4
Ze verlieten Florence via de Porta Romana en reden van daaruit in zuidelijke richting naar Galluzzo, waar ze over een kronkelweg die langs een groot kartuizerklooster leidde de heuvels inreden.
De stijgende weg werd geflankeerd door olijfboomgaarden, keurige rijenbomen die op terrassen waren aangeplant, met blaadjes die in het zonlicht een schitterende zilveren glans hadden. De flanken van de heuvels waren bedekt met wijngaarden en groepjes parasoldennen. Hier en daar was een laan van donkere cipressen zichtbaar, die aangaf dat daar een pad liep naar een afgelegen boerderij, die steevast werd bewaakt door een klein leger van diezelfde hoge, taps toelopende naaldbomen. Afgezien van de asfaltweg waarover ze reden, wees bijna niets erop dat er inde voorbije eeuwen iets wezenlijks aan de lappendeken van het landschap was veranderd.
Adam zat onderuitgezakt op de achterbank te gemeten van het uitzicht, en van het verkoelende briesje dat door het open raampje naar binnen kwam en door zijn haren streek. De taxichauffeur kletste nog altijd honderduit, hoewel Adam al had aangegeven dat hij er weinig van verstond. Nu en dan, als hij in de achteruitkijkspiegel de blik van de man ving, bromde en knikte Adam instemmend – een regeling waarmee ze allebei volmaakt tevreden leken.
Toen de weg vlakker werd, draaide hij zich om en tuurde door de achterruit in een poging een glimp van Florence op te vangen. De stad werd echter aan het oog onttrokken door het golvende heuvellandschap dat zich naar het zuiden uitstrekte. Hij vond het eigenlijk wel toepasselijk: zelfs nu hield ze zich nog schuil.
De hele ochtend had hij rondgedwaald door de straten van de stad, door de stenen geulen die er als een raster in waren uitgebeiteld. De gebouwen oogden al even ongastvrij: de kastelen van rustieke steen, gemodelleerd op versterkte forten – zo leek het althans – de kerken met hun onopgesmukte gevels, veelal bekleed met zwart en wit marmer, de musea die in allerlei grimmige panden gehuisvest waren. Toch gingen achter die strenge gevels vele schatten schuil.
Heel zorgvuldig, met welhaast mathematische precisie, had Adam een selectie gemaakt, beperkt als hij was door de weinige tijd die hij tot zijn beschikking had. Er waren teleurstellingen geweest, befaamde werken die hem merkwaardig weinig deden. Terwijl de taxi steeds verder de heuvels inreed, troostte hij zich echter met de wetenschap dat het slechts een eerste, oriënterend bezoek was geweest, een verkenningstocht. Hij zou nog kansen genoeg krijgen om terug te gaan.
San Casciano stond als een ineengedoken dier op een hoge heuvel, een opvallende aanwezigheid in het omringende landschap. De gunstige ligging scheen de geschiedenis van het plaatsje grotendeels te hebben bepaald, al werd er in Adams gids geen melding gemaakt van de laatste belegering die het had moeten doorstaan. Toen de taxi dichterbij kwam, werd hem al snel duidelijk dat de oeroude muren die San Casciano omringden niet bestand waren gebleken tegen een aanval met het wapentuig waarover de geallieerden en de Duitsers beschikten.
Dit waren niet de eerste littekens van de oorlog die Adam had waargenomen. Zelfs Florence, door beide partijen uit respect voor het architectonische erfgoed uitgeroepen tot ‘open stad’, had schade opgelopen. Toen de geallieerden vanuit het zuiden waren opgerukt, hadden de Duitsers zich er verschanst en alle historische bruggen opgeblazen, op één na. De Ponte Vecchio hadden ze weliswaar gespaard, maar zelfs dat was een compromis geweest. Aan weerszijden van de rivier waren de gebouwen in de buurt van de brug met de grond gelijkgemaakt, waren middeleeuwse torens en renaissance-paleizen verpulverd om ruimte te maken voor het ophanden zijnde gevecht. De geallieerde troepen waren echter met behulp van pontonbruggen elders de Arno overgestoken en hadden de stad snel bevrijd.
Nu, jaren later, was de wond die aan het hart van de oude stad was toegebracht nog altijd rauw en open. Als er al pogingen waren ondernomen om die verloren gegane straten in hun oude glorie te herstellen, dan was daar niets van te merken. Moderne gebouwen met gladde gevels en scherpe, rechte belijningen stonden langs de zuidelijke oever van de rivier, als tieners te midden van een lange rij ouden van dagen. Het enige positieve dat je erover kon zeggen, was dat het gapende gat was opgevuld.
In San Casciano waren de herstelwerkzaamheden nog in volle gang. De stad had een pokdalig aanzien door de vele platgebombardeerde gebouwen die aan hun lot waren overgelaten. Indrukwekkend genoeg had Moeder Natuur op die plekken terrein weten te veroveren. Jonge boompjes hieven brutaal hun takken ten hemel, struiken waren erin geslaagd genoeg vocht aan de steenhopen te onttrekken om wortel te schieten en te floreren, onkruid en varens groeiden in spleten in de afgebrokkelde muren. De nietszeggende betonnen panden die her en der verspreid in het historische centrum stonden, benadrukten nog eens wat een ravage er in het stadje was aangericht.
Pensione Amorini was gespaard gebleven. Een deel van de oeroude wijnrank die zich aan het afbladderende stucwerk van de gevel vastklampte, was over een pergola geleid die zijn schaduw wierp over een terras aan de voorkant, dat plaats bood aan gasten die geen plekje konden bemachtigen in de bar en de trattoria op de begane grond. Signora Fanelli verwachtte hem – hij had haar vanuit Florence gebeld om te zeggen dat hij eraan kwam – en liet haar tienerzoon uit een achterkamertje opdraven om Adam te helpen met zijn koffers.
‘Uffa,’ zei Iacopo toen hij de twee koffers schattend optilde. De zwaarste – die met de boeken erin – liet hij staan, zodat Adam hem de trap op moest zeulen.
De kamer was veel mooier dan hij had durven hopen. Hij was groot en licht, en er waren een vloer van glanzende, dieprode tegels, een balkenplafond en twee ramen die uitzicht boden op een lommerrijke tuin achter het pand. Alleen het hoognodige meubilair stond erin: een smeedijzeren bed, een ladekast en een kledingkast. Er stond ook een bureau, zoals hij had gevraagd, maar geen stoel, wat signora Fanelli een scherpe berisping ontlokte.
Mokkend ging Iacopo op zoek naar een stoel, na een laatste blik op Adam alsof het diens schuld was dat hij publiekelijk was vernederd. Al snel keerde hij terug, met stoel, waarop hij weer verdween, terwijl signora Fanelli nog een opsomming stond te geven van de eigenaardigheden van het sanitair.
Adam verklaarde dat de kamer ‘perfetto’ was.
‘Perfetta,’ verbeterde ze hem. ‘Una camera pafetta.’
Ze nam zijn paspoort van hem aan, schonk hem een snelle glimlach en ging weg. Slechts haar parfum bleef achter, een vluchtige rozengeur die als een lichte nevel in de lucht hing.
Hij hees zijn koffer op de door houtwormen aangevreten ladekast aan het voeteneinde van het bed en begon met uitpakken. Ze moest jong moeder zijn geworden, toen ze een jaar of zeventien, achttien was, al zou je op grond van haar uiterlijk denken dat ze nog jonger was geweest. Om de een of andere reden had hij zich een oudere vrouw voorgesteld, klein van stuk en groots van omvang. In plaats daarvan werd hij gehuisvest door een slankere versie van Gina Lollo-brigida in Trapeze.
Dat was een aangename gedachte.
Onverwacht kwam er nog een beeld uit die film bij hem op – Burt Lancaster die zijn overdreven gespierde lijf in een strak pakje had geperst – en daarmee was het moment voorbij.
De weg naar Villa Docci bleek een stoffig wit pad te zijn dat over de kam van een hoge uitloper ten noorden van San Casciano liep. Stijgend en dalend voerde het langs okergeel gestuukte boerderijen, hooivelden die overgingen in olijfboomgaarden, en wijngaarden verborgen achter hoge heggen vol kleurige kamperfoelie, kaasjeskruidenbloedrode klaprozen. Zijn moeder zou verrukt zijn geweest en zou af en toe zijn blijven staan om zijn aandacht op een plant of bloem te vestigen. Dat was een gewoonte van haar. Het enige waarvan Adam zich echter bewust was, was het spottende getsjirp van de cicaden op de maat van de golvende, meedogenloze hitte.
Hij stond juist op het punt om te keren, ervan overtuigd dat hij ergens verkeerd was gelopen, toen hij voor zich uit twee verweerde stenen hekpalen zag. Daarachter liep een laan van oeroude cipressen steil omhoog naar een grote villa. De stammen van de bomen hadden een wit poederlaagje van het opgewaaide stof van de oprit. Er stond geen bordbij de hekpalen, maar een snelle blik op de met de hand getekende routekaart die signora Docci hem had toegestuurd bevestigde dat hij eindelijk zijn bestemming had bereikt.
Boven aan de oprit bleef hij staan, onzeker, met zijn intuïtie op scherp. Hij draaide zich om en keek langs de helling omlaag, naar het zich vernauwende perspectief van de cipressen aan weerszijden van het pad.
Er klopte iets niet. Maar wat? Hij wist het niet precies. En hij had het te warm om erover te piekeren.
De cipressen maakten plaats voor een met grind bedekte cirkel voor het huis. Iets lager op de heuvel, achter een groepje steeneiken links van hem, stonden enkele bijgebouwen, maar zijn aandacht was gevestigd op de villa zelf.
Welk woord had professor Leonard ook alweer gebruikt voor de architectuur? Alledaags?
Toegegeven, zijn eigen kennis over het onderwerp was vrijwel uitsluitend afkomstig uit een gehavend exemplaar van Edith Whartons boek over Italiaanse villa’s, maar niets aan het gebouw dat hij voor zich zag vond hij alledaags. Hoewel het niet zo groot of indrukwekkend was als sommige andere villa’s, verleenden de symmetrie en de verhoudingen het een discreet adellijk, welhaast majestueus air.
Het gebouw, met twee vleugels aan weerszijden van een stenen binnenplaats, was drie verdiepingen hoog en had een ietwat schuin aflopend pannendak. Langs de middelste en bovenste verdieping van de voorgevel liepen overwelfde loggia’s, terwijl de vleugels bestonden uit afgesloten galerijen, waarin ramen met frontons en kraagstenen waren uitgespaard. Veel meer was er niet te zien, maar wat er was, klopte tot in het kleinste detail.
De villa leek niet de behoefte te hebben zijn hoogstaande kwaliteit rond te bazuinen, maar straalde die wel uit, als een perfect passend maatpak. Je kon in een oogopslag zien dat een meester de hand had gehad in de bouw – een reeds lang overleden, niet-onderkende, vergeten meester. Als een befaamde architect uit die tijd verantwoordelijk was geweest voor het ontwerp, zou dat immers ergens zijn vastgelegd. Tijdens zijn voorbereidende onderzoek was hij echter bijna geen verwijzingen naar Villa Docci tegengekomen.
Hij liep om de put in het midden van de binnenplaats heen, en vervolgens de trap op naar de voordeur. In de muur boven de deur was een stenen schild aangebracht: een wild zwijn dat het middelpunt vormde van het wapen van de familie Docci. Adam trok aan de ijzeren schelketting.
Kennelijk had ze binnen naar hem uitgekeken en gewacht tot hij voor de deur stond, want bijna meteen zwaaide deze open. Ze was klein en gezet, en ze droeg een witte blouse die in een zwarte rok was gestopt. Haar donkere ogen richtten zich op de zijne en hielden strak als een bankschroef zijn blik vast.
‘Goedemorgen,’ zei hij in het Italiaans.
‘Goedemiddag.’
‘Ik ben Adam Strickland.’
‘U bent te laat.’
‘Ja, dat weet ik. Mijn excuses.’
Ze deed een stap opzij om hem binnen te laten, terwijl ze hem schattend en doelbewust opnam, alsof hij een paard was waarop ze wellicht wilde wedden (al had hij de stellige indruk dat ze niet van plan was binnen afzienbare tijd naar haar portemonnee te grijpen).
‘Signora Docci wil u graag spreken.’
Aan weerszijden van de langwerpige hal bevonden zich stenen trappen die naar de eerste verdieping leidden. Toen ze zich naar de trap aan de linkerkant omdraaide, haalde Adam haar in.
‘Mag ik misschien een glaasje water?’
‘Water? Ja, natuurlijk.’ Ze veranderde van richting en liep naar een gang naast de trap. ‘Hier wachten,’ zei ze.
Dat vond hij niet erg. Zo had hij de kans om de villa eens goed vanbinnen te bekijken. Als hij al had gevreesd dat de onderkoelde elegantie van de buitenkant een kwestie van toeval was, zou zijn twijfel nu zijn verdwenen. De invloed van dezelfde beheerste hand was duidelijk voelbaar in de proporties van de reusachtige ontvangkamer, die het middelste deel van de begane grond in beslag nam, en die grensde aan een terras met een balustrade aan de achterkant van de villa. De kamers aan weerszijden waren met elkaar verbonden door middel van een reeks deuren die volmaakt op één lijn lagen, zodat er een telescopisch perspectief ontstond en je ongehinderd van de ene kant van de villa naar de andere kon kijken.
Adam liep terug toen hij voetstappen hoorde naderen, want hij wilde niet al rondsnuffelend worden betrapt door de dienstmeid, of de huishoudster, of wat ze ook moest voorstellen.
Signora Docci zat rechtop, gesteund door een berg kussens, in een hemelbed van donker hout te lezen. Toen ze binnenkwamen boog ze haar hoofd, zodat ze hen over haar bril heen kon aankijken.
‘Adam,’ zei ze met een brede glimlach.
‘Hallo.’
‘Grazie, Maria.’
Met een hoofdknik verliet Maria de kamer, en ze deed de deur achter zich dicht.
Signora Docci gebaarde dat Adam naar het bed moest komen. "Toe maar, het is niets besmettelijks, gewoon ouderdom.’ Ze legde haar boek weg en glimlachte weer. ‘Nou ja, misschien is het toch besmettelijk.’
Haar haren hingen los en lagen als een zilveren waterval om haar schouders. Het leek te lang, te dik voor een vrouw op leeftijd. Een web van fijne lijntjes lag als een sluier op haar gezicht, maar de huid was nog stevig en werd ondersteund door prominente beenderen. Haar donkere ogen stonden ver uit elkaar.
Adam stak zijn hand uit. ‘Aangenaam kennis te maken.’
Ze schudden elkaar de hand. Haar benige handdruk was stevig.
‘Ga toch zitten.’ Ze wees naar een stoel met een hoge rugleuning, naast het bed. ‘Ik ben blij dat je er eindelijk bent. Maria loopt al dagen druk op te ruimen en te poetsen.’
Hij kon het zich nauwelijks voorstellen: de strenge, zwijgzame Maria die voorbereidingen trof voor zijn komst.
‘Zeis een fijn mens. Als ze eraan toe is, zal ze je die kant van zichzelf tonen.’
Het bracht hem een beetje van zijn stuk dat ze zijn gedachten van zijn gezicht kon aflezen.
‘Hoe was de reis?’
‘Prima. Lang.’
‘Ben je nog in Parijs geweest?’
“Nee.’
‘In Milaan dan?’
‘Alleen in Florence. Eén nacht maar.’
‘Eén nacht in Florence,’ mijmerde ze. ‘Dat klinkt als de titel van een liedje.’
‘Een slecht liedje.’
Signora Docci lachte kort, scherp. ‘Ja,’ gaf ze toe.
Adam haalde een brief uit de binnenzak van zijn jas en gaf die aan haar. ‘Van professor Leonard.’
Ze legde de brief naast zich op het bed. Hij zag dat ze haar hand erop liet rusten.
‘En hoe is het met Crispin?’ vroeg ze.
‘Hij is op het moment in Frankrijk om grotschilderingen te bezichtigen.’
‘Grotschilderingen?’
‘Ze zijn erg oud. Veel bizons en herten.’
‘Een man van zijn leeftijd heeft niets in een grot te zoeken. Het wordt nog zijn dood.’
Adam glimlachte.
‘Ik meen het,’ zei ze.
‘Weet ik, alleen… uw Engels.’
‘Wat is daarmee?’
‘Het is heel goed. Heel correct’
‘Kindermeisjes. Kindermeisjes en gouvernantes. Geef mijn vader maar de schuld. Hij was verzot op Engeland.’ Ze ging verzitten, zette haar bril af en legde die op het nachtkastje. ‘Vertel eens, wat vind je van pensione Amorini?’
‘Geweldig. Dank u, dat u dat hebt geregeld.’
‘Hoeveel vraagt ze?’
‘Vijfentwintighonderd lire per dag.’
‘Veel te veel.’
‘Het is de helft van wat ik in Florence moest betalen.’
‘Dan ben je opgelicht.’
‘O.’
‘Je hoort niet meer dan tweeduizend lire te hoeven betalen voor halfpension.’
‘Maar de kamer is groot en schoon.’
‘Signora Fanelli weet hoe ze van haar schoonheid gebruik moet maken, helaas. Dat is altijd al zo geweest, zelfs toen ze nog een meisje was. En nu ze weduwe is, tja…’
‘Nou?’
‘O, niets.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Mannen zijn zoals ze zijn. Waarom zouden ze veranderen?’
Adams eerste ingeving was het op te nemen voor het mannelijk geslacht, maar eigenlijk was hij best blij met het nieuws over signora Fanelli’s huwelijkse staat. Hij koos voor stilzwijgen en een ernstig hoofdknikje.
‘Hoelang blijf je bij ons?’
‘Twee weken.’
‘Is dat lang genoeg?’
‘Dat weet ik niet. Ik heb nog nooit een tuin bestudeerd.’
‘Je zult zien dat hij een beetje verwaarloosd is, helaas. Gaetano is vorig jaar weggegaan. Het was zijn verantwoordelijkheid. De andere hoveniers doen wat ze kunnen.’ Ze wees naar de openslaande deuren die open stonden, al zaten de louvreluiken dicht. ‘Kijk maar eens. De gedenktuin kun je van hieruit niet zien, maar ik kan je wijzen in welke richting je hem moet zoeken.’
Adam duwde de luiken open, met samengeknepen ogen tegen het zonlicht dat langs hem heen de kamer in scheen. Hij bevond zich op een overwelfde loggia. Zodra zijn ogen aan het licht gewend raakten, kon hij het indrukwekkende uitzicht in zich opnemen. Heuvels strekten zich als een lappendeken uit naar het westen, met plooien die door de dalende zon in verschillende schaduwtinten werden gehuld. Het tafereel had iets tijdloos, iets welhaast mythisch – als een landschapsschildering van Poussin.
‘Bijzonder, hè?’ vroeg signora Docci.
‘Als je ervan houdt.’
Dat ontlokte haar een lach.
Adam tuurde naar de tuin aan de achterkant van de villa, het geometrische patroon van grindpaden en keurig gesnoeide heggen.
Aan de rand van het onderste terras, links van je, staat een groepje parasoldennen. Als je daartussendoor loopt en het pad naar beneden volgt, kom je bij de gedenktuin.’
Vlak achter het groepje dennen liep de grond opeens scherp af naar een beboste vallei.
‘Ja, ik zie het.’
Hij trok de luiken achter zich dicht toen hij de kamer weer in liep.
‘Waarom is hij helemaal daar aangelegd? In de vallei, bedoel ik.’
‘Water. Daar is een bron. Of liever, die was er. Hij staat inmiddels droog, zoals alles. We hebben regen nodig, heel veel regen. De druiven en olijven doen het slecht.’ Ze pakte een dunne dossiermap die op het nachtkastje lag. ‘Hier. Dit heeft mijn vader samengesteld. Het is niet veel, maar het is alles wat we over de tuin weten.’
Adam moest zelf weten wanneer hij kwam en ging, vervolgde ze. Als hij graag van de werkkamer gebruik wilde maken, was dat geen enkel probleem, en natuurlijk stond de bibliotheek tot zijn beschikking. Sterker nog, hij mocht in de villa gaan en staan waar hij wilde, alleen op de bovenste verdieping mocht hij niet komen, want die was verboden toegang. Waarom, dat zei ze er niet bij. Maria zou tussen de middag iets te eten voor hem maken als hij dat wilde.
‘We hechten hier niet zo aan formaliteit. Als je iets nodig hebt, hoefje het maar te vragen.’
‘Dank u,’ zei hij. ‘Bedankt voor alles.’
‘Non c’è di che,’ antwoordde signora Docci met een quasi-formele hoofdknik. ‘Kom na je wandeling door de tuin nog maar even bij me langs.’
Adam wilde net weggaan toen ze eraan toevoegde: ‘O, en als je daar een jonge vrouw tegenkomt, is het waarschijnlijk mijn kleindochter.’ Er speelde een glimlach om haar mondhoeken. ‘Maak je geen zorgen, ze is ongevaarlijk.’
Hij liep door de ontvangkamer naar het betegelde terras aan de achterkant van de villa. Van daaruit leidde een stenen trap, uitgehold als gevolg van eeuwenlange slijtage, naar een formeel perk: een grindvlak met lage, keurig gesnoeide buxushagen die meetkundige figuren vormden. Her en der stonden citroenbomen in enorme terracotta potten. Hij had genoeg gelezen om te weten dat de klimrozen en blauweregen die de trellis aan de keermuur bedekten een latere toevoeging waren in de ‘Engelse stijl’, die een eeuw eerder stormenderhand het land had veroverd, met als gevolg dat veel eeuwenoude tuinen op de vuilnisbelt van de geschiedenis waren terechtgekomen. Bloembedden waren opgegraven om plaats te maken voor keurig gemaaide gazons, die al snel verpieterden in de felle Italiaanse zon. Er waren borders uitgegraven ten behoeve van bloeiende planten die beter geschikt waren voor een veel milder klimaat, en er waren allerlei klimplanten losgelaten die als wilde kinderen langs muren en bomen omhoog klauterden. In veel gevallen had de storm van vernieuwing alles vernietigd wat op zijn pad kwam, maar hier bij Villa Docci hadden de oorspronkelijke perken uit de renaissance die zo te zien vrijwel zonder kleerscheuren doorstaan.
Dat werd bevestigd toen hij het onderste terras bereikte. Pal in het midden stond een ronde fontein met eromheen hoge, keurig gesnoeide taxushagen die het terras in vakken verdeelden. Hier hield de formele tuin op, bijeen hoge keermuur die zeven meter lager eindigde bijeen met olijfbomen begroeide helling van de zonovergoten heuvelpan. Langs de balustrade waren enkele stenen bankjes neergezet, zodat je van het uitzicht kon genieten. Aan de noordkant van het terras stond een kapelletje tegen een lage klif van zandsteen. De ingang ervan werd geflankeerd door twee torenhoge cipressen, als donkere obelisken. Aan de andere kant stond het groepje parasoldennen waarop signora Docci hem vanaf de loggia had gewezen.
Hij maakte het zich gemakkelijk in de naar hars geurende schaduw van de dennen en stak een sigaret op. Toen keek hij omhoog naar de villa, die trots en gewichtig boven op de heuvel stond, als een kapitein op het achterdek van zijn schip. Op de bovenste verdieping waren de luiken voor alle ramen dicht, wat de indruk wekte dat die kamers niet alleen verboden toegang, maar bovendien ongebruikt waren. Hij moest glimlachen om de gedachte dat er misschien wel een krankzinnig familielid, een soort gekke Mrs. Rochester, in een van die vertrekken opgesloten zat.
Als je het gebouw vanuit deze hoek bekeek, had het iets strengs, het robuuste uiterlijk van een fort. Toch was dat uiterlijk volmaakt in harmonie met de omgeving en de functie van de villa. Het was geen paleis van plezier, maar het hart van een landbouwbedrijf. De bijgebouwen, die vanaf de plek waar hij zat nog net zichtbaar waren, stonden verder heuvelafwaarts om een binnenplaats heen. Die associatie was geen schande, en dat droeg de villa ook uit met de argeloze oprechtheid van de façade die naar de vallei gericht was. Weer was de invloed van het brein achter het ontwerp voor Adam welhaast tastbaar.
Binnen een mum van tijd was hij in de ban geraakt van Villa Docci, en de gedachte dat hij al zijn tijd zou moeten besteden aan het bestuderen van een klein deel van de tuin, één onderdeel dat helemaal onder in de vallei was weggestopt, leidde nu al tot stijgende frustratie.
Opeens was de oplossing zonneklaar. Hij zou het onderwerp van zijn scriptie aanpassen, Wie kon daar bezwaar tegen aantekenen? Professor Leonard? Op grond waarvan? Het onderzoeksgebied waarbinnen Adam zich als student kon bewegen was zo algemeen dat het bijna alles omvatte. Als Roland Gibbs een beschimmeld romaans kerkje in Suffolk als onderwerp voor zijn scriptie mocht nemen, waarom zou hij dan niet over een Italiaans landhuis uit de renaissance mogen schrijven? Hij zou wel moeten lonken naar de marxistische geschiedenis, een invalshoek die op de faculteit steeds meer aan populariteit won. Kunst en architectuur mochten niet worden beoordeeld op hun eigen merites, maar uitsluitend als uitingen van de sociaal-economische onderstromen van die tijd.
Met afnemend enthousiasme sloeg hij het dossier open dat signora Docci hem had gegeven, en hij begon te lezen. Het taalgebruik was bloemrijk, formeel, typisch voor de eeuwwisseling.
Flora Bonfadio was pas vijfentwintig toen ze stierf. Dat was in 1548, het jaar nadat zij en haar man Federico Docci, die een jaar of twintig ouder was, hun intrek hadden genomen in de nieuwe villa die ze in de buurt van San Casciano hadden laten bouwen. Over Flora’s voorgeschiedenis was weinig bekend. Er werd beweerd dat ze verwant was aan de dichter en humanist Jacopo Bonfadio, maar daar was geen hard bewijs voor. Wat de familie Docci betrof: dat waren Florentijnse bankiers die, net als de Medici, oorspronkelijk afkomstig waren uit de Mugello, een bergachtige streek ten noorden van de stad. Hoewel ze het nooit zo ver hadden geschopt als de Medici – wie wel? – waren ze in de zestiende eeuw gevestigde, succesvolle bankiers. Dat moest ook wel, anders had Federico Docci zich nooit de luxe kunnen veroorloven om een landhuis voor zichzelf en zijn jonge bruid te laten bouwen.
Villa Docci werd meteen een zoete inval voor kunstenaars en schrijvers, en stond naar verluidt bekend om de uitbundige feesten die er door de gulle gastheer werden georganiseerd. Dat was geen ongebruikelijke ontwikkeling. Het creëren van een culturele trekpleister in de heuvels was het doel van veel rijke Florentijnen, welhaast een noodzakelijke fase in hun ontwikkeling – een kans om hun vuile geld te delen met de behoeftigen, en zich tegelijkertijd te omringen met de grootste talenten van het tijdperk. De samenkomst van financiële en culturele rijkdom: een rode draad in de geschiedenis. Een simpele ruil in een tijd waarin het mecenaat de norm was.
Adam herkende slechts twee namen op de lijst van mensen die naar verluidt te gast waren geweest op Federico’s bijeenkomsten in Villa Docci. De eerste was Bronzino, de bekende hofschilder. De tweede was Tullia d’Aragona, de niet zozeer bekende als welberuchte courtisane en dichteres. Dat zij erop stond, verleende de lijst een vleugje schandaal, en de suggestie dat zich in Villa Docci duistere, gevaarlijke zaken hadden afgespeeld. Of dat nu zo was of niet, Federico’s droom van een culturele salon op het platteland werd na een jaar wreed verstoord door de dood van zijn vrouw. Nergens was vastgelegd wat de oorzaak was van Flora’s vroegtijdige overlijden. Federico moest er echter kapot van zijn geweest, want hij was nooit hertrouwd, en na zijn dood waren de villa en het bijbehorende landgoed overgegaan op een andere tak van de Docci-clan.
Te midden van al die geschiedkundige nevel was één ding duidelijk: in 1577 had Federico een tuintje aangelegd ter nagedachtenis aan Flora, op basis van zijn eigen ontwerp.
Op de volgende bladzijde trof Adam een met de hand getekende plattegrond van de tuin aan. In een reflex sloot hij het dossier. De eerste keer kon hij beter zonder verwachtingen of voorkennis de tuin gaan bekijken, zoals professor Leonard had voorgesteld.
Het pad slingerde loom de vallei in, ais een lint van aangetrapte aarde, slecht onderhouden en overwoekerd. Aan weerszijden ervan werd de begroeiing dichter en donkerder naarmate hij verder afdaalde, en maakten de bladverliezers plaats voor altijdgroene planten: sparren, taxussen, jeneverbesstruiken en laurier. Hij hoorde vogels, maar hun gezang was gedempt, verspreid, waardoor moeilijk vast te stellen was waar het vandaan kwam, Toen hield het pad op. Daar leek het tenminste op. Toen hij beter keek, zag hij in de hoge taxushaag die hem de weg versperde een smalle spleet, die schuin bij hem vandaan liep.
Even aarzelde hij, maar toen liep hij voorzichtig door de spleet heen.
Aan de andere kant van de haag was het pad bedekt met grind. De bomen stonden er vlak langs, zodat hun verstrengelde takken hoog boven zijn hoofd een duister gewelf vormden. Na een meter of honderd hielden de bomen aan beide kanten opeens op en stond Adam op een open plek, aan de kop van een brede kloof in de heuvel. Dit was duidelijk het hart van de tuin, de centrale as van waaruit de rest ervan uitwaaierde.
Rechts van hem, bijna boven aan een amfitheater met stenen randen langs de rijen, stond een voetstuk met daarop een marmeren standbeeld van een naakte vrouw. Ze stond in een overdreven contrapposto-houding: haar rechterheup ver opzij, haar lichaam naar links gedraaid en haar hoofd naar rechts, zodat ze over haar schouder keek. Met haar rechterarm bedekte ze bedeesd haar borsten, in haar haren waren bloesems gevlochten en aan haar voeten stroomden bloemen uit een gevallen vaas, als water uit een urn.
Hij kon zich vergissen, maar volgens hem had Federico Docci zijn vrouw laten afbeelden als Flora, de godin van de bloemen. Dat was geen grote verrassing, sterker nog: het lag zo voor de hand dat hij erom moest glimlachen.
Voor het geval iemand nog twijfelde aan de identiteit van de afgebeelde vrouw, stond erboven, op de rand van het amfitheater, een trotse triomfboog tegen een achtergrond van donkere hulstbomen. Op de zware latei, die door twee gecanneleerde zuilen werd ondersteund en door twee decoratieve tabletten werd geflankeerd, was een woord gegraveerd:
Het Italiaanse woord voor bloem flora in het Latijn. Het was een veelzeggend, teder gebaar dat Federico had besloten de Italiaanse vorm van de voornaam van zijn vrouw te gebruiken. Het wees wellicht op een koosnaampje, of op een andere uiting van intimiteit die voor het nageslacht verloren was gegaan.
Aan weerszijden van het amfitheater liepen twee stenen goten steil af naar een langwerpig, verzonken bassin. De bodem was bedekt met bladeren en andere rommel, en op die rottende matras lag een dode vogel. De bleke beenderen waren door het vergane verendek heen zichtbaar. Een verweerde stenen bank stond voor het bassin en het amfitheater. Er stond een Latijnse inscriptie in, afgesleten door de elementen, maar nog net leesbaar:
ANIMA FIT SEDENDO ET QUIESCENDO PRUDENTIOR
In ruste wordt de ziel wijzer. Of zoiets. Een toepasselijke boodschap voor een plek die bestemd was voor overpeinzing.
De aanwezigheid van een overlooppijpje vlak onder de rand van het bassin leidde zijn blik heuvelafwaarts naar een hoge terp, dicht begroeid met laurier en omringd door cipressen. Daarvandaan liepen twee paden naar het donkere bos aan weerszijden van het overwoekerde grasveld dat tot aan de voet van de vallei doorliep. Aan de overkant van dat grasveld stond half verscholen tussen de bomen een stenen gebouwtje.
Een flauw aflopende trap leidde naar de terp. Adam liep om het kunstmatige heuveltje heen, zich afvragend wat de betekenis ervan was. Het had geen diepere betekenis, ontdekte hij al snel. Het bevatte een donkere kunstgrot.
De ruwe opening, die eruitzag als de mond van een natuurlijke berggrot, was bedekt met stukken rots en stalactieten. De zon stond dusdanig dat hij binnen niets kon onderscheiden.
Even aarzelde hij, maar toen schudde hij zijn vage, angstige voorgevoel van zich af en stapte de gapende duisternis binnen.