Poul Anderson

Tunnels door de tijd


1

<p>1</p>

‘Er is bezoek voor je,’ zei de cipier terwijl hij de sleutel omdraaide.

‘Wat? Wie?’ Malcolm Lockridge kwam overeind van zijn brits. Hij had er uren achtereen gelegen en geprobeerd zijn aandacht bij zijn boek te houden — hij wilde niet achterop raken met de studie — maar het grootste deel van de tijd was zijn blik afgedwaald naar de scheur in het plafond en waren zijn gedachten door verbittering overstelpt. En altijd waren er wel de geluiden en de stank uit de andere cellen, die zijn aandacht afleidden.

‘Weet ik niet.’ De cipier klakte met zijn tong. ‘Maar het is een lekker stuk.’

Verwonderd liep Lockridge naar de deur. De cipier deed een pas achteruit. Zijn gedachten stonden op zijn gezicht te lezen: pas op, deze knaap is een moordenaar. Niet dat Lockridge er gevaarlijk uitzag. Normale lengte, kortgeknipt blond haar, blauwe ogen, een wipneus en onopvallende gelaatstrekken, die hem niet ouder deden lijken dan hij was: zesentwintig. Maar zijn borst en schouders waren breder, zijn armen en benen steviger dan van menig ander en de manier waarop hij zich bewoog, had iets roofdierachtigs.

‘Wees maar niet bang, broer,’ zei hij spottend.

De cipier liep rood aan. ‘Pas op je tellen, kerel.’

O, verduiveld, dacht Lockridge. Waarom zou ik mijn woede juist op hem botvieren? Hij heeft zich altijd behoorlijk gedragen — maar ja, iemand anders om op af te reageren, is er niet.

Zijn woede zakte terwijl hij door de gang liep. In de afmattende eentonigheid die nu al twee weken duurde, was iedere onderbreking welkom. Zelfs een onderhoud met zijn advocaat was een gebeurtenis, hoewel hij er telkens met een slapeloze nacht voor moest betalen, zich opvretend van woede over de aperte onwil van de man om voor zijn zaak te vechten. Hij piekerde over de vraag wie het vandaag zou kunnen zijn. Een vrouw — zijn moeder was teruggevlogen naar Kentucky. Een lekker stuk — slechts één vriendinnetje was hem komen bezoeken en die was waarschijnlijk aardig om te zien, maar het was uitgelopen op een verbitterd: ‘Hoe heb je dit nu kunnen doen?’ en hij verwachtte niet dat zij nog eens zou komen. Een verslaggeefster? Nee, alle plaatselijke bladen hadden hem al geïnterviewd.

Hij betrad de bezoekerskamer. Door een raam drong de stad binnen: verkeersgeluiden, een park aan de overzijde van de straat, fris groen aan de bomen, een overstelpend blauwe lucht vol snelle, witte wolkjes, de aparte geur van de lente hier in het Midden-Westen; hij was zich scherp bewust van de stank die hij zo juist achter zich had gelaten.

Een paar bewakers hielden toezicht op de mensen die aan de lange tafels met elkaar zaten te fluisteren.

‘Daarginds,’ zei Lockridge's begeleider.

Hij draaide zich om en zag haar. Zij stond naast de haar aangewezen stoel. Zijn hart bonsde in zijn keel. Mijn God! Zij was even lang als hijzelf. Haar mantelkostuum, eenvoudig, geraffineerd en duur, liet een figuur vermoeden als van een zwemkampioene of van Diana, de godin van de jacht. Haar hoofd was trots opgericht, zwart haar viel tot op haar schouders en glansde op in een verdwaalde zonnestraal. Het gezicht — hij wist niet precies in welk deel van de wereld het thuis hoorde: gebogen wenkbrauwen boven langwerpige, iets schuinstaande groene ogen, brede jukbeenderen, een rechte neus met enigszins wijkende neusvleugels, een heerszuchtige mond en kin, gebruinde teint. Hoewel de fysieke gelijkenis oppervlakkig was, schoten hem even bepaalde afbeeldingen uit het oude Kreta te binnen: de Vrouwe van de Bijl, en toen had hij alleen nog maar tijd om te denken aan wat er voor hem stond. Wat angstig liep hij op haar toe.

‘Mr. Lockridge,’ zei zij; het was een vaststelling, geen vraag. Haar accent kon hij evenmin thuis brengen — misschien was het alleen maar een al te zorgvuldige uitspraak. Haar stem was donker en welluidend.

‘J-ja,’ stamelde hij. ‘Eh…’

‘Ik ben Storm Darroway. Zullen we gaan zitten?’ Zij nam zelf plaats op de houten stoel alsof het een troon was en opende haar tasje. ‘Wilt u een sigaret?’

‘Graag,’ zei hij automatisch. Zij knipte een Tiffany-aansteker voor hem aan, maar rookte zelf niet. Nu hij iets te doen had met zijn handen, kwamen zijn zenuwen wat tot rust. Hij ging op zijn stoel zitten en keek haar, over de kale tafel tussen hen in, aan. Ondanks zijn verwarring vroeg hij zich af hoe iemand met haar uiterlijk aan een Engelse naam kwam. Misschien waren haar ouders immigranten geweest met een onuitsprekelijke naam en hadden zij een andere aangenomen. Toch had zij niets van de… de onderdanigheid, het verlangen om te behagen, dat die veronderstelling zou wettigen.

‘Ik geloof niet dat ik al eens… eh… het genoegen heb gehad u te ontmoeten,’ mompelde hij. Hij wierp een blik op haar linkerhand: ‘…eh… miss Darroway.’

‘Nee, natuurlijk niet.’ Zij zweeg, nam hem met uitdrukkingsloze ogen onderzoekend op. Nerveus draaide hij op zijn stoel. Zit stil! beval hij zichzelf, ging rechtop zitten, keek terug en wachtte af.

Zij glimlachte zonder haar lippen vaneen te doen. ‘Heel goed,’ fluisterde zij. Toen, levendig: ‘Ik las een artikeltje over u in een krant in Chicago, dat mijn belangstelling opwekte. Daarom ben ik hier gekomen om meer inlichtingen. U schijnt een slachtoffer te zijn van de omstandigheden.’ Lockridge trok zijn schouders op. ‘Ik wil u geen droevig verhaaltje opdissen,’ zei hij, ‘maar inderdaad, dat is zo. Bent u van de pers?’

‘Nee. Mijn enige zorg is dat er recht geschiedt. Verbaast u dat?’ vroeg zij met een spottende klank in haar stem.

Hij dacht even na over die vraag. ‘Ja, eigenlijk wel. Er zijn nu eenmaal mensen als Erle Stanley ‘Gardner, maar een dame als u…’

‘Kan haar tijd beter besteden dan door op kruistocht te gaan.’ Zij grinnikte. ‘Waar. Ik heb zelf hulp nodig. Misschien bent u degene die mij helpen kan.’

Lockridge's wereld tolde om hem heen. ‘Kunt u niet beter iemand in dienst nemen, ma'm… miss?’

‘Sommige kwaliteiten zijn niet te koop, die moeten je worden aangeboden. En ik beschik niet over de middelen om diep te zoeken.’ Haar stem werd warm. ‘Vertel eens, wat is er met u aan de hand?’

‘Och… u hebt de kranten gelezen.’

‘In uw eigen woorden, alstublieft.’

‘Nou — verdraaid — veel valt er niet te vertellen. Op een avond, een paar weken geleden, keerde ik van de bibliotheek naar mijn flat terug. Het is nogal een onrustige buurt. Ik werd overvallen door een stel tieners. Ik neem aan dat ze me voor de aardigheid een pak slaag wilden geven, misschien was het om het beetje geld te doen dat ik bij me had. Ik sloeg terug. Een van hen viel tegen de stoeprand en liep een schedelbreuk op. De anderen gingen ervan door, ik belde de politie en voor ik het wist, was ik gearresteerd wegens doodslag.’

‘Kunt u niet zeggen dat het zelfverdediging was?’ ‘Natuurlijk, dat doe ik ook. Maar ik schiet er weinig mee op. Geen getuigen. Ik kan geen van die boeven identificeren; het was donker op straat. En er is de laatste tijd nogal wat herrie geweest tussen hun soort en de studenten. Ik was al eens eerder bij een relletje betrokken, toen een groep middelbare scholieren een picknick probeerde te verstoren. Nu zeggen ze dat die knul en ik nog iets uit te knokken hadden. Ik, met mijn gevechtsopleiding, tegen een kind!’ Woede borrelde in hem op, hij kreeg een bittere smaak in zijn mond. ‘Het was om de donder geen kind! Hij was groter en had meer baard dan ik! En ze waren meer dan twaalf man sterk. Maar onze officier van justitie is een ambitieus man.’

Zij bestudeerde hem. Hij moest aan zijn vader denken, lang geleden op de boerderij in de heuvels van Kentucky, zoals die het gedrag bestudeerde van een jonge stier die hij pas gekocht had. Even later vroeg zij: ‘Hebt u er spijt van?’

‘Nee,’ zei hij. ‘Dat doet me ook al geen goed. Ik ben een slecht toneelspeler. Het was niet mijn bedoeling iemand te doden. Ik heb alleen mijn vuisten gebruikt. Zuiver toeval dat die knul zo tegen die stoeprand viel. Het spijt me natuurlijk dat dat gebeurd is. Maar mijn geweten is zuiver. Ik liep er rustig en bemoeide me alleen met mijn eigen zaken en… Veronderstel dat ik me niet had kunnen verdedigen. Dan was ik in het ziekenhuis beland, of op het kerkhof. En dan zou iedereen gezegd hebben: “Wat verschrikkelijk! Laten we nog een ontspanningscentrum voor de jeugd bouwen.”

Lockridge's houding verslapte. Hij drukte zijn sigaret uit en staarde naar zijn handen. ‘Ik ben zo stom geweest om dat tegen de pers te zeggen,’ vervolgde hij moedeloos. ‘Met nog een paar andere opmerkingen. Maar ze schijnen hier tegenwoordig niet zo op Zuiderlingen gesteld te zijn. Mijn advocaat zegt dat de liberalen hier mij voor een racist uitmaken. Verdraaid, waar ik vandaan kom, heb ik nog nooit een kleurling gezien; en je kunt moeilijk antropologie studeren en er tegelijk allerlei rassenvooroordelen opnam houden; die straatschuimers waren trouwens blanken. Maar dat alles schijnt voor de mensen geen enkel verschil te maken.’ Hij werd nu nijdig op zichzelf. ‘Sorry, miss,’ zei hij. ‘Het was niet mijn bedoeling te gaan janken.

Zij maakte een gebaar in zijn richting, maar beheerste zich. Hij keek op en bemerkte dat op het vreemde, prachtige gezicht een trotse, haast aanmatigende uitdrukking lag. Toch praatte zij vriendelijk, teder bijna: ‘U hebt een vrij hart. Daar had ik op gehoopt.’

Opeens werd zij een en al onpersoonlijke zakelijkheid. ‘Hoe zijn uw vooruitzichten bij het proces?’

‘Niet zo best. De rechtbank heeft me een advocaat toegewezen en deze zegt dat ik doodslag moet bekennen, zodat ik er met een lichte straf afkom. Maar daar ben ik het niet mee eens. Het is niet juist.’

‘Ik neem aan dat u geen geld hebt om een langdurig proces te voeren?’

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik heb tot nu toe van een studiebeurs geleefd. Mijn moeder verzekert me dat zij bereid is een hypotheek op haar huis te nemen om de kosten te betalen; zij is weduwe en geen van mijn broers is rijk. Ik zou het verschrikkelijk vinden als zij dat zou moeten doen. Als ik win, zou ik de schuld natuurlijk terugbetalen. Maar als ik verlies.’

‘Die kans bestaat,’ antwoordde zij. ‘Vergis ik me als ik geloof dat William Ellsworth in Chicago een van de beste strafpleiters van het land is?’

‘Hè? Wel… hij… men zegt dat hij praktisch nooit een zaak verliest.’ Lockridge was als verlamd, zijn mond viel open. Hij begon te beven.

Storm Darroway streek langs haar kin. ‘Een goed detectivebureau moet de leden van die straatbende kunnen opsporen,’ zei zij nadenkend. ‘Voor de rechtbank zou men kunnen vaststellen waar zij zich die avond bevonden, en in een bekwaam kruisverhoor zou men kunnen constateren of ze liegen. Misschien kunnen we ook iemand vinden die een gunstig getuigenis over uw karakter wil geven. Op uw leven is toch niets aan te merken, wel?’

‘Nou ja.’ Lockridge klemde zijn tanden opeen en glimlachte wrang. ‘Dat is wel behoorlijk geweest. Maar hoor eens, het zou een fortuin kosten!’

‘Ik heb een fortuin.’ Zij wimpelde de vraag af, en naar voren leunend trachtte zij met glanzende ogen tot ieder detail van zijn persoonlijkheid door te dringen. ‘Vertel me over uzelf. Ik heb gegevens nodig. Waar hebt u die gevechtsopleiding gehad, waar u over sprak?’

‘Marinierskorps. Ik heb op Okinawa gelegen, kreeg er belangstelling voor karate en heb er een cursus gevolgd.’ In zijn koortsachtige verwarring bemerkte hij nauwelijks hoe zij heel zijn leven uit hem te voorschijn trok: zijn jeugd, werken, zwerven in de bossen, jagen, vissen; de rusteloosheid die pas eindigde toen hij op zijn zeventiende in dienst ging; de verrassende ontdekking van andere landen en andere mensen, een wereld die groter was dan hij ooit had kunnen dromen; het verlangen om te gaan studeren. ‘In dienst heb ik heel veel gelezen. Toen ik terugkwam in de States, ben ik van mijn spaargeld gaan studeren, ik besloot antropologie te doen. De universiteit hier heeft een uitstekende antropologische faculteit en ik ben — ik was hard aan het blokken voor mijn doctoraal. Daarna promotie. Ik zou een fijn leven kunnen hebben. Ik houd van primitieve mensen. Je hoeft er niet romantisch over te doen, hun moeilijkheden zijn even groot als de onze — of groter, maar zij bezitten iets dat wij verloren hebben.’

‘Hebt u reizen gemaakt?’

‘Wat veldwerk, bijvoorbeeld in Yucatán. We zouden er deze zomer weer heen gaan. Maar ik veronderstel dat ik daar niet meer op hoef te rekenen. Zelfs als ik op tijd vrijkom, zien ze me hier waarschijnlijk liever gaan dan komen. Nou ja, ik zal wel ergens anders terecht kunnen.’

‘Wie weet.’

Storm Darroway keek om zich heen, behoedzaam als een lynx. De bewakers, minder verveeld dan anders, keken naar haar, maar als zij zacht praatte, konden ze haar niet verstaan.

‘Luister, Malcolm Lockridge,’ zei zij. ‘Kijk me aan.’

Met genoegen, dacht hij. Een huivering van opwinding liep langs zijn rug.

‘Ik zal Ellsworth betalen om u te verdedigen,’ zei zij. ‘Ik zal hem opdragen niet op de kosten te letten. Als u veroordeeld wordt, zal hij in beroep gaan. Maar ik denk niet dat dat nodig zal zijn.’

Lockridge kon alleen maar fluisteren: ‘Waarom?’

Zij wierp het hoofd in de nek. De lange lokken dansten en hij zag een kleine, doorschijnende knop in haar linkeroor. Een gehoorapparaat? De gedachte dat ook zij ergens mee tobde en onvolmaakt was, gaf hem een warm gevoel. De muren tussen hem en de buitenwereld stortten in, het was of hij in de lentezon zat.

‘Laten we zeggen dat het verkeerd is een leeuw in een kooi te zetten,’ antwoordde zij. Het was geen aanstellerij van haar; de woorden klonken oprecht. Haar gezicht nam weer een nietszeggende uitdrukking aan. Zij zat volmaakt ontspannen en vervolgde op koele toon: ‘Bovendien heb ik hulp nodig. Het is een gevaarlijke opdracht. U lijkt me daarvoor geschikter dan een willekeurige slogg die ik van de straat zou oppikken. En u zult er goed voor worden betaald.’

‘Miss,’ stamelde hij, ‘ik wil geen enkele betaling… nergens voor.’

‘U zult in ieder geval reisgeld nodig hebben,’ zei zij hem. ‘Onmiddellijk na het proces zal Ellsworth u een envelop geven met een cheque en instructies. Intussen moet u met geen woord over mij spreken. Als iemand vraagt wie uw verdediging betaalt, zeg dan een rijke verre bloedverwant. Is dat duidelijk?’

Pas later, toen hij het gehele fantastische gebeuren trachtte te verwerken, vroeg hij zich af of zij misschien een misdadigster was, maar hij weigerde zoiets te geloven. Nu drong alleen maar tot hem door dat zij hem een bevel gaf, en hij knikte sprakeloos.

Zij stond op en ook hij kwam wankelend overeind. ‘Ik kom hier niet meer terug,’ zei zij. Zij reikte hem de hand, een korte, stevige druk. ‘We ontmoeten elkaar weer als u vrij bent, in Denemarken. En nu, tot ziens en goede moed.’ Hij keek haar na tot zij verdwenen was en staarde vervolgens naar de hand die zij had gedrukt.


2

<p>2</p>

14 september had er in haar brief gestaan, ‘s morgens om negen uur. Lockridge was al vroeg wakker, kon de slaap niet meer vatten en stond tenslotte op om een lange wandeling te gaan maken. Hij wilde afscheid nemen van Kopenhagen. Welke opdracht Storm Darroway ook voor hem had, hier zou het waarschijnlijk niet zijn — gezien de instructies om rugzakken te kopen voor twee personen, een geweer en een pistool — en hij was verliefd geworden op de stad.

Fietsers zwermden door de straten, schoten tussen het gemotoriseerde verkeer door: de laatste golf mensen op weg naar hun werk. De fietsers zagen er niet zo somber uit als Amerikaanse forensen: rustige, gezette mannen, jonge kerels in colbert of met een studentenmuts, meisjes met frisse gezichten en wapperende, blonde haren, van allen straalde de levenslust af. Het vrolijke klatergoud van Tivoli bruiste als champagne in zijn bloed, maar ook elders proefde je een sfeer als van het oude Wenen. Je hoefde alleen maar Langelinie af te lopen, de geur van de zee op te snuiven, schepen uit alle windstreken aan de kade te zien; even een kort oponthoud om de kleine zeemeermin te groeten; dan langs het koninklijke Amalienborg, links af langs de gracht door Nyhavn, waar eeuwenoude zeemanskroegen nasoesden bij de herinnering aan het plezier van de voorbije nacht; dwars over Kongens Nytorv en vlug even een biertje drinken op een caféterras; verder maar weer te midden van renaissancekerken, paleizen en handelshuizen met hun slanke koperen torentjes die speels en sierlijk naar de hemel wezen.

Er is zo verdraaid veel waar ik die vrouw dankbaar voor moet zijn, peinsde Lockridge, en niet in de laatste plaats dat ze mij al drie weken te voren hierheen heeft gestuurd. Hij had zich afgevraagd waarom. Zij had hem opgedragen stafkaarten te kopen en de topografie van Denemarken te bestuderen, vele uren door te brengen in de oud-Noordse afdeling van het Nationaal Museum en talrijke boeken te lezen die de daar tentoongestelde oudheden grondig behandelden. Hij had die opdracht nauwgezet uitgevoerd, verbaasd, maar zonder vragen zijn kans aangrijpend. Er was overvloedig gelegenheid voor ontspanning en geen gebrek aan gezelschap. De Denen waren vriendelijke mensen, bijzonder vriendelijk zelfs in het geval van twee jongedames die hij had leren kennen. Misschien was dat Storm Darroway's bedoeling: hem de gelegenheid te bieden te herstellen van de beproeving die hij had ondergaan, en genoeg biologische stoom af te blazen, zodat hij háár geen avances zou maken — waar zij ook zouden heen gaan.

Met een schok realiseerde hij zich: vandaag! Hij verhaastte zijn stap. Het hotel waar hij volgens haar instructies verblijf hield, kwam in zicht. In plaats van de lift nam hij de trap naar zijn kamer in een poging om de spanning die zich in hem ophoopte, kwijt te raken.

Hij ijsbeerde er rond en rookte de ene sigaret na de andere, maar lang hoefde hij niet te wachten. De telefoon rinkelde. Hij griste hem van de haak. In uitstekend Engels zei de receptionist: ‘Mr. Lockridge? Miss Darroway laat u vragen haar over vijftien minuten bij de ingang te treffen, met uw bagage.’

‘O. Oké!’ Even stak het hem. Zij behandelde hem als een bediende. Nee, besloot hij toen. Ik heb zo lang in de noordelijke staten geleefd, dat ik vergeten ben wat een echte dame mag verwachten. Geen reden om een piccolo te laten komen. Hij slingerde een rugzak over zijn schouder, nam de andere en zijn koffer in de hand en ging naar beneden om uit te boeken.

Een glanzend nieuwe Dauphine stopte langs het trottoir. Zij zat aan het stuur. Hij was niet vergeten hoe zij eruit zag, dat was onmogelijk, maar toen zij haar donkere hoofd uit het raampje stak, hield hij zijn adem in en alle Deense meisjes waren onmiddellijk uit zijn gedachten verdwenen.

‘Dag,’ zei hij bedremmeld.

Zij glimlachte. ‘Welkom terug in de vrijheid, Malcolm Lockridge,’ begroette de donkere stem hem. ‘Zullen we maar gaan?’

Hij borg de bagage in de kofferruimte en nam naast haar plaats. Zij droeg een lange broek en sportschoenen, maar zag er daarom niet minder koninklijk uit dan eerst. Handiger dan hijzelf had gekund, voegde zij de wagen in het verkeer. ‘Nou, nou,’ zei hij. ‘U houdt niet van tijd verknoeien, hè?’

‘We hebben maar weinig tijd,’ antwoordde zij. ‘Ik wil voor de avond aan de andere kant van het land zijn.’

Het kostte Lockridge moeite zijn blik van haar profiel los te scheuren. ‘Ik… eh… ben gereed voor alles wat u van plan bent.’

Zij knikte. ‘Ja, ik heb me dus niet in je vergist.’

‘Maar als u me zou willen vertellen …’

‘Straks. Ik begrijp dat je vrijgesproken bent?’

‘Volledig. Ik weet niet hoe ik u ooit kan bedanken.’ ‘Door me te helpen, natuurlijk,’ zei zij lichtelijk ongeduldig. ‘Maar laten we eerst jouw positie bespreken. Ik moet weten welke afspraken je hebt gemaakt.’

‘Nou, eigenlijk geen. Ik had geen idee hoeveel tijd deze baan zou vragen en daarom heb ik nergens gesolliciteerd. Zo lang ik geen werk heb, kan ik bij mijn moeder blijven.’ ‘Verwacht zij je spoedig terug?’

‘Nee. Ik ben even in Kentucky geweest om mijn familie te bezoeken. In uw brief stond dat ik de feiten voor me moest houden, en daarom heb ik ze verteld dat mijn verdediging betaald was door een rijke vent die van mening was dat ik onrechtvaardig werd behandeld, en die me nu in Europa wilde hebben als adviseur bij een onderzoek dat wel eens lang zou kunnen duren. Oké?’

‘Uitstekend.’ Haar blik bracht hem in verwarring. ‘Je vindingrijkheid heb ik evenmin onderschat.’

‘Maar waar gaan we eigenlijk heen? En waarom?’

‘Veel kan ik je niet vertellen. Maar kort gezegd, we gaan een schat opgraven en in veiligheid brengen.’

Lockridge floot en zocht naar een sigaret.

‘Vind je dat ongeloofwaardig? Melodramatisch? Precies als in een slechte roman?’ grinnikte Storm Darroway. ‘Waarom denken de mensen van deze tijd dat hun armzalig leven de norm van het heelal is? Denk eens na. De atomen waaruit je bent opgebouwd, zijn een wolk van pure energie. De zon die je verwarmt, kan deze planeet verteren en er zijn andere sterren die die zon kunnen verzwelgen. Jullie voorouders maakten jacht op de mammoet, staken in roeiboten oceanen over en stierven op talloze bloedige slagvelden. Jullie beschaving staat op de rand van de vergetelheid. In je eigen lichaam woedt op ditzelfde ogenblik een meedogenloze strijd tegen indringers die je, tegen de entropie en de tijd zelf in, zouden kunnen vernietigen. Dát moet je norm zijn!’ Zij wees naar de straat waar mensen bezig waren met hun dagelijkse arbeid. ‘Duizend jaar geleden waren ze verstandiger,’ zei zij. ‘Zij wisten dat de wereld en de goden ten ondergang waren gedoemd en dat er niets anders opzat dan die dag dapper onder ogen te zien.’

‘Ja, maar…’ Lockridge aarzelde. ‘Oké, misschien ben ik toevallig geen Ragnarok-type.’

Zij lachte. Zij hadden het oude stadscentrum achter zich gelaten en reden nu door een wijk met hoge flatgebouwen. Storm Darroway vervolgde: ‘Ik zal het kort maken. Herinner je je dat de Oekraïne een paar jaar geleden tegen de Sovjet-regering in opstand kwam? De opstand werd bloedig onderdrukt, maar de strijd duurde lang. Het hoofdkwartier van de vrijheidsbeweging was hier in Kopenhagen gevestigd.’

Lockridge fronste. ‘Ja, ik heb een tijdje internationale politiek gestudeerd.’

‘Er was een… een oorlogkas,’ zei zij. ‘Die werd verborgen toen de zaak er hopeloos begon uit te zien. Maar kort geleden hebben we iemand gevonden die de plek kent.’

Zijn spieren verstrakten. ‘We?’

‘De bevrijdingsbeweging. Niet meer alleen voor de Oekraïne, maar voor iedereen die in slavernij leeft. We hebben dat geld nodig.’

‘Wacht eens even! Waarom voor de drommel?’

‘O, we verwachten niet een derde van de wereld van de ene dag op de andere te kunnen bevrijden. Maar propaganda, subversieve actie, ontsnappingsroutes naar het Westen — dat alles kost veel geld. En we hebben niets te verwachten van regeringen die alleen maar over “ontspanning” zeuren.’ Hij had tijd nodig om zijn gedachten te ordenen. Daarom zei hij: ‘Dat is waar. Vroeger, op debatavonden en zo, beweerde ik altijd dat er in Amerika op het ogenblik een soort “weg-met-ons”-stemming heerst. Zoals wij opzitten en pootjes geven en bij iedereen om een vriendelijk woordje bedelen, of hij nu onze ondergang gezworen heeft of niet. De manier waarop we hele werelddelen in handen van idioten, volksmenners en kannibalen spelen. De manier waarop we, zelfs in Amerika, de duidelijke uitspraken van de constitutie verdraaien om de eerste de beste profiteur… Enfin, mijn wijze van argumenteren bezorgde me weinig sympathie.’

Er gleed een merkwaardige trek van vreugde over haar gezicht, maar zij zei eenvoudig: ‘Het goud ligt aan het einde van een tunnel in West-Jutland. De tunnel is tijdens de bezetting van Denemarken door de Duitsers gegraven voor een uiterst geheim researchproject. Tegen het einde van de oorlog heeft de Deense ondergrondse een overval op die plaats uitgevoerd. Blijkbaar is iedereen die van de tunnel op de hoogte was, om het leven gekomen, want het bestaan ervan is nooit in de openbaarheid gekomen. De Oekraïners hoorden ervan van een man op zijn sterfbed en gebruikten hem als schuilplaats. Toen de opstand onderdrukt was en hun organisatie uiteengevallen, bleef de schat daar achter. Zie je, de paar mensen die ervan wisten, wilden hun kennis niet misbruiken door zich het goud voor privé gebruik toe te eigenen, ofschoon het verder nergens meer toe kon dienen. De meesten van hen zijn nu gestorven, van ouderdom, door een ongeluk, of vermoord door Sovjet-agenten. De laatste overlevenden besloten tenslotte de schat aan onze organisatie over te dragen. Ik ben aangewezen om hem op te halen. Jij moet mij daarbij helpen.’

‘Maar… maar… waarom ik? U hebt toch uw eigen mensen?’

‘Heb je nooit gehoord dat men het liefst buitenstaanders moet inschakelen als koerier? Een Oost-Europeaan wordt maar al te waarschijnlijk in het oog gehouden, of gefouilleerd. Amerikaanse toeristen komen echter overal. Hun bagage wordt aan de grenzen zelden doorzocht, vooral als ze goedkoop reizen. Als we het tot bladgoud kloppen, kunnen we het goud in onze kleren naaien, in de voering van onze slaapzakken enzovoort. We gaan per motorfiets naar Genève en dragen het daar over aan de juiste persoon.’ Haar ogen namen hem uitdagend op. ‘Voel je er iets voor?’ Lockridge beet op zijn lip. De zaak was te vreemd om het zonder meer te slikken. ‘U denkt toch niet dat ze ons door zullen laten met het arsenaal dat ik gekocht heb?’

‘De wapens zijn alleen bedoeld als een voorzorgsmaatregel gedurende de tijd dat we het goud voor transport klaarmaken. Daarna laten we ze achter.’ Storm Darroway verviel in een kortstondig zwijgen. ‘Ik wil je intelligentie niet beledigen,’ zei zij vriendelijk. ‘Deze zaak impliceert natuurlijk dat we de wet overtreden. Die overtredingen kunnen ernstige vormen aannemen als het op vechten zou uitdraaien. Ik heb een man nodig die het risico aanvaardt en die de moeilijkheden aankan, die zo nodig hard is, maar geen misdadiger die door de kans op persoonlijk voordeel wordt aangelokt. Jij leek de juiste man. Als ik me vergist heb, zeg het dan nu alsjeblieft.’

‘Ja… dat wil zeggen…’ Lockridge probeerde het met een grapje. ‘Als u een James Bond zoekt, hebt u zich inderdaad vergist.’

Zij keek hem niet-begrijpend aan. ‘Wie?’

‘O, niets…’ zei hij, hoofdzakelijk om zijn eigen verbazing te verbergen. ‘Eh… oké, laat ik het duidelijk stellen. Hoe kan ik weten dat u bent wie u voorgeeft te zijn? Misschien is dit een doodgewoon smokkelzaakje, of een zwendel of… of wat dan ook. Zelfs een Russisch foefje. Hoe kan ik dat weten?’

De stad lag ver achter hen, de weg was zo rustig dat zij hem langdurig kon aankijken. ‘Ik kan je niets meer vertellen dan ik gedaan heb,’ zei zij. ‘Mij te vertrouwen hoort ook tot je taak.’

Hij keek in die ogen en gaf zich vol vreugde gewonnen. ‘Oké!’ riep hij. ‘U hebt er een smokkelaar bij.’

Haar rechterhand viel op zijn linker en drukte die. ‘Dank je,’ zei zij en dat was ruim voldoende.

Zwijgend reden zij voort door het groene landschap en door dorpjes met rode daken. Hij smachtte ernaar met haar te praten, maar het is nu eenmaal het recht van de koningin om het gesprek te openen. Toen ze Roskilde binnenreden, waagde hij eindelijk: ‘U kunt me beter wat bijzonderheden geven. De ligging en zo.’

‘Later,’ zei zij. ‘Het is zulk prachtig weer.’

De uitdrukking op haar gezicht was ondoorgrondelijk, maar er lag een zachte trek om haar mond. Ja, dacht hij, als je zo leeft, dan moet je alles wat mooi is aangrijpen, zolang je de kans krijgt. Zij reden langs de grote kathedraal met zijn drie torens en hij wilde wel dat hij iets beters wist te zeggen dan: ‘Wat een kerk, hè?’

‘Er liggen wel honderd koningen begraven,’ zei zij. ‘Maar onder het marktplein liggen de nog oudere ruïnes van de St. Laurens en voor die gebouwd werd, stond er een heidense tempel met drakenkoppen aan de gevelspitsen. Dit was immers de koningsstad van het Denemarken van de Noormannen.’ Er trok een huivering door zijn lichaam. Maar haar stemming waaide voorbij als een wolk voor de wind en zij zei: ‘Wist je dat de moderne Denen de meteorenzwerm van de Perseïden de Laurentiustranen noemen? Het is een volk met een charmante fantasie.’

‘U schijnt zich voor hen te interesseren,’ merkte hij op. ‘Wilde u daarom dat ik hun verleden bestudeerde?’

Zij verstrakte. ‘We hebben een dekmantel nodig voor het geval men ons in het oog zou houden. Archeologische belangstelling is een goed excuus om rond te snuffelen in een zo oud land. Maar ik heb al gezegd dat ik nu niet daarover wil praten.’

‘Neem me niet kwalijk.’

Opnieuw deed ze hem door een plotselinge overgang verbaasd staan. ‘Arme Malcolm,’ plaagde zij. ‘Valt het je zo moeilijk om niets te doen? Kom, we moeten een paar toeristen voorstellen, ‘s nachts in de openlucht kamperen, eten en drinken in armeluiskroegjes, over zijwegen en door vergeten dorpjes trekken, van hier tot Zwitserland. Laten we onze rol maar eens doornemen.’

‘O, als landloper voldoe ik uitstekend,’ zei hij, verlangend haar een plezier te doen.

‘Heb je, afgezien van je studiereizen, veel reizen gemaakt?’ ‘Gaat wel. Een paar trektochten, en op Okinawa ging ik altijd het binnenland in als ik vrij was; en ik ben een keer met verlof in Japan geweest.’

Hij beschikte over voldoende inzicht om de handigheid te bewonderen waarmee ze hem ertoe bracht over zichzelf te vertellen. Maar dat deed niets af van het genoegen van de conversatie. Niet dat hij van nature een opschepper was, maar nu een prachtige vrouw zoveel belangstelling toonde, voldeed hij natuurlijk graag aan haar wensen.

Het eiland gleed regelmatig onder de wielen van de Dauphine door: Ringsted, Sorö, Slagelse en zo naar Korsör aan de Belt. Daar moesten zij de veerboot nemen. Storm — zij had hem toestemming gegeven haar bij de voornaam te noemen; het betekende bijna even veel als een omhelzing-- bracht hem naar het scheepsrestaurant. ‘Dit is een goede gelegenheid om te lunchen,’ zei zij, ‘vooral omdat de dranken in deze internationale wateren belastingvrij zijn.’

‘Wil je daarmee zeggen dat deze zeeëngte extraterritoriaal is?’

‘Zeker. In 1900 of daaromtrent staken Engeland, Frankrijk en Duitsland de koppen bij elkaar en besloten in roerende eensgezindheid dat deze zeearm dwars door Denemarken tot de open zee behoorde.’

Ze zochten een plaats en bestelden akvavit en grote glazen bier. ‘Je weet verschrikkelijk veel van dit land,’ zei hij. ‘Ben je zelf Deense?’

‘Nee, ik heb een Amerikaans paspoort.’

‘Van afkomst dan? Je ziet er niet naar uit.’

‘O nee? Waar zie ik dan naar uit?’ zei ze uitdagend.

‘Ik mag hangen als ik het weet. Een soort vermenging van alles en nog wat, die beter uitgevallen is dan iedere factor afzonderlijk.’

‘Wat? Een Zuiderling die een goed woord over heeft voor rassenvermenging?’

‘Zeg, toe nou, Storm. Kom me niet aandragen met die onzin van: zou je willen dat je zuster ermee trouwde. De mijne is verstandig genoeg om de juiste man voor zichzelf te vinden, ongeacht zijn ras.’

Zij hief haar hoofd op. ‘En toch, ras bestaat,’ zei zij. ‘Niet in de verwrongen twintigste-eeuwse betekenis van het woord, nee. Maar in genetisch opzicht. Er zijn goede stambomen en kreupelhout.’

‘Mm-m, ja, in theorie. Maar hoe kun je ze onderkennen, behalve achteraf aan hun prestaties?’

‘Het is mogelijk. Het begin is er in jullie huidige onderzoekingen naar de erfelijkheidswetten. Eens zal men, nog vóór een mens geboren is, kunnen uitmaken waarvoor hij geschikt is.’

Lockridge schudde het hoofd. ‘Dat idee staat me niet erg aan. Ik blijf erbij dat iedereen als een vrij mens wordt geboren.’ ‘En wat betekent dat?’ hoonde zij. ‘Vrij voor wat? Negentig procent van de mensen zijn van nature tamme huisdieren. Waar het op aan komt, is de bevrijding van de overige tien procent. Maar toch willen jullie vandaag ook hen tot huisdieren maken.’ Zij keek uit het raam naar de sprankelende golven en de zwierende meeuwen. ‘Dat is nu precies die civilisatiezelfmoord waarover je het had. Een kudde merries kan alleen door een hengst worden geleid, niet door een ruin.’

‘Misschien. Maar men heeft het al eens met een erfelijke aristocratie geprobeerd, en zie maar eens wat die ervan terecht heeft gebracht.’

‘Denk je dat jullie soi-disant democratie het er beter af brengt?’

‘Begrijp me niet verkeerd,’ zei hij. ‘Ik zou met alle plezier een decadente aristocraat willen zijn. Ik kan het me alleen niet permitteren.’

Haar hooghartigheid verdween in een uitbarsting van vrolijkheid. ‘Dank je wel. We dreigden werkelijk serieus te worden, niet? Ah! daar komen de oesters!’

Tijdens de maaltijd en daarna op het trillende dek babbelde zij zo opgewekt, dat hij nauwelijks opmerkte hoe handig zij het gesprek van haar eigen persoon had afgeleid.

In Nyborg verlieten zij de boot en reden dwars over Fuenen, door Odense, de woonplaats van Hans Christian Andersen — ‘Maar de naam betekent “Meer van Odin”,’ zei Storm tegen Lockridge, ‘en vroeger werden hier als offer voor hem mensen opgehangen.’ Tenslotte bereikten zij de brug naar Jutland. Hij bood aan te chaufferen, maar zij weigerde.

Zij reden noordwaarts. Het land werd weidser, minder dicht bevolkt; af en toe hadden zij uitzicht over uitgestrekte heuvels bedekt met bossen of bloeiende heide onder een duizelingwekkend hoge hemel. Af en toe merkte Lockridge kampehöje op, hunebedden, omgeven door ruwe topstenen, naakt in het felle licht. Hij maakte er een opmerking over. ‘Ze dateren uit de Steentijd, zoals je, naar ik hoop, nog zult weten,’ zei Storm. ‘Vierduizend en meer jaar geleden. Je vindt ze overal langs de Atlantische kust en verder in het Middellandse zeegebied. Dat was een sterke religie.’ Haar handen klemden zich vaster rond het stuur; zij staarde recht voor zich uit, langs het voorbij flitsende lint van de weg. ‘Zij aanbaden de Drievoudige Godin, de mensen die deze begrafenisriten hier invoerden, Haar van wie de Nornen slechts een bleke afschaduwing waren — Maagd, Moeder en Hellekoningin. Men deed een slechte ruil toen men haar verliet voor de Vader van de Donder.’

De banden sisten over het beton, de wind raasde langs de open raampjes. Diepe schaduwen lagen in de heuvelplooien. Een zwerm kraaien vloog op uit een sparrenbos.

‘Zij zal terugkeren,’ zei Storm.

Lockridge had inmiddels geleerd zich door dergelijke duistere uitspraken niet te laten verrassen. Hij antwoordde niet. Toen zij de weg naar Holstebro insloegen, raadpleegde hij de kaart; hij moest even slikken toen hij tot de ontdekking kwam dat het niet ver meer kon zijn — tenzij Storm van plan was om de Noordzee over te steken.

‘Misschien kun je me nu maar beter wat instructies geven,’ stelde hij voor.

Haar gezicht en haar stem bleven ondoorgrondelijk. ‘Er valt weinig te vertellen. Ik heb de omgeving al verkend. We hebben geen moeilijkheden te duchten bij de tunnelingang. Misschien verder op…’ Plotseling was ze gespannen. Zij klemde zijn arm zo stevig vast, dat haar nagels pijnlijk in zijn vlees drongen. ‘Bereid je voor op verrassingen. Ik heb je niet ieder detail verteld, want de poging om ze te begrijpen zou je geest te veel in beslag nemen. Als er zich moeilijkheden voordoen, blijf dan niet verbaasd staan kijken, maar reageer onmiddellijk. Begrijp je?’

‘Ik… ik geloof van wel.’ Dit was voortreffelijke karatepsychologie, wist hij. Maar — vervloekt, nee, ik zit eraan vast. Gek, idioot, donquichotterig, hoe je me ook noemen wilt, zij kan op me rekenen — al weet ik niet wat me te wachten staat — wat er ook gebeurt!

Zijn hart bonsde wild. Zijn handen waren klam.

Een klein eindje voorbij Holstebro stuurde Storm de wagen van de weg af. Een zandpad kronkelde in westelijke richting tussen de weilanden, die aan de rechterzijde van het pad weldra plaats maakten voor een houtaanplant. Zij parkeerde in de berm en zette de motor af. Stilte daalde neer over de wereld.


3

<p>3</p>

Lockridge kwam overeind. ‘Zullen we…’

‘Stil!’ Met een handbeweging sneed Storm zijn woorden af. Uit het handschoenenvakje haalde zij een kleine, dikke schijf te voorschijn. Over één zijde ervan speelden op vreemde manier allerlei kleuren. Zij bewoog haar heen en weer, met haar hoofd gebogen tussen de zwarte haarlokken bestudeerde zij de kleurschakeringen. Hij zag dat zij zich ontspande. ‘Heel goed,’ mompelde zij. ‘We kunnen aan de slag.’ ‘Wat is dat voor iets?’ Lockridge strekte zijn hand uit, maar zij gaf het hem niet.

‘Een verklikker,’ zei zij kortweg. ‘Vooruit! De omgeving is nu veilig.’

Hij herinnerde zichzelf aan zijn besluit om alles te doen wat zij verlangde. Een van die dingen was blijkbaar dat hij geen domme vragen moest stellen. Hij stapte uit en opende de bagageruimte. Storm ontsloot een koffer die zijzelf had meegebracht. ‘Ik veronderstel dat je een volledige kampeeruitrusting in die rugzakken hebt,’ zei zij. Hij knikte. ‘Neem de jouwe dan. Ik zal mijn rugzak zelf dragen. Laad beide wapens.’

Lockridge gehoorzaamde; er liep een scherpe, maar niet onplezierige prikkeling over zijn huid. Toen hij de rugzak had aangegespt, de Webley in de holster op zijn heup had gehangen en de Mauser in de hand had genomen, keerde hij zich om en keek naar Storm, die haar koffer weer sloot. Zij had een patroongordel om van een soort dat hij nog nooit had gezien, een gordel van donker glanzend, buigzaam metaal, waarvan de tasjes zich vanzelf leken af te sluiten. Op haar rechterheup, als het ware magnetisch verkleefd, bevond zich een slank voorwerp met een ingewikkeld uitziende loop. Lockridge stond even perplex. ‘Hé, wat is dat voor een pistool?’

‘Doet er niet toe.’ Zij pakte de kleurenschijf op. ‘Bereid je maar op vreemdere dingen voor. Sluit de auto af en laten we gaan.’

Zij gingen de aanplant in en liepen terug in de richting vanwaar zij gekomen waren, evenwijdig aan de weg en vandaar onzichtbaar achter de regelmatige rijen van sparreboompjes. Er hing een sterke, aangename geur, het namiddaglicht viel in schuine banen en wierp dansende lichtvlekken op de grond, die door de duizenden naalden zacht aanvoelde. ‘Ik begrijp je bedoeling,’ zei Lockridge. ‘We hebben er geen behoefte aan dat de plaats van de auto een toevallige voorbijganger aanwijzingen geeft over de richting die we zijn ingeslagen.’

‘Stilte,’ beval Storm.

Ongeveer anderhalve kilometer verder ging zij naar de weg toe en stak deze over. Voor hen lag een gemaaid korenveld vol gele stoppels, dat langzaam opliep naar een hoogte, waardoor het uitzicht vanuit mogelijke boerderijen in de omgeving werd afgesneden. Midden in het veld lag een heuveltje en daar bovenop stond een hunebed. Voordat Lockridge haar had kunnen helpen, gleed Storm lenig onder de omheining door en liep op een drafje verder. Hoewel haar rugzak niet lichter was dan de zijne, was haar ademhaling toen zij het heuveltje bereikten, nog rustig terwijl hij een beetje buiten adem was.

Zij bleef staan en opende haar gordel. Er kwam een buis te voorschijn, die enigszins op een grote zaklantaarn met een geslepen lens leek. Zij oriënteerde zich op de zon en begon rond het heuveltje te lopen. Het was begroeid met gras en braamstruiken; een bordje vertelde dat dit overblijfsel onder regeringsbescherming stond. Lockridge voelde zich naakt onder de wijde, lege hemel; zijn polsen hamerden en hij keek naar het hunebed alsof hij er een bevestiging van de eeuwigheid van verwachtte. Grijs en bedekt met mos droomden de opstaande stenen onder het zware dak, zoals zij hadden gedaan sinds een vergeten volk ze als een graftombe voor zijn doden had opgericht. Maar de grafkamer zelf, herinnerde hij zich, was eens onder een hoop aarde, waarvan alleen dit heuveltje restte, bedolven geweest…

Storm bleef staan. ‘Ja, hier.’ Zij klom tegen de helling op. ‘Wat? Wacht eens,’ protesteerde Lockridge. ‘We zijn er voor drie kwart omheen gelopen. Waarom ben je niet in tegenovergestelde richting gegaan?’

Voor het eerst bemerkte hij op haar gezicht enige verwarring. ‘Ik ga averechts.’ Zij liet een korte, harde lach horen. ‘Gewoonte. En nu, opzij.’

Zij bevonden zich halverwege de helling toen zij stil bleef staan. ‘Deze plaats is in 1927 opgegraven,’ zei zij. ‘Alleen het hunebed werd vrijgelegd en de geleerden hebben geen reden meer om hier terug te komen. Daarom kunnen wij het als ingang gebruiken.’ Zij manipuleerde enkele schakelaars die zich op de buis bevonden. ‘We hebben een nogal speciale manier om ingangen te verbergen,’ waarschuwde zij. ‘Wees niet al te verbaasd.’

Door de lens viel een mat licht. De buis zoemde en trilde in haar hand. Een trilling ging door de braamstruiken, hoewel er geen wind stond. Plotseling rees er een schijf aarde omhoog. Omhoog — recht de lucht in! Drie meter in doorsnee, zes meter dik, een kluit plaggen en grond die zonder ondersteuning voor Lockridge's ogen bleef hangen. Hij slaakte een kreet en maakte een zijsprong.

‘Stil!’ beet Storm. ‘Naar binnen. Vlug!’

Verbijsterd liep hij op het gat in het heuveltje toe. Een hellend pad leidde omlaag tot waar het uit het gezicht verdween. Hij slikte moeilijk. Zij verloor hem niet uit het oog en het was voornamelijk dit feit dat hem voorwaarts dreef. Hij ging de heuvel binnen. Zij volgde, keerde zich om en stelde de buis in haar hand bij. De schijf aarde zakte terug. Toen hij met het gemak van een machine op zijn plaats gleed, voelde Lockridge de wind van de luchtdruk langs zich heen zuchten. Tegelijkertijd ging er licht aan — maar tot zijn verbijstering zag hij dat dit niet uit een bepaalde bron afkomstig was.

Het hellende pad was eenvoudig de vloer van een halfronde tunnel, die iets breder was dan de ingang en die voor hem uit om een bocht verdween. De wanden van de tunnel waren geheel en al met een harde, gladde substantie bedekt, waaruit het licht stroomde, een koude, witte schittering die geen schaduwen wierp, zodat afstanden moeilijk te schatten waren. De lucht was vers en circuleerde, hoewel hij geen ventilatoren zag.

Hij keerde zich naar Storm, maar kon geen woorden vinden. Zij borg de buis weg. Haar strengheid verdween. Zij gleed naar hem toe, legde een hand op zijn arm en glimlachte. ‘Arme Malcolm,’ fluisterde zij. ‘Je zult nog voor grotere verrassingen komen te staan.’

‘Judas!’ zei hij zwakjes. ‘Ik hoop van niet!’ Maar haar nabijheid en haar aanraking vrolijkten hem zelfs op dat moment op. Hij begon zijn zelfverzekerdheid te herwinnen.

‘Hoe voor de duivel gaat dat in zijn werk?’ vroeg hij. Holle echo's weerkaatsten zijn stem.

‘Sst! Niet zo hard.’ Storm wierp een blik op haar kleurenschijf. ‘Op het ogenblik is hier niemand, maar zij kunnen van beneden komen en in deze tunnels draagt geluid verdraaid ver.’

Zij ademde diep in. ‘Als het je gerust kan stellen, zal ik je het principe verklaren,’ zei zij. ‘De kluit wordt bijeengehouden door een krachtveld dat van een in deze wanden verzonken netwerk afkomstig is. Hetzelfde netwerk verhindert dat er reacties kunnen optreden in metaaldetectors of geluidssondes, of in een ander apparaat dat anders deze doorgang zou kunnen opsporen. Bovendien doet het door microscopisch kleine openingen de lucht circuleren, zodat deze altijd vers blijft. De buis waarmee ik de kluit omhoog deed komen, is niet meer dan een schakelaar; de feitelijke energie is eveneens uit het netwerk afkomstig.’

‘Maar … Lockridge schudde het hoofd. ‘Onmogelijk. Zoveel weet ik wel van fysica af. Ik bedoel — nou ja, misschien in theorie — maar in de praktijk bestaat zo'n apparaat niet.’ ‘Ik heb je toch verteld dat dit een geheim researchproject was,’ antwoordde Storm. ‘Ze hebben heel wat weten te bereiken.’ Zij tuitte haar lippen — hoe dicht bij de zijne! Je bent toch niet bang, wel, Malcolm?’

Hij trok zijn schouders recht. ‘Nee. Laten we verder gaan.’ ‘Je bent een man,’ zei zij, met een lichte nadruk op het laatste woord, die zijn bloed sneller deed stromen. Zij liet hem los en ging hem voor naar omlaag.

‘Dit is alleen maar de ingang,’ zei zij. ‘De eigenlijke gang ligt meer dan dertig meter dieper.’

Zij spiraalden omlaag de aarde in. Lockridge constateerde dat zijn eigen verbijstering verdwenen was. Hij was tot het uiterste gespannen. Dat had Storm klaargespeeld. Mijn hemel, dacht hij, wat een avontuur.

De gang kwam uit in een langwerpig vertrek, dat geen opvallende kenmerken bezat behalve aan de tegenovergelegen wand. Daar stond een grote kist of kast van hetzelfde glimmende, zelf-sluitende metaal als Storms gordel; tevens was er een doorgang, ongeveer drie meter breed en zes meter hoog. Hing er een gordijn voor? Nee, toen hij dichterbij kwam, zag Lockridge dat de sluier die de doorgang opvulde — flikkerend en zacht iriserend met iedere kleurschakering die zijn ogen konden waarnemen en met vele, vermoedde hij, die ze niet konden zien — onstoffelijk was: een glinstering in de ruimte, een luchtspiegeling, een gordijn van levend licht. Het bracht een uiterst zwak gezoem voort en de lucht in de nabijheid smaakte elektrisch.

Storm bleef er staan. Door haar kleren heen zag hij hoe haar lichaam zich spande. Op hetzelfde moment als zij, trok hij zijn pistool te voorschijn. Zij wierp hem een vluchtige blik toe. ‘De gang is hier vlak achter,’ zei zij met scherpe stem.

‘Luister goed. Tot nu toe heb ik alleen maar laten doorschemeren dat we misschien zouden moeten vechten. Maar de vijand is overal. Het is mogelijk dat hij deze plek heeft ontdekt. Het is zelfs mogelijk dat zijn agenten aan de andere zijde van deze poort staan. Ben je gereed om als ik dat beveel, te schieten?’

Hij kon zijn hoofd alleen maar op en neer bewegen. ‘Uitstekend. Volg me.’

‘Nee, wacht, ik zal…’

‘Volg me, zei ik.’ Met een sprong was zij door het gordijn. Hij sprong haar na. Op het moment dat hij de drempel overschreed, voelde hij een korte, krampende schok en struikelde. Hij herstelde zich en speurde om zich heen.

Storm stond half gebukt en tuurde van de ene kant naar de andere. Na enkele ogenblikken wierp zij een blik op haar instrument en liet het pistool zakken. ‘Niemand,’ fluisterde zij. ‘Voor het ogenblik zijn we veilig.’

Lockridge hapte bevend naar adem en probeerde zich een indruk te vormen van de omgeving.

De gang was reusachtig groot, eveneens half-cilindervormig en met hetzelfde lichtgevende oppervlak; hij moest minstens dertig meter in doorsnee zijn. Zowel naar links als naar rechts strekte hij zich lijnrecht uit tot waar hij uit het gezicht verdween — hemel! hij moest kilometers lang zijn, bedacht Lockridge. Het gezoem en de sensatie van de elektriciteit waren hier veel intenser, doordrongen zijn gehele wezen, alsof hij gevangen was in een reusachtige machine.

Hij keek om naar de deur waardoor hij gekomen was, en verstijfde. ‘Verduiveld!’

Hoewel het portaal aan deze zijde niet hoger was, kon het gemakkelijk zestig meter breed zijn. Vanuit het portaal strekte zich over een gedeelte van de tunnelvloer een reeks evenwijdige zwarte strepen uit, met een onderlinge afstand van ongeveer anderhalve decimeter. Aan het begin van elke streep stond een korte tekst in hem volkomen onbekende letters. Maar om de drie meter ongeveer was er een getal aan toegevoegd. Hij zag 4950, 4951, 4952…Alleen het regenbooggordijn was hetzelfde.

‘Geen tijd te verspillen.’ Storm trok aan zijn mouw. ‘Ik zal het later wel uitleggen. Stap in.’

Zij wees naar een platform, dat voorzien was van een ronde voorzijde en enigszins op een grote metalen toboggan met lage zijkanten leek. Het zweefde ongeveer een halve meter boven de vloer. Verscheidene zitbanken zonder leuning liepen over de gehele lengte. Aan de voorkant bevond zich een paneel waar kleine lampjes gloeiden, rode, blauwe, groene, gele — ‘Vooruit nou!’

Samen met Storm klom hij aan boord. Zij nam voorop plaats, legde haar pistool op haar knieën en liet haar hand over de lampjes glijden. De slede keerde en ging de gang links in. Ze bewoog zich volledig geluidloos voort met een snelheid die hij op 45 kilometer per uur schatte; maar op een of andere manier waren zij beschut tegen de wind.

‘Wat bij alle blauwe bliksems is dit voor een ding?’ vroeg hij gesmoord.

‘Heb je wel eens gehoord van hovercraft?’ zei Storm afwezig. Haar ogen zwierven heen en weer tussen de lege gang voor hen en de kleurenschijf in haar hand.

Lockridge reageerde grimmig. ‘Jazeker, dat heb ik,’ zei hij, ‘en ik weet dat dit ding in niets op een hovercraft lijkt.’ Hij wees naar haar instrument. ‘En wat is dat?’

Zij zuchtte. ‘Een bio-indicator, een verklikker die op de aanwezigheid van levende wezens reageert. En dat waar we mee rijden, is een zwaartekrachtslede. Wees nu stil en houd de tunnel achter ons in het oog.’

Lockridge voelde zich bijna te gespannen om stil te zitten, maar hij speelde het klaar. Hij legde het geweer op de bank naast zich. Het klamme zweet stroomde langs zijn lichaam en hij zag en hoorde met onnatuurlijke scherpte.

Zij gleden voorbij een tweede portaal en nog een en nog een. De poorten volgden elkaar met onregelmatige tussenpozen op, maar de gemiddelde afstand, voor zover Lockridge het in dit doordringende koude licht kon schatten, was ongeveer zevenhonderdvijftig meter. Wilde gedachten tolden door zijn hoofd. Het was uitgesloten dat dit ooit door Duitsers was gebouwd, uitgesloten dat een anti-communistische organisatie er gebruik van maakte. Wezens van een andere planeet, een andere ster, ergens uit de onpeilbare duisternis van de kosmos…

Drie mannen kwamen uit een poort die de slede juist was gepasseerd. Lockridge slaakte een kreet op hetzelfde moment dat Storms’ indicator een bloedrode kleur aannam. Zij keerde zich bliksemsnel om en keek achter zich. Haar mond verstrakte en liet haar tanden bloot. ‘Dan wordt het dus vechten,’ zei zij hard en uitdagend en vuurde naar achteren. Uit haar pistool sprong een verblindende lichtflits te voorschijn. Een van de mannen sprong opzij en zakte ineen. Vettige rook kronkelde uit een gat in zijn borst. Nog voordat hij op de grond viel, hadden de beide anderen hun pistolen getrokken. Storms bliksem ging tussen hen door, spatte in een flikkerende, veelkleurige fontein uiteen en deed de tunnelwanden fel oplichten. De lucht knetterde. Ozon prikkelde Lockridge's neus.

Storm zette een pal op haar wapen om. De lichtstraal waaierde uit. Een nauwelijks zichtbare, sissende glinstering omgaf haar en haar metgezel. ‘Energieschild,’ zei zij. ‘Ik heb er mijn gehele vermogen voor nodig en dan nog kunnen twee stralen die dezelfde plaats raken, er doorheen breken. Schiet!’

Lockridge had geen tijd om zich ontzet te voelen. Hij bracht het geweer aan zijn wang en legde aan. De man die hij in het vizier had, was groot, maar werd met het toenemen van de afstand snel kleiner; alleen zijn nauwsluitende zwarte kleding en bronskleurige Romeinse helm waren te onderscheiden, hij was een doelwit zonder gezicht. In een flits herinnerde Lockridge zich de bossen thuis, het groen en de stilte, een eekhoorn hoog in de takken…Hij schoot. De kogel trof doel, de man viel, maar stond weer op. Beiden sprongen op een zwaartekrachtslede zoals er bij elke poort een geparkeerd was.

‘Het energieveld vertraagt stoffelijke voorwerpen ook,’ zei Storm somber. Je kogel had voor die afstand te veel snelheid verloren.’

De andere slede zette zich in beweging en begon aan de achtervolging. De zwartgeklede berijders hurkten laag achter de schermen. Lockridge kon juist de bovenkant van hun helm zien. ‘We hebben een voorsprong op hen,’ zei hij. ‘Zij kunnen toch niet sneller gaan, wel?’

‘Nee, maar als zij gezien hebben waar wij de tunnel verlaten, zullen zij terugkeren en het aan Brann rapporteren,’ antwoordde Storm. ‘Het is al erg genoeg als ze mij alleen maar herkennen.’ Haar ogen schoten vonken, haar neusvleugels trilden, haar borsten rezen en daalden; maar zij sprak op koelere toon dan hij veel mannen had horen doen die met scherpe munitie oefenden. ‘We moeten een tegenaanval doen. Geef me jouw pistool. Als ik opsta om hun vuur te trekken — nee, rustig maar, ik blijf achter het energieschild — moet jij schieten.’

Bliksemsnel liet zij de slede keren en racete op de andere af. In Lockridge's vizier groeide het ding met een nachtmerrieachtige traagheid. En dat daar waren echte mensen, die hij moest doden. Met geweld onderdrukte hij een gevoel van walging. Zij probeerden toch Storm en hem te doden, niet? Hij knielde achter het zijscherm en hield het geweer gereed.

Rondom hem barstte het treffen los. Storm sprong overeind, het energiepistool in haar linkerhand, de blaffende Webley in haar rechter. Enkele meters van hen af zwenkte de andere slede opzij. Twee vuurstralen sprongen op haar toe, vonken spatten in het rond, lichtsluiers schitterden; de twee stralen bewogen zich naar elkaar toe. Een kogel jankte voorbij, afgeschoten uit een geluidloos wapen met korte loop dat een van de zwart-geüniformeerde mannen eveneens in de hand hield.

Lockridge sprong op. Vanuit een ooghoek zag hij Storm, rechtop in een geiser van rode, blauwe en gele vlammen — donderende krachten lieten haar haren om haar schouders dansen — zij lachte en schoot. Hij keek omlaag naar de vijand, recht in een bleek, smal gezicht. Het geweer met de korte loop flitste in zijn richting. Lockridge schoot precies tweemaal.

De andere slede gleed voorbij en schoot verder de gang in. Echo's stierven weg. De prikkeling verdween uit de lucht. Er was niets meer dan het doordringende lied van onbekende krachten, de smaak van elektriciteit en de glinstering in een portaal.

Storm keek de ineengezakte lichamen na die zich op de slede verwijderden, raapte haar bio-indicator op van de bank en knikte. ‘Je hebt ze geraakt,’ fluisterde zij. ‘O, wat een voortreffelijk schutter!’ Zij gooide het instrument neer, omarmde Lockridge en kuste hem met kneuzend geweld.

Voordat hij had kunnen reageren, liet zij hem weer los en wendde de slede in de andere richting. Zij had nog een hoogrode kleur, maar toen zij sprak, was het weer uiterst koe ‘Het zou een verspilling van tijd en energie zijn om hen te vernietigen. Voor de Gardisten is het toch wel zonder meer duidelijk dat zij door de hand van Wachters om het leven zijn gekomen. Maar meer dan dat hoeft niet bekend te worden: als we tenminste de gang kunnen verlaten voordat we opnieuw iemand ontmoeten.’

Lockridge zakte op een bank ineen en trachtte te begrijpen wat er gebeurd was. Hij kwam pas weer bij uit zijn verdoving toen Storm de slede tot stilstand bracht en hem aanspoorde uit te stappen. Zij boog zich over het paneel en activeerde de bedieningslichten. De slede zette zich in beweging. ‘Naar haar plaats van herkomst,’ legde zij kort uit. ‘Als Brann wist dat degenen die zijn mannen hebben gedood vanuit 1964 zijn binnengekomen, en als hij vervolgens hier een extra vervoermiddel vond, zou hij het hele verhaal kennen. Kom, hierheen.’

Zij liepen naar de poort. Storm koos een streep van de eerste groep, die het getal 1175 droeg. ‘Hier moet je voorzichtig zijn,’ zei zij. ‘We zouden elkaar gemakkelijk kwijt kunnen raken. Loop precies op deze streep.’ Zij stak haar hand naar achter en sloot haar vingers om de zijne. Hij was nog te veel onder de indruk om dit contact even veel op prijs te stellen als hij, zoals hij vaag wist, anders zou hebben gedaan.

Vlak achter haar liep hij door het gordijn. Zij liet hem los en hij zag dat zij zich in een vertrek bevonden gelijk aan dat van waaruit zij de tunnel waren binnengegaan. Storm opende de kast, raadpleegde een instrument waarvan hij vermoedde dat het een klok was, en knikte voldaan. Vervolgens nam zij er een paar bundels uit, omwikkeld met een ruwe, grofgeweven blauwe stof, reikte ze hem over en sloot de kast. Toen gingen zij langs het draaipad naar boven.

Aan het eind gekomen opende zij met haar bedieningsbuis opnieuw de aarden valdeur en sloot hem achter hen. De ingang was volmaakt onzichtbaar.

Lockridge had daar echter geen oog voor. Er waren te veel andere dingen.

Toen zij de tunnel betraden, had de zon nog ver boven de horizon gestaan en zij konden onmogelijk langer dan een half uur erin zijn geweest. Maar hier was het nacht, hoog aan de hemel stond een bijna volle maan. Bij het zwakke schijnsel zag hij hoe het heuveltje het hunebed nu geheel bedekte, tot aan de topsteen; daaronder was een ruwe houten deur. Om hem heen boog het gras zich onder een kille, vochtige bries. Beneden hem lag geen bouwland: de heuvel was omgeven door struiken en jonge boompjes, alsof de wildernis het terrein waarvan ze verdreven was geweest, nog maar pas had heroverd. In het zuiden verhief zich een hoogte die hem griezelig bekend voorkwam, maar ze was met bos bedekt. Ze waren oud, die bomen, ongelooflijk, onmogelijk oud, zulke grote eiken had hij alleen in de laatste maagdelijke gebieden van Amerika gezien. De toppen waren grijs in het maanlicht, onder de bomen heerste inktzwarte duisternis.

Een uil schreeuwde. Een wolf huilde.

Hij sloeg zijn ogen weer op en zag dat het geen september was. Deze sterrenhemel behoorde bij het eind van mei.


4

<p>4</p>

‘Ja, natuurlijk heb ik je voorgelogen,’ zei Storm.

Het kampvuur flakkerde hoog op, vonken sproeiden in het rond, een mat schijnsel danste boven de rook uit en deed haar markante trekken in een rembrandtesk clair-obscur uitkomen. Boven en rond hen stond de zwarte nacht. Lockridge huiverde en hield zijn handen bij het vuur.

‘Je zou het niet geloofd hebben voor je het had gezien,’ vervolgde Storm. ‘Of wel? Op zijn minst zouden we met allerlei uitleg veel tijd verloren hebben en ik was al veel te lang in de twintigste eeuw geweest. Ieder uur kwam ik in groter gevaar te verkeren. Indien Brann eraan had gedacht die Deense poort te bewaken… Waarschijnlijk gelooft hij dat ik dood ben. Er behoorden verscheidene andere vrouwen tot mijn groep en bij het gevecht met hem werden enkele van hen onherkenbaar verminkt. Niettemin zou hij mij weer op het spoor hebben kunnen komen.’

Uitgeput door de reactie kon Lockridge niets anders uitbrengen dan: ‘Je komt dus uit de toekomst?’

Zij glimlachte: ‘Jij nu ook.’

‘Uit mijn toekomst, bedoel ik. Wanneer?’

‘Ongeveer tweeduizend jaar na jouw tijd.’ Haar opgewektheid verdween, zij zuchtte en staarde in de duisternis achter zijn rug. ‘Maar ik ben in zoveel eeuwen geweest, ik ben met zoveel historie verweven, dat ik me soms afvraag of er wel een deel van mijn wezen achtergebleven is in het jaar dat ik geboren ben.’

‘En… we zijn nog op dezelfde plaats als waar wij de tunnel hebben betreden, niet? Alleen in het verleden. Hoe ver?’

‘Volgens jullie tijdrekening laat in de lente van 1827 voor Christus. Ik heb de juiste datum gecontroleerd op een kalenderklok in het voorvertrek. Het uittreden kan niet exact worden berekend, omdat het menselijk lichaam een eindige breedte heeft overeenkomend met een paar maanden. Daarom moesten we elkaar bij de hand houden om te voorkomen dat we enkele weken van elkaar gescheiden zouden worden.’ Zakelijk voegde zij eraan toe: ‘Als dat ooit zou gebeuren, keer dan terug in de tunnel en wacht daar. Er is daar ook tijdsverloop, maar op een ander niveau, zodat we elkaar daar weer kunnen treffen.’

Bijna vierduizend jaar, dacht Lockridge. Op deze dag zat Farao op de troon van Egypte, de zeekoning van Kreta ontwierp plannen voor handel met Babylon, Mohenjodaro beheerste met zijn glorie de Indusvallei, de Generaal Grant- boom was een zaailing. Het Middellandse Zeegebied kende het brons, maar in Noord-Europa heerste de Nieuwe Steentijd, en het hunebed op dit heuveltje was nog maar enkele generaties tevoren gebouwd door mensen die door roofbouw de bodem uitputten en dan noodgedwongen verder zwierven. Achttienhonderd jaar voor Christus, enkele eeuwen zelfs voor Abraham, kampeerde hij in Denemarken dat de mensen die zich Denen noemden, nog niet hadden betreden. Onbehagen doordrong zijn lichaam als een fysieke koude. Hij verdrong het idee uit zijn bewustzijn en vroeg: ‘Wat is die tunnel eigenlijk? Hoe werkt hij?’

‘De natuurkundige achtergrond zou je niets zeggen,’ zei Storm. ‘Stel het je voor als een buis van energie, die in de lengte op de tijd-as is geroteerd. Daarbinnen neemt de entropie nog toe; er is tijdsduur. Maar gezien vanuit het standpunt van iemand die zich erin bevindt, is de kosmische tijd — de tijd buiten — bevroren. Door de juiste poort te kiezen kan men in willekeurig welke tijd komen. De omrekeningsfactor’ — zij rimpelde nadenkend haar voorhoofd — ‘in jouw maten zal ongeveer honderdtien dagen per meter bedragen. Om de paar eeuwen is er een portaal, vijfentwintig jaar breed. De tussenruimten moeten minimaal circa tweehonderd jaar zijn omdat anders het verzwakte krachtveld ineen zou storten.’

‘Loopt deze tunnel helemaal door tot jouw eeuw?’

‘Nee. Deze strekt zich uit van ongeveer 400 voor Christus tot 2000 erna. Het is niet doenlijk om ze veel langer te maken. Er bestaan vele tunnels van verschillende lengte door de gehele ruimte-tijd van deze planeet. De poorten zijn zo gebouwd dat ze elkaar in de tijd overlappen, zodat een reiziger, door van de ene tunnel naar de andere te gaan, ieder jaar dat hij wenst, kan vinden. Om bijvoorbeeld verder terug te gaan dan 4000 voor Christus, zouden we tunnels nemen in Engeland of China waarvan ik het bestaan ken en waarvan de poorten ook dit jaar omvatten. Om verder naar de toekomst te gaan dan deze tunnel mogelijk maakt, zouden we weer naar andere plaatsen moeten gaan.’

‘Wanneer zijn ze… uitgevonden?’

‘Een eeuw of twee voor ik geboren werd. Er woedde toen al een hevige strijd tussen Wachters en Gardisten en de oorspronkelijke, zuiver wetenschappelijke opzet van het onderzoek werd daarom al spoedig opzij gezet.’

Wolven huilden in de nacht. Een zwaar lichaam baande zich krakend een weg door het struikgewas en een woeste, jankende meute zette de achtervolging in. ‘Zie je,’ zei Storm, ‘we kunnen geen totale oorlog voeren. Dat zou ons de Aarde kosten, zoals het ons Mars heeft gekost — dat is nu een ring van radioactieve brokstukken die om de zon wentelen Soms vraag ik me af of onze technici op een keer niet zestig miljoen jaar terug zullen gaan en grote ruimtevloten zullen bouwen voor een oorlog waarin de dinosaurussen uitgeroeid zijn en die onuitwisbare littekens heeft achtergelaten op de maan…’

‘Kennen jullie je eigen toekomst dan niet?’ vroeg Lockridge terwijl er een rilling langs zijn rug liep.

Zij schudde het donkere hoofd. ‘Nee. Wanneer de activator ingeschakeld wordt om een nieuwe tunnel te graven, ontstaat er een gang die even ver in beide richtingen gaat. We hebben ons eens in onze eigen toekomst gewaagd. Er waren daar wachtposten die ons terugdreven, met wapens die wij niet konden begrijpen. Nu proberen we het niet meer. Het was zo afschuwelijk!’

De wetenschap dat achter de geheimen nog andere geheimen verborgen lagen, was onverdraaglijk. Lockridge vluchtte terug naar wat van praktisch belang was.

‘Maar goed,’ zei hij, ‘ik schijn aan jouw kant in een oorlog betrokken te zijn. Zou je zo vriendelijk willen zijn me te vertellen waarom er gebakkeleid wordt? Wie zijn je vijanden?’ Hij wachtte even. ‘Wie ben jij?’

‘Laat ik me maar blijven bedienen van de naam die ik in jouw eeuw heb gekozen,’ zei Storm. ‘Ik geloof dat het een gelukkige naam was.’ Even was zij in gedachten verzonken. Ik denk niet dat je kunt begrijpen waar het in mijn tijd in wezen om gaat. Tussen jou en ons ligt een te lange historie. Zou een man uit jouw verleden werkelijk kunnen bevatten wat het geschil is dat in de twintigste eeuw Oost en West verdeeld houdt?’

‘Ik neem aan van niet,’ gaf Lockridge toe. ‘Trouwens, zelfs in onze tijd schijnen velen het al niet te snappen.’ Bovendien,’ zei Storm, ‘is het grondprobleem hetzelfde. Zolang de mens bestaat, is er in werkelijkheid slechts één probleem geweest — verwrongen, onduidelijk, verborgen achter talloze motieven van minder belang, en toch was het op een of andere manier altijd de botsing tussen twee filosofieën, tussen twee manieren van denken en leven — van bestaan. De kwestie is steeds weer: wat is het wezen van de mens?’

Lockridge wachtte. Storm wendde haar starende blik af van de nacht en richtte over het lage vuur heen haar ogen fel en doordringend op hem.

‘Het leven zoals men het zich voorstelt contra het leven zoals het is,’ zei zij. ‘Planning contra organische ontwikkeling. Despotisme contra vrijheid. Verpletterend rationalisme contra de gaafheid van het leven. De machine contra het levende vlees. Indien men de mens en zijn lot kan bepalen, organiseren, in overeenstemming kan brengen met een visioen van uiteindelijke volmaaktheid, heeft de mens dan niet de plicht om dit visioen koste wat het kost aan zijn medemens op te dringen? Dit klinkt je bekend in de oren, niet? Maar de grote vijand van jouw land is slechts één manifestatie van iets dat al bestond vóór de geschiedenis begon: dat zich uitte in de wetten van Draco en Diocletianus, in de verbranding van de confuciaanse boeken, in Torquemada, Calvijn, Locke, Voltaire, Napoleon, Marx, Lenin, Arguellas, het Jupiter-manifest, enzovoort enzovoort. Natuurlijk niet steeds zo duidelijk en ongecompliceerd — er leefde geen tirannie in het hart van sommigen die in de opperste rede geloofden; en wel in dat van anderen, zoals Nietzsche, die er niet in geloofden. Voor mij is jullie industriële beschaving, zelfs in de landen die zich vrij noemen, een bijna absolute verschrikking; en toch gebruik ik machines die krachtiger en verfijnder zijn dan jullie ooit hebben kunnen dromen. Maar in welke geest? Daarom gaat de strijdt’

Zij liet haar stem dalen. Zij keek naar het woud dat als een muur rond de bosweide stond. ‘Vaak denk ik,’ zei zij langzaam, ‘dat de neergang van de beschaving in dit millennium begonnen is, toen de aardgoden en hun Moeder verdrongen werden door degenen die de hemelgoden vereerden.’

Zij schudde zichzelf, alsof zij zich ergens van wilde bevrijden, en vervolgde op vlakke toon: ‘Wel, Malcolm, aanvaard voorlopig maar dat de Wachters de behoeders zijn van het leven — het leven in al zijn gaafheid en beperking, zijn heerlijkheid en tragedie — terwijl de Gardisten de wereld willen herscheppen tot het evenbeeld van een machine. Natuurlijk stel ik het nu wat al te simplistisch voor, misschien kan ik het je later beter uitleggen. Maar denk je dat mijn zaak de moeite waard is?’

Lockridge keek haar aan — zij lag bij het vuur als een jonge boskat — en in een opwelling die alle vrees, spijt en eenzaamheid verdreef, zei hij: ‘Ja. Mijn medewerking heb je. Dat is trouwens al gebleken.’

‘Dank je wel,’ fluisterde zij. ‘Als je wist wat dat blijk betekende, niet alleen in woorden maar in je bloed, zou ik over het vuur naar je toe springen.’

Wat betekent het dan; wilde hij vragen. Een gedachte deed hem duizelen: een man mag toch hopen! Maar voordat hij iets kon zeggen, grinnikte Storm en zei: ‘De eerstkomende maanden zullen ongetwijfeld heel interessant voor je zijn.’ ‘Grote hemel, ja!’ Het drong nu pas tot hem door. ‘Reken maar dat iedere antropoloog zijn rechter… eh… oog er voor over zou hebben om hier te kunnen zijn. Ik kan nog altijd niet geloven dat het waar is.’

‘Het is niet zonder gevaar,’ waarschuwde zij.

‘Hoe is de situatie eigenlijk? Wat moeten wij doen?’

‘Laat ik met de eerste vraag beginnen,’ zei Storm. ‘Zoals ik je al heb verteld, kan de strijd tussen Wachters en Gardisten niet op grote schaal in onze eigen tijd uitgevochten worden. In plaats daarvan heeft hij zich grotendeels naar het verleden verplaatst. Op strategische punten zijn bases gevestigd en… maar dat is nu niet van belang. Ik weet dat de Gardisten een bolwerk hebben in de regering van Harald Blauwtand. Hoewel de Asenreligie al een godsdienst van de Hemelvader was, was de komst van het christendom voor hen een nieuwe stap vooruit, want dat legde de grondslag voor de gecentraliseerde monarchie en de daaruit voortgekomen rationalistische staat. Daar kwamen de mannen die wij ontmoet hebben, vandaan.’

‘Hé? Wacht eens! Wil je daarmee zeggen dat jullie het verleden veranderen?’

O, nee. Beslist niet. Dat is per se onmogelijk. Zelfs als je het zou proberen, zou je ontdekken dat de gebeurtenissen al je pogingen verijdelen. Wat geweest is, is. Wij tijdreizigers zijn zelf een onderdeel van het patroon der gebeurtenissen. Maar laten we zeggen dat wij bepaalde aspecten erin ontdekken die we in ons voordeel kunnen aanwenden; we werven aanhangers, verzamelen krachten voor de eindfase van de strijd.

Nu, in mijn tijd beheersen de Gardisten het westelijk halfrond, de Wachters het oostelijk halfrond. Ik was commandant van een groep die naar de twintigste eeuw ging en de oceaan overstak naar Amerika. Alleen konden wij niets belangrijks opbouwen zonder door vijandelijke agenten te worden opgemerkt, die in jouw tijd veel talrijker zijn dan de onze. Maar wij waren van plan een onderneming op te richten met zo op het oog een of ander doodgewoon doel, zodat we als gewone burgers van de tijd zouden kunnen doorgaan. We kozen jouw tijd omdat dat de eerste eeuw was waarin we bepaalde dingen die we nodig hadden — bijvoorbeeld transistors — ter plaatse en dus zonder argwaan te wekken, konden kopen. Onder het mom van een mijnbouwonderneming in Colorado bouwden we onze ondergrondse installaties, we vervaardigden een activator en boorden een nieuwe tunnel.

Het was de bedoeling door die tunnel aan te vallen en in onze eigen tijd, midden in het land van de Gardisten uit te treden. Maar op het moment dat de tunnel klaar was, drong Brann er met een overweldigende overmacht in door. Ik weet niet hoe hij hem heeft ontdekt. Alleen ik wist te ontsnappen. Langer dan een jaar heb ik toen door de Verenigde Staten rondgezworven, zoekend naar een mogelijkheid om terug te keren. Ik wist dat iedere tunnel naar de toekomst zou worden bewaakt, want de Gardisten nemen in de Vroege Industriële beschaving een zeer sterke positie in. Ik kon nergens een Wachter vinden.’

‘Waar heb je in die tijd van geleefd,’ informeerde Lockridge. Jij zult het waarschijnlijk diefstal noemen,’ zei Storm.

Hij schrok op. Zij lachte. ‘Dat energiepistool dat ik bij me had, kan zo worden afgesteld dat het alleen maar verdooft. Het was niet zo moeilijk om een paar duizend dollar bijeen te krijgen, bij kleine beetjes tegelijk. Ik was wanhopig. Neem je het me erg kwalijk?’

‘Ik behoor het te doen.’ Bij het licht van het kampvuur keek hij naar haar. ‘Maar ik doe het niet.’

‘Ik verwachtte dat je zo zou reageren,’ zei zij zacht. ‘Ik durfde nauwelijks hopen dat ik iemand als jij zou kunnen vinden. Zie je, ik had een helper nodig, een lijfwacht, iemand met wie ik niet de indruk van een alleen reizende vrouw zou maken. Dat is overal in het verleden veel te opvallend. En ik moest naar het verleden.

Ik vergewiste me ervan dat deze Deense tunnel niet bewaakt werd. Het was de enige die ik durfde gebruiken en die een poort heeft naar deze tijd. En je hebt gezien hoe het toch nog bijna verkeerd met ons was afgelopen.

Maar nu zijn we hier dan. Er bevindt zich een Wachtersbasis op Kreta, waar de oude religie nog sterk is. Maar ongelukkig genoeg kan ik ze niet gewoon oproepen om ons te komen halen. Ook de Gardisten zijn in dit milieu actief — ik heb al gezegd dat het een kritieke periode is — en het is maar al te waarschijnlijk dat zij ons eerder zouden vinden dan onze vrienden. Maar als we eenmaal in Knossos zijn, kunnen we een gewapend escorte krijgen en kan ik via de ene tunnel na de andere naar huis terugkeren. Jou zal ik in je eigen tijd achterlaten.’ Zij haalde haar schouders op. ‘Ik heb een aardig bedrag in dollars in de Verenigde Staten verborgen. Die mag je wel hebben voor je moeite.’

‘Laat maar,’ zei Lockridge kortaf. ‘Hoe komen we in Kreta?’ ‘Over zee. Er bestaan oude handelsbetrekkingen tussen deze streken en het Middellandse zeegebied. De Limfjord is hier dichtbij en het is te verwachten dat er deze zomer een schip komt uit Iberië, dat de godsdienst van de hunebedbouwers aanhangt. Vanuit Iberië gaan we met een ander schip verder. Het hoeft niet meer tijd te kosten en is minder riskant dan de barnsteenroute over land.’

‘Mm-m… oké dat lijkt redelijk. En ik neem aan dat we genoeg metaal bij ons hebben om onze overtocht te betalen. Of niet?’

Storm wierp haar hoofd in de nek. ‘Zelfs als dat niet het geval zou zijn,’ zei zij hooghartig, ‘zullen zij toch niet weigeren om Haar te vervoeren Die zij vereren.’

‘Wat?’ Lockridge's mond viel open. ‘Bedoel je dat je je kunt voordoen als…’

‘Nee,’ zei zij. ‘Ik bén de Godin.’


5

<p>5</p>

Witte ochtendnevels rolden laag over de vochtige aarde. Waterdruppels vielen van de bladeren, schitterden in de lucht en verdwenen tussen struiken en varens. Overal in de bossen kwetterden de vogels. Hoog in de lucht zweefde een arend, het jonge licht lag als goud op zijn vleugels. Lockridge ontwaakte doordat een hand hem heen en weer schudde; hij knipperde met zijn loodzware oogleden. ‘He? Wa…? Nee…’ De voorgaande dag had hem uitgeput, hij was stijf, zijn hoofd was suf, zijn spieren deden pijn. Hij keek in het gezicht van Storm en met moeite bracht hij zich te binnen wie zij was en wat er was gebeurd.

‘Opstaan,’ zei zij. ‘Ik heb het vuur al aangemaakt. Maak jij het ontbijt klaar.’

Pas toen zag hij dat zij naakt was. Met een gesmoorde vloek van verbazing, verrukking en…ontzag — misschien was dat het juiste woord — kwam hij in zijn slaapzak overeind. Hij had nooit geweten dat het menselijk lichaam zo mooi kon zijn.

Maar zijn instinctieve reactie verdween onmiddellijk. Niet alleen omdat zij hem even weinig aandacht schonk als wanneer hij ook een vrouw, of een hond, was geweest. Maar omdat men de Nikè van Samothrace nu eenmaal niet het hof maakt, niet het hof kán maken.

Hij werd trouwens afgeleid door een zwaar gebrul, dat van ver door het woud donderde; een zwerm auerhoenders, zo groot dat de zon erdoor verduisterd werd, vloog verschrikt op. ‘Wat is dat?’ riep hij. ‘Een stier?’

‘Een oeros,’ zei Storm. Het feit dat hij werkelijk in levende lijve en op dit moment hier was, drong zich met geweld aan hem op.

Hij krabbelde uit de slaapzak en huiverde in zijn pyjama. Storm scheen geen hinder te hebben van de kou, hoewel de dauw zwaar in haar haar lag en op haar zijden glinsterde. Is zij een mens? vroeg hij zich af. Na alles wat we hebben doorgemaakt en met alles wat er voor ons ligt, geen spoor van vermoeidheid — bovenmenselijk. Zij zei iets over beïnvloeding van de erfelijkheid. Ze hebben de bovenmenselijke mens geschapen, daar in de verte toekomst. Zij hoefde nauwelijks haar toevlucht tot bedrog te nemen om ginds op Kreta, eeuwen geleden, de cultus van de Labrys, de dubbele bijl, in te voeren. Zijzelf was daarvoor voldoende.

Storm hurkte neer en opende een van de bundels die zij uit de kast hadden meegenomen.

Lockridge maakte van de gelegenheid gebruik om zich achter haar rug aan te kleden. Zij keek om. ‘We hebben kleren van deze tijd nodig,’ zei zij. ‘Onze uitrusting zal toch al genoeg opzien veroorzaken. Neem het andere kostuum.’ Hij kon er niet boos om zijn dat zij hem zo commandeerde, en maakte het pak open. Dat wat er omheen zat, bleek een korte mantel van los geweven wol te zijn, blauw geverfd met een of andere plantaardige kleurstof, met een grote doorn die als sluiting diende. Het voornaamste kledingstuk was een mouwloze tuniek van boombast, die hij over zijn hoofd trok en met een leren band samenbond. Aan zijn voeten deed hij sandalen, als hoofdbedekking was er een band van vogelhuid, die versierd was met een zigzagpatroon. Bovendien was er een halsketting: berenklauwen om en om met schelpen, en een bladvormige dolk van vuursteen, zo fijn bewerkt dat het wel metaal leek. Het heft was met leer omwonden, de schede bestond uit berkebast. Storm nam hem kritisch op. Hij deed hetzelfde bij haar. Vrouwenkleding bestond enkel uit sandalen, een hoofdband, een halsketting van onbewerkte barnsteen, over de schouder een buidel van vossenbont en een korte rok versierd met veren. Maar die details vielen hem nauwelijks op. je kunt ermee door,’ zei zij. ‘Eigenlijk zijn we een anachronisme. We zijn gekleed als welgestelde stamleden van de Tenil Orugaray, het Zeevolk, de oorspronkelijke bewoners. Maar jouw haar is kortgeknipt en je hebt geen baard, en mijn raskenmerken… enfin, het is niet zo erg. We zijn reizigers die in deze streek nieuwe kleren hebben moeten kopen omdat onze oude kleren versleten waren. Dat is heel gebruikelijk. Bovendien hebben deze primitieven weinig oog voor dergelijke ongerijmdheden.’

Zij wees op een doosje dat eveneens in het pak had gezeten. ‘Maak dat open.’ Hij raapte het op, maar zij moest hem voordoen hoe hij erop moest drukken om het deksel te openen. Er lag een doorzichtig bolletje in. ‘Doe dat in je oor,’ zei zij. Zij streek een zwarte haarlok opzij en deed het voor met een soortgelijk voorwerp. Hij herinnerde zich nu het ding dat zij indertijd in haar oor had gedragen en dat hij voor een gehoorapparaat had aangezien.

Toen het op zijn plaats zat, bemerkte hij dat het zijn gehoor niet beïnvloedde, maar het voelde merkwaardig koud aan en er ging een korte prikkeling door zijn hoofdhuid en langs zijn nek.

‘Kun je me verstaan?’ vroeg Storm.

Ja, natuurlijk … ’ maar de woorden bleven hem in de keel steken. Wat hij zei was geen Engels. Het was geen enkele taal die hij kende!

Storm lachte. ‘Ga zorgvuldig met je diaglossa om. Je zult wel bemerken dat ze waardevoller is dan een pistool.’ Lockridge bracht zijn verstand met geweld tot de werkelijkheid en de redelijkheid terug. Wat had zij eigenlijk gezegd? Pistool was een oud, vertrouwd woord en ‘diaglossa’ paste niet in het patroon van de overige woorden. En die andere woorden…Naarmate hij de taal gebruikte, ontdekte hij langzamerhand dat ze een agglutinatief karakter droeg, met een ingewikkelde grammatica en met talrijke subtiele onderscheidingen die aan de beschaafde mens onbekend waren. Er waren bijvoorbeeld zo'n twintig verschillende woorden voor water, al naargelang het bepaalde soort water dat onder bepaalde omstandigheden werd gebruikt. Van de andere kant kon hij begrippen als ‘massa', ‘regering’ of ‘monotheïsme’ er niet in uitdrukken, althans niet zonder de meest omslachtige omschrijvingen te gebruiken. In de dagen die volgden, drong het maar langzaam tot hem door hoezeer begrippen als ‘oorzaak', ‘tijd', ‘persoon’ en ‘dood’ van de zijne verschilden.

‘Dat is een moleculair vertaalapparaat,’ zei Storm in het Engels. ‘Het bevat de belangrijkste talen en de fundamentele gebruiken van een bepaald tijdperk en van een bepaald gebied, in dit geval Noord-Europa van wat later Ierland zal heten tot Estland, en bovendien enkele van daarbuiten, bijvoorbeeld Iberië en Kreta. Het ontleent zijn energie aan de lichaamswarmte en coördineert zijn activiteit met de werking van de hersenen. Het komt erop neer dat je, naast je natuurlijke geheugen, over een kunstmatig beschikt.’

‘En zit dat allemaal in dit onnozele dingetje?’ vroeg Lockridge verbijsterd.

Storm trok haar brede, soepele schouders op. ‘Een chromosoom is nog kleiner en bevat meer informatie. Maak maar wat eten klaar.’

Lockridge was er doodgewoon blij om dat hij zich aan alledaagse kampeerbezigheden kon wijden. Bovendien waren ze zonder avondmaal gaan slapen. Er zaten ingeblikte levensmiddelen in de pakken; hij kende ze niet, maar eenmaal opgewarmd smaakten ze voortreffelijk. Er was maar voor een paar maaltijden voldoende en Storm beval hem ongeduldig om het overschot weg te gooien. ‘We zullen van de gastvrijheid leven,’ zei zij. ‘Die ene braadpan is zo'n prachtig cadeau, dat het ons een jaar lang levensonderhoud kan bezorgen, zelfs aan het hof van de Farao.’

Lockridge bemerkte dat hij grinnikte. Jazeker, en wat gebeurt er als over vierduizend jaar een of andere archeoloog ze in een hoop keukenafval opgraaft?’

‘Dan zullen ze het als een mystificatie beschouwen en er geen verdere aandacht aan schenken. Maar in de praktijk heeft plaatijzer in dit vochtige klimaat niet zo'n lange levensduur. De tijd is onveranderlijk. Wees nu stil.’ Terwijl Lockridge het ontbijt klaar maakte, zwierf Storm in gedachten verzonken over de bosweide. Het hoge gras ritselde om haar enkels, paardebloemen lagen aan haar voeten als goudstukken voor een veroveraar.

Ofwel bevatte het voedsel een opwekkend middel, ofwel was het de lichaamsbeweging waardoor Lockridge zijn stijfheid kwijt raakte. Toen hij liet vuur uiteen sloeg en de as met aarde bedekte, en toen Storm glimlachend zei: ‘Prachtig, je weet hoe je het land moet verzorgen,’ voelde hij zich in staat om beren te bevechten.

Nadat ze hem had laten zien hoe hij de buis waarmee de tunnel geopend kon worden, moest bedienen, borg ze hem samen met hun twintigste-eeuwse kleding in een holle boom — de pistolen hielden zij echter bij zich. Vervolgens pakten ze hun rugzakken, deden ze om en vertrokken.

‘We gaan naar Avildaro,’ zei Storm. ‘Ik ben er zelf nooit geweest, maar het is een aanleghaven en als er dit jaar geen schip zou komen, kunnen ze ons wel vertellen waar we dan moeten zijn.’

Dank zij het ding in zijn oor wist Lockridge dat ‘Avildaro’ een verkorte vorm was van een nog oudere naam, die Huis van de Zeemoeder betekende; dat Zij aan Wie het dorp was toegewijd, in zekere zin een verschijningsvorm was van de Jageres Die door het woud achter hem zwierf; dat de mensen die er gedurende ontelbare eeuwen hadden gewoond, afstammelingen waren van de rendierjagers die zich hier hadden gevestigd toen de gletsjers zich uit Denemarken terugtrokken, en die zich toen de kudden achter het ijs aan naar Noorwegen en Zweden waren getrokken, voor hun levensonderhoud tot de zee hadden gewend; dat zij zich juist in deze streek enkele generaties terug ook op de landbouw hadden toegelegd, zij het niet in zo sterke mate als de immigranten verder landinwaarts, van wie zij de kunst hadden geleerd — want nog altijd waren zij volgelingen van de Vrouwe met de Natte Lokken, Die het land verzwolgen had waarboven hun bootjes zich nu waagden, en Die ook mensen verzwolg, maar Die niettemin aan degenen die Haar dienden, de glinsterende vis schonk, de mossel, de zeehond en de bruinvis; dat onlangs de wagenrijders van Yüthoaz, die Haar niet kenden, maar offers brachten aan mannelijke goden, de langdurige vrede hadden verstoord. Hij verdrong deze spookachtige herinneringen die niet de zijne waren. Zij maakten hem blind voor de prachtige dag en voor de vrouw naast hem.

De zon stond inmiddels ver boven de horizon, de nevels waren verdampt, een heldere hemel met snelle, witte wolken spande zich boven hen. Aan de rand van het oerwoud keek Storm onderzoekend in het rond. Onder de eiken vormde het struikgewas een bijna ondoordringbare muur. Het duurde even voordat zij het pad naar het noorden had gevonden: flauw zichtbaar, smal, via lichtplekken en groene schaduwen langs de grote stammen kronkelend, meer door herten dan door mensen betreden.

‘Zorg ervoor niets te beschadigen,’ waarschuwde zij. ‘Bossen zijn heilig. Men mag er niet jagen zonder Haar een offer op te dragen, noch een boom vellen alvorens een zoenoffer te brengen.’

Zij betraden echter geen kathedraal van stilte. Overal tierde het leven, wilde rozen en braamstruiken, varens en zwammen, mos en maretak woekerden onder de eiken en bedekten de omgevallen bomen. Mierennesten reikten tot Lockridge's middel, saffraangele vlinders dartelden door de lucht, kobaltblauwe libelles flitsten voorbij, eekhoorns sprongen tussen de takken, waar honderden soorten vogels nestelden. Het bladergewelf weergalmde van hun gezang en gekwetter en vleugelgeklap; verderop hoorden ze korhoenders, een wild varken knorde, een oeros daagde de hele wereld uit. Lockridge voelde hoe zijn geest zich opende en één werd met de wildernis, hij was dronken van de zon en de wind en de geur van de bloemen. O zeker, dacht hij, ik ben buitenman genoeg om te weten dat een dergelijk leven behoorlijk ellendig kan zijn. Maar de moeilijkheden ervan zijn reëe honger, kou, regen, ziekte, geen strijd over allerlei academische kwesties en onbeschaamde belastingformulieren — en ik vraag me af of de voordelen ervan ook niet de enige reële zijn. Als het dit is waar Storm voor opkomt, dan ben ik haar man.

Het eerstvolgende uur bewaarde zij het stilzwijgen en ook hij voelde geen behoefte om te praten. Dat zou zijn aandacht maar hebben afgeleid van de vrouw die met de gang van een panter naast hem liep, van het licht dat blauw-zwart in haar haren lag, malachiet in haar ogen, bruin op haar huid en dat tenslotte verloren ging in de schaduw tussen haar borsten. Op zeker moment schoot hem de mythe van Actaeon te binnen, die Diana naakt had gezien en die veranderd werd in een hert en verscheurd door zijn eigen honden. Wel, dacht hij, tot nu toe ben ik — lichamelijk althans — aan dat lot ontkomen, maar ik zal mijn geluk maar niet te veel op de proef stellen.

Het bos was op dit gedeelte niet breed. Halverwege de morgen bereikten zij de zoom. Naar het noorden en westen strekte het vlakke land zich ver uit, aan de horizon was een glinstering zichtbaar. Een briesje deed het gras golven en suizelde door verspreid staande boomgroepen, licht en schaduw renden met de wolken over het land. Het pad werd breder en drassig en liep met een grote boog om een moeras heen.

Daar bleef Storm plotseling staan. Riet ruiste rond een plas die geheel bedekt was met waterlelies, kikvorsen sprongen in het water om zich voor een ooievaar in veiligheid te brengen. De grote witte vogel schonk de beide mensen geen aandacht en uit zijn nieuwe geheugen diepte Lockridge de wetenschap op dat ooievaars beschermd waren, dat er een taboe op hen lag, dat zij dragers waren van geluk en wedergeboorte.

Een vreemd gevormd rotsblok was als offersteen tot aan de rand van de plas gerold. Ieder jaar wierp de hoofdman vanaf deze steen het mooiste stuk gereedschap dat in Avildaro was gemaakt, in het water als een offergave aan de Vrouwe van de Bijl. Vandaag lag er alleen een krans van goudsbloemen op, die geofferd was door een jong meisje.

Storms aandacht was op iets anders gericht. Haar buikspieren stonden gespannen en haar hand reikte naar het pistool. Lockridge hurkte bij haar neer. In de vochtige grond stonden wielsporen en de afdrukken van onbeslagen hoeven. Misschien twee dagen geleden was er iemand hierlangs gereden en…’

‘Zover zijn zij dus al gekomen,’ mompelde de vrouw. ‘Wie?’ vroeg Lockridge.

‘De Yüthoaz.’ Lockridge was het gebruik van de diaglossa nog niet helemaal meester en hij kon zich alleen maar te binnen brengen dat dit de naam was die de stammen van de Strijdbijl-cultuur in deze streek zichzelf gaven. En de Bijl van de zonaanbiddende indringers was niet de bomen vellende Labrys: het was een tomahawk.

Storm kwam overeind, streek langs haar kin en trok rimpels in haar voorhoofd. ‘We beschikken maar over weinig gegevens,’ klaagde zij. ‘Niemand beschouwde deze post als belangrijk genoeg om een diepgaand onderzoek in te stellen. We weten niet wat er dit jaar hier gaat gebeuren.’

Even later voegde zij er peinzend aan toe: ‘Niettemin hebben de verkenners met zekerheid vastgesteld dat gedurende dit gehele millennium in dit gebied geen energie-apparaten op grote schaal gebruikt zijn. Dat is een van de redenen waarom ik er de voorkeur aan gaf zo ver terug te gaan, en waarom ik de tunnel niet heb verlaten op een later tijdstip waar de Wachters ook opereren. Ik weet dat er hier geen Gardisten komen. Daarom durfde ik de tunnel in het eerste jaar van de poort te verlaten; hij staat over een periode van vijfentwintig jaar open. En — ja, er is nog een ander gegeven, een rapport van een verkenningsgroep uit Ierland, waar de tijdpoorten een eeuw verschil hebben met de Deense — over honderd jaar bestaat Avildaro nog, dan is het zelfs een plaats van betekenis geworden.’ Zij sjorde haar rugzak op en liep verder. ‘We hebben dus weinig te vrezen. We kunnen hoogstens betrokken raken bij een schermutseling tussen twee Steentijdbendes.’

Lockridge paste zijn stap bij de hare aan. Zij liepen een paar kilometer verder door het hoge gras en tussen verspreide bosjes. Afgezien van een enkele reus hier en daar, die gespaard was omdat hij heilig was, waren het hier geen eiken meer, maar essen, olmen, pijnbomen en vooral beuken; deze laatste boomsoort was pas kort begonnen zich over Jutland te verspreiden.

Toen het pad achter een boomgroepje vandaan kwam, zag Lockridge een stukje verder een kudde geiten. Twee jongens, kinderen nog, naakt, gebruind door de zon en met een verschoten blonde haardos, hielden de wacht. Een van hen speelde op een benen fluit, de ander zat met afhangende benen op een tak. Toen zij de reizigers opmerkten, slaakten zij een luide kreet. De eerste jongen holde het pad af, de tweede schoot de boom in en verdween tussen het gebladerte.

Storm knikte. ‘Ja, zij hebben enige reden om bang te zijn. Vroeger was dat anders.’

Lockridge “herinnerde” zich hoe het leven voor de Tenil Orugaray was geweest: vrede, gastvrijheid, perioden van harde arbeid onderbroken door lange perioden van rust, tijdens welke men de kunsten beoefende van barnsteensnijden, muziek en dans, liefde, jacht en doodgewoon nietsdoen; uitsluitend vriendschappelijke wedijver tussen de vissersnederzettingen die langs deze kust verspreid lagen, en waarvan de bewoners trouwens allen nauw verwant waren; alleen handelsbetrekkingen met de landbouwers in het binnenland. Niet dat deze mensen zwakkelingen waren. Zij maakten jacht op de oeros, de beer en de ever, ontgonnen nieuwe grond met aangepunte stokken, sleepten rotsblokken dwars over het land om hun hunebedden te bouwen en de nog grotere, meer moderne ganggraven; zij overleefden de winters, als de westerstormen hen overvielen met hagel en sneeuw en de zee zelf het land binnendrong; met hun boten van huiden achtervolgden zij zeehonden en bruinvissen tot buiten de baai die in dit tijdperk nog open was, en vaak staken zij de Noordzee over naar Engeland en de Nederlanden. Maar voor de komst van de wagenrijders hadden zij nauwelijks geweten wat oorlog was — zelfs moord was praktisch onbekend onder hen.

‘Storm,’ vroeg hij bedachtzaam, ‘heb je de verering van de Godin ingevoerd om de mensen te leren wat vrede is?’ Haar neusvleugels trilden en met iets van verachting zei zij: ‘De Godin is drievoudig: Maagd, Moeder en Koningin van de Dood.’ Lockridge was zo geschokt, dat het vervolg maar vaag tot hem doordrong. Het leven heeft zijn verschrikkelijke zijde. Hoe, denk je, zullen die slappe-thee-en-sociaalwerk-kransjes die jullie “kerken” noemen, dat wat de toekomst voor ze in petto heeft, overleven? Bij de stierendans op Kreta worden degenen die sterven, beschouwd als offers aan de Machten. De hunebedbouwers van Denemarken — niet hier, waar het geloof onder een nog oudere beschaving is doorgedrongen, maar elders — doden en eten elk jaar een mens.’ Zij zag hoe geschokt hij was, glimlachte en klopte hem op de arm. ‘Neem het niet al te zwaar op, Malcolm. Ik moet werken met het menselijke materiaal dat ik vinden kan. Oorlog om wille van waandenkbeelden als macht, buit en eer, is Haar vreemd.’

Hij wist er niets tegen in te brengen, hij kon het alleen maar aanvaarden wanneer zij zich zo tot hem richtte. Maar een half uur lang bleef hij zwijgen.

Tegen die tijd hadden zij de akkers bereikt. Beschut achter doornheggen waren emerkoorn, spelt en gerst juist uitgelopen: een groene mist op de zwarte aarde. Er waren maar enkele bunders in cultuur gebracht — gemeenschappelijk bezit, zoals ook de schapen, geiten en de los in de bossen lopende varkens van de gehele gemeenschap waren (ossen waren daarvan uitgezonderd) — en hoewel men normaal vrouwen had mogen verwachten die aan het wieden waren, was er nu geen enkele te zien. Overigens strekten zich aan weerszijden open weidegronden uit. Voor hen uit spiegelde het heldere oppervlak van de Limfjord. Een bosje onttrok het dorp aan het gezicht, maar rook steeg boven de bomen uit.

Enkele mannen kwamen op een drafje naderbij. Zij waren fors en blond, op dezelfde manier gekleed als Lockridge, zij droegen hun haar gevlochten, hun baard was kortgeknipt. Een paar droegen een van takken gevlochten, met felle kleuren beschilderd schild. Zij waren bewapend met speren met een vuurstenen punt, bogen, dolken en slingers.

Storm bleef staan en hief haar lege handen op. Lockridge volgde haar voorbeeld. Toen de mannen dit gebaar en hun kleding zagen, waren zij duidelijk wat gerustgesteld. Toen zij echter dichterbij kwamen, werden zij onzeker. Zij schuifelden met hun voeten, sloegen hun ogen neer en bleven tenslotte staan.

Zij weten niet precies wie of wat zij is, dacht Lockridge, maar zij heeft altijd iets dat een diepe indruk op de mensen maakt.

‘In iedere naam die Zij draagt,’ zei Storm, ‘wij komen als vrienden.’

De aanvoerder verzamelde zijn moed en kwam naderbij. Het was een zwaargebouwde, vergrijsde man, met een verweerd gezicht en rond de ogen de fijne rimpels die het gevolg zijn van een leven op en aan zee. Aan zijn halsketting hingen een paar walrusslagtanden, om zijn brede pols blonk een koperen armband.

‘Weest dan welkom,’ dreunde zijn stem, ‘in al Haar namen, en in mijn naam, Echegon, wiens moeder Ularu was en die voorzit in de raad.’

Door die woorden gestimuleerd zette Lockridge zich met behulp van zijn nieuwe geheugen aan een deskundige analyse van wat erachter verscholen lag. De genoemde namen waren echt — er werd geen geheim gemaakt van de werkelijke namen uit angst voor magie — en waren door Avildaro's Wijze Vrouw gegeven naar aanleiding van de dromen die de drager van de naam tijdens de inwijdingsriten had gehad. ‘Welkom’ was meer dan een formele beleefdheidsformule: de gast was heilig en mocht alles vragen, behalve deelname aan de bijzondere stamriten. Maar hij hield zijn verzoeken natuurlijk binnen redelijke grenzen, al was het alleen maar omdat hij de volgende keer misschien zelf als gastheer zou moeten optreden.

Met slechts een fractie van zijn aandacht, luisterde Lockridge naar Storms uitleg terwijl de groep zich in de richting van de kust begaf. Zij en haar metgezel waren reizigers uit het zuiden (het verre, exotische Zuiden waar alle wonderen vandaan kwamen — maar waarover de schranderste mannen verrassend goed waren ingelicht) die van hun reisgezelschap waren gescheiden. Zij wensten in Avildaro te verblijven totdat zij overtocht naar huis konden vinden. Als zij eenmaal onderdak hadden, zo liet zij doorschemeren, zouden zij rijke geschenken uitdelen.

De vissers waren nu nog meer gerustgesteld. Indien dit een godin en haar dienaar waren die incognito reisden, dan waren zij in ieder geval van plan zich als normale menselijke wezens te gedragen. Hun verhalen zouden menige avond verlevendigen; van ver in het rond zouden afgunstige bezoekers komen om hen te horen en te zien en vervolgens thuis te vertellen van de belangrijkheid van Avildaro; hun aanwezigheid zou misschien de Yüthoaz, wier verkenners de laatste tijd waren waargenomen, ertoe brengen de omgeving te mijden, Tegen de tijd dat het gezelschap het dorp bereikte, was iedereen luidruchtig en vrolijk.


6

<p>6</p>

Auri, wier naam Bloemenveder betekende, had gezegd: ‘Wil je werkelijk de vogelmoerassen zien? Ik zou je gids kunnen zijn.’

Lockridge had eens over zijn kin gestreken, waar de stoppels al tot een korte baard waren uitgegroeid, en een blik op Echegon geworpen. Hij had niet precies geweten wat te verwachten: een verontwaardigde afwijzing of een toegeeflijk gegrinnik. In werkelijkheid had de hoofdman de gelegenheid met beide handen aangegrepen; de gretigheid waarmee hij zijn dochter op een picknick met zijn gast stuurde, was bijna aandoenlijk geweest. Waarom, was Lockridge niet helemaal duidelijk.

Een uitnodiging om mee te gaan was door Storm afgeslagen, tot Auri's zichtbare opluchting. Het meisje was een beetje bang voor de donkere vrouw die zo uit de hoogte deed en die zo vaak alleen door de bossen zwierf. Storm bekende Lockridge dat zij dit zowel deed om haar manga in de ogen van de stam te versterken, als om vele andere redenen. Maar zij scheen ook hem wat op een afstand te willen houden; in de anderhalve week dat zij nu in Avildaro verbleven, had hij haar maar weinig gezien. Hoewel hij te veel in zijn nieuwe omgeving opging om zich beledigd te voelen, had het hem toch herinnerd aan de brede kloof die er tussen hen bestond. De zon daalde naar de horizon. Lockridge stak zijn peddel in het water en stuurde de kano in de richting van het dorp. Dit was niet een van de grote boten van huiden waarmee de vissers zich buiten de Limfjord waagden. Hij was al eens meegeweest in zo'n boot op zeehondenjacht, een halsbrekende, bloederige onderneming, met een bemanning die joelde en zong en wilde grappen uithaalde te midden van de lange, grijze golven. Hoewel hij zich met de harpoen erg onhandig had getoond, dwong hij hun respect af toen het vilten zeil weer was gehesen; het viel iemand die de veel ingewikkelder takelage van een twintigste-eeuwse wedstrijdzeiler gewend was, niet moeilijk dit bootje te besturen. De kano die ze vandaag gebruikten, was niet meer dan een lichte, uitgeholde boomstam met gevlochten boorden, en de hele uitrusting ervan bestond uit een groene twijg op de boeg om de watergoden gunstig te stemmen.

Roerloos, dicht begroeid met riet, maar krioelend van eenden, ganzen, zwanen, ooievaars en reigers, verdween het moeras achter hen. Lockridge voer langs de zuidelijke oever van de baai, die, met groen bedekt en nu goud gekleurd door het licht van de ondergaande zon, langzaam afliep naar het water. Links van hen strekte zich tot aan de horizon het glinsterende water uit, alleen onderbroken door enkele rondcirkelende meeuwen en nu en dan een opspringende vis. Het was zo stil, dat die verre geluiden bijna even duidelijk overkwamen als het geluid van zijn peddel in het water en van de waterdruppels die eraf vielen. De gemengde geur van aarde en zout, van bos en zeewier drong door in zijn neus. Boven hen spande zich de hemel, wolkeloos, diepblauw en boven het hoofd van Auri die in de boeg zat, donkerend naar de avond.

Woe-oef! dacht Lockridge. Een mooie dag, maar ik ben blij dat we van die muggen af zijn. Zij had er niet de minste last van… ik denk dat de mensen hier zo vaak gebeten zijn dat ze er immuun voor zijn geworden.

Maar gelukkig plaagde de jeuk hem niet zo heel erg, het enige wat hem zwaar viel, was de onverzadigbare behoefte aan een sigaret. Maar zelfs dat werd enigszins gecompenseerd door de sensatie van het water dat onder zijn peddelslagen tot leven kwam, en door de soepele reactie van zijn spieren. En natuurlijk ook door het feit dat hij zo'n lief meisje tot gezelschap had.

‘Heeft deze dag je genoegen gedaan?’ vroeg zij bedeesd. ‘O, ja,’ zei hij. ‘Dank je wel dat ik met je mee mocht.’

Er verscheen een verbaasde uitdrukking op haar gezicht en hij herinnerde zich dat de Tenil Orugaray evenals de Navajo-indianen alleen voor zeer grote gunsten dankten. De gewone, alledaagse hulpvaardigheid werd als vanzelfsprekend aanvaard. Dankzij de diaglossa kon hij hun taal vloeiend spreken, maar ingewortelde gewoonten werden er niet door onderdrukt.

Een blos overtrok haar gezicht, haar hals en zelfs haar naakte jonge borsten. Zij sloeg haar ogen neer en fluisterde: ‘Nee, ik moet jou danken.’

Hij liet zijn blik over haar dwalen. De mensen hier telden de levensjaren niet, maar Auri was zo tenger en nog zo aandoenlijk bakvisachtig in haar bewegingen, dat hij haar op hoogstens vijftien jaar schatte. Hij vroeg zich overigens af of zij nog maagd was. Andere meisjes, getrouwd of niet, genoten zelfs op jongere leeftijd een soort Samoaanse vrijheid. Natuurlijk kwam het zelfs niet bij hem op zijn positie hier in gevaar te brengen door het enige in leven gebleven meisje in het huis van zijn gastheer te verleiden. Nog belangrijker was zijn eer — en, zonder twijfel, zijn natuurlijke remmingen. Hij had al avances afgewezen van meisjes die naar zijn gevoel te jong waren; zij hadden genoeg oudere zusters. Auri's onschuld was als de geur van de pagedoorn die achter haar woning bloeide.

Hij moest evenwel toegeven dat hij een klein beetje in verzoeking werd gebracht. Zij zag er lief uit: grote blauwe ogen, een wipneus vol sproeten, een zachte mond, loshangend meisjeshaar dat in vlasblonde golven onder een krans van sleutelbloemen uit over haar rug viel. En de manier waarop zij in het dorp rond hem heen hing, bracht hem werkelijk in verlegenheid. En toch.

‘Er is niets waarvoor je mij hoeft te danken, Auri,’ zei Lockridge. ‘Jij en je familieleden hebben mij meer vriendelijkheid betoond dan ik verdien.’

‘Er is heel veel!’ protesteerde zij. ‘Jij brengt me geluk.’ ‘Hoe dan? Ik heb niets gedaan.’

Zij draaide haar vingers ineen en keek in haar schoot. Het viel haar zo moeilijk om uitleg te geven, dat hij wenste dat hij niets had gevraagd, maar hij wist niets te bedenken om haar ervan af te houden.

Het was een simpel verhaal. Bij de Tenil Orugaray gold een meisje als heilig en onschendbaar. Maar als zijzelf voelde dat de tijd gekomen was, wees zij een man aan die haar tijdens het zaaifeest in de lente moest inwijden; dat was een tedere en ontzagwekkende handeling. Auri's uitverkorene was enkele dagen voor het grote ogenblik op zee verdronken. Het was duidelijk dat de goden vertoornd waren en de Wijze Vrouw had beslist dat zij gereinigd moest worden en bovendien alleen moest blijven totdat de vloek op een of andere manier zou worden weggenomen. Sindsdien was meer dan een jaar verlopen.

Voor haar vader was dit een zaak van groot belang (of tenminste, voor het hoofd van het gezin waartoe zij behoorde; in deze beschaving was het vaderschap een volkomen onzekere zaak) — en omdat hij hoofdman was, tevens voor de gehele stam. Hoewel alleen de vrouwen die grootmoeder waren, lid waren van de stamraad, waren de seksen overigens gelijkberechtigd en de afstamming liep langs de vrouwelijke lijn. Wat zou er met de erfopvolging gebeuren als Auri kinderloos stierf? Wat haarzelf betrof, het was niet zo dat men haar meed, maar toch was het een verdrietig jaar geweest omdat zij bijna overal buiten stond.

De komst van de vreemdelingen met hun ongehoorde wondere zaken, waarvan zij er sommige ten geschenk hadden gegeven, leek een teken te zijn. In het duister van haar hut wierp de Wijze Vrouw de beukespaanders en zij deelde Echegon mee dat dit inderdaad het geval was. Grote en onbekende Machten hielden verblijf in De Storm en in haar (Haar?) dienaar Malcolm. Door hun gunst aan Echelons huis te schenken hadden zij de vloek weggenomen. En vandaag, toen Malcolm zelf zich had verwaardigd om Auri op het altijd verraderlijke water te vergezellen…’

‘Kun je niet blijven?’ pleitte zij. ‘Indien je mij de komende lente eer zou willen bewijzen, dan zou ik meer dan een vrouw zijn. De vloek die op mij rust, zou in een zegen verkeren.’

Zijn wangen gloeiden. ‘Het spijt me,’ zei hij zo vriendelijk mogelijk. ‘Wij kunnen niet wachten, wij moeten met het eerste schip vertrekken.’

Zij boog haar hoofd en zoog haar lip tussen haar witte tanden.

‘Maar ik zal er vast voor zorgen dat het verbod opgeheven wordt,’ beloofde hij. ‘Morgen zal ik overleg plegen met de Wijze Vrouw. Zij en ik kunnen samen ongetwijfeld een uitweg vinden.’

Auri streek enkele tranen weg en glimlachte hem onzeker toe. ‘Dank je. En toch zou ik willen dat je blijven kon — of dat je in de lente terugkeerde. Maar als je mij mijn leven zou terugschenken…’ Zij slikte. ‘Er zijn geen woorden om je daarvoor te danken.’

Hoe eenvoudig was het om een god te worden.

In een poging om haar op haar gemak te stellen, bracht hij het gesprek op alledaagse dingen. Zij was zo verrast dat hij belangstelling toonde voor zaken als pottenbakken, wat vrouwenwerk was, dat zij haar eigen zorgen helemaal vergat, vooral omdat zij de naam had heel handig te zijn in de vormgeving van het mooie aardewerk dat hij zo bewonderde. Van het een kwam zij op het ander. Zij vertelde hem over het barnsteen rapen: ‘Als we er na een storm op uit trekken,’ zei zij ademloos en met glinsterende ogen, ‘met het hele volk, en naar de duinen gaan om te verzamelen wat op het strand is aangespoeld… nou, dan is het zo'n vrolijke tijd!… dan bakken we vis en mosselen! Waarom laat je niet een storm opsteken nu je hier bent, Malcolm, zodat je ook ervan kunt genieten? Ik zal je een plek wijzen waar de meeuwen uit je hand komen eten, en dan gaan we in de branding zwemmen om drijvende brokken op te vissen, en… en…’

‘Ik vrees dat ik het weer niet in mijn macht heb,’ zei hij. ‘Ik ben maar een mens, Auri. Ik beschik weliswaar over bepaalde krachten, maar zo groot zijn die nu ook weer niet.’ ‘Ik geloof dat jij alles kunt.’

‘Eh…hmm, over dat barnsteen gesproken. Jullie verzamelen het hoofdzakelijk om handel te drijven, niet?’

Het blonde kopje knikte bevestigend. ‘De mensen in het binnenland willen het hebben, en het volk aan de overzijde van de westelijke zee, en het Schepenvolk uit het Zuiden.’ ‘Verhandelen jullie ook vuursteen?’ Hij kende het antwoord, want hij had uren doorgebracht met een meester in het handwerk gade te slaan: splinters en vonken spatten van zijn stenen aambeeld en tegen zijn leren voorschoot, en te midden van zwavelstank en dof galmende slagen ontstond onder de eeltige handen van de oude man een kunstvoorwerp. Lockridge wenste het gesprek evenwel aan de oppervlakte te houden. Het was zo goed om Auri te horen lachen.

‘Ja, we verkopen ook gereedschappen, maar alleen in het binnenland,’ vertelde zij. ‘Als het schip niet in Avildaro aanlegt, maar elders, mag ik dan met je mee om het te zien?’ ‘Eh…zeker, als niemand er bezwaar tegen heeft.’

‘Ik zou het heerlijk vinden om met je mee te gaan naar het Zuiden,’ zei ze weemoedig.

In gedachten zag hij haar op een Kretensische slavenmarkt, of verbaasd en verdwaald in zijn eigen gemechaniseerde wereld. Hij zuchtte. ‘Nee, dat is tot mijn spijt onmogelijk.’ ‘Ik wist het.’ Zij sprak op rustige toon, zonder een spoor van zelfbeklag. In de Jonge Steentijd leerde je vlug genoeg om je bij de realiteit neer te leggen. Zelfs haar lange afzondering onder de toorn der goden had geen invloed gehad op haar vermogen om vrolijk te zijn.

Hij keek naar haar: lenig en gebruind zat zij voor in de kano, één hand overboord in het ruisende water, en hij vroeg zich af wat haar lot zou zijn. De geschiedenis zou de Tenil Orugaray vergeten. Alles wat er van hen zou overblijven, waren enkele voorwerpen die uit het veen zouden worden opgegraven. Lang voor die tijd zou zij tot stof zijn vergaan en als haar kleinkinderen stierven — indien zij tenminste lang genoeg zou leven om kleinkinderen te krijgen, in deze wereld van wilde dieren en nog woestere mensen, stormen, overstromingen, ongeneeslijke ziekten en onbarmhartige goden — zou de laatste herinnering aan haar vriendelijkheid voorgoed uitdoven.

Hij zag de weinige jaren van haar jeugd, wanneer zij sneller ter been was dan een ree en aan de hele lichte zomernacht niet genoeg had om te kussen en gekust te worden; de kinderen die zouden komen en komen en komen, want er stierven er zo velen dat iedere vrouw er zoveel mogelijk ter wereld moest brengen om te voorkomen dat de stam zelf uitstierf. Hij zag de jaren van haar volwassenheid, wanneer zij de geëerde vrouw in het huis van de hoofdman zou zijn, wanneer zij haar zonen en dochters zag opgroeien en haar eigen krachten voelde afnemen. De oude dag, wanneer zij in de raad zou meedelen van de wijsheid die zij had verzameld, terwijl de wereld om haar heen kleiner werd tengevolge van blindheid, doofheid, tandeloosheid, reumatiek, en de enige tijd die haar restte, in het halfvergeten verleden lag. En tenslotte het laatste dat men van haar zou zien; ineengeschrompeld en vreemd, neergelaten in het ganggraf door de opening in het dak, die het symbool was van de geboorte; gedurende enkele jaren nog offers bij het graf en angstige blikken in de nacht, als de wind rond het huis gierde, omdat het misschien haar geest was die terugkeerde; en dan duisternis.

Hij zag haar vierduizend jaar in de toekomst en zesduizend kilometer naar het westen: gebogen over een schoolbank; een eindeloze schoolmeisjestijd vol verveling en nutteloosheid, geprikkeld door oppervlakkige sensaties en gefrustreerd in haar verwachtingen. Een huwelijk met een man, of met een reeks mannen, wier werk erin bestond om dingen te verkopen die niemand wilde hebben of nodig had — een huwelijk ook met een hypotheek en het ijzeren tijdschema van een forens; waar ze, op jaarlijks twee weken van zorgvuldig afgemeten vrijheid na alles moest opofferen om stomme apparaten te kopen en hatelijke belastingen te betalen; waar ze vergif en rook en stof zou inademen; waar ze in een auto zou zitten, aan een bridgetafel, in een schoonheidssalon, voor een televisietoestel; voor zij twintig was, zou haar lichaam zijn jeugd hebben verloren en zouden baar tanden zijn weggerot; zij zou leven in de bakermat van de vrijheid, het sterkste land dat de aarde ooit had gekend in al de eeuwen dat zij zich ontworstelde aan de macht van tirannen en barbaren; leven met de angst voor kanker, hartkwalen, krankzinnigheid en de Bom die tenslotte alles zou vernietigen.

Lockridge zette het visioen van zich af. Hij was onrechtvaardig jegens zijn eigen tijd, wist hij — en ook jegens deze tijd. Op de ene plaats was het leven fysiek moeilijker, op de andere plaats geestelijk, en soms vernietigde het zowel het lichaam als de geest. Op zijn best schonken de goden een klein beetje geluk; de rest was bestaan zonder meer. Alles bijeen genomen geloofde hij niet dat zij hier en nu minder edelmoedig waren dan zij voor hem waren geweest. En dit was nu eenmaal de plaats en de tijd waar Auri thuis hoorde.

‘Je denkt veel,’ zei zij bedeesd.

Hij schrok op en miste een slag. Flonkerende druppels vielen van de peddel, die blonk in het laagvallende licht. ‘Och nee,’ zei hij. ‘Ik was maar wat aan het zwerven.’

Opnieuw had hij een verkeerde uitdrukking gebruikt. De geest die, in gedachten of in een droom, rondzwierf, kon in vreemde werelden binnendringen. Zij wierp hem een eerbiedige blik toe. Een tijd lang werd de stilte alleen verbroken door de geluiden van de kano in het water en door de verre kreten van ganzen. Toen vroeg zij: ‘Mag ik je Lynx noemen?’

Lockridge keek verbaasd op.

‘Ik kan je naam Malcolm niet begrijpen,’ legde zij uit. ‘Daarom bezit hij een magische kracht, die te sterk voor mij is. Maar jij bent als een grote goudkleurige lynx.’

‘Eh, …wel…’ Hoe kinderlijk deze opmerking ook was, toch was hij erdoor ontroerd. ‘Als je het graag wilt. Maar ik geloof niet dat er een mooiere naam bestaat dan Bloemenveder.’

Auri bloosde en wendde haar ogen af. In stilte voeren ze verder.

En het bleef stil. Langzamerhand begon het tot Lockridge door te dringen. Gewoonlijk was er, zo dicht bij het dorp, lawaai genoeg: kinderen die schreeuwden bij hun spel; vissers die bij het naderen van de kust luide kreten slaakten; pratende huisvrouwen, soms het triomfantelijke lied van jagers die een eland hadden bemachtigd. Maar toen hij de kano naar rechts wendde en de smalle kreek tussen de beboste oevers opvoer, vernam hij geen enkele menselijke stem. Hij keek naar Auri. Misschien wist zij wat er aan de hand was. Maar zij zat met het hoofd in de handen naar hem te staren zonder enige aandacht voor de wereld rondom. Hij had de moed niet om iets te zeggen, en zo snel als hij kon dreef hij de kano vooruit.

Avildaro kwam in het gezicht. Tegen de achtergrond van het oude bosje was het niet meer dan een verzameling van rijshout gevlochten hutten, bedekt met graszoden, rond het Lange Huis, waar alle plechtige gebeurtenissen van de stam zich afspeelden en dat met meer zorg was gebouwd van hout en gedroogd veen. De boten waren op het strand getrokken, waar netten op palen hingen te drogen. Op een afstand van enkele honderden meters lag de hoop keukenafval. De Tenil Orugaray hadden de gewoonte van hun voorouders om in de onmiddellijke nabijheid van die belt van mosselschelpen, beenderen en andere resten te leven, opgegeven; zij brachten het afval ernaar toe. Er liepen altijd halftamme varkens naar voedsel te zoeken en de omgeving was met vliegen bedekt. Auri schrok op uit haar trance. Er verschenen rimpels op haar heldere voorhoofd. ‘Maar er is niemand te zien! zei zij. ‘Er moet iemand in het Lange Huis zijn,’ antwoordde Lockridge. Er kronkelde rook uit het afvoergat in het dak. ‘Laten we er maar eens gaan kijken.’ Hij was blij dat hij de Webley bij zich droeg.

Met Auri's hulp trok hij de kano op de oever en legde ze vast. Toen zij het dorp betraden, zocht haar hand de zijne. De schemering daalde over de stoffige paden tussen de hutten en plotseling leek het koud te worden. ‘Wat betekent dit allemaal?’ vroeg zij angstig.

‘Als jij het niet weet…’ Hij stapte sneller door.

Uit het Lange Huis kwam het geroezemoes van talrijke stemmen. Twee jonge mannen stonden buiten op wacht. ‘Daar komen ze aan,’ riep een van hen. Beiden neigden hun speer voor Lockridge.

Samen met Auri ging hij door de deur, die met een dierenhuid was afgesloten. Zijn ogen hadden enige tijd nodig om aan de schemering binnen te wennen; er waren geen vensters en de rook die niet ontsnapte, maakte de atmosfeer benauwd. Het vuur in de haard middenin was heilig en mocht nooit uitgaan. (Zoals aan de meeste primitieve gebruiken lag hieraan een praktische reden ten grondslag. Vóór de uitvinding van de lucifer was het altijd een heel karwei om vuur te maken, en iedereen mocht hier komen om een fakkel aan te steken.) Het vuur was hoog opgestookt, vlammen dansten en knetterden en wierpen grillige schaduwen op de beroete wanden en pilaren, waarop magische symbolen waren uitgesneden. De gehele bevolking verdrong zich in de ruimte: ongeveer vierhonderd mannen, vrouwen en kinderen hurkten op de aarden vloer en praatten gedempt met elkaar.

Echegon en zijn voornaamste raadslieden stonden met Storm bij het vuur. Toen Lockridge haar zag staan, groot en arrogant, vergat hij Auri en liep op haar toe. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij.

‘De Yüthoaz komen,’ zei zij.

Hij had wat tijd nodig om te verwerken wat de diaglossa hem in verband met deze naam te vertellen had. Het Strijdbijlvolk; de naar het noorden opdringende uitloper van de reusachtige, meer cultureel dan raciaal bepaalde golf van Indo-europese krijgers, die zich gedurende de laatste paar eeuwen vanuit Zuid-Rusland hadden verspreid. Elders waren zij voorbestemd om beschavingen omver te werpen: Indië, Kreta, Haïti, Griekenland zouden door hen onder de voet worden gelopen en hun talen, godsdienst en levenswijze zouden heel Europa gestalte geven. Maar in het dun bevolkte Scandinavië hadden zich tot nu toe geen ernstige botsingen voorgedaan tussen de inheemse jagers, vissers en landbouwers en de binnendringende veehoeders, die over strijdwagens beschikten.

Niettemin waren in Avildaro geruchten doorgedrongen over bloedige gevechten in het oosten.

Echegon drukte Auri tegen zich aan en zei: ‘Ik heb niet veel angst om je gehad daar Malcolm je beschermde. Maar toch dank ik Haar dat je teruggekeerd bent.’ Hij wendde zijn krachtige, gebaarde gelaat naar Lockridge. ‘Vandaag,’ zei hij, ‘zijn mannen die in het zuiden jaagden, haastig naar huis teruggekeerd met het bericht dat de Yüthoaz tegen ons optrekken en morgen hier zullen zijn. Het is duidelijk een krijgsbende, uitsluitend gewapende mannen, en Avildaro is het eerste dorp dat zij op hun weg zullen ontmoeten. Wat hebben wij gedaan om hen of de goden te beledigen?’ Lockridge keek Storm aan. ‘Het stuit mij eigenlijk tegen de borst,’ zei hij in het Engels, ‘om met onze wapens tegen die arme duivels op te treden, maar als er niets anders op zit…’ Zij schudde het hoofd. ‘Nee. Men zou kunnen ontdekken dat er energiewapens gebruikt zijn. Of tenminste zou het verhaal tot agenten van de Gardisten kunnen doordringen en hen op ons attent maken. Het lijkt me het beste dat jij en ik elders een toevlucht zoeken.’

‘Wat? Maar…maar …’

‘Denk eraan, zei zij, ‘dat de tijd onveranderlijk is. Aangezien deze plaats over honderd jaar nog bestaat, is het zeer waarschijnlijk dat de bewoners de aanval morgen zullen afslaan.’ Hij slaagde er niet in zich aan haar blik te onttrekken; maar hij voelde ook Auri's ogen op zich gevestigd, en die van Echegon, die van de mannen met wie hij op zeehondenjacht was geweest, die van zijn vriendinnetjes, die van de vuursteenbewerker, die van alle anderen. Hij richtte zich op. ‘Misschien is dat ook niet het geval,’ zei hij. ‘Misschien zijn zij in de toekomst een onderworpen volk, tenzij wij nu blijven. Ik vertrek niet.’

‘Durf je…’ Storm beheerste zich. Even bleef zij roerloos en gespannen staan. Toen glimlachte zij, stak haar hand uit en streek over zijn wang. ‘Ik had het kunnen weten,’ zei zij. ‘Goed, dan blijf ik ook.’


7

<p>7</p>

Zij kwamen opzetten uit het oosten, dwars door de weiden en met het eikenwoud aan hun linkerhand, en de mannen van Avildaro stonden klaar om hun het hoofd te bieden. Alles bijeen telden zij misschien honderd man, tien strijdwagens en de overigen te voet; hun tegenstanders waren even talrijk. Toen hij hen in het felle middaglicht bespeurde, wilde Lockridge aanvankelijk niet geloven dat dit nu de gevreesde mannen van de Strijdbijl waren.

Toen zij naderbij kwamen, bestudeerde hij één van hen, die een typische vertegenwoordiger van zijn volk leek, wat nauwkeuriger. Wat lichaamsbouw betreft, verschilde de krijger niet opvallend van de Tenil Orugaray; hij was wat kleiner en zwaarder gebouwd, zijn bruine haar was in een staart opgebonden, hij had een gaffelbaard, en het gezicht met de puntige neus en de grove trekken deed eerder Centraal Europees dan Russisch aan. Hij droeg een wambuis en een leren rok die tot op de knieën hing en waarin een stamsymbool was ingebrand, een rond schild van runderhuid waarop een swastika was geschilderd, en zijn bewapening bestond uit een vuurstenen dolk en een prachtig bewerkte stenen bijl. Zijn tanden blikkerden bloeddorstig als die van een roofdier.

Hij liep achter een strijdwagen, blijkbaar die van de aanvoerder; de wagen was een lichte, tweewielige constructie van hout en vlechtwerk, getrokken door vier ruigharige paardjes. Deze werden geleid door een jongen, die ongewapend was en alleen gekleed ging in een lendendoek. Achter hem, in de wagen, stond de meester: groter dan de meeste anderen, zwaaiend met een bijl zo groot en zwaar dat het eerder een hellebaard leek; in een rek onder handbereik stonden twee speren. De aanvoerder droeg een helm, een borstharnas en beenplaten van met metaal beslagen leer; een kort bronzen zwaard hing aan zijn zij, een verschoten linnen mantel uit het Zuiden wapperde om zijn schouders en een halsketen van massief goud schitterde onder zijn baardige kin.

Dat waren de Yüthoaz. Toen zij de ongelijkmatige linie van de vissers zagen, vertraagden zij hun pas. Toen blies de voorste wagenrijder op een bisonhoorn, de troep hief een wolfachtige oorlogskreet aan en de paardenhoeven dreunden in galop naderbij. De wagens ratelden, de krijgers drongen schreeuwend op en sloegen met hun bijlen op de schilden. Echegon wierp een vragende blik op Storm en Lockridge. ‘Nu?’ zei hij.

‘Nog even wachten. Laat ze dichterbij komen.’ Storm hield een hand boven haar ogen en tuurde naar de aanstormende Yüthoaz. ‘Er is iets met die man in de achterhoede… de anderen benemen mij het gezicht…’

Lockridge voelde de spanning achter zich: zuchten en gemompel, schuifelende voeten, een doordringende zweetlucht. De mannen die daar op post stonden om hun huis en haard te verdedigen, waren geen lafaards. Maar de vijand was voor de oorlog toegerust en geoefend; en zelfs op hem, die toch tanks in actie had gezien, maakten de snel groter wordende strijdwagens een angstaanjagende indruk.

Hij bracht zijn geweer omhoog. De loop gleed koud en hard langs zijn wang. Met tegenzin had Storm erin toegestemd om vandaag twintigste-eeuwse wapens te gebruiken. Het was niet onmogelijk dat het zien van de bliksems, ook al dienden die voor hun eigen verdediging, de Tenil Orugaray de moed zou ontnemen.

‘Laat mij maar beginnen met schieten,’ zei hij in het Engels. ‘Nog niet!’ Boven het lawaai uit klonk Storms stem zo scherp, dat hij verbaasd even opzij keek. De katachtige ogen waren half dichtgeknepen, haar tanden schitterden, haar hand rustte op het energiepistool dat zij, naar zij had gezegd, niet wilde gebruiken. ‘Ik moet eerst die man zien.’

De wagenrijder hief zijn bijl en zwaaide hem vervolgens weer omlaag. De boogschutters en slingeraars in de achterhoede van de Yüthoaz bleven staan, losten hun projectielen en stenen en pijlen met vuurstenen punt suisden in de richting van het Zeevolk.

‘Schiet!’ brulde Echegon. Zijn aansporing was overbodig. Uit zijn linie steeg een uitdagende kreet op en een verspreid salvo kwam tussen de vijand neer. Op die afstand kon het echter weinig schade aanrichten. Lockridge zag dat een enkel projectiel tegen een schild bonsde, maar de stormloop van de Yüthoaz werd er niet door gebroken. Voor er opnieuw een minuut verstreken was, zouden ze hem bereikt hebben. Duidelijk onderscheidde hij de wijde neusgaten en de witomrande ogen van de voorste paarden, de wapperende manen, de flitsende zwepen, de baardeloze paardengeleider en daarachter de woeste grijns op het baardige gelaat, de opgeheven bijl waarvan het stenen blad als metaal glansde. ‘Naar de duivel ermee!’ schreeuwde hij. ‘Ze zullen weten met wie ze te doen hebben!’

Hij nam de aanvoerder op de korrel en drukte af. Het was bemoedigend om de felle terugslag van het wapen te voelen. De knal ging verloren in het geschreeuw, het dreunen van de hoeven, het piepen van de assen en het geratel van de wagens. Maar zijn doelwit spreidde de armen uit en sloeg tegen de grond. De hellebaard vloog door de lucht. Man en wapen werden door het lange gras aan het gezicht onttrokken.

De mond van de jongen viel open en verschrikt hield hij de paarden in. Opeens drong het tot Lockridge door dat het niet nodig was om mensen te doden; hij keerde zich in een andere richting en legde op het volgende gespan aan. Hij vuurde tweemaal. Eén paard per span was voldoende om een wagen buiten gevecht te stellen. Een steen kletterde tegen de geweerloop. Maar de tweede wagen sloeg over de kop, het tuig raakte in de war, de disselboom brak af, het linkerwiel werd vernield. De overlevende paarden steigerden en hinnikten angstig.

Lockridge zag dat de aanvallers aarzelden. Wanneer nog twee of drie van die strijdwagens tot staan waren gebracht, zouden de Yüthoaz op de vlucht slaan. Hij liep naar voren in het volle zicht van de vijand, te opgewonden om zich om de pijlen te bekommeren, en liet de zon op zijn wapen glinsteren.

De zon zelf trof hem.

Een donderslag daverde in zijn hersenen. Verblind en ontredderd zonk hij weg in inktzwarte duisternis.

Toen hij weer tot bewustzijn kwam, trok een orkaan van pijn door hem heen. Sterren dansten voor zijn ogen. Geschreeuw, gehinnik, gedreun en slagen drongen tot hem door en daar bovenuit hoorde hij de kreet: ‘Voorwaarts, Yüthoaz! Voorwaarts met de Hemelvader!’

De strijdkreet was in een taal die de diaglosse kende, maar het was niet de taal van de Tenil Orugaray.

Op handen en voeten krabbelde hij overeind. Het eerste wat hij zag, was zijn geweer dat half gesmolten op de grond lag. Daardoor was het grootste deel van de energiestraal geabsorbeerd. De patronen in het magazijn waren niet geëxplodeerd en hijzelf was er met een lelijke brandwond op zijn gezicht en borst nog betrekkelijk goed afgekomen. Maar zijn huid brandde. De pijn maakte hem het denken onmogelijk.

Vlakbij hem lag een dode. Van het gezicht was weinig meet over dan verkoold vlees en beenderen. Aan de koperen band om de arm herkende hij Echegon.

Op enkele passen afstand stond Storm. Het energiepistool in haar hand vormde een schild om haar heen. Flitsende regenboogfonteinen van vuur speelden rond haar gestalte. De straal van de vijand ging langs haar heen en maaide drie jonge mannen neer die Lockridge's gezellen op de zeehondenjacht waren geweest.

De Yüthoaz juichten. In een enkele stormloop liepen zij het dorp onder de voet. Lockridge zag een zoon van Echegon — onmiskenbaar, dat gezicht en die onverzettelijkheid —; de jongen stak het benedeneind van zijn speer in de grond alsof de paarden die op hem toestormden, een wild zwijn waren. De geleider deed de paarden uitwijken. De wagen dreunde langs hem heen. De krijger die erin stond, zwaaide zijn bijl met dodelijke precisie. Hersenen spatten in het rond. Echegons zoon viel naast zijn vader. De Yütho brulde van vreugde, hakte aan de andere kant naar iemand die Lockridge niet kon zien, slingerde een speer naar een boogschutter en vloog verder.

Elders sloegen de dorpelingen op de vlucht. Zij verkeerden in paniek en verdwenen huilend in het woud. Daar eindigde de achtervolging. De Yüthoaz, wier beschermgoden de hemel bewoonden, hadden het niet begrepen op de ruisende schemering van de bossen. Zij keerden terug om hun gewonde vijanden af te maken en te scalperen.

Een wagen reed op Storm toe. Achter haar energieschild trilde haar leeuwinnegestalte; in zijn koortsdroom kwam het Lockridge voor alsof hij getuige was van een mythisch tafereel. Hij had zijn Webley nog! Hij tastte ernaar, maar voordat hij het wapen uit de holster had, verloor hij het bewustzijn. Het laatste wat hij zag was de gestalte achter de wagenrijder — geen Yütho — een man zonder baard en met een blanke huid, geweldig groot, in een zwarte mantel met kap, die als een paar vleugels achter hem aanwapperde…

Langzaam keerde Lockridge tot de werkelijkheid terug. Een tijd lang was hij er tevreden mee stil op de grond te liggen en te weten dat hij geen pijn meer had. Stukje bij beetje kwam hem voor de geest wat er was gebeurd. Toen hij een vrouw hoorde gillen, opende hij zijn ogen en schoot overeind.

De zon was onder, maar door de deuropening van de hut waar hij lag, zag hij boven het strand en de bloedrood gekleurde Limfjord, nog lichtende wolken. Het ene vertrek waaruit de hut bestond, was van het armelijke huisraad beroofd en de ingang was versperd door een scherm van takken, dat met riemen aan de deurposten was bevestigd. Buiten stonden twee Yüthoaz op wacht. Een van hen hield het inwendige in het oog; in de hand hield hij een maretak als bescherming tegen toverij. Zijn makker keek jaloers naar een paar krijgers die enkele koeien over het strand dreven. Elders heerste luid tumult, rauwe kreten van mannen, uitbundig gelach, gestamp van paarden en geratel van wielen en het gejammer van de verslagenen.

‘Hoe gaat het, Malcolm?’

Met een ruk wendde Lockridge het hoofd om. Storm Darroway knielde naast hem. In de duistere hut zag hij nauwelijks meer dan een schim, maar hij ving de geur van haar haar op; haar handen bewogen zich zacht over zijn lichaam en in haar stem klonk meer bezorgdheid door dan hij er ooit in had gehoord.

‘Ik leef nog, zou ik zo zeggen.’ Met zijn vingertoppen raakte hij voorzichtig zijn gezicht en zijn borst aan, waarop een of andere vettigheid was gesmeerd. ‘Het doet geen pijn meer. Ik… ik voel me eigenlijk helemaal uitgerust.’

Je had geluk dat Brann anti-shockmiddelen en enzymbalsem bij zich had en besloot je te redden,’ zei Storm. ‘Morgen zijn je brandwonden weer genezen.’ Zij zweeg even en vervolgens, op een toon die bijna die van Auri was, zei zij: ‘Ik heb dus ook geluk.’

Wat gebeurt er daarbuiten?’

‘De Yüthoaz zijn bezig Avildaro te plunderen.’

‘De vrouwen…de kinderen… Nee!’ Lockridge trachtte op te staan.

Zij trok hem omlaag. ‘Spaar je krachten.’

‘Maar die duivels.’

Met iets van haar vroegere scherpte zei zij: ‘Je vriendinnetjes hebben op het moment niet zoveel te lijden. Denk aan de zeden hier.’ En met meer gevoe ‘Maar natuurlijk bewenen zij hun geliefden, die dood zijn of gevlucht…en zij zijn nu slaven. Nee, wacht. Dit is het Amerikaanse Zuiden niet! De slavin van een barbaar leeft niet zoveel anders dan de barbaar zelf. Zij lijdt, ja — onvrijheid, heimwee, het feit dat bij de Indo-Europeanen geen enkele vrouw bejegend wordt met het respect dat zij hier ondervond. Maar bewaar je medelijden voor later. Jij en ik verkeren in grotere moeilijkheden dan je vriendinnetje van gisteren.’

‘M-mm, goed dan.’ Lockridge kalmeerde. ‘Wat is er eigenlijk misgelopen?’

Zij ging tegenover hem op de grond zitten, sloeg haar armen om haar knieën en floot zachtjes tussen haar tanden. ‘Ik ben een slogg geweest,’ zei zij verbitterd. ‘Ik kon me niet indenken dat Brann in deze tijd zou zijn. Hij heeft de aanval op touw gezet, dat is duidelijk.’

Lockridge beluisterde in haar stem de ontzetting en het zelfverwijt. Hij legde zijn hand op haar arm en zei: ‘Je kon dit onmogelijk weten.’

Haar vingers sloten zich om zijn hand. Toen verslapte haar greep weer en somber vervolgde zij: ‘Er is geen excuus voor een Wachter die fouten maakt. Het enige wat telt, is de fout.’ Omdat dit ook het principe was van het legeronderdeel welks uniform hij gedragen had, meende hij plotseling dat hij haar begreep en dat zij elkaar op dit punt verstonden. Hij trok haar naar zich toe zoals hij met zijn zuster zou doen als zij verdriet had; zij legde haar hoofd tegen zijn schouder en klampte zich aan hem vast.

Na een poosje, toen het bijna geheel donker was geworden, maakte zij zich voorzichtig van hem los en fluisterde: ‘Dank je wel.’ Hand in hand bleven zij naast elkaar zitten. Fluisterend en gehaast zei zij: ‘Je moet begrijpen dat er maar weinig mensen aan deze oorlog door de tijd heen deelnemen. Dat kan ook niet anders, gezien de reusachtige krachten waarover een enkele persoon kan beschikken. Brann is… jullie hebben er geen woord voor. Een sleutelfiguur. Ofschoon hij persoonlijk aan de strijd deelneemt omdat er zo weinig bekwame mensen zijn, is hij een bevelvoerder, iemand die wereldomvattende beslissingen neemt, een… koning. Ik ben een even belangrijke buit. En nu heeft hij mij in zijn macht.

Ik weet niet hoe hij heeft vernomen waar en wanneer ik me bevond. Het gaat mijn begrip te boven. Als hij mij niet in jouw eeuw kon vinden, hoe heeft hij mijn spoor dan naar dit vergeten tijdperk kunnen volgen? Het maakt me bang, Malcolm.’ Haar hand, die de zijne omklemde, voelde koud aan. ‘Hoe heeft hij de tijd zelf zo kunnen verdraaien? Hij is alleen hier, maar dat is voldoende. Ik denk dat hij eerder dan wij uit de tunnel onder het hunebed is uitgetreden, het Strijdbijlvolk heeft opgezocht en zich tot hun god heeft gemaakt. Dat zou hem niet zoveel moeite kosten. De immigratie van de Indo-Europeanen — aanbidders van Dyaush Pitar, van de Hemelvader, van de zon, herders, wapensmeden, wagenrijders, krijgers, mensen met vaardige handen en onbegrensde dromen, wier vrouwen slaven zijn en wier kinderen eigendom zonder meer — deze immigratie is helemaal op touw gezet door de Gardisten. Begrijp je? De binnendringers zijn de vernietigers van de oude beschavingen en van het oude geloof; zij zijn de voorvaderen van de mensen die de machine zullen uitvinden. De Yüthoaz behoren Brann toe. Hij hoeft maar onder hen te verschijnen, zoals ik maar in Avildaro of op Kreta hoef te verschijnen, en op hun vage manier weten zij wat hij is, en hij weet hoe hij hen moet gebruiken. Op een of andere wijze is hij erachter gekomen dat wij hier waren. Hij had zijn gehele strijdmacht tegen ons kunnen inzetten. Maar dat zou onze agenten hebben kunnen alarmeren met alle onoverzienbare gevolgen van dien. In plaats daarvan heeft hij de Yüthoaz opgedragen Avildaro aan te vallen en hij beloofde hun dat de zon en de bliksem met hen zouden strijden. Hij heeft woord gehouden.’

‘En nu hij gewonnen heeft’ — Lockridge voelde hoe zij sidderde — ‘zal hij enkelen van zijn mensen ontbieden met alles wat hij verder nodig heeft om mij onderhanden te nemen.’ Lockridge drukte haar vast tegen zich aan. Wanhopig fluisterde zij in zijn oor: ‘Luister. Misschien krijg je een kans om te ontsnappen. Wie weet? Het boek van de tijd is geschreven op het moment dat het heelal explodeerde, maar we hebben de volgende bladzijde nog niet omgeslagen. Brann zal jou als een eenvoudige huurling beschouwen. Misschien ziet hij geen gevaar in jou. Als je kunt — áls je kunt — ga dan door de tunnel naar de toekomst. Probeer herr Jasper Fledelius te vinden, in Viborg, in de herberg “De Gouden Leeuw”, op de vooravond van Allerheiligen in een van de jaren tussen 1521 en 1541. Kun je dat onthouden? Hij is een van de onzen. Als je hem kunt bereiken, misschien… misschien…’

‘Ja. Zeker. Als.’ Lockridge wilde er nu niet verder over praten. Over een paar uur kon zij wel verdere uitleg geven. Nu was zij echter zo alleen. Hij sloeg zijn vrije arm om haar heen en pakte haar bij de schouder. Zij bewoog zich, zodat zijn hand omlaag gleed, en kuste hem op de mond.

‘Ik heb niet lang meer te leven,’ zei zij met verstikte stem. ‘Benut wat mij rest. Troost me, Malcolm.’

In zijn verbijstering kon hij alleen maar denken: Storm, o Storm. Hij beantwoordde haar kus, hij verborg zijn gezicht in haar haren, er bestond niets meer behalve de duisternis en zij.

Een toorts flakkerde tussen de spijlen door. Een speer wenkte, een stem blafte: ‘Kom. Jij, de man. Hij wil je spreken.’


8

<p>8</p>

Brann, de Gardistenaanvoerder, zat alleen in het Lange Huis. Het heilige vuur was uitgegaan, maar op het berevel over het verhoog waarop hij zat, stond een glazen bol die een zacht licht uitstraalde. De krijgers die Lockridge begeleidden, maakten een eerbiedige kniebuiging.

‘God in ons midden,’ zei hun zwaargebouwde, roodharige aanvoerder, ‘we hebben de tovenaar gehaald, zoals gij ons handt opgedragen.’

Brann knikte, ‘Dat is goed. Blijf in een hoek wachten.’

De vier mannen raakten met hun bijl hun voorhoofd aan en trokken zich uit de lichtkring terug. Rode en gele vonken spatten van hun fakkel, het licht danste over de verweerde gezichten. Een tijdlang heerste er een gespannen stilte.

‘Ga zitten, als je wilt’ zei Brann tenslotte vriendelijk in het Engels, ‘We hebben het een en ander te bespreken, Malcolm Lockridge.’

Hoe wist hij zijn volledige naam?

De Amerikaan bleef staan omdat hij anders naast Brann had moeten plaats nemen, en nam zijn tegenstander nieuwsgierig op. Dit was dus de vijand.

De Gardist had zijn mantel afgelegd. Hij was slank en gespierd, meer dan twee meter lang en gekleed in het nauwsluitende zwarte uniform dat Lockridge zich uit de tunnel herinnerde. Hij had een zeer bleke huid, slank gevormde handen; zijn gezicht was… mooi zou je kunnen zeggen: smal, een rechte neus, koude, volmaakte trekken. Er was geen spoor van baardgroei; het haar was dik en kort geknipt en lag als een zwarte muts om zijn hoofd. Zijn ogen waren staalgrijs.

Hij glimlachte. ‘Goed, blijf dan staan.’ Hij wees op een fles en twee slanke, sierlijke glazen naast hem. ‘Wil je iets drinken? Het is wijn, Bourgogne 2012. Een uitstekend jaar.’ ‘Nee,’ zei Lockridge.

Brann haalde zijn schouders op, schonk zichzelf in en dronk. ‘Het is niet per se mijn bedoeling je kwaad te doen,’ zei hij. ‘Je hebt al genoeg kwaad aangericht,’ brieste Lockridge. ‘Dat valt te betreuren, ongetwijfeld. En toch, als je geleefd hebt met het idee dat de tijd onveranderlijk en onverzoenlijk is — als je veel ergere dingen dan vandaag hebt gezien, steeds weer opnieuw, en zelf hetzelfde risico hebt gelopen — wat schiet je dan op met sentimenteel te doen? En nu we het daar toch over hebben, Lockridge, vandaag heb je een man gedood die een treurende vrouw en kinderen achterlaat.’ ‘Hij had het immers op mijn dood voorzien?’

‘Zeker. Maar hij was niet slecht. Hij deed zijn best om een goede leider te zijn voor zijn familieleden en degenen die van hem afhankelijk waren, zijn vrienden behandelde hij naar eer en geweten en tegen zijn vijanden gebruikte hij niet meer geweld dan strikt noodzakelijk was. Op je weg hierheen ben je door het dorp gekomen. Wees eerlijk. Heb je moord gezien, martelingen, verminkingen, brandstichting? Over het geheel genomen zal deze laatste golf van immigranten in de komende eeuwen betrekkelijk vreedzaam in de plaatselijke bevolking opgaan. Dat handgemeen van vanmiddag was eigenlijk een uitzondering. Veel vaker gebeurt het dat in Noord-Europa — in tegenstelling tot het Zuiden en Oosten — de nieuwkomers zonder meer de heersende klasse gaan vormen, omdat hun levenswijze beter aan de komende bronstijd is aangepast. Zij zijn beweeglijker, hun horizon is ruimer, zij kunnen zich beter verdedigen; de inheemse bevolking zal om die reden hun gebruiken overnemen. Jijzelf, en veel van wat je dierbaar is, bent door hen gevormd.’

‘Woorden,’ zei Lockridge. ‘Het feit ligt er dat jij hen ertoe hebt gebracht ons aan te vallen. Jij hebt mijn vrienden gedood.’

Brann schudde het hoofd. ‘Nee. Dat heeft de Koriach gedaan.’

‘Wie?’

‘Die vrouw. Hoe noemde zij zich tegenover jou?’ Lockridge aarzelde. Maar hij zag niet in wat hij kon winnen met koppig te doen over kleinigheden. ‘Storm Darroway.’ Brann lachte geluidloos. ‘Een naam die bij haar past. Ze gaat altijd met veel zwier te werk. Goed dan, als je wilt, zullen we haar Storm noemen.’ Hij zette zijn glas neer en boog zich naar Lockridge toe. Het lange gezicht nam een strenge uitdrukking aan. ‘Zij heeft deze ellende over de dorpelingen gebracht, namelijk door hier te komen. En zij wist wat zij riskeerde. Geloof je werkelijk dat het haar één jota interesseert wat hun of jou zou kunnen overkomen? Nee, nee, mijn vriend, jullie allemaal waren niet meer dan pionnen in een heel groot en heel oud spel. Zij heeft complete beschavingen geschapen en weer afgedankt als ze in haar kraam niet meer te pas kwamen, met hetzelfde gemak waarmee jij een kapot stuk gereedschap zou weggooien. Wat betekent een handjevol wilden uit de Steentijd voor haar?’

Lockridge balde zijn vuisten. ‘Hou op!’ schreeuwde hij. In de schaduw achter hem sprongen de Yüthoaz grommend overeind. Brann wees hen terug, maar hij hield een hand bij het energiepistool dat aan zijn brede koperkleurige gordel hing. ‘Zij maakt een nogal overweldigende indruk, niet waar?’ mompelde hij. ‘Zij heeft je ongetwijfeld verteld dat haar Wachters het absoluut goede vertegenwoordigen, en wij Gardisten het absoluut kwade. Je hebt toch geen mogelijkheid om dat te weerleggen. Maar denk eens aan, man, wanneer is zo iets ooit waar geweest?’

‘In mijn eigen tijd,’ antwoordde Lockridge vinnig. ‘De nazi's bijvoorbeeld.’ Brann trok zijn wenkbrauwen met zoveel sarcasme op, dat hij zich gedwongen voelde er zwakjes aan toe te voegen: ‘Ik wil niet beweren dat de geallieerden heiligen waren. Maar vervloekt, de keuze was toch duidelijk.’ ‘Heb je enig bewijs, afgezien dan van het woord van Storm, dat er in de tijdoorlog een soortgelijke situatie bestaat?’ vroeg Brann.

Lockridge slikte. Het was alsof de nacht met zijn duisternis, vochtigheid en verre, niet thuis te brengen bosgeluiden hem steeds nauwer omringde. Hij voelde zich dodelijk eenzaam en spande zijn spieren tot zijn kaken pijn deden.

‘Luister,’ zei Brann ernstig. ‘Ook ik wil niet beweren dat wij Gardisten voorbeelden zijn van deugdzaamheid. De oorlog die wij voeren, is even meedogenloos als alle andere, het is een oorlog tussen ideologieën en beide partijen trachten het verleden te scheppen waaruit zij zijn voortgekomen. Ik verzoek je evenwel het volgende eens te overwegen. Is de wetenschap, die de mens voorbij de maan zendt, die hem bevrijdt van zware arbeid en hongersnood, die een kind beschermt tegen de verstikkingsdood door difterie — is die slecht? Is de constitutie van de Verenigde Staten slecht? Is het verkeerd dat de mens zijn verstand gebruikt, het enige dat hem meer doet zijn dan een dier, en dat hij het dier in zich aan banden legt? En indien dit alles niet slecht is, waar komt het dan vandaan? Welke levensbeschouwing, welke levenswijze is nodig om dit voort te brengen?

Niet die van de Wachters! Denk je werkelijk dat dit aardgebonden, magische, aan het instinct gekluisterde, orgiastische geloof in de Godin ooit boven zichzelf kan uitstijgen? Zou je willen dat het in de toekomst terugkeerde? Het is gebeurd, weet je, in mijn tijd. En vervolgens, als de slang die in zijn eigen staart bijt, is het teruggegaan naar dit schemerige verleden om de mensen te bedriegen en angst aan te jagen totdat zij voor Haar kruipen. O, zij kunnen gelukkig zijn op hun manier; de invloed van de Godin is verzwakt. Maar wacht maar eens tot je de verschrikking van het echte rijk van de Wachters hebt gezien!

Bedenk eens — één enkel klein archeologisch detail — de inheemsen hier begraven hun doden in gemeenschappelijke graven. Maar de Strijdbijl-cultuur geeft ieder zijn eigen graf. Zegt dat je niets?’

Merkwaardig! Lockridge herinnerde zich vluchtig de verhalen die zijn grootvader hem had verteld over de Indiaanse oorlogen. Hij had altijd sympathie gevoeld voor de Indianen en toch, zou hij hun geschiedenis willen herschrijven als dat mogelijk was?

Hij zette die verontrustende gedachte van zich af, richtte zich op en zei: ‘Ik heb de zijde van Storm Darroway gekozen. Ik ben niet van zins over te lopen.’

‘Of heeft zij jou gekozen?’ antwoordde Brann zacht. ‘Hoe hebben jullie elkaar ontmoet?’

Lockridge was eigenlijk niet van plan geweest een woord daarover los te laten. De hemel mocht weten hoe de vijand van die wetenschap gebruik zou kunnen maken. Maar…nou ja, Brann maakte niet de indruk een schurk te zijn. En als hij het hem naar de zin maakte, misschien zou hij Storm dan beter behandelen. En hoe zouden de details van Lockridge rekrutering trouwens belangrijk kunnen zijn? In enkele zinnen gaf hij een verklaring. Brann stelde enkele vragen en voordat Lockridge precies wist wat er was gebeurd, zat hij naast de Gardist met een glas in de hand en vertelde hij het hele verhaal.

‘Ah, juist,’ knikte Brann. ‘Een merkwaardige zaak. Maar toch wel typisch. Beide partijen maken bij hun operaties gebruik van plaatselijke medewerkers. Dat is een van de praktische redenen voor al dit gemanipuleer met culturen en godsdiensten. Jij lijkt me echter een buitengewoon bekwame vent. Ik zou het op prijs stellen als je mijn bondgenoot was.’

‘Uitgesloten,’ zei Lockridge, met minder felheid dan hij had bedoeld.

Brann keek hem van opzij aan. ‘Nee? Misschien niet. Maar vertel me nog eens, hoe kwam Storm Darroway in jouw tijd aan geld?’

‘Diefstal,’ moest Lockridge erkennen. ‘Zij stelde haar energiepistool zo in, dat het alleen maar verdoofde. Zij had geen andere keuze. Jij voerde oorlog.’

Brann maakte zijn pistool los en speelde ermee. ‘Het zal je misschien interesseren om te weten,’ zei hij losjes ‘dat deze wapens alleen maar gebruikt kunnen worden om te doden.’ Lockridge sprong overeind. Het glas viel uit zijn hand. Het brak niet, maar de wijn vloeide als bloed over de grond.

‘Men kan er echter wel een lijk mee vernietigen,’ zei Brann. Lockridge vuist flitste omhoog, maar hij raakte alleen maar lucht. Brann had zich bliksemsnel opzij gebogen, sprong overeind en richtte zijn pistool op Lockridge. ‘Rustig aan,’ waarschuwde hij.

‘Je liegt,’ hijgde Lockridge. De wereld tolde om hem heen. ‘Op het moment dat ik je kan vertrouwen, zal ik je met alle plezier een pistool geven om het uit te proberen,’ zei Brann. Gebruik intussen je verstand eens. Ik weet zo het een en ander van de twintigste eeuw, niet alleen door deze diaglossa, maar ook uit de maanden die ik er heb doorgebracht toen ik mijn tegenstandster achtervolgde — want ik wist dat zij ontsnapt was. Zoals je zelf hebt gezegd — rustig aan, zei ik! — zoals je zelf hebt gezegd, bezat zij duizenden dollars. Hoeveel toevallige voorbijgangers moet zij wel niet verdoofd hebben om hun portefeuille te plunderen, voordat zij die som bij elkaar had? Zou zo'n golf van berovingen, waarbij de ene persoon na de andere uit een geheimzinnige verdoving ontwaakte, niet de sensatie van het jaar zijn geweest? Ja of nee? Maar je hebt er nooit een woord over gelezen.

Verdwijningen daarentegen zijn heel normaal en als de verdwenene een onbeduidende persoon is, komt het verhaal niet verder dan de achterpagina van de plaatselijke krant… Wacht. Ik beweer niet dat zij haar pistool nooit gebruikt heeft om ‘s nachts in een onbewoond gebouw in te breken en de zaak in brand heeft gestoken om haar sporen uit te wissen; maar het is merkwaardig dat zij je niet heeft verteld dat dat haar werkwijze was. Maar ik tracht je wel te bewijzen dat zij… misschien niet bewust slecht is, maar misschien louter meedogenloos. Uiteindelijk is zij een godin. Wat betekenen stervelingen voor haar die onsterfelijk is?’

Lockridge zoog zijn longen vol met lucht. Een onbedwingbare huivering trok door hem heen, zijn huid was koud, zijn mond droog. Met moeite kon hij uitbrengen: ‘Jij bent gewapend, ik niet. Maar ik ga. Je kunt me niet dwingen nog langer naar je te luisteren.’

‘Nee,’ stemde Brann toe. ‘Het is beter dat je stukje bij beetje de waarheid leert kennen. Je bent een loyaal man. En daarom denk ik dat je nog eens waardevol zult worden, wanneer je eenmaal tot het inzicht bent gekomen welke partij recht heeft op je loyaliteit.’

Met een snauw keerde Lockridge zich om en beende op de deur toe. De Yüthoaz haastten zich om hem de pas af te snijden.

Branns stem klonk hem achterna: ‘Als je het weten wilt: je zult naar ons overlopen. Hoe, denk je, ben ik achter het bestaan van de Wachterstunnel in Amerika gekomen, en hoe wist ik dat Storm naar dit milieu gevlucht was? Hoe denk je, weet ik zelfs je naam? Doordat jij naar mijn tijd en mijn land gekomen bent, Lockridge, en me gewaarschuwd hebt!’ ‘Je liegt!’ schreeuwde hij en vluchtte het huis uit.

Stevige handen grepen hem vast. Geruime tijd stond hij hartgrondig te vloeken.

Toen hij tenslotte weer een beetje tot bedaren was gekomen, keek hij om zich heen alsof hij een grondslag voor zijn wereld zocht. Leeg en stil lag Avildaro om hem heen. De vrouwen en kinderen die niet samen met de ouderen, die de overwinnaars verachtelijk hadden laten gaan, naar de wildernis hadden kunnen vluchten, waren bij de flakkerende kampvuren op de weidegronden bijeen gedreven. Uit die richting klonk ook het droeve loeien van het geroofde vee; verder weg kwaakten de kikvorsen. De met riet en gras bedekte hutten waren zwarte vlekken in de duisternis; ervoor blonk het water, erachter ruiste het bosje onder de stralende sterrenhemel. De lucht was koel en vochtig.

‘Niet zo gemakkelijk, hè, om met een god te praten,’ zei de roodharige aanvoerder niet zonder sympathie.

Lockridge gromde en begaf zich op weg naar de hut waar Storm verbleef. De Yütho hield hem tegen. ‘Halt, tovenaar. De god heeft gezegd dat je haar niet meer mag zien, want dan zouden jullie maar kwaad uitbroeden.’ In zijn opwinding had Lockridge dit bevel niet gehoord. ‘Hij heeft ons ook gezegd dat hij je je tovermacht heeft ontnomen,’ voegde de krijger eraan toe. ‘Waarom zou je je dan niet als een normale man gedragen? We moeten je bewaken, maar we hebben geen kwaad in de zin.’

Storm! dacht Lockridge verdrietig. Maar hij had geen andere keus dan haar alleen te laten in het donker. De toorts in de hand van een jonge man met een opvallend prettig gezicht vol sproeten wierp een onzeker licht op de strijdbijlen die de krijgers gereed hielden.

Hij capituleerde en liep met zijn bewakers mee. De aanvoerder kwam naast hem lopen. ‘Mijn naam is Widucar, zoon van Hronach,’ zei hij gemoedelijk. Met een god als baas voelde hij geen vrees voor de tovenaar. ‘Mijn teken is de wolf. Wie ben jij en vanwaar kom je?’

Lockridge keek in de openhartige, nieuwsgierige blauwe ogen; het was moeilijk een hekel aan deze man te hebben. ‘Noem me maar Malcolm,’ antwoordde hij somber. ‘Ik kom uit Amerika, heel ver aan de overzijde van de zee.’

Widucar trok een gezicht. ‘Een natte weg. Niets voor mij.’ En toch, bedacht Lockridge, zouden tenslotte de Denen — en alle andere Europeanen — de zeeën van de gehele wereld bevaren. Iets van de geest van Kreta en van de Tenil Orugaray zou dus blijven bestaan. In zoverre had Brann dus de waarheid gesproken: het Strijdbijlvolk bestond niet uit duivels, maar uit gewone immigranten. Weliswaar krijgshaftiger dan de stammen die van oudsher dit land bewoonden; meer individualistisch, ondanks het feit dat zij door een ruiteraristocratie werden bestuurd; met een minder gecompliceerde godsdienst en met goden die de wereld regeerden zoals de mannen die hen aanbaden, hun gezin regeerden; maar tevens dappere mannen, mannen van eer en met een zekere ruwe vriendelijkheid. Het was niet hún schuld dat er in het zwart geklede mensen door de tijd waren gekomen om hen voor hun eigen doeleinden te gebruiken.

Alsof hij zijn gedachten kon lezen, vervolgde Widucar: ‘Begrijp me goed. Ik wil geen kwaad woord zeggen van de zee- en bosvolken. Het zijn dappere kerels en’ — hij maakte een teken in de lucht — ‘ik heb eerbied voor de goden die zij aanhangen. We hebben jullie vandaag alleen aangevallen omdat onze god het ons beval. Maar hij zei dat dit dorp onderdak bood aan een heks die hem vijandig gezind was. En nu we hier zijn, zullen we nemen wat ons als beloning toekomt. Wat mijzelf betreft, ik had liever handel gedreven. Mettertijd misschien een vrouw bij hen gehaald. Dat is de moeite waard, vooral als ze uit een voornaam huis komt. Zij erven langs de vrouwelijke lijn, begrijp je, en dat betekent dat ik de bezittingen van haar moeder had kunnen opstrijken. Maar zoals de zaken er nu voorstaan, veronderstel ik dat wij ons weidegebied tot hier zullen uitbreiden nu we het land eenmaal hebben veroverd. Maar we zijn niet talrijk genoeg om voortdurend oorlog te kunnen voeren met de dorpen in deze omgeving, en als we niet tot overeenstemming kunnen komen, pakken we onze buit bij elkaar en gaan we naar huis.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘De hoofdlieden zullen zich daarover beraden.’

Een deel van Lockridge's geest, dat vierduizend jaar in de toekomst thuishoorde, analyseerde het woord voor “hoofdman”. Het betekende niet veel anders dan “patriarch” een man met aanzienlijke bezittingen, die aan het hoofd stond van zijn zonen, van horigen en van eerzuchtige jonge mannen die zich verplicht hadden hem te dienen. In die hoedanigheid was hij ook de aangewezen persoon om de offers aan de goden op te dragen. Een priesterschap was bij hen echter onbekend, evenals de traditie die bij de Tenil Orugaray de status bepaalde van een man nog voor hij geboren was. De godsdienst van de Yüthoaz legde hun bovendien veel minder beperkingen op — er waren veel minder taboes, minder rituele gebruiken, minder angst voor het onbekende. Het was een zuiver geloof in zon, wind, regen, vuur. De meer duistere elementen van het Noordse heidendom zouden pas in een latere periode van de oude chthonische religies worden overgenomen.

Hij schoof die gedachten ter zijde en concentreerde zich bijna verbeten op de taal. Een Indo-Europese taal bestond eigenlijk niet: er was alleen een aantal begrippen, die in spraakkunst en woordenschat hun uitdrukking vonden en die de inheemse taal beïnvloedden (bijvoorbeeld: dochter = dohitar = melker van koeien, terwijl in Avildaro melken mannenwerk was). Minder dan de helft van de woorden die Widucar gebruikte, was afkomstig van de steppen rond de Zwarte Zee. Hijzelf was waarschijnlijk in Polen geboren, of in Duitsland, of…

‘We zijn er,’ zei de Yütho. ‘Het spijt me, maar we moeten je vannacht boeien. Dat is geen manier om een man te behandelen, maar het is een bevel van de god. En zou je niet liever in de open lucht slapen dan in een van die smerige hutten?’ Lockridge hoorde nauwelijks wat hij zei. Met een vloek bleef hij stokstijf staan.

Het kampvuur laaide hoog op, de rook verduisterde de Grote Beer, de dansende vlammen verlichtten Widucars strijdwagen en zijn paarden die gekluisterd liepen te grazen. Een half dozijn mannen lagen om het vuur, de wapens onder handbereik, maar hun ogen stonden slaperig en verzadigd. Een van hen — een jongen van misschien zeventien jaar, met vierkante schouders in zijn leren wambuis en met een oud litteken over zijn met dons bedekte wang — hield een riem vast. Het andere eind ervan was om de pols van Auri gebonden.

‘Bij alle Maruts!’ barstte Widucar los. ‘Wat heeft dat te betekenen?’

Auri zat in wanhoop op de grond gehurkt, maar toen zij Lockridge zag, sprong zij met een kreet op. Haar haren zaten verward, tranen hadden strepen getrokken door het vuil op haar wangen, op haar dij was een paars-rode kneuzing zichtbaar.

De jongen grijnsde. ‘Een tijdje geleden hoorden we iemand rondsluipen. Ik heb haar ontdekt en gevangen. Een schatje, hè?’

‘Lynx!’ jammerde Auri in haar eigen taal. Zij wankelde naar hem toe. De jonge krijger sleurde haar aan de riem achteruit. Zij viel op haar knieën.

‘Lynx, ik was naar het woud ontkomen, maar ik moest terugkomen om te zien of jij…’ Zij kon niet verder spreken.

De afschuwelijke situatie verlamde Lockridge.

‘Zo zo,’ glimlachte Widucar. ‘De goden schijnen je te mogen, Duno.’

‘Ik heb gewacht tot je terugkwam, hoofdman,’ zei de jongen een beetje schijnheilig. ‘Mag ik haar nu meenemen?’ Widucar knikte. Duno kwam overeind, greep Auri bij het haar en dwong haar op te staan. ‘Kom mee, jij,’ zei hij. Zijn halfgeopende mond glinsterde vochtig.

Auri gilde en trachtte zich te bevrijden. Hij gaf haar een daverende oorvijg. ‘Lynx,’ snikte zij: een gruwelijk, schurend geluid, wanhoop die zich in woorden trachtte te uiten.

‘Het mag niet!’

Lockridge brak door zijn verdoving heen. Hij begreep wat zij bedoelde. Totdat de vloek die op haar rustte, was opgeheven, betekende het voor haar de dood en erger dan de dood indien zij met een man zou slapen. Het deed er niet toe dat het bijgeloof was; hoe zou zijn eigen zuster op zoiets reageren? ‘Nee!’ schreeuwde hij.

‘Wat?’ zei Widucar.

‘Ik ken haar.’ Lockridge struikelde over zijn woorden. Hij schudde de aanvoerder bij de schouders. ‘Zij is heilig, onaantastbaar — wie haar schendt, zal vervloekt zijn.’

De mannen rond het vuur, die geamuseerd hadden toegekeken, sprongen overeind en kwamen dreigend naderbij. Widucar keek verstoord. Maar Duno, verhit als hij was, snauwde: ‘Hij liegt!’

‘Ik zweer het bij alles wat je wilt,’ zei Lockridge.

‘Wat is de eed van een tovenaar waard?’ spotte Duno. ‘Als hij bedoelt dat zij maagd is, nou, heeft dat ons ooit schade berokkend? En iets anders kan zij niet zijn. Ze hebben hier geen heilige vrouwen, behalve dan dat ene oude wijf en die heeft in haar jonge jaren heel wat kinderen gehad.’ Widucar ogen gingen van de een naar de ander. Hij plukte aan zijn baard en zei ongerust: ‘Zeker… zeker,… maar ik zou toch het zekere maar voor het onzekere nemen.’

‘Ik ben een vrij man,’ zei Duno scherp. ‘Wat er ook gebeurt, kome op mijn hoofd neer.’ Hij lachte. ‘En ik weet al wat er het eerst zal gebeuren. Kom?’

‘Jij bent de aanvoerder,’ schreeuwde Lockridge woedend tegen Widucar. ‘Verbied het hem!’

De Yütho zuchtte. ‘Dat kan ik niet. Zoals hij zei: hij is een vrij man.’ Hij keek de Amerikaan met een sluwe blik aan. ‘Ik heb mensen gezien die bezeten waren door de angst voor de goden. Jij ziet daar niet naar uit. Misschien begeer je haar voor jezelf?’

Auri haalde haar nagels over het grijnzende gezicht van Duno. Hij pakte haar bij de arm en wrong deze achter haar rug. Zij wankelde voor hem uit.

En haar vader en broer lagen op het veld als voedsel voor de raven… In een flits ging Lockridge tot actie over.


9

<p>9</p>

Widucar stond het dichtst bij hem. Lockridge draaide zich bliksemsnel om en plantte zijn vuist in de maagstreek van de aanvoerder, juist beneden de ribben. Hij kneusde zijn hand op de stevige spieren die de stoot opvingen; de man wankelde echter en sloeg tegen de grond.

De sproetige knaap die de toorts droeg liet deze vallen en hief zijn bijl. Lockridge's marinierstraining was op de situatie berekend. In één stap was hij bij hem. Met de zijkant van zijn hand sloeg hij de jongen tegen de keel. De Yütho kreunde, zakte ineen en bleef stil liggen.

Voordat hij het wapen van zijn tegenstander kon grijpen, voelde Lockridge hoe iemand hem van achteren besprong. In een reflex bracht hij zijn polsen voor zijn keel Een paar armen sloten zich erom heen. Hij voelde de ruige haren, rukte zijn armen zijwaarts en bevrijdde zich uit de wurgende greep. In één enkele beweging draaide hij zich om, plaatste een been achter de enkels van de krijger en duwde. Weer één uitgeschakeld!

De mannen rond het vuur stieten een luid gebrul uit en vielen op hem aan. Lockridge griste de fakkel van de grond. Een vurige streep als de staart van een komeet flitste door de lucht toen hij de fakkel naar de ogen van de voorste man smeet. De aanvaller wankelde terug om te voorkomen dat hij verblind zou worden. Twee anderen vielen in een verwarde hoop armen en benen vloekend over hem heen.

Lockridge sprong over het vuur. Daar stond Duno alleen, met open mond van verbazing. Toen de Amerikaan echter op hem toe kwam, liet hij de riem waarmee Auri gebonden was, los. Hij kon zijn bijl niet snel genoeg bereiken, maar hij griste zijn vuurstenen dolk uit de schede en viel Lockridge met een bovenhandse beweging aan.

Met één pols blokkeerde Lockridge die aanval. Het scherpe lemmet gleed langs zijn onderarm en bloed poot uit de snede. Lockridge merkte het niet. Hij bracht zijn knie omhoog. Duno gilde en wankelde achteruit.

‘Lopen, Auri!’ schreeuwde Lockridge.

Hij had er nog maar twee van de tien buiten gevecht gesteld.

De anderen stormden om het vuur heen op hem af. Tegen zo velen was hij niet opgewassen, maar hij kon in ieder geval tijd proberen te winnen. Hij rende weg. Een speer sloeg naast hem in de grond.

Hij bleef staan, rukte het wapen los en keerde zich naar de aanvallers. Probeer niet met dit ding te steken, dacht hij terwijl zijn slapen bonkten. Zo'n lange rechte stok is beter te gebruiken. Met beide handen hield hij hem in het midden vast en balancerend op zijn tenen wachtte hij af.

De mannen stortten zich op hem. In een razend nummertje stafschermen pareerde hij hun slagen en stoten. De stok kwam krakend op een hoofd neer, brak vingers die een bijl vasthielden, ramde een maagstreek, schoot tussen de benen van de aanvallers en bracht hen ten val, suisde in het rond en trof keer op keer kletsend en bonkend doel. In het nachtelijk duister klonk het geluid van slagen, gekreun en kreten; tanden en ogen blonken op in het licht van het kampvuur. Plotseling en onbegrijpelijk stond Lockridge alleen. Drie Yüthoaz wentelden zich kreunend in het duister aan zijn voeten. De anderen waren er hals over kop vandoor gegaan. Hijgend stonden zij bij het vuur naar hem te loeren. Hij zag dat hun flanken dropen van het zweet.

‘De Maruts mogen jullie halen!’ brulde Widucar. ‘Hij is maar een mens!’ Maar zijn vier volgelingen bleven op een veilige afstand. Zij waagden het zelfs niet een boog te spannen.

De hoofdman was weer op adem gekomen en ging nu alleen tot de aanval over. Lockridge sloeg naar hem met de stok. Met toegeknepen ogen had Widucar daarop gewacht. Hij pareerde met zijn strijdbijl. Het geweld van de slag trok door Lockridge's botten. Zijn verdoofde handen lieten het wapen los. Widucar schopte het buiten zijn bereik, stiet een overwinningskreet uit en stapte naderbij. Op dit moment kwamen van andere kampvuren, waar men het lawaai gehoord had, mannen toegelopen.

Lockridge sprong op de Yütho af. Opnieuw ving hij een neerwaartse slag op. Zijn schouder stootte tegen die van Widucar. Vaag voelde hij een baard over zijn huid schuren. Hij pakte een arm in een houdgreep. Een wrede, korte ruk — de arm brak met een knal als van een pistoolschot — krimpend van pijn wankelde Widucar opzij, huilend tussen opeengeklemde kaken door.

Een grote kerel van een ander kampvuur had Lockridge met opgeheven bijl bijna bereikt. Hij was gekleed in een tuniek. Lockridge zette zich schrap, ontweek de slag en ving de aanvaller op zijn heup op; zijn vingers grepen het ruwe weefsel vast en met een enkele judobeweging liet hij de man door de lucht vliegen. Twee meter verder smakte hij in de struiken. Luide uitroepen van woede en schrik klonken door de nacht. De mannen trokken zich terug, hun schaduwen verdienen in het duister. Lockridge greep Widucars bijl, zwaaide hem boven zijn hoofd en liet een oorlogskreet klinken.

In een flits begreep hij wat er was gebeurd. Ofschoon zij een volledige overwinning hadden behaald, waren de overvallers nog helemaal onder de indruk van de krachten die zij vandaag aan het werk hadden gezien. En nu had één man een zestal tegenstanders in evenveel minuten verslagen. In de duisternis en de verwarring was het hun ontgaan dat hij alleen maar een gevechtstechniek had toegepast die in dit tijdperk nog onbekend was. In hun ogen was hij een losgebroken kobold en zij waren aangegrepen door een panische angst.

Zij vluchtten niet weg, maar zij hielden zich op een afstand, zodat hij hen maar vaag kon onderscheiden. De diaglossa gaf hem in wat hij moest roepen: ‘De eerste die me durft aanraken, vreet ik op!’ In het duister was hun ontzetting als het ware tastbaar. De vereerders van de Hemelvader vreesden nog altijd de aardgoden, ter ere van wie, verder het binnenland in, ieder jaar tijdens de oogst een mens werd opgegeten.

Langzaam draaide Lockridge zich om en liep weg. Zijn rugspieren stonden pijnlijk gespannen in afwachting van een speer, een pijl, een verpletterende bijslag op zijn schedel… maar hij keek niet om. Een mist hing voor zijn ogen en zijn hart sloeg op een misselijk makende manier enkele slagen over.

Een knoestige eik rees voor hem op. De bladeren ruisten. Ergens klonk het zachte gepiep van een nachtzwaluw. Lockridge liep voorbij de boom en verdween in het donker erachter.

Een hand greep zijn arm vast. Hij week achteruit en sloeg. Zijn vuist gleed langs zachte haren. ‘Lynx,’ fluisterde Auri met trillende stem, ‘wacht op me.’

Hij hapte enkele malen naar adem voor hij met droge keel kon antwoorden: ‘Auri, je had je uit de voeten moeten maken!’

‘Dat heb ik gedaan. Ik ben hier blijven wachten om te zien wat er met jou zou gebeuren. Kom.’ Zij drukte zich tegen hem aan en de wereld was niet langer een koortsdroom.

‘Ik ken de weg in het woud,’ zei zij.

‘Dat is goed.’ Alsof er een aantal schroeven werden vastgedraaid, zo voelde hij zijn zelfbeheersing terugkeren. Hij kon nu weer denken. Voorzichtig loerde hij om de boomstam heen: verspreid over de velden zag hij vuren branden, gestalten liepen er langs, af en toe glansden gepolijste stenen of koperen voorwerpen op. Hij hoorde het geluid van zware stemmen, maar de afstand was te groot om woorden te onderscheiden.

‘Zij zullen snel genoeg over hun schrik heen komen,’ zei hij, ‘vooral als Brann hoort wat er is gebeurd, en hen moed inspreekt. De bossen zijn niet zo dicht en ze zullen ons ongetwijfeld zoeken. Kunnen we ons ergens verbergen?’

‘De Vrouwe van de Aarde zal ons helpen,’ zei Auri.

Zij trok hem mee uit de beschutting van de boom en sloop op handen en voeten weg. Slank en lenig als een wezel volgde zij een kronkelend spoor langs de plaatsen waar het gras het hoogst was. Lockridge volgde haar, zij het minder handig. Maar hij had wel eerder op deze manier geslopen, eeuwen geleden, in die nog ongeboren toekomst toen hij een jongen was.

Eenmaal buiten het gezicht van de vijand richtten zij zich op en liepen snel in zuidelijke richting. Geen van beiden zei iets, adem was te kostbaar. Lockridge's pupillen verwijdden zich totdat hij kon zien hoe een briesje het gras deed golven, hoe, onder de hoge sterrenhemel, op de diepzwarte heuveltjes de bosjes zich grauw verhieven. Boven het doffe geluid van hun voetstappen uit hoorde hij een vos blaffen, een haas rennen, kikvorsen kwaken. Naast hem bewoog zich de slanke gestalte van Auri, in het sterrenlicht leken haar haren wit. Toen, vanuit de donkere bosrand vóór hen, huilde een wolf. Alsof het een signaal was, begonnen de bisonhoorns te loeien en hij hoorde de mannen die hem achtervolgden, schreeuwen.

Aan het laatste deel van de vlucht had hij slechts een onduidelijke herinnering. Zonder Auri had hij nooit kunnen ontsnappen. Rennend, nu eens rechts dan weer links zwenkend en dekking zoekend ging zij hem voor door iedere terreininzinking en schaduwpiek die haar Godin hun schonk. Eenmaal lagen zij achter een rotsblok toen zij op nog geen meter afstand mannen langs hoorden lopen; eenmaal waren zij juist in een boom geklommen toen zij onder zich speerpunten voorbij zagen dansen. Toen het woud hen eindelijk had opgenomen, zakte hij in elkaar alsof alle kracht uit zijn botten was gevloeid.

Stukje bij beetje kwam hij weer bij zijn positieven. Eerst zag hij boven zich waar er open plekken tussen de bladeren waren, stukjes van de hemel. Voor het overige was hij in de nacht bijna blind. Varens ruisten en streken met hun ruwe bladeren tegen zijn lichaam, maar de grond was zacht en vochtig en gaf een sterke geur af. Zijn lichaam prikte en bonsde. Auri lag tegen hem aangekropen, hij voelde haar warmte en haar ademhaling en ving de zwakke geur van houtwaren uit haar haren op. Alles verkeerde in diepe rust. Hij dwong zichzelf rechtop te gaan zitten De beweging wekte haar. ‘Zijn we inderdaad ontsnapt?’ fluisterde hij. ‘Ja,’ zei het meisje op een toon alsof het vanzelf sprak. ‘Als ze ons volgen, horen we hen vroeg genoeg door het lawaai dat zij maken —’ in haar stem klonk verachting door voor die lompe heidebewoners — ‘en kunnen we een schuilplaats zoeken.’ Zij omhelsde hem. ‘O Lynx!’

‘Kalm aan.’ Hij maakte zich los uit haar armen en tastte naar de bijl. Opnieuw verbaasde hij zich over de goede afloop. ‘Ik had niet verwacht dat we allebei zouden ontkomen.’ ‘Nee, maar je wist ongetwijfeld wat je deed. Jij kunt alles.’ ‘Eh…’ Lockridge schudde het hoofd en probeerde zijn gedachten te ordenen. Voor het eerst drong het tot hem door wat er eigenlijk was gebeurd. Het was geen weloverwogen plan geweest. De situatie waarin Abri verkeerde, had de woede die zich in hem had opgehoopt, tot uitbarsting gebracht. Daarna was de rest vanzelf gegaan, dank zij zijn militaire training. Tenzij, natuurlijk, het geloof van de Tenil Orugaray, dat een man bezeten kon zijn door de Machten die in deze wildernis verblijf hielden, op waarheid berustte. ‘Waarom ben je teruggekomen?’ vroeg hij.

‘Om jou te zoeken, die de vloek van mij kon wegnemen,’ zei Auri naïef.

Dat was een zinnig antwoord, hoewel het zijn eigendunk wel een deuk bezorgde. Eigenbelang was schijnbaar het motief voor haar handelen geweest. En misschien had zij er zelfs geen al te groot risico mee genomen, te oordelen naar de manier waarop zij naderhand de Yüthoaz het nakijken had gegeven. Het was zuiver pech geweest dat men haar had gehoord en gevangen genomen; en vervolgens was het weer zuiver geluk geweest dat Lockridge terecht kwam bij de groep die haar gevangen had.

Geluk? De tijd kon zich tegen zichzelf keren. Er bestond inderdaad zoiets als een noodlot. Ook al was het misschien blind Lockridge herinnerde zich Branns laatste woorden: ‘Jij bent bij me gekomen… en hebt me gewaarschuwd!’

Een rilling van afschuw trok door hem heen. Nee! knarsetandde hij tegen de nacht. Dat was een leugen!

De beslissing die hij nam, was een uitdaging. Hij luisterde nauwelijks naar Auri; in zijn binnenste groeide een plan en het grimmige bewustzijn van het onontkoombare. Haar woorden drongen evenwel tot hem door: ‘Velen uit Avildaro zijn naar het woud ontkomen. Ik weet waar sommigen van hen zich verborgen hebben, degenen die ik verliet om jou te zoeken. We kunnen naar hen toe gaan en vervolgens naar een ander dorp van de Tenil Orugaray.’

Lockridge vermande zich. ‘Jij gaat daarheen,’ zei hij. ‘Maar ik moet naar elders vertrekken.’

‘Wat? Waarheen? Onder de zee?’

‘Nee, een land. En nu meteen, voordat Brann eraan denkt zijn mannen erheen te sturen. Een verlaten hunebed, een halve morgen lopen naar het zuiden. Ken je het?’

Auri huiverde. ‘Ja.’ Haar stem daalde: ‘Het Huis van de Oude Doden. Vroeger woonden de Tenil Vaskulan op die plaats en zij begroeven er de groten van hun stam; nu zijn er alleen maar geesten. Moet je er werkelijk heen? En na zonsondergang?’

‘Ja. Wees maar niet bang.’

Zij slikte. ‘Nee… niet als jij het zegt.’

‘Kom dan. Wijs me de weg.’

Zij begaven zich op weg, door dicht struikgewas en langs schemerige wildpaadjes, hij struikelend en vloekend, zij behendig en snel als een bosnimf. ‘Zie je,’ legde hij uit, toen ze even stilstonden om uit te rusten, ‘mijn… eh… mijn vriendin, De Storm, is nog in handen van Brann. Ik moet proberen hulp te halen om haar te bevrijden.’

‘Die heks?’ Hij hoorde haar verwarde lokken ritselen toen Auri het hoofd in de nek gooide; zij snoof minachtend en hij moest er zowaar om grinniken. ‘Kan zij niet voor zichzelf zorgen?’

‘Nou ja, de hulptroep zou ook de Yüthoaz kunnen verdrijven.’

‘Dus je komt terug!’ riep zij opgelucht uit. Eigenlijk was dat helemaal egoïstisch, dacht hij. En was haar terugkeer naar Avildaro alleen maar egoïsme geweest? Hij voelde zich niet op zijn gemak.

Veel meer werd er niet gezegd Het kostte te veel moeite om vooruit te komen. De uren gingen langzaam voorbij; de nacht, die maar kort duurde nu de midzomer voor de deur stond, liep ten einde. De sterren verbleekten, tussen de bomen drong een grijs licht door, de eerste vogels begonnen zacht en zuiver te kwetteren. Lockridge meende het pad te herkennen dat hij samen met Storm had gevolgd. Het was niet ver meer.

Auri verstijfde. Haar ogen, die in het smalle, vaag zichtbare gezichtje opglansden werden groot. ‘Stil!’ fluisterde zij. ‘Wat is er?’ Lockridge omklemde de bijl tot zijn hand pijn deed.

‘Hoor je het niet,’

Hij hoorde niets.’ Zij sloop verder, draaide haar hoofd naar alle kanten en boog de takken met de grootste behoedzaamheid uit elkaar. Weldra drong het geluid ook tot hem door: een gekraak in het struikgewas, ver achter hen, maar voortdurend dichterbij komend.

Zijn keel werd dichtgeknepen. ‘Dieren?’ hoopte hij tegen beter weten in.

‘Mensen,’ zei Auri. ‘Ze komen onze richting uit.’

Brann had dus een patrouille uitgestuurd om de tijdpoort te bewaken. Als de Yüthoaz even goede woudlopers geweest waren als dit meisje, waren zij er al geweest om hem op te wachten. Zoals de zaken er nu voor stonden, had hij nog een kans.

‘Snel!’ beval hij. ‘Het geeft niet als we lawaai maken, als we maar eerder bij het hunebed zijn dan zij.’

Auri begon te rennen. Hij draafde achter haar aan. In de mistige schemering struikelde hij over een boomstam en belandde in een groepje jonge boompjes. Zijn kleren raakten verward in de takken en de bomen protesteerden met luid gekraak Uit het moeras achter hen stegen kreten op.

‘Zij hebben ons gehoord,’ waarschuwde Auri. ‘Vlug!’

Zij vluchtten verder langs het pad. Traag als in een nachtmerrie kropen de bomen voorbij. En het licht werd sterker. Toen zij de bosweide bereikten lag deze onder de roze hemel te glinsteren van de dauw. Voor hen rees het heuveltje op. Buiten adem en met pijn in de zij rende Lockridge naar de holle boom waar Storm het apparaat waarmee de toegang tot de tunnel geopend kon worden, had verborgen.

Hij tastte in de stam. Auri gilde. Lockridge haalde de metalen buis te voorschijn en keek om zich heen Een twintigtal krijgers verschenen aan de rand van de bosweide.

Zij juichten toen zij hem zagen, en holden voorwaarts. Struikelend klom Lockridge met Auri tegen het heuveltje op, waar hij duidelijk zichtbaar was tussen de lage begroeiing. Een pijl suisde langs zijn oor.

‘Nee, uilskuiken!’ schreeuwde de Yütho-aanvoerder. ‘De god heeft opdracht gegeven hem levend te vangen!’

Lockridge draaide wanhopig aan de knoppen op de buis. Een man brak door de jonge boompjes aan de voet van het heuveltje bleef daar staan en wenkte zijn metgezellen hem te volgen. Lockridge nam met onnatuurlijke scherpte waar: de haarvlechten, de leren rok, het gespierde bovenlijf en de lange strijdbijl — Brann moest deze troep wel moed ingesproken hebben tot ze nergens meer bevreesd voor waren. De buis in zijn hand begon te gloeien en te trillen. Andere Yüthoaz voegden zich bij de eerste en werkten zich door gras en braamstruiken naar voren om aan het gevecht deel te nemen. Lockridge slingerde Widucar bijl in hun richting. De voorste man ontweek hem behendig en brulde van het lachen. Achter hem rumoerden zijn volgelingen.

De aarde kwam in beweging.

Auri gilde zakte door haar knieën en greep Lockridge om het middel. De Yüthoaz stonden als aan de grond genageld. Na een ogenblik vluchtten zij overhaast en luid schreeuwend naar de bosjes beneden. Daar bleven zij staan. Door de takken heen ving Lockridge een glimp van hen op en hij zag hoe zij volkomen in verwarring verkeerden. Hij hoorde hun aanvoerder schreeuwen: ‘De god heeft gezworen dat geen enkele toverkracht ons kan deren! Kom op, lafbekken!’ Het pad omlaag glinsterde wit. De Yüthoaz drongen weer op. Auri mocht hier niet achterblijven. Lockridge greep het meisje bij de pols en slingerde haar naar binnen.

Met de aanvoerder op zijn hielen tuimelde hij in het gat. Hij viel plat op de grond en draaide aan de knoppen. De zwevende kluit aarde zakte omlaag, ontnam hun het zicht op de hemel en gleed sissend op zijn plaats.

De stilte sloot zich om hen heen als de vingers van een hand. Auri barstte los in een gekrijs dat snel tut een hysterische hoogte steeg. Lockridge kwam tot zichzelf en sloeg haar in het gezicht. Verbijsterd bleef zij zitten waar zij zat, en staarde hem aan met ogen die niets menselijks meer hadden. ‘Het spijt me,’ zei Lockridge. En hij meende het werkelijk toen hij op haar wang een rode vlek zag verschijnen. ‘Maar je moet niet in paniek raken. We zijn nu veilig.’

‘W — w — w — w — w —’ Zij hapte naar adem. Zij wierp angstige blikken om zich heen en op de koude, lichtende muren die haar omgaven; zij kroop over de grond en jammerde zachtjes: ‘We zijn in het Huis van de Oude Doden.’

Lockridge schudde haar heen en weer en snauwde: ‘Er is niets om bang voor te zijn. Zij hebben geen macht over mij. Geloof me!’

Hij had niet verwacht dat zij zich zo snel zou weten te beheersen. Gespannen en bevend onderdrukte zij haar snikken; een minuut lang liet zij haar ogen niet van hem af; toen slaagde zij er in haar waanzinnige angst te overwinnen en zij zei: ‘Ik geloof je, Lynx.’

Daarmee wist hij zijn eigen kracht en een eerste begin van waakzaamheid terug te winnen. ‘Het was niet mijn bedoeling je mee te nemen,’ zei hij, ‘maar er zat niets anders op als je niet gevangen genomen wilde worden. Je zult nu vreemde dingen zien, Maar je hoeft er niet bang van te zijn.’ Een spotduiveltje herinnerde hem eraan hoe Storm hem kort tevoren een zelfde raad gegeven had. Was hij er inderdaad zo spoedig toe gekomen om deze spookwereld, waarin men van het ene tijdperk in het andere kon overstappen, als iets normaals te accepteren? De eeuw waar hij thuis hoorde, leek een halfvergeten droom.

Maar dat was ongetwijfeld een gevolg van het gevaar waarin zij zich bevonden. ‘We moeten opschieten,’ zei hij. ‘De Yüthoaz kunnen ons hier niet volgen, maar zij zullen het aan hun meester vertellen, en hij kan het wel. Of misschien stuiten we op… nou ja, dat doet er niet toe.’ Als zij, ongewapende als ze waren, in de tunnel Gardisten zouden ontmoeten, dan was het spelletje uit.

‘Hierheen.’

Zonder een woord te spreken volgde zij hem omlaag naar de voorhal. Haar adem stokte hoorbaar toen zij het regenbooggordijn zag dat de poort afsloot, en als een klein kind hield zij zijn hand stevig vast. Hij rommelde in de kast, maar vond niets anders dan uitrustingen die op dit milieu waren afgestemd. Tijdreizigers werden verondersteld zelf te zorgen voor spullen die in een latere periode thuishoorden. Vervloekt!

Het vereiste afschuwelijk veel inspanning om door de poort te stappen, als je niet wist wat je aan de andere kant te wachtten stond. Maar zover hij kon kijken, was de gang die zich wit en zoemend voor hem uitstrekte, leeg. Hij schepte opgelucht adem en liet zich met knikkende knieën op de zwaartekrachtslede vallen.

Maar ze mochten niet treuzelen. Ieder moment kon iemand door een andere poort de tunnel betreden en hen opmerken. (Maar wat betekende dat eigenlijk, hier in deze tijd die buiten de tijd verstreek? Daar moest hij later nog eens over denken.) Onderzoekend liet hij zijn handen over de bedieninglampjes glijden en nadat hij had ontdekt hoe hij het voertuig moest besturen, zette hij het in beweging naar de toekomst. Auri zat dicht naast hem. Zij hield zich stevig aan de bank vast, maar de paniek was verdwenen en in haar heldere ogen lag zelfs een zekere nieuwsgierigheid. Zij was minder ondersteboven van de vreemde omgeving dan hij indertijd geweest was. Maar dat kwam natuurlijk omdat al deze merkwaardige zaken voor haar even verwonderlijk waren en, in feite, niet geheimzinniger dan regen, wind, geboorte, dood en de kringloop der seizoenen.

‘Maar wat nu?’ piekerde Lockridge hardop. ‘Ik zou naar 1966 kunnen gaan en we zouden kunnen proberen daar zonder meer te verdwijnen. Maar ik geloof niet dat dat zou lukken. Er zijn daar veel te veel van die vervloekte Gardisten en het zou hen verdraaid gemakkelijk vallen iemand op te sporen, vooral omdat ik met jou veel te veel zou opvallen, meisje. En als Storm zelf er daar niet in geslaagd is contact op te nemen met de Wachters, dan kan ík het zeker niet.’ Hij bemerkte dat hij in het Engels had gesproken. Ongetwijfeld hield Auri zijn woorden voor een bezweringsformule.

Wat had Storm hem gezegd?

Op hetzelfde moment voelde hij zich als het ware lijfelijk terug in de hut die hen als gevangenis had gediend; Storm was weer bij hem en hij voelde haar kus op zijn lippen. Enkele seconden lang vergat hij al het andere.

Zijn bezinning keerde terug. Hij was weer opgesloten in de tunnel met zijn verblindende schittering, zijn leegheid en vreemdheid. Storm was ver weg — eeuwen weg. Maar hij kon naar haar terugkeren. En bij de hemel, dat zou hij! Zou hij rechtstreeks naar haar eigen tijd kunnen gaan? Nee. Deze tunnel reikte niet zo ver. Het zou bovendien veel te gevaarlijk zijn. Hoe eerder zij zouden uittreden en in de wereld verdwijnen, hoe beter. Zij had echter gesproken over ene herr Jesper Fledelius, in Viborg ten tijde van de Hervorming. Ja, daar lag zijn beste kans. En daarbij, hij voelde zich nog steeds gedreven door een gevoel van lotsbestemming.

Hij remde de snelheid van de slede af en richtte zijn aandacht op de poortopschriften. Het alfabet kon hij niet lezen, maar de arabische cijfers waren zonder meer herkenbaar. Het was duidelijk genoeg dat de jaartallen vanaf het ‘beneden'-einde van de tunnel opliepen. Als 1827 voor Christus dus overeenkwam met 1175…

Toen de getallen beginnend met 45 — opdoken, bracht hij de slede tot stilstand en zond ze terug naar het vertrekpunt. Auri wachtte rustig af terwijl hij zich ertoe dwong de opstelling te bestuderen en na te denken. Die verduivelde onzekerheidsfactor! Wat hij wilde, was een paar dagen vóór Allerheiligen uit te treden zodat hij Viborg tijdig kon bereiken, maar ook weer niet te lang ervoor, zodat Branns speurhonden geen gelegenheid kregen zijn spoor terug te vinden.

Zo goed hij kon, koos hij een lijn in de groep die overeenkwam met 1535 na Christus. Hij pakte Auri bij de hand en vol vertrouwen volgde zij hem door het gordijn.

Ook hier het grote, stille vertrek en de kast. Maar de kleding die hier was opgeslagen, vertoonde een groot verschil met die uit de Jonge Steentijd. Er stond hun een grote verscheiddunheid van kostuums ter beschikking: boer, edelman, priester, soldaat en vele andere. Hij wist niet welke het beste was. Wat, voor de duivel, was er in het zestiende-eeuwse Denemarken aan de hand geweest? De duivel met recht, als het met de tijdoorlog in verband stond.

Ah, daar was een beurs met goud -, zilver - en kopergeld — Auri slaakte een verraste uitroep toen zij al dat metaal zag — en geld kwam altijd te pas. Maart iemand van eenvoudige afkomst die zoveel geld bij zich had, kon gemakkelijk van diefstal verdacht worden. Daarom koos Lockridge een kostuum uit dat eruit zag als de reiskledij van een welvarend man: onderkleding en een overhemd van linnen, een satijnen vest, een karmozijnen pofbroek, hoge laarzen, een hoed met brede rand, een blauwe, met bont afgezette mantel, een zwaard en een mes (dit laatste zonder twijfel bedoeld als eetgerei) en diverse andere uitrustingsstukken waarvan hij de bedoeling alleen maar kon raden. Natuurlijk diaglossa's, voor hem en voor Auri; en toen schoot het hem te binnen dat er zoveel pruiken waren omdat de mannen in deze tijd het haar lang droegen. Hij zette een blonde op. De pruik leek even heen en weer te bewegen, alsof hij levend was, en voegde zich toen met een stevigheid die een volmaakte illusie van natuurlijkheid wekte, om zijn schedel.

In alle onschuld ontdeed Auri zich voor zijn ogen van haar rok en sieraden en trok vervolgens onhandig de lange grijze japon en de mantel met kap aan die hij voor haar had uitgezocht. ‘De zeevaarders uit het Zuiden kleden zich niet zo vreemd als zij die onder de aarde wonen,’ zei zij.

‘We gaan weer naar boven,’ vertelde Lockridge haar. ‘Het land waar we nu komen, is heel anders. Dit ding, dat ik in je oor heb gedaan, zal je zeggen hoe je moet spreken en je gedragen. Maar het is het beste dat je je zo onopvallend en rustig mogelijk houdt. Volg in alles mijn voorbeeld. We zullen de mensen zeggen dat jij mijn vrouw bent.’

Auri trok rimpels in haar voorhoofd terwijl ze over de betekenis van dat woord nadacht. Haar gevoel voor het vreemde was afgestompt, zij aanvaardde alles zoals het kwam, ofschoon zij zo waakzaam bleef als een vos: een instelling waarop Zen-meesters jaloers mochten zijn. Maar het Deense woord hustru bevatte een wereld van opvattingen over de verhouding tussen de geslachten, die voor de Yüthoaz volkomen normaal zouden zijn, maar die voor haar nieuw waren.

Opeens begon zij te blozen. Haar passiviteit veranderde in vreugde, zij sloeg haar armen om hem heen en riep: ‘Is de vloek dan opgeheven? O Lynx, ik ben van jou!’

‘Ho, zeg! Ho!’ Hij duwde haar van zich weg. Zijn eigen oren gloeiden. ‘Loop niet zo hard van stapel. Het is hier… eh… het is hier geen lente.’

Dat was het inderdaad niet. Toen zij buiten op het heuveltje stonden en de toegang afsloten, was het weer nacht — een koude herfstnacht. Wolkenflarden joegen langs de halve maan, de wind huilde in het dorre gras. Boven hen verhief zich naakt en leeg het hunebed. Het woud waar eens de Godin had gewandeld, was verdwenen; in het noorden zwaaiden alleen enkele knoestige olmen heen en weer; daarachter schemerden bleek de opdringende duinen, die in de toekomst weer zouden worden teruggedreven.

Maar rond het heuveltje hadden akkers gelegen. Hádden. Ploegvoren waren nog vaag zichtbaar tussen het onkruid, op de hoogte in het zuiden stak de bakstenen schoorsteen van een verbrand huisje scherp af tegen de lucht. Oorlogsgeweld was door deze streek getrokken, minder dan een jaar geleden.


10

<p>10</p>

‘Is het Knossos, waarvan men verhaalt, werkelijk zo groot?’ vroeg Auri vol ontzag.

Ondanks zijn vermoeidheid en ongerustheid moest Lockridge erom grijnzen. In zijn ogen was het zestiende-eeuwse Viborg niet groter dan het winkeldorp waar zijn ouders boodschappen plachten te doen. Het zag er echter veel aantrekkelijker uit, vooral na de twee dagen die zij op de heide hadden doorgebracht. Het stelde een behaaglijk onderkomen in het vooruitzicht nu de laatste zonnestralen door de regenwolken braken die als blauwzwarte schepen uitzeilden voor de wind, die zijn mantel deed klapperen en fluitend de winter aankondigde.

Voorbij het meer zag hij achter een eikenbosje (de beuken hadden die koninklijke boom nog niet uit Denemarken verdreven) de warme baksteentinten van een verlaten klooster. Het gras op de stadswallen vlak voor hen had nog iets van zijn groene kleur behouden. Groen was ook de kleur van het mos op de steile rietdaken die hij kon zien. Slank en sierlijk rezen de twee torens van de kathedraal naar de hemel.

‘Ik denk dat Knossos wel wat groter is,’ zei hij.

Zijn glimlach verdween. Drieëndertighonderd jaar, dacht hij, en iedere verwachting die toen zo stralend was opgebloeid, was inmiddels tot stof vergaan en zelfs totaal vergeten. Daarna waren andere verwachtingen ontloken, en weer gestorven, tot op de dag van vandaag…

De diaglossa verschafte fundamentele informatie, maar zweeg over historische gebeurtenissen. Zo was het in Auri's tijd geweest en hij vermoedde dat dat gold voor ieder jaar van het bestaan van de aarde, waarop een tijdpoort uitkwam. Naar de reden daarvan kon hij wel gissen. Gardisten en Wachters wierven ter plaatse hulptroepen aan, maar wie zou trouw kunnen blijven als hij wist welk lot zijn volk beschoren was?

Het waren slechte tijden voor Denemarken. Hij en Auri hadden zich ver van de hoofdwegen gehouden, zij hadden gereisd langs paden die weinig meer waren dan karresporen die door bossen en heide kronkelden. Zij hadden geleefd van de rantsoenen uit de voorraadbundels en op onregelmatige tijdstippen, als ze meer door uitputting dan door de duisternis daartoe werden gedwongen, in de openlucht geslapen, gewikkeld in hun mantels. Maar af en toe hadden zij boerenhoeven en mensen gezien; zij hadden gerust bij putten om te drinken; en hoewel iedere boer die zij ontmoetten, nors, angstig en weinig geneigd tot praten was hadden zij onvermijdelijk toch wel het een en ander opgestoken. Er ging een liedje door het land:

‘De wrede havik in het woud Belaagt de kleine vogels. Van veren en dons berooft hij hen, Hun nesten zijn vernield. De oude adelaar vloog weg, Zijn zonen trokken heen. De vogels zijn nu rechteloos, Geheel ten einde raad…’

Vierhonderd jaar in de toekomst lag het gelukkige land dat Lockridge had gekend. Dat was een schrale troost op deze grauwe, koude avond. Voor hoe lang zou het hem inderdaad kunnen troosten?

‘Kom,’ zei hij. ‘We kunnen beter voortmaken. Bij zonsondergang gaan de poorten dicht.’

Hij ging Auri voor langs de oever van het meer totdat het pad de hoofdweg bereikte. Volgens de jongen die iets van zijn wantrouwen jegens hem had afgelegd en hem zelfs het lied had voorgezongen (het ging over de hoge adel die het gewone volk verdrukte, nu de goede koning Christiaan II gevangen was op het slot te Sönderborg), was het overmorgen Allerheiligen. Lockridge had de tijd voortreffelijk berekend; hij wilde een onderdak zoeken in de stad en zich op de hoogte stellen van de toestand voordat hij op zoek ging naar Jesper Fledelius.

De hoofdweg was al niet veel beter: vuil, modderig en met diepe karresporen. Hij lag volkomen verlaten. Noord-Jutland was na de opstand van vorig jaar, die gebroken was door de kanonnen van Johan Rantzau, nog een naargeestig land. De wind huilde door de kale takken.

Een handvol mannen stond op wacht bij de stadspoort. Het waren Duitse lansknechten in vuile, blauwe uniformen met pofmouwen en borstharnassen. Op hun rug droegen zij een tweehandig zwaard van ongeveer anderhalve meter lengte. Een paar hellebaarden kletterden tegen elkaar en versperden de weg, een derde werd op Lockridge's borst gericht. ‘Halt!’ blafte de aanvoerder. ‘Wer geht da?’

De Amerikaan bevochtigde zijn lippen. De huurlingen zagen er niet indrukwekkend uit. Zij waren meer dan een decimeter kleiner dan hij — de meeste mensen in deze eeuw van ondervoeding waren veel kleiner dan de mensen uit zijn eigen of Auri's tijd — en hun gezicht onder de grote helm was geschonden door de pokken. Maar zij zouden hem zonder enige moeite kunnen doden.

Lockridge had zijn verhaaltje klaar. ‘Ik ben een Engels koopman, ik reis samen met mijn vrouw,’ zei hij in hun eigen taal ‘We hebben aan de westkust schipbreuk geleden.’ Wat hij daarvan had gezien, was zo verlaten geweest, dat hij niet verwachtte dat iemand hem zou kunnen logenstraffen. De diaglossa lichtte hem erover in dat zeerampen niet ongewoon waren. ‘Wij zijn overland hierheen gereisd.’

De sergeant trok een ongelovig gezicht. Zijn mannen werden waakzaam. ‘In deze tijd van het jaar? En zijn jullie de enigen die gered zijn?’

‘Nee, nee, iedereen heeft ongedeerd de kust bereikt,’ zei Lockridge. ‘Het schip zit aan de grond en heeft averij opgelopen, maar het is niet gebroken.’ Hoe verreisd hij er echter ook uitzag, het was duidelijk dat hij niet met zout water in aanraking was geweest. ‘De schipper gaf er de voorkeur aan zijn mannen daar te houden om te voorkomen dat de lading geplunderd zou worden. Maar aangezien ik zaken te doen had in Viborg, die geen uitstel konden lijden, bood ik aan het ongeluk te melden en om hulp te vragen.’ Een hulpexpeditie zou minstens drie dagen nodig hebben om de kust te bereiken en er niets vinden en nog eens drie dagen om terug te keren. Tegen die tijd zou hij al verdwenen zijn. ‘Engels hè?’ De oogjes vernauwden zich. ‘Ik heb nog nooit een Engelsman horen spreken alsof hij in Mecklenburg geboren was.’

Lockridge schold zichzelf voor ezel. Hij had de brokstukken Duits moeten gebruiken die hij zich van school herinnerde, en zich niet door het instrument in zijn oor moeten laten verleiden. ‘Maar ik ben daar geboren,’ zei hij. ‘Mijn vader is er vele jaren lang factoor geweest. Geloof me, ik ben een eerzaam man.’ Hij tastte in zijn beurs, haalde een paar gouden nobelst te voorschijn en liet ze veelbetekenend rinkelen. ‘Kijk, ik kan het me veroorloven eerlijke mannen te vragen op mijn gezondheid te drinken.’

‘Friedrich! Haal de jonker!’ Een van de lansknechten haastte zich weg door het tunnelvormige poortgewelf. De onderkant van zijn speer ratelde over de keien. Lockridge deed enkele passen achteruit. ‘Blijf waar je bent, vreemdeling!’ Scherp staal flitste in zijn richting.

Auri greep Lockridge bij de arm. De sergeant draaide zijn snor op. ‘Dat is geen vrouw van een rijk koopman,’ zei hij onverwacht. ‘Ze heeft even veel in de zon gelopen als de eerste de beste boerendeerne.’ Met de rug van zijn behaarde hand veegde hij zijn neus af en peinzend mompelde hij: ‘Toch heeft zij de houding van een dame. Wie zijn jullie beiden eigenlijk?’

Lockridge bemerkte hoe de angst in Auri's ogen plaats maakte voor iets wat zij niet eerder had gekend: schaamte, vanwege de manier waarop de lansknechten naar haar gluurden. Hij moest zich bedwingen om niet naar zijn pistool te grijpen. ‘Pas op, jullie!’ brieste hij. ‘Anders zal ik jullie laten geselen.’

De sergeant lachte hinnikend. ‘Of ik zal zorgen dat je aan de galg belandt, aan de andere zijde van de stad — spion! De kraaien zullen je verwelkomen. Ze hebben de boeren die wij voor hen hadden opgeknoopt, al lang schoon gepikt.’ Lockridge kreeg het benauwd. Hij had geen moeilijkheden verwacht. Wat was er verkeerd gegaan?

Hij wierp een snelle blik om zich heen, zoekend naar een mogelijkheid om te ontsnappen. Er was er geen. Haakbussen werden in gereedheid gebracht om te schieten, lonten smeulden. Met ijzer beslagen hoeven kletterden in hun richting. De ruiter kwam in het gezicht; hij was half gekleed in wapenrusting en er lag een aanmatigende trek op zijn lang gezicht. Hij was waarschijnlijk een Deens edelman, dacht Lockridge, en de commandant van deze wacht, van deze vreemde bezetting die zijn eigen volk onder de duim moest houden. De Duitsers salueerden onhandig. ‘Dit is jonker Erik Ulfeld,’ kondigde de sergeant aan. ‘Vertel hem je geschiedenis.’ De blonde wenkbrauwen gingen omhoog. ‘Wat heb je te zeggen?’ teemde Ulfeld, eveneens in het Duits.

Lockridge noemde zijn echte naam — waarom ook niet? — en herhaalde zijn verzinsels met wat meer details. Ulfeld streek langs zijn kin Hij was wat men in die tijd gladgeschoren noemde, en gezien de toenmalige scheermessen betekende dat dat zijn hand over een kin als schuurpapier raspte.

‘Heb je bewijzen?’

‘Geen papieren, heer,’ zei Lockridge. Het zweet liep van onder zijn oksels uit en stroomde langs zijn ribben. Onverzettelijk als een berg rees de ruiter voor hem op, afstekend tegen een vliegende wolkenmassa; het zonlicht had een koperkleurige onweerstint aangenomen, die aan alles scherpe contouren verleende, het gehuil van de wind nam toe. ‘Die zijn bij de schipbreuk verloren gegaan.’

‘Ken je dan iemand in Viborg?’ vroeg Ulfeld kortaf.

‘Ja, in herberg De Gouden Leeuw…’ Lockridge's stem stokte. Ulfeld had een hand aan het gevest van zijn zwaard gelegd. Lockridge begreep, en verwenste zijn diaglossa. De vraag was in het Deens gesteld geweest; zonder erbij na te denken had hij in dezelfde taal geantwoord.

‘Een Engelsman die zo goed twee vreemde talen spreekt?’ mompelde Ulfeld. Zijn fletse ogen schoten vuur. ‘Of een man van graaf Christoffel?’

‘Alle duivels, heer!’ flapte de sergeant eruit. ‘Een moordbrander!’

Wapens werden dreigend op Lockridge gericht. Het besef van zijn situatie drong te laat tot hem door. Omdat men over buskruit beschikte en om de aarde was gevaren en omdat dit de tijd van Copernicus was, had hij er niet bij stil gestaan dat deze eeuw in feite nog zo veel verschilde van zijn eigen tijd. Met zijn houten huizen, rieten daken en alleen maar emmers om bluswater aan te voeren, ontkwam praktisch geen enkele stad aan herhaalde verwoesting door brandt. De vrees van deze mensen voor vijandelijke brandstichters was verwant aan de vrees voor atoomraketten die hijzelf had gekend.

‘Nee!’ schreeuwde hij. ‘Luister naar mij! Ik heb in Denemarken en in de Duitse steden gewoond…’

‘Zonder enige twijfel in Lübeck,’ zei Ulfeld sarcastisch. Tussen alle verwarde gedachten door zigzagde er een merkwaardige, nuchtere gedachtengang door Lockridge's geest. Lübeck was een Hanzestad en blijkbaar een bondgenoot van Christoffel, de graaf die op de eilanden nog altijd een verloren oorlog voerde ten gunste van de oude koning; dat had hij tenminste kunnen opmaken uit het verhaal van het arme boerenjongetje. Ulfelds gevolgtrekking lag veel te veel voor de hand.

‘Maar je zei dat een goede burger je beweringen zou kunnen staven,’ vervolgde de Deen. Wie is het?’

‘Ze noemen hem Jesper Fledelius,’ waagde Auri op te merken.

‘Bij de pokken!’ Ulfeld verloor zijn zelfbeheersing. Zijn paard brieste en steigerde, zijn manen wapperden in de wind. De sergeant gaf de lansknechten een wenk, de kring rond de vreemdelingen werd nauwer.

O hemel, kreunde Lockridge inwendig, zaten we nog niet ver genoeg in de ellende? Het was mijn bedoeling om zo mogelijk tijd te winnen, totdat ik erachter kon komen of die naam iets voor hen betekende. Het drong nauwelijks tot hem door toen men hem zijn zwaard en mes ontnam, zelfs ontging het hem hoe hardhandig Auri werd gefouilleerd. Ulfeld trok zijn gezicht weer in een hooghartige plooi. ‘In herberg De Gouden Leeuw, zei je?’

Lockridge kon niet meer terug. ‘Ja, heer. Dat heeft men mij gezegd. Maar misschien is hij er nog niet. Het is jaren geleden dat ik in Denemarken ben geweest. Van wat hier is gebeurd, weet ik weinig af. Ik heb die Jesper trouwens nooit eerder ontmoet. De handelscompagnie waartoe ik behoor, heeft mij alleen zijn naam genoemd omdat hij degene kon zijn die… die ons helpen kon handel te drijven. Als ik een handlanger van de vijand was, heer. zou ik dan zo gekomen zijn?’

‘Als je werkelijk koopman was,’ wierp Ulfeld tegen, ‘zou je dan niet hebben geweten dat je niet zo maar hierheen kon komen om handel te drijven, alsof wij wilde Indianen zijn, zonder wetten die bepalen wie daartoe gerechtigd is?’

‘Hij heeft een gevulde beurs, jonker,’ zei de sergeant schijnheilig. ‘Hij probeerde ons om te kopen om hem door te laten.’ Lockridge verlangde ernaar de man zijn tanden uit de mond te slaan. Het deed hem bijna genoegen toen hij Ulfeld kortaf hoorde antwoorden: ‘Die steekpenningen zouden je duur te staan zijn gekomen.’

De edelman zat even zwijgend in het zadel, terwijl hij met vaste hand het onrustige dier intoomde. Auri week angstig achteruit, het paard was zoveel groter dan de pony's waaraan zij gewend was, en dat men ze kon berijden, was voor haar volkomen nieuw.

Tenslotte kwam Ulfeld tot een besluit. ‘Haal een afdeling soldaten,’ beval hij.

‘Ik zal ook meegaan, heer,’ zei de sergeant.

Ulfeld trok minachtend zijn mondhoeken op. ‘Je mikt zeker een beloning? Er staat inderdaad een prijs op het hoofd van herr Jesper. Maar jij blijft op je post.’

De lansknechten mopperden in hun baard. Dreigend keek Ulfeld de kring rond. De soldaten gingen half en half in de houding staan; er stond immers een galg aan de andere kant van de stad!

‘We gaan naar de herberg,’ zei Ulfeld, ‘en we zullen zien wat er daar te zien valt. En daarna zullen we een paar vragen stellen.’ Peinzend bleef zijn blik op Auri rusten. Zij richtte zich op en keek hem woedend aan. ‘Een deerne uit de Dithmarschen, wed ik. Geen andere mensen van lage geboorte wagen het zich zo hoogmoedig te gedragen. Mijn vader is daar om het leven gekomen, in de dagen van koning Hans, toen ze de sluizen openzetten tegen ons leger. Misschien dat we vanavond…’

Walging klemde Lockridge's keel dicht.

Er daagde nog een handvol voetvolk op. Ulfeld beval hun de gevangenen mee te nemen en reed weg door de poort. Binnen de muren was Viborg heel wat minder aantrekkelijk dan op een afstand. De straten waren ongeplaveid; varkens wroetten in het stinkende vuil, waarboven de keien voor de voetgangers in het midden van de straat maar nauwelijks uitstaken. De schemering viel en er waren nog maar weinig mensen buiten. Lockridge zag een werkman in een kiel, krom gegroeid door een leven lang zwoegen; een dienstmeid met een mand vol brood; een melaatse die, toen hij naderbij kwam, waarschuwend zijn ratel deed horen; een beladen ossenkar met grote houten wielen. Zij verdwenen snel in de toenemende duisternis tussen de hoge puntgevels van de huizen waarvan deuren en luiken al gesloten waren tegen nachtelijke rovers. De eerste regendruppels spatten op zijn wangen.

Plotseling werd boven het gehuil van de wind, het gedreun van de laarzen en het klepperen van de hoeven een hoog en doordringend geluid hoorbaar: klokgelui. ‘O!’ riep Auri uit.

‘De stem van de godin!’

‘Kerkklokken,’ zei Lockridge. Ondanks al zijn wanhoop moest hij toegeven dat ze een prachtige klank hadden; en even mooi was de aanblik van de kathedraal, die in de schemering aan de overzijde van een marktplein oprees… De wind draaide en vulde zijn neus met de stank van een kerkhof.

Een stukje verder hield Ulfeld de teugels in. Een houten uithangbord zwaaide piepend heen en weer. In het gele licht dat door kieren in de deur en de luiken in het groeiende duister naar buiten scheen, kon Lockridge nog juist een ruw geschilderde klimmende leeuw onderscheiden. De soldaten lieten hun speren met een bons op de grond neerkomen. Een van hen haastte zich om de stijgbeugel vast te houden toen de edelman van zijn paard klom. Zijn borstharnas en helm glommen dof in het licht. Met getrokken zwaard wachtte jonker Erik af terwijl een soldaat op de deur bonsde.

‘Doe open, zwijn!’ schreeuwde de Duitser.

De deur knarste op een kier open. Een dik kereltje tuurde naar buiten en zei boos: ‘Aan lieden van jullie slag hebben we in een eerzaam huis geen behoefte… Heer ridder! Ik vraag vergeving!’

Ulfeld schoof hem opzij. Lockridge en Auri werden achter hem aan naar binnen geduwd.

Het vertrek was maar klein. Een twintigste-eeuwer zou, als hij rechtop stond, zijn hoofd gestoten hebben tegen de zwart-berookte balken. De vloer bestond uit aangestampte aarde en was belegd met biezen matten. Op planken langs de muren stonden walmende lampen die een somber licht verspreidden en zware schaduwen wierpen. Een fornuis, opgebouwd uit kleipotten, — in de halzen van die potten kon je je koude handen of voeten steken om ze te warmen — verspreidde een beetje warmte, maar de primitieve schoorsteen liet nog meer rook ontsnappen, zodat Lockridge's ogen begonnen te steken. Er stond nog maar één schragentafel; de anderen waren al opgeklapt voor de nacht. Aan die tafel zat een man met een pul bier.

‘Zijn er nog meer gasten?’ vroeg Ulfeld.

‘Nee, heer.’ Het was onaangenaam te zien hoe de herbergier voor de edelman kroop. ‘We krijgen in deze dagen maar weinig klanten, weet u.’

Ulfeld wenkte de soldaten. ‘Huiszoeking.’ Hij liep op de eenzame gast af, die op zijn bank bleef zitten. ‘Wie ben jij?’ ‘Herr Torben Jensen Sverdrup, van Svendsyssel.’ De zware basstem had een joviale klank, als van een man die veel gedronken had. ‘Vergeef me dat ik niet opsta. Al jaren lang draag ik Zweeds ijzer in mijn been. Zoekt u iemand?’

Ulfeld bekeek hem dreigend. De man was groot, groot voor welke eeuw dan ook, met brede schouders als van een stier boven een indrukwekkende buik. Zijn gezicht werd ontsierd door pokkenlittekens en door een platte neus, maar de ogen stonden helder en opgewekt. Zijn slordige grijze haren en baard vielen op een al even vettig wambuis. ‘Kun je bewijzen wie je bent?’ vroeg Ulfeld.

‘O zeker, zeker. Ik ben hier voor wettige zaken. Ik probeer de vleeshandel weer op gang te krijgen, nu ze terug is waar ze hoort: in welgeboren handen.’ Sverdrup boerde. ‘Wilt u iets met me drinken, Ik denk dat ik ook wel een paar stuivers over heb om uw mannen te onthalen.’

Ulfeld richtte zijn zwaard op de keel van de ander. ‘Jesper Fledelius!’

‘Hè? Wie is dat? Nooit van gehoord.’

In een van de vertrekken achter de gelagkamer klonk het angstige gillen van een vrouw; het werd gevolgd door het luide lachen van een Duitser. ‘Ah, zeker,’ grinnikte Sverdrup, ‘de waard heeft een aardige dochter.’ Hij tuurde naar Lockridge en Auri. ‘Maar dat is ook een mooi vogeltje, dat u daar hebt, heer ridder. Wat is daar de bedoeling van?’

‘Ik heb vernomen’ — Ulfelds blik doorboorde Sverdrup en de waard — ‘dat de verrader Fledelius in dit huis verblijft.’ Sverdrup nam een reuzenslok uit zijn bierpul. ‘Men hoort zoveel. Bent u er niet tevreden mee Schipper Klement in Viborg te hebben?’

‘Er is nog een cel naast de zijne, én een beulsbijl, voor Fledelius. Deze vreemdelingen zeggen dat zij een afspraak met hem hebben. Ik zie me gedwongen om brieven te vragen die bewijzen wie jij bent.’

Sverdrup keek verbaasd naar de gevangenen. ‘Ik zou best willen dat ik Fledelius was als zo'n schone dame hem wenst te spreken. Maar helaas, nee, ik ben maar een arme oude hereboer van de Grenen.’ Hij zocht onder zijn kleren en verstoorde daarmee de rust van een niet onaanzienlijke kolonie vlooien. ‘Hier. Ik neem aan dat uw kennis van letters minder versleten is dan de mijne.’

Ulfeld wierp een nijdige blik op het perkament. Zijn mannen keerden terug. ‘Er is niemand behalve het gezin van de waard, heer,’ rapporteerde een van hen.

‘Ziet u wel? Heb ik u dat niet gezegd?’ ratelde de waard. ‘Herr Torben is ook in vroeger jaren in De Gouden Leeuw te gast geweest, heer. Ik ken hem, en ik heb altijd een goede naam gehad. Vraag het de burgemeester maar of Mikkel Mortensen niet een eerlijk, betrouwbaar man is.’

Ulfeld wierp de brief op tafel. ‘We zullen het huis blijven bewaken,’ besliste hij. ‘Misschien komt die vogelvrije nog opdagen. Maar let erop dat niemand de kans krijgt hem te waarschuwen. Jullie tweeën’ — hij wees een tweetal soldaten aan — ‘jullie blijven voorlopig hier. Houd alle deuren in het oog en neem iedereen die binnenkomt, gevangen. Laat niemand het huis verlaten. De anderen volgen mij.’

‘Wilt u zelfs niet een pot bier drinken met een eenzame oude man?’ drong Sverdrup aan.

‘Nee. Ik moet zorgen dat deze gevangenen ondervraagd worden.’

Zo nodig met behulp van pijnbank, duimschroeven spijkerlaarzen. Wat Auri betreft… Het schemerde Lockridge voor de ogen, hij hield zijn blik op de man achter de tafel gevestigd. ‘Nee, wacht,’ zei hij met schorre stem. ‘Help ons.’

De diepliggende ogen keken omlaag. ‘Het spijt me, meisje,’ mompelde Sverdrup. ‘Maar er zijn er al zo veel dood, en zo veel meer zullen spoedig sterven.’ Hij sloeg een kruis.

Een hand stootte Lockridge in de richting van de deur. Hij zette zich schrap. De schacht van een speer sloeg tegen zijn knie. Pijn vlamde door hem heen, hij struikelde en vloekte. Auri's kap was teruggevallen en een soldaat greep haar bij een haarlok.

‘Nee!’ schreeuwde het meisje. ‘Wij behoren Háár toe!’

Sverdrup zette zijn bierpul met een klap op het tafelblad. Auri maakte een teken in de lucht. De betekenis ervan ontging Lockridge, het was iets uit haar eigen godsdienstige riten, een dood en vergeten gebaar, een kreet om hulp in het wilde weg…

De zware man reikte onder de tafel en kwam moeilijk overeind. Van onder de mantel die op de vloer lag, had hij een kruisboog te voorschijn gehaald, gespannen en geladen. Niet zo haastig, heer, hijgde hij. Niet zo haastig, als ik u vragen mag.’

Ulfeld draaide zich bliksemsnel om. Zijn zwaard blonk. Vloekend richtten de soldaten hun speren.

Als een beer grijnzen kon, zou hij het waarschijnlijk doen als de man die zonder twijfel Jesper Fledelius was. ‘Rustig maar, rustig,’ zei hij. ‘Eén beweging, één heel kleine beweging, en mijn heer ridder zal heel wat minder knap zijn om te zien. En we willen de dames van Viborg toch geen verdriet doen, wel?’

‘Ze zullen je vermoorden!’ jammerde de waard. ‘God zij ons genadig!’

‘Ze mogen het proberen, nadat deze dame, die ik in mijn armen houd, haar ene scherpe woord gesproken heeft,’ knikte Fledelius. ‘Maar hier is mijn zwaard ook nog. Het heeft al heel wat Zweden, Holsteiners en zelfs Denen geproefd. Niets smaakt zo goed als een Deen die de oude adelaar verraden heeft-behalve misschien een Duitse huurling. We zouden een heel belangwekkend onderhoud kunnen hebben, wij allemaal. Maar u, heer ridder, zou helaas gedwongen zijn de rol van toeschouwer te spelen, en ofschoon u in de hel ongetwijfeld een zetel toegewezen zou krijgen die bij uw stand past, zouden diegenen onder deze jongens die de nacht zouden overleven, toch geen erkentelijkheid ondervinden wanneer ze zo'n kostbaar leven verloren lieten gaan. Misschien zou men hen zelfs vragen aan het eind van een koord te dansen, hè? Laten we daarom trachten ons geschil op vredelievende en verstandige wijze te regelen, zoals aan christenmensen past.’

Er viel een stilte waarin Lockridge zijn eigen ademhaling duidelijker hoorde dan de wind en de regenvlagen buiten. ‘Mikkel, beste man,’ zei Jesper Fledelius, je hebt hier of daar vast nog wel een eind touw. Daarmee kunnen we deze voortreffelijke kerels binden, liever dan ze als Turken neer te sabelen. Natuurlijk is het wel een Turks noodlot om in een taveerne te liggen zonder een mogelijkheid om bier te tappen. Maar morgen komt er ongetwijfeld iemand langs. Mannen zijn altijd dorstig. Een symbool uit het evangelie, vinden jullie niet? — bier laaft de keel zoals de genade de zondige ziel laaft.’ Opgewekt keek hij Auri aan. ‘De Schrift spreekt naar waarheid van de wijsheid die in onschuld verborgen ligt, meisje. Woorden zouden niet voldoende zijn geweest om dit laffe oude karkas van mij in beweging te brengen, want woorden zijn goedkoop en onbetrouwbaar. Maar jij hebt mij Haar teken laten zien en dat kan niet liegen. Ik dank je.’

De waard begon te jammeren. De verschrikte gezichten van een vrouw en een paar kinderen kwamen om de achterdeur kijken. ‘Wees welgemoed, Mikkel,’ zei de vogelvrije. ‘Het is duidelijk dat jij en je gezin met ons de stad moeten verlaten. Jammer om deze prachtige herberg in de schurkachtige handen van ‘s jonkers schout te laten vallen. Maar het Verbond zal je voedsel en onderdak verschaffen.’ Een trek van blijdschap gleed over het lelijke gezicht. ‘En als Zij terugkeert, zul je beloond worden.’

Met een hoofdbeweging wenkte hij Lockridge. ‘Heer wees zo goed en neem de wapens weg van deze —’ Lockridge was geschokt door die op zo koude toon gebruikte uitdrukking — ‘en bind ze vast. We hebben geen tijd te verliezen. De aangelegenheden van Onze Vrouwe dulden geen uitstel.’


11

<p>11</p>

Regen kletterde op de hut. Het was de schuilhut van een herder, die eenzaam op de heide stond en in dit jaargetijde volkomen verlaten was; een hut van veenplaggen, waar een man een rustplaats kon vinden, maar zo primitief en armzalig dat de Tenil Orugaray er met een grote boog omheen gelopen zouden zijn. Maar ineengekronkeld op de grond lag Auri in diepe slaap met haar hoofd op Lockridge's knieën.

Buiten hurkte Mikkel Mortensen met zijn vrouw en kroost. De Amerikaan voelde zich beslist niet prettig toen hij aan hen dacht, en nog minder omdat zij het hem in het geheel niet kwalijk namen dat hij een rustplaats had gekomen die ten miste enigszins droog was: zij hielden hem immers voor een Adelsmand. Fledelius had erop aangedrongen. We hebben geheime zaken te bespreken, u en ik, en als we morgen op pad gaan, heb ik met mijn versleten botten al mijn adem nodig om vooruit te komen.’

Het was uitgesloten geweest om paarden mee te nemen door de smokkeltunnel die onder de wallen van Viborg doorliep De vluchtelingen bevonden zich nog betrekkelijk dicht bij de stad, maar buiten heerste een troosteloze verlatenheid en het duister werd nu en dan alleen onderbroken door een bliksemflits. Op die momenten staken ieder twijgje heide, iedere vallende regendruppel en ieder waterstroompje op de doorweekte bodem korte tijd scherp af in het verblindend witte licht.

Er was geen vuur en binnen in de hut was het donker en koud. Lockridge's kletsnatte kleding was erger dan nutteloos. Evenals Fledelius had hij zich op zijn broek na uitgekleed; hij zat met zijn armen om zijn ribben geklemd en probeerde het klapperen van zijn tanden tegen te gaan. Naakt en ongestoord lag Auri te slapen. Eigenlijk had hij een van de kinderen van de herbergier binnen moeten halen in plaats van haar; maar in deze wereld van ijzer en wreedheid had Auri meer behoefte aan zijn nabijheid dan de kinderen aan een dak boven hun hoofd.

Een bliksemflits doorkliefde de lucht, onmiddellijk gevolgd door de donder. Gedurende een kort moment was het verweerde gezicht van Jesper Fledelius zichtbaar in de deuropening, als een waterspuwer aan een middeleeuwse kathedraal. Toen was alles weer volslagen donker. De wind huilde. ‘Begrijp me goed,’ zei de Deen ernstig, ik ben een goed christen. Ik wens niets van doen te hebben met die lutherse ketterij die de jonkers en hun stroman van een koning aan het koninkrijk trachten op te dringen en zeker ook niet met de heidense praktijken van de heksen. Maar toch bestaat er evenzeer witte magie als zwarte. Is het niet zo? En het is altijd al een oud gebruik geweest om offers te brengen aan de ongeziene machten. Het is werkelijk de Satan niet die zij aanroepen, die arme onwetende boeren die aan de vooravond van mei en ook morgen bijeenkomen. En evenmin de valse goden, waarvan je lezen kunt in de kronieken van Saxo Grammaticus. Viborg heette vroeger Vebjörg, Heilige Berg. Waar nu de kathedraal staat, bevond zich een heiligdom van ver voor de tijd toen Odin zijn volk uit het Oosten hierheen voerde. Aard- en watergeesten — zou men hen niet mogen aanroepen zonder een zware zonde te begaan? Dezer dagen heeft de boer vaak niemand anders tot wie hij zich kan wenden.’ Zijn voeten schuifelden over de vochtige grond. ‘Ikzelf sta echter alleen maar in contact met het Verbond, ik ben er geen lid van.’

‘Ik begrijp het,’ zei Lockridge.

Hij geloofde dat hij dat naar waarheid kon zeggen, en er was hem meer duidelijk geworden dan die woorden uitdrukten. In zijn geest begon zich, vaag nog, een reusachtig patroon af te tekenen: de geschiedenis van de mens was de geschiedenis van de godsdienst.

Dat wat Auri, die te midden van het onweer zo rustig bleef doorslapen, en Auri's volk bezaten, dat wat de Indianen bezaten die hij in Yucatán had leren kennen, en elk primitief volk waarvan hij het bestaan kende en welks beschaving niet geheel en al was ontaard — was geestelijke gaafheid en gezondheid. De vraag of dat voldoende compensatie bood voor alles wat zij misten, was louter een kwestie van smaak. Het feit bleef echter bestaan dat zij één waren met de aarde, de hemel en de zee op een wijze die onbereikbaar was voor hen die de goden buiten zichzelf projecteerden of zelfs het bestaan van goden ontkenden. Wanneer de Indo-Europese volken hun patriarchaal pantheon in een bepaald land importeerden, brachten zij er veel dat goed was; maar zij schiepen tegelijkertijd ook een nieuw en eenzaam mensensoort.

Er viel echter geen scherpe scheidslijn te trekken. De oude goden bleven voortbestaan. Na verloop van tijd gingen zij op in de vreemde goden, deden hen van gedaante veranderen en tenslotte traden de eeuwenoude gestalten weer naar voren en alleen de namen waren veranderd. Dyaush Pitar, met zijn zonnewagen en strijdbijl, werd Thor, wiens wagen getrokken werd door gewone, aardse bokken en wiens hamer de regen bracht welke het leven was. Bloedige offers werden de Roodbaard niet gebracht, hij was immers zelf ook een boer. En toen Odin, de eenogige wolfgod voor wie de krijgsheren mensenoffers brachten, het veld moest ruimen voor Christus en in de herinnering slechts als een kobold voortleefde toen noemde Thor zichzelf St. Olaf, Frey werd St. Erik wiens wagen iedere lente door de velden trok om de gewassen te zegenen, en Zij kleedde zich in de blauwe mantel van de Maagd Maria. En altijd waren er de kleine goden, bosfeeën, kabouters, elfen, zeemeerminnen, die zozeer deel uitmaakten van de wereld, dat men hen zelfs geen goden noemde, en die door de mensen tot symbolen werden gemaakt van bescherming en benadeling, van genegenheid en vrees, van alle wonderlijke geheimen en grillen die deel uitmaakten van het leven.

Lockridge zelf was ongelovig kind van een treurige tijd met te veel verstandelijkheid en te weinig geestelijke vitaliteit, en waaraan, zoals hij nu wel inzag nog slechts een kort bestaan beschoren was en hij wenste geen oordeel te hebben over de objectieve waarheden die in het spel waren. Wat hem betrof, kon Maria inderdaad de Hemelkoningin zijn en de Drievoudige Godin uitsluitend een van de vormen waaronder men haar vroeger had gekend. Een redelijk man als Jesper Fledelius kon daarin geloven. Of wellicht waren beiden ook afschaduwingen van een of andere fundamentele werkelijkheid; of misschien waren beiden alleen maar een mythe. Waar het in de geschiedenis om ging, was niet wat de mensen dachten, maar wat zij voelden.

En in dit grote, traag verlopende conflict en deze vermenging van twee wereldbeschouwingen hadden de strijdende partijen van de tijdoorlog zich gemengd. Gardisten leidden de opmars van de krijgszuchtige stammen en hun strijdbare goden; Wachters vonden heimelijke wegen om te behouden wat oud was en om de invallen naar dat beeld om te vormen. Gardisten dreven het Strijdbijl-volk voort, dat de cultus van het ganggraf uitroeide; maar de veehoeders van de Steentijd werden de landbouwers en zeevaarders van de Bronstijd, de zon was niet langer een vuurgeest, maar de behoeder en de vruchtbaarheid schenkende gemaal van de aarde. Toen kwam het christendom, met zijn boeken en logica, en voor het eerst was er een god die onjuiste opvattingen over zijn natuur bestrafte en weldra behoorden de harten van de mensen aan Maria toe. Met de hervorming keerde Jahweh terug, gewapend met een verschrikkelijk wapen tegen het instinctieve religieuze gevoel — de drukpers — maar de kerk zelf was verdeeld, in diskrediet gebracht en ontkracht; over vijf- of zeshonderd jaar zou de wereld zich haar eigen leegheid bewust worden en gaan uitzien naar een geloof dat dieper ging dan woorden. Lockridge vroeg zich af hoe het honderd jaar na zijn eigen eeuw zou zijn; wat hij er zag, was niet de triomf van de wetenschap, maar mensen die op de hoogten bijeenkwamen in naam van een nieuwe god of van een oude herboren god.

Of van een godin?

‘Hoe is zij tot je gekomen?’ vroeg hij.

‘Ja, kijk.’ Fledelius’ hese, grove stem daalde vol eerbied. ‘Het is nogal een lang verhaal. U moet weten, ik ben… ik was de landheer van Lemvig, zoals mijn voorvaderen vóór mij sinds de tijd van de eerste Waldemar. Het is een arme streek, wij Fledeliussen hebben nooit tot de hoge trotse geslachten behoord, wij stonden dicht bij onze boeren. Vandaag nog bezit de boerenstand van Jutland meer vrijheid dan die van de eilanden, waar lijfeigenen gekocht en verkocht kunnen worden. Op mijn domein ligt een kaempehöj’ — ik ken die grafheuvel, dacht Lockridge bevreemd — ‘waar de mensen kleine offers plachten te brengen. Zij spraken van wondere dingen die men daar van tijd tot tijd kon waarnemen, vreemde wezen die kwamen en gingen, ik weet niet wat al. Maar als de priesters er niets van zeiden, waarom zou ik me dan met oude gebruiken bemoeien? Daar komt maar ongeluk van. De luthersen zullen het nog wel ondervinden, tot rampspoed van het land.

Maar goed. Ik heb gevochten in de oorlogen. Van mijn heer, koning Christiaan, zal ik geen kwaad woord zeggen. Zweden behoorde hem toe krachtens een recht dat teruggaat tot koningin Margaretha, en in mijn ogen is Sten Sture een verrader omdat hij het rijk tegen het Deense bewind in opstand bracht. En toch… begrijp me goed, ik ben geen lafbek, ik heb mijn portie schedels gekliefd… maar toen we Stockholm binnenrukten, was er op plechtige wijze straffeloosheid toegezegd; niettemin rolden er ontelbare hoofden en de lijken stapelden zich in die koude winter op als brandhout.

Daarom keerde ik met walging in het hart naar huis terug en ik zwoer dat ik op mijn eigen zanderige akkers zou blijven. Toen stierf ook mijn vrouw nog — ach, het was een best mens, dat was ze, en onze enige zoon studeerde in Parijs… hij zal wel op me neerkijken omdat ik amper mijn eigen naam kan schrijven.

En toen, op een zomeravond terwijl ik over de akkers bij die vreemde grafheuvel wandelde, verscheen Zij.’

Uit de moeizame woorden waarmee hij trachtte haar te beschrijven, herkende Lockridge Storm Darroway.

‘Ik zou niet kunnen zeggen wat Zij is, een heks of een heilige of de eeuwige geest van het land. Wie weet heeft Zij me betoverd. En wat dan nog? Zij heeft niet geprobeerd mij van de christelijke praktijken af te brengen, Zij vertelde mij daarentegen van zaken waarvan ik niets afwist, van het Verbond bijvoorbeeld, en Zij waarschuwde mij dat er roerige tijden voor de deur stonden. Zij heeft mij wondere dingen laten zien. Die arme ouwe hersenen van mij begrijpen niet veel van wat Zij vertelde over reizen van het verleden naar de toekomst en terug; maar er gebeuren meer wonderen onder de zon. Zij schonk me goud, waaraan ik grote behoefte had nadat ik zo lang in de oorlog was geweest en zo weinig buit had behaald. Maar ik dien Haar in de eerste plaats om Haarzelf en in de hoop dat ik Haar eenmaal zal terugzien.

Mijn opdracht is niet moeilijk. Twintig jaar lang moet ik steeds aan de vooravond van Allerheiligen in de herberg De Gouden Leeuw zijn. Ziet u, Zij is in oorlog. Haar vrienden en ook haar vijanden zwerven overal rond, zelfs door de lucht; ze kunnen overal en altijd opduiken. De tovenaars — niet het gewone volk dat alleen maar op een stukje heidendom afkomt, maar de leiders die het kunnen aanvoeren — de tovenaars staan in Haar dienst, zij zijn een onderdeel van het net van Haar spionnen en agenten. Maar zij kunnen zich niet vertonen op fatsoenlijke plaatsen, zoals ik wel kan. Als er iemand zou komen die hulp behoefde, zoals u, moest ik er zijn om hem naar de Sabbath te brengen, waar hij krachtige wapens en tovermachines zou vinden. Een andere man was uitgekozen voor de vooravond van mei, maar die is dood. Een gemakkelijke taak voor zo veel goud, hè?’

De dag-en-nachteveningen, dacht Lockridge; die behoorden aan de aardgoden. De zomer- en winterzonnewende waren van de zon — van de Gardisten.

Fledelius’ stem werd nog heser. ‘Zij heeft ongetwijfeld gedacht dat ik, verbitterd als ik was, in de strijd die zij voorzag, neutraal zou blijven en daarom geen gevaar zou lopen. Maar ik heb mijn plicht verzaakt. Maar al te vaak kon ik niet op mijn post zijn. Denkt u dat iemand daardoor het leven verloren heeft?’

‘Nee,’ zei Lockridge. ‘Wij hebben je getroffen. Bedenk dat de oorlog zich over de gehele wereld en door alle tijden heen afspeelt. Jouw wachtpost is er slechts één van de vele.’ Huiverend vroeg hij zich af hóeveel er wel zouden zijn. Niemand kon alle delen van de ruimte en de tijd overzien. Storm was wel verplicht om zulke kleine, slechts halfbegrepen bondgenootschappen tot stand te brengen: zoals hier deze heidense cultus, voortgekomen uit wanhoop, gebaseerd op symbolen uit onheuglijke tijden, die zij verschafte en waaraan zij een betekenis gaf. Andere tijden kenden andere geheime genootschappen, maar allemaal waren ze uitsluitend opgericht voor geval van nood.

En die nood was nu zeer hoog gestegen. Zij was gevangen, overgeleverd aan een triomferende Brann, drieëndertig honderd jaar geleden; als zijn technici arriveerden, zouden zij alles uit haar zuigen wat zij wist, en vervolgens de lege schil weggooien. Meer en meer begon Lockridge in te zien welk een sleutelpositie zij innam. Indien deze groep Jutlanden haar zou kunnen helpen, zou dat — misschien — opwegen tegen de duizenden en nog eens duizenden in heel Europa die door de heksenjagers van de Hervorming gevangen werden en levend verbrand.

Die gedachtengang wenste hij echter niet te volgen. In plaats daarvan speculeerde hij over de cellen die de Gardisten hadden opgebouwd. Aan het hof van Echnaton? Van Caesar? Van Mohammed? Bij het Manhattan-project ? ‘Ziet u,’ verdedigde Fledelius zich, ‘nadat de koning naar Holland was gevlucht — toen hij het volk zo veel rechten schonk, had ik hem wat in Stockholm was gebeurd, vergeven — tjonge, zelfs voor tovenaars was de zwaarste straf dat ze gegeseld en uit de steden verdreven werden — sloot ik me aan bij Sören Norby om tegen de overweldiger te strijden. Later diende ik op de vloot van Schipper Klement en vorig jaar heb ik in Aalborg gestreden, waar ze ons tenslotte definitief verslagen hebben. Daarom ben ik nu vogelvrij. Maar ik trof een priester die bereid was mij vervalste gezegelde papieren te verschaffen, waarmee ik Viborg kon binnenkomen. Mikkel, mijn gastheer, kent me van vroeger; hij is zelf lid van het Verbond. Zodoende was ik ter plaatse toen u kwam. Waar of niet?’

‘Inderdaad,’ antwoordde Lockridge vriendelijk.

Fledelius klopte op zijn zwaard. Twijfel en schuldgevoelens vielen van hem af; hij was weer de man die de spot gedreven had met jonker Erik. ‘De hemel zij gedankt! Nu is het uw beurt, m'n vriend. Wie moeten we naar de duivel helpen?’ Zo goed als de taal en Fledelius’ begripsvermogen het toelieten, vertelde Lockridge het hem.

Op een heuvel midden in de hei brandde het heksenvuur. Rode vlammen flakkerden op de hoge zwerfkei, waarvoor Auri een eerbiedige buiging maakte. Al in haar eigen tijd had hij als altaar gediend. Boven hun hoofden glinsterden de talloze verre sterren van Allerheiligen. In de wijde omtrek heerste een doodse stilte, er hing vorst in de lucht.

Lockridge schonk maar weinig aandacht aan de biddende mensen. Het waren er maar een handvo slordig uitziende boeren in kiel en wollen muts, dorpelingen in opgelapte wambuizen en broeken, opgeschoten jongens en meisjes, een publieke vrouw uit Viborg, die wel bijzonder uit de toon viel in dit gezelschap en wier opschik in het grauwe duister pathetisch aandeed. Zij waren uit hun hutten en huizen weggeslopen en hadden kilometers ver gelopen voor enkele korte ogenblikken van bevrijding en bemoediging, om eer te bewijzen aan de aloude Machten van het land en om een klein, klein beetje kracht op te doen om de volgende dag hun meesters weer in de ogen te kunnen zien. Lockridge hoopte dat hij Auri tijdig hier vandaan zou kunnen brengen. Niet omdat de orgie op zich haar zou kunnen choqueren; maar hij wenste niet dat zij getuige zou zijn van wat ongetwijfeld een gedegenereerd overblijfsel was van de blijde mysteriën uit haar eigen tijd.

Zijn blik en gedachten keerden terug naar de Meester.

Marcus Nielsen stond rechtop; hij was lang en mager en zijn vreemde trekken werden verhuld door de kap van een versleten dominicanenpij. In deze tijd was hij bekend als hageprediker. Anders dan in Engeland, waar hij zichzelf Mark van Salisbury noemde, werden de katholieken in Denemarken niet vervolgd; tovenaars liepen echter wel gevaar voor hun leven. Hij was geboren als Mareth de Wachter, tweeduizend jaar na Lockridge, en hij zwierf over de zijpaden van het Europa der Hervorming om zijn koningin Storm Darroway te dienen.

‘Je brengt slechte tijding,’ zei hij. Dank zij de diaglossa kon hij Frans spreken met de Amerikaan, dat onverstaanbaar was voor zijn volgelingen en voor de onaandoenlijke Fledelius; hij had Auri bevel gegeven buiten gehoorsafstand te blijven.

Hij zweeg even en vervolgde toen: ‘Je begrijpt misschien niet hoe belangrijk zij en Brann zijn. Beide partijen hebben maar weinig bekwame mensen. Daardoor zijn zij een soort primitieve koningen geworden, die zelf hun troepen in de strijd voorgaan. Jij en ik betekenen niets, maar haar gevangenneming is een ramp.’

‘Maar goed,’ viel Lockridge hem kortaf in de rede, je bent nu gewaarschuwd. Ik neem aan dat je contact kunt opnemen met de toekomst, een reddingsexpeditie kunt uitrusten.’ ‘Zo eenvoudig ligt de zaak niet,’ antwoordde Mareth. ‘In de gehele periode van Luther tot… na jouw tijd… hebben de Gardisten de overhand. De troepen van de Wachters zijn in andere tijden samengetrokken. In deze eeuw hebben we alleen maar een paar agenten zoals ikzelf.’ Hij vouwde zijn handen en keek er peinzend naar. ‘Eerlijk gezegd, het heeft er alle schijn van dat we volkomen geïsoleerd zijn. Voor zover onze spionnen kunnen nagaan, wordt iedere poort waardoor we de verre toekomst zouden kunnen bereiken, bewaakt. Het was beter geweest als zij je opdracht had gegeven naar een ander tijdstip in de Deense geschiedenis te gaan, waar de Wachters een vastere voet hebben. De regering van Frodhi bijvoorbeeld. Zij heeft echter persoonlijk de hand gehad in de oprichting van deze uitkijkpost, juist omdat het milieu zo moeilijk en gevaarlijk is. Ik neem aan dat dit daarom het eerste was wat haar te binnen schoot in de korte tijd dat jullie gelegenheid hadden te praten.’ Opnieuw zag en voelde Lockridge haar. Hij greep Mareth bij zijn pij. ‘Verduiveld nog-an-toe, het is jóuw taak de problemen op te lossen! We moeten toch iets kunnen doen!’ ‘Ja, ja.’ Geïrriteerd schudde Mareth zich los. ‘Natuurlijk moeten we iets doen. Maar niet overhaast. Jij weet niet wat het zeggen wil dat de tijd één is. Respecteer daarom degenen die dat wel weten.’

‘Luister, als ik via deze tunnel hierheen kon reizen, kunnen we daardoor allemaal ook weer naar het verleden terugkeren. We kunnen zelfs vóór Brann de Jonge Steentijd bereiken en hem opwachten.’

Nee.’ Mareth schudde met onnodige felheid het hoofd. ‘De tijd is onveranderlijk.’ Hij haalde diep adem en vervolgde rustiger: ‘Die poging zou al te voren tot mislukken zijn gedoemd. We kunnen er zeker van zijn dat we onderweg iets zouden ontmoeten, een overmachtige vijand in de tunnel bijvoorbeeld, dat de onderneming zou verijdelen. Ik zie trouwens geen enkele reden om de Deense tunnel te gebruiken. We hebben hier geen enkele hulp behalve dit stelletje.’ Hij maakte een verachtelijk gebaar in de richting van de mensen die angstig binnen de lichtcirkel van het vuur knielden. ‘Zeker, we zouden kunnen proberen alleen door de tunnel te reizen en versterkingen te zoeken in de tijd vóór de Noormannen. Maar waarom zouden we dat doen — of waarom zouden we het risico nemen de halve wereld rond te reizen naar onze bases in het Verre Oosten of Afrika — als we dichterbij zoveel betere hulp kunnen vinden?’

‘Hè?’ Lockridge gaapte hem aan.

De Wachter liet zijn docerende houding varen. Hardop denkend ijsbeerde hij heen en weer, een krijgsman in een monnikspij.

‘Brann was alleen, omdat hij wist dat de Koriach — zij — ook alleen was, en hij heeft niet meer troepen ter beschikking dan wij. Maar nu hij haar gevangen heeft genomen, zal hij zijn mannen oproepen om zijn succes uit te buiten. Daar moeten we dus rekening mee houden. De onzekerheidsfactor van het uittreden, weet je wel? Aangezien wij die avond niet verschenen zijn om haar te redden, zullen we dat ook nu niet doen. De kans bestaat dus dat wij pas zullen verschijnen — dat wij pas verschenen zijn — nadat hij een aantal Gardisten om zich heen verzameld heeft. En het ligt voor de hand dat zij een wachtpost bij de uitgang van de tunnel zullen plaatsen.

Maar in de huidige eeuw is onze kracht niet in Denemarken geconcentreerd. Ons bastion in deze tijd is Engeland. Koning Hendrik heeft weliswaar gebroken met de Kerk van Rome, maar wij hebben weten te verhinderen dat hij tot het lutherse geloof overging. Zijn koninkrijk is voor ons van essentieel belang. Wat jullie als de episode van de twee Maria's kennen, is een tijd van winst voor de Wachters; met Cromwell komen de Gardisten weer op, maar tijdens de Restauratie zullen wij hen opnieuw verdrijven.

Ja, ik weet het. Je vraagt je af waarom iemand een oorlog voert als de uitslag van te voren bekend is. Nu, in de eerste plaats worden in de loop van de strijd de vijand verliezen toegebracht. Maar van meer belang is dit: elk milieu dat stevig in onze macht is, is een bron van kracht, van hulptroepen, van macht waarop we kunnen terugvallen, een gewicht in de weegschaal van de toekomst wanneer de eindbeslissing zal vallen, een beslissing waarvan we de aard niet kennen.

Maar á propos. In Engeland heb ik ook een groep volgelingen en daar ben ik niet de heidense offerpriester van een handjevol verhongerde boeren, maar een prediker voor ridders en machtige grondbezitters, die hen aanspoort om het heilige katholieke geloof trouw te blijven. En… we hebben daar een tunnel van welks bestaan de Gardisten geen flauw vermoeden hebben, met een eigen uitgang op de Jonge Steentijd. Die poort reikt verder naar het verleden dan de Deense, maar ze overlappen elkaar met een paar maanden, precies in het jaar waar we naar toe moeten.’

Hij greep Lockridge bij de schouder. Zijn ogen schitterden. ‘Kerel, kan ik op je rekenen? Voor haar?’


12

<p>12</p>

Hai-ie-ie! Hingst, Hest, og Plag faar flygte Dag! Kommer, kommer, kommer!’

Als een paar vleugels wapperde de mantel van de heksenmeester om zijn gestalte. Terwijl hij zijn armen en zijn gezicht naar de hemel hief, lichtte een onzichtbare, onvoelbare, onhoorbare wervelwind hem en zijn uitverkorenen van de grond op. Zij vlogen omhoog tot zij tussen de koude sterren uit het gezicht verdwenen. Het heksenvuur rees omhoog van zijn kolenbed — vonken en vlammen schoten achter de meester aan — om vervolgens weer ineen te zakken. De getrouwen van het Verbond huiverden en vertrokken.

Arie onderdrukte een gil, sloot haar ogen en klemde zich aan Lockridge vast. Jesper Fledelius braakte een reeks hartgrondige vloeken uit, kwam toen tot de conclusie dat hij geen gevaar liep en juichte opgetogen als een jongen. De Amerikaan deelde in die opwinding. Hij had wel eens eerder gevlogen, maar nooit bovenop een zwaartekrachtstraal.

Zij voelden geen luchtstroom. De kracht die uit de gordel onder Mareths habijt afkomstig was, beschutte hen tegen de wind. Geruisloos als vleermuizen verplaatsten zij zich, een paar honderd meter boven de grond en met een snelheid van verscheidene honderden kilometers per uur.

Duister gleed de heide onder hen door. Viborg was niet meer dan een schimmige vlek, die onmiddellijk weer uit het gezicht verdween; de Limfjord glansde; zij lieten de westelijke duinen achter zich; beneden zich zagen zij de golven van de Noordzee, waarop het koude licht viel van de maansikkel die vóór de zon uit boven de horizon oprees. Verbijsterd en gedesoriënteerd in het duister, schrok Lockridge op toen Engeland in zicht kwam — zo gauw al?

Zij vlogen over het lage land van East Anglia. Dorpjes van met riet bedekte huizen lagen te midden van stoppelvelden, boven een rivier verhieven zich de muren van een kasteel. Het was een droom, een onmogelijkheid dat hij, de nuchtere Lockridge, met een tovenaar door de lucht vloog in dezelfde nacht dat Hendrik VIII naast Anne Boleyn lag te snurken…

Arme Anne, voor er een jaar verstreken was, zou haar hoofd vallen onder de bijl van de beul en er was niemand die haar kon waarschuwen. Maar in een wieg in hetzelfde paleis sliep haar dochtertje: Elizabeth heette het. Deze merkwaardige gedachten namen als een visioen bezit van Lockridge: hij zag niet alleen zijn eigen lot, maar het mysterie dat ieder mens was.

Het bebouwde land maakte plaats voor een woestenij met talloze eilandjes tussen meertjes en moerassige beken: de venen van Lincolnshire. Mareth gleed omlaag. De laatste verdorde bladeren weken voor hem opzij, hij kwam tot stilstand en bracht handig ook de anderen aan de grond. In het bleke licht van de ochtend zag Lockridge een hut van gevlochten twijgen.

‘Dit is mijn Engelse basis,’ zei de Wachter. ‘De tijdpoort bevindt zich eronder. Jullie blijven hier terwijl ik manschappen verzamel.’

Achter het primitieve uiterlijk van de hut ging een bijna luxueus verblijf schuil, met planken vloeren en wanden, ruim voorzien van meubilair en een grote voorraad boeken. Achter beweegbare panelen waren etenswaren en andere voorraden uit de toekomst verborgen, maar zo op het eerste gezicht was er niets te zien dat in deze eeuw al te veel zou opvallen. Wie in de hut binnendrong, zou misschien hebben opgemerkt dat het er in ieder seizoen warm en droog was. Maar niemand zou zich hier wagen. De boeren hadden hun bijgeloof, de landheren interesseerde het niet.

De drie mensen uit Mareths verleden waren maar al te blij met de gelegenheid om op adem te komen. Zij waren normale mensen, geen meesterwerken uit een tijdperk dat erfelijke eigenschappen in iedere gewenste vorm kon gieten, en hun zenuwen stonden op het punt het te begeven. De twee volgende dagen vormden een tussenspel van slapen en halfbewuste ogenblikken tussen waken en dromen.

Op de derde ochtend evenwel kwam Auri Lockridge opzoeken. Hij zat op een bank voor de deur en trok genietend aan een pijp. Hoewel hij geen verwoed roker was, had hij het toch gemist, en hij vond het een goede, zij het enigszins anachronistische gedachte van de Wachters dat zij een voorraadje tabak en enkele aardewerk pijpen hadden opgeslagen. Bovendien was het weer beter geworden. Flets zonlicht viel tussen de kale takken van de wilgen door. Hoog boven zijn hoofd vloog een late vlucht ganzen in V-vorm naar het zuiden; als een ver en eenzaam zwerverslied drongen hun kreten te midden van de diepe rust tot hem door. Hij hoorde Auri's voetstappen nader komen, keek op en werd getroffen door haar schoonheid.

Voordat hij in deze soezerige toestand was weggezakt, had hij geen tijd gehad om haar anders te zien dan als een kind dat volkomen afhankelijk was van de geringe bescherming die hij haar kon bieden. Maar nu zij deze morgen wat had rondgezworven in het moeras, dat zoveel leek op het gebied dat haar thuis was, uitsluitend gekleed in het blonde haar dat tot op haar middel hing. was zij als vernieuwd. Met de gratie van een ree holde zij op hem toe, haar blauwe ogen stonden groot in het openhartige gezichtje. Een trek van blijdschap en verwondering lag om haar mond. Lockridge stond op. zijn polsen begonnen sneller te kloppen.

‘O, kom eens kijken,’ riep zij, ‘wat een prachtige boot ik gevonden heb!’

‘Grote hemel,’ vermaande Lockridge met verstikte stem, ‘zou je niet wat kleren aantrekken, meisje?’

Waarom? Het is lekker warm.’ Zij danste voor hem heen en weer. ‘Lynx, zullen we gaan varen en vissen? We hebben de hele dag voor onszelf en de Godin is gelukkig en je zult nu wel uitgerust zijn. Kom dan toch!’

‘Maar…’ ‘Nou ja, waarom niet?’ ‘Goed. Maar je kleedt je aan, hoor je?’

‘Als je dat wilt.’ Verbaasd maar gehoorzaam haalde zij een jurk uit de hut, waar Fledelius te midden van verspreide bierkruiken nog luidruchtig lag te slapen. Dansend ging ze Lockridge voor door het bos.

Lockridge zag niets bijzonders aan het bootje, dat vastgebonden lag aan een boomstronk. Maar natuurlijk, Auri kende alleen maar ronde boten van huiden en uitgeholde boomstammen met boorden die waren vastgezet door middel van houten pennen of twijgen. Maar hier waren spijkers van echt metaal gebruikt! En zij keek met open mond toe hoe hij roeide in plaats van te bomen of te peddelen. ‘Deze boot komt vast en zeker uit Kreta,’ zei zij ademloos.

Hij had de moed niet om haar te vertellen dat Kreta verarmd was en onderdrukt werd door de Venetianen, in afwachting van het ogenblik dat de Turken het zouden veroveren. ‘Wie weet.’ Het bootje gleed tussen rietkragen en wilgestruiken door totdat zij een open stuk water bereikten. Het eiland lag achter het oevergewas verborgen, de plas lag helder en roerloos te blinken. Behalve het kledingstuk had Auri ook visgerei meegenomen. Zij bevestigde aas aan de haak en legde behendig in op een veelbelovend plekje onder een boomstam.

Lockridge ging op zijn rug liggen en stak een verse pijp op. ‘Wat een vreemd gebruik is dat toch,’ zei Auri.

‘Het is prettig, anders niet.’

‘Mag ik het eens proberen? Alsjeblieft …’

Zij vleide net zo lang tot hij haar de pijp toestak, met het verwachte resultaat. Proestend en naar adem snakkend gaf zij hem terug. ‘Ba… foei!’ Zij veegde de tranen uit haar ogen. ‘Nee, dat is veel te sterk voor iemand als ik.’

Lockridge grinnikte. ‘Ik heb je gewaarschuwd, kleintje!’ ‘Ik had naar je moeten luisteren. Jij hebt altijd gelijk.’ ‘Nou, hoor eens…’

‘Maar ik zou willen dat je niet tot me sprak alsof ik een kind was.’ Zij bloosde, en sloeg haar ogen neer. ‘Ik ben bereid vrouw te worden, wanneer je me ook maar hebben wilt.’ Ook Lockridge steeg het bloed naar het gezicht. ‘Ik heb je beloofd dat ik de betovering van je zou wegnemen,’ mompelde hij. De gedachte kwam bij hem op dat hij in de komende strijd wel eens zou kunnen sneuvelen. ‘In feite is ze al weggenomen. Je hebt verder geen behoefte meer aan magische krachten. En… de tocht door de onderwereld, weet je… wedergeboorte. Begrijp je wel?’

Blijdschap tekende zich af op haar gezicht. Met een sprong was zij bij hem.

‘Nee, nee, nee,’ zei hij wanhopig. ‘Ik kan niet.… Ikzelf…’ ‘Waarom niet?’

‘Nou, kijk… eh… kijk maar om je heen. Het is nu toch geen lente!’

‘Wat geeft dat? Al het andere is veranderd. En Lynx, ik hou zo veel van je.’

Warm en begerig drukte zij haar lichaam tegen hem aan. Haar mond en haar handen waren verrukkelijk onhandig. Haar haren en haar lichaam brachten hem in verwarring en hij dacht: verdraaid, mijn bloedeigen grootvader zou ieder die haar man was, gelukwensen… Maar vervloekt, nee!

‘Ik zal je moeten verlaten, Auri…’

‘Laat dan in ieder geval je kind bij mij achter. Meer verlang ik vandaag niet.’

De situatie groeide hem boven het hoofd en hij wist nog maar één uitweg te bedenken. Hij liet zich helemaal naar een kant drukken met het gevolg dat het bootje kapseisde. Tegen de tijd dat zij het hadden opgericht en leeggeschept, was hij de toestand weer meester. Auri legde zich zonder angst neer bij dit teken van goddelijk ongenoegen, want haar hele leven had zij te midden van zulke voortekenen geleefd; zij toonde zelfs niet al te veel teleurstelling, want daarvoor was zij veel te luchthartig van aard. Zij trok haar natte jurk uit en lachte uitbundig om Lockridge's weigering zich eveneens van zijn natte kleren te ontdoen.

‘Dan had ik je tenminste eens kunnen zien,’ zei zij toen zij weer tot bedaren kwam. ‘Maar die tijd komt nog wel, als je Avildaro eenmaal bevrijd hebt.’

Een sombere stemming had zich van Lockridge meester gemaakt. ‘Het dorp dat je gekend hebt, zal nooit meer terugkeren,’ zei hij. ‘Denk aan degenen die gevallen zijn.’

‘Ik weet het,’ antwoordde zij ernstig. ‘Echegon, die altijd vriendelijk was, en de vrolijke Vurowa en zo vele anderen.’ Maar door alles wat er sindsdien was gebeurd, was haar verdriet al wat vervaagd. Bovendien lag het niet in de aard van de Tenil Orugaray om over het verlies van verwanten zo hevig te treuren als de mensen die na hen leefden. Zij hadden maar al te goed geleerd zich bij de realiteit neer te leggen. ‘En je zult nog altijd rekening moeten houden met de Yüthoaz,’ zei Lockridge. ‘Misschien kunnen we ditmaal deze troep nog verdrijven. Maar er zijn er nog meer, sterk en begerig naar land. Zij zullen terugkeren.’

‘Waarom moet je altijd zo tobben, Lynx?’ Schalks keek Auri hem aan. We hebben deze dag toch… o kijk, een vis!’ Hij wilde dat hij even vrolijk kon zijn als zij, en niet alleen maar doen alsof. Maar de wetenschap dat er zo velen zouden sterven, bedrukte hem: volken, koningen, de talloze onbekenden in alle tijdperken van de tijdoorlog — ja, zelfs de jongen die hijzelf had gedood, over vierhonderd jaar. Hij zag nu in dat zijn eigengerechtigheid een dekmantel was geweest voor bloedschuld. Natuurlijk, het was absoluut zijn bedoeling niet geweest zoiets te doen, hield hij zich moedeloos voor, maar toch was het gebeurd… toch zal het gebeuren… en als het mogelijk was, zou ik de tijd binnenste buiten keren om het ongedaan te maken.

Zij waren bezig hun vangst te roosteren en op te eten toen er hoorngeschal klonk. Lockridge schrok. Nu al? Zo snel mogelijk roeide hij terug.

Mareth was inderdaad teruggekeerd, vergezeld door zes andere Wachters. Zij hadden hun vermomming van priester, ridder, koopman, boer of bedelaar verwisseld voor een uniform, even strak sluitend als dat van de Gardisten, maar bosgroen; van hun schouders viel een glanzende mantel. Van onder de bronskleurige helm keken grote donkere ogen hooghartig neer op hun helpers; hun gelaatstrekken vertoonden een merkwaardige gelijkenis met die van Storm. ‘We hebben nog een agent op de Britse eilanden,’ zei Mareth.

‘Na het invallen van de duisternis komt hij met ons leger. Wij zullen inmiddels alle voorbereidingen treffen.’ Lockridge, Auri en Fledelius zagen zich werkzaamheden toegewezen waarvan zij de bedoeling niet begrepen. Omdat deze tunnel de vijand onbekend was en de poort tot een uiterst belangrijke periode toegang gaf, bevatte het voorvertrek grote voorraden oorlogstuig en waren de doorgangen breed genoeg om deze door te laten. Sommige dingen kon de Amerikaan wel zo ongeveer thuisbrengen, zoals voertuigen en geweren.’ maar wat was die kristallen bol waarin een zwarte nacht kolkte doorspikkeld met lichtpuntjes als sterren? Wat was die spiraal van geel vuur, die ijskoud aanvoelde? Een antwoord op zijn vragen werd botweg geweigerd.

Zelfs Fledelius brieste van nijd. ‘Ik ben hun slaaf niet,’ gromde hij tegen Lockridge.

De Amerikaan probeerde zijn eigen geïrriteerdheid te onderdrukken. ‘Och, je weet hoe onderofficieren ervan houden op hun strepen te gaan staan. Als we eenmaal bij de koningin zijn, zal het wel anders worden.’

‘Ja, dat is waar. Voor Haar ben ik bereid dit alles te slikken… Op hun strepen staan! Ha ha, die is goed, jongen!’ Fledelius bulkte van het lachen en sloeg Lockridge op de schouders dat deze wankelde.

De schemering viel en vervolgens de nacht, en uit de lucht daalden de mannen van koning Hendriks Engeland.

Het was een woest, onguur gezelschap, alles bijeen een honderd man: ontslagen soldaten, matrozen die halve zeerovers waren, gelukzoekers, struikrovers, ketellappers, Welshe opstandelingen en veedieven uit de Lowlands, bijeengebracht uit alle windstreken, van Dover tot Lands’ End, uit de Cheviots en de sloppen van Londen. Lockridge kon slechts raden hoe ieder van hen gerecruteerd was. Sommigen om godsdienstige redenen, anderen om geld, weer anderen om uit handen van de beul te blijven — een voor een waren zij door de Wachters ontdekt en hadden zij zich aangesloten bij het geheime genootschap; en nu was het moment gekomen om hen in te zetten.

Bij het licht van de fakkels viel hier en daar een gezicht op in de menigte die rumoerig over het eiland krioelde. Naast Lockridge stond de gedrongen gestalte van een zeeman; zijn haar was in staartjes gevlochten, zijn hemd en broek waren gerafeld; hij was blootsvoets, droeg oorringen en vertoonde talrijke littekens van vroegere gevechten. ‘Waar kom jij vandaan, vriend?’ vroeg hij.

‘Van Devon ben ik.’ Lockridge kon hem maar nauwelijks verstaan. Zelfs Londenaren spraken de klinkers nog uit als iemand uit de Nederlanden en deze kerel legde er bovendien een dialect op dat dik genoeg was om te snijden. ‘Maar toen ik de oproep ontving, was ik in moeder Colley's bordeel in Southampton.’ Hij smakte met zijn lippen. ‘Ah, ik had daar een lekkere troel! Zeldzaam! Als ik nog een uurtje de tijd had gehad, dan zou ze Ned Brown niet gauw meer vergeten hebben. Maar toen de medaille sprak… voorwaar, ik heb onder Frans kanonvuur gestaan en Karribalen gespietst terwijl zij krijsend de boorden van ons galjoen beklommen, maar die oproep zou ik nooit durven veronachtzamen.’

‘De… medaille?’

Brown tikte op een rond schijfje dat om zijn hals hing en waarop de maagd Maria was afgebeeld. Lockridge bemerkte een soortgelijk voorwerp op de borst van verscheidene andere mannen. ‘Wat? Heb jij dit teken niet gekregen? Nou, het fluistert wanneer ze je nodig hebben, maar zo dat niemand het horen kan behalve jijzelf, en het zegt je waarheen je je snel moet begeven. Hij ontmoette me daar en bracht me door de lucht naar een verzamelplaats in de wildernis, en vandaar hierheen… Ik wist niet dat het Verbond zoveel leden telde.’

Uit de deur van de hut trad Mareth te voorschijn. Hij verhief zijn stem enigszins en onmiddellijk verstomde het geroezemoes. ‘Mannen,’ zei hij, ‘sinds lange tijd zijn de meesten van jullie lid van het Verbond en niet weinigen onder jullie zullen zich de tijd herinneren dat het hen van kerker of dood redde. Jullie weten dat je in dienst bent van de witte tovenaars, die door hun kunsten het heilige katholieke geloof verdedigen tegen heidenen en ketters. Vannacht doen wij een beroep op jullie om je belofte gestand te doen. Jullie zullen een verre, vreemde reis maken om te strijden tegen wilden, terwijl wij, jullie meesters, de tovenaars die zij dienen, zullen aanvallen. Ga nu moedig voorwaarts; zij die de strijd overleven, zullen rijk worden beloond, zij die vallen, zullen een nog grotere beloning ontvangen in de hemel. Kniel nu neer en ontvang de vergeving van jullie zonden.’

Met een bittere smaak in de mond sloot Lockridge zich bij het ritueel aan. Was zo veel cynisme nu echt noodzakelijk? Enfin — het was om Storm Darroway te redden. Ik zal haar weerzien, dacht hij, en zijn hart klopte wild.

Meer onder de indruk en ernstiger dan hij voor mogelijk had gehouden, gingen de Engelsen een voor een door de deur van de hut omlaag langs het pad naar de tunnel. In het voorvertrek, vóór het regenbooggordijn, ontvingen zij hun wapens: zwaarden, pieken, strijdbijlen, kruisbogen. Buskruit zou nutteloos zijn tegen de Gardisten en overbodig tegen de Yüthoaz. Mareth wenkte Lockridge. ‘Jij kunt het beste vlak bij mij blijven en als gids optreden,’ zei hij. Hij drukte de Amerikaan een energiepistool in de hand. ‘Alsjeblieft, je komt uit een tijd die technisch genoeg bij is om met dit wapen om te kunnen gaan. De bediening is heel eenvoudig.’

‘Ik weet hoe het werkt,’ zei Lockridge kortaf.

Mareth liet zijn hooghartigheid varen. ‘Ja, zij heeft jou uitgekozen, is het niet?’ mompelde hij. ‘Je bent niet de eerste de beste.’

Auri worstelde zich door het gedrang heen. ‘Lynx,’ smeekte zij. De angst voor de onderwereld had haar weer te pakken. ‘Blijf bij me.’

‘Laat haar hier wachten,’ beval Mareth.

‘Nee,’ zei Lockridge. ‘Als ze wil, kan ze meegaan.’

Mareth schokschouderde. ‘Let er dan op dat ze ons niet voor de voeten loopt.’

‘Ik moet in de voorhoede zijn,’ zei Lockridge tegen haar. In zijn armen voelde hij haar huiveren. Hij zou haar moeten kussen…of niet?

‘Kom, meisje.’ Jesper Fledelius legde zijn gorilla-arm om haar schouders. ‘Blijf maar bij mij. Wij Denen kunnen maar beter bij elkaar blijven te midden van dit Engelse geboefte.’ Zij verdwenen in de menigte.

In de loop van de dag had Lockridge geholpen verscheidene vliegtuigen door de poort te brengen. Het waren glanzende, eivormige toestellen, doorzichtig en niet bestaande uit een of ander materiaal, maar uit krachtvelden die zijn begrip te boven gingen. Elk ervan bood plaats aan twintig personen. Hij nam plaats op de voorste, naast Mareth. De mannen die zich er al op bevonden, haalden moeilijk adem, fluisterden gebeden of vloeken en wierpen als gevangen dieren verschrikte blikken om zich heen. ‘Zouden ze niet te bang zijn om te vechten?’ vroeg Lockridge in het Deens.

‘Nee, ik ken ze,’ zei Mareth. ‘Bovendien omvatten de inwijdingsriten een onbewuste conditionering. Hun angst zal omslaan in razernij.’

Geluidloos verhief het toestel zich van de grond en bewoog zich door de koel-witte, zoemende tunnelbuis. De andere volgden met een Wachter aan het instrumentenpaneel.

‘Waarom heb je nog niet meer versterkingen uit andere tijdperken gehaald,’ vroeg Lockridge, ‘nu je toch over deze tunnel kunt beschikken?’

‘Er zijn er geen,’ zei Mareth. Hij praatte afwezig, zijn handen bewogen zich boven de controlelampjes, zijn gezicht stond strak en gespannen. ‘De tunnel is hoofdzakelijk aangelegd omdat we een toegang tot juist deze tijd wilden hebben. Naar de toekomst strekt hij zich uit tot de achttiende eeuw, waar we in Indië een bastion hebben. De Gardisten zijn vooral actief in Engeland tussen de Normandische Verovering en de Rozenoorlogen en daarom hebben we geen enkele poort op de middeleeuwen — evenmin hebben we er veel in vroegere tijdperken wanneer de kritieke gebieden, de voornaamste strijdtonelen zich elders bevinden. Gedurende de gehele Jonge Steentijd en de Noordelijke Bronstijd hebben de poorten in feite geen ander doel dan als doorgangspost te fungeren. Het is eigenlijk een gelukkig toeval dat we er hier een hebben die in de tijd samenvalt met de tunnel in Denemarken.’

Lockridge had nog meer vragen willen stellen. Maar het meedogenloos snelle vliegtuig had het jaar dat zij zochten, al bereikt.

Mareth stuurde het uit de tunnel. Hij stapte even af om een blik op de kalenderklok in de kast te werpen. ‘Uitstekend!’ zei hij verbeten toen hij terugkwam. ‘We hebben geluk. Geen reden om te wachten. Het is nacht, de zon zal spoedig opgaan, het moet dicht bij het ogenblik zijn waarop zij gevangen werd genomen.’

Een krachtveld had de vloot bijeen gehouden terwijl zij de tijddrempel overschreden. Zij vlogen omhoog naar de toegang, die zich voor hen opende en zich achter hen weer sloot. Mareth stelde de apparatuur in op een vlucht boven de grond in oostelijke richting.

Lockridge keek om zich heen. In het maanlicht van de Steentijd strekten de Venen zich nog groter en woester uit. Verderop, aan de kust, ontdekte hij vissersdorpen, die stuk voor stuk Avildaro hadden kunnen zijn.

Dat was geen toeval. Voordat de Noordzee ontstond, kon men te voet van Denemarken naar Engeland komen; de Maglemose-cultuur vormde één geheel. Later bevoeren de scheepjes van de Maglemose-volken deze zee en vanuit het Zuiden kwamen de zendelingen van de Godin naar beide landen. De diaglossa in zijn linkeroor vertelde hem dat de stammen van Oost-Engeland en West-Jutland elkaar nog konden verstaan als zij langzaam spraken.

Verder naar het binnenland nam die verwantschap af. Noord-Engeland werd beheerst door de jagers en strijdbijlenmakers, wier centrum in Langdale Pike gelegen was, maar die over het gehele eiland heen handel dreven. De Theems vallei was kort tevoren op vreedzame wijze in bezit genomen door immigranten van de overzijde van Het Kanaal; de landbouwers in de zuidelijke heuvels keerden zich langzamerhand af van de bloeddorstige gebruiken waarom men hen vroeger had gemeden. Dat was wellicht te danken aan de invloed van een machtige, vooruitstrevende stammenbond in het zuidwesten, die ook een begin had gemaakt met de exploitatie van tinmijnen om daardoor kooplieden uit de beschaafde landen aan te trekken. De belangrijkste stam van dat verbond was het Bekervolk; kleine groepjes ervan maakten verre reizen en verhandelden brons en bier. Een oud tijdperk stierf in Denemarken, een nieuw ontstond in Engeland: dit westland bevond zich dichter bij de toekomst. Lockridge keek over zijn schouder, hij zag de rivieren en de onmetelijke wouden; als in een droom wist hij dat ze krioelden van miljoenen vogels, dat elanden er hun geweldige geweien schudden en dat de mensen er gelukkig waren. Plotseling had hij sterk het gevoel dat dit —het land was waar hij thuis hoorde.

Nee. Beneden hem golfde de zee. Hij was op weg naar huis, naar Storm.

De snelheid waarmee Mareth vloog, was laag omdat hij de zonsopgang wilde afwachten. Niettemin waren er slechts enkele uren verstreken toen zij de Limfjord in zicht kregen. ‘Attentie allemaal!’

De vliegtuigen gleden omlaag. Staalgrijs flitste het water onder hen door, dauw glinsterde op het gras en op de bladeren van een zomer die plotseling opnieuw geboren was, achter het heilige bosje werden de daken van Avildaro zichtbaar. Lockridge zag dat de Strijdbijl-mannen nog steeds op de velden rond het dorp kampeerden. Hij ving een glimp op van een schildwacht die met grote ogen van schrik bij een stervend wachtvuur stond en de andere mannen wakker schreeuwde.

Een glinsterend luchtvaartuig schoot van het plein bij het Lange Huis de lucht in. Brann had dus gelegenheid gehad zijn mannen te hulp te roepen. Onder de verblekende sterren knetterden verblindende bliksems, donderslagen rolden over het land.

Mareth schreeuwde een aantal bevelen in een onbekende taal. Een tweetal vliegtuigen viel het toestel van de Gardisten aan. Vlammen schoten omhoog, het toestel spatte als een zeepbel uiteen. Zwartgeklede figuurtjes tuimelden door de lucht en sloegen op de grond te pletter.

‘We gaan landen,’ zei Mareth tegen Lockridge. ‘Ze zijn niet op een aanval bedacht geweest en daarom zijn ze niet talrijk. Maar als ze om hulp vragen… We moeten de toestand snel in de hand zien te krijgen.’

Hij liet het vliegtuig langs de baai scheren, zette het aan de grond en schakelde het krachtveld uit. ‘Eruit!’ schreeuwde hij.

Lockridge was de eerste. De Engelsen sprongen hem na. Een tweede vliegtuig landde naast het zijne, aan het hoofd van de mannen die daaruit stroomden, bevond zich Jesper Fledelius. Zijn zwaard fikste door de lucht. ‘Voor God en koning Christiaan!’ brulde hij. De andere toestellen waren een stuk verder geland, in de weiden waar de Yüthoaz kampeerden. Nadat de mannen ze hadden verlaten, stegen ze weer op. Koelbloedig en onverschillig overzagen de Wachterspiloten het strijdtoneel, gaven hun bevelen door middel van de medailles en gebruikten hun manschappen als waren het schaakstukken.

Metaal kletterde tegen steen. Lockridge rende naar de hut die hij zich herinnerde. Ze was leeg. Vloekend keerde hij op zijn schreden terug en haastte zich naar het Lange Huis. Een tiental Yüthoaz bewaakten het. Hoewel de bovennatuurlijke verschijnselen hen angst aanjoegen, hielden zij met opgeheven bijl dapper stand. Brann kwam te voorschijn.

Op zijn gezicht lag een verontrustende grijns. In zijn hand flitste een energiepistool. Lockridge had zijn eigen wapen op verdediging afgesteld. Hij dook door de vuurfontein en wierp zich op de Gardist. Samen rolden ze over de grond. Zij verloren hun wapens en trachtten elkaar bij de keel te grijpen.

Fledelius hief zijn zwaard en sloeg toe. Een Yütho zakte bloedend ineen. Een tweede viel aan, de Deen pareerde de slag; op dat moment arriveerden zijn Engelse volgelingen en er ontbrandde een hevig gevecht.

Vanuit een ooghoek bemerkte Lockridge nog twee in het zwart geklede gestalten, vlammen flitsten en vonken spatten in het rond wanneer hun energiestralen de schilden raakten. Hij zelf had zijn handen vol aan Brann. De Gardist was onmenselijk sterk en handig. Maar plotseling zag hij wie Lockridge was. Zijn mond viel open van ontzetting. Hij liet los en maakte een afwerend gebaar. Lockridge gaf hem een slag tegen de strot, wierp zich boven op hem en bonkte zijn hoofd op de grond tot hij het bewustzijn verloor. Onmiddellijk sprong de Amerikaan overeind, zonder zich tijd te gunnen voor de vraag wat er zich achter dat hoge voorhoofd had afgespeeld. Elders achtervolgden Fledelius en zijn mannen de Yütho-schildwachten. De andere Gardisten lagen verkoold aan de voeten van Mareth en diens strijdmakkers. Lockridge sloeg geen acht op hen. Met een sprong was hij in het Lange Huis.

Binnen was het donker. Op de tast liep hij verder. ‘Storm,’ riep hij met trillende stem. ‘Storm, ben je daar?’

Als een schim lag zij in het duister geboeid op een verhoging. Hij voelde het koude zweet op haar naakte huid, scheurde de draden van haar hoofd, trok haar tegen zich aan en snikte. Gedurende een eindeloos moment bewoog zij zich niet en hij dacht dat zij dood was. Toen fluisterde zij: Je bent teruggekomen,’ en kuste hem.


13

<p>13</p>

Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door het woud, de vluchtelingen keerden naar huis terug en in Avildaro heerste vreugde.

Hoewel het overwinningsfeest tevens een begrafenisfeest was voor de gevallenen, was het daarom niet minder uitgelaten en vrolijk. De vreemdelingen, wier wapens van metaal de Yüthoaz hadden verdreven, werden eveneens uitgenodigd voor de feestelijkheden. Men verstond elkaar niet, maar wat deed dat ertoe? De geur van gebraden speenvarkens, het vriendelijke grijnzen van de mannen, de lichamen van de vrouwen spraken een duidelijke taal.

Alleen het Lange Huis werd door iedereen gemeden. Want daar verbleven de groene goden die hun volk hadden bevrijd. Vlees en drank werden bij de deur neergezet en iedere volwassen man dong naar de eer er op post te mogen staan als dienaar of boodschapper. Op de tweede middag van het feest kwam een van hen naar Lockridge toe die op een weide toekeek bij het dansen, en zei hem dat hij ontboden werd.

Brandend van ongeduld begaf hij zich op weg. Zijn bezorgdheid om Storm had hem verhinderd van ganser harte aan de feestvreugde deel te nemen. Nu kwam men hem zeggen dat de Vrouwe van de Maan hem wenste te spreken.

Het zonlicht, de geur van bos, rook en zout water, het geschreeuw en het gezang in de verte, dat alles verdween uit zijn bewustzijn toen hij het huis betrad. Het heilige vuur was nog niet opnieuw ontstoken; er was beloofd dat Zij die ritus zou voltrekken op het moment dat Haar goed dacht. Glanzende bollen verlichtten het huis, de ruwe balken en zuilen staken scherp af tegen de beroete wanden, de uitgespreide vachten glansden alsof ze levend waren. Zeven Wachters zaten op een verhoging. en wachtten op hun koningin. Zij verwaardigden zich met Lockridge te groeten. Allen stonden echter op toen Storm verscheen. Het achterste gedeelte van het huis was nu afgeschut, niet door een stoffelijk scherm, maar door een energiegordijn dat alle licht absorbeerde. Naast dat zwarte scherm leek het alsof zij in brand stond.

Of nee… zij schitterde, dacht Lockridge duizelend, zoals de zee, die ook aan de Godin toebehoorde. De beproeving van drie dagen en nachten in de psychosonde was haar nog aan te zien, de hoge jukbeenderen staken scherp naar voren, de groene ogen gloeiden koortsachtig. Maar haar houding was kaarsrecht en het blauwzwarte haar golfde glanzend om haar gebruinde gezicht en hals. Uit de tijdpoort van koning Frodhi had men een gewaad gehaald dat bij haar tijd en positie paste. Blauw en doorschijnend viel het tot op haar koperen energiegordel; daaronder waaierde de rok breed uit tot op haar enkels; de blauwe kleur ging langzaam over naar purper, zilveren emblemen waren erin geweven die tegelijk schuimkoppen en slangen voorstelden. Haar mantel, die opgehouden werd door een gesp in de vorm van een labrys, was afgezet met sneeuwwitte voering, de buitenkant was echter grijs en er waren donderkoppen en schapewolkjes in geweven. Haar gouden schoeisel was bespikkeld met diamantstof. Een halve maan van gehamerd zilver kroonde haar voorhoofd.

Zij was in gezelschap van Mareth. Hij zei iets tegen haar in de taal van de Wachters. Met een ongeduldig gebaar onderbrak Storm hem. ‘Spreek zo, dat Malcolm je kan verstaan,’ beval zij in het Orugaray.

Mareth keek ontdaan. ‘Dat varkenstaaltje, Stralende?’ ‘Kretenzisch dan. Dat is deftig genoeg.’

‘Maar, Stralende. Ik wilde u verslag uitbrengen over…’ ‘Het is noodzakelijk dat hij het weet.’ Storm gaf hem gelegenheid deze vernedering te verwerken terwijl zij op Lockridge toeliep. Zij glimlachte. Onhandig boog hij om de hand die zij hem toestak, te kussen.

‘Ik heb je nog niet bedankt voor wat je hebt gedaan,’ zei Storm. ‘Maar woorden schieten tekort. Je hebt meer gedaan dan mij gered. Je hebt een grote overwinning behaald voor onze gehele zaak.’

‘Daar… daar ben ik erg blij om,’ stotterde hij.

‘Neem plaats, als je wilt.’ Lenig als een kat keerde zij zich van hem af en begon door de zaal heen en weer te lopen. Haar voetstappen waren onhoorbaar op de harde grond. Met knikkende knieën liet Lockridge zich naast een Wachter op een bank neer; opeens vol ontzag knikte de man hem vriendelijk toe.

Een levendige uitdrukking gleed over Storms gezicht. ‘We hebben Brann levend te pakken,’ zei zij. Zij sprak de zachte Kretenzische taal op een welluidende manier. ‘De informatie die we van hem krijgen, biedt ons de mogelijkheid om gedurende de komende duizend jaar in Europa de overhand te behouden. Mareth, ga je gang.’

De priester-tovenaar was blijven staan. ‘Ik begrijp niet hoe u het hebt kunnen volhouden, Stralende,’ zei hij. ‘Brann begint al door te slaan. Hij geeft zijn geheimen nu nog maar druppelsgewijs prijs, maar spoedig zullen ze bij stromen loskomen.’

‘Zover had hij mij ook al,’ zei Storm grimmig. ‘Als hij van die inlichtingen gebruik had kunnen maken…. nee, ik wil er niet meer aan denken.’

Lockridge wierp een blik op het donkere scherm en wendde vervolgens zijn ogen weer haastig af. Zijn maag kromp ineen. Daarachter lag Brann.

Wat daar voorviel, wist hij niet precies. Maar zeker geen martelingen. Tot zoiets zou Storm zich niet verlagen; het was trouwens een primitieve methode en waarschijnlijk zelfs nutteloos, gezien het sterke en geconditioneerde zenuwgestel en de onwrikbare wilskracht van de meesters der toekomst. Storm was onder narcose gebracht; energiestoten hadden de meest intieme gedeelten van haar hersenen omgewoeld. Het was niet dodelijk, maar de persoonlijkheid werd erdoor uitgeschakeld en een griezelig denkautomatisme in gang gezet, zodat stukje bij beetje alles wat zij ooit geweten en gedaan had, alles wat zij droomde en was, aan de oppervlakte kwam en in de moleculen van een opnameband werd vastgelegd.

Het was iets dat men geen levend wezen mocht aandoen. Maar verdraaid nog-an-toe! Brann kreeg nu een koekje van eigen deeg, hij heeft zoveel vrienden van mij gedood, die hem nooit een strobreed in de weg hadden gelegd. Het is tenslotte oorlog!

Mareth verzamelde al zijn waardigheid. ‘Goed,’ begon hij. ‘We zijn nu geïnformeerd over de huidige situatie, aangezien daarop heel zijn aandacht geconcentreerd was. Toen Lockridge door de tunnel ontsnapte, had Brann er natuurlijk geen vermoeden van welke hulp ons in Engeland ter beschikking stond. Hij maakte zich echter zorgen over de mogelijkheid dat Lockridge de Wachters op een of andere wijze zou kunnen inlichten over de gebeurtenissen. Daarom alarmeerde Brann zijn agenten in alle perioden van de Deense geschiedenis. Zij zijn ongetwijfeld… eh… nog steeds op zoek naar onze man, en attent op alles wat zou kunnen wijzen op een door de Wachters georganiseerde reddingsexpeditie.

Maar ondertussen moest hij enkele risico's tegen elkaar afwegen: moest hij Uwe Stralende naar een andere plaats en tijd overbrengen, of moest hij u hier houden? Omdat hij bepaalde redenen had om aan te nemen dat Lockridge hem uiteindelijk toch niet aan ons zou verraden, besloot hij hier te blijven, tenminste gedurende enige tijd. Dit is een verafgelegen en maar zelden bezocht milieu. Indien hij een handjevol Gardisten te hulp riep en verder het Strijdbijl-volk als zijn voornaamste hulptroepen bij de hand hield, moest hij toch betrekkelijk veilig zijn voor ontdekking.

Maar het resultaat is dat hij nu onze gevangene is, en zonder dat zijn organisatie er een vermoeden van heeft. Wanneer we eenmaal met hem klaar zijn, zullen we over de informatie beschikken die nodig is om verrassingsaanvallen op touw te zetten tegen Gardistenposities overal in de tijd, afzonderlijke agenten in de val te laten lopen, hun bolwerken te vernietigen — kortom, hun de zwaarste slag van de gehele oorlog toe te brengen.’

Storm knikte. ‘Ja. Ik heb mijn gedachten daar al over laten gaan,’ zei zij. ‘We kunnen de vijand in de waan brengen dat wijzelf meteen vertrokken zijn, terwijl we in werkelijkheid hier blijven. Brann had gelijk als hij meende dat dit een goede operatiebasis is. Alle aandacht is op Kreta, Anatolië en Indië gevestigd. De Gardisten zijn van mening dat de vernietiging van die beschavingen een zware slag voor ons zal zijn. Laat hen maar in die overtuiging. Laten ze hun krachten maar verspillen aan het bevorderen van een Indo-Europese immigratie die toch niet te voorkomen is. Beide partijen zijn geneigd geweest het Noorden te veronachtzamen.’

Met lange passen liep zij door de zaal, haar mantel zwierde om haar gestalte. Zij balde haar rechtervuist en sloeg haar handen ineen. ‘Ja,’ riep zij. ‘Stuk voor stuk zullen we onze strijdgroepen hier samentrekken. We kunnen ongestoord aan dit deel van de wereld de gewenste vorm geven. Er is geen bewijs dat we dat niet gedaan hebben; de mogelijkheid staat wijd open. Wat zal er in het Zuiden ooit bekend worden van wat de barbaren hier in dit verre achterland uitvoeren? Als de Bronstijd aanbreekt, zal hij óns stempel dragen, zal hij óns mensen en materiaal leveren, zal hij Wachters-bases verbergen. Het is niet uitgesloten dat de laatste beslissende stoot hiervan uit zal gaan!’

In een opwelling van energie keerde zij zich naar hen toe en gaf kortaf haar bevelen. ‘We moeten zo snel mogelijk gewapende groepen van inheemsen opleiden om iedere culturele inmenging te verhinderen. Jusquo, bekijk eens over welke middelen we beschikken om dat te realiseren, en doe me morgen voorstellen daartoe. Sparian, haal die Engelsen uit die zwijnentroep en maak er een bewakingstroep van. Zij zijn echter te opvallend; we moeten hen niet langer hier houden dan noodzakelijk is. De tijdpoort in hun land wordt op liet moment niet bewaakt, hè ? Urio, neem enkelen van hen mee en vlieg erheen; leer hen om er wacht te lopen gedurende de weken dat de poort nog open blijft. Het is mogelijk dat we hem nog als vluchtweg nodig hebben. In ieder geval moeten we Kreta laten weten dat we hier zijn, en overleg met hen plegen. Radioverbindingen en telepathisch contact zijn te riskant. Zarech en Nygis, maak je klaar om er na het invallen van de duisternis zelf heen te vliegen. Chilon, stel een programma op om gedetailleerde informatie te verzamelen over dit gehele gebied. Mareth, jij blijft toezicht houden op het werk met Brann.’

Zij ving de uitdrukking op hun gezicht op. Ongeduldig zei zij: ‘Ja, ja, ik weet dat jullie post in de zestiende eeuw is en dat jullie niet geschikt zijn voor deze tijd. Maar je zult het moeten leren. De basis op Kreta heeft al genoeg te doen. Zolang de reorganisatie niet goed op gang is gekomen, kunnen zij geen mens missen. Als we om hulp gaan zitten roepen, bieden we de vijand te veel kans om te ontdekken wat er gaande is.’

De achtste Wachter stak zijn hand op.

‘Ja, Hu?’ zei Storm.

‘Moeten we geen bericht sturen naar onze eigen tijd, Stralende?’ vroeg de man eerbiedig.

‘Natuurlijk. Maar dat kan vanuit Kreta gebeuren.’ Haar jade-groene ogen vernauwden zich. Zij legde haar vingers tegen haar kin en zei zachtjes: ‘Jijzelf zult langs een andere route naar huis gaan — met Malcolm.’

‘Wat?’ riep Lockridge verschrikt.

‘Weet je het niet meer?’ zei Mareth. Hij krulde zijn lippen. ‘We hebben geconstateerd dat hij het je zelf heeft verteld. Jij bent naar hem toegegaan en hebt haar aan hem verraden.’ ‘Ik… ik…’ Lockridge duizelde.

Storm kwam naar hem toe. Hij stond op. Zij legde een hand op zijn schouder en zei: ‘Misschien heb ik het recht niet dit van je vragen. Maar we kunnen het feit niet negeren. Op een of andere manier zul jij Brann in zijn eigen land opzoeken en hem vertellen waarheen ik gevlucht ben. Zo zul jij de eerste schakel zijn in de keten van gebeurtenissen die tot zijn nederlaag voert. Wees er trots op. Het is slechts aan weinigen gegeven om noodlot te zijn.’

‘Maar ik weet niet… vergeleken met hem — of met jou — ben ik maar een onbeschaafde wilde…’

‘Ikzelf ben ook een schakel in de keten — geboeid in het duister,’ fluisterde Storm. ‘Mijn geest zal altijd de littekens ervan blijven dragen. Denk je dat ik het niet anders zou willen? Maar we hebben alleen deze weg, en we móeten hem gaan. Dit is het laatste dat ik van je vraag, Malcolm, en het grootste. Daarna mag je naar je eigen land terugkeren. En ik zal je nooit vergeten.’

Hij balde zijn vuisten. ‘Okay, Storm,’ wist hij met moeite in het Engels eruit te brengen. ‘Voor jou zal ik het doen.’ Haar glimlach, vriendelijk en een heel klein beetje bedroefd, vertolkte een grotere dankbaarheid dan hij meende te verdienen.

‘Ga maar terug naar het feest,’ zei zij. ‘Wees gelukkig zolang je kunt.’

Hij boog en verliet struikelend het Lange Huis.

De zon verblindde hem. Hij had geen zin om zich bij de uitgelaten menigte te voegen, te veel verwarrende gedachten bestormden hem. Hij slenterde langs de kust en verdween na korte tijd achter een heuvel uit het zicht van het dorp. Eenzaam bleef hij staan en staarde uit over de baai. Kleine golfjes klotsten tegen de oever, witte meeuwen zwenkten door de blauwe lucht, in de eik achter hem zong een lijster. ‘Lynx.’

Hij keerde zich om. Auri kwam naar hem toe. Zij droeg de kleding van haar volk weer, een rok van boombast, een schoudertas van vossebont, een barnstenen halsketting. Daarbij was als een onderscheidingsteken de koperen armband gekomen die van Echegon, de hoofdman, was geweest en die strak om haar pols gewonden was. Een gouden krans van paardebloemen was in haar wapperende, door de zon verschoten haar gevlochten. Maar haar lippen trilden en tranen blonken in de hemelsblauwe ogen.

‘Zeg, wat is er aan de hand, kleintje? Waarom ben je niet bij het feest?’

Zij kwam naast hem staan en sloeg haar ogen neer. ‘Ik heb je gezocht.’

‘Ik ben voortdurend in de buurt geweest, behalve toen ik met De Storm sprak. Maar jij … ’ Nu dat hij erover nadacht, herinnerde Lockridge zich ineens dat hij Auri niet had zien dansen of zingen of met iemand naar het bos had zien gaan. In plaats daarvan had zij wat om de menigte heen gezworven als een troosteloos schimmetje. ‘Wat mankeert eraan? Ik heb iedereen verteld dat de vloek van je weggenomen is. Geloven ze mij niet?’

‘Jawel,’ zuchtte zij. ‘Na alles wat er gebeurd is, vinden ze mij gezegend. Maar ik wist niet dat een zegen zo'n zware last kon zijn.’

Misschien alleen omdat hij zijn eigen zorgen wilde vergeten, ging Lockridge zitten en liet haar aan zijn borst uithuilen. Hakkelend kwam het verhaal eruit. Het was heel eenvoudig: haar reis door de onderwereld had haar vervuld met mana. Zij was een vat geworden waarin onbekende Machten woonden. Wie weet met welk doel de Godin haar had uitverkoren. Wie zou het daarom wagen zich met haar in te laten? Niet dat men haar vermeed, of iets van dien aard. Nee, zij was een voorwerp van verering geworden. Zonder bedenken zouden zij alles doen wat zij vroeg, behalve haar behandelen als een van hunsgelijken.

‘Het is niet… omdat ze… niet van me willen houden. Ik kan… op jou wachten… of op iemand anders, als jij echt niet wilt. Maar… wanneer ze mij zien… houden ze op met lachen…’

‘Arm kindje,’ zei Lockridge zachtjes op de toon die zijn moeder vroeger gebruikte. ‘Arm liefje. Je bent wel bar slecht beloond.’

‘Ben jij bang van me, Lynx?’

‘Nee, natuurlijk niet. Daarvoor zijn we veel te lang bij elkaar geweest.’

Auri drukte zich tegen hem aan. Zij verborg haar gezicht tegen zijn schouder en stotterde: ‘Als ik van jou was, zouden… zouden zij… weten dat het goed was. Zij zouden weten dat het de wil van de Godin was die in vervulling was gegaan. Dan zou ik mijn plaats bij hen weer kunnen innemen. Nietwaar?’

Hij durfde niet toegeven dat dat volkomen juist was. Men zou haar altijd met bijzondere onderscheiding blijven behandelen. Maar wanneer haar nu nog onbekende lotsbestemming eenmaal op een voor ieder duidelijke manier vervuld was, zou zij weer een gewoon menselijk wezen zijn en de eerbied zou plaats maken voor normale, onbekommerde vriendschap.

‘Ik denk dat een andere man mij nooit meer zal durven aanraken,’ zei Auri. ‘Maar dat is best. Ik wil niemand anders dan jou.’

Vervloekte idioot dat je bent! schold Lockridge zichzelf uit. Vergeet haar leeftijd. Zij is geen Amerikaans schoolmeisje. Zolang ze leeft, heeft ze geboorte en liefde en dood gezien, ze heeft gezworven in de bossen waar wolven zijn, ze heeft in stormweer huidenkano's voortgepeddeld, ze heeft met stenen graan gemalen en met haar tanden huiden geprepareerd, ze heeft ziekten overleefd, de winters van de Noordzee, een oorlog, ze heeft een tocht gemaakt waarvan de meeste volwassen mannen het op de zenuwen zouden hebben gekregen. Meisjes jonger dan zij — en zij is ouder dan Shakespeare's Juliet — zijn al moeder. Kun je die idiote vooroordelen niet van je afzetten en haar tenminste deze ene vriendendienst bewijzen?

Nee. Die dag in het bootje had hij op het punt gestaan zich gewonnen te geven. Maar nu zag hij zich voor een afschuwelijk dilemma geplaatst. De gedachte aan Storm was het enige dat hem kon helpen bij zijn besluit te blijven. Indien hij levend terugkeerde, zou hij als beloning vragen dat hij alles mocht opgeven om haar te volgen. Hij wist dat het haar onverschillig liet wat hij deed met een vrouw die hij toevallig op zijn weg ontmoette. Maar hém liet het niet onverschillig. Dat was onmogelijk.

‘Auri,’ zei hij, terwijl hij zijn lompheid verwenste, ‘mijn taak is nog niet ten einde. Ik moet spoedig vertrekken om Haar zaken te behartigen en ik weet niet of ik ooit terug zal keren.’

Haar adem stokte, zij klemde zich aan hem vast en snikte hartverscheurend. ‘Neem me met je mee! Neem me mee!’ Een schaduw viel op hen neer. Lockridge keek op. Storm stond naar hen te kijken. Zij droeg de staf van de Wijze Vrouw, die met hagedoorn was versierd; blijkbaar had zij het Lange Huis verlaten om het volk dat haar nu toebehoorde, te zegenen. Het zwarte haar, het blauwe gewaad en de grijze mantel wapperden in een plotseling opstekend briesje om haar hoge gestalte.

Haar glimlach was ondoorgrondelijk, maar anders dan de glimlach die ze hem in het Lange Huis had geschonken. ‘Ik geloof,’ zei zij op een wat scherpe toon, ‘dat ik de wens van dit kind maar zal vervullen.’


14

<p>14</p>

Hu de Wachter verwachtte op de thuisreis geen moeilijkheden. Het stond vast dat Lockridge tot Brann zou doordringen in de periode tussen Storms vertrek naar de twintigste eeuw en de vernietigende tegenaanval van haar vijand. Dat feit lag verankerd in de wereldgeschiedenis.

De details ervan waren echter onbekend. (Evenals de afloop, dacht Lockridge somber. Zou hij het er levend afbrengen of niet? Door de onzekerheidsfactor van de tijdpoorten was het onmogelijk dat van te voren te controleren.) Maar indien agenten van de Gardisten Hu's gezelschap zouden opmerken, zouden ze er op zijn minst genomen toch te veel uit kunnen afleiden. Daarom ging hij omzichtig te werk.

Zelfs bij daglicht, zonder vijanden die hen op de hielen zaten en in gezelschap van een held en een god, was Auri bang voor het graf dat de ingang naar de tunnel maskeerde. Lockridge zag hoe wanhopig zij was en hoe zij verstijfde. ‘Probeer nog één keer dapper te zijn, zoals je het ook vroeger geweest bent,’ zei hij.

Ontdaan maar dankbaar glimlachte zij hem toe.

Lockridge had zich tegen Storms beslissing verzet. De koningin van de Wachters had haar gebiedende houding laten varen en vriendelijk gezegd: We hebben nauwkeurige informatie nodig over deze cultuur. Antropologische aantekeningen alleen zijn niet voldoende; we moeten hun psyche in diepte ontleden om te voorkomen dat we afschuwelijke fouten maken nu we zo nauw met hen in contact treden als in mijn bedoeling ligt. Ervaren specialisten kunnen veel te weten komen door het observeren van een typische vertegenwoordiger van een primitieve samenleving, die met de beschaving in aanraking komt. En waarom zouden we haar niet daarvoor gebruiken? Na alle vroegere ervaringen zal het haar echt niet méér schade doen. Zou jij iemand anders in zo'n abnormale situatie willen plaatsen?’ Hij had daar niets tegen in kunnen brengen.

De aarde opende zich en zij daalden omlaag in de tunnel. Op hun reis naar de toekomst ontmoetten zij niemand. Maar in de zevende eeuw na Christus bracht Hu hen weer naar de oppervlakte. ‘Bij deze poort regeert Frodhi over de Deense eilanden,’ legde hij uit. ‘Bovendien heerst er hier vrede op het vasteland en de Wanen — de oudere aarden watergoden — zijn minstens nog even sterk als de Asen. Een eindje verder zullen de Gardisten ons terugdrijven, dan beginnen ook de tochten van de Noormannen. Er bestaat heel veel kans dat we in dat deel van de tunnel vijanden tegenkomen.’

Lockridge dacht aan de mannen met wie hij gestreden had, en trok een bedenkelijk gezicht.

In de buitenwereld was het winter, een dik pak sneeuw lag onder de kale bomen van het nog altijd onafzienbare woud, de lucht was koud en egaal grijs. ‘We kunnen onmiddellijk verder,’ besliste Hu, ‘we zijn veilig voor waarneming vanaf de grond. Niet dat het erop aankomt indien een of andere inboorling ons zou zien. Maar toch… ’ Hij raakte de knoppen van zijn zwaartekrachtgordel aan en tezamen stegen zij omhoog.

‘Lynx, waar zijn we?’ riep Auri uit. ‘Zo iets moois kan niet bestaan!’

Lockridge, die gewend was aan het schouwspel van wolken die er van boven uitzagen als witte bergen met blauwe schaduwen, had meer belangstelling voor de vraag hoe zij het tijdens hun vliegreis door deze ijskoude lucht zo warm konden hebben. Een verwarmingstoestelletje? Maar toen hij de ogen van het meisje zag stralen, benijdde hij haar een beetje. Het deed hem goed haar weer te horen lachen. Denemarken verdween achter hen. Duitsland, het grensland van de christenheid, lag eveneens onder een dik wolkendek verborgen, maar een uur later begonnen de Alpen scherp tegen de horizon af te steken. Hu bepaalde zijn positie en korte tijd later daalde hij met zijn gezellen door de wolken heen omlaag. Lockridge zag een dorpje liggen — houten hutten bedekt met plaggen en omringd door een palissade — midden in een overigens verlaten winters landschap. De bodem was heuvelachtig, donkere riviertjes doorsneden een dunne deken van sneeuw, langs de oevers van de meren lagen ijsschotsen. Dit was het land dat eens Beieren zou heten.

Hu vloog zo snel hij kon, in een lange glijvlucht daalde hij af naar een hoge bergkam. Toen zij de grond hadden bereikt, slaakte hij een uiterst menselijke zucht van opluchting. ‘Thuis!’ zei hij.

Lockridge keek om zich heen. De rotsachtige en sombere woestenij maakte een benauwende indruk op hem. ‘Nou, ieder zijn meug.’

Een lichte geprikkeldheid tekende zich af op Hu's fijne gelaatstrekken. ‘Dit is het land van de Koriach; in de toekomst zal het een van haar domeinen zijn en daarom behoort het haar in alle tijden toe. In deze omgeving zijn niet minder dan zeven tunnels gebouwd. Een ervan heeft een poort die tot deze kwarteeuw toegang geeft.’

‘Maar niet op mijn eigen tijd, hè? En daarom kon zij vanuit Amerika niet naar Duitsland gaan. Maar ik vraag me af waarom ze niet op het idee gekomen is om langs deze route vanuit neolithisch Denemarken terug te keren, in plaats van via Kreta.’

‘Gebruik je verstand!’ viel Hu uit. ‘Na de ontmoeting met de Gardisten in die tunnel — jij was er bij, je zou het moeten weten — achtte zij de mogelijkheid dat zoiets nog eens zou gebeuren, te groot. Nu echter, nu we Brann hebben, is deze route betrekkelijk veilig.’ Hij liep weg. Lockridge en Auri gingen achter hem aan. Het meisje huiverde, de bevroren grond knerpte onder haar blote voeten.

‘Hé, zo gaat het niet,’ zei Lockridge. ‘Kom hier.’ Hij tilde haar op en zij nestelde zich tevreden in zijn armen.

Ver hoefden ze niet te gaan. In een ondiepe grot opende Hu de grond. Het licht van het toegangspad vermengde zich met het grijze daglicht.

In een stilte die het pulseren van de krachtvelden nog luider deed klinken, reden zij naar de toekomst. Eenmaal moesten zij overstappen, waarbij zij door een poort naar een tunnel gingen die, materieel gesproken, in de drieëntwintigste eeuw bestond, en vandaar door een tweede poort naar de tunnel die Hu hebben moest. Lockridge's pols begon sneller te kloppen en zijn mond werd droog.

Aan het einde vonden zij aan de andere zijde van de drempel een voorvertrek dat ruimer was dan alle andere die Lockridge had gezien. De vloer was met dikke tapijten bedekt; tussen de talrijke kasten hingen rode draperieën. Vier in het groen geklede schildwachten brachten toen Hu verscheen, als groet hun pistool aan het voorhoofd. Zij leken absoluut niet op hem, maar onderling vertoonden zij een merkwaardige gelijkenis: klein, fors, met platte neuzen en zware kaken.

Hu negeerde hen, zocht in een kast en haalde twee diaglossa's te voorschijn. Lockridge haalde zijn diaglossa van de hervormingstijd uit zijn oor om plaats te maken voor de nieuwe. ‘Geef die maar aan mij,’ zei Hu.

‘Nee, ik houd ze,’ antwoordde Lockridge. ‘Ik wil later weer met mijn makker Jesper kunnen praten.’

‘Versta je me?’ zei Hu. ‘Ik heb je een bevel gegeven.’ De schildwachten kwamen dichterbij.

Lockridge verloor zijn geduld. Je weet wat je kunt doen met je bevelen,’ zei hij, ‘als je begrijpt wat ik bedoel. Ik gehoorzaam uitsluitend aan haar — en aan niemand anders.’ Even leek het alsof de Wachter in de houding zou springen. Zijn gezicht verstrakte. ‘Zoals u wilt.’

Lockridge besloot van deze overwinning te profiteren. ‘En zou je me ook een broek willen bezorgen? Dit neolithische geval heeft geen zakken.’

‘U krijgt straks een gordel met tasjes. Volgt u me maar… alstublieft.’

De schildwachten hadden het gesprek, dat in het Kretenzisch was gevoerd, niet kunnen volgen. Maar het was verontrustend om te zien hoe zij als het ware voelden wat er gebeurde; zij weken achteruit. Lockridge bevestigde de nieuwe diaglossa in zijn oor en op de wijze die hij zich inmiddels wat eigen had gemaakt, activeerde hij zijn hersenen om de gegevens te verzamelen die op dit nieuwe milieu betrekking hadden.

Talen: twee belangrijke, een Oostelijke en een Westelijke, Wachterstaal en Gardistentaal; onder de lagere standen van beide rijken leefden nog andere talen voort. Godsdienst: hier een mystiek, ritualistisch pantheïsme, waarin Zij het symbool en de belichaming was van al het goddelijke; bij de vijand alleen een kille, materialistische wereldbeschouwing. Regeringsstelse hij walgde van de stroom gegevens over het Gardistengebied: slaven die tot levende machines waren gemaakt ten behoeve van de weinige heersers. Ten aanzien van de Wachters kreeg hij maar weinig informatie. Het was blijkbaar geen democratie, maar hij kreeg de indruk dat het een welwillende hiërarchische structuur was, waar de wetten eerder op traditie berustten dan op formele vernieuwingen, waar de macht verdeeld was onder aristocraten die één waren met hun volk, meer als priesters of vaders dan als meesters. Of als priesteressen, moeders, meesteressen? De vrouwen namen een overheersende positie in. Aan de top stonden de Koriachs, die — nou ja — iets waren dat het midden hield tussen een paus en een Dalai Lama? Nee, ook dat eigenlijk niet. Vreemd hoe alles in het vage was gehouden. Misschien kregen bezoekers mondelinge uitleg over de plaatselijke omstandigheden.

Toen bevond Lockridge zich in het paleis en hij vergat zijn twijfels.

Zij hadden niet het hellende toegangspad genomen, maar waren omhoog gevlogen via een schacht die ze hoog in het gebouw weer verlieten. Voor hen strekte zich blinkend een weidse vloer uit, groenblauw van kleur en ingelegd met figuren van vogels, vissen, slangen en bloemen, die bedrieglijk levensecht waren. De vloer voelde warm en zacht aan onder hun voeten. Zuilen van jade en kristal rezen tot een ongelooflijke, duizelingwekkende hoogte, waar ze uitbloeiden in kapitelen van met edelstenen bezaaid gebladerte. Maar niet minder mooi waren de planten die op de grond rond de zuilen en rond de fontein in het midden groeiden. De meeste van die rode, paarse en gele zoet geurende bloemen waren hem onbekend; tweeduizend jaar na zijn eigen tijd had de wetenschap nieuwe bronnen van vreugde voortgebracht. Het kleurrijke, gewelfde plafond was doorschijnend; het oog werd getrokken naar een koepel waarin alle kleuren van de regenboog speelden en waardoor men, zo leek het, een blik wierp in de oneindigheid; geen enkele kathedraal had ooit een zo indrukwekkend en heerlijk raam bezeten. De muren waren transparant en Lockridge zag een landschap met tuinen, terrassen, boomgaarden, parken en heuvels in stralend zomerlicht. En… wat was dat reusachtige majesteitelijke dier met gebogen slagtanden? Het kwam onder de bomen uit en deed een roedel herten vlakbij als het ware in het niet verzinken… een mammoet, hierheen gebracht over een tijdspanne van twintigduizend jaar als een symbool van Haar grootheid?

Zeven knapen en zeven meisjes, als tweelingen op elkaar gelijkend, slank en schoon in hun naaktheid, knielden voor Hu. ‘Welkom,’ zeiden zij in koor, ‘welkom, gij die het Mysterie dient.’

Niet meer dan één avond durfden de Wachters Lockridge toestaan voordat hij zijn opdracht ging uitvoeren. Als verklaring gaven zij dat er te veel spionnen rondzwierven. Luxueus gekleed zat hij met Auri op iets dat noch een stoel, noch een bank was, maar dat zich doorlopend volmaakt aan de omtrek van hun lichaam aanpaste. Zij genoten van hem onbekende spijzen die een onovertroffen smaak hadden. De wijn was al even voortreffelijk en hij geraakte erdoor in een toestand van dromerig welbehagen. ‘Zit er een verdovend middel in?’ vroeg hij, maar Hu zei: ‘Laat je vooroordelen varen. Waarom zou je niet een onschadelijk genotmiddel gebruiken?’ De Wachter vertelde vervolgens over dranken en reukwerken die de menselijke geest toegang verschaften tot het bewustzijn van Haar werkelijke aanwezigheid in alles wat bestond. ‘Maar die zijn voor de grote plechtigheden gereserveerd. De mens is te zwak voor een langdurig besef van de godheid in zichzelf.’

‘Vrouwen kunnen het vaker verdragen,’ zei Vrouwe Yuria. Zij nam in Storms raad een vooraanstaande plaats in; zij was blond, had ogen als viooltjes, maar in haar Dianagezicht en -gestalte was de verwantschap duidelijk herkenbaar. Er zaten meer vrouwen dan mannen in de regering en het was duidelijk dat vrouwen overal voorrang hadden. De familiegelijkenis was echter bij allen te vinden, beide seksen waren knap, vitaal en zonder een spoor van veroudering. Hun conversatie was een flonkerend woordenspel, dat Lockridge al spoedig niet meer kon volgen; hij gaf de poging om eraan deel te nemen op, leunde achterover en genoot ervan zoals hij van muziek genoten zou hebben. Later kon hij zich geen goed idee vormen van wat er nu eigenlijk was gezegd. Vervolgens gingen zij naar een andere zaal, waar kleuren in een hypnotiserend ritme over vloer en wanden gleden. Bedienden liepen geruisloos rond met schalen vol verversingen, maar Lockridge kon nergens de bron ontdekken van de muziek waarop zij dansten. Van zijn diaglossa leerde Lockridge de ingewikkelde passen en de Wachtersdames waren meegaand in zijn armen; hun bewegingen voegden zich naar de Zijne totdat de twee lichamen zich als één bewogen. Ofschoon de toonladder hem vreemd was, voelde hij zich door deze muziek dieper ontroerd dan door alle andere muziek die hij in zijn leven had gehoord.

‘Ik denk dat jullie subsonische trillingen tussen het geluid door mengen,’ merkte hij op.

Yuria knikte. ‘Natuurlijk. Maar waarom moet je voor alles een naam en een verklaring hebben? Is de werkelijkheid niet voldoende?’

‘Neem me niet kwalijk. Ik ben maar een barbaar.’

Zij glimlachte en trok hem bij de figuur die zij dansten, dichter naar zich toe. ‘Niet “maar”. Ik begin te begrijpen waarom de Koriach jou haar gunst geschonken heeft. Slechts weinigen van ons — en ikzelf zeker niet — zouden zulke avonturiers kunnen zijn als zij en jij.’

‘Eh… dank je.’

‘Ik heb opdracht voor je vriendinnetje te zorgen — kijk, ze is in slaap gevallen — maar vannacht zal ze mij niet nodig hebben. Zou je de nacht met mij willen doorbrengen?’ Lockridge had gedacht dat hij alleen naar Storm verlangde, maar Yuria leek zoveel op haar, dat heel zijn wezen verlangend ‘ja’ schreeuwde. Hij had al zijn wilskracht nodig om uit te leggen dat hij de volgende dag uitgerust moest zijn. ‘Wanneer je terugkomt dan?’ nodigde Yuria hem uit. ‘Het zal mij een eer zijn.’ De muziek, de wijn en deze vrouw namen elke twijfel of hij wel zou terugkeren, van hem weg. Vrouwe Tareth danste voorbij met Hu en riep vrolijk: ‘Reserveer wat tijd voor mij, soldaat!’ Haar partner grinnikte zonder enige jaloersheid. Het huwelijk was een lang vergeten instelling. Op een keer had Storm een beetje boos opgemerkt dat vrije mensen geen eigendomsrechten op elkaar mochten doen gelden.

Vroeg en gelukkig ging Lockridge naar bed. Hij sliep zoals hij niet meer had gedaan sinds hij een pasgeboren baby was.

De morgen was minder vrolijk. Hu drong erop aan dat hij opnieuw een opwekkend middel zou innemen. ‘Je moet ervoor zorgen dat je geest niet door angst wordt vertroebeld,’ zei de Wachter. ‘Het zal in het gunstigste geval een moeilijke en gevaarlijke onderneming worden.’

Zij gingen naar buiten om wat te oefenen met de apparaten die de Amerikaan zou gebruiken, zodat de theoretische kennis die de diaglossa hem verschafte, meer realiteit voor hem zou krijgen. Zij vlogen hoog over een eindeloos parklandschap. Tegen het einde van hun tocht ontdekte Lockridge een lichtgrijze toren. Boven op de vijfhonderd meter hoge top stond het ankh-symbool, dat leven betekent: twee uitgespreide vleugels met daarboven een gouden wiel. ‘Is dat aan de rand van een stad?’ vroeg hij.

‘Spreek me niet van steden,’ zei Hu driftig. ‘Alleen de Gardisten bouwen die smerige holen. Wij laten de mensen dicht bij de aarde, hun moeder, leven. Dit is een fabriek. Er verblijft niemand behalve wat technici. Automatische machines kunnen het zonder zonlicht stellen.’

Zij keerden terug naar het paleis. Van buiten gezien wekten de daken en torenspitsen de indruk van een reusachtige, subtiel gekleurde waterval. Hu bracht Lockridge naar een klein vertrek, waar verscheidene anderen op hen wachtten. Het waren mannen; oorlog was, evenals de techniek, nog hoofdzakelijk mannenwerk, met uitzondering dan van het hoogste niveau, waarop Storm opereerde.

De instructie nam veel tijd in beslag. ‘We kunnen je tot op enkele mijlen van Niyorek brengen.’ Hu wees een plaats aan op de kaart voor hem, de oostkust van een bijna onherkenbaar veranderd Noord-Amerika. ‘Vanaf dat punt moet je je eigen weg zoeken. Zonder baard, met je Gardistenuniform, je diaglossa en met de inlichtingen die wij je verder kunnen geven, moet het je mogelijk zijn tot Branns hoofdkwartier door te dringen. We hebben ons ervan vergewist dat hij op het ogenblik daar aanwezig is, en we weten natuurlijk dat je hem zult spreken.’

Ondanks het spul dat hij had geslikt, trokken Lockridge's maagspieren samen. ‘Wat weten jullie nog meer?’ vroeg hij langzaam.

‘Dat je hebt kunnen ontkomen. Hij heeft een rapport ontvangen — hij zál een rapport ontvangen — dat je een tijdtunnel hebt bereikt en ontsnapt bent.’ Er kwam een behoedzame uitdrukking in Hu's ogen. ‘Het is beter dat ik verder niets zeg. Het gevoel dat je maar een marionet bent in een onveranderlijk drama, zou een ernstige handicap voor je kunnen zijn.’

‘Of de wetenschap dat zij me gedood hebben?’ viel Lockridge uit.

‘Dat hebben ze niet,’ zei Hu. ‘Je moet me maar op mijn woord geloven. Ik zou je iets kunnen voorliegen. Als het nodig was, zou ik dat inderdaad doen. Maar ik zeg je als de volle waarheid dat de Gardisten je niet gevangen zullen nemen of doden. Tenzij later misschien… want Brann zelf heeft nooit kunnen ontdekken wat er van je geworden is. Met een beetje geluk evenwel is het mogelijk dat je via een andere, verledenwaartse poort uit de tijdtunnel kunt uittreden, buiten de stad kunt komen en over de oceaan naar ons land terugkeren. Eenmaal hier zul je weten hoe je het heden weer kunt bereiken. Ik hoop je binnen een maand weer te zien.’

Lockridge's verbittering zakte. ‘Oké,’ zei hij. ‘En nu de details.’


15

<p>15</p>

Er werd geen oorlog op grote schaal gevoerd in dit tijdperk, want anders zou de Aarde allang vernietigd zijn. Eenmaal, wanneer een van beide partijen meende dat ze sterk genoeg was, zou ergens het sein worden gegeven voor de vernietigingsaanval; welk karakter die laatste strijd zou hebben, konden ook de strijdenden zelf nog niet voorzien. In afwachting van dat moment waren echter beide halfronden tot vestingen uitgebouwd en vonden er voortdurend kleine schermutselingen plaats.

Langs een lange, gebogen baan schoot het Wachtersruimteschip naar het westen en daalde langzaam boven de oceaan, waar deze nacht een storm ontketend was. Toen het einde van de baan bereikt was, zei een stem: ‘Nu!’ en Lockridge's capsule werd naar buiten geslingerd. Als een meteoor flitste ze door wind en regen, opgloeiend tijdens de snelle val door de atmosfeer. Het schip beschreef een bocht en schoot pijlsnel omhoog.

Lockridge viel door de gloeiende lucht omlaag, gebeukt door de hete luchtgolven, en zijn hersens daverden. Toen barstte de verzwakte capsule open en met behulp van zijn zwaartekrachtgordel maakte hij zich eruit vrij.

Hij viel nog zo snel, dat het krachtenveld nauwelijks sterk genoeg was om hem te beschermen tegen de luchtstroom, die hem anders in stukken zou hebben gescheurd. Om het beschermende schild heen raasde de storm, kliefden bliksems de duisternis en viel een muur van regen. Golven reikten naar hem omhoog, een schuimnevel spatte van hun toppen. Toen hij onder de geluidssnelheid kwam, hoorde hij de wind huilen, de donder daveren, de zee bulderen. Een blauw-witte flits sneed door het noodweer, zodat hij geruime tijd totaal verblind was. De explosie die erop volgde, trof hem als een mokerslag. Ze hebben ons ontdekt, dacht hij verbijsterd, en op het schip gevuurd. Ik ben benieuwd of het ontkomen is.

Ik ben benieuwd of ik zal ontkomen.

Maar een zo klein voorwerp als een mens ging te midden van de woedende elementen geheel verloren. Bovendien was het niet waarschijnlijk dat de Gardisten voor hem op hun hoede waren. Zij gingen ervan uit dat hun vijanden alleen voor een werkelijk grootscheepse onderneming zoveel moeite zouden doen, en zij konden niet weten dat het droppen van een enkele agent inderdaad een grootscheepse onderneming was.

Het was in de historie vastgelegd dat hij tot Branns hoofdkwartier zou doordringen.

De krachtvelden van de klimaatregeling drukten de storm van de kust weg. Lockridge bevond zich plotseling in heldere lucht en zag Niyorek liggen.

Als een monsterachtige donkere vlek strekte het zich uit langs de kust en verder landinwaarts dan het oog reikte. Van de kaarten en van zijn diaglossa wist hij dat Amerika van kust tot kust één reusachtig stadsgebied was. Slechts op een enkele plaats werd die massa van beton, staal en energie, waarin tien miljard slaven opeengepakt waren, onderbroken door een woestijn die eenmaal een groen landschap was geweest. De verwoesting van zijn land leek hem een zo verschrikkelijke misdaad toe, dat hij geen bedwelmend middel nodig had om zijn angst de baas te worden. O, heerlijke nazomer in de Smokies, dacht hij, ik ben op weg om je te wreken.

In het noorden en zuiden rezen hoge gebouwen boven de stad uit, waar alleen enkele flauwe lichten en de vlammen van een honderdtal hoogovens door de laaghangende, alles bedekkende vuile nevel. heendrongen. Over de zee kwam een geluid op hem toe, gedreun, gehamer, af en toe een fluittoon zo hoog, dat ze pijn deed aan zijn oren: de stem van de machines. Op de bovenste niveaus staken afzonderlijke torens meer dan een kilometer omhoog en het eerste bleke ochtendlicht viel op hun raamloze flanken. Ze waren onderling verbonden door kabels, buizen en viaducten. Het schouwspel bezat ongetwijfeld een zekere grootsheid. Ze waren zeker niet bekrompen, de mannen die deze verticale grotten hadden ontworpen. Maar de silhouetten waren hard en spraken van een geest wiens hoogste wens de onbeperkte uitoefening van onbegrensde macht was en dat voor altijd. Een oproep klonk in Lockridge's helm. ‘Wie komt daar?’ Twee schildwachten, evenals hijzelf gekleed in een zwart uniform, doken op hem af. Op de grond wees een batterij vuurmonden in zijn richting.

Lockridge was goed geïnstrueerd. ‘Garde-officier Darvast, behorend tot de lijfgarde van Leider Brann, terugkerend van een bijzondere opdracht.’ Hij had moeite met de harde klanken van de Gardistentaal. Hij moest echter toegeven dat de grammatica en de semantiek nauwer aan het Engels verwant waren dan die van de Wachterstaal, waarin hij bepaalde dingen zelfs nauwelijks kon uitdrukken. Maar hier betekende het woord dat ‘vrijheid’ het dichtst benaderde, ‘vermogen om iets te presteren,’ en voor ‘liefde’ bestond er zelfs geen woord.

Aangezien hij zich aan Brann toch bekend zou maken, had hij voorgesteld dat al meteen te doen. Maar Hu had zich daartegen verzet. ‘Je zou je dan door veel te veel bureaucratische niveaus moeten heen worstelen.’ Natuurlijk was dat laatste een Gardistenuitdrukking. ‘Hoewel je tenslotte tot hem zou doordringen, zou het ondervragingsproces hun meer informatie verschaffen dan wenselijk is, en je zou er geestelijk te veel van lijden.’

‘Land bij Poort 43 voor identificatie,’ beval de stem hem via de radio.

Lockridge gehoorzaamde en daalde op een soort pier die boven het water uitstak. Hij was van onbekleed metaal, evenals de reusachtige poort in de muur voor hem. Een bewaker stapte van een verhoging. ‘Uw identiteitscode,’ zei hij. De Wachtersagenten hadden hun werk goed gedaan. Voor het geval het ooit van pas zou komen, was er een identiteit ingevoerd in de machine waarin alle persoonlijke gegevens van elke bewoner van het westelijk halfrond waren vastgelegd. Lockridge ging voor de hersenaftaster staan en dacht het codewoord. Het werd door de elektronische circuits gevoerd, die het herkenden als het complete biogram van Darvast 05-874-623-189, dertig jaar geleden verwekt, opgevoed in Crèche 935 en opgeleid aan de Krijgsacademie, assistent voor bijzondere opdrachten van Leider Brann, politiek betrouwbaar en drager van talrijke onderscheidingen wegens het succesvol uitvoeren van gevaarlijke opdrachten. De schildwacht salueerde door een arm over zijn borst te leggen. ‘U kunt doorgaan, commandant.’

De kolossaal zware poorten schoven griezelig geruisloos open. De polsslag van de stad drong naar buiten tegelijk met een vlaag bedompte lucht. Lockridge ging naar binnen. Er was geen gelegenheid geweest om hem meer dan een algemeen idee van het stadsplan te geven; hij moest zich erop concentreren om alles wat er van het kasteel bekend was, in zich op te nemen. Leg je oor te luisteren, dacht hij. In ieder geval weet ik ongeveer welke richting ik uit moet.

Branns toren, bekleed als hij was met staal en bekroond door een blauwe vuurbol, was gemakkelijk te herkennen geweest.

Het was zeker verschillende kilometers hier vandaan. Lockridge begaf zich op weg.

Hij ontdekte dat hij was binnengekomen bij de onderste laag die voor menselijke bewoning bestemd was. De stad strekte zich tot diep onder de grond uit, maar daar waren alleen machines ondergebracht met een klein aantal in anti-stralingspakken geklede technici, en een miljoen dwangarbeiders die te midden van de smook en de straling als vliegen stierven. Waar hij liep, omsloten roestige en vettige muren een smal voetpad. Boven hem benamen dwarsbalken, die de muren stutten, en hoogbouw het uitzicht op de hemel. De lucht trilde en stonk. Rondom hem krioelden halfgeschoolde arbeiders, onbruikbaren, voortvluchtige misdadigers, wier ongezond-bleke huid door vuile kleren werd bedekt. Niemand zag er hongerig uit — machinaal geproduceerd voedsel werd in de eethallen kosteloos aan een ieder verstrekt — maar Lockridge had het gevoel dat de stank van de ongewassen lichamen zijn longen besmette.

Rauwe klanken vlak bij hem:

‘Ik zeg dus tegen hem, ik zeg, dat ken je me niet aandoen, zeg ik, ik ken de huisinspecteur persoonlijk, zeg ik, en… daar ken je het echte spul krijgen, ja, waarachtig, de echte, ouwerwetse sticks…’

‘Ik zou me maar niet met hem bemoeien. Het is een rare snuiter. Vandaag of morgen komen ze hem nog eens ophalen, let op mijn woorden.’

‘Als ze van d'r jong af wil nog voor ze zijn ingeschreven, nou, dat is haar zaak en die van de inspecteurs, daar wil ik me niet mee inlaten, maar als ze ze in de afvalkoker van mijn flat gooit, dan vraag ik je toch!’

‘Ik hoorde onderlaatst dat hij overgeplaatst was naar… eh… ik weet het niet precies, maar ik geloof de opruimdienst in… eh… ergens in het zuidwesten.’

‘Nou ja, ze zullen wel geen onderzoek instellen. Ze deed haar werk maar half. Wat kan het hen schelen als iemand haar de keel afsnijdt. ‘t Bespaart hen in feite een hoop moeite.’

‘Ssst! Pas op!’

Waar Lockridge's uniform verscheen, breidde het zwijgen zich uit als cirkels op een wateroppervlak. Hij hoefde niet zoals ieder ander zich een weg door de menigte te banen; de mensen drukten zich tegen de muren om hem niet aan te raken, sloegen hun ogen neer naar het plaveisel en deden alsof ze er niet waren.

Hun voorouders waren Amerikanen geweest.

Hij was blij toen hij een schacht bereikte, waardoor hij met behulp van zijn zwaartekrachtgordel omhoog kon stijgen. De hoger gelegen niveaus bestonden uit brede gangen die onberispelijk schoon waren. De deuren waren gesloten en slechts weinig mensen bevonden zich buiten, want de klasse van de technici hoefde niet vierentwintig uur per dag te ploeteren om in hun onderhoud te voorzien. De mensen die hij zag, droegen uniformen van uitstekend materiaal en bewogen zich met een puriteinse doelbewustheid voort. Zij groetten hem.

Toen passeerde hem een rij in het grijs geklede mannen met één soldaat als bewaker ernaast. Hun haar was afgeschoren en hun gezichten waren zonder uitdrukking. Lockridge herkende hen als veroordeelde onbetrouwbaren. De genetische wetenschap was nog niet in staat de ganse persoonlijkheid te beheersen en ook indoctrinatie had niet altijd succes. Men had de hersenen van deze mannen gedeeltelijk weggeschroeid, zodat ze beneden bij de machines betrouwbaar waren. Natuurlijk zou het efficiënter zijn geweest alles te automatiseren in plaats van dergelijke dwangarbeiders te gebruiken; maar het was nodig af en toe een voorbeeld te stellen. Belangrijker was het nog de bevolking bezig te houden. Lockridge hield zijn gezicht in de plooi, maar het kostte hem moeite om niet over te geven.

Geëmotioneerd bedacht hij dat geen enkele staat kon bestaan zonder tenminste de passieve steun van een grote meerderheid. Maar dit was de verschrikking ten top gevoerd. Bijna iedereen hier, op praktisch elke trede van de maatschappelijke ladder, aanvaardde het bewind van de Gardisten als iets vanzelfsprekends en kon zich geen andere manier van leven indenken; zelfs waren zij gelukkig met hun bestaan. De meesters zorgden voor voedsel, onderdak en kleding, onderrichtten hen en dachten voor hen. Een begaafd en ambitieus man kon hoog opklimmen, als technicus, wetenschappelijk onderzoeker, soldaat, impresario van vermakelijkheden die steeds gecompliceerder en sadistischer werden. Om iets te bereiken, moest men anderen omlaag trappen; dat was prettig, dat luchtte op. Natuurlijk streefde men niet naar de hoogste bestuursposten. Die werden door machines toegewezen, die men wijzer achtte dan welke mens dan ook, en als een man zo fortuinlijk was een functie te bekleden in de onmiddellijke omgeving van de hoogste leiders, dan deed hij dat met de mentaliteit van een waakhond.

Juist zoals Darvast, dacht Lockridge. Laat ik niet vergeten voor wie ik moet doorgaan. Hij haastte zich verder. Tussen de giftige, kankerverwekkende wolken ging juist de zon op toen hij boven de daken uitsteeg en naar Branns bastion vloog. Politieagenten zwermden rond de muren, als vliegen tegen een berg. Op emplacementen tegen de toren waren kanonnen geplaatst, rond de vurige bol op de top cirkelden gevechtsvliegtuigen. Op deze hoogte was de lucht zuiver en fris, het rumoer van de stad was niet meer dan een gefluister, naar het westen strekte zich een berglandschap van torens uit.

Lockridge landde zoals hem werd bevolen en identificeerde zich opnieuw. Er volgden drie uren van hollen en stilstaan, deels omdat hij aan de ene officier na de andere werd overgedragen, deels omdat de Leider nog niet gereed was om iemand te ontvangen. Een officier die een rang bekleedde hoog genoeg om een gewaagde opmerking te durven maken, vertelde met een grijns: ‘Hij is de hele nacht druk geweest met zijn nieuwste speelmakkertje. Je weet wel.’

‘Nee, ik ben weg geweest, zei Lockridge. ‘Dat is dan zeker wel een aardig grietje?’

‘Wat?’ De Gardist keek ontsteld. ‘Een vrouw — voor genoegens? Waar ben je geweest?’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes.

‘In het verleden. Ik heb er verscheidene jaren doorgebracht,’ zei Lockridge haastig. ‘Je vergeet er je eigen wereld, daarginds.’

‘Ja-a-a… Ik begrijp dat dat een heel probleem is. Agenten die naar ego-tijd gerekend te lang afwezig zijn geweest, kunnen soms vervelende, afwijkende ideeën opdoen.’

Daar hij nog steeds nauwkeurig in het oog gehouden werd, zei Lockridge: ‘Daar weet ik alles van. Ik heb zulke gevallen gekend. Maar gelukkig komt dat ook bij de vijand voor.’ ‘Het weegt tegen elkaar op,’ bevestigde de officier terwijl hij zich ontspande. ‘Maar wat is er zo dringend aan je rapport, dat je niet op een afspraak kunt wachten?’

‘Alleen voor zijn oren bestemd,’ zei Lockridge louter uit gewoonte. Hij was hooglijk verbaasd over het gemak waarmee zijn leugen werd geslikt. Hoe zou een Wachter ooit afvallig kunnen worden? Zonder twijfel was er in het verleden niets te vinden dat beter was dan wat hij in het huidige Europa had gezien.

Het kalmerende middel dat hij ingenomen had, drukte zijn verbazing op de achtergrond.

Hij trok zich terug in een hoek van het kale kamertje en ordende zijn gedachten. Eerst met Brann spreken; vervolgens er vandoor gaan. In het souterrain van de toren bevond zich een tijdpoort die op dit jaar openstond. Hij zou teruggaan naar een tijd vóór de opkomst van de Gardisten. Het was mogelijk dat zij hem helemaal na zouden jagen, hem doden en om een of andere reden pas zouden terugkeren nadat hun heer al was vertrokken. Anderzijds was het mogelijk dat hij hen zou weten af te schudden, naar Europa zou vliegen, een van de tunnels zou vinden waarvan men hem had verteld, en als vrij man zou terugkeren. Misschien begroette hij op ditzelfde moment Auri in Storms paleis. Dat was een gedachte waaraan hij zich hier kon optrekken.

Ergens vandaan klonk een stem: ‘Garde-officier Darvast. De Leider kan u ontvangen.’

Door een muur die zich voor hem opende, begaf Lockridge zich naar een antichambre waarvan de stalen wanden nog extra verstevigd waren door een energieveld. De soldaten daar lieten hem zich ontkleden en fouilleerden zijn kleren en lichaam beleefd maar grondig. Toen hij zich weer had aangekleed, mocht hij zijn diaglossa behouden, maar niet zijn zwaartekrachtgordel en zijn wapens.

Aan de andere kant van de kamer ging een dubbele deur open die toegang verleende tot een ruim, hoog vertrek; wanden en vloer waren met grijs bekleed en het was licht gemeubileerd. Op een viewer was het reusachtige panorama van Niyorek zichtbaar. Aan een van de wanden schitterde een vergulde en met juwelen bezaaide Byzantijnse ikoon. Na de volte en drukte overal elders had Lockridge het merkwaardige gevoel dat hij hier thuis was.

Brann zat naast een service-apparaat. De slanke, in het zwart geklede gestalte was volkomen ontspannen, zijn gelaat had dat van een standbeeld kunnen zijn. Bedaard zei hij: ‘Je zult je ongetwijfeld gerealiseerd hebben dat niemand zoals jij dicht genoeg bij mij staat om met name aan mij bekend te zijn. Het feit evenwel dat je de controleposten hebt kunnen passeren, is zo veelbetekenend, dat ik heb besloten aan je verzoek te voldoen en je te ontvangen. Ik veronderstel dat je niet een of ander belachelijk plan in je hoofd hebt om mij te vermoorden. Spreek dus.’

Lockridge keek naar hem. Het kalmeringsmiddel raakte waarschijnlijk uitgewerkt, want plotseling kwam een verpletterende gedachte in hem op: Hemel! Zesduizend jaar geleden heb ik deze man ontmoet en met hem gevochten, en toch is dit de eerste keer dat hij me ziet!

De Amerikaan hapte naar adem. Zijn knieën knikten en het zweet stond in zijn handen. Brann wachtte.

‘Nee,’ bracht Lockridge met moeite uit. ‘Ik bedoel… ik ben geen Gardist. Maar ik sta wel aan uw kant. Ik moet u iets meedelen dat… waarvan ik geloof dat u het geheim zult willen houden.’

Met onbewogen gezicht bestudeerde Brann hem. ‘Zet je helm af,’ zei hij. Lockridge gehoorzaamde. ‘Archaïsch type,’ mompelde Brann. ‘Dat dacht ik wel. De meesten zou het niet opvallen, maar ik heb in zoveel tijdperken zoveel rassen leren kennen. Wie ben jij?’

‘Malcolm. Lockridge…Verenigde Staten, midden twintigste eeuw.’

Juist. Brann zweeg. Plotseling glimlachte hij en dat maakte van hem een totaal ander mens. ‘Neem plaats,’ zei hij als een gastheer tot zijn gast. Hij raakte een lampje op het apparaat aan. Een vakje ging open, een fles en twee roemers kwamen te voorschijn. Je houdt zeker wel van wijn?’

‘Het zou me geen kwaad doen,’ zei Lockridge slikkend. Hij herinnerde zich dat hij al eerder met Brann had gedronken; die gedachte deed hem zijn glas in twee gulzige slokken leegdrinken.

Brann schonk het weer vol. ‘Neem er de tijd voor,’ zei hij toegeeflijk.

‘Nee. Ik moet…Luister. De Koriach van de Westmark…kent u haar?’

Brann bleef kalm, maar het masker van waakzaamheid gleed weer over zijn gezicht. Ja. Ik heb door de eeuwen heen met haar te maken gehad.’

‘Zij is bezig een aanval op u voor te bereiden.’

‘Dat weet ik. Dat wil zeggen, enige tijd geleden is zij verdwenen, zonder twijfel voor een belangrijke onderneming.’ Brann leunde naar voren. Zijn blik werd zo doordringend, dat Lockridge om eraan te ontsnappen zijn ogen op de strenge rust van de Byzantijnse heilige richtte. De donkere stem schoot uit: ‘Heb je inlichtingen?’

‘Ik… ja… heer. Zij is naar mijn eeuw gegaan — naar mijn land — om een tunnel hierheen te boren.’

‘Wat? Onmogelijk! Dat zouden we zeker weten!’

‘Zij werken onder dekmantel. Inheemse werkkrachten, inheemse materialen, ze bouwen alles van de grond af op. Maar als ze klaar zijn, zullen de Wachters hierheen doorstoten, met alle middelen waarover ze beschikken.’

Brann sloeg met zijn vuist op het service-apparaat. Hij sprong overeind. ‘Beide partijen hebben zoiets al eerder geprobeerd,’ wierp hij tegen. ‘Het is geen van beide ooit gelukt. Het is een onmogelijke opgave!’

Lockridge dwong zichzelf naar de gestalte die boven hem uittorende, te kijken en te zeggen: ‘Maar deze keer ziet het ernaar uit dat de onderneming zal slagen. Ik verzeker u dat ze meesterlijk gecamoufleerd is.’

‘Als er iemand is die het kan, is zij het…’ Branns stem stierf weg. ‘O nee.’ Zijn mond vertrok. ‘De beslissende slag. Mijn volk getroffen door hun bliksems…’

Hij begon door het vertrek te ijsberen. Lockridge bleef zitten en sloeg hem gade. De gedachte kwam bij hem op dat Brann niet slecht was. In Avildaro had hij de Yüthoaz geprezen — zóu hij de Yüthoaz prijzen — omdat zij niet nodeloos wreed waren. Zijn smart nu was ongeveinsd. Hij was voortgebracht door het Kwaad dat hij diende, maar achter die grijze ogen lag de onschuld van een tijger. Toen hij naar de feiten vroeg, zei Lockridge bijna medelijdend: ‘U zult haar tegenhouden. Ik kan u precies zeggen waar de tunnel zich bevindt. Als de poort hier opengaat, zult u daar doorheen een tegenaanval doen. Zij zal maar over enkele helpers beschikken. U zult haar dan niet meteen gevangen nemen, zij zal ontsnappen, maar later krijgt u een nieuwe kans.’ Min of meer naar waarheid vertelde hij over zijn eigen belevenissen tot aan zijn komst in Avildaro samen met Storm. ‘Zij beweerde dat zij hun godin was,’ vervolgde hij, ‘en had er de leiding van een nogal smerig feest.’ Zoals voorzien wist de Gardist niet dat de Tenil Orugaray, die zo ver buiten het gebied van zijn culturele beïnvloeding woonden, zich in tegenstelling tot hun natuurvolken niet aan ritueel kannibalisme schuldig maakten. Misschien veronderstelde hij ook dat Lockridge uitspattingen afkeurde; dat was wel niet waar, maar het had zijn nut.

‘Dat was er de oorzaak van dat ik mijn mening over haar begon te herzien. Toen kwam u, aan het hoofd van een bende Indo-Europese krijgers, veroverde het dorp en nam ons gevangen.’ Brann spreidde zijn vingers en sloot ze weer. ‘Ik ontsnapte. Tóen dacht ik dat het een kwestie van geluk was, maar nu veronderstel ik dat u mij met opzet niet al te streng liet bewaken. Ik begaf me naar Vlaanderen en trof er een Iberische koopvaarder die mij als dekmatroos aan boord nam. Tenslotte wist ik Kreta te bereiken en stelde me daar in verbinding met de Wachters. Zij hebben me naar dit jaar gestuurd. Het enige wat ik wilde, was naar huis terug te keren. Ik heb niets met deze oorlog te maken. Maar zij wilden me niet laten gaan.’

‘Dat is wel te begrijpen,’ zei Brann, die zijn zelfbeheersing had hervonden. ‘De voornaamste reden is er wel een van bijgeloof. Zij geloven dat hun Koriach heilig is, een werkelijke, onsterfelijke incarnatie van de Godin, evenals haar collega's. Jij, de laatste die haar heeft ontmoet, bent nu zelf heilig en het zou een profanatie zijn als je weer een gewoon burger werd van een tijdperk dat zij verachten.’

Lockridge was geschokt toen hij bemerkte hoe glad het verhaal dat de Wachters hadden verzonnen, erin ging. Maar kon het waar zijn wat Brann zei?

‘Overigens hebben ze mij heel behoorlijk behandeld,’ zei hij. ‘Ik heb het…eh…heel goed kunnen vinden met een dame van hoge rang.’

Brann schokschouderde.

‘Zij heeft me veel verteld van hun spionage-activiteiten, liet me hun technische uitrusting zien en zo. Feitelijk heeft ze mij veel te veel van hun “beschaving” laten zien. Die is helemaal onleefbaar voor een normaal mens. Ondanks alle gruwelpropaganda over de Gardisten waarmee ik werd volgestopt, begon ik te denken dat jullie meer mijn soort zijn. Misschien dat jullie me tenminste naar huis laten gaan; goeie genade, wat heb ik een heimwee! Ik heb daar trouwens ook nog verplichtingen. Tenslotte kreeg ik haar zover, dat ze me vannacht op een verkenningstocht liet gaan, nog wel gekleed in een uniform van jullie. En aangezien ik van die valse Darvast-identiteit wist…’ Hij spreidde zijn handen uit. ‘En nu ben ik dan hier.’

Brann had zijn onrustige wandeling gestaakt. Een minuut lang bleef hij doodstil staan en vroeg toen: ‘Wat is de exacte geografische ligging van die tunnel?’

Lockridge vertelde het hem. ‘Ik vraag me af,’ zei hij, ‘waarom de Wachters toen ze mijn verhaal hadden gehoord, niet een paar maanden terug zijn gegaan om haar te waarschuwen.’

‘Dat kunnen ze niet,’ antwoordde Brann verstrooid. ‘Wat geweest is, moet zo zijn. In de praktijk komt daar nog bij dat een Koriach absoluut gezag bezit, meer nog dan een Leider zoals ik. Als ze het niet wil, hoeft ze niemand te zeggen wat ze van plan is. Uit angst voor spionnen heeft deze waarschijnlijk niemand in vertrouwen genomen behalve het handjevol technici dat zij met zich meenam. Wanneer de tunnel eenmaal klaar was, was het daarvoor vroeg genoeg. Op zo korte termijn en met zoveel zaken die hen elders bezig houden, is er nu geen tijd meer om een grote groep Wachters te verzamelen die in staat is om doelmatig in het verleden te opereren. Degenen die ze nog hebben kunnen sturen, heeft de onzekerheidsfactor ongetwijfeld parten gespeeld. Ze zijn ofwel te vroeg ofwel te laat uitgetreden. Dat wil zeggen, als er iemand op afgestuurd is. Zij heeft rivalen die geen traan zouden laten als ze haar kwijt waren.’ Gedurende enkele ogenblikken die steeds langer leken te duren, keek hij peinzend naar Lockridge. Tenslotte zei hij bedachtzaam: ‘Aangenomen dat je verhaal op waarheid berust, ben ik je erg dankbaar. Je zult inderdaad naar huis terug worden gezonden en goed worden beloond. Maar eerst moeten we door middel van een psychosonde vaststellen of je betrouwbaar bent.’

Angst welde in Lockridge op. Hij was nu zeer dicht genaderd tot het ogenblik waarachter zijn onbekende toekomst lag. Brann verstarde. Waarom werd de vreemdeling zo nerveus? Hij transpireerde, zijn gezicht werd bleek, de aderen in zijn hals klopten.

‘Nee,’ zei Lockridge zwakjes. ‘Alstublieft. Ik heb gezien wat dat betekent.’

Hij moest een aannemelijke reden vinden voor zijn vlucht, zodat Brann geen wantrouwen zou opvatten aangaande het verhaal over Storms tunnel, en met zijn troepen erin zou doordringen. Maar zijn angst was echt. Hij had inderdaad dat verduisterde deel van het Lange Huis gezien.

‘Wees niet bang; zei Brann met een zweem van ongeduld. ‘Tenzij er iets verdachts aan het licht komt, zal het onderzoek niet diep gaan.’

‘Hoe weet ik of u de waarheid spreekt?’ Lockridge stond op en week terug.’

‘Ik geef je mijn woord. Misschien moet ik je ook mijn verontschuldigingen aanbieden.’ Brann wenkte.

De deur ging open en twee schildwachten kwamen binnen. ‘Breng deze man naar Afdeling 8 en zeg de afdelingschef zich met mij in verbinding te stellen,’ zei Brann.

Lockridge wankelde het vertrek uit. De ogen van de heilige volgden hem, ver als de hemel van waaruit zij neerzagen. De mannen in het zwart voerden hem door een verlaten gang. Elk geluid werd gedempt, hun voetstappen klonken dof en er werd geen woord gesproken. Lockridge haalde diep adem. Oké, kerel, dacht hij, je weet dat je in ieder geval de tijdtunnel zult bereiken. Zijn duizeligheid verdween. De schacht waar hij naar uitkeek, kwam in zicht: een langwerpige opening in de egaal gekleurde muur. Uit de diepte klonk het suizende geluid van de ventilatoren. De soldaten voerden Lockridge erlangs.

Zij hadden hun energiepistolen getrokken, maar niet op hem gericht. Gevangenen gaven nooit veel moeilijkheden.

Lockridge bleef abrupt staan. Met de zijkant van zijn hand sloeg hij fel tegen de adamsappel rechts van hem.

Het gehelmde hoofd sloeg achterover, de soldaat viel languit op de grond. Lockridge draaide zich bliksemsnel naar links en wierp zich met zijn volle gewicht tegen de tweede schildwacht aan. Deze tuimelde naar achteren. Lockridge greep hem vast en sleurde hem mee in de schacht.

Als een blok steen vielen zij omlaag. Een alarmsirene begon te loeien. De veelogige machine die het gebouw was, had het ongewone voorval opgemerkt. Met een stem die bijna menselijk was, schreeuwde ze alles wat ze wist.

De gladde wanden van de schacht, convergerend naar de bodemloze diepte, flitsten langs hen heen. Lockridge klemde zich vast aan de Gardist, een arm rond zijn keel geslagen, en terwijl ze vielen beukte hij hem met zijn vuist. De soldaat verslapte, de mond in het bebloede gezicht viel open en het pistool gleed uit zijn vingers. Lockridge tastte naar de knopjes op zijn gordel. Waar voor de duivel … ?

Deur na deur schoot langs hen heen. Tot tweemaal toe flitste een verzengende energiestraal uit zo'n opening op hen af. En toen sprong de bodem van de put op hem toe. Hij vond de schakelaar die hij zocht, en drukte erop. Door de schok van de anti-zwaartekracht verloor hij bijna zijn houvast aan de Gardist. Maar hun val werd afgeremd, het gevaar dat zij verbrijzeld zouden worden was voorbij, zij waren beneden.

Op de bodem van de schacht kwam eveneens een gang uit. Aan de overkant was een deur en daarachter een vertrek waarvan de naakte witte muren de regenboogschittering van de tijdpoort des te mooier deden uitkomen. Twee verbaasd kijkende wachtposten brachten hun wapens in aanslag. Door de gang snelde een patrouille naderbij.

‘Arresteer deze man!’ hijgde Lockridge. ‘En laat me door!’ Hij droeg een uniform met indrukwekkende onderscheidingstekenen. Het gebouw had geen details kunnen waarnemen. De wachtposten salueerden. Lockridge holde naar het voorvertrek.

De donderende stem van Brann deed de lucht rondom hem trillen. ‘Attentie, attentie! Hier spreekt de Leider. Een man gekleed als officier van de lijfwacht heeft zojuist het tijdtransito op subniveau 9 betreden. Hij dient koste wat kost levend gevangen te worden.’

De poort door! De verkrampende schok van de fase-overgang bracht Lockridge ten val. Hij tuimelde voorover en zijn hoofd sloeg tegen de grond, pijn vlamde door hem heen en even bleef hij half verdoofd liggen.

De angst voor de psychosonde bracht hem weer bij zinnen, met moeite wist hij overeind te komen en op een klaarstaande zwaartekrachtslede plaats te nemen.

Een handvol mannen stroomde door het gordijn de tunnel in. Lockridge wierp zich plat op de slede. Bleke verdovingsstralen spatten tegen de schermen van het voertuig uiteen. Hij strekte een hand uit en legde hem op het versnellingslampje. De slede zette zich in beweging.

Weg van de Gardisten, ja. Maar zij bevonden zich aan de kant die naar het verleden voerde. Hij ging in de richting van de toekomst.

Zijn adem kwam schurend uit zijn longen. Zijn hartslag deed hem schudden zoals een hond een rat heen en weer schudt. Met inspanning van zijn laatste krachten slaagde hij erin zijn paniek te onderdrukken en hij waagde het een blik achter zich te werpen. De zwarte gestalten begonnen al kleiner te worden. Onzeker liepen ze heen en weer en plotseling herinnerde hij zich wat Storm Darroway had gezegd, bij het vuur in het woud, terwijl de wolven om hen heen slopen: We hebben ons eens in onze eigen toekomst gewaagd. Er waren daar wachtposten die ons terugdreven, met wapens die wij niet konden begrijpen. Nu proberen we het niet meer. Het was zo afschuwelijk!

Ik heb je gediend, Koriach, snikte hij. Godin, help me!

Als van verre hoorde hij Branns bevelen, die door de trillende witheid van de tunnel echoden. De wachtposten formeerden zich. Zij verhieven zich op hun zwaartekrachtsleden en zetten de achtervolging in.

Zover het oog reikte, strekte de tunnel zich uit. Verderop zag Lockridge geen poorten meer, alleen leegte.

De slede kwam tot stilstand. Hij bewoog zijn hand over het instrumentenpaneel. De machine reageerde niet. De achtervolgers kwamen snel naderbij.

Lockridge sprong van de slede en begon te rennen. Een straal trof de grond achter hem, streek langs zijn hielen en maakte deze gevoelloos. Iemand slaakte een overwinningskreet.

En toen kwam de Nacht, en de Angst.

Wat er precies gebeurde, wist hij niet. Hij zag niets meer, hoorde niets meer, al zijn zintuigen en heel zijn bewustzijn werden uitgeschakeld; hij was als een onstoffelijk punt dat gedurende een eeuwigheid door de oneindige ruimten van het heelal wentelde. Op een of andere wijze was hij zich niettemin bewust van een aanwezigheid die tegelijk levend en niet levend was en die verschrikking uitstraalde: de uiteindelijke verschrikking, de ontkenning van alles wat was en geweest was en zou zijn, onpeilbare koude, onpeilbare duisternis, onpeilbare leegte, niets behalve een draaikolk die hem naar zich toe zoog, die zich samentrok — en ophield te bestaan.

Hijzelf hield op te bestaan.


16

<p>16</p>

Toen keerde hij weer tot het bestaan terug.

Eerst was hij muziek, de zoetste en schoonste melodie die ooit had bestaan en die hij met slaperige tevredenheid herkende als Schafe können sicher weiden. Vervolgens was hij ook rozengeur, een zachte steun onder zijn rug, een lichaam dat zich behaaglijk voelde. Hij opende zijn ogen en zag zonlicht. ‘Goede morgen, Malcolm Lockridge,’ zei een mannenstem. ‘Je bent bij vrienden,’ zei een vrouwenstem. Zij spraken Kentucky-Engels.

Hij richtte zich op. Zij hadden hem op een bank gelegd, in een kamer met ahornhouten lambrizeringen. De kamer was nauwelijks gemeubileerd, er stond alleen een scherm met vreemde figuren, waardoor kleurig licht viel, maar de proporties waren zo volmaakt dat al het andere overbodig zou zijn. Door de openstaande deur zag hij een tuin. Bloemen bloeiden langs de grintpaden, een vijvertje met waterlelies lag in de schaduw van een wilgeboom beschut tegen de zomerse hitte. Aan de andere zijde van een met gras begroeid laantje stond nog een huis, bedekt met klimop, eenvoudig maar leuk om te zien.

De man en de vrouw kwamen naderbij. Beiden waren groot, zij hadden hun jeugd achter zich, maar hun rug was nog recht en hun lichaam toonde geen tekenen van verval. Hun lange haar krulde in de nek en werd door een band met ingewikkelde versiering bijeen gehouden. Behalve een armband met een tasje om de linker pols droegen zij verder niets. Lockridge bemerkte dat hijzelf ook ongekleed was. Hij tastte naar zijn eigen polstas. De vrouw glimlachte. ‘Ja, je diaglossa's zijn er,’ zei zij. ‘Ik geloof niet dat je verder nog iets nodig hebt.’

‘Wie bent u?’ vroeg Lockridge verbaasd.

Er kwam een ernstige trek op hun gelaat. je zult niet lang bij ons kunnen blijven, moet ik tot mijn spijt zeggen,’ antwoordde de man. ‘Noem ons maar John en Mary.’

‘En… welke tijd is dit?’

‘Ongeveer duizend jaar later.’

Met moederlijk medelijden zei de vrouw: ‘Je hebt een nachtmerrie moeten doorstaan, dat weten we. Maar het was de enige manier waarop we die duivels konden terugdrijven, of we zouden hen hebben moeten doden. Terwijl je sliep, hebben we je naar lichaam en geest weer geheeld.’

‘Gaat u mij naar huis terugsturen?’

Een trek van pijn gleed over haar rustig gezicht. ‘Ja.’ ‘En wel meteen,’ zei John. ‘Het kan niet anders.’

Lockridge stond op van het bed. ‘Ik bedoelde niet mijn eigen tijd, maar Europa in de tijd van de Wachters.’

‘Ik weet het. Kom maar mee.’

Zij verlieten het huis. Tevergeefs trachtte Lockridge de situatie te begrijpen. ‘Ik kan me nu voorstellen waarom u niemand uit het verleden toelaat. Maar wat beteken ik dan voor u?’

‘Het noodlot,’ zei John. ‘Het afschuwelijkste woord dat een mens kan uitspreken.’

‘Wat? U… ik… is mijn taak dan nog niet volbracht?’ ‘Nog niet,’ zei Mary terwijl ze hem bij de hand nam. ‘Meer mag ik je niet vertellen,’ zei John. ‘Voor je eigen bestwil. De tijdoorlog was het dieptepunt van de menselijke geschiedenis, en niet in de laatste plaats omdat men toen de vrije wil ontkende.’

Lockridge moest zich geweld aandoen om de kalmte te bewaren die hij in hun nabijheid gevoelde. ‘Maar de tijd is onveranderlijk. Of niet?’

‘Misschien vanuit een goddelijk gezichtspunt,’ zei John. ‘Maar mensen zijn geen goden. Kijk naar jezelf. Je weet dat je voortdurend een vrije keuze kunt doen. Nietwaar? In de tijdoorlog rationaliseerden zij alle verschrikkelijke dingen die zij deden, door te beweren dat het hoe dan ook toch zou gebeuren. Maar zij waren zelf rechtstreeks verantwoordelijk voor meer tirannie, meer doden, meer haat en meer ellende dan ik vermag op te noemen. Wij weten nu dat het niet goed is onze eigen toekomst te kennen, en we gaan alleen in het geheim, als waarnemers, naar het arme, ongelukkige verleden.’

‘Maar dat geldt dus niet voor mij,’ zei Lockridge met een opflakkering van woede.

‘Dat spijt me. Dat is iets verkeerds dat we moeten doen om een groter kwaad te voorkomen.’ John keek hem recht in de ogen. ‘Ik troost mezelf met de gedachte dat je mans genoeg bent om het te accepteren.’

‘Dat wil zeggen…’ Lockridge trok een zuur gezicht. ‘Oké dan. Ik ben in ieder geval blij dat u ginds in de tunnel tussenbeide bent gekomen.’

‘Maar we zouden het geen tweede keer doen,’ zei Mary. Zij liepen nu in de laan. Het leek een tamelijk grote stad; zover het oog reikte zag hij huizen tussen de hoge bomen. Op een gazon was een maaimachine aan het werk. Hier en daar liepen mensen, knappe mensen die blijkbaar geen enkele haast hadden. Sommigen waren naakt, anderen waren blijkbaar van mening dat een lichte tuniek comfortabeler was in deze hitte. Enkele volwassenen die hen passeerden, bogen voor John, eerbiedig maar zonder slaafsheid.

‘U bent zeker een belangrijk man,’ merkte Lockridge op. ‘Hij is lid van de continentale raad,’ zei Mary met warmte en trots in haar stem.

Enkele kinderen holden luidruchtig voorbij. Zij riepen iets, waarop John grinnikend naar hen wuifde.

‘Hebt u het… eh… stil gehouden… dat ik hier ben?’ vroeg Lockridge.

‘Ja,’ antwoordde Mary. ‘Het is bekend dat je zou komen. We waren erop voorbereid. Maar de… noem ze maar tijdwachters — hebben geen bijzonderheden bekendgemaakt. Voor je eigen bestwil. Om te voorkomen dat de een of ander je te veel zou vertellen.’ Haastig voegde zij eraan toe: ‘Dat had niet persé slecht nieuws hoeven te zijn. Maar het gevoel een noodlot te vervullen, maakt een mens tot slaaf.’

Er staan me nog kritieke gebeurtenissen te wachten, dacht Lockridge. Zij willen niet dat ik weet hoe ik zal sterven. Om die gedachte van zich af te zetten klampte hij zich vast aan een uitdrukking die Mary zo juist had gebruikt. ‘Tijdwachters ? Dan heeft mijn kant dus gewonnen!’ Hij keek om zich heen, snoof de geur van de bomen op, voelde het koele gras onder zijn voeten: ‘Natuurlijk. Dat had ik kunnen weten. Het is hier goed om te leven.’

‘Ik geloof,’ zei John, ‘dat het goed voor je zou zijn te bedenken wat een van onze filosofen geschreven heeft: “Ieder kwaad is een verkankerd goed”.’

Verbijsterd en zwijgend liep Lockridge verder. Na een poosje bereikten zij een stuk land dat door een heg was omgeven. John raakte een blad aan en de takken weken uiteen. Erachter lag een torpedovormig voertuig, waarin zij plaats namen. De cabine voorin was een transparante koepel zonder zichtbare instrumenten. Door een deur achterin zag Lockridge — machines ? gestalten? Maar wat het ook was, uit de vorm ervan kon hij niet afleiden waarvoor het diende; via allerlei onmogelijke bochten leek het tot in het oneindige heen en weer te lopen.

John ging zitten. Geluidloos verhief het voertuig zich. De aarde zonk onder hen weg en tenslotte kon Lockridge de gehele oostelijke zeekust overzien, waarboven de donkere hemel zich uitspande. Bijna al het land was groen — hoe lang had men erover gedaan om het werk van de Gardisten ongedaan te maken? — maar in het zuiden zag hij bebouwing die zich kilometers ver uitstrekte. De gebouwen zagen er smaakvol uit, de lucht erom heen was zuiver, en hij kon enkele parken onderscheiden. ‘Ik dacht dat de Wachters geen steden bouwden,’ zei hij.

‘Zij niet,’ antwoordde John kortaf. ‘Wij wel.’

‘De mens kan niet buiten de nabijheid van zijn soortgenoten,’ verklaarde Mary.

Lockridge vergat zijn verwarring toen hij een ovaal zilverkleurig voorwerp boven de horizon zag uitstijgen. Hij probeerde de afstand te schatten en dacht: grote hemel, dat ding is zeker meer dan een halve kilometer lang! ‘Wat is dat?’ ‘De lijnraket naar de Pleiaden.’

‘Maar…, maar in Storms tijd waren de sterren onbereikbaar!’

‘Inderdaad. Ze hadden het toen te druk met elkaar af te maken.’

De snelheid van het voertuig nam toe. Amerika verzonk in de onveranderlijke eenzaamheid van de oceaan. Lockridge wilde nog meer vragen stellen, maar Mary schudde het hoofd. Er blonken tranen in haar ogen.

Al na betrekkelijk korte tijd kwam Europa in zicht. Het voertuig begon te dalen, maar op een of andere manier ondervond het geen weerstand van de lucht. Om zijn gedachten van zijn verledenwaartse toekomst af te leiden, zou Lockridge het geluid van de wrijving verwelkomd hebben. Hij tuurde vooruit. Zij vlogen nog zo hoog, dat de kustlijn zich als een kaart voor zijn ogen ontrolde.

‘Hè! U vliegt op Denemarken aan!’

‘Dat is nodig,’ zei John. Je kunt over land naar je bestemming gaan.’

Hij remde af en bleef in het zicht van de Limfjord enige tijd zweven. Het land was grotendeels bedekt met bossen en grasland. Lockridge ontdekte een kudde van sierlijk gevlekte dieren… waren ze van een andere planeet afkomstig? Maar aan het einde van de baai lag een stad. Ze leek niet op de stad waar hij nu vandaan kwam, en eigenlijk was hij daar blij om. Hij was absoluut niet verrukt van het idee van een dodelijk eenvormige wereld. De rode muren en de koperen torenspitsen herinnerden hem aan het Kopenhagen dat hij in het verleden had gekend.

Oké, hield hij zichzelf voor, wat het ook is dat ik nog moet doen, ik neem aan dat het voor een goede zaak is.

‘Ik wilde dat we je meer konden laten zien, Malcolm,’ zei Mary zachtjes. ‘Maar hier moeten we je verlaten?’

‘Hè? Waar is jullie tunnel dan?’

‘We hebben een andere manier ontdekt,’ zei John. ‘Dit toestel brengt ons door de tijd.’

Een vurig schijnsel gleed over de grillige vormen in het achterschip. De cabine werd in duister gehuld. Lockridge schepte moed. Het was niet zeker dat hij zou sterven. Misschien had dit paar alleen maar medelijden met hem omdat hij opnieuw strijd zou moeten leveren. In ieder geval zou hij Auri spoedig terugzien. Om maar te zwijgen van Yuria en haar nichten: dat zou me een feest worden! En daarna Storm… Het transito was ten einde. Johns gezicht stond gespannen.

‘Stap snel uit,’ zei hij. ‘We mogen niet riskeren dat iemand ons ziet.’ Het toestel kwam zonder schokken op de grond tot stilstand. Hij greep de hand van zijn passagier. ‘Vaarwel,’ zei hij bruusk.

‘O, vaarwel,’ snikte Mary terwijl zij hem kuste.

Het portier gleed open. Hij sprong naar buiten. Het voertuig steeg omhoog en verdween.


17

<p>17</p>

Het zomerse land dat hij vanuit de lucht had waargenomen, lag duizend jaar in de toekomst. Hij bevond zich in een wildernis die even ondoordringbaar was als die welke de Tenil Orugaray hadden gekend. Het bos bestond echter hoofdzakelijk uit beuken; hun hoge, bleke stammen en kale takken staken af tegen de donkerende lucht. De afgevallen bladeren maakten een droog ritselend geluid in de kille wind. Een raaf wiekte over zijn hoofd heen.

Hij huiverde. Wat voor vrienden waren die mensen, die hem hier naakt en eenzaam hadden achtergelaten?

Zij konden niet anders, bedacht hij.

Maar vervloekt, het had geen enkele zin als hij hier van honger omkwam. Er zouden dus wel mensen in de buurt wonen. Hij tuurde in het duister en ontdekte een pad. Smal en blijkbaar zelden gebruikt, kronkelde het tussen struiken en bomen door in de richting van de baai. Na wat proberen vond hij de juiste diaglossa voor dit milieu en met kwieke pas om het warm te krijgen, begaf hij zich op weg.

Recht tegenover het laatste stervende licht van de ondergaande zon brak een schijnsel door de takken. De volle maan van oktober, concludeerde hij. Auri had dus al ruim drie maanden op hem gewacht. Het arme eenzame kind. Nou ja, ze hadden haar toch als studieobject nodig gehad, en zo gauw hij vervoer kon vinden, zou hij zich weer bij haar voegen …

Hij bleef staan. De kou drong hem door merg en been. In de verte had hij honden horen blaffen.

Maar dat was toch niets om bang van te zijn? Waarom voor de duivel was hij zo zenuwachtig? Hij liep verder.

De schemer ging over in de nacht. Twijgen kraakten en prikten hem terwijl hij als een blinde van de ene kant van het pad naar de andere strompelde. De wind nam toe. Opnieuw klonk er hondengeblaf, nu dichterbij. En was dat een hoorn? Dat moest wel, met dat schallende geluid; de tonen vormden echter een dreigende snauw.

Waarschijnlijk komen ze langs ditzelfde pad, dacht hij. Laat ik wachten…Nee. Hij zette het op een draven. Om een of andere reden wilde hij een ontmoeting met die meute vermijden.

Boven zijn toenemende onrust uit trachtte een deel van zijn geest daar een verklaring voor te vinden. Het paste bij hun wereldbeschouwing indien de Wachters wildreservaten in stand hielden. En als zij voor hun genoegen jaagden, wat dan nog? Maat deze streek was zo afschuwelijk eenzaam. De wouden waar Auri thuishoorde, krioelden van wild. Maar hier had hij nog niets anders gezien dan struiken en bomen en één aasvogel, niets anders gehoord dan de wind en de abnormaal snelle nadering van de honden.

De maan rees langzaam hoger. Lichtbundels vielen tussen de bomen door die een spookachtig grauwe kleur aannamen, en wierpen grillige schaduwplekken op de bodem. Verder weg heerste een absolute duisternis. Meer en meer voelde hij zich alsof hij vluchtte door een eindeloze tunnel. Hij begon moeilijk te ademen. Het huilen van de honden echode door het bos, opnieuw schalde de hoorn, hij bemerkte hoe de koude grond trilde door het dreunen van hoeven.

Voor zich uit zag hij opeens de open vlakte. Rijp glinsterde op de heidestruiken, onder de twinkelende sterren strekte de Limfjord zich zwart en zilvergestreept uit.

Lockridge bemerkte dat een trillende zucht van opluchting hem ontsnapte. Maar plotseling begonnen de honden weer te blaffen en te janken, de tonen van de hoorn scheurden door de lucht en de galopperende hoeven donderden naderbij. Als een dolkstoot ging het door hem heen: ze hebben mijn spoor gevonden! Een onbedwingbare angst kwam in hem op en hield hem volkomen gevangen. Met de verschrikking in zijn rug begon hij te rennen.

Steeds dichterbij rumoerde de meute. Een vrouw krijste als een wilde kat. Hij bereikte een open plek die door de maan werd beschenen. Meer dan een kilometer verder, vlak bij de kust, zag hij een donkere massa met een paar gele lichtvlekjes. Huizen… Hij struikelde en kwam in de doornen terecht, die hem bloedig schramden.

De schok van de val hielp hem zijn paniek enigszins te bedwingen. Hij kon de bescherming van die huizen nooit bereiken, als ze hem tenminste al bescherming zouden bieden. In enkele minuten zouden de honden hem te pakken hebben. Storm, snikte hij, lieveling, ik móet naar je terugkeren. De herinnering aan haar borsten gaf hem de moed om op zijn schreden terug te keren.

Naar de woudzoom… een hoge boom in… ga op een tak staan, druk je tegen de stam, maak je tot een schaduw en wacht!

Langs het pad kwamen de jagers en verschenen op de open heide.

Dat waren geen honden, dat dozijn wolfachtige monsters die voort renden in het maanlicht. En dat waren evenmin paarden, daarvoor waren ze veel te groot, en uit hun koppen groeiden narwalhorens. Het maanlicht was zo helder, dat hij op een punt van een van de horens iets donkers — nat en klonterig — kon onderscheiden. De ruiters, twee vrouwen en vier mannen in Wachters uniformen, waren mensen. Lange, blonde haren wapperden wild achter hen aan. En die gestalte, die naakt en met opengereten buik over een zadelboog lag, was eveneens een mens.

Bijna recht onder de plaats waar Lockridge stond, blies een van de mannen op zijn hoorn. Zo'n verschrikkelijke angst overviel de Amerikaan, dat hij bijna zijn houvast verloor, het enige wat hij wist, was dat hij moest vluchten, vluchten, vluchten…Subsonische trillingen! flitste het door het enige nog gezonde deel van zijn geest en hij klemde zich aan de stam vast tot de schors hem verwondde.

‘Hojo! Hojo!’ De vrouw die voorop reed, zwaaide haar speer in de lucht. Haar gezicht leek afschuwelijk veel op dat van Storm.

Verder galoppeerden zij, totdat de honden het spoor verloren en nijdig grommend heen en weer begonnen te lopen. De ruiters hielden de teugel in. Boven de geluiden van de wind en de honden uit hoorde Lockridge hen tegen elkaar schreeuwen. Een van de meisjes wees nadrukkelijk naar het bos. Zij wist wat de prooi had gedaan. Maar de anderen gingen te veel op in de roes van de snelle rit om in de struiken te gaan zoeken. Na enkele ogenblikken verdwenen zij achter elkaar over de heide naar het oosten.

Het zou een list kunnen zijn, dacht Lockridge. Ze verwachten dat ik naar beneden zal komen, zoals ik trouwens wel moet, en dan komen ze terug om me te vangen.

Opnieuw schalde de hoorn, maar nu al zo ver weg dat het krankzinnig makende effect voor een goed deel verloren ging. Lockridge liet zich uit de boom glijden. Misschien verwachtten ze niet dat hij zich meteen naar dat gehucht zou begeven. Over zoveel koelbloedigheid zou hij niet beschikken als hij een onnozele slogg was.

Waar had hij dat woord vandaan? Niet van zijn diaglossa, die heel zorgvuldig zo weinig mogelijk inlichtingen verstrekte over dit deel van de wereld. Wacht eens. Ja, Storm had het gebruikt.

Hij zoog zijn longen vol lucht, drukte zijn ellebogen in zijn zij en begon te rennen.

Maanlicht stroomde over de aarde, de heide was wit van de rijp en het water glansde, zij zouden hem zeker zien, maar het enige wat hij doen kon, was hollen. Struiken bezorgden hem builen en schrammen, de wind woei recht in zijn gezicht, maar het enige wat hij doen kon, was hollen. In heel de wereld bleef hem niets anders over, tenzij te wachten op de tanden, de horens en de speer. Was het de angst, of iets dat John en Mary in zijn aderen hadden gespoten, dat hem met die snelheid voortdreef? Dit deel van zijn vlucht duurde geen nachtmerrieachtige eeuwigheid. In één enkele sprint bereikte hij de kust.

Het dorp bestond slechts uit enkele dicht opeenstaande hutten. Ofschoon de muren van beton waren en ze bedekt waren met een of andere glimmende kunststof, waren ze kleiner en armoediger dan de hutten uit de Steentijd. Het lichtschijnsel dat hij eerder had gezien, sijpelde door slecht sluitende luiken en deuren.

Hij bonsde op de eerste deur. ‘Laat me binnen!’ riep hij. ‘Help me!’

Er kwam geen antwoord, geen beweging, het huis sloot zich in zichzelf op en negeerde zijn bestaan. Over een modderig pad strompelde hij naar het volgende en sloeg zijn vuisten erop kapot. ‘Help! In Haar naam, help me!’

Binnen klonk een angstig geluid. Een bevende mannenstem riep: ‘Ga weg.’

Ver weg op de hei hield het lawaai van de jacht plotseling op. Toen stak het weer op en het kwam in de richting van het dorp.

‘Ga weg, stuk vuil!’ schreeuwde de man binnen.

Lockridge wierp zich tegen de deur, maar deze bleek te sterk. Hij viel terug, alles deed hem pijn.

Hij snelde het dorp in en riep om hulp. In het midden was een soort pleintje. Naast een primitieve put stond een zes meter hoog, T-vormig kruis. Eraan hing het lichaam van een man. Hij was dood en aangevreten door de raven.

Lockridge liep erlangs. Hij kon de hoeven al weer horen. Aan de andere kant van het dorp lagen enkele akkers met naar hij meende aardappelen. In het meedogenloze maanlicht zag hij duidelijk de sporen van ruiters. Er vlak bij stond een hutje dat nog armoediger was dan de andere. De deur piepte open. Een oude vrouw kwam te voorschijn en riep: ‘Hierheen, jij! Vlug!’

Lockridge struikelde over de drempel naar binnen. De vrouw sloot de deur en draaide de sleutel om. Boven zijn hijgen uit hoorde hij haar dronken gemonke ‘Zij zullen wel niet in het dorp komen. ‘t Is niet sportief om een mens te doden die in de val zit. En ik zeg dat een Wilde ook een mens is. Zij kan tekeer gaan zoveel als ze wil, als ze erachter komt. Ik ken mijn rechten, o zo. Ze hebben mijn Ola genomen, maar daardoor ben ik, zijn moeder, een heel jaar heilig en onschendbaar. Alleen de Koriach kan mij veroordelen en jonkvrouwe Istar zal haar niet met zo'n kleinigheid lastig durven vallen.’

Lockridge's krachten keerden langzaam terug. Hij bewoog zich. Haastig zei de vrouw: ‘Denk eraan, als je lastig wordt, hoef ik de deur maar te openen en te roepen. Mijn buren zijn sterke kerels die met plezier een Wilde te grazen zullen nemen. Ik weet niet of zijzelf je in stukken zullen scheuren of je het veld in zullen jagen als een prooi voor Istar, maar je waardeloze leven ligt in mijn hand. Vergeet dat niet.’ ‘Ik… zal…u geen last bezorgen.’ Lockridge ging overeind zitten, sloeg zijn armen om zijn knieën en keek haar aan. ‘Als ik u hoe dan ook mijn dank kan tonen…iets terug kan doen …’

Met een schok ontdekte hij dat zij nog niet zo heel oud was. Haar gebogen houding, smerige jurk, knoestige handen, verweerde huid en half uitgevallen gebit hadden hem misleid. Haar haren, die in vlechten tot op haar middel hingen, waren nog zwart, haar gezicht was nauwelijks gerimpeld, haar ogen waren vertroebeld door de drank, maar nog niet verzwakt.

De hut, die maar uit één vertrek bestond, was spaarzaam gemeubileerd. Een paar ledikanten, een tafel en enkele stoelen, een kast en een kist…wacht, in de kookhoek stonden apparaten die elektrisch moesten zijn en aan de muur hing een communicatiescherm… tegenover een huisaltaartje met een zilveren Labrys…

Zij schrok. ‘Jij bent geen Wilde!’

‘Ik neem aan van niet, wat een Wilde ook moge zijn.’ Lockridge legde een hand aan zijn oor. De meute had zich weer verwijderd. Hij haalde opgelucht adem en wist dat hij deze nacht niet zou sterven.

‘Maar…maar je komt naakt voor hen uit de bossen gevlucht, je haar is echter geknipt, je baard geschoren en je spreekt beter dan ik …’

‘Laten we zeggen dat ik een buitenlander ben, maar ik ben geen vijand.’ Lockridge koos zijn woorden zorgvuldig. ‘Ik was op weg hierheen toen de jagers mij toevallig ontdekten. Het is van groot belang dat ik me in verbinding stel met…eh… met het hoofdkwartier van de Koriach. Ze zullen u goed belonen omdat u mij het leven hebt gered.’ Hij stond op. ‘Kunt u mij wat kleren lenen?’

Haar ogen gleden peinzend over zijn gestalte, niet zoals een vrouw een man bekijkt, maar met een eeuwenoude behoedzaamheid die langzaam plaats maakte voor een beslissing. ‘Goed dan. Misschien lieg je, misschien ben je zelfs een duivel, uitgestuurd om ons arme sloggs in de val te laten lopen, maar ik heb weinig te verliezen. Ola's tuniek zal je wel passen.’ Zij rommelde in een klerenkist en overhandigde hem een versleten kledingstuk. Toen hij het aannam, streek zij met haar hand over de stof. ‘Zijn geest moet er nog een beetje in aanwezig zijn,’ zei zij zacht. ‘Misschien herkent hij mij nog. In dat geval ben ik veilig.’

Lockridge trok de tuniek over zijn hoofd. ‘Was Ola uw zoon?’ vroeg hij met even zachte stem.

‘Ja. De laatste. Een ziekte heeft de anderen weggenomen toen ze nog in de wieg lagen. En dit jaar, toen hij pas zeventien was, koos het lot Ola uit.’

Een afschuwelijke gedachte kwam bij Lockridge op en hij flapte eruit: ‘Is hij de man aan het kruis?’

Woedend repliceerde de vrouw: ‘Zwijg! Dat was een verrader Hij vervloekte Pribo, de minnaar van jonkvrouwe Istar, alleen maar omdat die een van zijn visnetten had vernield!’ ‘Neem me niet kwalijk,’ stamelde hij. ‘Ik heb u toch gezegd dat ik hier vreemd ben.’

Onder de invloed van de alcohol sloeg haar stemming weer snel om. ‘Ola,’ zei zij, ‘moest de Jaarman zijn.’ Zij wreef met haar hand door haar ogen. ‘De Godin moge me vergeven. Ik weet dat zijn leven nu in het land is. Als ik maar kon vergeten hoe hij gilde toen ze hem verbrandden.’

Lockridge vond een stoel, viel erop neer en staarde in het niets.

‘Je bent zo bleek,’ zei de vrouw. ‘Wil je wat drinken?’ ‘Vervloekt, ja!’

Uit een kruik schonk zij een glas vol. Deze wijn was zuurder dan die hij in het paleis gedronken had, maar hij bemerkte hoe eenzelfde gemoedsrust bezit nam van zijn zenuwen en gedachten. O zeker, dacht hij, zoiets hebben ze wel nodig om dat alles te kunnen verdragen.

‘Vertel me eens,’ zei hij, ‘is Istar jullie priesteres?’

‘Ja, dat is ze. Zij is ook degene met wie je je in verbinding moet stellen. Maar beter niet voor morgenmiddag, denk ik. Ze blijft tot diep in de nacht jagen en slaapt dan uit. En hoe belangrijk je ook moge zijn, het zou niet verstandig zijn om haar uit bed te halen.’ De slogg dronk uit haar glas en giechelde. ‘Maar… eh… om haar mee naar bed te nemen, dat is iets heel anders, heb ik gehoord. De jongens mogen eigenlijk niet over de lentefeesten spreken, maar ze doen het natuurlijk toch.’

‘Die… eh… die Wilden. Wie zijn dat?’

‘Wat? Je komt zeker wel van ver! Dat zijn de naaktlopers, de bosbewoners, de ongelukkigen die het dorp in sluipen om een kip te stelen, en die iedereen overvallen die zo onverstandig is om alleen naar het bos te gaan. Ik weet werkelijk niet waarom ik je binnen heb gelaten, terwijl ik toch meende dat je een Wilde was. Misschien omdat ik zo eenzaam was en aan Ola dacht en… natuurlijk moet men jacht op hen maken, niet alleen om hen in bedwang te houden, maar ook omdat hun leven het land bevrucht… en toch vraag ik me wel eens af of de Godin ooit niet een betere weg voor ons zal vinden.’

O ja, dacht Lockridge walgend, er is een betere weg te vinden. Maar niet in dit tijdperk. Ik zie het heel duidelijk. Ik zie die verbijsterde oude arbeider, die ik tweeduizend jaar geleden heb gekend, die afgedankt werd omdat hij niet met een computer overweg kon. Wat kun je in hemelsnaam dóen met de mensen die je over hebt?

Als je een Gardist bent, dril je ze tot een beroepsleger. Als je een Wachter bent, zorg je ervoor dat ze onwetende lijfeigenen blijven, met een aantal volslagen wilden om hen in toom te houden en een godsdienst die… Nee, dat is nog het afschuwelijkste van de hele situatie: de Wachters zelf geloven erin.

Jij ook, Storm?

Dat móet ik te weten komen.

Vaag drongen de woorden van de vrouw tot hem door: ‘Nu ja, hoe zondig ik ook ben, Ola maakt me heilig tot het moment dat de volgende Jaarman gekozen is. Hij moet me ertoe hebben aangezet om je binnen te laten. Waarom zou ik het anders gedaan hebben?’ Begerig voegde zij er snel aan toe: ‘Vreemdeling, ik heb je geholpen. Mag ik, als dank, de Koriach zien? Mijn grootmoeder heeft Haar eens gezien. Zij kwam toen hier over het land gevlogen, Haar haren waren zwart. Zij vloog snel als de storm waarnaar Zij zich vaak noemt. O, zelfs na zestig jaar weten de mensen het nog! Als ik Haar een keer mocht zien, zou ik gelukkig sterven.’ ‘Wat?’ De uitputting en het kalmeringsmiddel deden hun uitwerking voelen, maar plotseling was hij weer klaar wakker. ‘Dezelfde? Zo lang geleden?’

‘Wie anders? De Godin sterft niet.’

Een of ander trucje, misschien maakten ze gebruik van de tijdtunnels. Maar Brann had gezegd dat hij haar de gehele geschiedenis door bestreden had — en er waren er maar enkelen die geschikt waren om door de tunnels te reizen. Hun leiders moesten tenminste een aantal jaren of decenniën in elk milieu doorbrengen… Hoeveel?

Het glas ontglipte aan Lockridge's hand. Hij stond op. ‘Ik kan hier niet langer blijven,’ barstte hij uit. ‘Ik zal iemand oproepen om mij te komen halen.’

‘Nee, wacht, dat toestel staat alleen met Istars slot in verbinding. Je denkt toch niet dat mensen als ik een rechtstreekse lijn naar het paleis van de Godin hebben? Ga zitten, dwaas!’ Lockridge duwde de vrouw opzij. Zij viel op het bed neer en schonk zich een nieuwe beker wijn in. Hij legde zijn hand op het enige oproeplampje. Op het scherm verscheen een verveelde, slaperige en boze jongeman.

‘Wie ben je?’ vroeg de Wachter nijdig. ‘De Vrouwe is op jacht.’

‘Voor mijn part jaagt ze zichzelf naar de hel,’ snauwde Lockridge. ‘Verbind me met het paleis van de Koriach van de Westmark.’

De mond van de baardeloze jongeman viel open. ‘Ben je gek geworden?’

‘Luister, mooie jongen, als je niet als de weerlicht doe wat ik zeg, zal ik je huid aan de eerste de beste boerenschuur vastspijkeren, met je halve karkas er nog in. Verbind me met de Wachter Hu, met Vrouwe Yuria, of met wie ook van het hof die je maar bereiken kunt. Zeg hun dat Malcolm Lockridge teruggekeerd is. In naam van de Koriach’

‘Kent u hen? Vergeef me! Eén minuutje geduld, verzoek ik u.’ Het beeld verdween.

Lockridge reikte naar de kruik, maar trok zijn hand weer terug. Nee, vannacht moest hij zijn hersens bij elkaar houden. Hij moest geruime tijd wachten en kookte van woede. Buiten huilde de wind om het dak. De vrouw keek naar hem en dronk zonder ophouden.

Hu's gezicht verscheen. ‘Jij! We dachten dat je verdwenen was!’ Uit zijn stem sprak meer verbazing dan blijdschap. ‘Het is een lang verhaal,’ viel Lockridge hem in de rede. ‘Kun je door middel van deze verbinding er achter komen waar ik me bevind? Oké, kom me dan ophalen.’ Hij verbrak de verbinding.

Het vrouwtje was nu te dronken om te tonen hoe bang ze was geworden. Zij trok zich in een hoek terug en mompelde: ‘Heer, vergeef me, ik wist niet…’

‘Ik ben u nog steeds mijn leven schuldig,’ zei Lockridge. ‘Maar de Koriach is er op het moment niet. Het spijt me.’ Hij kon het niet over zich verkrijgen om in de hut te blijven, waar het bed van de jongen zo keurig opgemaakt was. Hij bracht de hand van de moeder aan zijn lippen en ging naar buiten.

De wind gierde om hem heen en deed de dorre takken kraken. De maan stond hoog aan de hemel en leek kleiner geworden. Heel ver weg hoorde hij de jagers. Maar niets van dat alles was nu belangrijk.

Ik moet voorzichtig zijn, dacht hij op zeker moment. Het minste wat ik doen moet, is Auri weer naar huis brengen. Hij wist niet hoe lang hij al had staan wachten. Een half uur misschien. Toen daalden twee in het groen geklede mannen uit de donkere hemel omlaag en salueerden. ‘Laten we gaan,’ zei hij.

Zij vlogen over het land. Wat hij ervan zag, was hoofdzakelijk één eindeloze nacht. Hier en daar lagen dorpen, geschaard rond de schitterende hooggebouwde paleis-tempels, maar daarvan en van elkaar gescheiden door mijlen en mijlen verlatenheid. Maar dan eens zag hij een ankh, boven op een fabriek. Ja, dacht hij, de Wachters leven dank zij machines, even goed als de Gardisten. Alleen camoufleren zij het wat meer.

Het was niet hun bedoeling dat ik dit alles zou zien. De opzet was dat ik rechtstreeks naar een tunnel zou gaan — als ik het er levend zou afbrengen — en rechtstreeks naar Haar heiligdom verplaatst zou worden.

Het paleis doemde voor hem op; zelfs nu was het zo schitterend, dat de gedachte dat dit alles zou verdwijnen, hem pijn deed. Zijn begeleiders brachten hem naar een terras waar jasmijn de verwarmde lucht parfumeerde en waar een fontein klaterde. Hu wachtte hem op, gekleed in een mantel die als een waterval van vuur van zijn schouders golfde. ‘Malcolm!’ Hij greep Lockridge bij de armen. Maar zijn enthousiasme zat niet diep. ‘Wat is er allemaal gebeurd? Hoe ben je ontsnapt, hoe ben je zover naar het noorden terechtgekomen? Verdraaid, dit moeten we vieren met een feest zoals er niet is geweest sinds de Koriach haar laatste verschijningsvorm in de Westmark koos.’

‘Hoor eens,’ zei de Amerikaan, ‘ik ben bijna te moe om op mijn benen te staan. Mijn opdracht is uitgevoerd, de details zal ik je later wel eens vertellen. Het enige wat ik wil weten is: hoe maakt Auri het?’

‘Wie?… O, dat meisje uit de Steentijd. Ze zal wel slapen, neem ik aan.’

‘Breng me naar haar toe.’

‘Maar…’ Hu fronste zijn voorhoofd en streek langs zijn kin. ‘Waarom wil je haar zo graag zien?’

‘Is haar iets overkomen?’ schreeuwde Lockridge.

Hu week verbaasd achteruit. ‘Nee. Natuurlijk niet. Maar je zult begrijpen dat ze veel verdriet om je heeft gehad. En blijkbaar heeft ze sommige dingen die ze gezien heeft, verkeerd geïnterpreteerd. Maar dat was te verwachten. Dat was uiteraard te verwachten. Dat was juist de reden waarom we iemand uit haar cultuurkring zo nauwkeurig wilden bestuderen. Geloof me, we hebben haar zo vriendelijk behandeld als maar mogelijk was.’

‘Ik geloof je, breng me bij haar.’

‘Kan zij niet wachten? Het was mijn bedoeling je eerst een opwekkend middel te geven en nadat we je rapport op de band hadden vastgelegd, je terugkomst te vieren…’ Hu gaf het op. ‘Zoals je wilt.’

Hij hief een arm op en een dienaar verscheen. Hu gaf hem instructies. ‘Tot morgen dan, Malcolm,’ zei hij. Daarna verwijderde hij zich terwijl zijn vurige mantel om hem heen wapperde.

Lockridge lette nauwelijks op welke weg ze volgden. Tenslotte opende de dienaar een deur. Hij ging naar binnen en bevond zich in een klein kamertje. Aan de andere kant van het vertrek bevond zich nog een deur, daarnaast stond een bed waarop Auri lag te slapen. Zij droeg een leuk nachtgewaad en ze was niet mager geworden (de plaatselijke artsen wisten hoe ze een specimen in goede conditie moesten houden), maar zij kreunde in haar slaap.

Zijn hand trilde toen hij een diaglossa voor haar milieu in zijn oor bevestigde en zacht over haar wang streek. Zij sloeg haar ogen op. ‘Lynx,’ stamelde zij en toen, ineens klaar wakker: ‘Lynx!’

Hij ging op het bed zitten en nam haar in zijn armen: zij huilde en lachte en beefde. Een stroom van woorden kwam los: ‘O Lynx, Lynx, ik dacht dat je dood was, neem me mee, breng me terug naar huis, of waarheen je wilt, dit is het land waarheen de slechte mensen gaan als ze dood zijn, nee, ze hebben me niet geslagen, maar ze houden mensen als dieren, ze fokken ze, en iedereen haat iedereen, altijd zijn ze aan het roddelen, waarom willen ze andere mensen tot slaven maken, dat willen ze allemaal, zij kan de Godin niet zijn, zij mag niet…’

‘Zij is de Godin niet,’ zei hij. ‘Ik ben op weg hierheen door haar land gereisd, ik heb haar volk gezien en ik weet het. Ja, Auri, we gaan terug naar huis.’

De tussendeur ging open. Hij wendde zijn hoofd om en zag Vrouwe Yuria. Haar blonde vlechten konden niet verbergen dat zij een diaglossa droeg, en door haar nachtgewaad heen zag Lockridge hoe haar hele lichaam gespannen was.

‘Ik zou wel willen dat je dat nooit toegegeven had, Malcolm,’ zei zij.


18

<p>18</p>

1827 voor Christus.

Lockridge liep door het regenbooggordijn. ‘Wanneer precies?’

Hu keek op de kalenderklok. ‘Later dan mijn bedoeling was,’ zei hij. ‘Eind augustus.’

Voor Avildaro is er dus een kwartjaar verstreken sinds onze overwinning op Brann en de Yüthoaz, dacht Lockridge. Voor Auri ongeveer even veel. Voor mij heeft het slechts een paar dagen geduurd, ofschoon elk ervan een eeuw leek. Wat heeft Storm deze zomer hier uitgevoerd?

‘Het is de onzekerheidsfactor die de verbindingen door de tijd zo moeilijk maakt,’ mopperde Hu. Weifelend keek hij naar de poort. ‘We zouden het nog eens kunnen proberen.’ De vier soldaten die hen begeleidden, keken ontsteld en een van hen protesteerde zelfs. Hu liet het plan varen. ‘Nee. Op die manier kun je in de afgrijselijkste paradoxen verstrikt raken. In de afgelopen weken zijn er enkele koeriers heen en weer gereisd. Volgens het laatste rapport verliep alles naar wens en dat was nauwelijks een lokale maand geleden.’ Hij liep het toegangspad op. Met Lockridge en Auri in hun midden gingen zijn manschappen hem na. Het meisje greep de Amerikaan bij de hand en fluisterde: ‘Zijn we nu echt weer thuis?’

Je bent weer thuis,’ antwoordde hij.

Verstrooid vroeg hij zich af waarom er geen Wachters op post stonden bij deze poort, die toch zo belangrijk was. Nou ja, concludeerde hij, daar heeft ze een aantal uiteenlopende redenen voor, onder andere dat zij een zo groot mogelijk aantal trouwe aanhangers in haar eigen tijd moet houden. Maar hoofdzakelijk, denk ik, omdat ze met vaste wachtposten de kans zou lopen de hele onderneming te verraden, indien een Gardistenverkenner tot hier zou doordringen.

Zij bereikten de oppervlakte. De zon stond op middaghoogte boven het woud dat, op het hoogtepunt van het seizoen, vol kleur en leven was. Een roedel herten, die op de bosweide graasde, ging er vandoor en joeg een vlucht patrijzen op. Met stralend gezicht bleef Auri een ogenblik staan, zij strekte haar armen naar de hemel en schudde haar loshangende haren naar achteren. Alvorens te vertrekken had zij haar eigen korte kleed weer aangetrokken. Het viel Lockridge op hoe volwassen haar lichaam in de korte tijd van zijn afwezigheid geworden was.

Hij wilde wel dat hij de moed had om een rok, een mantel en een halsketting te vragen, in plaats van het groene uniform dat men hem had gegeven.

‘En we zijn weer vrij, Lynx!’ Opeens kon het meisje zich niet meer beheersen: zij danste en schreeuwde van vreugde.

Jij bent vrij, misschien. Ik hoop het, dacht hij. En ik? Ik weet het niet.

Gedurende de twee dagen die hij in het paleis had doorgebracht, voordat ze hem hierheen brachten had men hem voorkomend behandeld. Vergezeld door een enkele bewaker had hij kunnen gaan en staan waar hij wilde. Hoffelijk had men hem gevraagd of hij er bezwaar tegen had zijn rapport uit te brengen onder invloed van een waarheidsserum; dat had hij gedaan, hij had alles verteld wat hij wist en dacht, omdat het alternatief waarschijnlijk een psychosonde was. Daarna had Yuria uitvoerige gesprekken met hem gevoerd, zonder in het minst blijk te geven van ontstemming. Zij had zich op het standpunt gesteld dat, ten eerste, zijn achtergrond het hem onmogelijk maakte een totaal andere beschaving te begrijpen; ten tweede, dat wat hij had gezien een onvolledig en daardoor onjuist beeld gaf; ten derde, dat het tragische een integraal deel was van ieder mensenleven indien dit volledige adeldom wilde bereiken; ten vierde, dat er natuurlijk wantoestanden voorkwamen, maar die konden hersteld woeden en onder een betere regering zou dat ook gebeuren.

Hij had er niet op gereageerd, noch de gunsten die zij hem aanbood, aanvaard. Daarvoor was zij hem te vreemd geweest. Dat gold ook voor de anderen.

Hu gaf een bevel. De groep verhief zich van de grond en vloog in de richting van de Limfjord.

Vandaag zal ik Storm terugzien, dacht Lockridge. Zijn hart bonsde. Hij wist niet in hoeverre zijn opwinding veroorzaakt werd door angst en in hoeverre door…, nu ja… door háár.

Maar toch was zij het die het oordeel over hem zou uitspreken. Niemand anders had dat aangedurfd. Niet alleen omdat hij haar uitverkorene was, maar omdat hij de drager was van die raadselachtige boodschap uit haar toekomst.

Zij lieten het woud achter zich. Op het water van de baai danste het zonlicht, onder het heilige bosje ernaast lag Avildaro. In de baai lagen enkele vissersbootjes, tussen de hutten waren vrouwen aan het werk. Maar ten noorden van het dorp en verder naar het oosten kampeerden…

Auri gilde. Lockridge uitte een vloek.

‘De Yüthoaz! Lynx, wat is er gebeurd?’

‘Vervloekt, Wachter, verklaar me dat eens,’ snauwde Lockridge.

‘Houd je kalm,’ riep Hu over zijn schouder. ‘Dit is volgens plan. Alles gaat naar wens.’

Lockridge kneep zijn ogen tot spleetjes en telde. De Strijdbijl-mannen vormden geen aanzienlijke legermacht. Hij zag een tiental strijdwagens, naast de tenten van de eigenaars, de aanvoerders. De mannen die opgewonden te hoop liepen en omhoog keken naar het vliegende groepje, waren iets meer dan honderd in getal. Het was mogelijk dat enkelen afwezig waren, op jacht of wat ook, maar dat zouden er vast niet veel zijn.

Zij hadden echter hun vrouwen meegebracht. Geen enkele Orugaray-vrouw droeg een ruw wollen jek en rok. Kleine kinderen holden tussen hen door. Oudere kinderen bewaakten kudden runderen, schapen, paarden, een rijkdom aan vee dat kilometers in de omtrek liep te grazen. Plaggenhutten waren in aanbouw.

De vijand was teruggekeerd… voorgoed.

Storm, Storm, waarom?

Met Hu voorop daalde de groep neer bij het Lange Huis. De hutten eromheen onttrokken het Yüthoazkamp aan het gezicht. Het plein bij de ingang lag verlaten; geen dorpeling was te bekennen op wat eens het middelpunt van de gemeenschap was geweest en waar het altijd een luidruchtige, vrolijke bedoening was. De geluiden uit de verte verstoorden nauwelijks de zonnige stilte.

Het huis zelf was ook anders. Vroeger was de bovendrempel altijd versierd geweest met slingers, eikebladeren in de zomer en hulst in de winter. Nu schitterde er een goud en zilveren embleem: de Labrys boven de Zonneschijf. Twee trotse krijgers stonden er op wacht, gekleed in een leren pantser, beschilderd en bepluimd, speer, dolk, boog en bijl onder handbereik. Zij groetten de nieuw aangekomenen op de wijze van de Wachters.

‘Is Zij binnen?’ vroeg Hu.

‘Ja, heer,’ zei de oudste Yüthoaz, een zware kerel met een gaffelbaard en rood haar. Op zijn schild was een wolf geschilderd. Tot zijn schrik herkende Lockridge Widucar. Zijn gebroken arm was genezen. ‘Zij bedrijft Haar magie achter de duisternis.’

‘Houd deze man tot Haar beschikking.’ Hu ging naar binnen. Achter hem viel het gordijn van huiden weer dicht. Auri sloeg haar handen voor haar gezicht en barstte in snikken uit. Lockridge streelde haar blonde haren. ‘Jij hoeft niet te blijven,’ zei hij zachtjes. ‘Ga je familie maar opzoeken.’

‘Als ze tenminste nog leven.’

‘Natuurlijk. Er is niet opnieuw gevochten. De Storm heeft er een bepaalde bedoeling mee gehad toen Zij de vreemdelingen terug liet komen. Ga nu maar naar huis.’

Auri maakte aanstalten om te vertrekken, maar een van de soldaten greep haar vast. Lockridge sloeg zijn hand weg. ‘Je hebt geen bevel gekregen om haar vast te houden,’ brieste hij. Met een verschrikt gezicht deed de soldaat een pas achteruit. Auri verdween tussen de hutten.

Widucar had het voorval met meer geamuseerdheid gadegeslagen dan zijn metgezel, die duidelijk onder de indruk was. Er verscheen een grijns op zijn gezicht. ‘Maar jij bent toch degene die ons indertijd is ontsnapt!’ bulderde hij. ‘Nee maar!’

Hij zette zijn speer tegen het huis, kwam naar Lockridge toe en sloeg hem joviaal op de schouders. ‘Dat was me nog eens een knap staaltje vechten,’ zei hij met echte warmte in zijn stem. ‘Tjonge, wat heb je ons in het zand laten bijten, en dat alles voor één klein meisje! Hoe is het je sindsdien vergaan? Wij zijn nu je vrienden, weet je, en ik heb de afgelopen weken de goden van zo nabij gadegeslagen, dat ik er niet meer van onder de indruk kom. Ik denk dat wat jij deed geen toverkunsten waren, maar gewone trucjes, die ik graag zou willen leren. Wees welkom!’

Lockridge dacht snel na. Hier lag een kans om een betrouwbaar overzicht van de gebeurtenissen te krijgen. ‘Ik heb een verre reis gemaakt in Haar dienst,’ zei hij langzaam, ‘en ik weet niet wat er in deze streken gebeurd is. Ik ben niet weinig verbaasd om je stam hier weer te vinden.’ Stekelig voegde hij eraan toe: ‘En jou zelf, die schildwacht speelt als de eerste de beste jonge vent.’

Widucar maakte een bezwerend gebaar en antwoordde ernstig: ‘Wie behalve de hoogst geborene is geschikt om Haar te dienen?’

‘Eh… ja, natuurlijk. Maar toch, hoelang doen de wagenstrijders dit al?’

‘Sedert hoogzomer, of kort daarna. Zie je, ons volk was met angst geslagen nadat hij die wij voor de Vuurgod zelf hielden, verslagen was en wijzelf verstrooid waren door vreemdelingen die wapens hadden van echt metaal. Wij achtten onszelf gelukkig toen wij weer thuis waren, en we hebben de goden van dit land rijke offers gebracht. Maar toen kwam er een afgezant van Haar, die met onze raad sprak. Hij zei dat Zij niet vertoornd op ons was, omdat wij maar eenvoudige mensen waren die door de reus waren misleid. Ja, Zij wenste zelfs dat wij Haar krijgers zouden worden, want Haar eigen soldaten moesten terugkeren naar het land vanwaar zij waren gekomen.’

Natuurlijk, Lockridge herinnerde het zich weer. De Engelsen moesten naar huis terug: zij waren ongeschikt om in dit tijdperk efficiënte hulp te bieden, nog afgezien van het feit dat iedereen op het eerste gezicht kon zien dat ze hier niet thuis hoorden. Storm had iets losgelaten over een nieuw plan van haar, dat ze dit hoofdkwartier van haar nieuwste operatietoneel tot een sterk bastion wilde maken.

‘Maar ja,’ vervolgde Widucar, ‘we wisten niet goed wat te doen. Als avontuurlijke jonge kerels zich een paar jaar bij Haar leger wilden aansluiten, best. Maar vaders van gezinnen? Zo ver van ons eigen volk en van onze goden? Toen zette de afgezant uiteen dat Zij een krijgersvolk wenste dat voorgoed bleef. De vissers zijn wel dapper, maar ze hebben geen oorlogservaring en ze kunnen niet met de nieuwe wapens omgaan. Zij wilde niet alleen onze weerbare mannen hebben, maar onze gehele stam.

We zouden land krijgen en in aanzien staan. Ook onze goden zouden geëerd worden. Zon en Maan, Vuur en Water, Lucht en Aarde — waarom zouden ze niet huwen en gelijkelijk aanbeden worden? Het eind van het liedje was dat de clans die je daarginds hebt gezien, gingen bedenken dat ze uit hun weidegronden groeiden, dat ze overwogen wat er allemaal zou kunnen voortkomen uit een bondgenootschap met iemand die zo machtig was, en dat ze tenslotte hierheen trokken.

Tot nu toe is het ons goed vergaan. We hebben wat geschermutseld met de Zeevolken hoger op de kust, juist genoeg om in vorm te blijven en wat buit en slaven te behalen. Ik neem aan dat we volgend jaar een grote aanval op touw zullen zetten, om de streken die Haar nog niet erkennen, daartoe te dwingen. In tussentijd bouwen we langzaam een nederzetting op in dit prachtige land; en Zij, de Zuster van de Zon, verblijft in ons midden.’

Storm deze Noordelijke volken hebben nooit eerder de vloek van het imperialisme gekend!

Met schorre stem vroeg Lockridge: ‘Kunnen jullie nogal overweg met de bewoners van Avildaro?’

Widucar spoog. ‘Niet zo best. Ze durven niet te vechten, omdat Zij gezegd heeft dat ze ons met rust moeten laten. Maar een aantal van hen is heimelijk naar overzee vertrokken en de rest is maar een nors stelletje. Wel, je weet hoe hun vrouwen zijn; maar als een van onze jongens zin heeft in een pleziertje, dan ligt zijn enige hoop erin dat hij er een in het struikgewas kan overvallen en haar kan dwingen. Want eigenlijk mogen ook wij hen geen kwaad doen, weet je.’ Zijn gezicht klaarde op. ‘Maar gun ons wat tijd. Als ze niet regelmatig handel met ons willen drijven, dan zullen we onszelf wel redden. En tenslotte zullen we hen eronder krijgen, juist zoals onze voorouders de stammen die zij onder de voet liepen, naar hun eigen beeld hebben omgevormd.’ Hij boog zich voorover, porde Lockridge in de ribben en zei op vertrouwelijke toon: ‘Dat is trouwens ook Haar bedoeling. Zijzelf heeft me kort geleden nog beloofd dat de vooraanstaande geslachten van beide volken door huwelijken verbonden zullen worden, Zie je, op die manier gaat de erfenis van hun moeders over op onze zonen.’ En het resultaat van dat alles, dacht Lockridge, is jonker Erik.

Nee, wacht eens. Dat was het werk van de Gardisten. Maar hadden de Wachters niet de grondslag daarvoor gelegd?

Hij verviel in een diep stilzwijgen, zodat Widucar zich gekwetst voelde en naar zijn post terugkeerde. De zon was nu al ver over zijn hoogtepunt heen.

Ondanks al zijn sombere gedachten, was Lockridge idioot blij toen Hu verscheen en zei: ‘Zij kan je nu ontvangen.’ Met een sprong was hij door het gordijn. Niemand volgde hem.

Er brandde nog altijd geen vuur in het Lange Huis, dat door de kille straling van de bollen werd verlicht. Nog altijd werd het achterste deel door duisternis afgesloten. Waar Lockridge zich bevond, was de vloer met een of ander hard materiaal bedekt, de wanden waren met grijs bekleed. De meubels en de apparaten uit de toekomst stonden als een bespotting tussen de houten zuilen.

Storm kwam naar hem toe.

De sporen van haar gevangenschap waren verdwenen. Het blauwzwarte haar, de gebruinde huid, de zeegroene ogen glansden als door een innerlijk licht; zij liep snel, zodat haar borsten, heupen en benen zich onder haar gewaad aftekenden en zij herinnerde hem opnieuw aan de Gevleugelde Overwinning van Samothrace. Het gewaad dat zij vandaag droeg, was wit, diep uitgesneden en afgezet met het blauw van het koninkrijk Kreta. Op haar voorhoofd glansde de halve maan.

‘Malcolm,’ zei zij in zijn eigen taal. ‘Dit is mijn ware beloning: dat je terug bent gekomen.’ Zij nam zijn gezicht in haar handen en keek hem in de ogen; in de stilte hoorde hij zijn hart bonzen. ‘Ik dank je,’ zei zij in het Orugaray.

Hij wist wanneer een vrouw een kus verwachtte. Hij voelde zich duizelig, maar hij probeerde sterk te blijven en vast te houden aan al zijn twijfels en wrok. ‘Ik neem aan dat Hu je mijn rapport heeft doorgegeven,’ zei hij. ‘Ik heb er niets aan toe te voegen.’

‘Je hoeft er niets aan toe te voegen, liefste.’ Zij gebaarde naar een zetel. ‘Kom. We moeten alles eens bespreken.’ Hij nam naast haar plaats. Hun knieën raakten elkaar. Voor hen stonden een fles en twee gevulde roemers. Zij reikte hem er een aan en hief het hare op. ‘Wil je op ons beiden drinken?’

‘Brann heeft me ook wijn aangeboden,’ zei hij schor.

Haar glimlach verdween. Zij keek hem lange tijd aan en zette vervolgens haar glas weer neer. ‘Ik weet wat je denkt,’ zei zij.

‘Dat de Wachters niet beter zijn dan de Gardisten, en dat ze allebei kunnen barsten? Ja, daar komt het wel op neer.’ ‘Maar het is niet waar,’ zei zij ernstig; haar ogen hielden zijn blik vast. ‘Je hebt eens de nazi's van jouw tijd genoemd als een voorbeeld van het absolute kwaad. Ik ben het met je eens. Zij waren een schepping van de Gardisten. Maar denk eens na — probeer oprecht te zijn — veronderstel dat je een man uit de Steentijd was, die naar 1940 werd verplaatst. Hoeveel verschil tussen de verschillende landen zou je dan hebben kunnen ontdekken?’

‘Je nicht Yuria voerde een soortgelijk argument aan.’

‘O ja. Die.’ Even namen de volle lippen een harde uitdrukking aan. ‘Ik zal Yuria bij gelegenheid toch eens onder handen moeten nemen.’

Zij ontspande zich, legde een hand op zijn knie en ging snel en zachtjes verder: ‘Je hebt twee, zegge en schrijve twee mensen uit mijn toekomst ontmoet, die hun eigen bedoelingen hadden om je te redden. Een uur lang of daaromtrent ben je in hun wereld geweest. Zij brachten je terug op een plaats die zijzelf hadden uitgekozen, en lieten je toen alleen nadat ze met opzet een paar dubbelzinnige opmerkingen hadden gemaakt. Kom aan, Malcolm, je hebt toch een wetenschappelijke opleiding gehad. Dat is toch geen basis waarop je conclusies kunt vestigen? Wat voor conclusies dan ook!

Je hebt gezien wat ze je wilden laten zien. Je hebt gehoord wat ze je wilden laten horen. Zij sturen op iets bepaalds aan, en jij bent de sleutel daartoe. Maar wat is een sleutel? Alleen maar een werktuig. Je hebt niet meer gezien dan een wereld die anders is. En hoe weet je dat die verandering niet in een overwinning van de Wachters wortelt? Ik geloof dat dat wel het geval is.

Want, Malcolm, veel van het verkeerde dat je in mijn land hebt gezien, is aan de oorlog te wijten Als we geen vijand hadden, hoefde de discipline niet zo strak te zijn, dan zouden we de kans hebben om te experimenteren en hervormingen door te voeren. Ja, ik weet hoe Istar is. Maar je bent toch niet zo naïef om te denken dat de meest absolute heerser alleen maar een decreet hoeft uit te vaardigen om te bereiken wat hij wil? Niet? Ik moet werken met wat het lot mij geeft. Istar is nu eenmaal een van mijn aanhangsters. Haar opvolgster — en ik kan de opvolgingswetten nu eenmaal niet terzijde stellen zonder het gehele rijk in gevaar te brengen — degene die na haar zou komen, behoort tot een andere partij.’

‘Die van Yuria?’ vroeg hij verbijsterd.

Storm grinnikte. ‘Die goeie Yuria. Wat zou zij graag Koriach zijn! En wat zou zij er een armzalige vertoning van maken!’ Ernstig hervatte zij: ‘Ik onderschat mezelf niet, Malcolm. Je hebt gezien waartoe ik in staat ben. Door met jouw hulp Brann in de val te lokken, heb ik de Gardisten een dodelijke slag toegebracht, althans, het kan een dodelijke slag blijken. Er zijn er maar zo weinig die dergelijke operaties in de tijd kunnen opzetten, en er hangt zoveel van hen af. Zolang Brann vrij was, had ik bijna al mijn energie uitsluitend nodig om me tegen hem te verdedigen. Nu weet ik wie hem als bevelhebber heeft opgevolgd, en eerlijk gezegd met die Garwen heb ik niet de minste moeite.

Maar onze overwinning heeft ook een groot aantal nieuwe problemen opgeroepen. Tijdens je afwezigheid heeft onze trouwe Hu zijn spionnen erop uitgestuurd en er is een druk komen en gaan geweest van zijn boodschappen. Mijn rivalen — o zeker, thuis zijn er meer en duisterder paleisintriges dan je kunt vermoeden — degenen die tegen mij samenzweren, onder de dekmantel van de vriendschap, die we moeten dragen zolang de oorlog duurt — zij hebben gretig de kwestie van de te volgen strategie aangegrepen. Heeft Yuria er niet op gezinspeeld dat zij je zou belonen als je haar agent in mijn kamp wilde zijn?’ Lockridge moest dat wel bevestigen. ‘Nu, die partij houdt staande dat we om hulptroepen te verzamelen onze inspanningen in het Middellandse-zeegebied en in het Oosten moeten voortzetten. Vergeet het Noorden, zeggen zij; het heeft geen belang; hoewel de Indo-Europese verovering van het Oosten en Zuiden onvermijdelijk is, moeten we ervoor zorgen dat ze geen werkelijke waarde krijgt voor de vijand. Ik daarentegen zeg: verlaat die gebieden; handhaaf er alleen een symbolische strijdmacht, terwijl de Gardisten er hun beste mensen samentrekken; laten wij, zonder dat zij er weet van hebben, een duizendjarig bastion scheppen in het Noorden.’ Hij probeerde haar sprekende gelaatstrekken en de lijnen van haar lichaam te vergeten en zei, maar minder fel dan hij van plan was geweest: ‘Is dat de reden waarom je de mensen hier, die hun vertrouwen op jou hadden gesteld, verraden hebt?’

‘Ach ja. Ik heb de Yüthoaz te hulp geroepen en de megalietbouwers vinden dat niet prettig.’ Storm zuchtte. ‘Malcolm, ik heb je allerlei boeken laten lezen en je naar het Deense Nationale Museum gestuurd. Je behoort de archeologische feiten te kennen De nieuwe cultuur dringt het land binnen en zal gestalte geven aan de toekomst; de overblijfselen in de vitrines bewijzen het. Jij noch ik kan ook maar iets doen om dat te voorkomen. Maar we kunnen de details in de hand houden, waarover die overblijfselen zwijgen. Zou je dan willen dat de nieuwe volkeren Denemarken veroveren zoals ze het Indië zullen doen, met bloedbaden en onderwerping van de oorspronkelijke bevolking?’

‘Maar wat betekenen ze in hemelsnaam voor jou?’

‘Ik kon de Engelsen niet hier houden,’ zei zij. ‘Zij zijn naar huis gestuurd, afgezien van een handjevol die die tijdpoort bewaken totdat ze over een paar weken dicht gaat. Ik heb trouwens ook die agenten die je ontmoet hebt, naar de zestiende eeuw teruggezonden. Toen het elementaire werk hier eenmaal achter de rug was, waren ze van weinig nut meer. En tengevolge van de pressie van mijn rivalen kan ik geen echte experts van Kreta laten komen — tenminste niet voordat ik hier op veelbelovende resultaten kan wijzen.’

Zij maakte een weids gebaar. ‘En wat zullen die resultaten zijn?’ zei zij. ‘Een nieuwe en bestendige natie. Een machtig volk, dat, onder welk mythologisch compromis dan ook, de Godin aanhangt. Een bron van reservekrachten, rijkdom, mensen zelfs als we hen nodig zouden hebben. Een sector van de ruimte-tijd, die zo goed verdedigd is, dat we hier onze krachten voor het beslissende treffen kunnen verzamelen. Als het begin er eenmaal is — nu, dan zullen de andere Koriachs mij hun steun wel willen geven. Mijn positie thuis zal erdoor versterkt worden. Wat belangrijker is, men zal mijn strategie aanvaarden en al onze krachten op dit milieu concentreren. Dan zullen we weer een stap dichter zijn bij de vernietiging van de Gardistenkanker — en vervolgens zullen we bepaalde wantoestanden in ons eigen land kunnen opheffen.’

Zij liet haar hoofd zakken. ‘Maar ik ben zo alleen,’ fluisterde zij.

Hij kon zich niet langer beheersen; hij nam haar ene hand, die stil in haar schoot lag, in de zijne. Zijn andere arm sloeg hij om haar schouder.

Zij leunde tegen hem aan. ‘Oorlog is iets afschuwelijks,’ zei zij. ‘Je komt er niet onderuit hartverscheurende dingen te doen. Ik heb je beloofd dat je na deze opdracht naar huis mocht gaan. Maar ik heb iedereen nodig die bereid is mij te helpen.’

‘Ik zal je helpen,’ zei hij.

Tenslotte… had hij nog niet een taak te vervullen?

‘Je bent geen gewoon man, Malcolm,’ zei zij. ‘het koninkrijk waaraan wij bouwen, heeft behoefte aan een koning.’ Hij kuste haar en zij beantwoordde zijn liefkozingen Een ogenblik later fluisterde zij in zijn oor: ‘Kom mee, man. Daarginds.’

De zon ging onder. Vissersboten keerden terug uit het westen, waar een goudgele glans op het water lag; rook steeg op uit de hutten, de Wijze Vrouw en haar dienaren begaven zich op weg naar het bosje om er de avondoffers te brengen. Tromgeroffel dreunde over de weiden: de Strijdbijl-mannen brachten hun god een laatste groet.

Storm bewoog zich. ‘Het is beter dat je gaat.’ zuchtte zij. ‘Het spijt me, maar ik heb behoefte aan slaap. Het leven als godin neemt veel van mijn tijd in beslag. Maar je komt toch terug, niet? Alsjeblieft.’

‘Wanneer je maar wilt,’ zei hij met verstikte stem.

Hij liep de schemering in. Vrede heerste in zijn ziel. Achter het Lange Huis trof hij de Tenil Orugaray aan hun normale bezigheden. Kinderen speelden nog buiten, mannen maakten een praatje, door de open deuren van de hutten zag hij de vrouwen; zij weefden, naaiden, kookten, maalden graan, boetseerden potten. Waar hij ging, liet hij een spoor van stilte na.

Hij ging de hut binnen die van Echegon was geweest. Hier kon hij wonen.

Het gezin zat rond het vuur. Zij krabbelden overeind en tekenden zich met een bezweringsgebaar dat hun kort tevoren nog vreemd was geweest Alleen voor Auri was hij nog een normaal menselijk wezen. Zij kwam naar hem toe en zei met trillende stem: Wat ben je lang bij de Godin geweest.’

‘Ik kon niet anders,’ antwoordde hij.

‘Je zult onze voorspraak bij Haar zijn, niet?’ smeekte zij. ‘Misschien weet Zij niet hoe slecht ze zijn?’

‘Wie?’

‘De mensen die Zij hier gebracht heeft. O Lynx, wat ik allemaal gehoord hebt Ze laten hun dieren op onze akkers grazen ze grijpen onwillige vrouwen en ze verachten ons in ons eigen land. Zij hebben onze stamgenoten overvallen, wist je dat? Op deze eigen avond zijn er mensen uit Ulara en Faono, familieleden van mij, in hun kamp — als slaven. Vertel Haar dat, Lynx!’

‘Als ik de kans krijg, zal ik het doen,’ zei hij ongeduldig. Hij verlangde ernaar een poosje alleen te zijn om de gebeurtenissen van deze dag te verwerken. ‘Maar wat onvermijdelijk is, is onvermijdelijk. Kan ik nu iets te eten krijgen en daarna een rustig hoekje? Er is veel waar ik over na moet denken.’


19

<p>19</p>

Zoals bij iedere andere oorlog waarvan Lockridge afwist, was het ook bij deze onontkoombaar dat de meeste inspanning aan het weinig spectaculaire organiseren van allerlei zaken besteed moest worden. Tekort aan mankracht was al evenmin iets nieuws. De tegenstanders in de tijdoorlog hadden een ontstellend tekort aan mensen, want zij moesten hun agenten door de lengte en de breedte van de historie verspreiden. Storm Darroway was nog slechter af: zij stond praktisch alleen.

Zij gaf toe dat politieke na-ijver niet de enige reden was voor het gebrek aan steun vanwege haar mede Koriachs. Haar plan was radicaal van opzet en bracht mee dat aanzienlijke investeringen in de oude, ten ondergang gedoemde beschavingen afgeschreven moesten worden. Sommige Wachtersvorstinnen hadden Storm in alle oprechtheid laten weten dat zij eerst maar eens moest aantonen dat de winst, die zij bij hoog en bij laag beweerde te kunnen behalen, er ook werkelijk in zat; eerder waren ze niet bereid haar te steunen. Het was nu eenmaal een feit dat de tijdoorlog, voor zover men kon nagaan, Noord-Europa in de Bronstijd onberoerd liet. Van Wachters noch Gardisten was bekend dat zij in die duizend jaar lange en duizend mijl brede sector van de ruimte-tijd operaties van enige omvang hadden uitgevoerd. ‘Maar zeg eens, bewijst dat niet dat jij je vergist?’ zei Lockridge geërgerd.

‘Nee,’ antwoordde Storm. ‘Het kan even goed een aanwijzing zijn dat ik zal slagen. Vergeet niet, door toedoen van de tunnelbewakers kennen wij in onze tijd onze eigen toekomst niet. We kunnen niet voorspellen wat onze volgende stap zal zijn. Zelfs zulke kringlopen van oorzaak en gevolg als we gebruikt hebben om Brann in de val te laten lopen, zijn zeldzaam, dank zij de onzekerheidsfactor in de tijdpoorten.’ ‘Ja ja, natuurlijk. Maar kijk eens, liefje, in een verleden tijd zoals deze moeten jullie toch kunnen nagaan of jullie eigen mensen er actief zijn.’

‘En als hun werk vlot verloopt, wat zullen we er dan zien? Niets, behalve inboorlingen die hun gewone dagelijkse leventje leiden. Als Wachtersagenten onvindbaar zijn voor de Gardisten, dan zijn ze dat in het algemeen ook voor andere Wachters.’

‘Mmm… ja, dat neem ik aan. Het probleem van de geheimhouding. Je kunt je eigen mensen niet meer laten weten dan strikt noodzakelijk is, want anders komt de vijand er ook achter.’

‘Bovendien,’ zei Storm uit de hoogte, ‘dit is mijn sector. Ik gebruik mijn eigen mensen, en op de manier die ik juist acht. De macht die ik verwerf, zal niet uitsluitend tegen de Gardisten worden aangewend. Nee, ik heb thuis ook nog enkele rekeningen te vereffenen.’

‘Er zijn van die momenten dat je me de stuipen van schrik op het lijf jaagt,’ zei hij.

Zij glimlachte en woelde met haar hand door zijn haar. ‘En op andere momenten?’ vleide zij.

‘Dan maak je het weer goed, en ruimschoots!’

Zij konden echter maar weinig bij elkaar zijn, er lag te veel werk te wachten.

Storm moest in Avildaro blijven, als godin, als rechter, om beslissingen te nemen en wetten te maken, totdat de natie waaraan zij bouwde, de gewenste vorm had aangenomen. Hu moest haar verbindingsman met het moederland en met Kreta zijn. Gewone soldaten waren alleen bruikbaar als koerier of als schildwacht; in dit geval waren de mannen die Hu had meegebracht, daarvoor niet eens nodig en daarom stuurde zij hen terug. Ervaren agenten konden in andere milieus niet worden gemist. Het meest had zij behoefte aan een bekwaam man die onder de stammen kon werken. Met die opdracht trok Lockridge erop uit. Widucar vergezelde hem met een handjevol krijgen. Lockridge was zeer gesteld geraakt op de roodharige Yütho. Zij hadden elkaar onthaald, hadden samen mede gedronken en tot diep in de nacht liggen zwetsen. Goed, hij mag dan niet “beschaafd” zijn, dacht Lockridge, maar ik neem aan dat ik dat ook niet ben. Ik mag dit leven wel.

Het uiteindelijke doel van hun werk was het volk van de Labrys en het volk van de Strijdbijl tot één geheel te doen samensmelten. Het stond vast dat dat zou gebeuren: Jutland zou in de geschiedenis opduiken als een natie en zelfs tot na Lockridge's eeuw zijn eigen identiteit behouden. Hetzelfde gold voor diverse andere gebieden. De vraag was alleen: zou de Indo-europese immigratie, die door de Gardisten op gang was gebracht met de bedoeling de oude cultuur te vernietigen, inderdaad zijn doel bereiken, of zou er — in welke vermomming dan ook — zoveel van de oude megalietbouwers overblijven, dat de Wachters heimelijk maar vol vertrouwen op de Noord Europese Bronstijd konden terugvallen? Rapporten uit het eerstvolgende millennium maakten waarschijnlijk dat het laatste inderdaad het geval was, en dat de activiteit van de Gardisten in dit deel van de wereld zich tegen henzelf zou keren.

Maar de stichting van deze koninkrijken moest langzaam in haar werk gaan, zowel door het gebrek aan agenten als vanwege de eis dat de ontwikkeling een natuurlijke indruk moest maken. (In feite natuurlijk moest zijn; een overhaast opgebouwd rijk als dat van Alexander of Tamerlan zou een zo kort bestaan beschoren zijn, dat het van geen enkel nut kon zijn.) De eerste fase bestond erin dat de dorpsbewoners rond de Limfjord tot een nauwere en veeleisender eenheid dan zij vroeger hadden gekend, werden samengesmeed. Om dat te bereiken beschikte Storm over het ontzag dat haar eigen aanwezigheid inboezemde, en wanneer geweld noodzakelijk was, over haar bondgenoten, de Yüthoaz. Te zelfder tijd moest zij een bondgenootschap sluiten met de stammen in het binnenland, zowel de oorspronkelijke bewoners als de nieuwe volken. De eerste zending van die aard vertrouwde zij aan Lockridge toe.

Hij had er de voorkeur aan gegeven te paard te reizen. Maar deze ruige, langharige pony's hadden nooit een ruiter gedragen en het zou te veel tijd kosten om er een af te richten. Daarom ging hij te voet. Telkens wanneer zij een nederzetting naderden, bestegen hij en Widucar een wagen, verdroegen moedig het hotsen en arriveerden aldus op een, naar de begrippen van dit tijdperk, waardige wijze.

Over het geheel evenwel moest Lockridge — zelfs na wat erop volgde — erkennen dat hij zelden een prettiger tijd had gehad. Kamperen in een woest gebied was altijd al zijn geliefkoosde ontspanning geweest: nu kon hij dat doen zonder zelf zijn uitrusting te moeten dragen, dat deden Widucars mannen voor hem. Als ze een nederzetting bereikten, werden ze gastvrij ontvangen en hij werd gefascineerd door allerlei details die hij opmerkte en die niet in zijn diaglossa waren geregistreerd. (Langzamerhand kon hij het trouwens best zonder dat instrumentje stellen, daar de taal en de gebruiken in zijn natuurlijke geheugen werden opgenomen.) In de kampen van de Strijdbijl-mannen volgde op een nogal primitief ontvangstceremonieel steevast een braspartij. De oude landbouwdorpen waren aanvankelijk wat op hun hoede; niet dat ze bang waren, want omdat het land uitgestrekt en dun bevolkt was, waren ze nog weinig met de immigranten in botsing gekomen. Zij begonnen altijd met ingewikkelde rituelen, maar meestal draaide dat tenslotte uit op een feest waarbij een twintigste-eeuwer zijn wenkbrauwen zou hebben opgetrokken.

De boodschap die Lockridge hun bracht, was eenvoudig. De ware Godin had in Avildaro woonplaats gekozen. Zij was niet, zoals sommigen hadden verteld, de vijandin van de Zon en het Vuur; integendeel, zij was de Moeder, de Gemalin en de Dochter van de mannelijke goden. De Goddelijke Machten verlangden dat Hun kinderen één zouden zijn zoals Zij het zelf waren. Daartoe zou op midwinter de eerste van een aantal raadsvergaderingen in Avildaro gehouden worden, om wegen en middelen te bespreken. Alle dorpshoofden werden uitgenodigd. Lockridge voegde er niet aan toe: ‘Of anders…’ Dat zou alleen maar tot verzet hebben geprikkeld en het was trouwens overbodig.

Bepaalde zaken die hij zag en hoorde, stuitten hem tegen de borst. Maar daar zullen we iets aan doen, beloofde hij zichzelf. In het algemeen mocht hij deze mensen graag. Hij kon zelfs niet zeggen dat ze minder beschaafd waren dan zijn eigen tijdgenoten. Hun contacten, al waren die ook spaarzaam en losjes, strekten zich over grote afstanden uit, wat de Strijdbijl-mannen betreft, zelfs tot in Zuid-Rusland toe. Hun politiek was bijna even gecompliceerd als de twintigste-eeuwse, al speelde ze zich op kleinere schaal af terwijl ze niet door een bepaalde ideologie werd gekleurd; hun sociale verhoudingen waren aanzienlijk subtieler; en zij mochten dan geen weet hebben van natuurwetenschap, geschiedschrijving of die zogenaamde wetenschap van de economie, waren wijs waar het de aarde, de hemel en de menselijke natuur betrof.

Zijn weg voerde hem langs een heilige heuvel, waar eens Viborg zou ontstaan, en door landstreken die vruchtbaarder waren dan alles wat hij in de toekomst had gezien; naar het noorden tot de branding en de brede zandstranden van het Skagerrak, en terug naar het zuiden langs de Limfjord. Een klein begin, maar niettemin had hij er bijna een maand voor nodig. De heide bloeide in paarse en gouden tinten, het land was bij zonsopgang bedekt met de eerste rijp van de herfst en de bladeren begonnen van kleur te wisselen toen hij tenslotte Avildaro weer bereikte.

Dat was op een dag toen er een stijve, koude wind vanaf de zee in het westen woei; licht en wolkenschaduwen renden achter elkaar aan over het land, golfjes liepen over de baai en over de plassen die de regen van de afgelopen nacht had achtergelaten. De wind gierde tussen de bomen van het woud, takken zwiepten heen en weer; de akkers waren geel van de graanstoppels, het gras op de weiden was bruin en verdord. Een vlucht ooievaars vloog langs de zon, op weg naar Egypte. De wind was koud en droeg de geuren mee van zout, rook en paarden.

Lockridge's gezelschap werd al van verre opgemerkt. Te midden van vrolijke kreten reed hij door het Yüthokamp heen naar het niemandsland tussen het kamp en het dorp. Niemand van de Tenil Orugaray kwam naar buiten om hem te verwelkomen.

Niemand behalve Auri. Juichend rende zij hem tegemoet, steeds opnieuw zijn naam roepend. Hij beval zijn menner stil te houden, trok haar op de wagen en drukte haar tegen zich aan. ‘ Ja, kleintje, met mij gaat het uitstekend, we hebben geen moeilijkheden gehad, natuurlijk ben ik blij je te zien, maar eerst moet ik de Godin verslag uitbrengen…’ Hij zou haar met plezier een lift gegeven hebben, maar er was nauwelijks ruimte op de wagen. De hele verdere weg bleef zij ernaast dansen.

Bij het Lange Huis werd zij plotseling onrustig. ‘Ik zal in mijn huis op je wachten, Lynx,’ zei zij en haastig glipte zij weg.

Widucar keek haar na en krabde in zijn baard. ‘Een lekker brokje vlees, die,’ zei hij. ‘Hoe is zij bij een man?’

‘Zij is maagd,’ antwoordde Lockridge kortaf.

‘Wat?’ Stomverbaasd stapte de Yütho van de wagen. ‘Onmogelijk. Hier onder het Zeevolk?’

Lockridge vertelde hem wat er was gebeurd.

‘Nou nou,’ mompelde de hoofdman. ‘Zo zo. Maar jij bent toch zeker niet bang van haar?’

‘Nee. Ik heb het te druk.’ Lockridge klemde zijn kaken opeen.

‘O, juist.’ Widucar maakte een bezwerend gebaar, maar tegelijk grinnikte hij. ‘Je geniet de gunsten van de Godin.’ Dat was niet langer een reden voor al te groot ontzag: samen met de Amerikaan had hij door de heuvels gezworven, op herten gejaagd, de regen en kampvuren die niet wilden branden, vervloekt en de mogelijkheid van de dood onder ogen gezien. ‘Die Auri,’ zei hij. ‘Zij is mij vroeger al opgevallen, maar ik heb altijd zonder meer aangenomen dat zij van jou was. Iedere keer dat ze de kans krijgt, hangt ze om je hals.’

‘We zijn vrienden,’ zei Lockridge met stijgende geïrriteerdheid. ‘Als zij een man was, zouden we bloedbroeders zijn. Al wat men haar aandoet, doet men mij aan en ik zal het wreken.’

‘O ja, ja. Maar je wilt toch niet dat zij altijd vrij blijft, niet?’ Lockridge kon alleen maar ontkennend het hoofd schudden. ‘En zij is de erfgename van de hoofdman; en je zegt dat de vloek van haar weggenomen is… hmm’

Ja, dacht Lockridge met een vreemd gevoel van beklemming, misschien zou dat de beste oplossing zijn voor haar probleem.

Hij kon zich daar echter niet lang mee bezighouden. Storm wachtte.

In aanwezigheid van Hu en Widucar begroette zij hem op formele wijze en zij leek maar met een half oor naar zijn verslag te luisteren. Al gauw liet zij hem weer gaan. Zij had hem echter een glimlach geschonken en één Engels woord gesproken: ‘Vanavond.’

Dat en de prettige kameraadschap met de Yütho gedurende de voorbije weken benamen hem de lust om de dag te midden van de Tenil Orugaray door te brengen. Het gelukkige volk dat hij vroeger had gekend, was veranderd, zij vormden nu een bange en norse gemeenschap. in een bezet land. Er was tussen hen en Lockridge een kloof ontstaan: hij was het werktuig van een Godin, die nu enkele van haar angstwekkende aspecten had geopenbaard. Hij had ook een bezoek aan de Yüthoaz kunnen brengen… maar nee, dan zou hij hun slaven moeten zien. Auri? Och, hun verhouding was nogal moeilijk geworden. Alleen liep hij de velden in. De heilige vijver aan de zoom van het woud zou waarschijnlijk wel niet te koud voor hem zijn om het stof van de reis af te wassen.

Eigenlijk had hij gelukkig moeten zijn. Maar de aardigheid was er voor hem af. Tijdens de lange wandeling piekerde hij erover. De vreedzame eenmaking van de twee rassen was ongetwijfeld een goede zaak. En de Strijdbijl-mensen waren van nature niet kwaad, alleen wat aanmatigend. Als onervaren jongens. Dat was het. Wat zij nodig hadden, was iemand die hen de Vreze des Heren inscherpte. In het bijzonder moesten zij de menselijke waardigheid van de oorspronkelijke bevolking leren respecteren. Voorlopig hadden ze nog niet anders gedaan dan de Maangodin toevoegen aan hun godenwinkel, en Haar bevelen waren het enige dat hen ervan weerhield het Zeevolk uit te plunderen. En geen enkele cultuur had ooit respect opgebracht voor een andere indien deze zich ook op het slagveld niet onderscheidde. Vooruitgang, dacht Lockridge somber. Zal de mens over vierduizend jaar eigenlijk anders zijn? Wij blanke Amerikanen mogen de Indianen dan van alles hebben beroofd, maar omdat zij terugvochten, zijn we trots op iedere druppel Indiaans bloed die we in onze aderen hebben. Voor de neger hebben we tot mijn eigen tijd, toen hij tenslotte rebelleerde en opkwam voor zijn rechten, alleen maar minachting gekoesterd.

Misschien is het voor het volk van John en Mary niet nodig dat men hen met hun neus door het bloed wrijft, alvorens zij ertoe komen een vreemdeling de achting te geven die hem toekomt. Dat is een prettige gedachte. Maar hoe komen we van hier naar daar?

Misschien is dat mijn taak. Om een enkele steen te leggen voor hun huis.

Maar hoe? De Yüthoaz weten heel goed dat zij de Tenil Orugaray overwonnen zouden hebben indien de goden niet tussenbeide waren gekomen. Nu zijn zij hier op uitnodiging van Storm, omdat zij betere krijgers zijn. Een vergadering bijeen roepen en een koning aanstellen is allemaal heel mooi. Maar hoe voorkomen we dat het een koninkrijk zal zijn met meesters en slaven?

Wil Storm dat eigenlijk wel voorkomen?

Nee. Daar niet aan denken!

Hij was zo in zijn sombere overpeinzingen verdiept geweest, dat hij de rand van de vijver bijna had bereikt voordat hij zag wat er zich daar afspeelde. En de anderen — zeven jonge mannen en een meisje uit het dorp — waren zo verdiept in wat zij deden, dat zij hem niet hadden zien aankomen.

Het meisje lag uitgestrekt op het rotsblok vanwaar men gereedschappen als offergaven in het water placht te werpen. Een van de jongemannen hief een vuurstenen mes boven haar borst terwijl de anderen, met maretakken in de hand, erom heen stonden.

Wel voor de duivel!’ brulde Lockridge.

Hij rende naar hen toe. Zij deinsden achteruit. Toen zij zagen wie hij was, greep een dierlijke angst hen aan: zij kropen jammerend over de grond, terwijl het meisje geheel ontredderd uit haar trance ontwaakte.

Lockridge probeerde zijn maag in bedwang te houden en met plechtige zware stem zei hij: In Haar naam verlang ik een bekentenis van jullie misdaden.’

Stamelend en om vergeving smekend bekenden zij hun zonde. Bepaalde details verzwegen zij, maar die kon hijzelf wel raden.

‘Godin’ was geen goede vertaling van het woord waarmee Zij in deze beschaving werd aangeduid. Het Japanse kami benaderde het beter: ieder bovennatuurlijk wezen, van dit rotsblok — of de boom die men alvorens hem te vellen, om vergiffenis vroeg — tot de grote onbekende Machten die de elementen beheersten. Er bestond geen formele theologie, geen onderscheid tussen het magische en het goddelijke, alle dingen bezaten een zekere mystieke kracht. Hij, Lockridge, bezat die kracht in ontzagwekkende mate. Widucar kon zijn vriend zijn, maar dat was omdat Widucar niet verwachtte dat die magische kracht zich tegen hem zou keren. Auri was minder gelukkig: zij had niemand die zich bij haar op zijn gemak voelde.

Deze zachtmoedige Tenil Orugaray moesten toezien hoe hun land volgens de wens van de Godin onder de voet werd gelopen. Zij zouden naar Vlaanderen of Engeland kunnen uitwijken zoals anderen vóór hen hadden gedaan, maar het instinct dat hen aan hun vaderland bond, was te sterk. In plaats daarvan probeerden zij bepaalde krachten tegen Haar op te roepen. Zij hadden horen vertellen over mensenoffers onder de stammen in het binnenland en zij wisten dat die stammen nog vrij waren…

‘Ga naar huis,’ zei Lockridge. ‘Ik roep geen kwaad over jullie af. Ik zal Haar hierover niets vertellen. Er komen betere tijden. Dat zweer ik.’

Zij slopen weg. Toen zij zich een eind van hem verwijderd hadden, begonnen zij te rennen. Lockridge sprong in de vijver en waste zich grimmig.

Pas na zonsondergang keerde hij terug. De lucht was betrokken, donkere wolken drongen van de zee het land binnen en brachten koude en een vroege schemering mee. In het dorp was geen levende ziel te bespeuren, de huiden voor de deuren van de hutten waren toegedaan en sloten hem buiten.

Maar wat zijn gevoelens ook waren, een mens moest toch eten en Lockridge slenterde naar het huis waar vroeger Echegon had gewoond. Het was er doodstil toen hij binnenkwam. De rook prikte in zijn ogen, donkere gestalten zaten in de hoeken en verdrongen zich rond het flauwe schijnsel van de vuurhaard. Het was alsof Auri's familieleden op hem hadden gewacht: haar moeder, de weduwe, die hem vanavond deed denken aan de vrouw die hem een plaats had gegeven om te schuilen voor Istars honden; de paar halfbroertjes die Auri nog had; haar oom en tante, eenvoudige vissersmensen, die hem met de grootste reserve gadesloegen; hun kinderen, waarvan sommige al sliepen, andere, groot genoeg om nog wakker te zijn, zich schuw terugtrokken. ‘Waar is Auri?’ vroeg Loskrijgt.

Haar moeder wees naar een slaapbank. Vlasblond haar lag uitgespreid over een deken van hertevel. ‘Ze heeft zich in slaap gehuild. Zal ik haar wakker maken?’

‘Nee!’ Lockridge keek de kring van gesloten en bezorgde gezichten rond. ‘Wat is er aan de hand?’

‘Dat zult u wel weten,’ zei de moeder, maar er lag geen beschuldiging in haar stem.

‘Nee. Vertel het me.’ Het vuur flakkerde even hoog op, het lichtschijnsel speelde over Auri's gestalte. Zij sliep als een verdrietig kind, met haar hand tot een vuist gebald. ‘Ik wil haar helpen,’ probeerde hij.

‘O. Ja, u bent altijd haar vriend geweest. Maar wat is voor haar het beste?’ zei de moeder smekend. ‘Wij kunnen dat niet weten. Wij zijn maar gewone aardbewoners.’

‘Ik ben niet meer dan dat,’ zei Lockridge, wensend dat zij hem zouden geloven.

‘Goed dan. Vanmiddag is de Yütho-hoofdman, die Widucar heet, hier geweest. Hij vroeg dat zij zijn… hoe noemen ze dat ook weer?… zou worden.’

‘Zijn huisvrouw,’ zei Lockridge. Het schoot hem te binnen dat Widucar er al drie had.

‘Ja. Zijn eigendom. Een soort slavin, die al zijn wensen moet uitvoeren. En… maar u bent wijzer dan wij en u kent die man. Hij zei dat wij allemaal onder zijn bescherming zouden komen. Is dat waar? Dit huis heeft een beschermer hard nodig.’

Lockridge knikte. Bescherming heeft haar prijs, dacht hij, maar hij zei het niet.

‘Auri heeft hem afgewezen,’ zei de moeder terneergeslagen. ‘Hij antwoordde dat de Godin hem had gezegd dat hij haar kon nemen. Toen raakte zij buiten zichzelf en riep om u. We kalmeerden haar en gingen naar het Lange Huis. Nadat we een tijdje hadden gewacht, ontving de Godin ons en zij beval Auri naar Widucars tent te gaan. Maar de Yüthoaz doen zulke dingen anders. Het mag pas gebeuren nadat bepaalde riten plaats hebben gehad. Daarom hebben we haar terug naar huis gebracht. Zij schreeuwde dat zij zich het leven zou benemen, dat ze alleen met een boot de zee op zou gaan — dat zou op hetzelfde neerkomen — maar tenslotte viel ze in slaap. Wat denkt u ervan?’

‘Ik zal er met de Godin over spreken,’ zei Lockridge geschokt.

‘Graag. Ik weet zelf niet wat het beste is. Bij hem zou zij onvrij zijn, maar hebben we allemaal onze vrijheid al niet verloren? En De Storm heeft het bevolen. Maar Auri zou het vreselijk vinden in zulke bekrompen omstandigheden te moeten leven. Misschien kunt u haar ervan overtuigen dat het de beste oplossing is.’

‘Of misschien kan ik haar van de verplichting ontslaan,’ zei Lockridge. ‘Ik ga meteen.’

‘Wilt u eerst niet iets eten?’

‘Nee, ik heb geen honger.’ Hij liet de afsluiting achter zich dichtvallen. Het dorp was in diepe duisternis gehuld. Op de tast zocht hij zijn weg naar het Lange Huis. De Yütho schildwachten lieten hem zonder moeilijkheden door.

Binnen gloeiden de lichtbollen nog. Storm zat alleen aan het bedieningspaneel van een psychocomputer. In deze verwarmde ruimte was zij alleen in een zeer korte tuniek gekleed, maar toen hij op haar neerkeek, voelde hij geen enkele begeerte. Zij keerde zich om, lachte en rekte zich uit. ‘Nu al, Malcolm? Enfin, ik ben toch doodmoe van het uitwerken van de ontwikkelingslijnen. De gegevens berusten trouwens hoofdzakelijk op gissingen.’

‘Luister,’ begon hij, ‘we moeten eens praten.’

Haar opgewektheid verdween en zij bleef doodstil zitten. ‘We pakken deze zaak helemaal verkeerd aan ‘zei hij. ‘Ik had verwacht dat de oorspronkelijke bevolking zich bij de nieuwe situatie zou neerleggen. Tijdens mijn afwezigheid is het echter van kwaad tot erger gekomen.’

‘Je stemming is ongetwijfeld aan snelle wisselingen onderhevig,’ antwoordde zij op koele toon. ‘Verklaar je nader. Je bedoelt dat de wrijving tussen de stammen groter geworden is. Had je iets anders verwacht? Wat moet ik dan doen? Mijn trouwe bondgenoten, de Yüthoaz, de bons geven?’

‘Nee, laat ze alleen een toontje of wat lager zingen.’

‘Maar mijn beste Malcolm,’ zei Storm, weer iets vriendelijker, ‘we zijn hier niet gekomen om een Utopia tot stand te brengen. Dat is hoe dan ook een onmogelijkheid. Waar het voor ons op aankomt, is het opbouwen van macht. En dat betekent dat we de voorkeur geven aan diegenen die het in zich hebben om sterk te zijn. Voordat je je al te zeer gekwetst voelt in je rechtvaardigheidsgevoel, moet je je eens afvragen of de bewoners van Eniwetok het eigenlijk prettig vinden naar elders overgebracht te worden om ruimte te maken voor de atoombomproeven van je land. We kunnen ons best doen om het verdriet dat we de mensen aandoen, zo veel mogelijk te beperken, maar iemand die weigert om een ander ooit maar enig verdriet aan te doen is in deze wereld niet op zijn plaats.’

Lockridge richtte zich op en zei: ‘Goed, goed. Je argumenten zijn altijd beter dan de mijne, maar…’

Storm stond op. Zij zag er schaamteloos en begeerlijk uit. ‘Vooral een bepaald argument,’ zei zij.

‘Nee, vervloekt, wacht eens even!’ protesteerde Lockridge. ‘Misschien hebben wij mensen geen andere keus dan schoften te zijn. Maar dan toch wel met enkele beperkingen. Het minste wat een man kan doen is zijn vrienden trouw te blijven. En Auri is een van mijn vrienden.’

Met een ruk bleef Storm staan, Een ogenblik stond zij roerloos, toen streek zij met haar vingers door een nachtzwarte haarlok en zei zachtjes: ‘Juist, zij. Ik dacht wel dat je die zaak ter sprake zou brengen. Ga verder.’

‘Nou… eh… zij voelt er niets voor om deel uit te maken van Widucars harem.’

‘Is hij een slecht mens?’

‘Nee, maar…’

Wil je dan dat zij een alleenstaand meisje blijft? Je weet toch hoe onnatuurlijk dat in deze omgeving is.’

‘Nee, nee, nee…’

‘Weet je dan een andere man voor haar?’

‘Behalve jijzelf, misschien,’ gromde Storm.

‘O, in hemelsnaam!’ zei Lockridge. ‘Je weet dat ik… jij en ik…’

‘Pas op dat je geen te hoge dunk van jezelf krijgt, mannetje. Maar over dit meisje gesproken. Als de rassen één moeten worden, moeten er huwelijken tot stand worden gebracht. Voor het Strijdbijl-volk is het huwelijk een zo belangrijk instituut, dat zij het nooit op zullen geven; derhalve zal het Zeevolk het moeten aanvaarden. Auri is de erfgename van het leiderschap in deze gemeenschap. Widucar is een van de belangrijkste mannen van zijn stam. Zowel als praktische oplossing als bij wijze van voorbeeld is een huwelijk tussen die twee het beste wat er kan gebeuren. Natuurlijk was ze hysterisch. Maar ben je zo onnozel om te denken dat ze er niet overheen komt? Of dat ze niet van de kinderen die ze van hem krijgt, zal houden? Of dat ze jou niet zal vergeten?’ ‘Dat wel, maar… Ik bedoel, zij heeft recht op vrije keuze.’ ‘Wat valt er voor haar te kiezen, afgezien van jou, en jij wilt haar niet hebben. En de zaak waar het om gaat, zou er trouwens niet mee geholpen zijn. Je kwam hier om je erover te beklagen dat de dorpsbewoners zich zo ongelukkig voelen. De Engelsen zullen na de Normandische Verovering nog ongelukkiger zijn. Maar een paar eeuwen later zijn er geen Normandiërs meer. Dan is iedereen Engelsman. Voor ons, op dit moment en op deze plaats, begint hetzelfde proces met Auri en Widucar. Praat me niet van vrije keuze… tenzij je van mening bent dat oorlog alleen een zaak is voor vrijwilligers.’

Lockridge voelde zich hulpeloos. Storm kwam naar hem toe en sloeg haar armen om zijn hals. ‘Ik geloof dat Auri, op haar kinderlijke manier, je Lynx noemt,’ fluisterde zij. ‘Mag ik dat ook?’

‘Kom… toe nou…’

Zij drukte haar hoofd tegen zijn borst. ‘Mag ik me zo nu en dan een beetje kinderlijk gedragen bij jou?’

Van achter het gordijn riep een Yütho-stem: ‘Godin, heer Hu verzoekt te worden toegelaten.’

‘Verdraaid,’ fluisterde Storm. ‘Ik zal zien dat ik zo gauw mogelijk van hem afkom.’ Hardop: ‘Laat hem binnenkomen.’ Slank en lenig in zijn groene uniform kwam Hu binnen en maakte een buiging. ‘Ik vraag excuus, Stralende,’ zei hij. ‘Maar ik ben op verkenningsvlucht geweest.’

Storm verstrakte. ‘En?’

‘Zeer waarschijnlijk heeft het niets te betekenen. Ik heb echter een aanzienlijke vloot op de Noordzee gezien aangevoerd door een Iberisch schip. De rest bestaat uit huidenboten. Ik heb nog nooit van een dergelijke combinatie gehoord. Het is duidelijk dat zij uit Engeland komen en onderweg zijn naar Denemarken.’

‘In dit jaargetij ?’ Storm vergat Lockridge. Zij liet hem los en stond alleen in het koele licht.

‘Ja, dat is ook zoiets onbegrijpelijks, Stralende,’ zei Hu. ‘Ik heb echter geen anachronistische uitrustingsstukken kunnen ontdekken. Als zij er hebben, dan is het in ieder geval te verwaarlozen. Maar in een paar dagen kunnen ze hier zijn.’

‘Een operatie van de Gardisten? Of uitsluitend een onderneming van de stammen daar? We bevinden ons in een tijd waarin de inboorlingen zelf op nieuwe dingen uit zijn.’ Storm fronste nadenkend haar voorhoofd. ‘t Lijkt me het beste dat ikzelf even ga kijken.’

Zij pakte haar zwaartekrachtgordel op en bevestigde deze om haar middel; een energiepistool hing op haar heup. ‘Blijf maar hier en rust wat uit, Malcolm. Ik ben zo terug,’ zei zij. Samen met Hu verliet zij het huis.

Gedurende enige tijd ijsbeerde Lockridge door de zaal.

Buiten in de nacht rumoerde de wind, maar binnen hoorde hij de stilte suizen. En de goden die zo primitief en met zoveel zorg in de zuilen waren uitgesneden — keken zij naar hem? God, dacht hij, wat moet een vent doen als hij iemand die van hem houdt, niet kan helpen?

Wat is waarheid?

Zesduizend jaar later had een vrouw hem verteld dat haar zoon levend was verbrand. Maar zij wist dat het voor een goed doel was Of niet?

Lockridge hield zijn pas in. Bijna was hij door de sluier van duisternis gegaan, waarachter Brann geleden had en gestorven was. Zijn maag kromp samen. Waarom hadden zij dit scherm niet weggenomen?

Waarom had hij dat niet gevraagd?

Ik denk dat ik het niet heb willen vragen, realiseerde hij zich. Hij stapte erdoorheen.

Dit deel van het huis verkeerde nog in de oorspronkelijke toestand. De vloer was van aangestampte aarde, de banken waren bedekt met stoffige dierevellen. Eén enkele bol verspreidde een zwak licht, de hoeken waren in duisternis gehuld. Het zwarte scherm sloot ook ieder geluid buiten. De wind was onhoorbaar geworden. Lockridge bevond zich in een absolute stilte.

Dat wat op de tafel lag, met draden verbonden aan het apparaat… dat wat bewoog en kreunde.

‘Nee!’ schreeuwde Lockridge. Hij vluchtte weg.

Pas veel later slaagde hij erin zijn zelfbeheersing te herwinnen en terug te gaan. Hij kon mets anders doen. Brann, die naar beste vermogen voor zijn volk had gestreden, was niet dood.

Er was weinig van hem over, alleen een huid die strak over de forse welvende botten was gespannen. Door slangetjes werd voedsel toegevoerd dat het organisme in stand hield. Elektroden waren door de schedel geboord, prikkelden de hersencellen en registreerden alles wat aan de oppervlakte kwam. Waarschijnlijk om de hersenactiviteiten te stimuleren waren de oogleden geamputeerd, zodat de pupillen recht in het licht boven de tafel staarden.

‘Ik wist het niet,’ huilde Lockridge.

In de ruïne die van het gezicht was overgebleven, maakten tong en lippen wanhopige bewegingen. Lockridge droeg niet de diaglossa voor Branns tijdperk, maar hij, kon wel raden wat dit menselijke wrak vroeg: ‘Dood me.

Terwijl aan de andere kant van het gordijn… zij en ik. Lockridge strekte zijn hand naar het apparaat uit.

‘Halt! Wat doe je daar?’

Uiterst langzaam wendde hij zich om en zag Storm en Hu. Hu had zijn energiepistool in de hand en hield het op Lockridge's maag gericht. Met een dwingende klank in haar stem zei Storm: ‘Ik wilde je dit besparen. Het kost tijd om de laatste geheugensporen te extraheren. Er is nu nog maar weinig van de hersenen over, in feite is hij niet meer dan een worm, je hoeft dus geen medelijden met hem te hebben. Vergeet niet, hij was begonnen mij hetzelfde aan te doen’ ‘Is dat een excuus?’ schreeuwde Lockridge.

‘Is Pearl Harbor een excuus voor Hiroshima?’ sneerde zij. Voor het eerst van zijn leven gebruikte Lockridge een smerig woord tegen een vrouw. ‘Ik heb niets met die mooie smoesjes van jou te maken,’ knarsetandde hij. ‘Ik weet hoe jij jezelf in mijn land in leven hebt gehouden… door mijn landgenoten te vermoorden. Ik weet dat John en Mary mij een eerlijke blik hebben gegund op de wijze waarop jij je eigen rijk bestuurt. Hoe oud ben je? Daarover heb ik ook genoeg gehoord. Al die misdaden die je hebt begaan, daar heb je honderden van je eigen jaren voor nodig gehad. Dat is de reden waarom ze zo op je gebeten zijn, ginds in het paleis — waarom iedereen Koriach wil zijn — omdat een Koriach onsterfelijk is gemaakt. Terwijl Ola's moeder net veertig jaar oud is.’

‘Zwijg toch!’ schreeuwde Storm.

Lockridge spoog op de grond. ‘Het interesseert me niet hoeveel minnaars je hebt gehad, en dat ik alleen maar iets geweest ben dat je gebruiken kon,’ zei hij. ‘Maar je hoeft niet te denken dat je Auri ook zo kunt gebruiken, versta je? Of haar volk. Of wie dan ook. Loop naar de he de hel waar je vandaan komt!’

Hu richtte zijn pistool en zei: ‘Zo is het wel genoeg.’


20

<p>20</p>

Voor zonsopgang begon het te regenen. Het geluid ervan maakte Lockridge wakker: het klonk gedempt op het plaggendak van de hut waar hij lag, en luid op de modderige grond. Een gevlochten scherm van twijgen sloot de toegang af en daar doorheen had hij een uitzicht over de weiden, waar het vee van de Yüthoaz, even doorweekt als de herders zelf, bijeen gedrongen stond. Onder de gestage regen vielen de dorre bladeren een voor een van een eik vlakbij. Dat versterkte nog zijn gevoel van eenzaamheid, dat hij eerder al als volstrekt had beschouwd.

Hij voelde er niet voor om zijn Wachtersuniform weer aan te trekken, maar toen hij eenmaal onder de huiden uitgekropen was, bemerkte hij dat het kil en vochtig was. Ik zal om Orugaraykleren vragen, of desnoods om Yüthokleding, dacht hij. Dat zal zij mij toch wel toestaan, hoop ik, voordat zij…

Wat gaat zij met me doen?

Nijdig haalde hij zijn schouders op. Nu hij een paar uur geslapen had nadat ze hem hierin hadden gestopt, moest hij zijn positie toch dapper onder ogen kunnen zien.

Het viel hem niettemin zwaar, nu in een enkele nacht alles wat hij lief had, in stukken was gevallen. De ontdekking wat Storm en haar zaak in werkelijkheid waren — wel, hij had aanwijzingen genoeg gehad, hij had zijn plicht om erbij stil te staan, eenvoudigweg verzaakt, totdat het zien van Brann de banden waarmee zij hem gebonden hield, had gebroken. En te weten wat zij met deze mensen zou doen die hij zo graag mocht — dat had hem te diep gekwetst.

Arme Auri, dacht hij machteloos. Arme Widucar.

De gedachte aan het meisje gaf hem vreemd genoeg nieuwe kracht. Misschien zou hij althans voor haar nog iets kunnen doen. Misschien kon zij als verstekeling meegaan met de vloot die hierheen op weg was. Het was blijkbaar een gecombineerde Iberische- Britse onderneming, te oordelen naar enkele opmerkingen die Storm en Hu gewisseld hadden terwijl zij toezicht hielden op het gereedmaken van Lockridge's gevangenis. Zowel de omvang als de samenstelling van de vloot was uniek; maar het scheen dat er in Engeland op het moment ingrijpende gebeurtenissen plaatsvonden, die wellicht ook de stichting van Stonehenge tot gevolg konden hebben. Storm ging te zeer in andere zaken op om zich daarover druk te maken. Voor haar was het voldoende dat alle opvarenden, gezien door infrarode vergrotingsapparaten, tot een archaïsch rastype behoorden en geen agenten waren uit de toekomst. Met dit weer zou de vloot ongetwijfeld bijdraaien en dan zou het een of twee dagen langer duren voor ze hier aankwam. Misschien was hij er dan niet meer. Maar misschien kon hij een manier vinden om Auri op het idee te brengen te vluchten.

Nu hij wist wat hem te doen stond, verloor hij zijn lusteloosheid. Hij ging naar de ingang en stak zijn hoofd tussen de aan elkaar gebonden staken door. Vier Yüthoaz, gehuld in leren mantels, stonden op wacht. Zij deden een paar passen terug, hieven hun wapens omhoog en maakten een bezwerend gebaar om zich tegen het kwaad te beschermen. ‘Gegroet, mannen,’ zei Lockridge. Storm had hem zijn diaglossa's laten behouden. Ik wil jullie een gunst vragen.’ De aanvoerder van het groepje raapte zijn moed bij elkaar en antwoordde gemelijk: ‘Wat kunnen wij doen voor iemand die Haar toorn over zich heeft afgeroepen, behalve hem te bewaken overeenkomstig onze opdracht?’

‘Je kunt een boodschap voor me overbrengen. Ik wil alleen maar iemand spreken.

‘We mogen niemand toelaten. Dat heeft Zijzelf bevolen. We hebben al een meisje moeten wegjagen.’

Lockridge klemde zijn kaken opeen. Natuurlijk had Auri het nieuws gehoord. Vele verschrikte ogen hadden gezien hoe hij in de afgelopen nacht, bij fakkellicht en bewaakt door de speren van de Yüthoaz, was weggevoerd. O Storm, jij duivelin dacht hij. In de gevangenis waar jij me hebt uitgehaald, mocht ik nog bezoek ontvangen.

‘Goed,’ zei hij, ‘dan wens ik de Godin te spreken.’

‘Haha!’ lachte de krijger. ‘Wil je dat wij Haar zeggen dat Zij moet komen omdat jij dat wenst?’

‘Je kunt haar toch zeggen dat ik eerbiedig om gehoor verzoek, niet? Wanneer je afgelost wordt, als het eerder niet kan.’

‘Waarom zouden we dat doen? Zij weet wel wat Zij wil doen.’

Lockridge trok zijn gezicht in een spottende grijns en zei: ‘Luister eens, zwijn. Ik mag dan in moeilijkheden verkeren, maar daarom heb ik nog niet alle macht verloren. Je doet zoals ik je zeg, of ik laat het vlees van je beenderen rotten. Dan zul je de Godin in ieder geval om hulp moeten smeken.’ Angstig deinsden zij achteruit. Lockridge zag een voorafschaduwing van het soort rijk dat Storm wilde stichten. ‘Ga!’ zei hij. ‘En breng meteen een ontbijt voor me mee.’ ‘Ik… ik durf niet. Niemand van ons mag weggaan voordat we daartoe toestemming hebben. Maar wacht.’ De aanvoerder haalde een hoorn onder zijn mantel vandaan en blies erop, een dof, droef geluid in de regen. Weldra verscheen er een aantal met bijlen gewapende jonge kerels die kwamen zien wat er aan de hand. was. De leider stuurde hen erop uit om Lockridge's boodschappen uit te voeren.

Het was maar een kleine triomf, maar het verlichtte enigszins zijn hopeloze stemming. Met onverwachte eetlust viel hij op het grove brood en het gebraden varkensvlees aan. Storm kan me wel klein krijgen, dacht hij, maar ze zal er een psychosonde voor mee moeten brengen.

Hij was niet eens verrast toen zij enkele uren later kwam. Wat hem wel verbaasde was de manier waarop zijn hart bij het zien van deze vrouw nog steeds week werd. In vol ornaat kwam zij over de velden naderbij, groot, met soepele gang en in alle opzichten een schoonheid. In de hand droeg zij de staf van de Wijze Vrouw, een tiental Yüthoaz volgde haar op de voet. Onder hen merkte Lockridge Widucar op. Aan haar energiegordel ontsprong een onzichtbaar scherm dat haar tegen de regen beschutte, zodat zij zich midden in een zilveren waterbel bevond: waternimf en zeekoningin. Voor de hut bleef zij staan en keek hem aan met ogen waarin meer verdriet dan iets anders te lezen stond. ‘Zo, Malcolm,’ zei zij in het Engels ‘ik vind dat ik moet komen wanneer je daarom vraagt.’

‘Ik vrees dat ik nooit meer naar je toe zal vliegen, wanneer je me fluit, liefje,’ zei hij haar. ‘Bijzonder jammer. ik was er bar trots op bij jou te horen.’

‘Ben je dat dan niet meer?’

Hij schudde ontkennend het hoofd. ‘Ik zou wel willen dat het zo was. Maar het is me onmogelijk.’

‘Ik begrijp het. Je bent nu eenmaal zo. Als je anders was, zou het me minder verdriet doen.’

‘Wat ga je nu doen? Me neerschieten?’

‘Ik probeer een andere oplossing te vinden. Je weet niet hoezeer ik daar mijn best voor doe.’

‘Luister,’ zei hij in een opwelling van wilde, zoete en onvervulbare hoop, ‘geef je plannen op. Trek je terug uit die tijdoorlog. Kun je dat niet doen?’

‘Nee.’ Zij sprak met sombere trots. ‘Ik ben de Koriach.’ Hij had daar niets op te zeggen. Om hen heen kletterde de regen.

‘Hij wilde je op staande voet doden,’ zei Storm. ‘Jij bent het werktuig van het noodlot. Kunnen we het riskeren je in leven te laten, nu je onze vijand bent geworden? Maar ik heb hem geantwoord dat jouw dood misschien juist de gebeurtenis is die noodzakelijk is om… ja, wat eigenlijk te veroorzaken?’ Zij leek besluiteloos, geïsoleerd stond zij midden in de waterval die haar gestalte verdoezelde. ‘We weten het niet. Toen je naar me terugkeerde, dacht ik —en hoe blij maakte die gedachte me — dat jij het zwaard van mijn overwinning was. Nu weet ik niet meer wat je bent. Wat ik ook doe, het kan onze ondergang veroorzaken. Of ons succes, wie zal het zeggen. Ik weet alleen dat jij het noodlot bent, en dat ik je zo graag zou willen redden. Wil je me daartoe een kans geven?’

Lockridge keek in haar bange, groene ogen en diep bewogen zei hij: ‘Ze hadden gelijk, daar in de verre toekomst. Het noodlot maakt slaven van ons. Jij bent daar te goed voor, Storm. Of nee, niet goed — ook niet slecht misschien, niet iets dat menselijk is — maar het is niet juist dat dit jou moet overkomen.’

Zag hij door de regen heen haar tranen? Hij was er niet zeker van Haar stem althans klonk vast: ‘Als ik tot het besluit kom dat je moet sterven, dan zal het snel en schoon gebeuren, en door mijn hand. En je zult met krijgsmans eer begraven worden in het hunebed van de tijdpoort. Maar ik bid dat het zo ver niet hoeft te komen.’

Hij verzette zich tegen een toverkracht die ouder en sterker was dan alle krachten welke haar verwrongen wereld haar had geschonken, en hij zei: ‘Mag ik in afwachting daarvan afscheid nemen van enkele vrienden?’

Woede vlamde in haar op. Zij stampte met haar staf in de modder en schreeuwde: ‘Auri? Nee. Morgen zul je Auri getrouwd zien, ginds in het kamp. Daarna zal ik opnieuw met je praten en dan zullen we zien of je inderdaad zo'n verachtelijke idioot bent als je eruit ziet!’

Met wapperende kleren draaide zij zich om en liet hem alleen. Het gezelschap Yüthoaz volgde haar. Widucar bleef achter. Een wachtpost probeerde hem tegen te houden. Widucar schoof de man opzij, kwam naar de deur toe en stak zijn hand uit.

‘Je bent nog steeds mijn broeder, Malcolm.’ zei hij bruusk. ‘Ik zal een goed woordje voor je doen bij Haar.’

Lockridge nam de uitgestoken hand. ‘Bedankt,’ mompelde hij. Zijn ogen prikten. ‘Er is iets wat je voor me kunt doen. Zul je goed zijn voor Auri? Laat haar een vrije vrouw blijven.’

‘Voor zover het aan mij ligt. We zullen een zoon naar je noemen en offers brengen bij je graf, als het zover zou komen. Ik hoop echter van niet. Het geluk vergezelle je, m'n vriend.’ De Yütho vertrok.

Lockridge ging op de bank zitten en staarde in de regen. Lang bleef hij in gedachten verzonken, peinzend over zaken die alleen hemzelf aangingen.

Tegen de middag hield de regen op. Maar in plaats dat de zon doorbrak, kwam er mist opzetten en tenslotte was de wereld buiten zijn hut een vormeloze, natte, grauwe massa. Van tijd tot tijd hoorde hij iemand roepen, een paard hinnikte, een koe loeide, maar de geluiden waren gedempt en ver, alsof het leven zich van hem had teruggetrokken. Het was zo koud en vochtig, dat hij tenslotte weer onder zijn deken kroop. Vermoeidheid maakte zich van hem meester; hij sliep in.

Hij had vreemde dromen. Toen hij er langzaam uit ontwaakte, wist hij aanvankelijk niet eens dat hij inderdaad wakker was. Werkelijkheid en onwerkelijkheid mengden zich dooreen, hij was een schipbreukeling in een duistere oceaan waarover een Storm loeide, Auri vloog voorbij en riep de naam van zijn moeder, hoorngeschal hitste honden op, hij zonk weg in groene diepten en hoorde het klinken van ijzer dat gesmeed werd, hij worstelde zich weer naar boven waar bliksems flitsten, de donder overviel hem en — en de hut was gehuld in duisternis, schemerlicht drong door de mist, mannen schreeuwden wapens kletterden…

Het was geen droom!

Hij tuimelde van zijn bed en holde naar de deur, rukte aan de spijlen en schreeuwde in de langzaam voorbijtrekkende natte nevels: ‘Wat gebeurt er? Waar zijn jullie allemaal? Laat me eruit, verdomme! Storm!’

Trommels roffelden in de grauwe mist. Een Yütho-stem brulde iets, hoeven daverden voorbij, wielen ratelden en assen piepten. Elders klonken woeste kreten van mannen die in de mist elkaar probeerden te vinden. Ver weg gilde een vrouw en een hagel van stenen kletterde op de hutten. Daartussendoor kwam het geluid van wapens, metaal op metaal, en hij hoorde het sinistere fluiten van een voorbij vliegende pijl. In de rokerige schemer bewogen zich vage gestalten, zijn bewakers. ‘Een aanval vanuit zee,’ vertelde hun aanvoerder hem met hese stem.

‘Waar wachten we op, Hrano ?’ schreeuwde een van de anderen. ‘Onze plaats is waar gevochten wordt!’

‘Blijf waar je bent. Onze plaats is hier zolang Zij ons geen andere bevelen geeft.’ Er naderden haastige voetstappen. ‘Hé jij, wie heeft ons overvallen? Hoe verloopt het gevecht?’ ‘Mannen die over zee zijn gekomen,’ riep de onzichtbare hijgend. ‘Zij hebben het rechtstreeks op onze kampementen gemunt. Sluit je aan bij je vaandel! Ik ga naar mijn hoofdman!’

Een van de bewakers vloekte en ging ervandoor. Tevergeefs schreeuwde de aanvoerder hem na. Het strijdgedruis werd luider naarmate de vreemdelingen op steeds meer haastig geformeerde Yütho-afdelingen stootten.

Zeerovers, dacht Lockridge. Natuurlijk de vloot die de Wachters hadden gezien. Dat kon niet anders. Blijkbaar hadden ze toch niet bijgedraaid. In plaats daarvan hadden ze dag en nacht doorgeroeid en de mist had hun de kans gegeven om verderop langs de kust ongezien aan land te komen. Ja, dat moest het zijn. Een of andere zeerover uit de Middellandse Zee die een bende stamleden om zich heen had verzameld. Engeland is een te harde noot voor hen om te kraken, naar wat ik heb gehoord, maar aan deze kant van de Noordzee valt buit te behalen.

Nee. Wat kunnen ze doen, zodra Storm en Hu hen beginnen neer te schieten?

Een misschien was dat maar het beste. Avildaro had al genoeg geleden zonder een nieuwe plundering, zonder dat Auri als slavin werd meegenomen. Lockridge klemde zich vast aan de spijlen en wachtte op de uitbarsting van paniek wanneer de bende erachter zou komen dat zij het met de Godin aan de stok had gekregen.

Plotseling doemde een gestalte op uit de mist, een grote, blonde man met bliksemende ogen. De Yütho-aanvoerder gebaarde dat hij moest verdwijnen. ‘Bij de Maruts, laffe Orugaray-lummel,’ beval hij, ‘terug naar waar je thuis hoort!’

De reus stak toe met zijn harpoen. De Yütho tastte naar zijn doorboorde maag, uitte een verstikte kreet en zakte door zijn knieën.

Een andere schildwacht gromde woedend, zijn bijl flitste omhoog. Een tweede dorpeling dook achter hem op, wierp een vislijn rond zijn nek en trok deze met twee stevige zeemansknuisten strak aan. De derde schildwacht, zijn schedel gespleten door een bijlslag, ging eveneens tegen de grond. We hebben ze te pakken, meisje!’ riep de grote man. Hij kwam naar de deur toe Het was bijna helemaal donker, maar Lockridge zag niettemin de waterdruppels in zijn baard glinsteren en hij herkende hem als een zoon van Echegon. Van het handjevol mannen dat even verder onrustig stond te wachten, kende hij er enkelen van naam en de overigen van gezicht. Twee van hen waren gisteren medeplichtig geweest aan de poging een mensenoffer te brengen. Nu gedroegen zij zich als mannen.

Echegons zoon haalde een vuurstenen mes te voorschijn en begon de riemen die het hekwerk samenhielden, door te zagen. ‘Als er niemand langs komt,’ zei hij, ‘zullen wij u er gauw uit hebben.’

‘Wat…’ Lockridge was zo verbijsterd, dat hij weinig anders kon doen dan luisteren.

‘We zullen hier niet kunnen blijven, vrees ik. Auri is de hele dag in de weer geweest en zij heeft iedereen die zij meende te kunnen vertrouwen, gesmeekt u te hulp te komen. Aanvankelijk durfden we het niet aan we zaten bijeen in haar huis en praatten over alles wat we te vrezen hadden. En toen, als een teken van de goden, kwamen die vreemdelingen en Auri herinnerde ons aan de krachten die zij in de onderwereld had verkregen. Laat de strijd daarom nog even duren, dan zijn we ervandoor. Dit is geen land meer waar je rustig kunt leven.’ De man keek Lockridge bezorgd aan. ‘We doen dit omdat Auri ons gezworen heeft dat u de macht bezit ons tegen de toom van de Godin te beschermen. En zij kan het weten. Is het echt waar?’

Voordat Lockridge kon antwoorden, was Auri daar, met een bevende fluisterstem begroette zij hem. Haar lichaam sidderde onder de natte mantel van haar haren. Zij had echter een lichte speer bij zich en hij zag dat zij werkelijk een vrouw was. ‘Lynx, jij kunt ons veilig wegvoeren. Ik weet dat je dat kunt. Zeg dat je onze leider wilt zijn.’

Het bonken van Lockridge's hart klonk even luid en wild als het naderende gevecht. ‘Ik verdien dit niet,’ zei hij. ‘Ik verdien jou niet.’ Zonder erbij na te denken had hij Engels gesproken. Auri richtte zich op en zei als een koningin: ‘Hij spreekt een bezwering uit voor ons. Hij zal ons brengen waar ‘t hem het beste dunkt.’

De riemen bezweken. Lockridge glipte tussen twee spijlen door. Flarden mist slierden om hen heen. Hij probeerde te bepalen waar in de schemering de strijd zich afspeelde. Het gevecht leek zich over een breed front uit te breiden, in de richting van het binnenland. De oever van de baai zou daarom voorlopig wel verlaten zijn.

‘Hierheen,’ zei hij.

Zij drongen dicht om hem heen om zijn bescherming te zoeken. Ook een aantal vrouwen, met kinderen tegen zich aangedrukt of op de arm, was erbij. Ieder die een dergelijk gevaar riskeert om vrij te kunnen zijn, dacht hij mag een beroep doen op alles wat ik te bieden heb.

Nee. Er was nog iemand. ‘Ik heb nog een taak te vervullen in het Lange Huis,’ zei hij.

‘Lynx!’ Auri omklemde angstig zijn arm. ‘Dat kun je niet doen!’

‘Gaan jullie verder naar de boten,’ zei hij. ‘Zorg ervoor waterzakken aan boord te hebben en jacht- en visgerei. Tegen de tijd dat jullie klaar zijn om te vertrekken, ben ik weer bij jullie terug. Mocht dat niet zo zijn, vertrek dan zonder mij.’

‘Haar huis?’ Echegons zoon sidderde. ‘Wat moet u daar doen?’

‘Iets dat… nu ja, als ik het niet doe, zal het geluk niet met ons zijn.’

‘Ik ga met je mee,’ zei Auri.

‘Nee.’ Hij bukte zich om haar te kussen en raakte licht haar lippen aan, die een zoute smaak hadden Zelfs op dat moment drong de geur van haar haar en haar warmte tot hem door. ‘Je mag me overal vergezellen als je wilt, maar nu niet. Vooruit, houd een plaatsje voor me vrij in de boot.’

Voordat zij nog iets kon zeggen, holde hij weg.

Hutten doemden rond hem op, in het duister daarbinnen hokten de mensen angstig bijeen. Een zwart varken rende knorrend langs hem heen. Hij herinnerde zich dat Zij, in haar verschijningsvorm van doodsgodin, zwijnen hield. Het lawaai van de strijd klonk vlakbij — woeste kreten, hollende voeten, wapengekletter, het suizen van pijlen en de doffe slagen van bijlen — maar dat alles drong nauwelijks tot Lockridge door.

Zoals hij had gehoopt, werd het Lange Huis niet bewaakt. Maar als Storm of Hu nog binnen was… Er zat niets anders voor hem op dan over de drempel te stappen.

De zaal was leeg.

Hij holde tussen de apparaten en de godenbeelden door. Bij het gordijn van duisternis was hij bijna blijven staan. Nee, hield hij zichzelf voor, dat mag je niet. Hij liep er doorheen. Het zien van Brann in doodsstrijd trof hem als een zweepslag. Hij bevestigde de diaglossa van een verschrikkelijke toekomst in zijn oor, boog zich voorover en zei: ‘Ik zal je laten sterven als je dat wilt.’

‘O, alstublieft,’ fluisterde de stem van de mummie. Lockridge deinsde achteruit. Storm had gezegd dat alle bewustzijn verdwenen was.

Ook daarover had Storm dus gelogen, dacht hij; hij ging aan het werk.

Ongewapend als hij was, kon hij de keel van de Gardist niet afsnijden, daarom rukte hij de draden en slangetjes los. Het zwart geworden lichaam kronkelde heen en weer en maakte kreunende, smekende geluiden. Slechts enkele druppels bloed sijpelden uit de doorboorde plaatsen.

‘Blijf maar liggen,’ zei Lockridge. Hij streek over Branns voorhoofd. ‘Je zult niet lang hoeven te wachten. Vaarwel.’ Hij vluchtte weg; zijn keel leek dichtgeknepen, zodat hij nauwelijks adem kon halen.

Toen hij weer door het gordijn was, kwam het lawaai van de strijd van alle kanten op hem af. Een deel van de vechtenden was weer in het dorp doorgedrongen. En daar klonk het sissende geluid van een energiepistool. Achter het scherm van huiden dat de toegang afsloot, flikkerde een spookachtig licht. Dat betekent het einde van de zeerovers, dacht Lockridge. Als ik niet snel hier vandaan komt, lukt het me nooit meer.

Hij rende naar buiten, het plein op. Hu de Wachter verscheen tussen de hutten. ‘Koriach!’ schreeuwde hij, ontdaan en wanhopig. ‘Koriach! Waar ben je? We moeten bij elkaar blijven, mijn liefste…’ Het pistool dat verderop tussen de hutten fonteinen van vuur veroorzaakte, was niet dat van Hu.

Zijn blik vloog heen en weer, op zoek naar zijn godin. Lockridge besefte dat hij zich niet ongezien uit de voeten kon maken, zelfs niet wanneer hij terug ging naar het Lange Huis. Hij sprong op Hu af.

De Wachter zag hem en uitte een verschrikte kreet. Het pistool zwaaide in Lockridge's richting, maar op hetzelfde moment stortte hij zich op de man in het groene uniform. Samen rolden ze over de grond en worstelden om het bezit van het wapen, maar Lockridge slaagde er niet in het uit Hu's vingers te wringen. Hij maakte zich los uit de greep van de Wachter en sprong hem op de rug. Hij knelde zijn benen stevig om het lichaam van zijn tegenstander, sloeg een arm om zijn hals en rukte.

Er klonk een kort, droog gekraak, zo luid dat het boven het strijdrumoer uit hoorbaar was. Hu bewoog niet meer Lockridge krabbelde overeind en zag dat hij dood was. ‘Het spijt me.’ Hij bukte zich en sloot de starende ogen, toen raapte hij het pistool op en ging ervandoor.

Even kwam hij in de verleiding om Storm te gaan zoeken, hij was nu immers op dezelfde manier gewapend als zij. Maar nee, dat was te riskant; een Yütho zou hem maar al te gemakkelijk de hersens in kunnen slaan terwijl hij door haar energieschild in bedwang werd gehouden. En wat moest er dan van Auri worden? Aan haar en aan haar handjevol verwanten ginds op het strand had hij zijn leven te danken. Bovendien was hij er niet zeker van dat hij de moed kon opbrengen om op Storm te schieten.

Voor zich uit zag hij het water glinsteren. Hij onderscheidde een grote huidenboot, die als een schaduw op de golfjes schommelde en vol was met schimmige gestalten. Auri wachtte op de oever. Lachend en huilend tegelijk holde zij hem tegemoet. Hij gunde haar, en zichzelf, de troost van een korte omhelzing waadde toen het water in en klom in de boot.

‘Waar gaan we nu heen?’ vroeg de zoon van Echegon. Lockridge keek om naar het land. In de mist kon hij de donkere massa's van de huizen nog zien, de vage omtrek van het bosje, en in de richting waar de strijd woedde, meende hij de gestalten van mannen en paarden te onderscheiden. Vaarwel, Avildaro, riep hij. De hemel bescherme je.

‘Iril Varay,’ zei hij: Engeland.

De peddels schoten diep door het water. De stuurman gaf het ritme aan door een aanroeping tot de Vrouwe van de Zee te zingen; want Auri, die als herboren was, zei dat De Storm geen godin was, maar een heks. Een baby huilde, een vrouw snikte zachtjes, een man hief als een afscheidsgroet zijn speer omhoog.

Ze voeren rond de westelijke landtong en Avildaro verdween uit het gezicht. Enkele kilometers verder ontwaarden zij in de vallende avond de vloot van de zeerovers. De bootjes waren op het strand getrokken, de galei lag in dieper water voor anker. De toortsen van enkele wachtslieden schitterden als sterren in het donker en Lockridge zag de trotse gebogen lijnen van boegbeeld en achtersteven, en de ra's die afstaken tegen de hemel.

Het was verbazingwekkend dat deze Vikingen van de Bronstijd nog niet met zware verliezen op de vlucht waren gedreven. Storm en Hu waren natuurlijk uiteen gegaan om de in verwarring gebrachte en verspreide Yüthoaz rond hun vlammenspuwende pistolen te verzamelen. En toen was Hu om een of andere reden alleen gaan rondzwerven. Maar zelfs dan kon Storm in haar eentje… nu, dat was nu voor hem voorbij.

Was dat werkelijk het geval? Gedreven door de dreiging van het noodlot zou zij niet rusten voordat zij hem gevonden en vernietigd had. Als hij naar zijn eigen eeuw kon terugkeren… nee, haar wraakgodinnen zouden hem daar eerder op het spoor komen dan in de wijde en schaars bevolkte wereld van de Steentijd. Zeker wanneer hij in zijn bewegingen werd belemmerd door deze scheepslading vreemden, die hij niet in de steek kon laten.

Hij begon te twijfelen of zijn keuze van Engeland wel juist was geweest. Hij wist dat ook andere megalietbouwers uit Denemarken daarheen vluchtten. Hij kon zich bij hen aansluiten en zijn leven verder in angst en vrees doorbrengen. Dat was geen leven dat hij Auri kon aanbieden.

‘Lynx,’ fluisterde het meisje naast hem, ‘eigenlijk mag ik me niet zo gelukkig voelen, hè? Maar toch ben ik gelukkig? Storm Darroway was zij niet. En wat dan nog? Hij trok haar tegen zich aan. Ook zij was het noodlot, dacht hij Misschien hadden John en Mary niets anders gewild dan dat haar dapperheid en vriendelijkheid in haar nageslacht bewaard zouden blijven. Hijzelf betekende niet veel, maar misschien zouden haar zoons en dochters van meer belang zijn.

Plotseling wist hij wat hem te doen stond. Hij bleef zo lang roerloos zitten, dat Auri bang werd. ‘Voel je je goed, liefste?’ ‘Ja,’ zei hij en hij kuste haar.

Heel de nacht voeren de vluchtelingen verder, langzaam vorderden zij door de duisternis, maar iedere peddelslag betekende een overwinning. Tegen de morgen voeren zij de vogelmoerassen binnen en zochten er een schuilplaats om te rusten. Later op de dag trokken de mannen erop uit om te jagen, te vissen en de waterzakken te vullen Een briesje uit het noordoosten verjoeg de mist en ‘s avonds blonken de sterren aan een heldere hemel. Lockridge liet de mast opzetten en het zeil hijsen. Tegen de morgen bevonden zij zich in volle zee.

Tijdens de overtocht hadden zij te lijden van koude, van allerlei ongemak tengevolge van de beperkte ruimte en van vele gevaren. Niemand behalve de Tenil Orugaray zou in staat zijn geweest om in zo'n overvol, zwak vaartuig de storm die hen overviel, te overleven. Ondanks alle ellende was Lockridge blij. Als de Koriach hem niet vond, zou zij misschien tot de conclusie komen dat hij was verdronken, en het zoeken opgeven.

Hij vroeg zich af of zij verdrietig zou zijn. Of waren ook haar gevoelens voor hem een leugen geweest?

Dagen later doemde East Anglia laag en met levendige herfstkleuren aan de horizon op. Bedekt met een korst zout, verweerd door de wind, hongerig en uitgeput zetten zij de boot op het strand en dronken gulzig het zoete water van een bron die zij er aantroffen.

Zij hadden verwacht dat zij op zoek zouden gaan naar een kustdorp, dat hen zou willen opnemen. Maar Lockridge zei nee. ‘Ik weet een betere plaats,’ beloofde hij. ‘We moeten door de onderwereld trekken om ze te bereiken, maar we zullen er veilig zijn voor de heks. Wat willen jullie liever, je als dieren verborgen houden of als vrije mensen leven?’ ‘We zullen je volgen, Lynx,’ antwoordde de zoon van Echegon.

Over land trokken zij verder. Omdat zij kleine kinderen bij zich hadden en voortdurend moesten jagen om aan eten te komen, vorderden zij maar langzaam. Lockridge begon zich zorgen te maken dat zij het doel te laat zouden bereiken. Auri was op een andere manier ongeduldig. ‘We zijn nu aan land, liefste. En daar groeit zacht mos.’

Hij schonk haar een vermoeide glimlach. ‘Niet voordat we op onze bestemming zijn, kleintje.’ Ernstig voegde hij eraan toe: ‘Je bent veel te belangrijk voor me.’

Stralend keek zij hem aan.

Aan het eind van hun tocht waadden zij door ijskoude moerassen naar een eilandje dat door de stammen in de omgeving gemeden werd. In een dorp waar de reizigers een nacht hadden doorgebracht, hadden de bewoners hun verteld dat het op dat eiland spookte. Lockridge had nauwkeurige aanwijzingen gekregen waar het lag.

Onder de kale bomen stond een slordig gebouwde schuilhut. Een enkele man wachtte hen op met het zwaard in de hand. Hij was zwaar gebouwd en had een omvangrijke buik; zijn grijze haren en baard omkransten een pokdalig, verweerd gezicht.

Blijdschap maakte zich van Lockridge meester. ‘Jesper, jij ouwe duivel!’ riep hij. Zij sloegen elkaar uitbundig op de schouder. Nadat Lockridge zijn zestiende-eeuwse diaglossa had ingedaan, vroeg hij wat dit te betekenen had.

De Deen haalde zijn schouders op. ‘Ik ben met de andere soldaten hierheen gebracht. De heksenmeester vroeg een vrijwilliger om deze poort nog een poosje te bewaken. Ik zei dat ik dat wel wilde doen. Waarom zou ik mijn schone Vrouwe die dienst niet bewijzen? Zodoende heb ik sindsdien hier gezeten en wat op eenden en zo gejaagd om me bezig te houden. Als er moeilijkheden waren, moest ik iets met een machine doen, die daar beneden staat, om Haar te waarschuwen. Er heeft zich evenwel niets voorgedaan, en omdat ik jullie voor gewone wilden hield, heb ik geen alarm gegeven. Ik dacht dat het veel leuker zou zijn om jullie weg te jagen. Maar het is prettig om je weer te zien, Malcolm!’

‘Is je wachttijd niet bijna voorbij ?’

‘Ja, over een paar dagen. Priester Marcus heeft me gezegd dat ik de klok in het oog moest houden en ervoor moest zorgen tijdig te vertrekken. Anders zou de poort verdwijnen en dan zit ik hier vast. Ik moet naar een andere poort gaan die hij me gewezen heeft, en vandaar word ik naar huis vervoerd.’

Lockridge wierp Fledelius een medelijdende brik toe. ‘Naar Denemarken?’

‘Waar anders?’

‘Ik ben hier met een geheime opdracht van onze Vrouwe. Zo geheim, dat je er tegen niemand een woord over mag loslaten.’

‘Wees niet bang. Je kunt me vertrouwen, zoals ik jou vertrouw.’

Lockridge kromp ineen. ‘Jesper,’ zei hij, ‘ga met ons mee. Als we op onze bestemming zijn, kan ik je vertellen… Je verdient beter dan als een vogelvrije onder een tiran te moeten leven. Ga mee!’

Er kwam een weemoedige blik in de kleine oogjes. Fledelius schudde het zware hoofd. ‘Nee. Ik dank je, m'n vriend, maar ik heb mijn Vrouwe en mijn koning trouw gezworen. Totdat de schout me vangt, zal ik ieder jaar op de vooravond van Allerheiligen in herberg de Gouden Leeuw zijn en wachten op de dingen die komen.’

‘Maar na wat er daar gebeurd is, is dat onmogelijk.’ Fledelius grinnikte. ‘Ik vind er wel iets op. Jonker Erik krijgt deze ouwe ever niet zo gemakkelijk te pakken als hij denkt.’

Lockridge's gezellen stonden te rillen van de kou.

‘Maar goed… we moeten de tunnel gebruiken. Meer kan ik je niet vertellen en vergeet niet, dit moet voor iedereen geheim blijven. Vaarwel, Jesper.’

‘Vaarwel, Malcolm, en jij ook, meisje. Drink af en toe eens een pint op mijn gezondheid, wil je?’

Lockridge ging zijn mensen voor onder de aarde. Hij had een verhaaltje klaar gehad om degenen die hier op wacht zouden staan, zand in de ogen te strooien. In het ergste geval zou hij zijn energiepistool gebruikt hebben. Het was wel bijzonder gelukkig dat hij Jesper hier had getroffen. Of was het het noodlot? Nee, naar de duivel met het noodlot. Indien Storm op de gedachte zou komen dat de vluchtelingen hierheen waren gegaan, en persoonlijk de Deen zou ondervragen, zou hij de waarheid vertellen. Maar dat was uiterst onwaarschijnlijk en in ieder ander geval zou hij zijn mond houden. Als Auri niet bij hem was geweest, zou Lockridge nooit zelf op dit idee zijn gekomen.

Hij stapte door de vlammende poort. De Tenil Orugaray zochten al hun moed bijeen en volgden hem.

‘We hoeven niet te treuzelen,’ zei hij. ‘Laten we herboren worden. Geef elkaar een hand en keer met mij terug naar de wereld.’

Langs de andere zijde van dezelfde poort bracht hij hen weer uit de tunnel. Dat kwam overeen met het moment waarop deze was ontstaan, zoals hij een kwart eeuw later weer zou verdwijnen.

Het voorvertrek was verlaten, evenals het eiland. Hij gebruikte de schakelbuis die Fledelius hem had gegeven om de toegang aan het einde van de gang te openen en vervolgens weer te sluiten. Toen zij uittraden, was het zomer. Struiken en riet kleurden het veen groen, het water blonk in de zon, overal klonk het gezang van vogels: het was vijfentwintig jaar voordat hij met Storm het Denemarken van de Steentijd zou bereiken.

‘O, wat mooi!’ zei Auri ademloos.

Lockridge richtte zich tot zijn mensen. ‘Jullie zijn het Zeevolk,’ zei hij. ‘We zullen nu naar de zee gaan en daar blijven wonen. Mensen als jullie zullen in dit land spoedig sterk worden,’ Hij zweeg even. ‘Wat mij betreft… ik zal jullie hoofdman zijn, als jullie dat wensen. Maar ik zal veel rond moeten reizen en nu en dan misschien een beroep moeten doen op jullie hulp. De stammen hier zijn groot en wonen verspreid over een groot gebied, maar zij zijn verdeeld. Nu er een nieuw tijdperk voor de deur staat — ten gevolge van alle nieuwe dingen die vanuit het Zuiden naar hier doordringen — zal het hun beter gaan als wij een zo groot mogelijke eenheid tot stand brengen. Dat is mijn taak.’

Zijn gedachten richtten zich op de toekomst en een ogenblik lang voelde hij zich ontmoedigd. Er was zoveel dat hij op moest geven. Zijn moeder zou huilen als hij nooit meer terugkwam, en dat was nog het ergste van alles. En hijzelf — hij verloor zijn land, zijn volk, een gehele beschaving — het Parthenon en de Golden Gate-brug, muziek, boeken, kookkunst en geneeskunst, de wetenschappelijke wereldbeschouwing, al het goede dat in vierduizend jaar tot stand zou woeden gebracht — dat alles om in het gunstigste geval, een hoofdman in de Steentijd te worden. Hier zou hij altijd eenzaam zijn.

Maar, bedacht hij, dat zou hem respect en macht bezorgen. Met de kennis die hij bezat, kon hij grote dingen tot stand brengen, niet als veroveraar, maar als éénmaker, leraar, geneesheer en wetgever. Misschien zou hij zelfs een fundament kunnen leggen dat bestand was tegen het kwaad dat Storm bracht.

Dat was zijn noodlot. Hij kon niet anders dan het aanvaarden.

Hij keek naar het kleine groepje van zijn mensen, het zaad van wat komen zou. ‘Willen jullie mij helpen?’ vroeg hij. ‘Ja,’ zei Auri, met haar stem en met heel haar wezen.


21

<p>21</p>

De jaren vlogen voorbij, totdat er opnieuw een dag kwam dat regen overging in mist en de krijgers uit het westen onder de bescherming daarvan de Limfjord opvoeren naar Avildaro.

De man die zij Lynx noemden, stond voor in de boeg van de galei: een man die ouder was dan de meeste anderen, met grijs haar en een grijze baard, maar nog altijd even sterk als zijn vier grote zonen, die naast hem stonden. Allen waren met glanzend brons gewapend en gepantserd. Zij tuurden naar de kustlijn die onduidelijk in het stervende, nevelige licht opdoemde. Tenslotte zij de vader: ‘Hier gaan we aan land.’

Met een stem waarin alle vurigheid van zijn zestien jaar klonk, gaf Havik, Auri's zoon, het bevel door. Het plassen en kraken van de roeiriemen verstomde. De ankersteen werd overboord gezet. Overal in het schip maakten mannen zich gereed, hun wapens rinkelden, zij sprongen van de banken in het koude water dat hen tot de schouders reikte. De huidenboten van hun met vuurstenen wapens uitgeruste bondgenoten liepen aan de grond en werden op de oever getrokken.

‘Laat ze zich rustig houden,’ zei Lynx. ‘Men mag ons niet horen.’

De kapitein knikte. ‘Geen lawaai maken, jullie,’ beval hij zijn matrozen. Evenals hijzelf waren het Iberiërs, donkere typen met een haviksneus en ronde schedel, kleiner en tengerder gebouwd dan de blonde bewoners van Brittannië; er was veel overwicht voor nodig om hen in toom te houden Zelfs de kapitein, een ontwikkeld man die dikwijls in Egypte en op Kreta was geweest, had er moeite mee gehad om te begrijpen dat dit geen gewone piratenoverval was. ‘Ik heb voldoende tin en huiden bijeengebracht om je tien maal voor de reis te betalen,’ had de hoofdman die Lynx heette, hem gezegd ‘Als je wilt helpen, is alles voor jou. Maar we trekken op tegen een heks die de bliksem beheerst. Ik kan dat ook, maar zullen je mannen desondanks niet te bang zijn om te vechten? Bovendien gaan we er niet heen om te plunderen, maar om mijn stamgenoten te bevrijden. Nemen jij en je mannen genoegen met het loon dat ik betaal?’ De kapitein bezwoer dat bij Haar Die hij vereerde, en Die ook de Godin van deze machtige barbaren was. En hij meende wat hij zwoer. Uit die blauwe ogen die hem aankeken, sprak een majesteit die alleen te vergelijken viel met die van de Minos van het Zuiden.

Maar desondanks… Nu ja, dacht Lockridge, we moeten het maar nemen zoals het valt. En dat is een bevrijding. Vanavond verbreek ik de banden van het noodlot.

Niet dat ik in Engeland een slechte tijd heb gehad. Integendeel. Mijn leven daar is beter, gelukkiger en nuttiger geweest dan ik ooit had durven dromen.

Hij begaf zich naar achteren. Auri stond bij de kajuit op het achterdek. Bij haar bevonden zich hun andere kinderen, drie meisjes en een jongen die nog te jong was om te vechten. Ook in dat opzicht waren zij gelukkig geweest: slechts één klein lichaampje lag begraven onder de keien van een hunebed. Zij werd inderdaad door de goden bemind.

Haar gestalte was groot en rijzig, de haren die over haar Kretenzische kleed golfden, waren nog even blond als in haar jeugd; toen zij haar man aankeek, meende hij een enkele traan in haar ogen te zien glinsteren. Een kwarteeuw lang had zij zijn rechterhand moeten zijn en dat had haar grootheid verleend. ‘Vaarwel, m'n liefste,’ zei zij.

‘Het is maar voor even. Zodra we gewonnen hebben, kun je naar huis gaan.’

‘Jij hebt me een thuis gegeven, ginds aan de overzijde van de zee. Als je zou vallen.

‘Keer dan terug, om hunnentwille.’ Hij streelde de kinderen een voor een. ‘Regeer Westhaven zoals wij dat tot nu toe hebben gedaan. De mensen zullen er blij om zijn.’ Hij dwong zich tot een glimlach. ‘Maar mij zal niets overkomen.’

‘Het zal een vreemde gewaarwording zijn,’ zei zij bedachtzaam, ‘om onszelf als jonge mensen voorbij te zien komen. Ik zou willen dat je op dat moment bij me was.’

‘Zal het je geen verdriet doen hen te zien?’

‘Nee. Ik zal die twee het beste van ons wensen en me verheugen om wat de toekomst hun brengen zal.’

Zij was de enige die begrepen had wat er met de tijd was gebeurd. Voor de overige Tenil Orugaray was dat een angstaanjagende toverij geweest waaraan zij liefst zo min mogelijk terugdachten. Die toverij had hen weliswaar naar een goed land gebracht, en daarvoor waren zij dankbaar; voor de rest moest Lynx de last van die toverij maar dragen, hij was de koning.

Lockridge en Auri kusten elkaar en hij vertrok.

Hij waadde naar het land en zag zich omringd door zijn mannen. Enkelen van hen waren in Avildaro geboren, ten tijde van de vlucht waren zij nog maar kinderen geweest. De overigen echter waren uit half Brittannië afkomstig. Dat was zijn werk geweest. Uit angst dat geruchten over hem de overzijde van de zee zouden bereiken, was hij niet teruggekeerd naar East Anglia om daar op Storm Darroway te wachten. In plaats daarvan had hij zijn gezellen naar dat prachtige land gebracht dat later Cornwall zou heten. Daar hadden zij geploegd en gezaaid gejaagd en gevist, liefgehad en offers gebracht, in de oude, zorgeloze trant. Langzamerhand had hij hun echter geleerd welke voordelen de tinmijnen en de handel hun konden brengen; hij had nieuwe volgelingen geworven onder de rusteloze stammen in de omgeving, hij had nieuwe levenswijzen en werkmethoden ingevoerd en tenslotte was Westhaven van Skara Brae tot Memphis beroemd geworden als een welvarend en machtig rijk. Intussen had hij bondgenootschappen gesloten — met de bijlenmakers van Langdale Pike, met de jonge nederzettingen in de Theems vallei, zelfs met de primitieve landbouwstammen in de heuvels langs de zuidkust, die hij ervan had weten te overtuigen dat mensenoffers de goden niet aangenaam waren. Op het moment was er sprake van een grote tempel, die gebouwd zou worden op de vlakte van Salisbury en die het teken en de bezegeling van hun bondgenootschap zou zijn. In deze omstandigheden kon hij met een gerust hart vertrekken; bovendien had hij uit de velen die gevraagd hadden hem te mogen vergezellen, een honderdtal jagers kunnen kiezen voor zijn strijd in het oosten. ‘Opstellen,’ beval hij. ‘Voorwaarts.’

Noorderlingen en Zuiderlingen stelden zich tezamen op in de formatie die hij hun had geleerd, en begaven zich op weg naar Avildaro.

Zij marcheerden door de vochtige, grijze mist, alleen hun voetstappen en de schreeuw van wulpen verbraken de stilte. Lockridge voelde hoe zijn keel dichtgeknepen werd, en zijn hart begon te bonzen. Storm, Storm, dacht hij, ik kom weer naar je terug.

Vijfentwintig jaren hadden het beeld dat hij in zijn herinnering van haar meedroeg, niet doen vervagen. Hij was mager en grijs geworden, het verdriet en de vreugde van een generatie lagen tussen haar en hem, maar nog altijd herinnerde hij zich haar zwarte lokken, groene ogen, gebruinde huid, haar mond die eens op de zijne had gerust. Onwillig, stap voor stap, had hij ontdekt wat zijn lotsbestemming was. Het Noorden moest uit haar macht bevrijd worden. Het menselijk ras moest van haar worden bevrijd. Nu Brann er niet meer was kon zij haar Wachters naar de overwinning voeren. Maar noch Wachters noch Gardisten mochten zegevieren. Zij moesten elkaar uitputten totdat datgene wat beiden aan goeds bezaten, kon oprijzen boven de puinen van wat slecht was, en de wereld van John en Mary gestalte kon krijgen.

Maar in werkelijkheid was hij niet de wijze en onoverwinnelijke Lynx. Hij was alleen maar Malcolm Lockridge, die eens Storm Darroway had liefgehad. Het kostte hem een geweldige inspanning om zijn gedachten bij Auri te houden en bij het feit dat hij nu tegen de Koriach. oprukte.

Havik, die op verkenning was geweest, kwam teruggeslopen. ‘Ik heb maar een paar mensen in het dorp gezien, vader,’ zei hij. ‘Geen van hen zag eruit als een Yütho, voor zover ik kan oordelen naar de beschrijving die u van hen hebt gegeven. De kampvuren van de wagenrijders zijn maar flauw zichtbaar in de mist en de meesten liggen erom heen om zich te warmen.’

‘Mooi.’ Lockridge was blij dat ze tot handelen konden overgaan. ‘We verdelen ons nu in groepen en ieder gaat naar zijn eigen sector van de weiden.’ De aanvoerders kwamen naar hem toe en hij gaf hun nauwkeurige instructies. De een na de ander verdwenen de groepen in de schemering en Lockridge bleef met een twintigtal mannen achter. Hij telde de leren schilden en hun scherpe vuurstenen zwaarden, hief zijn arm op en zei: ‘Wij hebben de moeilijkste taak. Wij zullen de heks zelf bestrijden. Ik zweer nogmaals dat mijn toverkracht even sterk is als de hare. Maar ieder die bevreesd is om getuige te zijn van onze strijd, kan vertrekken.’

‘U bent lange tijd onze aanvoerder geweest en wij weten dat alles wat u zegt, juist is,’ gromde een van de heuvelbewoners. ‘Ik doe mijn eed gestand.’ Een onstuimig gemompel van instemming ging door de kring van mannen.

‘Volg mij dan.’

Zij vonden een pad dat naar het heilige bosje voerde. Als de strijd ontbrandde, zouden Storm en haar dienaren in het Lange Huis hierlangs komen.

Door de nevels drongen kreten tot hen door.

Onder de druipende bomen bleef Lockridge staan. Rechts van hem nam het lawaai steeds meer toe hoorns schalden, paarden hinnikten, mannen schreeuwden en gilden, boogpezen zoefden, wielen kraakten, bijlslagen dreunden.

‘Komt ze dan nooit?’ fluisterde zijn zoon Vliegende Pijl. Lockridge was tot het uiterste gespannen. Hij had geen enkele garantie dat zijn opzet zou slagen. Eén energiepistool kon een heel leger op de vlucht jagen en het pistool dat in zijn hand drukte, kon het hoogstens tegen twee andere opnemen.

Uit de richting van Avildaro kwamen zware voetstappen snel naderbij. Een tiental Yüthoaz dook plotseling uit de mist op. Zij zwaaiden met hun wapens, hun gezichten waren vertrokken in een woedende grijns. Voorop liep Hu.

Deze keer zal ik je niet doden, dacht Lockridge huiverend. Met een ruk bleef de Wachter staan en hief zijn pistool omhoog.

Hetzelfde wapen flikkerde in Lockridge's hand en keerde zich tegen zichzelf. Rood, geel, groen en dodelijk blauw flakkerden de vlammen. De Yüthoaz wierpen zich op de Britten, die vol angst voor het bovennatuurlijke terugweken. ‘Koriach!’ schreeuwde Hu boven het geknetter van de energiebundels uit. ‘Het zijn Gardisten!’

In de man tegenover zich herkende hij Lockridge niet. En binnen het uur zou hij dood liggen bij het Lange Huis. De verschrikking van dit alles deed Lockridge verstijven. Hu drong op. Een Yütho brulde luid en zwaaide zijn strijdbijl. De heuvelbewoner die over zijn eed had gesproken, viel dood aan zijn voeten.

Dat gaf Lockridge de beheersing over zijn spieren terug. ‘Mannen van Westhaven!’ schreeuwde hij. ‘Vecht voor je verwanten!’

Vliegende Pijl sprong naar voren. Zijn bronzen zwaard weerkaatste de gloed van de vlammen, het drong binnen in het lichaam van een Yütho en kwam druipend van bloed weer te voorschijn. Havik kreeg een slag op zijn helm, die even luid weergalmde als zijn lach toen hij zelf toesloeg. Hun broers, Herder en Geliefde Zon, kwamen hen te hulp, evenals de anderen. Zij waren veel talrijker dan de Strijdbijlmannen. Het gevecht was kort en zonder pardon.

Lockridge trok zijn zwaard om Hu aan te vallen. De Wachter zag zijn mannen sneuvelen, verhief zich van de grond en verdween in de mist. Boven het krijgsrumoer in de velden uit, hoorde men hem om Storm roepen.

Zij was dus een andere richting uitgegaan. Zij is ginds, dacht Lockridge. ‘Hierheen!’

Hij bereikte het open veld. Een strijdwagen daverde voorbij en stortte zich op een linie van Lockridge's mannen. Zoals ze van hem hadden geleerd, bleven zij op hun plaats staan totdat de wielen hen bijna hadden bereikt, toen weken zij uiteen en sloegen de berijder van terzijde neer. De paarden, nu zonder meester, holden de mist in en verdwenen. De Britten wierpen zich op de Yüthoaz die te voet achter de wagen aan kwamen. Voor Lockridge was dit alles niet meer dan een schimmenspel. Hij was op jacht naar Storm.

Met zijn afdeling zwierf hij over het slagveld. Van tijd tot tijd zag hij iets van de strijd. Een Yütho sloeg de hersens van een Westhavenstrijder in en werd op zijn beurt door een Iberiër in de pan gehakt. Twee mannen rolden over de grond als honden en klauwden naar elkanders keel. Een jongen, Duno genaamd, lag te baden in zijn bloed, zijn niets ziende ogen waren naar de onzichtbare hemel gekeerd. Lockridge haastte zich verder. Zijn zwaardschede sloeg tegen zijn benen. Hij begon het gewicht van zijn helm en borstpantser te voelen.

Na wat een eindeloze tijd leek, hoorde hij kreten. Een aantal van zijn mannen holden voorbij, met opeengeperste lippen om hun paniek te onderdrukken. Hij riep hun aanvoerder aan. ‘We zijn haar tegen gekomen, aan de rand van het dorp,’ hijgde de man. ‘Haar vlammen hebben drie van ons gedood voordat we ons in veiligheid konden stellen.’

Zij waren echter niet blindelings gevlucht. Zij gehoorzaamden zijn bevelen om terug te trekken en een andere tegenstander te zoeken. Lockridge haastte zich in de richting vanwaar zij gekomen waren.

Eerst hoorde hij alleen haar stem. ‘Jij en jij en jij. Zoek de stamhoofden op en laat hen bij mij komen. Ik zal hier wachten en als we overleg hebben gepleegd en onze troepen weer hebben verzameld, zullen we die zeerovers vernietigen.’ Haar stem was donker en mooi.

Lockridge liep verder door de mist. Plotseling leek deze wat minder dik te worden, en daar stond zij.

Verscheidene Yüthoaz bevonden zich bij haar, en verder één strijdwagen met stampende paarden, en daarop stond Widucar met zijn hellebaard gereed. Storm stond echter wat apart, een klein stukje vóór de anderen. Zij had enkel een tuniek om haar lichaam geslagen, op haar hoofd schitterde de halve maan. In de halve schemering glansden haar haren vochtig, op haar gezicht lag een blos van opwinding. Lockridge vuurde op haar.

Zij was hem te snel af en stelde haar energieschild in werking. De botsende stralen spatten in woedende vlammen uiteen.

‘Gardist,’ schreeuwde zij boven het geknetter van de angstaanjagende, vonkensproeiende regenboog uit, ‘kom naderbij en sterf.’ Doordat hij, voor de eerste keer sinds vele jaren, zijn diaglossa droeg, verstond Lockridge haar. Hij bewoog zich naar haar toe.

Ontzetting verspreidde zich op het walküre-gelaat. ‘Malcolm’ schreeuwde zij.

Zijn zonen dreven hun mannen vooruit. Zwaarden, speren en bijlen suisden door de lucht.

Vanuit een ooghoek zag Lockridge hoe Widucar zijn lange bijl op Havik deed neerkomen De jongen dook weg, sprong toen op de strijdwagen en stak toe. Widucars halfvolwassen menner wierp zich tussen het wapen en zijn heer. Terwijl hij in elkaar zakte, trok de hoofdman een stenen mes. Havik kon zijn wapen niet bijtijds los krijgen. Hij sloeg zijn armen om de roodbaard heen, zij vielen van de wagen en worstelden op de grond verder.

Elders drongen de mannen van Westhaven op. Zij zagen zich tegenover dappere, ervaren vijanden geplaatst die van geen wijken wisten. Het strijdrumoer verbreidde zich door de toenemende duisternis.

‘O Malcolm,’ snikte Storm, ‘wat heeft de tijd met jou gedaan?’

Hij kon alleen maar meedogenloos zijn, haar aanvallen met het pistool in de ene hand; zijn andere hand, waarin hij zijn zwaard had moeten houden, was vrij. Ieder moment zou zij weg kunnen vliegen, zoals Hu had gedaan. Maar haar mannen werden door de overmacht teruggedreven en zij trok zich met hen terug. In het strijdgewoel dat om hem heen golfde, slaagde Lockridge er niet in haar te bereiken. Wanneer er even wat ruimte tussen hen beiden kwam, verschansten zij zich achter hun schild, zodat de vlammen om haar heen speelden. Maar meestal werden zij door de woedende, beestachtige worsteling van elkaar gescheiden gehouden.

De strijd bereikte de hutten. Boven de daken doemden de donkere omtrekken van het Lange Huis op.

Plotseling braken Vliegende Pijl en Geliefde Zon door de Yütho-linie heen. Zij vertrapten de mannen die zij hadden neergeslagen. Vervolgens draaiden zij zich bliksemsnel om en vielen de Yüthoaz in de rug aan. Hun mannen stroomden door de bres. De gesloten linie van strijders viel in groepjes uiteen en het gevecht golfde tussen de hutten heen en weer. Lockridge zag Storm voor zich. Hij sprong op haar toe. De schittering werd zo fel dat zij beiden even verblind waren. In de veelkleurige duisternis liet hij zijn vuist uitschieten. Zij slaakte een kreet van pijn. Hij bemerkte dat zij haar pistool liet vallen. Voordat zij kon vluchten, wierp hij zijn eigen wapen op de grond en greep haar vast.

Samen rolden zij over de grond. Zij vocht met handen, nagels knieën en tanden totdat het bloed over zijn huid stroomde. Met zijn volle gewicht hield hij haar tegen de grond gedrukt. Toen hij tenslotte weer iets kon zien, keek hij recht in haar ogen. Zij tilde haar hoofd op en kuste hem. ‘Nee,’ zei hij gesmoord.

‘Malcolm,’ zei zij terwijl hij haar hijgende ademhaling in zijn gezicht voelde, ‘ik kan je weer jong maken, onsterfelijk zoals ik.’

Hij vloekte. ‘Ik ben Auri's man.’

‘Werkelijk?’ Plotseling bleef zij doodstil onder hem liggen. ‘Trek dan je zwaard maar.’

‘Je weet dat ik dat niet kan.’ Hij stond op nam haar gordel af, hielp haar overeind en hield haar armen stevig op haar rug vast. Zij glimlachte en leunde tegen hem aan.

Om hen heen was de strijd afgelopen. Toen zij zagen dat hun Godin gevangen was, wierpen de Yüthoaz die daartoe nog in staat waren, hun bijlen weg en vluchtten. Overal in het rond klonk het gejammer van de gewonden.

‘We hebben de heks gevangen,’ zei Lockridge. Zijn eigen woorden klonken hem in de oren alsof een vreemde ze gesproken had. ‘Alleen haar krijgers zijn nog over.’

Met het zwaard in de hand kwamen zijn zonen naderbij. Hij schaamde zich dat hij niet gelukkiger was toen hij Havik bij hen zag. Hij liet Storm los. Hoewel ze een gevangene was, vuil en vol blauwe plekken, keek ze hen allen hooghartig aan en zei: ‘Is dit het lot dat jullie wensen?’ Zij sprak echter Engels.

Lockridge kon die blik niet verdragen, hij sloeg zijn ogen neer en zuchtte. ‘Een ander lot is er niet voor mij.’

‘Denk je ook maar een ogenblik dat je aan de wraak kunt ontsnappen?’

‘Ja. Als ze niet meer van je horen, zullen je spionnen natuurlijk komen om te zien wat er is gebeurd. Ze zullen je niet vinden. Ze zullen alleen maar iets horen over een overval, waarbij je blijkbaar om het leven bent gekomen: geen Gardistenwerk, voor zover ze dat kunnen afleiden uit de verwarde verhalen van de mensen hier, gewoon een aanval door een stamhoofd van overzee, die gehoord had dat Jutland in onrust verkeerde, en die zo gelukkig was dat jij en Hu door verdwaalde pijlen werden getroffen voordat jullie de kans kregen hen te verdrijven. Meer dan ooit zullen je opvolgers ervan overtuigd zijn dat ze zich met dit tijdperk maar beter niet kunnen bemoeien. Ze hebben op andere plaatsen en andere tijden de handen vol en daarom zullen ze ons met rust laten.’

Storm bleef een ogenblik staan. ‘Dat heb je listig bedacht, Malcolm,’ zei zij tenslotte. Wat een held zou je kunnen zijn als je je bij ons aansloot.’

‘Ik ben daar niet in geïnteresseerd,’ antwoordde hij mat. Zij trok haar tuniek recht, zodat deze strak langs haar lichaam viel. ‘Maar wat ga je met mij doen?’ fluisterde zij.

‘Ik weet het niet,’ zei hij bezorgd. ‘Zolang je leeft, ben je een dodelijk gevaar. Maar ik… ik ben niet in staat je iets te doen. Ik ben zo dankbaar dat je er ongedeerd van af gekomen bent dat…’ Zijn ogen knipperden. ‘Misschien kunnen we je ergens opbergen,’ zei hij bruusk. ‘Een eervolle gevangenschap.’

Zij glimlachte. ‘Zul je me bezoeken?’

‘Beter van niet.’

‘Je zult zeker komen. Dan praten we nog wel.’ Zij duwde het zwaard van Herder, de zoon van Auri, opzij, liep op Lockridge toe en kuste hem nogmaals. ‘Vaarwel, Lynx?’ ‘Neem haar mee,’ gooide hij eruit. ‘Bind haar. Maar voorzichtig. Er mag haar niets overkomen.’

‘Waar zullen we haar onderbrengen, vader?’ vroeg Vliegende Pijl.

Lockridge liep het plein voor het Lange Huis op. Aan zijn voeten lag het dode lichaam van Hu.

‘Daarbinnen,’ besliste hij. ‘Dat is haar eigen huis. Plaats een wachtpost voor de deur. Verzamel de doden en verzorg de gewonden zo goed mogelijk.’

Hij keek haar na totdat zij door de deur verdwenen was. Het rumoer van de strijd begon weer tot hem door te dringen. Opeens kon hij zich niet langer bedwingen. Hij holde door het dorp en schreeuwde: ‘Mannen van Avildaro! Mannen van het Zeevolk! We zijn gekomen om jullie te bevrijden. De macht van de heks is gebroken. Ginds in de weiden vechten ze voor jullie. Blijven jullie daar liggen zonder voor jezelf te strijden? Wie een man is, kome naar buiten!’

En zij kwamen: familie bij familie, jagers, vissers, zeevaarders, gewapend verzamelden zij zich rond hun bevrijder. Hij riep zijn zonen om zich bij hem aan te sluiten. Vijftig man sterk drongen zij door het heilige bosje heen en stortten zich op de Strijdbijl-mannen. En versloegen hen. Toen de laatste strijdwagen vernield was en de laatste Yütho de hei op was gejaagd, beval Lockridge dat men alle gevangenen bij hem moest brengen. Het waren hoofdzakelijk vrouwen en kinderen, die wanhopig en verslagen naderbij strompelden. Maar ook Widucar was levend gevangen genomen. Zijn handen waren op zijn rug gebonden, hij herkende Lockridge en wierp hem een uitdagende blik toe.

Er werd brandstof op een stervend kampvuur geworpen, zodat de vochtige duisternis helder werd verlicht; uitbundig dansten de Tenil Orugaray eromheen. Lockridge zag het verdriet van de mensen die voor hem stonden, en zei vriendelijk: ‘Er zal jullie verder niets gebeuren. Morgen mogen jullie vertrekken. Dit is onze woonplaats, niet die van jullie. Maar iemand van ons zal jullie vergezellen om over vrede te spreken. Het land is groot; we kennen streken die onbewoond zijn en die jullie ter beschikking staan. Op midwinter zullen de stamhoofden hier vergaderen en dan zullen we middelen zoeken om onze gemeenschappelijke belangen te bevorderen. Widucar, ik hoop dat jij ook één van hen zult zijn.’

De Yütho viel op zijn knieën. ‘Heer,’ zei hij, ‘ik weet niet wat er vannacht voor vreemds met u is gebeurd. Maar als u genadig bent, zijn u en ik nog altijd gezworen vrienden. Indien u mij tenminste wilt aanvaarden.’

Lockridge hief hem op. ‘Neem zijn boeien af. Hij is onze vriend.’

Toen hij zijn mensen overzag, wist Lynx dat zijn werk nog niet voltooid was. Westhaven was op een stevige grondslag gebouwd. In de tijd die hem nog gegund was — twintig of dertig jaar misschien — moest hij eenzelfde bondgenootschap in Denemarken tot stand brengen.

Als Storm maar…

Een man holde naar hem toe en wierp zich plat op de grond. ‘We wisten het niet! We wisten het niet! We hoorden het lawaai pas toen het te laat was!’

Als een vuist sloot de nacht zich om Lockridge. Hij riep om fakkeldragers en holde de hele afstand naar het Lange Huis. In het meedogenloze licht van de bollen lag zij op de grond. Haar schoonheid was verdwenen: niemand wordt gewurgd zonder dat de huid blauw wordt, de tong opzwelt tussen de tanden, de ogen uit hun kassen puilen. Toch was er van haar schoonheid nog iets overgebleven in haar glanzende haar en gebeeldhouwde trekken, in haar lichaam dat tot het laatst had gestreden, en de geboeide handen die hem eens hadden geliefkoosd.

Over haar heen lag het lichaam van Brann.

Ik was hem vergeten, dacht Lockridge. De herinnering was me te veel. Toen hij, met de dood op zijn hielen door het scherm kwam, had hij haar, zijn kwelgeest, hulpeloos aangetroffen.

Storm, o Storm!

De mannen van het Zeevolk werden stil toen hun koning weende.

Hij beval hun hout te brengen. Hijzelf legde haar ter rust; met Hu, haar luitenant, en haar grote vijand aan haar voeten, en vervolgens hield hij de fakkel aan het Lange Huis. Loeiend schoten de vlammen omhoog en maakten de duisternis tot een nieuwe dag. We zullen hier een heiligdom bouwen, dacht hij, voor Haar die hier door de eeuwen heen onder verschillende namen zal worden vereerd.

Maar wat hemzelf betrof was er maar één plaats waarheen hij kon gaan. Eenzaam keerde hij terug naar het schip.

Auri’s armen verwelkomden hem. Tegen de morgen vond hij vrede.

De hemel, of het lot, of hoe men het ook wilde noemen, zij geprezen dat er nog zo veel te doen was.

De Bronstijd naderde, de nieuwe tijd. Wat hij ervan had gezien in zijn eigen, nog ongeboren verleden, gaf hem reden om te geloven dat het een tijd zou zijn van welvaart vrede en geluk: gelukkiger misschien dan de mensen ooit weer zouden kennen voordat die verre toekomst, waarvan hij een glimp had opgevangen, aanbrak. De overblijfselen immers die later opgegraven zouden worden, wezen niet op verwoesting te vuur en te zwaard en op onderdrukking. De gouden Zonnewagen van Trundholm en de herdershoorns, wier vormen herinnerden aan de slangen van de Godin, deden integendeel veronderstellen dat de volken van het Noorden één waren geworden. Wijd en zijd zouden zij reizen; Denen zouden door de straten van Knossos stappen en mannen uit Engeland zouden tot in Arabië doordringen. Misschien zouden sommigen zelfs Amerika bereiken — onder de Indianen zouden immers verhalen de ronde doen over een wijze, zachtmoedige god en over een godin, Bloemenveder genaamd. De meesten van hen zouden echter terugkeren. Want waar was het leven beter dan in het eerste land dat de wereld had gekend dat zowel machtig was als vrij?

Tenslotte zou, in de wrede IJzertijd, ook dit land ten ondergaan. Maar tien gelukkige eeuwen waren toch geen geringe prestatie, en de geest die eruit voortkwam, zou blijven bestaan. In de eeuwen die erop volgden, moest de vergeten waarheid dat de mens eens generaties lang geluk had gekend, niet geheel verloren gaan en in het onderbewuste blijven doorwerken. Misschien zouden degenen die de uiteindelijke toekomst hadden opgebouwd, terugkeren naar het rijk dat Lynx had gesticht, om ervan te leren.

‘Aura’ fluisterde Lockridge, ‘blijf bij me en help me.’ ‘Altijd,’ zei zij.