2
Voor ze het wisten brak de examentijd aan, en net zo snel was die weer voorbij. Ze vierden feest, werden dronken, punterden met picknickmanden naar Grantchester, dansten op universiteitsbals en doken volledig gekleed in de rivier – herinneringen die voor Adam voorgoed bezoedeld waren door Gloria’s beslissing om op de laatste avond van het trimester een punt te zetten achter hun relatie. Er viel niet over te praten, en haar karakter getrouw was Gloria geenszins van plan wroeging te veinzen die ze duidelijk niet voelde. Ze kon hem echter één kleine troost bieden: aangezien hij nu niet met haar mee zou gaan naar haar ouderlijk huis in Schotland, bleven hem de gekmakende attenties van de muggen bespaard.
‘Het is weleens vóórgekomen dat koeien van de kliffen zijn gesprongen om aan die muggen te ontkomen.’ Dat was het laatste dat ze tegen hem zei, voordat hij de kamer uit stormde en de deur achter zich dicht smeet.
De volgende dag keerde iedereen zoetjesaan terug naar het echte leven. Voor Adam betekende dat een nietszeggende buitenwijk ten zuiden van Londen, en een villa in tudorstijl met elizabethaanse accenten. Het huis, dat vlak na de oorlog uit de grond was gestampt, had zijn bestaan uitsluitend te danken aan het feit dat de bemanning van een Duits vliegtuig na één blik op de dodelijke hagel van luchtafweergeschut boven de stad snel zijn bommen had gedropt en naar huis was gevlucht.
Adam en zijn broer hadden ooit achter in de tuin een loopgraaf gegraven – de eerste verdedigingslinie tegen een denkbeeldige vijanden waren daarbij gestuit op de overblijfselen van de rijtjeshuizen die er voorheen hadden gestaan. Harry had die stukjes baksteen, tegels en glas in gebrand gips gedrukt en er een mozaïek in de vorm van een huis van gemaakt. Voor zover Adam zich herinnerde, was dat de eerste duidelijke aanwijzing voor Harry’s roeping geweest.
Adam zocht oude vrienden uit de buurt op. Samen dronken ze bier in de tuin van de Stag and Hounds, wisselden verhalen uiten deden hun uiterste best om hun ogen te sluiten voor de onontkoombare waarheid: dat de onderlinge band met het jaar zwakker werd en binnenkort wellicht helemaal zou verdwijnen.
Zijn moeder was dolblij dat hij thuis was en stak haar vreugde niet onder stoelen of banken, wat meestal betekende dat ze ongelukkig was. Telkens als ze hem overlaadde met genegenheid, kreeg hij het ongemakkelijke gevoel dat ze hem als een stok gebruikte om zijn vader mee af te ranselen: zie je nou wat je mist? Zijn vader was afstandelijker dan ooit, en niet erg blij met hem. Hij wilde dat Adam tijdens de vakantie werkervaring zou op doen, door via een kennis van hem stage te lopen bij de Baltic Exchange, de scheepvaartbeurs. Het was niet meer dan verstandig om te leren hoe de Baltic Exchange in elkaar stak voordat je bij Lloyd’s aan een carrière in scheepvaart assurantiën begon. Dat was niet meer dan verstandig, want dat had hij zelf immers ook gedaan. Uiteindelijk legde hij zich echter bij zijn nederlaag neer.
Alle voorbereidingen verliepen probleemloos: een brief aan signora Docci, haar antwoord (getypt in onberispelijk Engels) waarin ze meldde dat ze een kamer voor hem had geboekt in een pensione in het dichtstbijzijnde dorp. Professor Leonard hoefde zich nergens mee te bemoeien, behalve met het bijeenschrapen van een toelage voor Adam bij de faculteit Kunstgeschiedenis. Hij stelde echter wel voor om in de stad af te spreken voor een laatste gesprek, voordat Adam naar het vasteland van Europa afreisde.
De voorgestelde locatie was een indrukwekkend stenen pand in het centrum, vlak bij station Cannon Street Adam had nog nooit gehoord van het Achtbare Vildersgenootschap, hoewel het hem niet bepaald verbaasde dat de professor aangesloten was bijeen middeleeuws gilde met zeven eeuwen geschiedenis. Door gelambriseerde vertrekken liepen ze naar het dakterras, waar ze de lunch nuttigden onder een effen wolkendek dat deed denken aan een door de motten aangevreten deken, en waar de zon af en toe doorheen prikte om delen van de stad te verlichten.
Ze aten T-bonesteak en dronken rode wijn.
De professor was gewapend met een stapel boeken en artikelen ter verrijking van Adams geest.
‘Lees deze goed door,’ zei hij, terwijl hij Adam kopieën van Ovidius’ Metamorphosen en Fasti overhandigde. ‘De rest is bedoeld als naslagwerk. U zult merken dat de familie over een uitgebreide bibliotheek beschikt, waarvan u ongetwijfeld gebruik zult mogen maken.’ Over de tuin zelf wilde de professor liever niets meer kwijt – ‘Ik wil uw oordeel niet vertroebelen’ – maar hij was wel bereid om Adam op de hoogte te brengen van enkele achtergrondfeiten.
Signora Docci woonde, sinds de dood van haar man enkele jaren eerder, in haar eentje in Villa Docci. Haar oudste zoon Emilio was ook dood, aan het einde van de oorlog vermoord door de Duitsers die de villa hadden bezet. Er was nog een zoon, Maurizio, die binnenkort het landgoed zou erven, en een losbandige dochter, Caterina, die inmiddels in Rome woonde.
De rest van de lunch werd besteed aan een gesprek over de reis naar Frankrijk die de professor binnenkort ging maken. Hij wilde de paleolithische rotsschilderingen in Lascaux bezichtigen – zijn derde bezoek sinds ze in 1940 bij toeval waren ontdekt door een groepje jongens uit de buurt. Hij herinnerde zich levendig zijn frustratie omdat hij vijf jaar moest wachten voor de oorlog ten einde was en hij eindelijk zijn eerste pelgrimstocht kon maken. Nu, dertien jaar later, achtte hij het mogelijk om de invloed van die primitieve afbeeldingen op het werk van moderne kunstenaars in kaart te brengen. Sterker nog, dat zou het onderwerp worden van een artikel, mogelijk zelfs van een nieuw boek.
‘De belangrijkste nog levende schilders in Europa die zeventienduizend jaar na dato hun inspiratie ontlenen aan de oudste schilders die ons bekend zijn. Als dat geen kunstgeschiedenis is, weet ik het ook niet meer.’
‘Nee.’
‘U hoeft me niet naar de mond te praten, hoor.’
‘Natuurlijk wel,’ zei Adam. ‘U betaalt immers voor de lunch.’
Later, toen ze op straat afscheid namen, zei de professor: ‘Francesca – signora Docci – is inmiddels oud en zwak, heb ik begrepen. Maar onderschat haar niet.’
‘Hoe bedoelt u?’
Professor Leonard aarzelde even terwijl hij een vluchtige blik wierp op het eind van de straat. ‘Dat weet ik zelf ook niet precies, maar het is een goede raad.’
Toen Adam onderuitgezakt en enigszins aangeschoten in een verlaten coupé van de trein terug naar Purley zat, overviel hem het verontrustende gevoel dat de waarschuwing die de professor hem bij het afscheid had meegegeven het ware doel van de afspraak was geweest.
Een week later was Adam onderweg. In Parijs stapte hij over op een andere trein, zich bewust van het feit dat hij nog nooit in zijn leven zo ver naar het zuiden was gereisd. Op advies van professor Leonard stopte hij de conducteur een paar franc toe, waarop hij een slaapcoupé voor zichzelf kreeg toegewezen.
Hij kon niet slapen. In het donker lag hij te woelen terwijl Frankrijk onder hem voorbij ratelde, en hij dacht – veel te vaak naar zijn zin – aan Gloria en de uitdrukking op haar gezicht toen ze tegen hem had gezegd: ‘Ik weet ook niet waarom. Misschien omdat je een klein beetje saai bent.’
Mogelijk zou hij zich minder gekwetst hebben gevoeld als ze niet net de liefde hadden bedreven. Twee keer.
‘Saai?’
‘Nee, niet saai. Dat is oneerlijk. Nietszeggend.’
‘Nietszeggend?’
‘Nee.’
‘Wat dan?’
‘Weet ik niet. Ik kan er mijn vinger niet achter krijgen. Ik kom niet op het juiste woord.’
Geweldig. Hij was een op zichzelf staande categorie, een uniek geval dat niet in woorden te vatten was, maar het midden hield tussen ‘saai’ en ‘nietszeggend’.
Hij was boos geworden, had een kussen door de kamer gesmeten en haar de huid volgescholden. Elke seconde van de lange wandeling terug naar zijn eigen faculteit stond hem nog helder voor ogen: hoe hij vanuit haar kamer de trap was afgeslopen, hoe hij in het bleke licht van de dageraad over Trinity Great Court was gebeend, met in zijn mond de bitterzoete smaak van zelfmedelijden, die hem immuun maakte voor de vernietigende blik van de dienstdoende portier in de loge.
Triest eigenlijk, als je ervan een afstandje naar keek, bijvoorbeeld vanuit de verduisterde slaapcoupé van een trein die door de Franse nacht denderde. Hij probeerde de stroom van zijn gedachten in te dammen, of in elk geval van richting te doen veranderen. Toen hij daar niet in slaagde, deed hij het licht aan zodat hij zijn Italiaanse grammatica kon ophalen.
Bij het krieken van de dag werd hij vergast op de nauwelijks te onderscheiden contouren van een diepe Alpenvallei. Een paar uur later hadden ze de bergen achter zich gelaten.
Het enige dat hij van Milaan zag, was de fascistische pracht en praal van het Stazione Centrale terwijl hij zich van het ene perron naar het andere haastte om zijn aansluiting te halen. Hij was zich bewust van de hitte en de geur van onbekende tabak, maar daar bleef het bij. Heel vluchtig ving hij een glimp op van Shelleys ‘golvenloze vlakte van Lombardije’ voordat hij wegdommelde.
Een diepe, droomloze slaap bracht hem helemaal tot in Florence, waar hij bruusk werd gewekt door de conducteur die tegen hem praatte in een taal die maar weinig weg had van het Italiaans dat hij op school had geleerd en recentelijk had opgehaald. Terwijl hij op het perron verloren om zich heen stond te kijken, bedacht hij dat dit een heel ander welkom was dan hij op grond van de verhalen in Italië had verwacht.
Hij vond een pensione aan de Piazza Santa Maria Novella, een klein stukje lopen vanaf het station. De eigenaar vertelde hem dat hij bofte, want er was juist een kamer vrijgekomen. Adam begreep meteen waarom. Behoedzaam inspecteerde hij het sombere hokje op zolder. Hij hield zichzelf voor dat het maar voor één nachtje was.
Hij trok zijn overhemd uit en ging op de doorgezakte matras liggen om een sigaret te roken, niet gewend aan de drukkende warmte inde stad. Was dat normaal? En zo ja, waarom had niemand daar dan iets over gezegd? Of over de muggen? Verspreid over het plafond zaten ze te wachten tot het avond werd en het feestmaal kon beginnen.
Hij perste zich in het douchehokje aan het einde van de gang en liet zich verkoelen door het dunne straaltje water. Het hielp maar even. Tegen de tijd dat hij de vier trappen naar de lobby was afgelopen, kleefde zijn schone overhemd aan zijn borst.
Het onweer barstte los op het moment dat hij naar buiten liep. Een felle donderslag galmde over het plein, en kort daarop opende de purperen hemel zich en volgde de stortregen. Onder de luifel bleef hij staan kijken naar de regendruppels die dansten op de straat. Het water stroomde over de randen van de goten naar beneden; afvoerputten verdwenen onder steeds groter wordende plassen. Het bleef maar regenen, constant, onverminderd hevig. Toen het eindelijk ophield, gebeurde dat heel plotseling.
Een kerkklok sloeg het halve uur, en meteen kwamen de eerste mensen uit hun schuilplaatsen in de portieken rond de piazza, bijna alsof de twee gebeurtenissen verband met elkaar hielden, alsof de klok zoals altijd de wijkbewoners meldde dat het gevaar geweken was. Achter de overtrekkende wolkendeken kwam de zon tevoorschijn. De felle zonnestralen weerkaatsten op het drijfnatte plaveisel.
Haastig voortbewegende gestalten sprongen over de plassen heen, erop gebrand de verloren tijd in te halen. Adam mengde zich met zijn stadsplattegrond in de hand tussen de mensen en verliet de piazza aan de zuidkant. In de Via dei Fossi stroomde het regenwater nog steeds van de uitstekende dakranden hoog boven zijn hoofd, waardoor de voetgangers van de stoep af de straat op werden gedreven, waar ze het gevecht moesten aangaan met complete eskaders scooters en auto’s. De smalle straat werd gevuld met getoeter en gevloek, een kakofonie die met horten en stoten en ondersteund door wilde gebaren ten gehore werd gebracht, als een krankzinnige opera die werd begeleid door het lage tromgeroffel van het overtrekkende onweer.
Een steek van ongerustheid deed zijn pas verstijven, maar niet vanwege de chaos die om hem heen was ontstaan. Hij kende de stad op zijn duimpje, maar alleen uit de boeken. Stel dat het op een teleurstelling uitdraaide? Stel dat het ‘unieke culturele en artistieke erfgoed’ van Florence, dat hij in zijn essays met zoveel holle deskundigheid tot in detail had beschreven, hem koud liet? Alsof het afgesproken werk was, bereikte hij op dat moment een brug over de Arno: geen levendige, sprankelende rivier, maar een lint van bruin, modderig water dat leek thuis te horen op een fabrieksterrein.
Vijf minuten later bereikte hij zijn bestemming, en zijn bezorgdheid verdween als sneeuw voor de zon. De Brancaccikapel van de Santa Maria del Carmine was verlaten toen hij binnenkwam, en het bleef nog een kwartier stil. Michelangelo en Rafaël waren hier allebei geweest om te studeren, werken na te schilderen, te leren van de jongeman die het gezicht van de Europese schilderkunst had veranderd: Tommaso Guidi, die van zijn vrienden de bijnaam Masaccio kreeg, een sjofel wonderkind dat op zevenentwintigjarige leeftijd was overleden, maar toen allang een onuitwisbaar stempel had gedrukt op de muren van de kerk. Anderen hadden ook hun bijdrage geleverd aan de reeks fresco’s – Masolino, Fra Lippo Lippi, belangrijke namen – maar hun werk was eendimensionaal, levenloos, als je het vergeleek met dat van Masaccio.
Zijn figuren eisten de aandacht op, dwongen geloof af; sommige dreigden zelfs van de muur af te stappen om twijfelaars op hardhandige wijze te overtuigen. Echte mannen, geen plaatjes. En echte vrouwen. Zijn weergave van Adam en Eva die uit het paradijs werden verbannen behoefde geen context om gewaardeerd te worden. Meer dan vijfhonderd jaar na dato was het nog altijd een indringend beeld: het gevallen paar met hun naakte, ruw gemodelleerde armen en benen, met spieren hard als graniet door de vele lichamelijke arbeid, wreed verdreven als landarbeiders door een meedogenloze landvoogd. Adam, een gebroken man, verborg zijn gezicht in zijn handen. Eva bedekte beschaamd haar naaktheid, maar haar gezicht was ten hemel geheven en ze schreeuwde het uit. Het gapende, vormeloze gat van een mond dat Masaccio haar had gegeven, leek alle boosheid, frustratie en onbegrip van de wereld te behelzen.
Hoe langer Adam naar het fresco staarde, hoe meer hij zag en hoe minder hij ervan begreep. ‘De definitie van ware kunst’? Hij stond nog steeds beschaamd aan zijn eigen hoogdravende woorden te denken toen een echtpaar de kapel binnenkwam.
Ze waren Frans. Zijn dikke zwarte haarwas met olie achterovergekamd in twee symmetrische vleugels die een eindje boven zijn voorhoofd uitstaken. Zij was graatmager, heel anders dan Masaccio’s Eva, of wellicht zoals Eva er een paar jaar na haar verdrijving uit de weelderige Hof van Eden moest hebben uitgezien: bleek en uitgemergeld.
‘Goedemiddag,’ zei de Fransman in het Engels, maar met een zwaar accent, terwijl hij opkeek uit zijn gids.
Het stak Adam dat hij zo herkenbaar was, niet alleen als een mede-toerist, maar ook als Engelsman.
‘Amerikaan?’ vroeg de Fransman.
‘Engelsman.’
Het kwam er heel anders uit dan zijn bedoeling was: kortaf, verontwaardigd, als een parodie op Angelsaksische hooghartigheid. Het echtpaar wisselde een heel korte geamuseerde blik, wat zijn ergernis alleen maar vergrootte.
Hij keek naar het perfect gekapte haar van de man en stelde zich voor hoe verontrustend die fikse regenbui voor hem moest zijn geweest. Misschien hielp die olie wel; mogelijk stroomde het water er zó vanaf.
Hij besefte pas dat hij stond te staren toen de Fransman zenuwachtig zijn gewicht verplaatste en vroeg:‘Ja…?’
Adam gebaarde naar de fresco’s. ‘Laspinturas son muy hermosas,’ zei hij in zijn beste Spaans.
Toen hij de kapel verliet en het echtpaar alleen liet met het geniale werk van Masaccio, vroeg hij zie haf of zijn vijandigheid jegens hen te wijten was aan het feit dat ze zijn beleving hadden verstoord, of op de een of andere manier door de schildering zelf was veroorzaakt.