoppen dan tot naaister.’

‘Er komt vast veel meer bij kijken dan alleen naaien.’

Signora Docci zuchtte zachtjes. ‘Je hebt natuurlijk volkomen gelijk. Let maar niet op mij. Ik ben denk ik nog steeds een beetje boos.’

‘Boos?’

‘Je had haar moeten zien, voordat…’ Haar vingers gingen naar haar voorhoofd. ‘Ze was beeldschoon. Nu verstopt ze zich in achterkamertjes en werkt ze met haar handen. Lapoverina.’

Haar woorden staken hem, met name die laatste twee, waar veel medelijden uit sprak: het arme kind.

‘Ik ben het niet met u eens,’ zei Adam. ‘Ik heb niet de indruk dat ze zich verstopt.’

‘O nee?’ Haar stem klonk vlak, sceptisch.

‘Ik weet dat ik haar pas één keer heb ontmoet, maar dat viel me het meest aan haar op: dat ze zich niet schaamt, zich niet geneert. Haar haardracht, haar houding: ze verstopt zich juist niet.’

‘Denk je soms dat er een ochtend voorbijgaat zonder dat ze in de spiegel kijkt en wenst dat het anders was?’

‘Misschien niet. Dat weet ik niet. Maar het heeft haar des te mooier gemaakt, juist door de manier waarop ze ermee omgaat’

‘Geloof je dat echt?’

‘Ja. Ja, dat geloof ik echt.’

In eerste instantie las hij slechts een lijdzame vermoeidheid in haar blik, en opeens voelde hij zich heel jong, was hij zich bewust van het feit dat hij in het gezelschap verkeerde van iemand die aanzienlijk meer tijd op aarde had doorgebracht dan hij. Maar er lag nog iets anders in haar ogen, iets wat hij niet direct kon plaatsen. Hij besefte pas wat het was toen zich langzaam een ondeugende glimlach over haar gezicht verbreidde.

‘U speelt een spelletje met me.’

‘Ik vind het leuk dat je het voor haar opneemt. En je hebt gelijk: het heeft haar des te mooier gemaakt.’

‘Hoe is het gebeurd?’

‘Het was in de buurt van Portofino,’s avonds laat. Haar moeder zat achter het stuur. Ook zij heeft geluk gehad. Ze had alleen twee gebroken ribben.’

Verder was signora Docci er niet op ingegaan. Sterker nog, ze had meteen met een twijfelachtig smoesje een eind gemaakt aan het gesprek en hem naar beneden verbannen, terug naar zijn boeken.

Misschien was dat nu juist het probleem, mijmerde Adam, terwijl hij langs de grot slenterde: de vaste routine, de sleur, lange werkdagen onderbroken door gesprekken met een bedlegerige zeventigjarige. Als je daar de meedogenloze hitte nog bij optelde, was het geen wonder dat hij een beetje begon door te draaien.

Onder aan het amfitheater bleef hij staan kijken naar Flora op haar voetstuk, vlak onder de bovenste rand. Hij zou haar nooit meer met dezelfde blik kunnen bekijken als die eerste keer. Antonella’s woorden hadden zijn mening onherroepelijk gekleurd. Als hij nu naar het weggedraaide lichaam van de godin keek, zag hij niet langer de aan Giambologna ontleende klassieke pose, maar een vrouw die in de greep verkeerde van een ander soort emotie. Dan zag hij die uitdagend naar voren gestoken rechterheup.

Waarom was ze daar neergezet, hoog in het amfitheater, maar niet helemaal bovenaan? Sterker nog, waarom was ze hier überhaupt neergezet, in een amfitheater met negen verdiepingen? En waarom waren er negen verdiepingen in plaats van zeven? Of zelfs vijf? Wat was er zo bijzonder aan het cijfer negen? De negen levens van een kat? Een uitdrukking of gezegde? De negen planeten van het zonnestelsel? Nee, in die tijd wist men nog niet van het bestaan van Pluto. Shakespeare misschien, Macbeth, de heksen die hun spreuken negen keer uitspraken, Nee, onmogelijk. Shakespeare was nog maar een kind toen de tuin werd aangelegd. Maar het kwam in de buurt, en het verband met het occulte was interessant, Hoe hadden de heksen het ook alweer verwoord?

 

Driemaal uw deel, driemaal ’t mijn.

Driemaal nog, ’t moet negen zijn.

 

De drie-eenheid tot de derde macht, een machtig getal, driewerf heilig, net als het Heiligste der Heiligen, dat was samengesteld uit de drie drie-eenheden. En nog iets, een andere duistere associatie met het getal negen. Maar wat?

Hij riep zichzelf een halt toe, besloot zich er niet meer druk om te maken, maar vergat zijn voornemen bijna direct weer. Hij stak een sigaret op, liet de lucifer in het bassin onder aan het amfitheater vallen en liep het pad af.

Hij was nog maar een paar meter verwijderd van de taxushaag die de uitgang van de tuin aan het zicht onttrok, toen hem opeens een licht opging.

De negen kringen van de hel in Dantes Inferno.

Even bleef hij staan, maar toen draaide hij zich om en haastte zich over het pad terug naar het amfitheater.

Niet het feit dat Flora’s standbeeld op de tweede kring van boven was geplaatst – hij kon zich niet precies herinneren welke menselijke zonde, welke categorie van verdorvenheid Dante aan de tweede kring van zijn Inferno had verbonden – maar de inscriptie op de triomfboog die trots op de bovenste rand stond, bevestigde het:

Het kostte hem tien minuten om in de bibliotheek een exemplaar van het boek te vinden, wat hem net genoeg tijd gaf om op adem te komen. Hij liet zich in een leren stoel vallen en bestudeerde het dikke boek: La divina commedia van Dante Alighieri, een Italiaanse editie die dateerde van het eind van de negentiende eeuw.

Zijn woordenboek lag nog in het pensione, maar met een beetje geluk zou hij dat niet nodig hebben, niet meteen althans. Zelfs zijn schamele Italiaans zou genoeg moeten zijn om te kunnen vaststellen welk soort zondaars de tweede kring van Dantes hel, van zijn Inferno, bevolkte.

Hij had La divina commedia nooit helemaal gelezen. Hij had er vluchtig doorheen gebladerd, een paar verhandelingen over het boek uitgeplozen, precies genoeg gedaan om een examinator te laten denken dat hij de tekst goed kende. Hij kon een overtuigend betoog houden over het tijdloze karakter van Dantes epische gedicht, zijn roemrijke levenswerk, waar hij twaalf jaar over had gedaan en dat hij kort voor zijn dood in 1321 had voltooid. Hij kon ook een hele lijst beroemde schrijvers en dichters opnoemen die openlijk en vrijwillig hadden toegegeven dat ze schatplichtig waren aan het werk: William Blake, T.S. Eliot, Samuel Beckett en James Joyce. Hij kon zelfs specifieke voorbeelden noemen, regels uit Het barre land die Eliot rechtstreeks aan La divina commedia had ontleend.

Omdat hij Het barre land – net als de werken van Beckett en Joyce, overigens – nooit had gelezen, had hij niet kunnen zeggen wat die moderne auteurs voor inspirerends hadden ontdekt in een middeleeuws gedicht over de reis van een verloren ziel door de hel, het vagevuur en het paradijs.

Het deed er ook niet toe. Hij kon zich nog genoeg over La divina commedia herinneren om te weten dat er een verband bestond met de gedenktuin.

Dante, verdwaald in een donker woud, wordt benaderd door de geest van de dichter Vergilius, die hem door de negen kringen van de hel omlaag leidt naar het vagevuur. De geest van Beatrice – de liefde van Dantes leven, die lang daarvoor al was gestorven – neemt voor de laatste etappe de taak van gids van Vergilius over: ze leidt Dante via het paradijs naar God, met wie hij uiteindelijk een gesprek heeft.

Adam was vooral geïnteresseerd in het eerste de el van het verhaal, waarin Vergilius Dante door het donkere woud en de poorten van de hel leidt. Was het toeval dat er boven aan de gedenktuin een dicht bos van donkere, dreigende, prikkende hulstbomen stond? Of dat de triomfboog er zo dicht bij stond? Of dat je, als je de merkwaardig niet-symmetrische motieven aan weerszijden van de naam FIORE las als de letter N, je een anagram kreeg van INFERNO, oftewel de hel? Was het mogelijk dat Federico Docci wellicht niet hemel, maar wel aarde had bewogen – in grote hoeveelheden zelfs – om zomaar een steile helling voor een eenvoudig amfitheater aan te leggen? Of had hij dat gedaan om de diepe, gelaagde afgrond van de hel na te bootsen die in het eerste deel van Dantes gedicht zo gedetailleerd werd beschreven?

Dergelijke vragen hadden Adam beziggehouden terwijl hij op een holletje vanuit de tuin de heuvel op was gerend, en ook nu nog, terwijl hij gespannen door het oude boek heen bladerde.

Hij vond wat hij zocht in de vijfde zang van Inferno:

 

Cosi discesi del cerchio primaio giù nel secondo…

Aldus daalde ik af van de eerste kring naar de tweede…

 

Zijn blik zwierf over de tekst: een donker oord… de kreten en verwensingen van de zondaars die werden rondgeslingerd door een gemene, nimmer aflatende wind… i peccatorcarnali.

Hij las nog een stukje verder om te controleren of hij het niet verkeerd had begrepen. Nee dus.

Als de hulstbomen stonden voor het donkere woud waarin Dante was verdwaald, ende triomfboog de poort van de hel moest voorstellen, dan had Federico Docci ervoor gekozen om het standbeeld van zijn overleden vrouw te laten plaatsen in de kring van de hel die was voorbehouden aan de vleselijke zondaars, de overspeligen.

Hij kon het nog steeds niet helemaal bevatten, toen Maria vanuit de zitkamer de bibliotheek betrad.

‘Maria.’

‘Meneer’, – waarom noemde ze hem nu opeens ‘meneer’? – ‘Signora Docci wil u graag spreken.’

‘Dank je.’

Hij verroerde zich niet.

‘Gaat het wel goed met u, meneer?’

‘Jazeker.’

Zijn hoofd tolde nog door zijn ontdekking, dat was waar, maar zijn met zweet doordrenkte overhemd was bovendien vastgeplakt aan de rugleuning van de leren stoel, en hij was bang voor het vreemde geluid dat het mogelijk zou maken als hij in haar aanwezigheid opstond.

Het was maar goed dat hij had gewacht tot ze weg was. Het was een scheurend geluid, alsof je een stuk klittenband lostrok.

 

Signora Docci lag niet in bed, wat hem in eerste instantie van zijn stuk bracht. Dat had hij immers nog nooit meegemaakt. Nu was het bed echter leeg, keurig opgemaakt, de witte katoenen sprei volmaakt gladgestreken.

‘Hier, buiten,’ hoorde hij haar op de loggia zeggen.

Ze zat in een rotan stoel, gekleed in een marineblauwe rok en een witte katoenen blouse. Haar blote voeten rustten op een voetenbankje. Haar haar, dat ze altijd los had gedragen, zat nu in een paardenstaart, en in het zonlicht dat de loggia overspoelde was iets van de bleekheid uit haar gezicht verdwenen. Ze leek wel een passagier die op het dek van een oceaanstomer zat te zonnen – op het dek van de eerste klasse, welteverstaan.

‘Ik vond dat we vandaag maar tensalfresco thee moesten drinken,’ zei ze op zakelijke toon. Niet in staat de schijn op te houden, glimlachte ze traag. ‘Je zou je gezicht moeten zien.’

‘Ik ben verrast.’

‘Het is niet bepaald de wederopstanding van Lazarus. En trouwens, het is jouw schuld,’

‘Mijn schuld?’

‘Nou ja, niet direct. Ik vind het gewoon beschamend om dag in, dag uit vanuit mijn bed met je te moeten praten. Het is beneden mijn waardigheid.’

‘U hoeft zich voor mij echt niet te schamen.’

‘O, maar dat doe ik ook niet. Ik schaam me voor mezelf.’ Ze wendde haar gezicht naar de zon. ‘Het is lang geleden dat ik de zon op mijn gezicht heb gevoeld.’ Ze gebaarde naar het theeservies dat op het lage tafeltje klaarstond. ‘Zou jij…?’

Adam schonk de thee in, zoals hij altijd deed. Het moest van haar precies in de juiste volgorde: eerst de melk, dan de thee, dan een half schepje suiker.

‘Je rende,’ zei ze.

‘Rende ik?’

‘Nou ja, dat probeerde je althans. Ik kon je hiervandaan zien.’ Ze wees naar de lage muur van de loggia.

Zijn intuïtie vertelde hem dat hij zijn ontdekking beter voor zich kon houden. Als het inderdaad zo’n grote ontdekking was. Misschien zag hij meer van Dante in de tuin dan er was, of andersom. Hij moest het eerst zeker weten. En daarvoor had hij meer tijd nodig.

‘Ik dacht dat ik een ontdekking had gedaan, maar dat was niet zo.’

Zo gemakkelijk kwam hij er niet vanaf. ‘Wat voor ontdekking?’

‘Zephyr,’ antwoordde hij, terwijl hij in gedachten zijn antwoord nog aan het formuleren was.

‘Zephyr?’

‘De westenwind.’

‘Ja, dat weet ik.’

‘Nou, in de mythe was hij de echtgenoot van flora; in het echte leven was Federico haar echtgenoot. Opeens dacht ik… nou ja, ik dacht dat het standbeeld van Zephyr misschien was gebaseerd op Federico. Ik wilde zien of er een gelijkenis was met het portret in de werkkamer.’

‘Interessant.’

‘Alleen is er geen enkele gelijkenis.’ Hij haalde zijn schouders op.

Als ze aanvoelde dat hij haar vraag ontweek, zei ze er niets over. Wat ze wél zei, verraste hem.

‘In de noordelijke vleugel hebben we een slaapkamer, een grote, met een eigen badkamer. Als je wilt, mag je daar gebruik van maken.’ Hij wist niet zeker of hij haar goed had verstaan.

‘Dat was een uitnodiging.’

‘Om hier in te trekken?’

‘Niet voorgoed,’ zei ze met een glimlachje. ‘Denk er maar eens over na. Je hoeft nu nog geen beslissing te nemen. En ik zal niet beledigd zijn als je nee zegt.’

‘Dank u.’

‘Het scheelt je veel geld.’

‘Het is niet mijn geld. De faculteit betaalt.’

‘Dat wil niet zeggen dat je het niet ergens anders aan kunt besteden. Crispin hoeft het niet te weten. En al wist hij het wel, hij gaat het geld echt niet terugvragen. Of wel soms?’

‘Nee.’

‘Nou dan.’

Het ging niet om het geld. Er lag iets heel anders ten grondslag aan zijn aarzeling.

‘Mijn broer komt logeren.’

‘Je hebt me nooit verteld dat je een broer had.’

‘Ik probeer het zoveel mogelijk te verdringen.’

Signora Docci glimlachte. ‘Wanneer komt hij aan?’

‘Dat is een vraag die je Harry niet kunt stellen.’

‘En wat doet Harry voor de kost?’

‘Hij is beeldhouwer.’

‘Beeldhouwer?’ Ze klonk geïntrigeerd.

‘In zekere zin. Zijn werk is heel modern – heel veel gelast staal dat hij op de schroothoop vindt.’

‘Is hij presentabel?’

‘Dat is een woord dat ik nooit met hem zou associëren.’

Signora Docci moest lachen. ‘Nou, voor Harry hebben we ook nog wel een kamer, als hij er een wil. Je mag het zelf beslissen. Mij maakt het niets uit.’

Maar het maakte haar wel iets uit, dat besefte hij terdege. Hij besefte dat ze een oude vrouw was, die op het punt stond uit haar huis te worden verdreven en die iemand haar gastvrijheid bood, wellicht voor de laatste keer. Wat voor hem echter de doorslag gaf, was de kans die hij zou krijgen om meer tijd met Antonella door te brengen. Hun paden hadden elkaar de afgelopen dagen niet één keer gekruist, en dat kwam doordat hij al lang weer weg was, terug in het pensione in San Casciano, tegen de tijd dat zij ’s avonds bij haar grootmoeder op bezoek ging.