14
Ze begonnen in de bibliotheek. Een ruim vertrek aan de voorkant van het huis met een houten vloer die glom van sleetsheid, een paar mooie tapijten, en glas-in-loodramen met ruitpatroon in de buitenmuur, die het grauwe licht van de woedende storm binnenlieten. De andere muren waren van onder tot boven van boekenplanken voorzien, behalve een deel boven de open haard, waar een beroet schilderij van een traditioneel Engels jachttafereel hing.
Er stonden duizenden boeken, de meeste van voor de twintigste eeuw, maar op een boekenplank langs een van de zijmuren was ruimte gemaakt voor wat eigentijdse boeken. Er stonden zelfs een paar paperbacks. Will voelde zich loom en voldaan na zijn schranspartij en had er moeite mee zijn ogen op te houden. Lord Cantwell had zich teruggetrokken voor zijn middagdutje, en hoewel Will de klus zo snel mogelijk wilde klaren zodat hij naar huis terug kon, had hij toch de neiging om een donker hoekje van de bibliotheek op te zoeken, neer te ploffen in een van de fauteuils waar je zo lekker in kon wegzakken, en dan zijn ogen te sluiten.
‘Dit was een magische plek voor me toen ik klein was,’ vertelde Isabelle hem terwijl ze door de ruimte dwaalde en haar vingertoppen over de boekruggen liet glijden. ‘Ik ben dol op deze kamer.’ Ze bewoog zich langzaam en dromerig voort, en voldeed helemaal niet aan het beeld dat hij had van wispelturige studenten. ‘Ik kon hier urenlang spelen. En nu zit ik hier ook meestal.’ Ze wees naar een lange tafel met een laptop die omringd werd door notitieboekjes en pennen, en stapels oude boeken waar stukjes papier uitstaken om passages te markeren die haar interesse hadden gewekt. ‘Als dat gedicht echt door Shakespeare is geschreven, moet ik misschien wel helemaal opnieuw beginnen!’
‘Het spijt me, maar je zult het niet kunnen gebruiken. Dat leg ik later wel uit.’
‘Dat meen je toch hoop ik niet? Het zou een vliegende start van mijn carrière betekenen.’
‘Wat voor carrière heb je in gedachten?’
‘Lesgeven, schrijven. Ik wil een typische academische historicus, of in mijn geval historica, worden. Je weet wel, zo’n duffe oude professor. Ik heb die vreemde ambitie waarschijnlijk aan deze bibliotheek te danken.’
‘Dat vind ik niet zo vreemd. Mijn dochter is schrijfster.’ Hij wist niet waarom, maar hij voegde eraan toe: ‘Ze is ongeveer van jouw leeftijd.’ Ze begon nerveus te giechelen. Hij voorkwam de onvermijdelijke beleefdheidsvragen over Laura door ineens te zeggen: ‘Laat eens zien waar het boek stond.’
Ze wees naar een open plek op ooghoogte op een boekenplank halverwege de lange muur.
‘Heeft het altijd daar gestaan?’
‘Zo lang ik het me kan herinneren wel.’
‘En de boeken ernaast? Zijn die vaak van plaats veranderd?’
‘Niet voor zover ik weet. Ik zou het aan opa kunnen vragen, maar ik kan me niet herinneren dat er ooit boeken verplaatst zijn. Ze bleven altijd op de plek staan waar ze stonden.’
Hij bekeek de boeken aan weerszijden van de open plek. Een achttiende-eeuws boek over botanie en een zeventiende-eeuws werk over monumenten in het Heilige Land.
‘Nee, die zijn niet uit dezelfde periode,’ merkte ze op. ‘Ik denk niet dat er een verband is.’
‘Laten we beginnen met de eerste aanwijzing,’ zei Will, die het gedicht uit zijn aktetas haalde. ‘The first one bears Prometheus’s flickering flame. Dus de eerste draagt de vlam van Prometheus.’
‘Oké, Prometheus. Die stal het vuur van Zeus en gaf het aan de stervelingen.’
Will gebaarde door de kamer. ‘Zie je hier iets wat een belletje doet rinkelen?’
‘Je kunt er alle kanten mee op, vind je niet? Boeken over Griekse mythologie? Open haarden? Toortsen? De plek waar de barbecue staat!’
Grappig hoor, was in de blik te lezen die hij haar toewierp. ‘Laten we beginnen met de boeken. Is er een catalogus?’
‘Dat zou wel moeten, maar die is er niet. Een ander probleem is dat opa flink wat boeken heeft verkocht.’
‘Daar zullen we mee moeten leven,’ zei Will. ‘Laten we het systematisch aanpakken. Ik begin aan deze kant. Wil jij dan daar beginnen?’
Ze richtten zich op de eerste aanwijzing, maar hielden ook de andere in hun achterhoofd, zodat ze met een beetje geluk de hele bibliotheek niet nog een keer hoefden te doorzoeken. Ze hielden ook hun ogen open voor boeken die een Vlaams of Nederlands thema hadden en boeken die naar een of andere profeet verwezen. Ze hadden geen idee waar de zinsnede a son who darkly sinned op sloeg. Een zoon die een zware zonde beging – ja, maar wat betekende dat?
Het was een tijdrovende klus en nadat ze een uurtje bezig waren geweest, voelde Will zich moedeloos worden omdat het leek op zoeken naar een speld in een hooiberg. En hij kon niet volstaan met een boek van een plank halen, de titelpagina bekijken en het boek weer terugzetten, want bij elk Latijns en Frans boek moest hij de hulp van Isabelle inroepen, die dan naar hem toe liep, een snelle blik op de titelpagina wierp, en op luchtige toon zei: ‘Jammer, maar helaas.’
De tijd verstreek, het grauwe licht ging langzaam over in de schemering en Isabelle deed alle lampen aan en stak een lucifer af bij het aanmaakhout in de open haard. ‘Ziedaar, ik breng u vuur!’ zei ze toen de vlammen gulzig aan de houtblokken likten.
Aan het begin van de avond hadden ze de klus erop zitten. Ze hadden een relatief recent exemplaar van Bullfinch’s Mythology gevonden, maar verder waren ze niet één boek tegengekomen dat ook maar een sprankje interesse had gewekt. ‘Of het gedicht verwijst niet naar een boek, of dat boek is er niet meer. Laten we maar verdergaan,’ zei Will.
‘Best,’ klonk het gewillig. ‘Laten we alle oude open haarden maar eens gaan bekijken. Verborgen panelen, holle schoorsteenmantels, losse stenen; wie weet wat we ontdekken. Ik vermaak me uitstekend! En jij?’
Will haalde zijn mobieltje tevoorschijn om opnieuw te controleren of er een sms’je van Nancy was binnengekomen. Maar nee. ‘Ik heb de tijd van mijn leven,’ antwoordde hij.
Volgens Isabelle waren er zes open haarden van voor 1581. Drie op de begane grond: eentje in de bibliotheek, eentje in de Grote Zaal en eentje in de eetkamer. Op de eerste verdieping waren er ook drie: eentje in de slaapkamer van haar opa recht boven de Grote Zaal en nog twee in andere slaapkamers.
Ze begonnen in de bibliotheek, staarden naar de open haard en vroegen zich af wat ze moesten doen. ‘Zal ik gewoon overal op kloppen? Misschien dat er iets hol klinkt,’ stelde ze voor.
Dat leek hem een uitstekend idee.
De antieke notenhouten ombouw klonk overal even massief. Ze controleerden de afgeschuinde hoeken, of daar misschien verborgen grendels of scharnieren in verscholen zaten, maar het houtwerk voelde als één geheel aan. De tegels van de haardvloer leken geen holte te bedekken, lagen vlak en de voegen ertussen zagen er hetzelfde uit. Het vuur brandde nog, dus ze konden het metselwerk van de vuurkorf voorlopig niet inspecteren, maar zo op het oog viel hun niets bijzonders op.
Het vuur in de schouw in de Grote Zaal was al een tijdje uit. Lord Cantwell zat met een boek op schoot een beetje te soezen in zijn stoel, schrok op toen ze binnenkwamen en keek met verbazing toe terwijl ze de ombouw van de grote schouw beklopten en bepotelden. ‘Nou ja, zeg!’ snoof hij.
De staande poten van de mantel waren prachtig gecanneleerd en glommen van ouderdom, en de schoorsteenmantel zelf bestond uit een massief stuk hout dat van een gigantische boom afkomstig was. Isabelle klopte hoopvol op de Delfts blauwe vierkante tegeltjes op de ombouw, die elk een decoratief landelijk tafereeltje uitbeeldden, maar ze klonken allemaal hetzelfde. Will bood aan om de enorme vuurkorf in te kruipen en klopte met een pook op het metselwerk, maar dat resulteerde alleen in een paar roetvlekken op zijn broek en overhemd. Ze wees hem op de vlekken en keek geamuseerd toe terwijl hij het roet probeerde weg te vegen.
De drie andere open haarden ondergingen dezelfde behandeling. Als er al iets in een van de haarden verborgen zat, zouden ze een sloophamer nodig hebben om het te vinden.
Het was intussen donker geworden. Het regende niet meer, maar er trok een koufront over het midden van het land en kille windvlagen jankten om het huis. Cantwell Hall beschikte niet over centrale verwarming en het werd kil in de tochtige kamers. Louise kondigde met luide stem aan dat ze de maaltijd in de Grote Zaal zou opdienen. Ze had het vuur in de open haard weer tot leven gewekt, het elektrische kacheltje bij lord Cantwells stoel ingeschakeld, en maakte duidelijk dat ze zoetjesaan naar huis wilde. Will, Isabelle en lord Cantwell deden zich te goed aan de maaltijd van sandwiches met diverse vleeswaren, zelfgebakken zandkoeken en een grote pot thee. Louise scharrelde intussen wat rond, deed nog een paar laatste klusjes, en vroeg toen of ze van plan waren de avond in de Grote Zaal door te brengen. ‘In elk geval een deel van de avond,’ antwoordde Isabelle.
‘Dan zal ik een paar kaarsen aansteken,’ bood Louise aan, ‘maar denk er wel aan dat je ze uitblaast voor je gaat slapen.’
Louise gebruikte een aansteker om een stuk of tien kaarsen in de kamer aan te steken. De brandende kaarsen vormden geruststellende lichtpuntjes in de kamer zonder ramen nu de wind om het huis jankte en het vuur zo af en toe venijnig liet sissen. Will en Isabelle keken toe terwijl Louise nog een laatste kaars aanstak en de Grote Zaal verliet.
Plotseling keken ze elkaar aan en riepen tegelijkertijd uit: ‘Kandelaars!’
Lord Cantwell vroeg of ze soms stapelgek waren geworden. Isabelle negeerde de vraag en vroeg hem op dringende toon: ‘Welke kandelaars zijn zestiende-eeuws of ouder?’
Hij krabde op zijn hoofd en wees naar het midden van de kamer. ‘Die twee vergulde zilveren kandelaars op de tafel, geloof ik. Venetiaans handwerk, uit de veertiende eeuw. Zeg tegen je vader dat die een flinke duit waard zijn.’
Ze haastten zich naar de kandelaars, bliezen de dikke kaarsen uit, haalden ze eruit en legden ze op een zilveren schaaltje. Het waren penkandelaars met een kraag waarop kaarsen met een diameter van ruim tien centimeter gespietst konden worden. Elke kandelaar was voorzien van een prachtig versierde voet met zeskantig schulpmotief van verguld zilver. Uit elke voet steeg een centrale zeskantige schacht omhoog die zich verbreedde en deed denken aan een romaanse toren met zes raampjes in de torenspits, die uitgebeeld werden met blauw email. Boven elke torenspits bevonden zich de kraag en de pen van de kandelaar.
‘Ze zijn niet eens zo zwaar, dus ze zouden hol kunnen zijn,’ zei hij, ‘maar de voet is massief.’
Hij bekeek de verbinding tussen de voet en de schacht aandachtig.
Ze spoorde hem aan. ‘Ga je gang, probeer of je hem los kunt draaien,’ fluisterde ze. ‘Doe dat wel met je rug naar opa toe, want ik wil hem geen hartaanval bezorgen.’
Met zijn linkerhand hield Will de torenspits met de raampjes vast, terwijl hij met zijn rechterhand de voet probeerde te draaien, eerst voorzichtig, vervolgens met wat meer kracht en uiteindelijk zag zijn gezicht rood van inspanning. Hij schudde zijn hoofd en zette de kandelaar neer. ‘Dus niet.’ Hij pakte de andere kandelaar. Deed hetzelfde. Geen beweging in te krijgen, alsof de kandelaar uit één enkel stuk metaal was gesmeed. Hij pauzeerde even om de spieren in zijn schouders en armen los te maken en besloot er toen nog één poging aan te wagen. Hij gebruikte al zijn kracht. Er kwam beweging in. Niet veel, maar toch.
‘Ga door,’ fluisterde ze.
Hij bleef druk uitoefenen, tot de schacht vrij ronddraaide en er een niet-vergulde schacht binnen de schacht zichtbaar werd. Uiteindelijk kreeg hij de voet los en hield hij een halve kandelaar in zijn hand.
‘Wat zijn jullie daar toch aan het doen, en waar hebben jullie het over?’ riep Cantwell. ‘Ik kan jullie niet verstaan.’
‘Nog even geduld, opa!’ riep Isabelle terug. ‘We komen er zo aan.’
Will legde de voet neer en tuurde in de binnenste schacht. ‘Ik heb licht nodig.’ Hij volgde Isabelle naar een van de staande schemerlampen, stak zijn vinger in de schacht en voelde een stevige, ronde rand. ‘Er zit iets in!’ Hij haalde zijn vinger eruit en probeerde iets te zien, maar de schemerlamp gaf niet genoeg licht om het goed te kunnen zien. ‘Mijn vinger is te dik, ik krijg hem er niet goed in. Probeer jij het eens.’
Isabelle stak haar slanke wijsvinger er helemaal in en sloot haar ogen, zodat ze zich beter kon concentreren op haar rondtastende vinger. ‘Het is opgerold, zoals een stuk papier of een perkamentvel. Mijn vinger zit er middenin. Hebbes! Ik zal het omhoog proberen te draaien.’
Ze draaide de kandelaarschacht langzaam om haar vinger heen en oefende voorzichtig druk uit met haar vingertop.
Langzaam kwam er een vergeeld geschrift uit de schacht tevoorschijn.
Het was een kokertje met een lengte van zo’n twintig centimeter dat uit diverse opgerolde perkamentvellen bestond. Isabelle wilde de koker aan hem geven, maar hij zei: ‘Nee, neem jij de honneurs maar waar.’
Ze rolde de perkamentvellen voorzichtig uit, die wel verdroogd, maar niet bros waren en zich zonder problemen lieten ontvouwen. Ze streek de vellen met beide handen glad en Will kantelde de kap van de schermerlamp zodat ze wat meer licht hadden. ‘Het is in Latijn,’ zei ze.
‘Ben ik even blij dat jij erbij bent.’
Ze las de titel op het eerste vel en vertaalde hem hardop. ‘Een Epistel van Felix, Abt van de Vectis-abdij, geschreven in het jaar Onzes Heeren 1334.’
Hij werd licht in zijn hoofd. ‘Jezus.’
‘Wat is er, Will?’
‘Vectis.’
‘Ken je die naam?’
‘Ja, die ken ik. Volgens mij hebben we de hoofdprijs getrokken.’