5 Aardige mensen
'Het is dat natuur-motief dat ik verwarrend vind vertrouwde ik Lugg toe, terwijl ik me verkleedde. 'Zie jij er enig licht in?'
Hij wierp de brief terzijde en glimlachte naar me met een onverwachte schaapachtigheid. Medegevoel schitterde er over zijn hele gezicht. 'Ijverige kleine mol,' zei hij.
Ik staarde hem aan, en hij was zo vriendelijk om beschaamd te kijken. Hij vond echter bijna meteen zijn uitdagende toon weer terug. 'Die wandeling,' begon hij duister. 'Ik ben blij dat je er bent. Ik heb op je gewacht om met je te praten. Wat denk je wel dat ik ben? Een idiote duizendpoot? Groene bus, mijn ouwe sok!' 'Je wordt oud,' zei ik beledigend. 'Eens kijken of je geestelijke bekwaamheden evenzeer gestoord zijn als je lichamelijke conditie is achteruit gegaan. Ik heb nog vier minuten voor ik beneden in de eetkamer moet zitten. Zegt die brief je iets of niet? Hij werd hierheen gestuurd. Hij kwam vanmorgen aan.'
De uitslover pakte hem op en zijn groot wit gezicht stond verwijtend, terwijl hij het briefje nog eens las, zijn lippen geluidloos bewegend. 'Een uil, een kikvors, een worm en een engel zijn allemaal overstuur omdat ze die Peters niet kunnen vinden,' zei hij tenslotte. 'Dat is duidelijk, hè?' 'Verblindend,' stemde ik toe. 'En het zou kunnen suggereren dat de schrijver wist dat Peters niet dood was, wat interessant is, omdat hij het wel is. De knaap die ik in het lijkenhuis ben gaan bekijken is - of beter was - Peters in persoon. Hij stierf vanmorgen.'
Lugg staarde me verdwaasd aan. 'Speel je een spelletje met me?' informeerde hij koel. Ik nam hem vol afkeer op, terwijl ik vocht met mijn boord, en even later ging hij zonder hulp van mij verder, een zichtbare poging doende om zijn hersens op gang te krijgen.
'Vanmorgen? Werkelijk?' zei hij. 'Gestorven, hè? Waaraan?'
'Bloempot op zijn hoofd, met opzet.' 'Vermoord? Werkelijk?' Lugg wijdde zich weer aan de brief. 'O, nou, dit is duidelijk, hè? De vent die dit schreef wist dat jij er altijd zo happig op bent om aan een druppel bloed te snuffelen en de dienders opzij te dringen, en hij was zo vriendelijk om je de tip te geven zo vlug als je kon hierheen te komen om vooral maar niks te missen.' 'Ja, wel, je bent beledigend, warhoofdig en vulgair,' zei ik waardig.
'Vulgair?' herhaalde hij met plotselinge bezorgdheid. 'Niet vulgair, chef. Ik mag zeggen wat ik denk, maar ik ben nooit vulgair.' Hij dacht een ogenblik na.
'Dienders,' kondigde hij triomfantelijk aan. 'Je hebt gelijk, dienders, dat is gewoon volk. Inspecteurs.' 'Ik word beroerd van je,' zei ik naar waarheid. 'Het punt dat jij over het hoofd schijnt te hebben gezien is dat Peters vanmorgen stierf, en die brief werd aan mij aan dit adres gestuurd vanuit Londen-Centrum, enige tijd voor zeven uur gisteravond.' Hij nam deze feiten in zich op en verbaasde me door op te staan.
'Hiér,' zei hij, 'begrijp je wat dit betekent? De vent die jou gisteravond heeft geschreven wist dat Peters vandaag zou sterven.'
Ik aarzelde. Het was voor het eerst dat ik die onvervalste prikkeling in mijn ruggegraat voelde opklimmen. Ondertussen ging hij door met zijn geklaag.
'Je hebt het nu alweer gedaan,' weeklaagde hij. 'Ondanks alles wat ik voor je gedaan heb, je hebt je hier ingelaten met het eerste het beste goedkope smerige zaakje. Bewaar me! Je hoeft er zelfs niet voor te fluiten. Het vliegt je in de armen.' Ik keek hem aan. 'Lugg,' zei ik, 'die woorden hebben de klank van een voorspelling. Het bladerdeeg bevat per slot van rekening toch altijd een worstje.' De gong was hem voor, maar zijn commentaar volgde me terwijl ik naar de deur snelde.
'Vergiftigd, hoogstwaarschijnlijk,' zei hij. Ik bereikte de eetkamer met nog een halve seconde respijt, en Pepper bekeek me met genegenheid, wat meer was dan Janet deed, zoals ik jammer genoeg zag.
Leo praatte tegen de magere zwarte rug van een kerkelijk avondkostuum, en ik ging zitten naast iemand die de prettige heer bleek te zijn, met wie ik een praatje had gemaakt op de begrafenis van de Dikke te Tethering.
Hij herkende me met een aangenaam vertoon van genegenheid, en lachte me met diepe, slome, grijze ogen toe.
'Altijd aanwezig waar doden zijn?' mompelde hij. We stelden ons voor, en ik mocht zijn manier van doen. Hij was een grote kerel, ouder dan ik, met een zekere verlegenheid, die hem aantrekkelijk maakte. We praatten een ogenblik met elkaar, en Janet voegde zich bij ons, en het duurde een paar minuten voordat ik me ervan bewust werd, dat er iemand aanwezig was die me haatte. Het is een van die eigenaardige maar onmiskenbare sensaties, die je wel eens ervaart in bussen of tijdens besloten diners, en over de tafel heen kijkend zag ik daar een jonge, nog nooit eerder ontmoete geestelijke, die me met een oprechte vijandigheid zat op te nemen. Het was zo'n lange, benige asceet met hoogrode wangen en uitstekende polsen, en met de humorloze, ronde, zwarte ogen van de doorlopend verontwaardigde.
Ik was zo uit het veld geslagen dat ik schaapachtig glimlachte, en Leo stelde ons aan elkaar' voor. Het bleek de weleerwaarde heer Philip Smedley Bathwick te zijn, kort geleden benoemd in de gemeente Kepesake. Ik begreep niets van zijn onverholen haat, en ik voelde me er tamelijk door gekwetst, totdat ik hem naar Janet zag kijken. Toen begon ik hem te volgen. Zijn ogen puilden er bepaald van uit, en ik zou medelijden met hem hebben kunnen voelen, als er geen persoonlijke redenen waren geweest, waarop ik hier verder niet hoef in te gaan.
Hij was dubbel onfortuinlijk, daar Leo geheel en al beslag op hem legde. We hadden ons ternauwernood aan de vis gezet, of de ouwe heer bulderde, zoals hij altijd doet wanneer hij het idee heeft, dat een onderwerp nader dient te worden afgewerkt: 'Die kerel over wie we het voor het diner hadden; waar zei u dat hij verblijft?' 'Bij Mrs. Thatcher, sir. Kent u die vrouw? Ze heeft een klein huisje dicht bij "De Zwaan".' Bathwick had een goede stem, maar er klonk een trilling in die ik toeschreef aan zijn onderdrukt verlangen om te luisteren naar het gesprek aan ons eind van de tafel.
Leo gunde hem geen moment respijt. 'O, ik ken de oude Mis. Thatcher,' zei hij. 'Iemand van de Jepsons van Blucher's Hill. Een goed mens. Waarom ze zo'n kerel als die in huis heeft gehaald? Begrijp ik niet, Bathwick.'
'Ze verhuurt kamers, sir.' Bathwick's ogen dwaalden weer af naar Janet, even maar, alsof haar aanblik hem pijn deed. 'Die Mr. Hayhoe is pas een kleine week in het dorp.'
'Hé-ho?' zei Leo. 'Idiote naam. Vals waarschijnlijk.' Zoals gewoonlijk wanneer hij geïrriteerd is, schetterde hij tegen de onfortuinlijke jongeman, die hem zat aan te staren.
'Hayhoe is een tamelijk gewone naam, sir,' waagde Bathwick op te merken.
'Hé-ho?' herhaalde Leo, hem aankijkend alsof hij een zwakzinnige voor had. 'Dat geloof ik niet. Als je eenmaal zo oud zult zijn als ik, Bathwick, dan geef je het wel op te proberen grappig te zijn. Dit zijn ernstige tijden, mijn beste kerel, ernstige tijden.'
Bathwick werd vuurrood rondom zijn oren bij deze onrechtvaardigheid, maar hij beheerste zich en verbeet zijn boosheid. Het was een belachelijk incident, maar het vormt, naar ik in alle bescheidenheid wil opmerken, de enige reden waarom Leo tot op de dag van vandaag Bathwick als een schertsende ezel beschouwt, wat jammer is natuurlijk, want een ernstiger nummer dan hij moet nog geboren worden.
Op dat moment echter was ik meer geïnteresseerd in de inlichting zelf dan in de man die haar had verstrekt, en ik wendde me tot Kingston. 'Herinnert u zich van die begrafenis in uw dorp afgelopen winter een fantastisch uitziende oude man, die daar stond te huilen in een reusachtige rouwzakdoek?' zei ik. 'Dat was Hayhoe.' Hij keek me even aan. 'De begrafenis van Peters? Nee, ik geloof niet dat ik me hem herinner. Er was een eigenaardig soort meisje, weet ik nog, en-.' Hij zweeg een ogenblik, en ik zag een soort opwinding in zijn ogen verschijnen. '- Wel, wel!' zei hij.
We zaten hem allemaal aan te kijken, en hij werd er verlegen onder en deed alle moeite om van onderwerp te veranderen. Zo gauw de anderen hun gesprek echter weer hadden hervat, wendde hij zich tot mij.
'Ik dacht juist aan iets,' zei hij, en zijn stem klonk even gretig als die van een jongen. 'Misschien is het bruikbaar. Na het diner zullen we erover praten, als u er geen bezwaar tegen hebt. U kende die knaap Peters niet goed, hè?' 'Niet intiem,' zei ik behoedzaam. 'Het was geen aardige jongen,' zei hij en zachter voegde hij eraan toe: 'ik geloof dat ik iets op het spoor ben. Kan ik u hier niet vertellen.' Hij ontmoette mijn ogen, en mijn hart begon warmer voor hem te kloppen. Ik houd van enthousiasme voor de jacht, anders is het onmenselijk. We hadden echter niet de gelegenheid om meteen na tafel tot een gesprek te komen, want terwijl de port nog de ronde deed, kwam de inspecteur, die belast was met de zaak, om Leo te spreken en hij excuseerde zich.
Alleen blijvend met Bathwick hadden Kingston en ik onze handen vol. Hij was een roodgloeiend staande vernieuwer, ontdekten we. Met hartstocht sprak hij over het ongezonde leven in de met riet bedekte huisjes en de noodzakelijkheid om cultuur te brengen in het leven van de doorsnee dorpsbewoner, daarmee, zo dacht ik, een gebrek aan kennis verradend betreffende zowel het met riet bedekte huisje als, natuurlijk, de dorpsbewoner in kwestie, die, zoals iedere provinciaal weet, niet bestaat. Kingston en ik probeerden hem er juist van te overtuigen dat het hele punt waar een dorp om draait is, dat het een voldoende verspreide gemeenschap voor een mens is om er zijn ziel zijn eigendom te kunnen noemen, zonder zijn buurman ernstig te hinderen, toen Pepper binnenkwam om mij te vragen of ik bij sir Leo in de wapenkamer wilde komen.
Ik stapte de mooie, oude kamer op de eerste verdieping binnen, waar Leo zijn schrijfwerk zowel als zijn wapenonderhoud met gelijkelijk enthousiasme volbrengt, en ik vond hem daar, zittend achter zijn bureau. Tegenover hem zat een buitengewoon aantrekkelijk persoon te genieten van een glas whisky. Leo stelde hem aan me voor. 'Inspecteur Pussey, Campion, mijn jongen. Bekwame kerel. Heeft de hele dag gewerkt als een slaaf.' Ik mocht Pussey op het eerste gezicht; iedereen zou dat doen. Hij was lang en elastisch, en hij had een van die enigszins komische gezichten, die zowel ontwapenend als innemend zijn, en het was duidelijk dat hij tegen Leo opkeek met die geamuseerde toewijding en bewondering, die de grondslag vormen van de samenwerking tussen man en meester in landelijk Engeland. Toen ik binnenkwam zagen ze er beiden verward uit. Ik nam aan dat de zaak hen beiden nauw raakte. Het was een moord op eigen erf, zo te zeggen. Maar er was zelfs meer mee aan de hand dan dat, ontdekte ik.
'Hoogstmerkwaardige geschiedenis, Campion,' zei Leo, toen Pepper de deur achter me had gesloten. 'Weet helemaal niet wat ik ermee aan moet. Pussey hier verzekert me dat de feiten juist zijn, en hij is een verstandig man. Alle reden om hem te vertrouwen.'
Ik wierp een blik op de inspecteur. Hij zag er indrukwekkend verlegen uit, vond ik, als een spaniël, die onverwacht een zeldzame vogel heeft geapporteerd. Ik wachtte, en Leo gaf Pussey een teken om verder te gaan. Hij glimlachte ontwapenend. 'Het is een duistere zaak, sir,' zei hij met een enigszins plat accent. 'Lijkt alsof we ergens een fout hebben gemaakt, maar waar, dat kan ik u niet zeggen, ook nu niet. Mijn collega en ik zijn de hele dag bezig geweest met het ondervragen van mensen, en vanavond hadden we ze allemaal compleet, zoals je zou kunnen zeggen.'
'En niemand anders dan sir Leo heeft een fatsoenlijk alibi?' vroeg ik vriendelijk. 'Ik weet.. .'
'Nee, sir.' Pussey nam me mijn interruptie niet kwalijk; hij was er eerder blij mee. Hij had een aangeboren instinct voor het dramatische. 'Nee, sir. Iedereen heeft een alibi, en een goed ook, sir. Het personeel zat aan tafel ten tijde van het - ongeluk, en iedereen was aanwezig, zelfs de tuinjongen. Ieder ander in het huis was in de lounge of in de bar die er op uit loopt, en heeft het woord van twee of drie andere heren om dat te bewijzen. Er waren geen vreemden aanwezig, als u begrijpt wat ik bedoel, sir. Al de heren die Miss Bellew vanmorgen een bezoek brachten, kwamen met een bepaald doel, zoals je zou kunnen zeggen. Ze kenden elkaar allemaal goed. Het is onmogelijk dat een van hen is weggegaan en het heeft gedaan, tenzij.. Hij zweeg, zeer rood wordend. 'Tenzij wat?' zei Leo bezorgd. 'Ga door, mijn beste. Stoor je niet aan vormelijkheid. We zijn hier onder elkaar. Tenzij wat?' Pussey slikte.
'Tenzij al de andere heren het
wisten, sir,' zei hij, en zijn
hoofd viel voorover.