47

 

 

Welkom in Wycherly

 

 

 

 

 

Nadat Gurney de voorspelbare bezwaren en vraagtekens bij zijn voorgenomen rit terzijde had geschoven, liep hij naar zijn auto en belde het bureau in Wycherly om te vragen waar Gregory Dermott woonde. Hij beschikte immers alleen over het postbusnummer uit het briefhoofd. Het duurde even voordat hij de dienstdoende agente had uitgelegd wie hij was, en zelfs daarna moest hij nog even wachten terwijl de jonge vrouw Nardo belde om te vragen of ze hem de locatie mocht mededelen. Het bleek dat ze het enige lid was van het kleine korps dat niet ter plaatse was. Gurney voerde het adres in zijn routeplanner in en ging op weg naar de Kingston-Rhinecliff Bridge.

Wycherly lag even ten noorden van het hart van Connecticut. De rit duurde ruim twee uur, en al die tijd zat Gurney te piekeren over de vraag hoe hij de veiligheid van zijn vrouw over het hoofd had kunnen zien. Hij werd er zo somber en ongerust van dat hij zich uit alle macht op iets anders probeerde te concentreren, en hij begon de belangrijkste hypothese die tijdens de vergadering op tafel was gekomen van alle kanten te bekijken.

Het idee dat de moordenaar er op de een of andere manier in was geslaagd een lijst samen te stellen met een paar duizend namen van personen met een alcoholprobleem, personen die leden aan de diepgravende angsten en schuldgevoelens waarmee een drankzuchtig verleden gepaard kon gaan, en dat hij er vervolgens in was geslaagd een klein aantal van hen met een simpel trucje in zijn greep te krijgen en te kwellen met dreigende versjes, om hen vervolgens op rituele wijze te doden… Dat hele idee, hoe wereldvreemd het ook klonk, kwam inmiddels volkomen geloofwaardig op hem over. Hij wist dat de meeste seriemoordenaars reeds als kind genoegen hadden ontleend aan het martelen van insecten of kleine dieren, bijvoorbeeld door hen met behulp van een vergrootglas in de zon in brand te steken. Een van zijn beroemdste arrestanten, de Kerstkannibaal, had op vijfjarige leeftijd op precies die manier een kat blind gemaakt: met zonlicht en een vergrootglas. Zulk gedrag leek verontrustend veel op het doorspitten van het verleden van een slachtoffer en hem vervolgens kwellen met zijn eigen angsten totdat hij kronkelde van de pijn.

Nu er een patroon zichtbaar werd, vielen de stukjes van de puzzel eindelijk op hun plaats. Dat was een proces dat hem doorgaans erg veel genoegen deed, maar tijdens die middag in de auto voelde het lang niet zo goed als gewoonlijk. Misschien omdat het gevoel dat hij had gefaald, dat hij een fout had gemaakt, aan hem bleef knagen. Die gedachte brandde als zuur in zijn borstkas.

Hij probeerde zich te concentreren op de weg, op de motorkap van zijn auto, op zijn handen rond het stuur. Vreemd. Hij herkende zijn eigen handen niet eens. Ze zagen er erg oud uit, als de handen van zijn vader. De kleine vlekjes waren groter en talrijker geworden. Als iemand hem nog geen minuut geleden foto’s van een stuk of tien paar handen had laten zien, zou hij die van hemzelf niet hebben herkend.

Hij vroeg zich af waarom niet. Misschien neemt het brein geleidelijke veranderingen pas waar als het verschil tussen vroeger en nu groot genoeg is. Of misschien ging het nog verder dan dat.

Betekent dat dat we vertrouwde dingen in bepaalde opzichten altijd zo zullen blijven zien als ze vroeger waren? Zitten we vast in het verleden; niet vanwege een eenvoudig nostalgisch verlangen of een niet te vervullen wens, maar omdat de bedrading in ons hoofd bepaalde data gewoon niet kan verwerken? Als alles wat een mens ‘zag’ deels het resultaat was van de werking van de gezichtszenuw en voor een ander deel voortkwam uit het geheugen – als alles wat iemand op een bepaald moment ‘waarnam’ was samengesteld uit indrukken van dat moment en uit indrukken uit het geheugen – dan gaf dat een nieuwe betekenis aan ‘in het verleden leven’. Het verleden zou het heden dan in een tirannieke greep kunnen houden en ons van overbodig geworden gegevens kunnen voorzien, vermomd als zintuiglijke waarnemingen. Was dat het geval bij een seriemoordenaar die werd voortgedreven door een trauma uit een ver verleden? Hoe verwrongen zou zijn beeld kunnen zijn?

De theorie maakte hem even heel erg opgewonden. Wanneer hij een nieuw idee doornam en het aan de werkelijkheid toetste, kreeg hij altijd het gevoel dat hij de situatie beter in de hand had, dat hij echt leefde, maar vandaag wist hij die gevoelens niet vast te houden. Zijn routeplanner gaf aan dat het nog driehonderd meter naar de afrit voor Wycherly was.

Aan het einde van de afrit sloeg hij rechtsaf. Het was hier een mengelmoes van akkers, identieke woonwijken, rijen winkels en vage herinneringen aan genoegens uit zomers van lang geleden: een vervallen drive-inbioscoop, een wegwijzer naar een meer met een naam in het Irokees.

Het deed hem denken aan een ander meer met een indiaans klinkende naam, een meer waaromheen een wandelroute voerde die Madeleine en hij hadden gelopen toen ze tijdens een weekend in de Catskills op zoek waren geweest naar het ideale huis. Hij zag nog het enthousiaste gezicht voor zich dat ze had getrokken toen ze hand in hand glimlachend boven op de hoge oever hadden gestaan, met onder hen het water dat rimpelde in de bries. Met de herinnering kwam ook een pijnlijk schuldgevoel boven.

Hij had haar nog niet gebeld om te vertellen waar hij was, wat hij ging doen, en dat hij waarschijnlijk veel later dan verwacht thuis zou komen. Hij wist nog steeds niet hoe veel hij haar moest vertellen. Moest hij wel iets over het poststempel zeggen? Hij besloot haar meteen te bellen, te improviseren. God, zorg ervoor dat ik het juiste zeg.

Gezien de stress waaronder hij nu al gebukt ging, leek het hem verstandig de auto even langs de kant van de weg te zetten. De eerste plek die geschikt was, was een sjofel uitziend parkeerplaatsje vol grind, voor een kraampje waar groenten en fruit werden verkocht en dat nu vanwege de winter was dichtgespijkerd. De naam waaronder hij zijn telefoonnummer thuis in het geheugen had opgeslagen, luidde, heel doeltreffend maar allerminst vindingrijk, ‘thuis’.

Madeleine nam op nadat het toestel twee keer was overgegaan en sprak op die optimistische, hartelijke toon die ze altijd aan de telefoon bezigde.

‘Met mij,’ zei hij. Zijn stem had slechts een fractie van de onbekommerdheid van de hare.

Er viel een heel korte stilte. ‘Waar zit je?’

‘Daarover bel ik. In Connecticut, vlakbij een stadje dat Wycherly heet.’

De voor de hand liggende vraag zou ‘Waarom?’ zijn geweest, maar Madeleine stelde nooit voor de hand liggende vragen. Ze wachtte af.

‘Er zijn ontwikkelingen,’ zei hij. ‘Misschien is het einde in zicht.’

‘Ik snap het.’

Hij hoorde haar langzaam en beheerst ademhalen.

‘Ga je me verder nog iets vertellen?’ vroeg ze.

Hij keek door het raampje van zijn auto naar het levenloze groentekraampje. Het leek niet alleen dicht vanwege het seizoen, het leek volledig in de steek gelaten. ‘De man naar wie we op zoek zijn, wordt steeds roekelozer,’ zei hij. ‘Misschien hebben we nu de kans hem tegen te houden.’

‘De man naar wie we op zoek zijn?’ Nu was haar stem als dun ijs waarin de scheuren sprongen.

Hij zei niets, van zijn stuk gebracht door haar antwoord.

Ze vervolgde, openlijk kwaad: ‘Bedoel je soms die meedogenloze moordenaar, die seriemoordenaar, de man die nooit mist? Die zijn slachtoffers in hun nek schiet en hun keel doorsnijdt? Bedoel je hem soms?’

‘Dat is… de man naar wie we op zoek zijn, ja.’

‘En daarvoor zijn er niet genoeg agenten in Connecticut?’

‘Hij lijkt zich op mij te concentreren.’

‘Wát?’

‘Hij lijkt te hebben ontdekt dat ik een van de rechercheurs ben die aan de zaak werken, en we vermoeden dat hij nu misschien een fout zal maken, en dat zal ons de kans geven die we nodig hebben. Het is dé kans voor ons om de strijd met hem aan te gaan in plaats van alleen maar op te ruimen na weer een moord.’

‘Wat?’ Deze keer was het woord geen vraag meer, eerder een gekwelde uitroep.

‘Het komt allemaal wel goed,’ zei hij zonder overtuiging. ‘Hij begint de controle te verliezen. Hij zal zichzelf vernietigen. We hoeven er alleen maar bij te zijn wanneer dat gebeurt.’

‘Je moest erbij zijn toen dat je werk nog was. Je hoeft er nu niet meer bij te zijn.’

‘Jezus, Madeleine, ik ben politieman!’ De woorden sprongen zijn mond uit, als een vastzittend voorwerp dat opeens losschoot. ‘Waarom snap je dat nou niet, verdomme?’

‘Nee, David,’ zei ze op effen toon. ‘Je wás politieman. Dat ben je nu niet meer. Je hoeft er niet bij te zijn.’

‘Ik ben er al.’ In de stilte die volgde, zakte zijn woede af als een golf die zich terugtrok. ‘Het komt wel goed. Ik weet wat ik doe. Er zal echt niets ergs gebeuren.’

‘David, wat is er in godsnaam met je aan de hand? Blijf je achter kogels aanrennen? Net zolang tot je er eentje door je kop krijgt? Is dat het? Ben je dat gedurende de rest van ons leven van plan? En moet ik maar gaan zitten wachten totdat je een keertje koud wordt gemaakt?’ Haar stem brak bij die laatste woorden. Hij hoorde zo veel onverhulde emoties dat hij geen woord kon uitbrengen.

Uiteindelijk was Madeleine degene die weer iets zei, maar zo zacht dat hij het amper kon verstaan. ‘Waar gaat dit eigenlijk over?’

‘Waar het over gaat?’ Die vraag trof hem op een ongewone manier. Hij voelde zich van zijn stuk gebracht. ‘Ik snap niet wat je bedoelt.’

De intense stilte die honderdvijftig kilometer verder viel, leek hem te omringen, hem in te sluiten.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg hij. Hij voelde dat zijn hart sneller begon te slaan.

Hij meende haar te horen slikken. Hij voelde, nee, wist op een bepaalde manier, dat ze een besluit nam. Toen ze eindelijk antwoord gaf, was het met een andere vraag, die ze zo zacht stelde dat hij haar amper kon verstaan.

‘Gaat het om Danny?’

Hij voelde zijn hart bonzen, in zijn nek, zijn hoofd, zijn handen.

‘Wat? Waarom zou het om Danny gaan?’ Hij wilde geen antwoord geven, niet nu, niet nu hij zo veel andere dingen te doen had.

‘O, David,’ zei ze. Hij zag voor zich dat ze haar hoofd schudde, vastbesloten om het moeilijkste van alle onderwerpen te bespreken. Wanneer Madeleine een deur opende, liep ze er altijd door naar binnen.

Ze haalde beverig adem en ging verder. ‘Voordat Danny stierf, speelde je werk al zo’n grote rol in je leven. Na zijn dood was je werk het enige wat nog een rol speelde. Je hebt de afgelopen vijftien jaar niets anders gedaan dan alleen maar werken. Soms heb ik het gevoel dat je iets goed probeert te maken, iets wilt vergeten, iets wilt… oplossen.’ Ze sprak het laatste woord zo ingespannen uit dat het als het symptoom van een ziekte klonk.

Hij probeerde zijn zelfbeheersing te bewaren door zich op de vertrouwde feiten te concentreren. ‘Ik ga naar Wycherly omdat ik wil helpen de man te pakken die Mark Mellery heeft vermoord.’ Zijn stem leek wel die van een ander. De stem van iemand die oud, bang en gespannen was, van iemand die redelijk probeerde te klinken.

Ze sloeg geen acht op zijn woorden en zette haar eigen gedachtegang voort. ‘Ik had gehoopt dat als we die doos zouden openen en naar zijn tekeningen zouden kijken… dat we dan allebei afscheid zouden kunnen nemen. Maar dat doe jij nooit, hè? Jij neemt nooit ergens afscheid van.’

‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ protesteerde hij. Maar dat was niet waar. Toen ze op het punt hadden gestaan de stad voor Walnut Crossing te verruilen, had Madeleine uren besteed aan afscheid nemen. Niet alleen van de buren, maar ook van het huis zelf, van alles wat ze achter zouden laten, van de kamerplanten. Hij was er zenuwachtig van geworden. Hij had geklaagd dat ze zo sentimenteel was, dat het raar was om tegen levenloze voorwerpen te praten, dat het tijdverspilling was, een afleiding die het afscheid alleen maar moeilijker zou maken. Maar het was meer dan dat. Haar gedrag raakte iets in hem waarvan hij niet wilde dat het werd geraakt, en nu deed ze het weer; dat deel van hem aanraken dat nooit afscheid wilde nemen, dat het idee niet kon verdragen om ergens van gescheiden te zijn.

‘Je stopt dingen weg, uit het zicht,’ zei ze nu. ‘Maar ze zijn niet echt weg, je hebt ze niet echt losgelaten. Als je iets los wilt laten, zul je het onder ogen moeten zien. Als je Danny’s leven los wilt laten, zul je het onder ogen moeten zien. Maar dat wil je blijkbaar niet. Je wilt gewoon… Wat wil je dan, David? Wat? Doodgaan?’

Er viel een lange stilte.

‘Je wilt dood,’ zei ze. ‘Dat is het, hè?’

Hij voelde het soort leegte waarvan hij vermoedde dat die ook in het oog van een orkaan bestond, een emotie die voelde als een vacuüm.

‘Ik heb nog werk te doen.’ Dat was zo’n banale opmerking, stom zelfs. Hij wist niet waarom hij de moeite nam dat te zeggen.

Er viel een langdurige stilte.

‘Nee,’ zei ze zacht, en ze slikte weer. ‘Dat heb je niet.’ En toen voegde ze er, amper hoorbaar en vol wanhoop, aan toe: ‘Of misschien wel. Misschien koesterde ik alleen maar valse hoop.’

Hij wist niet wat hij moest zeggen, wat hij moest denken.

Hij bleef lange tijd zo zitten, met zijn mond een stukje geopend, snel en oppervlakkig ademend. Op een bepaald moment – hij wist niet eens wanneer – werd de verbinding verbroken. Hij wachtte in een soort van lege chaos op een kalmerende gedachte, een gedachte die hem tot handelen zou aanzetten.

In plaats van die gedachte kwam er een absurd, pathetisch gevoel in hem op; de gedachte dat Madeleine en hij zich alleen emotioneel aan elkaar konden blootgeven als ze letterlijk kilometers bij elkaar vandaan zaten, in verschillende staten, en hun emoties in een lege ruimte uitten, door een mobiele telefoon.

Wat ook bij hem opkwam, was iets waarover hij niets had kunnen zeggen, wat hij niet aan haar had kunnen onthullen. Hij had met geen enkel woord gerept over de stomme fout die hij met het poststempel had gemaakt, de fout die de moordenaar er wellicht op zou wijzen waar ze woonden. Hij had niet bekend dat hij een fout had gemaakt omdat hij zo geobsedeerd was geweest door het onderzoek. Die gedachte leek op een misselijkmakende manier in hem na te galmen en herinnerde hem eraan dat een soortgelijke obsessieve aandacht voor een zaak wellicht had bijgedragen aan Danny’s dood of er misschien zelfs wel de oorzaak van was geweest. Het was opvallend dat Madeleine dat sterfgeval met zijn huidige obsessie in verband bracht. Opvallend en, zo moest hij toegeven, akelig juist.

Hij had het gevoel dat hij haar terug moest bellen, zijn fout moest toegeven – en daarmee het gevaar waaraan hij haar had blootgesteld – en haar moest waarschuwen. Hij koos hun nummer, wachtte op haar hartelijke welkom. De telefoon ging over, over, over. Toen hoorde hij zijn eigen stem en de boodschap die hij zelf had ingesproken; een tikje stijf, bijna ernstig, en zeker niet warm, gevolgd door de piep.

‘Madeleine? Madeleine, ben je er nog? Neem alsjeblieft op als je dit hoort.’ Hij voelde zich misselijk worden. Hij wist niet wat hij voor samenhangends in een berichtje van een minuut kon zeggen; alles wat hij kon bedenken, zou alleen maar meer schade aanrichten en voor paniek en verwarring zorgen. Het enige wat hij verder wist te zeggen, was: ‘Ik hou van je. Wees voorzichtig. Ik hou van je.’ Er klonk weer een piepje en de verbinding werd verbroken.

Hij bleef zitten staren naar het bouwvallige groentekraampje, verward en vol pijn. Hij had het gevoel dat hij een maand lang zou kunnen slapen, of misschien wel voor altijd. Voor altijd, dat zou het beste zijn. Maar dat sloeg nergens op. Dat soort dingen dachten vermoeide poolreizigers ook, en dan vlijden ze zich neer in de sneeuw en vroren dood. Hij moest zich concentreren. Blijven bewegen. Doorgaan, of hij wilde of niet. Stukje bij beetje keerden zijn gedachten terug naar de onvoltooide taak die hem wachtte. Er was werk aan de winkel in Wycherly. Er moest een gek worden opgepakt. Er moesten levens worden gered. Dat van Gregory Dermott, dat van hemzelf, misschien zelfs dat van Madeleine. Hij startte zijn auto en reed weg.

Het adres waarheen zijn routeplanner hem uiteindelijk voerde, was een onopvallend houten huis in koloniale stijl op een groot perceel, gelegen in een buitenwijk. Het huis stond op ruime afstand van een achterafweggetje zonder trottoirs dat weinig verkeer kende. De tuin werd aan drie zijden omringd door een hoge, dichte coniferenhaag, en aan de voorkant stond een buxushaag die tot borsthoogte kwam en waarin een opening voor de oprit was uitgespaard. Voor de haag stonden overal politieauto’s geparkeerd, kriskras door elkaar en deels de straat blokkerend. Gurney telde er zo een stuk of tien. Op de meeste stond het embleem van Wycherly, maar er waren ook drie burgerauto’s met draagbare rode zwaailichten op het dashboard. Er waren nergens auto’s van het korps van de staat Connecticut te zien, maar dat was misschien niet verwonderlijk. Hij kon zich voorstellen dat het plaatselijke bureau de zaak liever zelf behandelde nu een van hun eigen mensen het slachtoffer was geworden, ook al was het misschien verstandiger of effectiever om dat niet alleen te doen. Toen Gurney zijn auto op een klein strookje gras aan de rand van het asfalt wurmde, stak een reusachtige jonge agent in uniform zijn ene hand op, ten teken dat hij daar niet mocht stoppen, en gebaarde hij met zijn andere hand dat Gurney langs de geparkeerde politieauto’s moest rijden. Gurney stapte uit en toonde zijn legitimatiebewijs aan de gespannen ogende reus. Die vertrok zijn lippen tot een streep, en de opgezwollen spieren in zijn nek leken door te lopen tot in zijn wangen en een hevige strijd te leveren met zijn veel te krappe kraag.

De agent keek ruim een minuut lang naar het pasje in Gurneys portefeuille en leek er steeds minder van te begrijpen. Ten slotte zei hij: ‘Daar staat New York.’

‘Ik ben hier voor inspecteur Nardo,’ zei Gurney.

De agent staarde hem aan met een blik die even hard was als de buikspieren onder zijn overhemd en haalde toen zijn schouders op. ‘Binnen.’

Aan het einde van de lange oprit hing op dezelfde hoogte als de brievenbus een bordje van beige metaal waarop in zwarte letters GD SECURITY SYSTEMS stond. Gurney bukte zich en liep onder het gele afzetlint door dat rond het hele huis leek te zijn gespannen. Vreemd genoeg merkte hij pas voor het eerst wat voor weer het was toen hij het koude lint langs zijn nek voelde strijken. Het was guur en grijs en er stond geen wind. In de schaduw aan de voet van de buxushaag en de coniferen lagen hoopjes sneeuw die al eerder deels gesmolten en weer aangevroren waren. De ondiepe gaten in het gebarsten asfalt van de oprit waren gevuld met ijs.

Midden op de voordeur hing een minder opvallende versie van het bordje van GD SECURITY SYSTEMS. Naast de deur was een stickertje aangebracht dat meldde dat Axxon Silent Alarms dit huis beschermde. Toen hij het bakstenen trapje naar de met zuilen omgeven veranda opliep, ging de voordeur voor hem open. Het was geen gebaar dat hem verwelkomde. Sterker nog, er kwam een man naar buiten die de deur weer achter zich sloot. Hij leek Gurney slechts vanuit zijn ooghoeken waar te nemen en sprak op luide, geërgerde toon in zijn mobieltje. Het was een gedrongen, atletisch gebouwde man van eind veertig, met een hard gezicht en een scherpe, kwade blik in zijn ogen. Hij droeg een zwart windjack met op de rug POLITIE in grote gele letters.

‘Kun je me nu wel verstaan?’ Hij liep van de veranda naar het bleke, door vorst verlepte gazon. ‘Hoor je me nu wel? Mooi. Ik zei dat ik hier zo snel mogelijk nog een mannetje van de TR nodig heb… Nee, dat is het niet, als ik zeg nu dan bedoel ik ook nu… Voordat het donker wordt. NU, nu. Wat snap je daar niet aan? Goed. Dank je. Daar ben ik blij mee.’

Hij verbrak de verbinding en schudde zijn hoofd. ‘Achterlijke halvegare.’ Hij keek Gurney aan. ‘En wie hebben we hier nou weer?’

Gurney trok zich de agressieve toon niet persoonlijk aan omdat hij wist waardoor die werd veroorzaakt. Een moord op een politieman zette iedereen op de plaats delict op scherp, er was altijd sprake van een soort nauwelijks verhulde, primitieve woede. Bovendien had hij de stem herkend: het was John Nardo, de inspecteur die opdracht had gegeven om Dermott te bewaken.

‘Ik ben Dave Gurney, inspecteur.’

Er scheen heel snel van alles door Nardo’s gedachten te gaan, voornamelijk negatief. Het enige wat hij zei, was: ‘Wat moet u hier?’

Zo’n eenvoudige vraag. Gurney wist een fractie van een seconde niet eens zeker wat hij moest antwoorden en besloot voor een beknopte versie te kiezen. ‘Hij zegt dat hij Dermott en mij wil doden. Nou, Dermott zit hier, en nu ben ik er ook. Meer lokaas kan die klootzak zich niet wensen. Misschien kunnen we hem nu uit zijn tent lokken en oppakken.’

‘Denkt u dat?’ Nardo’s toon was vervuld van ongefundeerde vijandigheid.

‘Als u wilt, kan ik u op de hoogte brengen van onze vorderingen in dit onderzoek, en dan kunt u me vertellen wat u hebt ontdekt.’

‘Wat ik hier heb ontdekt? Dat de agent die ik op uw verzoek naar dit huis heb gestuurd dood is. Gary Sissek. Twee maanden voor zijn pensioen. Ik heb ontdekt dat hij bijna is onthoofd met een afgebroken whiskyfles. Ik heb achter die heg verdomme een stelletje wandelschoenen aangetroffen, naast een godverdomde tuinstoel.’ Hij maakte een woest gebaar naar de achterkant van het huis. ‘Dermott heeft die stoel nooit eerder gezien. Zijn buurman heeft hem nooit eerder gezien. Dus waar komt dat kloteding vandaan? Heeft die gek die stoel soms zelf meegebracht?’

Gurney knikte. ‘Ja, hoogstwaarschijnlijk is dat het geval. Het maakt deel uit van een vrij unieke werkwijze. Net als de whiskyfles. Was het merk toevallig Four Roses?’

Nardo staarde hem aan, aanvankelijk met een nietszeggend gezicht, alsof het een uitzending met een korte vertraging betrof. ‘Jezus,’ zei hij ten slotte. ‘Kom maar even mee naar binnen.’

De deur gaf toegang tot een brede hal in het midden van het huis. Geen meubels, geen vloerkleden, geen schilderijen aan de wand, alleen maar een brandblusser en een paar rookmelders. Aan het einde van de hal bevond zich de achterdeur; daarachter, zo vermoedde Gurney, was de veranda waar Gregory Dermott die ochtend het lijk van de agent had aangetroffen. De onverstaanbare geluiden van stemmen aan de andere kant van die deur gaven aan dat de technische recherche nog steeds druk bezig was in de achtertuin.

‘Waar is Dermott?’ vroeg Gurney.

Nardo stak een duim op naar het plafond. ‘Slaapkamer. Krijgt migraine van de stress, en migraine leidt tot misselijkheid. Hij heeft niet echt een goede bui. Het was al erg genoeg voordat dat telefoontje kwam en er werd gezegd dat hij de volgende… God nog aan toe.’

Gurney had de nodige vragen, heel veel zelfs, maar het leek hem verstandiger om Nardo het tempo te laten bepalen. Hij keek om zich heen naar de begane grond van het huis. Door een open deur aan zijn rechterzijde was een groot vertrek met witte wanden en een kale houten vloer te zien. Op een lange tafel in het midden van de ruimte stonden een stuk of zes computers. Telefoons, faxapparaten, printers, scanners, externe harde schijven en andere randapparatuur vulden een tweede lange tafel die langs de wand was geplaatst. Aan diezelfde wand hing een tweede brandblusser, en in plaats van een rookmelder hing hier een complete sprinklerinstallatie. Er waren slechts twee ramen, die te klein waren voor een kamer van dat formaat, één aan de voorkant en één aan de achterkant. Daardoor leek de ruimte ondanks de witte wanden op een tunnel.

‘Hij heeft hier beneden zijn kantoor en woont zelf boven. Wij kunnen de andere kamer gebruiken,’ zei Nardo, die naar een deur aan de andere kant van de hal wees. Deze kamer was half zo klein als de andere, maar evenmin uitnodigend en ook louter functioneel ingericht. Hier was slechts één raam, zodat het eerder een grot dan een tunnel leek. Nardo deed bij binnenkomst het licht aan, en vier verzonken lampen in het plafond veranderden de kamer in een spierwitte doos. Er stonden archiefkasten langs de ene wand, een tafel met twee desktopcomputers tegen de andere wand, een tafel met een koffiezetapparaat en een magnetron tegen de derde wand en een lege vierkante tafel met twee stoelen in het midden van de kamer. Dit vertrek was uitgerust met zowel een rookmelder als een sprinklerinstallatie. Het deed Gurney denken aan een schonere versie van de vreugdeloze kantine op het politiebureau waar hij het laatst had gewerkt. Nardo nam plaats op een van de stoelen en gebaarde dat Gurney zijn voorbeeld moest volgen. Ruim een minuut lang masseerde hij zijn slapen, alsof hij een bepaalde spanning uit zijn hoofd probeerde te verdrijven. Aan de blik in zijn ogen te zien hielp het niet.

‘Al dat gedoe over “lokaas”, daar trap ik niet in.’ Hij trok zijn neus op, alsof het woord “lokaas” een vies luchtje verspreidde.

Gurney glimlachte. ‘Dat is deels terecht.’

‘En deels niet?’

‘Ik weet het niet zeker.’

‘Bent u soms hierheen gekomen om de held uit te hangen?’

‘Nee, dat niet, maar ik heb wel het idee dat ik misschien kan helpen.’

‘O ja? En als ik daar nu eens anders over denk?’

‘U hebt de leiding, inspecteur. Als u wilt dat ik naar huis ga, dan doe ik dat.’

Nardo keek hem lange tijd met een cynische blik aan. Uiteindelijk leek hij van gedachten te veranderen, zij het aarzelend. ‘Dus die fles Four Roses is onderdeel van zijn werkwijze?’

Gurney knikte.

Nardo haalde diep adem. Hij zag eruit alsof hij over zijn hele lichaam pijn voelde. Of alsof de hele wereld pijn voelde. ‘Goed dan, Gurney, ik wil graag alles horen wat ik nog niet weet.’