Poul Anderson

Komt Tijd


VOORWOORD

<p>VOORWOORD</p>

Wees gerust. Ik ga niet beweren dat dit verhaal waar is. Ten eerste is die claim een literaire conventie die met Theodore Roosevelt uit onze gelukkige herinneringen verdween. Ten tweede zou u het toch niet geloven. Ten derde moet ieder verhaal, ondertekend met mijn naam, staan of vallen als amusement. Ten vierde, het is mijn eigen kompositie. Waar zich twijfels of lacunes voordoen in die massa notities, knipsels, foto’s en herinneringen aan gesproken woorden die mij overgeleverd werden, heb ik voor gissingen gezorgd. Waar nodig zijn namen, plaatsen en voorvallen gewijzigd. Van begin tot eind is mijn relaas in het jasje van de fictie gestoken. Ten slotte geloof ik er zelf geen regel van. Oh, we zouden de koppen bij elkaar kunnen steken, u en ik, om officiele archieven, oude kranten, jaarboeken, tijdschriften enzovoort uit te pluizen. Maar de inspanningen en kosten zouden groot zijn; de resultaten, al waren ze positief, zouden weinig bewijzen; we hebben belangrijker zaken aan ons hoofd; onze ontdekkingen zouden ons zelfs in gevaar kunnen brengen.

Deze inleidende bladzijden dienen louter om iets te vertellen over Dr. Robert Anderson. Ik heb het boek aan hem te danken. Veel zinnen zijn van hem afkomstig en het is voortdurend mijn doel geweest om iets van zijn stijl en geest vast te leggen; in memoriam. Weet u, eigenlijk ben ik hem veel meer verschuldigd. In hetgeen volgt, herkent u misschien bepaalde dingen uit vroegere verhalen van mij. Hij gaf me die ideeen, die achtergronden en mensen, uur na uur, terwijl we met sherry en Mozart voor een vuur zaten van drijfhout (het beste hout dat er is). Ik veranderde er veel aan, deels om literaire redenen, deels om de verhalen mijn eigen werk te maken, maar de kern bleef van hem. Hij wilde geen enkele honorering accepteren. ‘Als je het verkoopt,’ lachte hij, ‘neem Karen dan mee uit voor een extravagant diner in San Francisco en nuttig de nodige hoeveelheid aquavit uit mijn naam.’

We spraken over allerlei onderwerpen. Mijn herinneringen zijn rijk aan onze gesprekken. Hij had een grillig gevoel voor humor. Het zit er dik in dat hij, juist door mij een hele doos materiaal na te laten op die manier, bezig was zijn privefantasieen te transformeren tot een laatste, subtiele grap.

Maar aan de andere kant zijn bepaalde onderdelen buitengewoon grimmig.

Of toch niet? Een paar keer als ik toevallig aanwezig was terwijl een of twee van zijn jongste kleinkinderen op bezoek waren, merkte ik dat zijn plezier om hun gezelschap onderbroken werd door momenten waarop hij gekweld leek. En toen ik hem voor het laatst zag, kwam ons gesprek op de waarschijnlijke vorm van de toekomst en plotseling riep hij uit: ‘Oh, God, de jeugd, de arme jeugd! Poul, mijn generatie en de jouwe hebben het waanzinnig gemakkelijk gehad. Alles wat we ooit hebben moeten doen, was blanke Amerikanen zijn met een redelijke gezondheid en we kregen ons plekje in de zon. Maar nu keert de geschiedenis ook hier tot zijn normale klimaat terug en de norm is een ijstijd.’ Hij sloeg zijn borrel naar binnen en schonk zich sneller dan zijn gewoonte was een nieuwe in. ‘De taaien en de geluksvogels zullen overleven,’ zei hij. ‘De rest … zal gehad hebben wat hun aan geluk beschoren was. Een arts zou aan dat soort waarheden gewend moeten zijn, nietwaar?’ En hij veranderde van onderwerp.

In zijn latere jaren was Robert Anderson lang en mager, de schouders ietwat gebogen, maar in uitstekende conditie, die hij toeschreef aan wandelen en fietsen. Zijn gezicht was al even mager met blauwe ogen achter een zware bril en zowel zijn kleding als zijn witte haar zaten altijd wanordelijk. Hij sprak langzaam, zijn woorden onderstrepend met een pijp als hij genoot van zijn tweemaaldaagse rokertje. Zijn optreden was ontspannen en beminnelijk. Niettemin was hij even onafhankelijk als zijn kat. ‘In mijn huidige levensfase’ merkte hij op, ‘gaat dat, wat vroeger tegendraadsheid of weerspannigheid werd genoemd, door voor beminnelijke excentriciteit. Ik maak er nu dan ook danig misbruik van.’ Hij grinnikte. ‘Denk maar eens aan mijn woorden terug tegen de tijd dat het jouw beurt is.’

Oppervlakkig gezien had hij een kalm leven geleid. Hij werd geboren in 1895 in Philadelphia, als een verre verwant van mijn vader. Hoewel onze familie van oorsprong Skandinavisch is, verblijft een tak ervan al in de Verenigde Staten sedert de Burgeroorlog. Hij en ik hadden echter nog nooit van elkaar gehoord, tot een van zijn zoons, die geinteresseerd bleek in genealogie, toevallig bij mij in de buurt kwam wonen en met me in contact raakte. Toen de oude heer op bezoek kwam, werden mijn vrouw en ik uitgenodigd en het klikte meteen tussen ons.

Zijn eigen vader was een journalist, die in 1910 redacteur werd van het plaatselijke dagblad in een kleine stad, hoog in het middenwesten (tegenwoordige bevolking 10.000; destijds minder), die ik Senlac zal noemen. Later beschreef hij het gezin als episcopaals in naam en democraat uit principe. Net toen hij zijn voorbereidende medische studies had voltooid, raakte Amerika betrokken bij de Eerste Wereldoorlog en moest hij onder de wapenen; maar hij kwam nooit aan de andere kant van de oceaan. Eenmaal afgezwaaid ging hij verder met zijn studie medicijnen. Mijn indruk is dat hij danig de bloemetjes heeft buitengezet in die heupflesdagen. Maar dat kan nooit al te hevig zijn geweest. Uiteindelijk keerde hij terug naar Senlac, hing zijn kuren aan de kapstok en huwde zijn verloofde van jaren her. Ik denk dat hij altijd al rusteloos was. Het werk van huisartsen was verre van saai — voordat de vooruitgang hen veroordeelde weinig meer te zijn dan verwijzingsloket voor de specialist — en zijn huwelijk was gelukkig. Van de vier kinderen haalden drie jongens de volwassen leeftijd en die floreren nog steeds. In 1955 ging hij met pensioen om met zijn vrouw te kunnen reizen. Kort daarna ontmoette ik hem. Zij overleed in 1958 en hij verkocht hun huis, maar kocht een bungalow vlakbij. Zijn reizen werden daarna minder uitgebreid; hij merkte rustig op dat ze zonder Kate minder leuk waren. Niettemin behield hij een levendige belangstelling voor het leven.

Hij vertelde me van het volk dat door mij, niet door hem, de Maurai genoemd wordt, op een manier alsof het een sprookje was dat hijzelf had verzonnen, maar waarvoor de vaardigheid om er een goed verhaal van te maken hem ontbrak. Een jaar of tien later maakte hij de indruk bezorgd over me te zijn, zonder dat ik daar reden voor kon zien en op mijn beurt maakte ik me zorgen over hetgeen de voortschrijdende ouderdom hem zou kunnen aandoen. Korte tijd later was hij er weer overheen. Hoewel van tijd tot tijd een verborgen grimmigheid de kop op stak, was hij doorgaans zichzelf. Zonder twijfel wist hij wat hij deed, ten goede of ten kwade, toen hij in zijn testament de passage liet opnemen met betrekking tot mij. Hetgeen hij me naliet, moest ik gebruiken naar mijn eigen goeddunken.

Tegen het eind van het afgelopen jaar nam Robert Anderson afscheid van dit leven, onverwacht en in zijn slaap. We missen hem.


1

<p>1</p>

Het begin bepaalt het einde, maar ik kan bijna niets van Jack Havig’s herkomst zeggen, ondanks het feit dat ik hem ter wereld bracht. Wie dacht er op een koude ochtend in februari 1933 aan genetische codes, of aan Einstein’s werk als iets dat ooit van zijn mathematische Olympus zou kunnen neerdalen om onder mensen te vertoeven, of aan de macht in landen waarvan we dachten dat ze veilig en wel veroverd waren? Ik herinner me nog wat een moeilijke bevalling het was. Het was Eleanor’s eerste en ze was nogal jong en tenger. Ik deed niet graag een keizersnede; misschien is het mijn fout dat ze nooit meer zwanger werd. Eindelijk bungelde het rode, gerimpelde dier veilig in mijn handen. Ik sloeg op zijn billen om hem zijn eerste protesterende schreeuw te laten geven; hij liet de lucht in een jammerklacht naar buiten stromen en verder verliep alles als gebruikelijk.

De bevalling vond plaats op de bovenste verdieping (de derde) van ons plattelandsziekenhuis, dat stond op wat destijds de rand van de stad was. Terwijl ik mijn operatiekleding uittrok, keek ik naar het wijdse uitzicht dat het raam me bood. Rechts van mij lag Senlac: een groepje dicht op elkaar staande huizen aan een bevroren rivier. Rode baksteen in het midden, houten huizen in straten met bomen aan weerszijden, de graansilo en de watertank naast het station, bijna spookachtig oprijzend in het ochtendgloren. Voor en links van mij glooiden uitgestrekte witte heuvels onder een lage, grijze hemel, hier en daar onderbroken door bladerloze boompartijen, afrasteringen en een paar boerderijen. Aan de rand van het blikveld sluimerde de duisternis van Morgan Woods. Mijn adem besloeg de ruit; de kou deed mijn bezwete lichaam rillen.

‘Zo,’ zei ik halfluid, ‘welkom op aarde, John Franklin Havig.’ Zijn vader had erop gestaan om namen klaar te hebben voor beide geslachten. ‘Ik hoop datje je zult amuseren.’

Wat een rot tijd om geboren te worden, dacht ik. Een loodzware (politieke) depressie hing over de hele wereld. Het afgelopen jaar was opmerkelijk vanwege de Japanse verovering van Mantsjoerije, de Mars naar Washington, de ontvoering van de Lindberg-baby. Dit jaar begon met een voortzetting van die trend; Adolf Hitler was kanselier van Duitsland geworden … Daar stond tegenover dat een nieuwe president op het punt stond het Witte Huis te betreden, het eind van de Drooglegging nabij leek, en in deze streek de lente even mooi is als onze herfst.

Ik begaf me naar de wachtkamer. Thomas Havig stond op uit zijn stoel. De vraag brandde op zijn lippen. Ik greep stralend zijn hand. ‘Gefeliciteerd, Tom,’ zei ik. ‘Je bent zojuist vader geworden van een stevige zoon. Dat kan ik weten, want ik heb net mijn eerste gevecht met hem achter de rug.’

Verscheidene maanden later herinnerde ik me deze woorden. Senlac is het commerciele centrum van een landbouwgebied; er is wat lichte industrie in de streek, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Zonder echt keus te hebben, was ik lid van de Rotary Club, maar ik vond steeds excuses om mijn activiteiten tot een minimum te beperken en buiten de loges te blijven. Begrijp me niet verkeerd. Het zijn mijn mensen. Ik vind ze aardig en bewonder ze in vele opzichten. Ze zijn het zout der aarde. Maar ik kan nu eenmaal niet op zout alleen leven. Onder dergelijke omstandigheden hadden Kate en ik weliswaar weinig, maar wel bijzonder goede vrienden. Zoals haar vader, de bankier, die me in het zadel had geholpen; ik placht hem te dollen, dat hij dat alleen maar had gedaan teneinde een democraat in de buurt te hebben niet wie hij van mening kon verschillen. Verder de mevrouw die onze openbare bibliotheek beheerde, drie of vier professoren en hun echtgenotes van de Holberg College, ofschoon de veertig mijl die ons van elkaar scheidden in die dagen als hindernis werden beschouwd. En natuurlijk de Havigs.

Ze kwamen oorspronkelijk uit New England, waren overgeplaatst en leken sedertdien altijd een tikje aangeslagen door heimwee; maar in de dertiger jaren accepteerde je elke baan die je krijgen kon. Tom doceerde natuur- en scheikunde aan onze highschool. Daarnaast was hij atletiekcoach. Tom had een slank lichaam en een gezicht met scherpe gelaatstrekken. In zijn voorkomen zat iets van jeugdige verlegenheid en een aangeboren gereserveerdheid. Hij kon zich voornamelijk van zijn bijkomende taak kwijten dank zij de verdraagzaamheid van zijn studenten. Ze waren op hem gesteld; bovendien hadden we een goed rugbyteam.

Eleanor was donkerder, levendig; een enthousiaste tennisspeelster en actief in de hulpverlening aan armen van haar kerk. ‘Het is fascinerend werk en ik denk dat het ook nuttig is,’ vertelde ze me kort na onze eerste kennismaking. Schouderophalend voegde ze eraan toe: ‘In ieder geval geeft het Tom en mij het gevoel dat we tenminste niet helemaal hypocrieten zijn. Misschien heb je al — en terecht — gedacht dat we alleen lid van de kerk zijn omdat de schoolcommissie geen buitenkerkelijke leraar zou tolereren.’ Ik was verrast van de bijna hysterische toon in haar stem toen ze mijn praktijk belde en me smeekte te komen. Een dokterspraktijk was destijds volkomen anders dan tegenwoordig, vooral in een provinciestadje. Ik had twee voorkamers van het grote oude huis waarin we woonden getransformeerd tot werkruimte; een kamer voor consult, de andere voor onderzoek en behandeling en eventuele kleine operaties. Ik was mijn eigen receptionist en secretaresse. Kate hielp met de administratie — er nu op terugziend lijkt me dat dat een ontzettend weinig werk te doen gevende taak is geweest, maar ik kon me niet herinneren dat ze daarover ooit iets zei — en ze hield in de salon de paar patienten bezig die op hun beurt moesten wachten. Toen Eleanor belde, had ik net mijn visites achter de rug en ik verwachtte voorlopig niemand; ik kon meteen in de wagen stappen en via Union Street naar Elm rijden. Ik herinner me dat het een bloedhete dag was, geen wolkje boven, geen zuchtje wind beneden; de bomen langs de weg stonden daar als van gegoten groen ijzer. Honden en kinderen lagen hijgend van de warmte in hun schaduw. Geen vogelgeluid doorbrak het sonore gebrom van mijn automotor. Ik voelde me gespannen, Eleanor had de naam van haar kleine Johnny uitgeschreeuwd en dit was polio-weer bij uitstek.

Maar toen ik haar goed geventileerde, door jaloezieen verschemerde huis binnenkwam, omhelsde ze me en rilde.

‘Ben ik gek aan het worden, Bob?’ snikte ze telkens weer. ‘Zeg dat ik niet gek word!’

‘Kom, kom,’ mompelde ik, ‘heb je Tom al gebeld?’ Hij vulde zijn magere salaris aan met een vakantiebaantje — kwaliteitscontrole op de zuivelfabriek.

‘Nee, ik … ik dacht … ’

‘Ga zitten, Ellie.’ Ik maakte me van haar los. ‘Je bent absoluut niet gek aan het worden. Maar misschien is de hitte je even te veel geworden. Ontspan je — ga even lekker liggen — hou je kaken niet zo krampachtig op elkaar en beweeg je hoofd heen en weer. Beter? Okay, vertel me dan nu maar wat er volgens jou gebeurd is.’

‘Johnny. Twee Johnny’s. Toen weer een.’ Ze slikte krampachtig. ‘De andere!’

‘He? Kalm blijven, zei ik, Ellie. Laten we bij het begin beginnen.’ Haar ogen schreeuwden een stomme smeekbede terwijl ze door haar verhaal strompelde.

‘I-ik … ik stopte hem net in bad, toen ik een baby hoorde huilen. Ik dacht eerst dat het geluid van buiten kwam. Maar het klonk alsof het uit de … de slaapkamer kwam. Toen wikkelde ik Johnny in een handdoek — ik kon hem niet in het water laten liggen — en nam hem mee om te gaan kijken. En daar was een andere kleine jongen, daar in zijn wieg, naakt en nat, trappend en schreeuwend. Ik was zo verbijsterd dat ik… Johnny liet vallen. Ik stond over de wieg gebogen en hij had op het matras terecht moeten komen, maar, oh, Bob, er gebeurde iets heel anders. Hij verdween! Midden in de lucht! Ik probeerde hem nog tegen te houden. Het enige wat ik te pakken kreeg, was de handdoek. Johnny was verdwenen! Ik geloof dat ik toen even een black-out heb gehad. En toen ik ging zoeken vond ik … vond ik … niets!’

‘En hoe zit het met de vreemde baby?’ vroeg ik. ‘D-d-die is … niet verdwenen … denk ik.’

‘Kom mee,’ zei ik. ‘Laten we ’s gaan kijken.’

En in de kamer, intens opgelucht, kraaide ik: ‘Alsjeblieft: daar ligt niemand anders dan je eigen kleine Johnny.’ Ze greep mijn arm. ‘Hij ziet er hetzelfde uit.’ Het kind was kalm en maakte gorgelende geluidjes. ‘Hij klinkt ook hetzelfde. Behalve dat hij het niet kan zijn!’

‘Nou moet je niet doordraven, Ellie. Je hebt een hallucinatie gehad, hetgeen niet verwonderlijk is met dit weer en bovendien ben je nog steeds een beetje in de war.’ In feite was ik nog nooit met een dergelijk geval geconfronteerd, zeker niet bij een zo nuchter type als zij. Maar m’n woorden klonken niet onaannemelijk. Bovendien bestaat de helft van het arsenaal van een huisarts uit de overredingskracht van zijn stem.

Pas toen we het geboortecertificaat erbij haalden en de hand; en voetafdrukken vergeleken met die van het kind was ze gerustgesteld. Ik schreef een recept voor een drankje, trachtte haar tijdens de koffie op te monteren en ging toen weer aan het werk. Aangezien zich geen verdere incidenten van die aard voordeden, vergat ik het voorval geleidelijk. Het was in het jaar dat de enige dochter die Kate en ik ooit kregen, stierf aan longontsteking; kort na haar tweede verjaardag.

Johnny Havig was intelligent, rijk aan fantasie en gaf de voorkeur aan zijn eigen gezelschap. Hoe meer hij zijn reflexen en taalgebruik onder controle kreeg, hoe minder hij geneigd was zich bij zijn leeftijdgenoten aan te sluiten. Hij leek het gelukkigst achter zijn kinderbureautje waar hij tekeningen maakte, of wanneer hij in de tuin dierfiguren boetseerde uit klei, maar ook als hij met een volwassene naar de rivier mocht om daar zijn speelgoedbootje te laten varen. Eleanor maakte zich zorgen over hem. Tom niet. ‘Ik was net zo,’ placht hij te zeggen. ‘Het leidt tot een vreemde jeugd en een afschuwelijke puberteit, maar ik vraag me af of het niet de moeite waard is als je volwassen bent.’

‘We moeten hem beter in het oog houden,’ benadrukte zij. ‘Je moest eens weten hoe vaak hij verdwijnt. Oh, natuurlijk, voor hem is het een spelletje. Verstoppertje spelen in de struiken of de kelder of waar ook. Geweldige sport, luisteren hoe mammie dichterbij komt en “Johnny” roepend de trappen op en af rent. Maar vandaag of morgen vindt hij een manier om langs het hek te komen en…’ Haar handen balden zich tot vuisten. ‘Hij kan een ongeluk krijgen.’ De crisis kwam toen hij vier was. Tegen die tijd had hij door dat verdwijningen een pak slaag tot gevolg hadden, dus hij hield ermee op (voor zover zijn ouders dat wisten. Ze zagen niet wat er op zijn kamer gebeurde). Maar op een zomerochtend lag hij niet in zijn bed. Hij was nergens te vinden; iedere politieagent en bijna alle buren waren op zoek naar hem.

Rond middernacht werd er aangebeld. Eleanor sliep op een slaappil die ik haar had gegeven. Tom was wakker en zat alleen. Hij liet zijn sigaret vallen — het schroeiplekje op het tapijt zou hem nog lange tijd aan dat moment herinneren — en liep een stoel omver op zijn weg naar de voordeur.

Er stond een man op de stoep. Hij droeg een overjas en had de hoed diep over zijn ogen, zodat er niets bijzonders aan hem opviel. Niet dat het enig verschil maakte. Tom’s hele wezen was gericht op de kleine jongen die de man bij zich had.

‘Goedenavond, meneer,’ klonk een aangename stem. ‘Ik geloof dat — u deze jongeman zoekt?’

En terwijl Tom neerknielde om huilend zijn zoon te omhelzen, en bedankjes trachtte te stamelen, vertrok de man. ‘Vreemd,’ vertelde Tom me later. ‘Ik ben hooguit een minuut volstrekt geconcentreerd geweest op Johnny. Je weet dat Elm Street een uitstekende verlichting heeft en dat er geen beschutte plekken zijn. Zelfs hardlopend zou niemand snel uit het gezicht kunnen verdwijnen. Bovendien zouden rennende voetstappen minstens een dozijn honden aan het blaffen brengen. Maar het trottoir was volkomen leeg.’

Uit het kind was geen woord te krijgen, behalve dat hij ‘wat rondgekeken had’ en nooit meer weg zou lopen.

Dat deed hij ook niet. In feite gaf hij zijn eenzaamheid in zoverre op, dat hij een onafscheidelijke vriend vond in de jongen van Dunbar. Pete was een stuk groter dan zijn kleine, rustige kameraad.

Een leeghoofd was hij zeker niet; tegenwoordig leidt hij de plaatselijke A & P. Maar John, zoals hij voortaan genoemd wilde worden, domineerde duidelijk. Ze speelden zijn spelletjes, gingen naar zijn favoriete plekjes en toen ze ouder waren naar zijn uitverkoren gedeelten van Morgan Woods.

Zijn moeder verzuchtte in mijn rommelige, naar karboleum en leer geurende werkkamer: ‘Ik denk dat John zo verschrikkelijk goed is in dagdromen, dat de realiteit voor hem daarvan slechts een fletse afspiegeling is. Dat is het probleem. Hij is er veel te goed in.’ Dat gebeurde in het tweede daaropvolgende jaar. Ik had hem door een paar gebruikelijke ziekten heen geholpen, maar verder had ik geen reden om problemen te vermoeden. Ik was dan ook verbaasd toen Eleanor een afspraak wilde maken om over hem te praten. Ze had gelachen aan de telefoon: ‘Nou, je kent Toms Yankee-geweten. Hij zou me nooit toestaan professionele vragen aan je te stellen tijdens een gezellige prive ontmoeting.’ Toch had haar stem ellendig geklonken.

Ik leunde achterover in mijn piepende draaistoel, mijn vingertoppen tegen elkaar en zei: ‘Bedoel je dat hij je dingen vertelt die niet waar kunnen zijn, maar waarvan hij overtuigd is dat het wel zo is? Nou, dat is niets bijzonders hoor. Dat groeit er altijd wel uit.’

‘Ik betwijfel het, Bob.’ Ze staarde naar haar schoot. ‘Is hij daar niet een beetje te oud voor?’

‘Misschien. Maar dan met het oog op zijn opmerkelijk snelle fysieke en geestelijke ontwikkeling van de afgelopen maanden. Maar in de loop der jaren ben ik wel tot de overtuiging gekomen, dat “gemiddeld” en “normaal” niet hetzelfde betekenen … Okay. Heeft John denkbeeldige vriendjes?’

Ze forceerde een glimlach. ‘Nou ja, een denkbeeldige oom.’

Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Is het werkelijk? Wat heeft hij dan tegen je gezegd?’

‘Praktisch niets. Wat vertellen kinderen hun ouders? Maar ik heb bij toeval een gesprek tussen Pete en hem opgevangen, wel vaker trouwens, over zijn oom Jack die hem meeneemt op allerlei geweldige uitstapjes.’

‘Oom Jack, he? Wat voor uitstapjes? Naar dat koninkrijk waar je het ooit eens over had? Wat hij had uitgevonden en waar Leo de Leeuw koning was?’

‘N-nee. Dat is weer een ander geheimzinnig verhaal. Hij kan in geuren en kleuren het dierenrijk voor Tom en mij beschrijven; hij weet donders goed dat het pure fantasie is. Maar deze reizen met zijn “oom” … dat is wat anders. De fragmenten die ik opving zijn, nou ja, realistisch. Bijvoorbeeld een bezoek aan een Indianenkamp. Geen Indianen zoals in verhalen en films. Hij beschreef het werk dat ze moesten doen, de geur van het drogen van huiden en van kampvuren van mest. Of een andere keer, toen hij beweerde dat hij was meegenomen op een reis in een vliegtuig. Ik kan best begrijpen dat hij kan fantaseren over een vliegtuig dat groter is dan een huis. Maar waarom weidde hij er zo over uit dat het geen propellers had? Ik dacht dat jongens juist gek waren op het imiteren van het geluid van een machine in duikvlucht. Maar nee, die van hem vloog praktisch geluidloos door de lucht. Aan boord werd een film vertoond. In kleur. Hij had ook nog een naam voor de machine. Straalvliegtuig? Ja, ik geloof dat hij dat zei, ‘straalvliegtuig”.’

‘Ben je bang dat zijn fantasie hem parten speelt?’ vroeg ik eigenlijk overbodig. Ze knikte, iets wegslikkend. Ik leunde voorover, streelde haar hand en vertelde haar:

‘Ellie, fantasie is het kostbaarste bezit gedurende de kinderjaren. Het vermogen om zelfs in detail te fantaseren, zoals bij die Indianen, is bijzonder waardevol. Die jongen van jou is meer dan alleen intelligent; misschien is hij wel geniaal. Wat je ook doet, probeer nooit om dat in hem te doden.’

Ik geloof nog steeds dat ik gelijk had ondanks mijn totale vergissing.

Alle kleine jongens worden verondersteld de pest te hebben aan school. John maakte geen uitzondering op deze regel. Veel dingen zullen hem ongetwijfeld verveeld hebben, zoals met meer kinderen het geval is die gedwongen worden in het gareel te lopen. Zijn cijfers waren echter uitmuntend en hij was zonder meer leergierig op het gebied van wis- en natuurkunde en vooral geschiedenis. (Een ster passeerde rakelings onze zon, een brede baan vlammend gas meetrekkend, waaruit planeten geboren werden … De grote perioden van de wereldbeschaving zijn: Egypte, Griekenland, Rome, de Middeleeuwen en de moderne beschaving die in 1492 begon.*)

Zijn kring van vrienden, al of niet intieme, breidde zich uit. De Havigs en wij betreurden het dat onze Bill vier jaar ouder, Jimmy twee en Stuart drie jaar jonger waren dan Johnny. Op die jeugdige leeftijd is zo’n kloof groter dan de Grand Canyon. John had een afkeer van georganiseerde spelletjes en leefde over het algemeen aan de rand van het familiebestaan. Eleanor moest bijvoorbeeld al zijn verjaardagspartijtjes in haar eentje organiseren. Maar niettemin mocht iedereen hem graag, onder meer door zijn aangename gedrag en zijn opmerkelijke hoeveelheid gespreksstof — tenminste wanneer iemand anders het initiatief nam en hem stimuleerde. Toen hij acht was, zorgde hij voor een nieuwe sensatie. Een paar achterbuurtjongens hadden besloten dat het reuze leuk was om eenzame scholieren, op weg van school naar huis, te grijpen en bont en blauw te slaan. Bussen werden alleen gebruikt door boerenkinderen en Senlac was nog niet volgebouwd; de meeste wandelroutes hadden stille plekken. Natuurlijk hadden de slachtoffers nooit de moed zich te beklagen.

De helden zelf deden het wel nadat ze John Havig hadden besprongen. Ze grienden dat hij er een heel leger bij had gehaald. Het was duidelijk dat ze een ontzettend pak op hun donder hadden gehad. Ze werden nog extra gestraft voor het verhaal. ‘Pestkoppen met grote treitersmoelen zijn altijd lafaards,’ zeiden vaders tegen hun zoons. ‘Kijk maar wat er gebeurde toen die aardige jongen van Havig zich verzette en terugvocht.’ Een tijdlang werd hij met eerbied bekeken, hoewel hij bloosde, stamelde en weigerde details te geven; daarna noemde we hem Jack.

Verder raakte het incident spoedig in vergetelheid. Dat was in het jaar dat Frankrijk capituleerde.

‘Nog nieuws over de spookoom?’ vroeg ik Eleanor. Er waren een paar families bijeen op een feestje, maar ik wilde even van het politieke geklets af.

‘Wat?’ vroeg ze ontwijkend. We stonden op de overdekte veranda van de Stocktons. Achter ons waren de verlichte ramen en klonk het geroezemoes van gesprekken, maar dat verhinderde ons niet te genieten van een volle maan boven de kapel van de Holberg College of het geluid van krekels in de warme, naar aarde geurende duisternis. ‘Oh,’ ze lachte met kuiltjes. ‘Je bedoelt van mijn zoon. Nee, al een poosje niet meer. Je had toch gelijk dat het wel over zou gaan.’

‘Of hij heeft geleerd voorzichtig te zijn met zijn uitspraken.’ Als ik even nagedacht had, zou ik dit nooit hardop hebben gezegd.

Pijnlijk getroffen zei ze: ‘Je bedoelt dat hij misschien helemaal dichtgeklapt is? Hij is gereserveerd, hij vertelt ons niets van belang, en ook niet aan iemand anders, voor zover ik kan nagaan…’

‘Ik bedoel,’ zei ik haastig, ‘dat hij op zijn vader lijkt. Ik wil maar zeggen, Ellie, dat jij een prima kerel hebt, en dat zal je schoondochter ook krijgen. Kom, laten we naar binnen gaan en nog wat inschenken.’

Door mijn aantekeningen weet ik nog de exacte dag van Jack’s geestelijke instorting.

Dinsdag, 14 april 1942. De dag tevoren had Tom trots een mededeling gedaan aan zijn zoon. Zijn vrouw wist van zijn plannen; niemand anders. Maar nu had hij de officiele kennisgeving: de school had zijn ontslag geaccepteerd en het leger zijn dienstname, na het einde van zijn schoolcontract.

Hij had zelfs ongetwijfeld uitstel kunnen krijgen. Hij was de dertig al gepasseerd en bovendien leraar wis- en natuurkunde. Om eerlijk te zijn: hij zou zijn land beter hebben gediend door te blijven. Maar de kruistocht was gepredikt en de weduwmaker lonkte op grote afstand van de drempels van het veilige, ingedutte Senlac. Ook ik overwoog de mogelijkheden van het uniform, terwijl ik toch al van middelbare leeftijd was, maar men praatte het mij uit het hoofd. Eleanors telefoontje trommelde me voor zonsopgang uit de veren. ‘Bob, je moet komen, nu meteen… toe, alsjeblieft. Johnny… Hij is hysterisch. Erger dan hysterisch. Ik ben bang… hersenvliesontsteking of… Bob, kom!’

Ik haastte me erheen, hield het lichaam in mijn armen, probeerde wijs te worden uit zijn wartaal, en gaf hem ten slotte een injectie.

Voor ik kwam had Jack gekrijst, gebraakt, als een klit aan zijn vader gehangen, zichzelf gekrabd tot hij bloedde en met zijn hoofd tegen de muur geslagen. ‘Pappa, pappa, je mag niet gaan. Ze zullen je vermoorden. Ik weet het, ik weet het. Ik heb het zelf gezien. Ik ben er geweest en keek, ik keek in het raam en mammie was er en ze huilde. Pappa, pappa, pappa!’

Ik hield hem bijna een week onder kalmerende middelen, tot het niet langer strikt noodzakelijk was. Hij was zowat een maand lusteloos en ziek.

Dit was absoluut geen normale reactie. Andere jongens, wier vaders aan het front waren, waren trots of deden alsof. Nou, dacht ik, Jack was niet zo.

Hij knapte weer op en wierp zich op zijn schoolwerk.

Hij greep iedere kans aan om bij Tom te kunnen zijn, en veel van die kansen had niemand van tevoren kunnen zien aankomen, bijvoorbeeld wanneer Tom onverwacht verlof kreeg. In de tussentijd schreef hij bijna dagelijks brieven aan zijn vader. Zijn vader sneuvelde op 6 augustus 1943, in Italie.


2

<p>2</p>

Het is onverdraaglijk voor een arts dat hij toch die onvermijdelijk griezelige blunders heeft begaan; tenzij hij zich voldoende reddingen herinnert om die blunders enigszins te compenseren. Ik reken Jack Havig tot degenen die me ontlastten. Toch hielp ik minder als arts dan als mens.

Door mijn vakkennis was me duidelijk dat de jongen ernstig overspannen was, ondanks zijn geen enkele indicatie gevend uiterlijk. In 1942 was benzine buiten de oostelijke staten niet op rantsoen. Ik zorgde voor een waarnemend collega en toen de schoolvakantie begon, gingen Bill en ik op reis… en we namen Jack mee. We huurden een kano in Minnesota’s Arrowhead en drongen binnen in de wildernis van meren, moerassen en prachtige bossen die zich tot in Canada uitstrekken. Gedurende een hele maand waren mijn dertien jaar oude zoon, mijn zo goed als geadopteerde zoon en ik op onszelf aangewezen. Jack was toen geloof ik negen jaar. Het is een gebied van regen en muskieten; roeien met tegenwind is een zware klus en sjouwen niet minder; een kamp opslaan vergde meer inspanning dan wanneer we over een moderne, hedendaagse uitrusting en diepvriesvoorraden hadden beschikt. Jack had behoefte aan die inspanningen, aan die nachtelijke uitputting. Dit buitenleven begon hem sneller te genezen dan ik had verwacht. Zwijgende zonsopgangen, goudstralend door de kruinen van de bomen, uiteenspattend en reflecterend op de brede meren; het gezang van vogels, het ruisen van de wind, de geur van altijd groene bomen; een eekhoorn, schuchter verleid tot uit de hand eten; de zweefsprongen van een vluchtend hert; zwarte bessen plukken op een heldere, warme open plek in het woud, tot de komst van een beer daaraan een einde maakte en we eerbiedig het veld voor hem ruimden; elanden, reusachtig en onbevreesd, ons naogend terwijl we over het water langsgleden; zonsondergangen die de doorschijnende vleugels van vleermuizen in gloed zetten; schemeringen, kampvuren, verhalen; Bill’s jeugdige verbazing over dingen, waardoor ik indirect de kans kreeg Jack te vertellen welk een immense wereld er achter onze kleine zorgen ligt; slaapzakken en ontelbare sterren. Het was allemaal de basis voor zijn genezing. Toen we weer thuis waren beging ik een kardinale fout. Ik zei: ‘1k hoop dat je over die angst omtrent je vader heen bent, Jack. Het is nu eenmaal onmogelijk om de toekomst van te voren te weten.’ Hij verbleekte, draaide zich om en rende weg. Het kostte me weken om zijn vertrouwen terug te winnen. Hij vertrouwde me echter niet meer toe dan de gedachten en de problemen van een normale jongen van die leeftijd. Hij noch ik roerden zijn obsessie aan. Maar voor zover tijd en omstandigheden dat toelieten, trachtte ik een beetje diegene voor hem te zijn die hij zo wanhopig miste: zijn vader.

Omdat de oorlog voortduurde, konden we geen lange excursies meer maken. We slenterden nog wel regelmatig in de omgeving, we hadden Morgans Woods om wat rond te zwerven en om te picknicken, de rivier om te Zwemmen en te vissen en Lake Winnego en mijn kleine zeilboot. Hij kon aanwippen in mijn garage, waar ik een werkplaats had en timmerde daar iets, zoals een vogelvoederbak voor zichzelf te maken, of een bezemrek voor zijn moeder. En we konden praten.

Ik geloof dat hij al een groot deel van zijn kalmte had herwonnen wat betreft Tom’s voorspelde dood, toen het werkelijk gebeurde. Iedereen nam aan dat zijn waarschuwing niet meer dan een toevallige gebeurtenis was geweest.

Eleanor werkte naast haar baantje in de bibliotheek nog een flink aantal uren in het ziekenhuis. Het weduwschap trof haar hard. Ze herstelde zich moedig, maar was een tijdlang stil en teruggetrokken. Kate en ik trachtten haar mee uit te krijgen, maar meestal nam ze onze uitnodigingen niet aan.

Toen ze eindelijk haar isolement begon op te geven, was het meestal in gezelschap van nieuwe, ons onbekende vrienden. Ik kon niet nalaten op te merken: ‘Weet je, Ellie, ik vind het verdomd fijn dat je weer in de circulatie bent. Maar toch — neem me niet kwalijk — komen je nieuwe vrienden nogal als een verrassing.’

Ze bloosde en keek een andere kant uit. ‘Dat is waar,’ antwoordde ze zacht.

‘Het zijn natuurlijk prima mensen, maar niet direct wat je intellectuelen noemt, of wel?’

‘N-n-nee … Goed dan.’ Ze ging rechtop in haar stoel zitten. ‘Bob, laten we open kaart spelen. Ik wil hier niet weg, al was het alleen maar om wat jij voor Jack betekent. Maar ik wil evenmin begraven zijn, zoals de eerste paar jaar het geval was. Tom beinvloedde me; ik heb niet zo’n academisch gerichte geest als hij. En… jullie en al die mensen met wie we omgingen … jullie zijn allemaal getrouwd.’ Ik gaf mijn oorspronkelijke bedoeling om de kwestie ter sprake te brengen als nutteloos op — nl. haar te vertellen hoe vreemd haar zoon stond tegenover die praktisch-ingestelde, luidlachende mannen die haar begeleidden en hoe diep hij ze begon te verafschuwen.

Hij was twaalf toen atoombommen twee Japanse steden verwoestten en daarmee een eind maakten aan de laatste onschuld van de mensheid. Ofschoon het opmerkelijke tempo waarin hij zich ontwikkelde in 1942 was gezakt tot het gemiddelde, deed het effect daarvan hem een geestelijke voorsprong behouden op zijn leeftijdgenoten. Dat versterkte de extreme eenzaamheid die was ingetreden. Pete Dunbar, of welke schoolkameraad ook, was alleen nog maar een toevallige metgezel. Beleefd doch onvermurwbaar weigerde Jack alle activiteiten die buiten het leerplan vielen. Hij maakte zijn lessen en deed dat goed, maar zijn vrije tijd was van hem en van niemand anders: van hem, om ontzaglijk veel te lezen, voornamelijk geschiedenis; om in z’n eentje kilometerslange wandelingen te maken; om te tekenen of dingen te maken met voorwerpen die ik had helpen verzamelen. Ik bedoel niet te zeggen dat hij een zeer afwijkend gedrag vertoonde. Eenzame jongens zijn niet per se abnormaal en doorgaans plegen ze zeer redelijk aangepaste volwassenen te worden. Jack was bijvoorbeeld weg van het ‘Amos ‘n’ Andy’-programma, hoewel hij de voorkeur gaf aan Fred Allen; en hij hield er een typisch droge humor op na. Ik herinner me verschillende cartoons die hij me toonde; een bijzonder geinspireerd door een exemplaar van The Outsider and Others, dat ik hem geleend had. In een donker, vochtig woud stonden twee figuren. De eerste, wijzend vanuit een gehurkte houding, was onmiskenbaar H. P. Lovecraft. Zijn metgezel was een in tweed gehuld vrouwspersoon, die snauwde: ‘Natuurlijk zien ze er bleek en champignonachtig uit, Howard. Het zijn champignons.’ Hoewel hij niet langer van mij afhankelijk was, zagen we elkaar tamelijk vaak; en het verschil in leeftijd tussen Bill en hem was nu minder belangrijk, zodat ze soms samen gingen wandelen, zwemmen of met de boot varen — zelfs, in 1948, de reis naar Noord-Minnesota herhaalden, vergezeld van Jim en Stuart. Kort nadat hij van deze reis thuiskwam, vroeg mijn tweede zoon me: ‘Pa, wat is een goed boek over, eh, filosofie?’

‘Wat?’ Ik legde mijn krant neer. ‘Filosofie op je dertiende?’

‘Waarom niet?’ zei Kate vanachter haar borduurwerkje. ‘In Athene zou hij er jonger mee begonnen zijn.’

‘Tja, filosofie beslaat een ontzettend omvangrijk gebied, Jim,’ trachtte ik hem af te schepen. ‘Wat interesseert je het meeste?’

‘Oh,’ mompelde hij, ‘vrije wil, tijd en dat soort zaken. Jack Havig en Bill hadden het er vaak over tijdens de reis.’ Ik vernam dat Bill, die college liep, was begonnen zich uit te geven als autoriteit, maar spoedig was vastgelopen in problemen — was de geschiedenis van het universum geschreven voor het begin? Zo ja, hoe kunnen we dan volhouden dat we vrije keuzen doen? Zo niet, hoe kunnen we dan het verloop van de toekomst beinvloeden … of dat van het verleden? Problemen, vragen, die je niet bij een middelbareschool leerling verwacht. Het was duidelijk dat Jack Havig wel op dat niveau aan het denken was.

Toen ik mijn beschermeling vroeg wat hij voor de kerst wilde hebben, antwoordde hij: ‘Iets dat de relativiteitstheorie zodanig uitlegt, dat ik het helemaal kan begrijpen.’ In 1949 hertrouwde Eleanor. Haar keuze was catastrofaal.

Sven Birkelund bedoelde het allemaal goed. Zijn ouders hadden hem uit Noorwegen meegenomen toen hij drie was; nu was hij veertig, een succesvolle boer, in het bezit van grote landerijen en een prachtig huis, ongeveer vijftien kilometer buiten de stad; een oorlogsveteraan, recent weduwnaar met twee zoons om groot te brengen: Sven junior van zestien en Harold van negen. Kolossaal, roodharig en stormachtig, bazuinde hij mannelijkheid uit — gaf Kate toe, ofschoon ze hem niet kon uitstaan — en ongeletterd was hij evenmin; hij was geabonneerd op tijdschriften (Reader’s Digest, National Geographic, Country Gentleman), las zo nu en dan een boek, hield van reizen en was een uitgekookte zakenman.

En … Eleanor, altijd vol levenslust, had uiteindelijk zes jaar geen huwelijksleven gekend.

Iemand die verliefd is, kun je niet waarschuwen. Kate en ik probeerden het dan ook niet. We gingen naar het huwelijk en de receptie en spraken onze beste wensen uit.

Ik hield me het meest bezig met Jack. De jongen leek verwilderd; hij bewoog en sprak als een robot.

In zijn nieuwe huis kreeg hij nauwelijks een kans ons te zien. Later wilde hij niet in details treden over de maanden die volgden. Dat zal ik ook niet doen. Maar ga maar eens na: terwijl Eleanor een afvallige was van de Episcopale Kerk en Jack een geboren atheist, was Birkelund een Bijbelgelovige Lutheraan. Terwijl Eleanor dol was op het klaarmaken van schotels uit de fijne keuken en Jack daardoor een bijna gastronomische smaak had ontwikkeld, wilden Birkelund en zonen vlees en aardappelen. Tom’s typische avondindeling was geweest: eerst een boek lezen en later op de avond met haar praten. Maar als Birkelund niet met de boekhouding bezig was, zat hij aan het radiotoestel gekleefd en later aan de televisie. Tom had haar een liberaal politiek standpunt bijgebracht. Birkelund was een vurig en actief lid van de organisatie van Amerikaanse Veteranen — hij miste geen enkele vergadering — en hij was een uitgesproken supporter van Senator Joseph McCarthy.

En ga zo maar door. Ik wil niet beweren dat ze ’s nachts verwaarloosd werd. Ik ben ervan overtuigd dat Birkelund probeerde haar een plezier te doen, maar geleidelijk zijn pogingen opgaf omdat ze toch mislukten. Het feit dat ze spoedig zwanger werd, moet een band tussen hen gesmeed hebben die een tijdlang standhield. (Ze vertelde me echter, omdat ik al zo lang de familiedokter was, dat zijn nachtelijke attenties in een later stadium onsmakelijk werden, maar dat hij niet wilde ophouden. Ik liet hem bij me komen voor een gesprek, waarin ik hem zonder meer vertelde waar het op stond; hij maakte daarop landerig een compromis.)

Voor Jack was de situatie vanaf het begin een hel. Zijn stiefbroers, duplicaatjes van hun vader, voelden zich beledigd door zijn binnendringen. Junior, wiens liefhebberijen bestonden uit jagen en meisjes, noemde hem een halfzachte omdat hij niet tegen het doden van dieren kon en een flikker omdat hij nooit afspraakjes maakte. Harold vond talrijke manieren om hem te kwellen, zoals alleen een kleine jongen die kan uitbuiten tegenover een grotere die zijn vuisten niet ter verdediging mag gebruiken.

Teruggetrokkener dan ooit verdroeg hij het. Ik vraag me af hoe.

In de herfst van 1950 werd Ingeborg geboren. Birkelund noemde haar naar een tante, omdat zijn moeder helaas Olga heette. Hij gaf zijn teleurstelling te kennen over het feit dat het een meisje was, maar organiseerde niettemin een grote zuippartij, waarop hij herhaaldelijk verklaarde — onder algemene hilariteit — ogenblikkelijk aan een zoon te gaan werken zodra de dokter het toestond. De dokter en zijn vrouw waren uitgenodigd, maar hadden een oudere verplichting ontdekt. Dus zag ik niet zelf, maar hoorde later, hoe Jack van de fuif wegliep en hoe verontwaardigd Birkelund daarover was. Veel later vertelde Jack me: ‘Hij dreef me in een hoek van de schuur toen de laatste gast was verdwenen die nog niet laveloos op de vloer lag te slapen, en zei dat hij m’n darmen uit mijn lijf zou ranselen. Daarop zei ik dat als hij dat ook maar zou proberen, ik hem zou vermoorden. Ik meende het. Dat zag hij en grommend ging hij weg. Vanaf dat moment zeiden we niet meer tegen elkaar dan absoluut noodzakelijk was. Ik deed mijn aandeel in het huishouden, werkte mee aan de oogst en weet ik wat al niet, en als ik mijn eten op had, ging ik naar mijn kamer.’

En elders.

De weegschaal sloeg begin december door. De oorzaak doet eigenlijk niet ter zake — ieder voorval kon in die gespannen situatie aanleiding zijn — maar in feite was het Eleanor’s vraag of Jack er al aan gedacht had naar welk college hij zou gaan, waarop Birkelund woedend had uitgeroepen: ‘Hij kan verdomme beter een kerel worden en zijn vaderland gaan dienen, zoals ik heb gedaan. Hij moet het leger in, als ze hem tenminste niet afkeuren.’ Het eindigde in een geweldige ruzie, die haar huilend naar boven deed vluchten. De volgende dag was Jack er niet.

Hij keerde eind januari terug, wilde niet zeggen waar hij was geweest of wat hij had gedaan, en deelde mee dat hij voorgoed weg zou gaan als zijn stiefvader de zaak voor een kinderrechter zou brengen — waarmee hij gedreigd had. Ik ben ervan overtuigd dat hij de situatie volkomen meester was en dat hij op basis daarvan inderdaad met rust gelaten werd. Maar zowel zijn uiterlijk als zijn gedrag waren ontstellend veranderd.

Weer leefde de familie in een wankel evenwicht. Maar zes weken later, toen Jack op een zondag zijn gebruikelijke lange wandeling was gaan maken na een bezoek aan de kerk, vergat hij de deur van zijn kamer op slot te doen. Kleine Harold merkte dat, ging naar binnen en haalde zijn bureau overhoop. Zijn vondst, waarmee hij onmiddellijk naar zijn vader rende, was de bom die de hel deed losbarsten.

Sneeuw vie een trage, dikke, witte deken, die geleidelijk de ramen dichtmetselde. Het beetje daglicht dat erdoor sijpelde was zilvergrijs. Buiten voelde de lucht bijna warm aan — en dan die volkomen stilte. Eleanor zat op de bank in onze huiskamer en huilde. ‘Bob, je moet met hem praten, je … je moet hem helpen … nog een keer… Wat gebeurde er toen hij is weggelopen. Wat heeft hij gedaan?’ Kate legde een arm om haar heen en trok het vermoeide hoofd tegen haar schouder. ‘Niets verkeerds, liefje,’ mompelde ze. ‘Daarvan kun je overtuigd zijn. Vergeet nooit dat Jack Tom’s zoon is.’ Ik ijsbeerde in de doffe schemering door de kamer. We hadden de lichten nog niet aangestoken. ‘Laten we de feiten op een rijtje zetten,’ zei ik, gedecideerder sprekend dan ik me voelde. ‘Jack was in het bezit van gestencilde pamfletten, door Sven betiteld als communistisch propagandamateriaal. Sven wil de politie, de officier van justitie, kortom iedereen erbij halen die Jack kan dwingen te vertellen met wie hij is omgegaan tijdens zijn afwezigheid. Jij sloop naar de schuur, ging ervandoor met de truck, ontmoette de jongen onderweg en bracht hem hier.’

‘Ja. Bob, ik kan hier niet blijven. Ingeborg is thuis … Sven zal me een ontaarde moeder noemen…’

‘Ik zou je nu het een en ander kunnen zeggen over privacy,’ antwoordde ik, ‘om nog niet te spreken over vrijheid van meningsuiting.’ Na een pauze vervolgde ik: ‘Eh, vertelde je me niet dat je de papieren hebt meegenomen?’

‘Ik…’ Eleanor maakte zich los uit Kate’s omarming. Door tranen en gehik klonk de kracht die ik me nog goed kon herinneren: ‘Het heeft nu tenminste geen zin voor Sven om naar de politie te lopen als zijn bewijsmateriaal is verdwenen.’

‘Mag ik het zien?’ vroeg ik.

Ze aarzelde. ‘Het is … een kwajongensstreek, Bob. Niets van betekenis. Jack zit te wachten …’

Jack was op mijn verzoek in mijn kantoor gebleven, terwijl wij overleg pleegden. Hij had me met een houding geconfronteerd die kouder was dan deze winterdag.

‘Hij en ik gaan een praatje maken,’ zei ik, ‘terwijl Kate koffie zet en waarschijnlijk ook wat eten voor je maakt. Maar ik moet wel een onderwerp van gesprek hebben.’

Ze slikte, knikte, rommelde in haar tasje en overhandigde me een paar aan elkaar geniete velletjes papier. Ik nestelde me in mijn favoriete leunstoel, het linkerbeen op de rechterknie, een lekker smeulend pijpje bij de hand en las het document. Ik las het tweemaal. En een derde maal. Ik vergat de vrouwen totaal. Ik zal het u straks voorleggen. U zult er thans wellicht niets vreemds aan vinden. Maar denk eens goed na: de datum was de elfde maart, in het jaar des Heren negentienhonderd eenenvijftig. Harry S. Truman was president van de Verenigde Staten na Thomas E. Dewey bij de verkiezingen te hebben verslagen, evenals een voormalige vice-president die later zo moedig was toe te geven dat zijn partij een handschoen aan de hand van Moskou was geweest. Dit was de hoofdstad van een Sovjetunie, van welk land men mij verzekerd had dat het een democratie was met per stad gekozen besturen; onze dappere bondgenoot in de heilige oorlog om eeuwige vrede te brengen. Staatsburgers die het nieuws haalden waren Alger Hiss, Owen Lattimore, Judith Coplon, Morton Sobell, Julius en Ethel Rosenberg. Op een of andere manier maakten ze Joseph McCarthy niet minder afstotelijk voor mij en mijn vrienden. Maar onder de vlag van de Verenigde Naties stierven Amerikaanse jongemannen in een oorlog — vijfenhalf jaar na onze Victory Days! — en hun tegenstanders waren Noordkoreanen en Chinezen. Minder dan twee jaar geleden hadden de eerste Russische atoombommen gebulderd. De NATO, nauwelijks ouder, was een touwtje dat honderden divisies moest tegenhouden. De meesten onder ons verkeerden in een emotionele verlamming die ons wel ons dagelijkse leven gewoon liet voortzetten, maar we verwachtten dat de derde wereldoorlog ieder moment kon uitbreken.

Eigenlijk kon ik het Sven Birkelund niet helemaal kwalijk nemen dat hij onmiddellijk zijn conclusies had getrokken. Maar naarmate ik las en herlas, steeg mijn verbazing. Wie dit had geschreven, kende in ieder geval een paar communistische termen — ik had een paar boeken over het onderwerp gelezen — maar was in geen geval zelf een communist. Wat was hij dan wel? Nogmaals, denk maar eens terug aan de jaren vijftig. Probeer die wereld van toen te begrijpen.

Afgezien van een paar extremisten, had Amerika nog nooit zijn eigen integriteit in twijfel getrokken, laat staan zijn bestaansrecht. We wisten dat er problemen waren, maar namen aan dat we die wel konden oplossen als we de beschikking kregen over tijd en goede wil. Daaruit voortvloeiend zou iedereen te zijner tijd ongeacht ras, kleur, geloofsovertuiging enzovoort, zij aan zij in de voorsteden wonen en samen broederlijk volksliedjes zingen. Zwart contra de Commissie van Onderwijs was nog jaren van ons verwijderd; studentenrellen kwamen alleen voor in vreemde landen, terwijl wij ons juist druk maakten over apathie onder de studenten; Indochina was een land waar de Fransen wat onduidelijke moeilijkheden hadden. Televisie maakte opgang en we bespraken de mogelijke gevolgen. Er werden intercontinentale, nucleair bewapende projectielen ontwikkeld, maar niemand kon zich indenken dat ze ergens anders voor gebruikt konden worden dan voor de primitiefste uitwisseling van vernietiging. Overbevolking werd in het nieuws aan de orde gesteld, maar zou snel weer vergeten zijn. Penicilline en DDT waren de onvoorwaardelijke vrienden van de mensheid. Het in stand houden van het natuurschoon betekende dat bepaalde gebieden in hun natuurlijke staat beschermd werden en, als je erg werd aangesproken door dat soort zaken, het cultiveren van heuvellandschappen. Los Angeles werd al geteisterd door de beruchte ‘smog’ en van tijd tot tijd leed Londen aan hetzelfde euvel. De oceaan, onsterfelijke moeder van al wat leeft, zou tot in eeuwigheid doorgaan met het ontvangen en verwerken van ons afval. Ruimtevaart was iets voor de volgende eeuw, en dan nog op voorwaarde dat er een of andere excentrieke miljonair bereid zou worden gevonden om een dergelijk project te financieren. De weinige computers waren groot, duur en overdekt met blinkende aan en uit floepende lichtjes. Als je het wetenschappelijke nieuws volgde, kon je iets te weten komen over transistors en misschien keek je uit naar de tijd dat Amerikanen goedkope zakformaat radio’s bij zich droegen; voor een boer in India of Afrika zou het toch geen verschil maken. Geboortebeperking was hoofdzakelijk afhankelijk van de rubbercultuur. De gen was niet meer dan een puntje op een chromosoom. Tenzij de mensheid teruggeslingerd werd naar het stenen tijdperk, zou hij prijsgegeven worden aan de machine.

Denkt u zich 1951 in als u kunt, als u durft, en lees, net als ik, die grap op de eerste pagina, met de mededeling ‘Copyright (c) 1970, John F. Havig’.


3

<p>3</p> EIGENTIJDSE UNIVERSITAIRE WOORDENLIJST

Agressie: Iedere buitenlandse politiek die wordt voorgestaan door een fascist.

Blank: Van Kaukasische afkomst, huidskleur varierend van bruin tot ivoor. Niet te verwarren met Zwart, Bruin, Rood of Geel. Bruin:

Van Mexicaanse afkomst, huidskleur varierend van bruin tot ivoor. Niet te verwarren met Zwart, Rood, Geel of Blank.

Chauvinisme: Mening van een blanke westerling dat er iets te zeggen valt voor zijn land, cultuur, ras, sexe of hemzelf.

Democratie: Een natie waarin de in vrijheid gekozen regering reageert op de volkswil.

Ecologie: (1) Verouderd: De studie van de onderlinge samenhang van levende wezens en het milieu in het algemeen. (2) Alle niet-menselijk leven dat door de maatschappij schade wordt berokkend, zoals valken en bomen, maar met uitzondering van ratten, mussen en algen.

Fascist: Een voorstander van het voortbestaan van het Westen.

Gee Van Mongoolse afkomst, huidskleur varierend van bruin tot ivoor. Niet te verwarren met Zwart, Bruin, Rood of Blank. Huurling: Een soldaat die voor geld een regering dient die niet de zijne is.

Imperialist: Iemand die bepleit dat een Westers land zijn overzeese gebiedsdelen behoudt.

Kolonialist: Iedereen die gelooft dat iemand van Europese of Noordamerikaanse afkomst het recht heeft te verblijven in ieder gebied buiten Europa of Noord-Amerika waar zijn voorouders zich gevestigd hebben, tenzij die Russen waren.

Liefde: Een emotie die, indien universeel gevoeld, alle menselijke problemen automatisch op zou lossen. Militair-Industriele Complex: Een samenzwering tussen militaire en industriele leiders die geacht wordt de V.S. in haar greep te hebben. Niet te verwarren met militaire en industriele leiders in de U.S.S.R. Napalm: Verdikte benzine, aangewend tegen vijandelijke militairen. Veroordeeld door alle ware liberalen, behalve wanneer door Israeli’s gebruikt tegen Arabieren.

Organisch: Voedsel, geteeld met natuurlijke mest etc. en zonder gebruik te maken van chemische bestrijdingsmiddelen etc. en daardoor vrij van schadelijke reststoffen en ernstige aantasting door insecten, omdat de omliggende akkers kunstmatig bemest en met chemicalien bespoten zijn.

Plutocraat: Een burger van een republiek die vanwege zijn enorme rijkdom, die hij weigert met de armen te delen, buitensporige politieke macht bezit. Niet te verwarren met een Kennedy.

Rood: Van Amerikaans-Indiaanse afkomst, huidskleur varierend van bruin tot ivoor. Niet te verwarren met Zwart, Bruin, Blank of Geel, noch met Mexicaans, hoewel de meeste Mexicanen van Amerikaans-Indiaanse afkomst zijn.

Stormtroepen: Personen die risico’s lopen voor de fascistische zaak.

Vooroordee Vijandigheid of verachting gebaseerd op de klasse waartoe iemand behoort, met veronachtzaming van de feiten.

Wreedheid: Iedere actie ondernomen door een politiefunctionaris.

Xenofobie: Wantrouwen jegens vreemden die willen bepalen watje doen en laten moet.

Zwart: Geheel of gedeeltelijk van Afrikaanse afkomst, huidskleur varierend van bruin tot ivoor. Niet te verwarren met Bruin, Rood, Blank of Geel.


4

<p>4</p>

Mijn werkkamer kwam me even vreemd voor toen ik binnenkwam. Het cilinderbureau, de verstelbare flexibele leeslamp, de versleten, met leer beklede draaistoel, de met paardenhaar gevulde bank voor bezoekers, de plank met naslagwerken, het ingelijste diploma, de deur naar de behandelkamer op een kier, een blik gunnend op kastjes met instrumenten, en geneesmiddelen die Koch voor het grootste deel herkend zou hebben — alles leek zo uit zijn verband; een klein eiland in de tijd, snel aangevreten door de oceaan. En ik besefte dat ik over een jaar of tien maar beter met pensioen kon gaan. De sneeuwjacht was dichter geworden, waardoor de ramen bleek, schemerig licht doorlieten. Jack had de lamp aangestoken zodat hij een tijdschrift kon lezen. Buiten het geconcentreerde licht van de lamp was de kamer in schaduwen gehuld. De stoomradiator pruttelde en maakte de lucht warm en droog.

Hij stond op. ‘Het spijt me dat ik u al die last bezorg, Dr. Anderson’, zei hij.

Ik beduidde hem weer in zijn stoel te gaan zitten, nam zelf ook plaats en stak een verse pijp op. Zoveel roken was onaangenaam voor de mond, maar mijn vingers moesten iets te doen hebben.

Jack knikte naar het pamflet dat ik op het bureau had gegooid.

‘Wat vindt u ervan?’ vroeg hij toonloos.

Ik gluurde door de bovenste helft van mijn dubbelgeslepen bril. Dit was niet de jongen die had geweten dat hij zijn vader zou verliezen, noch de jongen die er niet in slaagde zijn jammerlijke toestand te verbergen toen zijn moeder hem opscheepte met een stiefvader — nog maar nauwelijks een jaar geleden. Voor me zat een jonge man met oude ogen.

Grijze ogen in een smal gezicht met een rechte neus. Van Tom had hij het donkerblonde haar en het slanke, middelgrote, enigszins onbehouwen lichaam; zijn volle lippen, een bijdrage van Eleanor, waren niet helemaal op hun plaats in dat ascetische voorkomen; het totaalbeeld was de Jack Havig die ik nooit had kunnen doorgronden. Zoals altijd was hij zorgeloos gekleed. Hij droeg een Schots geruite trui en de blauwe spijkerbroek waarmee hij de zwerftocht door de heuvels had gemaakt. Zijn houding leek me alert. Hij scheen zich totaal niet ongemakkelijk te voelen en zijn blik ontweek geen moment te mijne.

‘Tja,’ zei ik. ‘Het is origineel, hoewel je zult moeten toegeven dat het nogal verwarrend is.’ Ik stopte mijn pijp.

‘Tja, ik vermoed van wel. Het is een aandenken. Misschien was het beter geweest als ik niets had meegenomen.’

‘Je bedoelt van je reizen, eh, als je wegliep van huis? Waar hing je uit, Jack?’

‘Hier en daar wat rondgekeken.’

Ik herinnerde me een klein koppig persoontje dat ooit eens een soortgelijk antwoord had gegeven, nadat een onbekende hem naar zijn vader had teruggebracht. Het deed me ook aan een hoop andere dingen terugdenken.

Mijn lucifer maakte een schrapend geluid en leek bijna onnatuurlijk sterk op te vlammen. Ik nam een flinke trek van de geurige tabak en genoot van de rook, terwijl ik me beraadde over hetgeen ik moest zeggen.

‘Luister, Jack. Je zit in de penarie. Erger nog, je moeder zit in moeilijkheden.’ Dat deed hem schrikken. ‘Ik ben een vriend van jullie alle twee; ik wil helpen, maar verdomme, je zult op zijn minst moeten meewerken.’

‘Dok, ik zou willen dat ik het kon,’ fluisterde hij.

Ik tikte op het pamflet. ‘Okay,’ zei ik, ‘vertel datje aan een sf-verhaal of iets dergelijks bezig bent, dat zich afspeelt rond 1970 en dat dit achtergrondmateriaal is. Ik ben dan geneigd te denken dat je de zaken nodeloos duister voorstelt, maar dat interesseert me niet; dat zijn jouw zaken.’ Met mijn pijpsteel gebarend: ‘Wat jouw zaken echter niet zijn, is het feit dat dit papier gestencild is. Niemand stencilt iets voor strikt persoonlijk gebruik. Organisaties, verenigingen doen dat wel. Wat voor organisatie steekt hier achter?’

‘Geen enkele. Een paar vrienden.’ Hij verstrakte. ‘Ontzettend weinig onder die walgelijke horde meelopers die al tevreden zijn als ze hun slogans uit kunnen schreeuwen.’

Ik stond op. ‘Zin in een borrel?’

Nu kon er pas een glimlach af. ‘Heel graag. Een beter recept kan ik niet bedenken.’

Terwijl ik de cognac in de glazen schonk vroeg ik me af waar mijn impuls vandaan kwam. Kinderen drinken geen sterke drank, behalve misschien stiekem wat bier. Of vergiste ik me? Opnieuw trof het me dat hij totaal niets kinderlijks meer had.

Hij dronk op de manier van een ervaren, zo niet zware drinker. Waar had hij dat vandaan? Hij was nauwelijks een maand weggeweest.

Ik ging weer zitten en zei: ‘Ik vraag je niet naar geheimen, Jack, hoewel je zou kunnen weten dat ik in mijn praktijk een heleboel hoor waar ik mijn mond over houd. Ik eis echter je hulp bij de constructie van een dekkend verhaal en we moeten een toekomstprogramma voor je vaststellen, waardoor je moeder wat ontlast wordt van de zorg om jou.’

Hij fronste. ‘U hebt gelijk. Het probleem is alleen dat ik niet weet wat ik u moet vertellen.’

‘Probeer het eens met de waarheid?’

‘Dok, geloof me, dat is het laatste dat u wilt, echt.’

‘Jack, ik verwed er tien dollar onder dat ik je minstens een dozijn ware verhalen kan vertellen, die jou meer zouden schokken dan jij mij met jouw relaas.’

‘Ik wed niet,’ zei hij scherp. ‘Het zou niet eerlijk zijn tegenover u.’ Ik wachtte.

Hij sloeg de inhoud van zijn glas achterover en hield me het lege glas voor om bij te vullen. In het gele lamplicht zat hij iel afgetekend tegen het besneeuwde venster. Op zijn gezicht lag een uitdrukking van vastberadenheid. ‘Vul me bij, als u wilt,’ zei hij, ‘en ik zal het u vertellen.’

‘Uitstekend.’ De fles beefde in mijn handen en de drank gulpte naar buiten. ‘Ik zweer dat ik je vertrouwen niet zal beschamen.’

Hij lachte, een krakend geluid. ‘Laat die eed maar zitten, dok. Geloof me, u houdt uw mond ook zonder iets te zweren wel.’ Ik wachtte.

Hij nipte, staarde langs me heen in de verte en mompelde: ‘Ik ben toch wel blij. Het is zo’n enorme last voor me geweest, mijn hele leven al, dat ik nooit met een ander het feit hebben kunnen delen, dat ik … ben wat ik ben.’

Ik blies rook door mijn lippen en wachtte.

Haastig zei hij: ‘Ik heb me voor het grootste gedeelte in en rond San Francisco opgehouden, voornamelijk Berkeley. Langer dan een jaar.’ Mijn vingers omklemden de kop van mijn pijp. ‘Ik kwam thuis na een maand weg te zijn geweest, maar in feite ben ik ongeveer achttien maanden weggeweest. Van herfst 1969 tot eind 1970.’

Na een moment voegde hij eraan toe: ‘Dat is wel geen anderhalf jaar, maar u moet er mijn bezoekjes aan de nog verdere toekomst bij incalculeren.’

De stoom siste in de radiator. Ik zag zweetdruppeltjes parelen op het voorhoofd van mijn zo goed als geadopteerde zoon. Hij greep zijn glas even stevig beet als ik mijn pijp. Maar ondanks de duidelijke spanning in hem bleef zijn stem vlak en onaangedaan. ‘Heb je een tijdmachine?’ vroeg ik ademloos. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee. Ik beweeg me op eigen kracht door de tijd. Vraag me niet hoe. Ik weet het niet.’ Er brak een schamper lachje door. ‘Natuurlijk, dok,’ zei hij. ‘U denkt aan paranoia. Het waandenkbeeld dat ik iets bijzonders ben in de kosmos. Okay, ik zal u een demonstratie geven.’ Hij gebaarde. ‘Wilt u alstublieft hier komen? U moet zich ervan overtuigen dat ik geen spiegels, valluiken of trucjes gebruik in uw eigen, vertrouwde werkkamer.’

Als verdoofd tastte ik om me heen, ofschoon het duidelijk was dat hij geen gelegenheid had gehad om een of ander apparaat te construeren.

‘Tevreden?’ vroeg hij. ‘Goed. Ik ga mezelf in de toekomst projecteren. Hoe ver? Een half uur? Nee, dat is te lang voor u om hier in de zenuwen te zitten. Laten we er vijftien minuten van maken.’ Hij zette zijn horloge gelijk met de klok aan de muur. ‘Het is nu zeventien over vier, klopt dat? Ik kom om half vijf weer tevoorschijn met een marge van hooguit enkele seconden.’ En letterlijk: ‘Zorg er echter wel voor, dat niemand intussen in deze stoel gaat zitten. Ik kan me niet materialiseren in een ruimte die al door een ander vast lichaam in beslag genomen wordt.’

Ik deed een stap achteruit en beefde. ‘Ga verder, Jack,’ zei ik. Ik voelde het bloed in mijn aderen bonken.

Er ging een vlaag tederheid van hem uit. Hij greep mijn hand en drukte die. ‘Goeie, ouwe dok. Tot straks.’

En weg was hij. Ik hoorde een gedempt whoesh waar de lucht in het vacuum stroomde waar hij zojuist nog had gezeten. Verder niets. De stoel was leeg. Ik voelde, maar er was niets om te voelen.

Ik ging weer achter mijn bureau zitten en staarde een kwartier voor me uit. Een kwartier waarvan ik me niets herinner. Plotseling zat hij daar, precies als daareven.

Het kostte me moeite niet flauw te vallen. Hij haastte zich naar me toe. ‘Kom dok, rustig, kalm aan, alles is in orde. Hier, neem een borrel.’

Later gaf hij een een-minuutshow, van zo dichtbij in de toekomst terugstappend, dat hij even naast zichzelf stond, totdat het eerste lichaam verdween.

De nacht viel.

‘Nee, ik weet niet hoe het werkt,’ zei hij. ‘Trouwens, ik weet ook niet hoe mijn spieren werken. Ik bedoel, niet op de manier die u bekend is — want u zult met me eens moeten zijn dat uw wetenschappelijke informatie een fractie onthult van het totaal van een mysterie.’

‘Hoe voelt het aan?’ vroeg ik en met verbazing constateerde ik de kalmte die over me was gekomen. Ach, misschien had ik diep in mijn onderbewustzijn altijd al geweten wat Jack Havig was. ‘Het is moeilijk te beschrijven.’ Hij kreeg een frons op zijn voorhoofd. ‘Ik … wil mezelf voor- of achteruit in de tijd … net zoals ik … oh, bijvoorbeeld mijn glas van uw bureau wil opnemen. Met andere woorden, ik beveel een onbekend, maar aanwezig vermogen om me te verplaatsen, op dezelfde manier als we onze handen bevel geven iets te doen. En het gebeurt.’

Hij zocht naar woorden voor hij vervolgde: ‘Ik bevind me in een schaduwwereld als ik in de tijd reis. De lichtgraad varieert van niets tot grijs. Als ik meer dan een dag-en-nacht-fase passeer, flikkert het. Voorwerpen zien er onduidelijk, nevelig en vlak uit. Als ik besluit te stoppen, dan stop ik en bevind ik me in een normale tijd met mijn eigen massa. Er is geen lucht onderweg. Ik moet mijn adem inhouden en als de reis erg lang duurt in mijn persoonlijke tijd, moet ik af en toe even stoppen onderweg om weer adem te halen.’

‘Wacht eens,’ zei ik. ‘Als je onderweg niet kunt ademen, niet gezien, noch aangeraakt kunt worden — hoe is het dan mogelijk dat jij wel je zicht behoudt, al is het zwak? Hoe werkt het licht op jou?’

‘Dat weet ik ook niet, dok. Ik heb een aantal natuurkundeboeken gelezen om te trachten me een idee te vormen, zowel wat dat betreft als een aantal andere dingen. Maar het moet gewoon een of andere kracht zijn die me stuurt. Een kracht die tenminste in vier dimensies werkzaam is; maar hoe dan ook, een kracht. Als het een elektromagnetisch component heeft, dan kan ik me voorstellen hoe een paar fotonen in het veld ervan gevangen zouden kunnen worden en meegesleurd. Materie, zelfs geioniseerde materie, blijft massa behouden en daarom kan het in deze vorm niet worden beinvloed … Het is maar een veronderstelling van een leek. Ik wou dat ik een paar echte wetenschapsmensen hierin kon betrekken.’

‘Je vermoeden gaat voor mij al te ver, vriend. Zei je niet dat een overgang niet ogenblikkelijk gebeurt, voor zover je kunt nagaan? Hoe lang duurt het? Hoeveel minuten per jaar, of weet ik veel wat?’

‘Er is geen speciaal verband. Het hangt van mij af. Ik voel het aan mijn mate van inspanning en kan dan ruw schatten. Door me, tja, in te spannen kan ik me bewegen … sneller … dan anders. Ik raak er uitgeput van, wat volgens mij het bewijs is dat het tijd-reizen gebruikmaakt van de lichaamsenergie om de voortstuwende kracht te ontwikkelen en toe te passen… Het heeft nooit langer geduurd dan een paar minuten, althans volgens mijn horloge; en dat was een trip door verscheidene eeuwen.’

‘Toen jij nog een baby was…’ mijn stem begaf het.

Hij knikte opnieuw. ‘Ja, ik heb gehoord over dat incident. Angst om te vallen is een instinct, niet? Ik vermoed dat ik mezelf in het verleden slingerde toen mijn moeder me liet vallen, louter door een instinctieve reflex … waardoor ik haar weer noodzaakte me te laten vallen.’

Hij nam een slok cognac. ‘Mijn bekwaamheid nam toe naarmate ik ouder werd. Misschien heb ik nu wel geen enkele limiet meer, als ik in geval van nood onderweg kan stoppen om uit te rusten. Maar ik ben wel beperkt wat betreft de massa die ik kan meedragen. Dat is maar een paar pond, met inbegrip van kleren. Meer gewicht, en ik kan al niet meer bewegen; overladen, denk ik. Als u me bijvoorbeeld zou vastpakken, dan zou ik in de normale tijd moeten blijven tot u me losliet, want u hebt te veel massa om te vervoeren. Ik zou u niet achter kunnen laten en zelf wel vertrekken; de kracht werkt op alles, of tracht dat te doen wat direct contact maakt met mij.’ Een zwakke glimlach. ‘Met uitzondering van de aarde zelf, als ik toevallig blootsvoets zou zijn. Ik veronderstel dat een dergelijke hoeveelheid massa bijeen wordt gehouden door niet alleen de zwaartekracht, maar andere, zelfs sterkere krachten. Het heeft dan een … wat… ? cohesie… ? van zichzelf.’

‘Je waarschuwde me tegen het plaatsen van een massief voorwerp op de plek waar jij van plan was te, eh, materialiseren,’ zei ik. ‘Inderdaad,’ antwoordde hij. ‘Want anders kan ik het niet. Ik heb ermee geexperimenteerd. Als ik door de tijd reis, kan ik me onderwijl in de ruimte bewegen als ik dat wil. Op die manier slaag ik erin om naast mezelf terug te komen. Tussen haakjes, de oppervlakte waar ik me op bevind mag stijgen of zinken, ik stijg of zink mee, net als iemand in de normale tijd. En ik blijf op dezelfde geografische plaats. Het maakt niet uit of deze planeet rond haar eigen as draait en rond de zon wervelt, die zelf weer voortijlt door het universum… ik blijf hier op aarde. Weer een kwestie van zwaartekracht denk ik. .. Tja, wat die vaste materie betreft. Als kind, toen ik nog onbezonnen was, trachtte ik eens een heuvel binnen te dringen. Oh, het ging best, even makkelijk als een mistbank binnen stappen. Maar toen was ik plotseling afgesneden van licht en ik kon me niet materialiseren in de normale tijd. Het was alsof ik in een blok beton zat en mijn zuurstof raakte op. . .’ Hij huiverde. ‘Ik slaagde er ternauwernood in de weg naar de open lucht terug te vinden.’

‘Ik denk dat materie zich verzet tegen verplaatsing door jou,’ waagde ik. ‘Vloeistoffen laten zich makkelijk opzij drukken als jij opduikt, maar vaste stoffen niet.’

‘Ja, dat had ik me ook al zo ongeveer voorgesteld. Stel dat ik bewusteloos was geraakt en binnen die klomp aarde en stenen was gestorven, dan vermoed ik dat mijn lichaam, nou ja, op de normale wijze van het tijdtransport in de toekomst terecht was gekomen en daar teruggevallen was tot het normale bestaan, als de heuvel eromheen door de tand des tijds was aangevreten en weggesleten.’

‘Het is verbazingwekkend hoe je het, als klein jochie, geheim hebt kunnen houden.’

‘Och, ik kan me nu wel voorstellen dat ik mijn moeder een hoop zorgen heb gegeven, al kan ik het me feitelijk niet herinneren. Wie kan zich wel zijn eerste paar jaar herinneren? Misschien duurde het een tijd voor ik me realiseerde dat ik uniek was en maakte dat besef me bang… misschien was tijd-reizen wel vreselijk slecht om te doen. Het kan ook zijn dat ik me verkneukelde. Maar in ieder geval was oom Jack degene die me uit de knoop haalde.’

‘Was dat die onbekende die je terugbracht toen je ervandoor was gegaan?’

‘Ja. Ik kan het me nog herinneren. Ik had me aan een lange expeditie in het verleden gewaagd, op zoek naar Indianen. Maar alles wat ik vond was een woud. Hij dook daar op — nadat hij het gebied een aantal jaren had afgezocht — en we hadden een gezellige tijd samen. Aan het eind, als we weer naar nu teruggereisd waren, nam hij me bij de hand en liet me zien hoe ik met hem thuis kon komen. Hij had me best kunnen afleveren binnen een paar minuten na mijn vertrek om mijn ouders die verschrikkelijke, martelende uren te besparen. Maar ik geloof dat hij me wilde laten zien hoe ik ze had gekwetst, zodat de noodzaak tot discretie er goed bij me ingehamerd zou zitten. En dat gebeurde ook.’

Het was in zijn stem duidelijk hoorbaar dat hij zich liet meeslepen door herinneringen. ‘We hadden later een paar fijne excursies samen. Oom Jack was de ideale gids en mentor. Ik had geen reden om zijn bevelen over geheimhouding niet te gehoorzamen, op wat verkapt gepoch na tegen mijn vriend Pete. Oom Jack bracht me naar betere dingen dan ik uit mezelf had kunnen ontdekken.’

‘Je huppelde echter ook veel op je eigen houtje rond,’ herinnerde ik hem.

‘Af en toe. Als bijvoorbeeld een stelletje achterbuurthelden me aanvielen. Dan wipte ik een paar keer heen en weer in de tijd, mezelf verdubbelend tot ik ze in aantal overtrof.’

‘Geen wonder dat je groeiproces zo snel verliep … Toen je hoorde dat je vader in dienst ging, wilde je je er natuurlijk van overtuigen dat hij veilig zou terugkeren, is het niet?’

Jack Havig kromp in elkaar. ‘Ja. Ik wipte naar de toekomst, nam met tussenpozen vlugge kijkjes. Totdat ik op een keer door het raam keek en moeder zag huilen. Van daaruit ging ik terug, tot ik het telegram onder ogen kreeg… oh God, ik heb jaren niet meer gereisd sedertdien. Ik kon me niet voorstellen dat ik het ooit nog zou willen.’

De stilte van de sneeuwnacht lag als een sluier over ons.

Uiteindelijk vroeg ik, de stilte doorbrekend: ‘Wanneer heb je je mentor voor het laatst gezien?’

‘In 1969. Maar de laatste keer daarvoor was … kort voor ik de dood van mijn vader had gezien. Oom Jack was toen bijzonder lief tegen me. We gingen naar een echt, origineel circus, ergens in het laatste gedeelte van de negentiende eeuw. Ik vroeg me nog af waarom hij zo verdrietig keek en waarom hij constant bleef hameren op de noodzaak van geheimhouding. Nu weet ik waarom.’

‘Weet je wie hij is?’

Hij trok alleen de linkerkant van zijn mond omhoog. ‘Wie denkt u?’

‘Ik hervatte het tijdreizen afgelopen jaar,’ zei hij na een poosje. ‘Ik moest afleiding hebben van die … die situatie op de boerderij. Eerst maakte ik tripjes in het verleden. U hebt er werkelijk geen idee van hoe prachtig het land was voor de kolonisten voet aan wal zetten. En de Indianen — nou, ik heb er vrienden onder. Ik heb maar een paar woorden van hun taal opgestoken maar ze ontvangen me vriendelijk en, eh … de meisjes zijn altijd bereid, bekwaam en onstuimig.’

Ik kon een lach niet onderdrukken. ‘Sven junior maakte anders een hoop tamtam over het feit, dat jij nooit afspraakjes hebt!’ Hij grinnikte terug. ‘Kunt u wel nagaan hoe die trips me opluchtten.’ En weer serieus: ‘Maar u zult zich ook wel kunnen voorstellen hoe die hele toestand thuis — althans wat Birkelund “mijn thuis” wenste te noemen — me dreigde te verstikken door de onnozelheid en waardeloosheid. Zelfs de wereld daarbuiten. Wat had ik bijvoorbeeld te zoeken op de middelbare school? Was ik niet volwassen? Ik was vol van de wonderen die ik had gezien en daar hoorde ik niets dan giechelende teenagers en dreunende leraren!’

‘Ik neem aan dat de jongste familie-uitbarsting aanleiding was voor je trip naar de toekomst?’

‘Inderdaad. Ik was buiten mezelf van woede. Ik hoopte voornamelijk een blik te kunnen werpen op Sven Birkelund’s grafsteen. Twintig jaar in de toekomst, dat leek met een mooi rond getal. Maar ik wist dat ik nog een boel had in te halen, dus maakte ik er 1969 van, om in 1970 zelf goed voorbereid te zijn. .. Het huis was er nog steeds, is er, zal er zijn.’

‘En Sven?’ vroeg ik zachtjes.

‘Ik neem aan dat hij het wel overleefd heeft.’ Zijn toon was woedend. ‘Het kan me nu te weinig schelen om het na te gaan. Moeder scheidt toch van hem over een jaar of twee.’

‘En … ?’

‘Ze neemt de baby’s mee, alle twee, en gaat terug naar Massachusetts. Haar derde huwelijk zal goed zijn. Maar op dit moment moet ik haar zorgen niet groter maken dan ze al zijn. Dat is de reden dat ik de lengte van mijn afwezigheid op een maand bepaalde, om Birkelund te laten weten dat het me ernst was; langer dan dat kon ik haar niet aandoen.’

Ik zag in hem wat ik in zoveel andere mensen had gezien wanneer degenen waar ze om geven ziek waren of stervend. Dus haastte ik me te zeggen: ‘Je vertelde dat je oom Jack, je andere zelf, weer tegenkwam.’

‘Ja.’ Hij was blij zich weer te kunnen werpen op feitelijkheden. ‘Hij wachtte me op toen ik in 1969 verscheen. Dat was verderop in de bossen, ’s nachts — ik wilde niet riskeren dat een toevallige toeschouwer me zou opmerken — maar waar bomen waren geweest, was nu alles weggekapt en lagen maisvelden. Hij had een tweepersoonskamer genomen in het hotel — ik bedoel het hotel dat ze zullen bouwen nadat ze het Wapen van Senlac met de grond gelijk gemaakt hebben — en bracht me daar een paar dagen onder. Hij vertelde me over mijn moeder en moedigde me aan het te verifieren bij de dagbladarchieven in de bibliotheek en hij liet me tevens een paar brieven zien die ze onlangs aan hem had geschreven … aan mij dus. Daarna gaf hij me duizend dollar — Dok, de prijzen over twintig jaar! — en stelde voor dat ik het land maar moest gaan bekijken. Volgens tijdschriften was Berkeley de plaats “waar het allemaal gebeurde” — eh, een uitdrukking uit de toekomst. In ieder geval ligt San Francisco recht tegenover de Baai en ik had er altijd al eens naartoe gewild!’

‘Hoe was Berkeley?’ vroeg ik, me mijn bezoekjes aan de bezadigde universiteitsstad herinnerend.

Hij vertelde het me zo goed als hij kon. Maar er zijn geen woorden om te kunnen uitdrukken wat ik toen, in 1951 te horen kreeg; het kwam mij voor als een wilde, angstaanjagende, vrolijke, schrikwekkende, potsierlijke, verstandsverbijsterende aanslag op ieder gevoel en gezond verstand; dat is Telegraph Avenue tegen het begin van de zevende decade van de twintigste eeuw.

‘Liep je geen risico moeilijkheden met de politie te krijgen?’ vroeg ik.

‘Nee. Ik stopte onderweg in 1966 en liet me onder valse naam inschrijven voor de militaire dienst waardoor ik in het bezit kwam van een kaart die aangaf dat ik in 1969 eenentwintig was … De demonstranten sloegen me aan de haak. Ik liep tegen ze op — als ouderwetse boerenpummel — en hoorde hun versie van wat er allemaal gaande was, maar niet die van de tegenpartij. Ik verkeerde maanden onder de radicalen. Van de hand in de tand levend, allerhande karweitjes opknappend, demonstraties, vies kamertje, ongewassen meisjes, marihuana, de hele toestand.’

‘Je beschrijving in dit pamflet lijkt me niet bepaald gunstig,’ merkte ik op.

‘Nee. Ik ben ervan overtuigd dat oom Jack me door en door wilde laten ervaren hoe het is om iemand te zijn die de beschaving, die hem heeft voortgebracht, heeft afgezworen. Maar ik veranderde.’

‘Hm-m-m, ik zou liever zeggen datje terugsprong. Weer op het juiste pad raakte. Maar ga verder. Wat gebeurde er?’

‘Ik maakte een trip in de verre toekomst.’

‘En?’

‘Dok,’ zei hij bijzonder kalm, ‘beschouw uzelf maar als gelukkig. U bent al oud aan het worden.’

‘Je bedoelt dat ik dan dood ben?’ Mijn hart sloeg over.

‘Tegen de tijd van de catastrofe, ja, zonder twijfel. Ik ben het verder niet nagegaan, maar ik heb nog wel even vastgesteld dat u in 1970 nog gezond en in leven bent.’ Ik vroeg me af waarom er geen lachje afkon, wat zijn gewoonte was als hij goed nieuws had. Nu weet ik het: hij zei niets over mijn vrouw Kate. ‘De oorlog — de oorlog — en de consequenties daarvan komen later,’ vervolgde hij met dezelfde onbewogen stem. ‘Maar het is allemaal wel een gevolg van het soort heksenketel dat ik onder meer in Berkeley heb gezien.’

Hij zuchtte en wreef zijn vermoeide ogen. ‘Ik keerde terug naar 1970 met een vaag idee hoe ik het tij kon keren. Er waren een paar mensen, zeer jonge zelfs, die de realiteit een beetje zagen. Deze brochure… zij hebben me geholpen bij de publicatie en de distributie, denkend dat ik een afgedwaalde republikein was.’

‘En was je dat?’

‘Jezus, nee. U denkt toch niet dat welke politieke partij ook, werkelijk enig nut heeft gehad gedurende de afgelopen drie of vier generaties, of wel? En het wordt alleen nog maar erger.’ Hij had zijn glas weer leeg, maar sloeg mijn aanbod om bij te vullen af. ‘Ik moet mijn hoofd helder houden, dok. We moeten nog een dekmantel uitwerken. Ik weet dat we dat zullen doen, want mijn niet-zoveel-oudere-zelf liet doorschemeren dat ik op een goede manier met mijn huidige problemen zou afrekenen.’

‘Is tijd onveranderlijk?’ vroeg ik. ‘Wij — onze levens — zitten gevangen in het continuum — zoals vliegen in barnsteen?’

‘Ik weet het niet, ik weet het niet,’ kreunde hij. ‘Wat ik wel weet is dat mijn inspanningen tevergeefs waren. Mijn vroegere collega’s noemden me een verachtelijk sujet, mijn nieuwe vrienden vormden een onbelangrijke minderheid en, verdomme, we konden onze propaganda nauwelijks aan de straatstenen kwijt.’

‘In de politiek moet je nooit wonderen verwachten,’ zei ik. ‘Hoed j voor de man die ze belooft.’

‘Dat is waar. Dat besefte ik ook nadat de schok van hetgeen ik in de toekomst had gezien een beetje was weggeebd. Dat was in feite het moment waarop ik besloot terug te gaan, omdat het mijn plicht was mijn moeder terzijde te staan. Dan kan ik tenminste op die manier de wereld iets minder vreselijk maken.’

Zijn toon werd milder: ‘Het was zonder twijfel dwaas om een kopie van mijn brochure te houden. Maar het was zo’n lief meisje dat me erbij had geholpen … Nou ja. Op mijn manier heb ik geluk gehad. Er is nu een ander menselijk wezen in mijn leven. Ik begin te beseffen hoe eenzaam ik altijd ben geweest.’

‘Ben je absoluut uniek?’ fluisterde ik.

‘Geen idee. Ik denk van niet. Ze zullen wel zelden voorkomen, maar er zijn ongetwijfeld meer tijdreizigers dan ik. Hoe kan ik die vinden?’ riep hij uit. ‘En als we ons zouden verenigen, wat kunnen we da doen?’


5

<p>5</p>

Birkelund bleek een minder groot probleem dan verwacht. Ik had een prive-onderhoud met hem, vertelde dat het geschrift een fragment was van een manuscript van een amateurshow, en maakte hem duidelijk dat de hele opzet droop van sarcasme — waarna ik hem ongenadig onder handen nam over de behandeling van zijn vrouw en stiefzoon. Hij accepteerde het, zij het vol wrok.

Niettemin bleef de toestand explosief. Jack droeg daaraan bij door met de dag heetgebakerder en eigenzinniger te worden. ‘Hij is zo ontzettend veranderd,’ vertrouwde Eleanor me bedroefd toe. ‘Zijn hele verschijning en gedrag. Ik kan echt alle wrijving niet alleen aan Sven en zijn jongens wijten. Jack is vaak ronduit arrogant.’ Natuurlijk was hij dat, door zijn wrok over thuis, de verveling op school, het kruis van zijn voorkennis. Maar dat kon ik zijn moeder niet vertellen. Ook kon hij, ter wille van haar, slechts gedurende de volgende twee of drie jaar niet meer ondernemen dan een paar nachtelijke ontsnappingen.

‘Ik denk,’ zei ik, ‘dat het ’t beste zou zijn als hij op zijn eigen benen gaat staan.’

‘Maar Bob, hij is nauwelijks achttien,’ protesteerde ze.

Hij was op zijn minst eenentwintig, waarschijnlijk ouder, wist ik. ‘Oud genoeg om het leger in te gaan.’ Op zijn verjaardag had hij zich officieel laten inschrijven. ‘Dat zal hem de kans geven zichzelf te vinden. Het is mogelijk om in dienst te gaan op eigen verzoek, voor de minimum-periode. De commissie zal een verzoek van mij best willen inwilligen.’

‘Niet voor hij afgestudeerd is!’

Ik had begrip voor haar ontsteltenis en teleurstelling. ‘Hij kan schriftelijke lessen nemen, Ellie. De militaire dienst heeft ook cursussen waar een intelligente knaap als Jack zeker terecht kan. Ik ben bang dat dit onze enige kans is.’

Hij had al met het plan ingestemd. Een snelle sprong tijdopwaarts leerde hem dat hij in Europa zou worden gedetacheerd. ‘Daar kan ik een boel geschiedenis navorsen,’ zei hij. Vervolgens, ki ‘Bovendien wordt het wel tijd dat ik wat leer over wapens en strijdtechnieken. Het scheelde een haar of ik was vermoord in de eenentwintigste eeuw. Een paar leden van een horde kannibalen verrasten me en als ik er niet in was geslaagd om me een fractie van een seconde los te rukken…’

Het leger paste totaal niet bij zijn temperament, maar hij voltooide de basistraining en maakte vorderingen in elektronica; de gehele situatie deed hem duidelijk goed. Veel hiervan was echter ook te danken aan zijn excursies in het verleden. Die besloegen een paar extrajaren.

In zijn brieven kon hij hierover slechts toespelingen maken, omdat Kate ze ook las. Het was hard voor me om mijn mond te moeten houden over de kolossale feiten; om haar niet bij me te kunnen hebben toen hij eindelijk thuiskwam en me uren achtereen zijn aantekeningen en foto’s toonde en zijn herinneringen vertelde. (Details zijn onaantrekkelijk — problemen rond vaccinatie, taal, transport, geld, recht, tirannie, geweldpleging, enzovoort. ‘Dok, ik heb nooit geweten hoe anders de middeleeuwse mens was. Geweldige variaties van stad tot stad, van tijdperk tot tijdperk, maar altijd iets … iets Oosters? … nee, waarschijnlijk is het Oosten minder veranderd.’ Maar hij had gekeken naar de triomfantelijke intocht van Caesar’s legioenen door Rome, naar de gestroomlijnde vormen van Vikingschepen, dansend over de Oslofjord, en naar Leonardo da Vinci aan het werk … Hij had geen gelegenheid gehad om alles van nabij te observeren. Eigenlijk was hij razend over de kunstmatigheid van al zijn ervaringen. Hoeveel kun je leren in een totaal vreemde omgeving, als je nauwelijks een woord van de taal kent en alle kans loopt gearresteerd te worden, voordat je een stel kleren uit die tijd hebt kunnen bemachtigen? En toch: wat zou ik er niet voor hebben willen geven om daar ook te kunnen zijn?)

En wat voelde ik me een bedrieger tegenover Kate, door het haar niet te kunnen vertellen! Maar als Jack zijn mond kon houden tegen zijn moeder, dan moest ik dat zeker tegen mijn vrouw. Zijn oudere persona had gelijk gehad — en zou gelijk hebben — door er bij het kind die reflex van geheimhouding in te stampen. Denk maar eens aan de consequenties als bekend geworden zou zijn dat een man — of een kleine jongen — door de tijd kon zwemmen. Het is geen gezond lot voor een menselijk wezen om de sensatie van de eeuw te zijn. In dit geval moet je je ook de eisen, smeekbeden en razende aanslagen voorstellen, van de hebberige, de hongerige naar macht, de door de ideologie verblinden, de beroofden en de angstige om hem te gebruiken; de strijd tussen regeringen om hem te isoleren of te vernietigen, hij die de meest volmaakte spion of de niet te stoppen sluipmoordenaar kon zijn. Als hij dat al zou overleven en ook zijn gezonde verstand er niet onder zou lijden, zou hij spoedig geen andere keus hebben dan naar een ander tijdperk te vluchten en zijn talenten verborgen te houden. Nee, het is beter vanaf het begin een masker te dragen. Maar wat was nu het nut van zijn fantastische gave?

‘Tegen het einde van mijn duik in het verleden besteedde ik meer tijd aan denken dan aan zwerven,’ zei hij. We waren met de boot op Lake Winnego. Hij was een paar weken geleden al afgezwaaid en thuisgekomen, maar hij had me nog steeds een boel te vertellen. Dat kwam hoofdzakelijk doordat zijn moeder zijn morele steun nodig had bij haar scheiding van Birkelund, haar afstand nemen van situaties die inmiddels werkelijk pijnlijk waren geworden. Jack was nog volwassener geworden, en niet alleen lichamelijk. Twee jaar geleden — in mijn eigen tijd dan — was ik geconfronteerd met een man, hoewel een zeer jonge man, die nog bezig was een uitweg te zoeken uit zijn verwarring en verdriet. De Jack Havig die vandaag bij me in de boot zat, toonde een volmaakt evenwichtige zelfbeheersing.

Ik schoof mijn pijp naar de andere kant en draaide het roer om. We gingen overstag met klapperende zeilen. Het blauwe water glinsterde in de lentelucht. De koele wind droeg geuren aan van velden, bomen, appelbloesem en versgeploegde aarde. Een havik liet zich erop drijven.

‘Nou, je hebt genoeg onderwerpen gehad om over na te denken,’ antwoordde ik.

‘Ja. Om te beginnen,’ zei hij, ‘het probleem: hoe werkt tijdreizen?’

‘Wel, waarde heer, hoe werkt het?’

Hij bleef ernstig. ‘Ik heb een behoorlijke dosis elementaire natuurkunde opgestoken tijdens mijn elektronica-cursus. En ik heb veel gelezen over wat me persoonlijk erg interesseerde, inclusief materiaal dat ik in de toekomst heb geraadpleegd — boeken, toekomstige nummers van Scientific American en Nature etcetera. Volgens alle bekende theorieen is hetgeen is doe totaal onmogelijk. Het begint bij verstoring van het energiebehoud en gaat van daaruit verder.’

‘E pur si muove.’ (Uitspraak van Galileo Galilei: ‘En toch beweegt zij.’)

‘He, wat?… O ja. Dok, voor ik de Italiaanse renaissance bezocht, heb ik die periode bestudeerd en ontdekte dat Galilei dit nooit gezegd heeft. Hij heeft evenmin gewichten laten vallen van de scheve toren van Pisa. Goed.’ Hij ging nonchalant achterover op de bank liggen en opende een paar flesjes bier voor ons. ‘Okay, er zijn dus onvoorziene facetten in dat energiebehoud waar de officiele wetenschap geen vermoeden van heeft. In vele opzichten is tijdreizen gelijk aan sneller-dan-licht-reizen, waarvan de natuurkundigen ook verklaren dat het onmogelijk is.’

Ik keek hoe mijn tabaksrook door de wind werd weggedragen. De golven kabbelden rond het schip. ‘Ik lig een aantal lichtjaren op je achter,’ zei ik. ‘Ik snap niets van je lezing, hoewel ik de indruk heb dat je je strikt op wetenschappelijk bewezen feiten richt en dat je niet gelooft in iets, eh, bovennatuurlijks.’

Hij knikte. ‘Precies. Wat het proces ook mag zijn, het vindt plaats binnen het kader van de natuurwetten. In wezen is het natuurkundig. Het is een kwestie van een relatie tussen materie en energie. Maar toch rijst de vraag waarom ik het wel kan en een ander niet. Er zit niets anders voor me op dan te concluderen dat ik een afwijking in mijn genen heb.’

‘Oh?’

‘Over een jaar of tien zal men de moleculaire basis van erfelijkheid ontdekken.’

‘Wat?’ Ik veerde met een ruk overeind. ‘Daar moet je me meer over vertellen!’

‘Later, later. Ik zal u alles vertellen wat ik weet over DNA en de rest, hoewel het niet veel is. Het punt is, dat onze genen niet zomaar een blauwdruk voor het construeren van een foetus inhouden. Ze oefenen invloed uit op het hele leven door middel van controle op de enzymproductie. Je zou ze de levensessentie bij uitstek kunnen noemen. Wat kan er — naast enzymen — nog meer bij betrokken zijn? Deze beschaving zal zichzelf vernietigd hebben voor de mens die vraag heeft kunnen beantwoorden. Maar ik vermoed dat er een soort resonantie is — of iets dergelijks — in die geweldige moleculen: en als je genetische structuur toevallig precies goed resoneert, ben je tijdreiziger.’

‘Dat is inderdaad een interessante hypothese.’ Ik had de gewoonte ontwikkeld me in zijn bijzijn van understatements te bedienen. ‘Ik heb een empirisch bewijs,’ antwoordde hij. Heftig vervolgde hij: ‘Dok, ik heb nogal wat vrouwen gehad. Niet in deze decade, maar wel in de toekomst en in het verleden. Er zijn perioden dat het tamelijk gemakkelijk gaat en ik gebruik kan maken van het mysterieuze aureool dat me omringt.’

‘Gefeliciteerd,’ zei ik, bij gebrek aan beter.

Hij staarde over het meer. ‘Ze laten me niet koud,’ zei hij. ‘Ik bedoel, nou ja, als ze niet meer willen dan een stoeipartij, zoals die Dakota meisjes van een eeuw of drie geleden, okay, best. Maar zodra een affaire dieper gaat, voel ik me verantwoordelijk. Ik mag dan wel geen leven met haar samen van plan zijn — ik vraag me toch al af of ik ooit zal trouwen — maar ik controleer de eerstkomende jaren in haar toekomst en tracht er voor te zorgen dat het haar goed zal gaan.’ Zijn gezicht betrok een beetje. ‘Althans zo goed als het een sterveling kan gaan. Ik heb niet voldoende morele moed om het tijdstip van hun dood vast te stellen.’

Na een pauze: ‘Maar ik dwaal af. Toch is afdwalen belangrijk voor me. Neem Meg, bijvoorbeeld. Ik was in het Londen van Elizabeth. De problemen, veroorzaakt door mijn onwetendheid, waren hier geringer dan in de meeste milieus, hoewel ik toch wel tijd nodig had om het klappen van de zweep te leren. Zelfs de uitspraak van hun Engels. Een staaf zilver, die ik had meegenomen, was daar gemakkelijker om te zetten in munt dan elders — de hedendaagse mens beseft niet hoeveel wantrouwen en reglementen er waren in dat oh-zo barbaarse verleden — hoewel ik de koopman er nog steeds van verdenk me belazerd te hebben. Maar goed. In ieder geval vond ik onderdak in een alleraardigste, half-houten herberg en had over het algemeen een beste tijd.

Op een dag raakte ik toevallig in een achterbuurt verzeild. Een vrouw plukte aan mijn mouw en bood goedkoop de maagdelijkheid van haar dochter aan. Ik was geschokt, maar dacht dat ik het arme meisje op z’n minst moest ontmoeten en haar eventueel geld moest geven. Misschien ‘was het mogelijk mijn herbergier zover te krijgen om haar als een respectabele dienster aan te nemen… Mooi mis.’ (Weer die eigenaardige, anachronistische manier van spreken van hem.) ‘Ze was nerveus maar vastbesloten. En nadat ze het me had uitgelegd, moest ik toegeven dat een straatmeid met een onafhankelijke geest waarschijnlijk beter af was als hoer, dan als dienster — in aanmerking nemend wat een dienster zich in die dagen moest laten welgevallen. Bovendien was het nauwelijks voorstelbaar dat iemand geneigd was haar te nemen onder de destijds heersende omstandigheden van klasse-onderscheid en vijandschap. Ze was eigenwijs, ze was aantrekkelijk en ze zei dat ze liever had dat ik het deed dan een of andere vette en waarschijnlijk pokdalige, aftandse ouwe kerel. Wat kon ik doen? Belangeloze liefdadigheid paste doodeenvoudig niet in haar denkwereld. Als ze geen zelfzuchtige motieven kon ontdekken, zou ze gedacht hebben dat ik te vreemd en eigenaardig voor haar was en was ze gevlucht.’

Hij nam een paar teugen bier. ‘Maar goed,’ ging hij uitdagend verder. ‘Ik verhuisde naar een groter appartement en nam haar mee. Problemen van minderjarigheid bestonden er in die dagen niet. U moet onze middelbare scholieren maar vergeten. Het zou niet in me opkomen ooit een van hen aan te raken. Meg was een echt vrouwtje, jong, maar een vrouw. We leefden samen, vier jaar van haar tijd. Voor mij was het natuurlijk slechts een kwestie van de huur vooruit betalen en af en toe terugwippen vanuit de twintigste eeuw. Niet zo vaak, want ik lag toen in Frankrijk. Uiteraard kon ik weg wanneer ik wilde en terugkeren zonder dat er diensttijd tijdens mijn trip was verlopen, maar de reis naar Engeland kostte geld, en bovendien waren er nog zoveel andere eeuwen … Desondanks bleef Meg me, geloof ik, trouw. U had eens moeten zien hoe ze haar kennissen afweerde die dachten dat ze zich konden vetmesten op mijn kosten! Ik vertelde haar dat ik in de Nederlandse diplomatieke dienst zat … He, dat gezwam over details. Ik zit om het onderwerp heen te praten. Op een gegeven moment werd een fatsoenlijke jongeman verliefd op haar. Ik gaf ze een huwelijkscadeau en mijn zegen. En ik neusde even in haar toekomst, ongeveer een decade, om er zeker van te zijn dat alles in orde was. En dat was het; zo goed als ik had gehoopt.’

Hij zuchtte. ‘Om precies te zijn: ze baarde hem een half dozijn kinderen, de eerste al binnen een jaar na hun huwelijk. Van mij is ze nooit zwanger geworden. En zover ik heb kunnen nagaan, geen enkele vrouw.’

Hij was getest op vruchtbaarheid en de uitslag was volkomen normaal geweest.

Geen van ons wilde verder uitweiden over zijn persoonlijke bekentenissen.

‘Bedoel je,’ zei ik langzaam, ‘dat je een mutant bent? In zodanige mate datje tot een andere soort behoort?’

‘Ja, ik geloof inderdaad dat mijn genen geheel afwijkend zijn.’

‘Maar een collega-tijdreiziger — een vrouwelijke.

..’

‘Als dat zou kunnen, dok.’ Weer zo’n futurisme.

Hij zweeg een poosje voor hij verder sprak. ‘Niet dat het op zichzelf belangrijk is. Wat echter wel belangrijk is — misschien wel het urgentste in het hele bestaan van de Aarde — is het vinden van die andere reizigers; als die er tenminste zijn. En dan samen bekijken wat we aan die toekomstige verschrikkingen kunnen doen. Het wil er bij mij niet in dat ik niet meer dan een zinloze, toevallige variant ben.’

‘Hoe stel je je voor er iets aan te doen?’ Zijn blik was staalhard. ‘Om te beginnen: rijk worden.’

Van de jaren die volgden, herinner ik nauwelijks meer dan wat oppervlakkige informatie.

Hij zag me met tussenpozen, vermoedelijk meer om de vriendschap in stand te houden dan om me in te lichten. Ik heb alleen maar indirect gegevens over zijn carriere. Vaak, tijdens zijn afwezigheid, kwam hij me voor als een soort gedroomde verschijning; zo vreemd was zijn bestaan in vergelijking met ons dagelijks sneller verouderende kleine-stadsleven, onze opgroeiende zoons, het avontuur van schoondochters en kleinkinderen. Maar dan stond hij plotseling weer voor me en werd ik weer uren gedomineerd door die eenzame, gedreven man.

Ik bedoel niet dat hij fanatiek was. In feite verruimde hij zijn blikveld voortdurend en hij kon van deze wereld genieten. Hij beschikte over een enorme geestelijke veelzijdigheid, hoewel het duidelijk was dat geschiedenis en antropologie het grootste deel van zijn aandacht opeisten. Een gelukkige bijkomstigheid was dat hij aanleg had voor talen. (Hij en ik vroegen ons af hoeveel tijdreizigers vleugellam waren door een gebrek daaraan.) Door zijn sardonische gevoel voor humor en zijn typisch Midwesterse beleefdheid was hij prettig in de omgang. Hij werd een echte fijnproever, hoewel hij zich zonder zich te beklagen met stokvis en scheepsbeschuit kon behelpen. Hij had in Boston een schoener liggen waarop hij Kate en mij meenam naar West-Indie om onze pensionering te vieren. Ik bemerkte dat hij erg gevoelig was voor natuurlijke en door de mens geschapen schoonheid, hoewel hij daarover, door zijn ervaringen als jongen, zwijgzaam was. Hij hield vooral van klassieke, barok- en Chinese muziek en van , mooie schepen, wapens en Helleense architectuur. (God, als U bestaat, dank ik U uit de grond van mijn hart voor Jack Havigs foto’s van de onbeschadigde Acropolis.)

Ik was weliswaar de enige die zijn geheim deelde, maar ik was niet zijn enige vriend. Theoretisch kon hij op intieme voet hebben gestaan met alle groten der aarde, zoals Mozes, Pericles, Shakespeare, Lincoln en Einstein, maar in de praktijk waren er te veel obstakels. Nog afgezien van taalbarrieres, en landelijke gebruiken en wetten, waren de groten onbereikbaar doordat zij het te druk hadden, te veel in het oog liepen en te veel aanloop hadden. Nee, Havig — ik noemde hem Jack, maar het lijkt me nu natuurlijker hem bij zijn achternaam te noemen — Havig vertelde mij bijvoorbeeld over zijn kleine Meg (al driehonderd jaar dood) of over de bergbewoner die Lewis en Clark vergezelde, of over een liederlijke, oude moustache die onder Napoleon gediend had.

(’Het verleden is over het algemeen niet beter, dok, echt niet. Dat denken wij, omdat het geleid heeft tot onze grootse prestaties. Maar denk eens na, vergeet de romantische legenden en kijk naar de feiten. In 1800 was de gemiddelde Fransman even onvrij als de gemiddelde Engelsman. Het Franse keizerrijk had Europa kunnen verenigen en had van binnenuit geliberaliseerd kunnen worden — dan zou er geen Eerste Wereldoorlog geweest zijn waarin de Westelijke beschaving zichzelf om zeep hielp. Want dat is gebeurd, weet u. Wij zijn nog steeds aan het doodbloeden, maar het einde is in zicht.’) In de tijd die hij nodig had voor het aanleren van de techniek en het vinden van de middelen voor zijn excursies in de tijd, deed hij het voornamelijk voor zijn plezier. Daarna ontwikkelde hij een plan om collega-mutanten op te sporen. ‘Om de waarheid te zeggen’, grinnikte hij, ‘ga ik me meer en meer tot het leven in achterbuurten aangetrokken voelen.’

‘Het Parijs van Toulouse-Lautrec?’ vroeg ik. Hij had me al verteld dat de decadentie van vroegere tijden schromelijk overdreven was, of zich op zijn hoogst afspeelde in zeer besloten hogere kringen waarin vreemdelingen. niet welkom waren. ‘Dat heb ik nog niet geprobeerd,’ gaf hij toe, ‘misschien een idee. Maar aan de andere kant, de bloeitijd van Storyville. . .’ Hij had geen belangstelling voor de prostituees; hij had al zo veel menselijke ellende meegemaakt, dat hij wist hoe afschuwelijk hun lot was. Hij ging erheen voor de jazz en voor het gezelschap van mensen die echter waren dan de meeste ‘van zijn generatie, om maar niet te spreken van die van 1970.

Intussen vergaarde hij zijn vermogen.

Je zou denken dat dat makkelijk was. Hij hoefde alleen maar de beursnoteringen op te zoeken — het jaar 1929 ligt nogal voor de hand — en zich verder laten stuwen door de golven van Wall Street.

De feiten waren anders. Wat zou hij bijvoorbeeld als geld moeten gebruiken?

Toen hij in Europa was, kocht hij van zijn soldij goud en zilver, dat hij in verschillende perioden van de late achttiende en de negentiende eeuw inwisselde voor geld: Met dat beginkapitaaltje begon hij te handelen. Hij nam bepaalde munten en postzegels mee naar de toekomst en verkocht die aan handelaars. Hij ging terug naar het verleden met enkele aluminium schalen die kostbaarder dan goud waren in de tijd voordat het procede van Hall was uitgevonden. Maar op deze wijze kon noodzakelijkerwijs slechts op beperkte schaal gehandeld worden, doordat hij maar weinig kon meenemen en niet al te veel aandacht op zich wilde vestigen.

Hij overwoog in die periode te investeren en rijk te worden, maar verwierp het idee. De regels en zeden van die tijd waren voor hem te merkwaardig en te ingewikkeld om ze onder de knie te krijgen in de tijd die hij daar wilde doorbrengen. Bovendien wilde hij in zijn eigen tijdperk zijn basis hebben, al was het maar om over snel vervoer te beschikken wanneer hij op zoek ging naar zijn collega-mutanten. Dus kon hij in het niet zo verre verleden geen geld uitzetten tegen samengestelde interest, omdat er in de tussenliggende jaren te veel mis kon gaan.

En hoewel er in 1929 natuurlijk makkelijker te manipuleren was, vertegenwoordigde het goud dat hij meenam slechts een kleine som., Heen- en terugvliegend in die krankzinnige tijd zou hij zijn slag kunnen slaan, maar slechts in beperkte mate, wilde hij niet te veel opvallen. Bovendien moest hij oppassen voor de verschillende regeringsinstanties die in de komende jaren hun nieuwsgierigheid met steeds betere hulpmiddelen konden uitleven.

Hij legde me de details van zijn operaties nooit uit. ‘Om eerlijk te zijn: geld verveelt me,’ zei hij. ‘Ik heb een paar slimme partners gevonden die als stroman optreden en een uiterst solide bank als bewindvoerder, en die laat ik meer van mijn “economische analyses” profiteren dan strikt noodzakelijk is.’

In feite stichtte John Franklin Havig in het verleden een fonds, inclusief een regeling voor de belasting en dergelijke, dat uitbetaald moest worden op de eenentwintigste verjaardag van ‘die mannelijke afstammeling in de zijlinie’ die aan bepaalde ondubbelzinnige voorwaarden voldeed. Zoals gezegd was de bank een van die kathedralen aan de oostkust met gedempt licht, Romeinse pilaren en vermoedelijk een stukje van de rots van Plymouth in een glazen vitrine. Dus toen John Franklin Havig, afstammeling in de zijlinie, in 1964 benaderd werd, was alles zo discreet geregeld dat zijn overgang naar de status van miljonair rimpelloos verliep. De Senlac Trumpet meldde dat hij een aanzienlijk vermogen van een verre bloedverwant had geerfd.

‘Ik laat de bank de pegels beheren,’ vertelde hij, ‘en ik schrijf de cheques uit.’

Uiteindelijk was zijn rijkdom slechts het middel tot een doel.

Nee, verscheidene doelen. Ik heb zijn pleziertjes al genoemd. Daarbij moet ik de hulp noemen, die hij aan zijn moeder en aan anderen gaf. Over het algemeen minachtte hij liefdadige instellingen. ‘Dat zijn grote ondernemingen,’ zei hij. ‘Hun staffunctionarissen verdienen meer dan u, dok. En om het eens heel grof te zeggen; we hebben veel te veel mensen. Wanneer je de Zwarte Dood gezien hebt, kun je je niet meer opwinden over de arme boeren in Missisippi.’ Ik gaf hem er vriendschappelijk van langs omdat hij zo rechts was, terwijl hij het laissez faire in actie had gezien; hij antwoordde dat in deze tijden liberalen als ik niets geleerd en niets vergeten hadden en daar namen we er een op … Toch geloof ik dat hij, zonder er veel drukte over te maken, heel wat mensen gered heeft; en het staat vast dat hij aanzienlijke schenkingen deed aan betrouwbare natuurbeschermingsorganisaties.

‘We hebben een reserve aan leven nodig, ieder soort leven,’ legde hij uit. ‘Vandaag voor onszelf — als een herinnering aan ruimte en groen. Morgen voor ons voortbestaan.’

De Oorlog des Oordeels, zei hij, zou in geen enkel opzicht het tweegevecht tussen kapitalisme en communisme worden dat de meesten van ons in de jaren vijftig zagen aankomen. ‘Ik heb nog maar een heel vaag idee wat er werkelijk gaat gebeuren, maar dat is niet zo verwonderlijk want ik heb haastige bezoeken moeten afleggen omdat ik op mijn hoede moest zijn voor stralingsgevaar en nog veel meer. En wie is tijdens de onmiddellijke nasleep in staat mij een weloverwogen analyse te geven? Verdomme, dok, de geleerden maken nu nog ruzie over wat er ‘14-’18 mis is gegaan.’ Zijn indruk was dat die Oorlog, net als de Eerste Wereldoorlog, een conflict was dat iedereen aan zag komen, dat niemand wilde en waarvoor iedereen zou zijn teruggeschrokken als hij de consequenties had kunnen overzien. Volgens hem was het eerder een ecologische dan een ideologische oorlog.

‘Ik heb het nachtmerrie-achtige idee dat het niet alleen gebeurde doordat enorme oppervlakten in woestijnen veranderen, maar dat die oorlog gewoon moest plaatsvinden. Weet U dat de oceanen de helft van onze zuurstof leveren? Rond 1970 zaten er insecticiden in het plankton en in 1990 lag er schuim op en stonken ze zo erg dat je er niet meer in durfde zwemmen.’

‘Maar dat zag men toch wel aankomen,’ zei ik.

Hij grijnsde. ‘Nou en of. Het “Milieu” was een tijd lang het onder werp van gesprek. “Milieu-Nu”-stickers op de achterruiten van door langharige jongens bestuurde auto’s waaruit de olie droop en die rookwolken uitbraakten waar uw pijp niks bij is … Het duurde niet lang of het werd modieus je ergens anders voor in te zetten, ik ben vergeten waarvoor. Hoe dan ook, dat ging allemaal over. Nadat iedereen zich over steeds weer andere zaken ongerust had gemaakt, kon uiteindelijk niemand meer ergens van wakker liggen. Ziet u, dat was het logische gevolg van de hele trend. Ik weet dat het dom is om een schuldige aan te wijzen voor zo iets veelomvattends als de Oorlog des Oordeels, en wat eraan voorafging en erna gebeurde. Vooral omdat ik niet precies weet wat zich heeft afgespeeld. Maar, dok, ik heb de morele zekerheid dat een groot gedeelte van de ramp zijn oorzaak vond in dit land, de machtigste natie ter wereld, de voorhoede op het gebied van goede en kwalijke zaken … die nooit echt getracht heeft de verantwoordelijkheid van de macht te aanvaarden.

‘We doen halfslachtige pogingen om enkele vijanden in Azie tegen te houden en omdat ze halfslachtig zijn, smijten we met mensenlevens — aan beide kanten — en met belastinggeld zonder dat het enige zin heeft. In de hoop het onverzoenlijke te verzoenen, vervreemden we van de weinige vrienden die we nog hebben. Mensen in de regering noemen de stijgende prijzen als oorzaak van de inflatie, wat ongeveer hetzelfde is als rode vlekken de schuld geven van een mazelen-epidemie, en stellen loon- en prijsstops in, wat ongeveer hetzelfde is als de gescheurde muren behangen van een huis waarvan de fundering verzakt is. En economische instorting brengt internationale machteloosheid met zich mee. De blanken die het goed hebben, zullen zich realiseren dat we verpauperde minderheden hebben en zullen ze genoeg geven om in opstand te komen, maar te weinig om te helpen; en de opstand zal een reactie veroorzaken die ieder restje van vooruitgang zal vernietigen. Wat betreft onze futiele pogingen om evenveel .voor het milieu terug te doen als we eruit halen — nou, ik heb het al over die auto met de milieu-sticker gehad.’

‘Eerst zal Amerika zich storten in een orgie van schuldgevoelens. Daarna zal het zich impotent voelen en ten slotte worden de Amerikanen apathisch. Ze kunnen zich toch iedere pijnstiller, ieder pseudobestaan aanschaffen dat zij wensen.’

‘Ik vraag me af of zij, bij het einde, diep in hun hart hun dood niet welkom zullen heten.’

Havig kreeg dus in februari 1964 de erfenis die hij voor zichzelf verdiend had. Kort daarop begon hij zijn eigen verleden vast te leggen en bracht hij maanden van zijn leven door in de gedaante van ‘Oom Jack’. Ik vroeg hem waarom hij zo’n haast had en hij zei: ‘Ik wil onder andere zoveel mogelijk voorkennis verzamelen als mogelijk is.’ Ik dacht er even over na en wist de neiging te onderdrukken om hem te vragen naar de toekomst van mijzelf en de mijnen. Tot de dag dat Kate begraven werd begreep ik niet wat een rijpe vruchten dit af Zou werpen.

Ik heb Havig nooit gevraagd of hij haar grafsteen al eens gezien had. Misschien wel, maar dan heeft hij erover gezwegen. Als arts weet ik hoe je over zulke informatie kunt beschikken en toch glimlachen.

Hij ging niet rechtdoor van de ene episode van zijn kinderjaren naar de andere. Dat zou te eentonig geweest zijn. In plaats daarvan maakte hij van zijn bezoeken aan het verleden een soort vakantie van zijn studies aan de staatsuniversiteit. Hij was niet van plan nog een machteloos te staan wanneer hij een niet-Engelse omgeving opzocht Bovendien had hij een uitgangspunt nodig van waaruit hij toekomstige taalveranderingen kon extrapoleren; daar en dan was hij ook dikwijls praktisch doofstom.

Hij concentreerde zich op Latijn en Grieks; bij het Grieks op hekoine — dat in zijn verschillende vormen wijder verbreid was in ruimt en tijd dan het klassieke Attisch — en op Frans, Duits, Italiaans Spaans, Portugees en Engels, waarbij hij de nadruk legde op hu ontwikkeling, en daarnaast nog op wat Hebreeuws, Aramees, Arabisch en de vele Polynesische talen.

‘Er is een beschaving aan de andere zijde van de donkere eeuwen, vertelde hij me. ‘Ik heb er nauwelijks naar gekeken en ik begrijp e niets van. Maar het ziet er naar uit dat de volkeren van de Stille Oceaan de wereld overheersen en dat zij de vreemdste lingua franc spreken die je je kunt voorstellen.’

‘Dus er is nog hoop!’ riep ik uit.

‘Ik weet het nog niet zeker.’ Zijn blik boorde zich in de mijne. ‘Stel j eens voor dat je een tijdreiziger bent uit, bijvoorbeeld, de tijd van d Farao’s. Neem eens aan dat je naar de wereld van vandaag ging o als een anonieme toerist wat rond te kijken. Wat voor betekenis zo alles dan hebben? Zou de vraag “Is deze ontwikkeling goed o slecht?” enige zin hebben? Ik heb niet geprobeerd mijn onderzoo verder te laten gaan dan de beginjaren van de Maurai Federatie Alleen dat te begrijpen is al jaren werk.’

Eigenlijk was hij meer geinteresseerd in voorbije tijdperken, die voor hem even levend waren als vandaag of gisteren. Die kon hij vooraf bestuderen — en gedetailleerder dan je zou denken, tenzij je historicus bent. Door zich zo voor te bereiden, kan hij zich vrij rondbewegen. Hoewel het verleden afgrijselijkheden genoeg had, kon niets, niet d Zwarte Dood, of het verbranden van ketters, of de slavenhandel, o de Albigenzische Kruistocht, niet vergeleken worden met het Oordeel.

‘Dan gaat de hele planeet bijna ten onder,’ zei hij. ‘Ik denk dat mij mede-tijdreizigers die periode over het algemeen mijden. Ik heb meer kans ze in gelukkiger of minder ongelukkige tijden te vinden.’

Met deze activiteiten duurde het tot hij, biologisch gezien, ongeveer dertig was voordat hij eindelijk in zijn opzet slaagde. Dat was in Jeruzalem op de dag van de Kruisiging.


6

<p>6</p>

Hij vertelde me in 1964 van zijn plan. Hij probeerde zoveel mogelijk perioden uit de twintigste eeuw over te slaan die gelijk waren aan tijd die hij in een andere tijd doorbracht, zodat zijn werkelijke leeftijd en zijn kalenderleeftijd niet te veel uit de pas zouden raken. woonde niet langer in Senlac, maar had zijn hoofdkwartier in NewYork gevestigd — een postbus in het heden, een weelderig appartement in de jaren 1890, dat gefinancierd was met de verkoop v.’ goud dat hij naar het verleden terugbracht. Hij kwam echter nog bij ons op bezoek. Kate vond dat ontroerend. Ik ook, maar ik wist daarnaast welk een behoefte hij aan mij, als zijn enige vertrouweling had.

‘Maar natuurlijk!’ riep ik uit. ‘De Kruisiging: de gebeurtenis waar. iedere reiziger uit het christendom op af zou komen. Waarom heb het niet eerder gedaan?’

‘Minder makkelijk dan je denkt, dok,’ antwoordde hij. ‘Het is een lange reis naar een door en door onbekend gebied. En staat de datum precies vast, of zelfs het feit zelf?’

Ik knipperde met mijn ogen. ‘Bedoel je dat je er nooit aan gedacht hebt de historische Christus op te sporen? Ik weet dat je niet gelovig bent; maar het mysterie dat op hem. .. ’

‘Dok, wat hij geweest is en of hij er geweest is, zijn vragen die enkel van academisch belang zijn. Mijn leven is te kort om me aan het zuivere onderzoek te wijden. Eigenlijk had ik eerder moeten ophouden met spelletjes en pleziertjes. Ik heb te veel menselijke ellen’ gezien. Tijdreizen moet echt waardevol zijn; het moet ergens toe dienen.’ Hij glimlachte flauwtjes. ‘Je weet dat ik geen heilige ben. Maar ik moet met mijn eigen geweten leven.’

Hij vloog van New York naar Israel in 1969, toen de joden een stevige greep op Jeruzalem hadden en een bezoeker vrij rond kon lopen. Vanuit zijn hotel liep hij met een handtas de Jerichostraat af tot hij een sinaasappelkwekerij vond waar hij zich kon verbergen. Daar sprong (ij terug naar middernacht van de vorige dag en trof zijn voorbereidingen.

Het Arabische kostuum dat hij in een souvenirwinkel gekocht had, zou er ook in Bijbelse tijden mee door kunnen. Van zijn heup hing een mes dat meer eetgerei was dan een wapen; door zich in de tijd te verplaatsen, kon hij zich uit moeilijke situaties redden en daarom nam hij zelden een vuurwapen mee. Een leren buidel bevatte een op de universiteit speciaal voor hem opgestelde lijst met veel voorkomende uitdrukkingen, voorts: voedsel, waterreiniging stabletten, drinkbeker, zeep, vlooienpoeder, antibiotica en geld. Dat laatste bestond uit enkele munten uit de Romeinse tijd en een blokje goud dat hij zo nodig kon inwisselen.

Nadat hij zijn moderne kleren in de buidel had geborgen, haalde hij zijn laatste uitrustingsstuk te voorschijn. Hij noemde het een ‘chronoloog’. Hij had het volgens zijn eigen specificaties laten ontwerpen en bouwen in 1980 om te kunnen profiteren van de superieure transistor-elektronica van die tijd. De constructie vereiste minder vindingrijkheid dan het verzinnen van een reden waarvoor hij het apparaat nodig had.

Ik heb het apparaat gezien. Het zit in een van een handvat voorzien groen kistje van 60 bij 30 bij 15 centimeter. Wanneer het deksel open is, kun je er een optisch instrument uitklappen dat vaag aan een sextant doet denken en kun je de knoppen bedienen en de meters aflezen. Daaronder bevindt zich een zeer geavanceerde mini-computer die op een nikkel-cadmium batterij loopt. Het gewicht is ongeveer vijf pond, wat bijna de helft is van het gewicht dat een tijdreiziger kan meenemen; dat verklaart waarom Havig niet graag een vuurwapen meeneemt — andere zaken zijn veelal nuttiger. Maar niets is zo nuttig als de chronoloog.

Denk eens in. Hij projecteert zich zelf tijdopwaarts of -afwaarts naar een bepaald moment. Hoe weet hij ‘wanneer’ hij gearriveerd is. Bij korte sprongetjes kan hij de dagen tellen en het uur bepalen door middel van de zon en de sterren als er geen klok in de buurt is. Maar duizend jaren betekenen 365.000 zonsopgangen. En er is grote kans dat vele niet opgemerkt worden als gevolg van slecht weer of het tijdelijk in de weg staan van een gebouw of door een andere oorzaak.

Havig orienteerde zich. De nacht was helder en het was koud. De lichten van Jeruzalem hulden de hemel naar het noorden in een nevel, maar elders lag het landschap stil en donker, met uitzondering van wat afgelegen huizen en passerende auto’s; daarboven schitterden de sterrenbeelden waarop hij de positie van de maan en twee planeten instelde. Daarna stelde hij de precieze Greenwich-tijd en de geografische locatie in op de daarvoor bestemde flauw verlichte wijzerplaten en stelde met een nonius de getallen in die correspondeerden met de paasweek Anno Domini 33. (’De datum schijnt niet precies vast te staan,’ had hij opgemerkt. ‘Maar het is wel de dag waar iedereen op af zal komen.’ Hij lachte. ‘Met de geboorte van Christus is het nog erger. Het enige wat daarover waarschijnlijk is, is dat het niet midden in de winter geweest is, anders waren die herders niet van huis geweest om hun schaapjes te weiden!)

Hij had langzaam en diep in- en uitgeademd om zo veel mogelijk zuurstof in zijn bloed te laten opnemen. Nu zoog hij zijn longen vol zonder zich in te spannen, want dat zou energie kosten, en lanceerde zich in het verleden.

Toen kwam de onbeschrijfelijke gewaarwording waarvan hij me verteld had dat het wel iets leek op het tegen een opkomende vloed inzwemmen. De zon kwam in het westen op en schoot naar het oosten; naarmate hij ‘accelereerde’, werd het licht een vage grijze trilling en viel een schaduw om hem heen. Het was doodstil. Heel even zag hij een ontploffende granaat, geluidloos, mistig, maar hij was meteen de Zesdaagse Oorlog voorbij; of was het de Onafhankelijkheidsoorlog of de Eerste Wereldoorlog? Bleke vormloosheden dreven voorbij. Op een bewolkte avond aan het einde van de negentiende eeuw moest hij zijn tijdreis onderbreken om adem te halen. De chronoloog had hem de exacte datum kunnen geven als hij weer een sterretje had willen schieten: de detectors waren ook gevoelig voor de stralingen die door een dicht wolkendek heendringen. Maar dat had geen zin. Een paar mannen te paard, waarschijnlijk Turkse soldaten, waren in de nabijheid. Hun aanwezigheid had te kort geduurd om door hem opgemerkt te worden terwijl hij door de tijd reisde, zelfs al was het dag geweest. In het donker merkten zij hem niet op en het geluid van de hoeven stierf weg.

Hij reisde verder.

Het landschap, vaag als het was, begon langzaam te veranderen. De contouren bleven hetzelfde maar nu eens waren er veel bomen, dan weer weinig, dan was er woestijn, dan bebouwde akkers. Vluchtig zag hij een glimp van een groot houten stadion waarin, naar hij aannam, de Kruisvaarders toernooien hielden voordat zij door Saladin uit hun met bloed besmeurde rijk werden gegooid, en hij kwam in de verleiding even te stoppen; maar hij week niet af van zijn doel. Hij onderbrak de reis vaker om adem te halen naarmate hij zijn doel dichter naderde. De reis vergde veel van zijn krachten; en ook de gedachte dat hij zijn doel binnen een paar uur zou bereiken, deed zijn hart sneller kloppen.

Een waarschuwingslichtje op de chronoloog begon te knipperen.

Het apparaat kon zon, maan, planeten en sterren volgen met een snelheid en een precisie die de mens ontzegd is. Het kon compenseren voor vervroeging van de nachteveningen, de eigen beweging en zelfs voor het afdrijven van de continenten; en als een hemelaanblik correspondeerde met de bestemming, dan kon dat niet anders dan het gewenste tijdstip zijn.

Een rood licht flitste aan en Havig hield stil.

De avond van donderdag liep ten einde. Als de Bijbel de waarheid sprak, was het Laatste Avondmaal gehouden, de doodsangst in de Hof van Olijven was voorbij en Jezus lag in boeien en zou spoedig voor Pilatus gebracht worden om te worden veroordeeld, gegeseld, gekruisigd, doorstoken, doodverklaard en in het graf gelegd te worden.

(’Ze binden ze op het kruis,’ vertelde Havig mij. ‘Nagels zouden het gewicht niet kunnen dragen; de handen zouden uitscheuren. Soms werden spijkers ingeslagen als speciale wraakoefening, dus in zoverre zou de overlevering juist kunnen zijn.’ Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht. ‘Dok, ik heb ze zien hangen, hun tong zwart van de dorst en met opgezwollen buiken ; na een tijdje schreeuwen ze niet maar steunen ze hees en hebben hun ogen niets menselijks meer. En de stank! Het duurt vaak dagen voor ze sterven. Ik vraag me af of Jezus geen zwak gesteld had, zo snel kwam hij aan zijn einde … Misschien een paar vrienden en verwanten bevinden zich achteraan in de menigte en die durven nauwelijks te praten of te huilen. De overigen maken grappen, gokken, picknicken, drinken en tillen de kinderen op om ze beter te laten zien. Wat is dat nou eigenlijk, de mens’) (Er is geen reden voor trots. Wij leven in de eeuw van Buchenwald en Vorkuta — en Havig herinnerde me aan wat zich had afgespeeld in de met heimwee herdachte beginjaren van de eeuw in de Belgische Congo en het zuiden van de Verenigde Staten — en hij vertelde wat nog te gebeuren stond. Misschien benijdde ik hem toch niet om zijn tijdreizen.)

De ochtend kleurde het oosten wit. Achter hem bevond zich een olijvenboomgaard en daarachter zag hij een groepje uit gedroogde leem opgetrokken gebouwen. De weg was een onverhard karrespoor. Ver weg, half verscholen in de talmende duisternis, lag het Jeruzalem van de Herodiaanse koningen en het Romeinse proconsulaat op de heuvels uitgestrekt. Het was kleiner en dichter opeen gebouwd dan de stad die hij zich van twee millennia later herinnerde. Het was bijna geheel ommuurd, hoewel ook daarbuiten hofsteden lagen. Kramen en vilten tenten van provincialen die voor de feestdagen naar de heilige plaatsen waren gekomen, concentreerden zich voor de poorten. Het was koud en de lucht rook naar aarde. Vogels tjilpten. ‘Een- of tweehonderd jaar terug,’ zei Havig mij eens, ‘is de hemel bij dag altijd vol met vogels.’

Terwijl hij zat uit te hijgen, werd het lichter en keerden zijn krachten terug. Hongerig at hij brokken geitenkaas en brood en verbaasd realiseerde hij zich dat hij een doodnormale maaltijd gebruikte op de eerste Goede Vrijdag ter wereld.

Als dat al zo was. De geleerden konden zich in de datum vergist hebben of Jezus was niets anders geweest dan een Osirisch-Joods Mithraische mythe. Maar stel dat hij dat niet was. Neem eens aan dat hij dan wel niet letterlijk de vleesgeworden Schepper was van deze landerijen, dit gevogelte en het heelal… maar toch minstens de profeet uit wiens visie bijna alles voortkwam wat in later eeuwen als rechtschapen beschouwd zou worden. Kon men zijn leven beter besteden dan door hem bij zijn verkondiging te volgen? Dan zou Havig vloeiend Aramees moeten leren spreken, zich de duizend en een details van het dagelijks leven in die tijd eigen maken en zijn speurtocht opgeven… De zon brak door en hij stond zuchtend op. Spoedig had hij gezelschap, maar hij bleef een buitenstaander.

(’Als er iets is dat de mens verandert, dan is dat wetenschap en technologie,’ zei hij. ‘Denk eens aan het feit dat ouders het niet vanzelfsprekend vinden dat enkele van hun baby’s zullen sterven. Dan ontstaat een heel ander begrip van wat een kind is.’ Aan mijn gezicht moet hij kunnen hebben zien dat ik aan Nora dacht, want hij legde zijn hand op mijn schouder en zei: ‘Het spijt me, dok, daar had ik niet over moeten beginnen. Vraag me nooit een camera of een penicilline-injectie naar haar tijd mee terug te nemen, want ik heb geprobeerd gedane zaken te veranderen, en er is altijd iets dat dat verhindert … Denk eens aan elektrisch licht of zelfs kaarsen. Als je bent aangewezen op een flakkerende lont in een kommetje olie, dan ben je praktisch van het daglicht afhankelijk. De eenvoudige vrijheid van laat opblijven is in werkelijkheid niet zo eenvoudig. Het heeft allerlei subtiele, verstrekkende gevolgen voor de psyche.’)

De bevolking was met zonsopgang op en verzorgde het vee, wiedde onkruid, stookte vuur, kookte, en hield schoonmaak voor de sabbat. Gebaarde mannen in gerafelde kleren porden uitgemergelde, bijna onder hun last bezwijkende ezeltjes in de richting van de stad. Kinderen die nog nauwelijks konden lopen, strooiden graankorrels uit voor het pluimvee; wat oudere kinderen schopten zwerfhonden bij de lammeren vandaan. Op de weg was het een enorm gedrang: karavaans, sjeiks, priesters, afzichtelijke bedelaars, boeren, handwerkslieden, een verlate en zeer dronken hoer, een paar Anatolische kooplui met cilindrische hoeden, die een man in een Griekse tuniek vergezelden — en dan een hese kreet om ruim baan te maken, het geluid van paardenhoeven en rinkelend metaa een Romeinse patrouille die van de nachtronde terugkeerde.

Ik heb foto’s gezien die hij bij andere gelegenheden gemaakt heeft en ik kan mij het tafereel levendig voorstellen. Het was minder kleurrijk dan wij met onze fluorescerende en aniline-verfstoffen zouden denken. De stoffen waren gedempt bruin, grijs, blauw, vermiljoen en nogal bestoft. Maar het lawaai was enorm — schrille stemmen, gelach, gevloek, overdreven leugens en opschepperij, liermuziek, flarden van een lied; schuifelende voeten, het geklop van onbeslagen hoeven, krakende houten wielen, jankende honden, blatende schapen, grommende kamelen en altijd en altijd de vogels van de lente. Deze mensen waren geen stijve Engelsen of Amerikanen; nee, ze zwaaiden met hun armen, sloegen elkaar op de schouders, dansten, sloegen beledigd de hand aan het gevest en waren het bijna onmiddellijk weer vergeten. En de geuren! Het zoete zweet van de paarden, het zure zweet van de mensen; de geurige rook van cederhout en de bijtende rook van gedroogde uitwerpselen; versgebakken brood; prei, knoflook en zurig vet; overal de uitwerpselen van dieren en de lucht van mestvaalten; een vleug muskus en rozenolie wanneer een vrouw in een draagstoel voorbij werd gedragen; een wagenlast nieuw hout; zadelleer verwarmd door de zon. Nooit zou Havig deze dag prijzen waarop spijkers in levende mensen geslagen werden; maar niets dat hij inademde deed hem hoesten, niets deed pijn aan zijn ogen, niets gaf hem emfyseem of kanker.

De poort van Jeruzalem stond open. Zijn hart bonsde.

Toen werd hij ontdekt.

Het gebeurde onmiddellijk. Iemand tikte hem op de schouder. Hij draaide zich om en zag een gedrongen man met een breed gezicht die net zo gekleed was als hij en die ook geen baard had, kort haar en een lichte huid.

Zweet glom op het gezicht van de vreemdeling. Hij zette zich schrap tegen het gedrang van de menigte en riep boven het lawaai uit: ‘Es tu peregrinator temporis?’

Hij had een zwaar accent — achttiende-eeuws Pools naar later zou blijken — maar Havig was goed thuis in klassiek Latijn en begreep hem.

‘Bent u een tijdreiziger?’

Even wist hij geen antwoord te geven. Alles draaide om hem heen. Dit was het einde van zijn speurtocht. Of van de hunne.

Zijn lengte viel in deze omgeving nogal op en hij had zijn hoofd onbedekt gelaten om zijn haardracht en zijn noordse trekken beter te laten opvallen. In tegenstelling tot de meeste gemeenschappen in de geschiedenis, was het Jeruzalem van Herodes kosmopolitisch genoeg om vreemdelingen toe te laten; hij had gehoopt dat anderen, zoals hij, zouden vermoeden dat hij zowel een vreemdeling uit een ander land als uit een andere tijd was. Nu was zijn hoop in vervulling gegaan. Zijn eerste gedachte, voordat de vreugde hem overviel, was het onbehaaglijke idee dat deze man er veel te vervaarlijk uitzag.

Ze zaten in de herberg die hun ontmoetingsplaats was en praatten: Waclaw Krasicki, in 1738 uit Warschau vertrokken, Juan Mendoza, in 1924 uit Tijuana vertrokken, en de pelgrims die zij gevonden hadden.

Dat waren Jack Havig en Coenraet van Leuven, een soldaat uit het dertiende-eeuwse Brabant, die zijn zwaard getrokken had om zijn Heiland te redden, maar door Krasicki was tegengehouden voor hij door een Romeins zwaard werd doorstoken en die nu zijn hoofd brak over de vraag: ‘Hoe wist je dat die persoon echt de Heer was?’ Er was ook een zeventiende-eeuwse, grijsgebaarde monnik die alleen Koratisch (?) sprak en Boris scheen te heten, en een magere, pokdalige vrouw met touwhaar, die ineengedoken met glazige blik zat te mompelen in een taal die niemand thuis kon brengen. ‘Is dat alles?’ vroeg Havig ongelovig. ‘Nee, we hebben nog meer agenten in de stad,’ antwoordde Krasicki. Ze spraken Engels nu ze wisten waar de Amerikaan vandaan kwam. ‘We ontmoeten elkaar maandagavond en daarna weer vlak na, eh, Pinksteren. Ik denk dat ze nog wel meer reizigers zullen vinden. Maar over het algemeen is de oogst minder dan we verwacht hadden.’ Havig keek om zich heen. Het lokaal was aan de voorkant open. De klanten zaten met gekruiste benen op versleten tapijten en hadden een onbelemmerd uitzicht op het verkeer op straat terwijl ze dronken uit stenen bekers die door een jongen met een leren wijnzak werden bijgevuld. Jeruzalem trok lawaaiig voorbij. Op Goede Vrijdag!

Krasicki was niet onder de indruk. Hij had verteld dat hij zijn achterlijke stad, land en tijd verlaten had voor de Franse Verlichting; fluisterend had hij zijn partner Mendoza als gangster bestempeld. (’Huurling’ had hij gezegd, maar de bedoeling was duidelijk.) ‘Mij doet het niks dat een joodse timmerman die aan delirium lijdt, terecht wordt gesteld,’ vertelde hij Havig. ‘Jou ook niet, wel? Ik geloof dat we tenminste een behoorlijke rekruut hebben.’ Zo dacht de Amerikaan er in feite helemaal niet over. Hij voorkwam een woordenwisseling door te vragen: ‘Zijn er werkelijk zo weinig tijdreizigers?’

Krasicki haalde zijn schouders op. ‘Wie weet? Het is niet eenvoudig hier te komen, dat is duidelijk. Jij bent in een vliegmachine gestapt en was hier in een paar uur. Maar denk eens aan de moeilijkheden of de pure onmogelijkheid van zo’n reis in de meeste tijdperken. Je leest over middeleeuwse pelgrims. Maar hoeveel waren er in verhouding tot de hele bevolking? Hoeveel stierven onderweg? Ik neem ook aan dat we sommige tijdreizigers niet zullen vinden omdat ze niet gevonden willen worden — of misschien is het. nooit bij ze opgekomen dat soortgenoten naar ze op zoek zijn — en dan is hun vermomming ons te machtig.’

Havig staarde naar hem, naar de onverstoorbare Juan Mendoza, de halfdronken Coenraet, de smerige, biddende Boris, de onbekende krankzinnige vrouw en dacht: ‘Natuurlijk. Waarom zouden alleen mensen zoals ik de gave hebben? Waarom verwachtte ik niet dat het willekeurig zou zijn, een dwarsdoorsnede van de gehele mensheid? En ik weet hoe de mensheid is. En waarom denk ik dat ik iets bijzonders ben?’

‘We kunnen ook niet al te veel man-uren aan zoeken besteden,’ zei Krasicki. ‘We zijn met te weinig in het Arendsnest.’ Hij sloeg Havig op de knie. ‘Jezus Christus, wat zal de Sachem blij zijn dat we jou tenminste gevonden hebben!’

Een derde-eeuwse Syrische kluizenaar en een Ionische avonturier uit de tweede eeuw voor Christus werden door twee andere teams opgespoord. Er kwam melding van nog een vrouw — naar het scheen een Koptische — maar zij verdween toen zij benaderd werd.

‘Een schamele oogst,’ gromde Krasicki en hij ging voor bij de tijdreis naar de dag na Pinksteren — die niets opleverde — en vervolgens naar de eenentwintigste eeuw.

Stof waaide over een woestijn. In Jeruzalem was geen leven meer te bespeuren, slechts stenen en verbleekte botten. Een vliegtuig met een scherpe neus, korte vleugels en atoomaandrijving stond klaar. Het was door mannen van het Arendsnest uit een hangar gehaald waarvan de bewakers geen tijd meer gehad hadden om dit oorlogstuig in de strijd te werpen, zo snel had de dood toegeslagen. ‘We vlogen over de Atlantische Oceaan,’ vertelde Havig. ‘Het hoofdkwartier lag in wat vroeger Wisconsin geweest was. Ze lieten mij mijn chronoloog meenemen, maar ik wendde taalmoeilijkheden voor om ze niet te hoeven uitleggen wat het was. Zij zelf hadden moeten zoeken tot ze het juiste tijdstip hadden. Dat is een onhandig, tijdverkwistend proces dat waarschijnlijk het geringe aantal tijdreizigers dat zij vonden verklaart en tevens waarom hun organisatie niet graag lange reizen door de tijd maakt. De terugkeer was makkelijker omdat ze een groot bord op de ruines hadden neergezet waarop met een wijzer dagelijks de juiste datum werd aangegeven. Tegen het einde van de eenentwintigste eeuw waren ze nog maar net begonnen. Het kamp en de keetjes lagen binnen een omheining en waren meer dan eens aangevallen door inboorlingen of plunderaars. Van toen af reisden we verder in de toekomst, naar de tijd dat de Sachem zijn expeditie naar Jeruzalem had gestuurd. Ik weet niet of mijn vriend Jezus ooit aanschouwd heeft.’


7

<p>7</p>

Na honderd jaar was het een aanzienlijke vestiging. De vruchtbaarheid van de eerder besmette aarde steeg, en zo kon de bevolking groeien. Graan rijpte op lage heuvels onder een zachte hemel waarin zomerse wolken voortdreven. Bosbouw voor timmerhout zorgde voor koepels van donkerder groen waarin vogels nestelden en de wind ruiste. Er was een regelmatig netwerk van onverharde wegen. De mensen waren druk bezig. Zij beschikten slechts over handgereedschappen en door dieren aangedreven machines; deze waren echter degelijk geconstrueerd. Zij leken erg op elkaar in hun veelal zelfgeweven blauwe broeken en jasjes, en met hun slappe strooien hoeden en primitieve schoenen. Verweerd en knokig als elke pre-industriele boer, het haar recht afgeknipt onder het oor, waren ze klein vergeleken met het gemiddelde van onze tijd en velen hadden een slecht of helemaal geen gebit. Toch hadden zij het onvergelijkbaar veel beter dan hun voorouders ten tijde van het Oordeel.

Ze pauzeerden even om de reizigers te begroeten die te paard van het vliegveld kwamen en bogen zich onmiddellijk daarna weer over hun arbeid. Zo nu en dan kwamen ze een paar bereden soldaten tegen, die met een eerbiedig maar minder slaafs gebaar hun sabels presenteerden. Zij droegen blauwe uniformen, stalen helmen en borstplaten en waren, afgezien van de sabels, bewapend met een ponjaard, een pijl en boog, een bijl en een in een houder rustende lans waaraan een rode wimpel wapperde.

‘Jullie schijnen streng toezicht te houden,’ zei Havig ongerust.

‘Hoe zou het anders kunnen?’ zei Krasicki bits. ‘Het grootste gedeelte van de wereld, met inbegrip van dit continent, is nog steeds ten prooi aan barbaarsheid en wreedheid; waar de mens het overleefd heeft tenminste. We kunnen alleen dat vervaardigen waarvoor we materialen en machines hebben. De Mongs leven op de vlakten ten westen en ten zuiden van ons Zij zouden ons als een stormwind overvallen als we onze verdediging zouden verwaarlozen. Onze troepen houden geen toezicht op de arbeiders, ze beschermen ze tegen bandieten. Nee, die mensen mogen het Arendsnest dankbaar zijn voor wat ze hebben.’

Het middeleeuwse patroon herhaalde zich in het dorp. Families woonden niet in afzonderlijke huizen, maar leefden samen bij een versterking en bewerkten ‘collectief het land. Maar hoewel het er redelijk schoon uitzag, wat een hele verbetering was ten opzichte van de middeleeuwen, miste het toch de middeleeuwse charme. Rijen bakstenen huizen langs geasfalteerde straten waren even monotoon als de Midlands in de tijd van Victoria. Havig veronderstelde dat de behoefte aan vlugge en stevige constructie voorrang had gekregen boven individuele keuze en dat er te weinig overbleef om deze barakken door echte huizen te vervangen. Tenzij … Maar hij moest zijn twijfel in het voordeel van de Sachem uitleggen totdat hij meer wist… Hij zag een schilderachtig, vrolijk gekleurd gebouw, opgetrokken in min of meer Aziatische stijl. Krasicki vertelde hem dat het een tempel was waar gebeden werd tot Yasu en offers gebracht aan de Oktai die de Mongs hadden meegebracht. ‘Geef ze hun godsdienst, dwing hun priesters tot medewerking en je hebt ze,’ voegde hij eraan toe.

‘Waar is de galg?’ vroeg Havig met een grimas.

Krasicki keek hem verbijsterd aan. ‘We hangen niet in het openbaar op. Wat denk je wel van ons?’ Even later: ‘Met halfslachtige maatregelen kan niemand deze jaren overleven.’ Het fort doemde voor ons op. Hoge, van torens voorziene bakstenen muren omringden een oppervlakte van enkele hectaren. Ze waren even streng en functioneel gebouwd als het dorp. Ter weerszijden van de poort en op de kantelen stonden zware machinegeweren die ongetwijfeld uit de ruines geborgen waren of stukje bij beetje uit het verleden gehaald waren. Puffende geluiden vertelden Havig dat binnen de muren door motoren aangedreven generators draaiden.

Wachtposten presenteerden het geweer. Een trompet klonk. Geroffel op de planken van de ophaalbrug en gekletter van de paardenhoeven op de tegels van de binnenplaats.

Krasicki’s groep hield in. Van alle kanten kwamen opgewonden pratende mensen aanlopen. De meesten waren kasteeldienaren in livrei. Het viel Havig nauwelijks op. Zijn aandacht werd afgeleid door iemand die zich naar voren drong tot zij voor hen stond. Enthousiasme straalde van haar af. Hij kon haar hese accentrijke woorden nauwelijks volgen: ‘Bij de staart van Oktai, je hebt ze gevonden!’ Ze was bijna even groot als hij en stevig gebouwd met brede schouders en brede heupen, naar verhouding kleine borsten en lange ledematen. Ze had hoge jukbeenderen, een kleine neus, een brede mond en gave tanden waarvan er twee ontbraken. (Later hoorde hij dat die er in een gevecht uitgeslagen waren.) Haar dikke, mahoniekleurige haar droeg ze niet in de stijl van vandaag, maar lang tot op haar heupen, hoewel het nu lag opgerold in vlechten boven haar barbaars grote koperen oorringen. Ze had bruine, enigszins amandelvormige ogen — misschien Indiaans of Aziatisch bloed — onder volle wenkbrauwen. Ze droeg een ruim tuniek en een kilt, laarzen met veters, een jachtmes, een revolver, een volle patroongordel en, aan een halsketting, de kop van een wezel.

‘Waar jij van? Jij daar!’ Ze wees naar Havig. ‘Mooie jaren, nee?’ Een kreet van plezier. ‘Jij veel vertellen, makker!’

‘De Sachem wacht,’ waarschuwde Krasicki.

‘Oke, ik ook maar niet hele dag, hoor je?’ En toen Havig was afgestegen, sloeg zij haar armen om hem heen en kuste hem vol op zijn mond. Ze rook naar zon, leer, zweet, rook en vrouw. Zo maakte hij kennis met Leonce van het Gletsjervolk, de Skula van Wahorn.

De werkkamer was de antichambre van een luxueuze suite. De lambrisering was van eikenhout en er lag een dik, donkergrijs tapijt. Ook de gordijnen bij de vensters waren zacht en streelbaar: mink. Vanwege hun massiviteit moesten het bureau, de stoelen en de bank in deze tijd vervaardigd zijn, maar de zorg die eraan besteed was stond in schril contrast met de soberheid die Havig was opgevallen in de kamers die uitkwamen op de gangen waar ze doorheen gekomen waren. Er hingen enkele foto’s in zilveren lijsten. Een daguerreotype van een kwijnende vrouw in een jurk uit het midden van de negentiende eeuw en de rest gewone foto’s, ongetwijfeld opgenomen met een miniatuurcamera met een telelens zoals hij zelf ook gebruikte. Hij herkende Cecil Rhodes, Bismarck en een jeugdige Napoleon; een man met een gele baard, gehuld in een mantel, kon hij niet plaatsen. Deze vijfde verdieping van de hoofdtoren bood een wijds uitzicht op het complex van kleinere gebouwen en de gonzende activiteit van het Arendsnest en het gebied waarover het regeerde. De middagzon scheen in lange, warme banen. Het puffen van de generator was nauwelijks te horen ‘Laten we een muziekje opzetten.’ Caleb Wallis schakelde een moleculaire recorder in van kort voor het Oordeel en dreunende tonen vulden de kamer. Hij draaide het geluid lager maar zei: ‘Zo hoort het, triomfmuziek. God, Havig, ik ben blij dat ik je heb!’ De nieuwkomer herkende de Binnenkomst der Goden uit Das Rheingold. De rest van zijn groep was, met inbegrip van de gidsen, tactvol weggezonden nadat ze in een kort gesprek gevraagd was wat ze waren. ‘Jij bent anders,’ zei de Sachem. ‘Jij bent die ene in de honderd die we het hardst nodig hebben. Moet je een sigaar?’

‘Nee bedankt, ik rook niet.’

Wallis zweeg even voor hij eerder nadrukkelijk dan luid zei: ‘Ik ben de oprichter en heer en meester van deze natie. Discipline en respect zijn nodig. Men spreekt mij aan met “meneer”.’ Havig bekeek hem. Wallis was van middelmatige lengte, maar breed en krachtig ondanks het buikje van de middelbare leeftijd. Hij had een blozende gelaatskleur, een wat platte neus en borstelige wenkbrauwen. Hij had een rossig-grijze snor die doorliep tot in zijn bakkebaarden en de krans haar rond zijn kale schedel. Zijn zwarte uniform droeg zilveren knopen en insignes en een met goud bestikte kraag en epauletten. Aan zijn ceintuur hing een sierdolk en een automatisch pistool. Toch maakte hij geen lachwekkende indruk. Hij straalde zelfvertrouwen uit en had een diepe, innemende, bijna hypnotiserende stem als hij dat wilde. Nooit sloeg hij zijn kleine bleke ogen neer.

‘U moet beseffen dat dit alles nogal nieuw en overdonderend is … meneer,’ zei Havig ten slotte.

‘Natuurlijk!’ Wallis straalde en gaf hem een klap op de schouder. ‘Jij zult het snel leren. Je zal het ver brengen, mijn jongen. Voor iemand met ruggengraat, die weet wat hij wil, is niets hier onmogelijk. En je bent nog Amerikaan ook. Een eerlijke Amerikaan uit een tijd dat ons land zich zelf nog was. Daar hebben we er verrekt weinig van.’ Hij ging achter zijn bureau zitten. ‘Ga zitten. Nee, wacht even. Zie je de drank staan? Geef mij maar twee vingers bourbon. Neem zelf wat je lekker vindt.’

Havig vroeg zich af waarom er geen sodawater en ijs was. Dat had makkelijk gekund. Hij hield het erop dat Wallis er niet om gaf en dat het hem niet kon schelen of anderen dat wel deden. Gezeten in een leunstoel en met een glas rum in de hand, waagde hij te zeggen: ‘Ik kan u uitgebreid over mijn levensloop inlichten, meneer, maar misschien kan dat beter wachten totdat ik weet wat het Arendsnest … is.’

‘Juist, juist.’ Wallis zoog aan zijn sigaar en knikte. De rook was scherp. ‘Maar laten we eerst een paar dingen vaststellen. Geboren in 1933, zei je? Ooit iemand laten merken wat je bent?’ Havig onderdrukte de neiging om over mij te beginnen. Ter zake kundige vragen werden op hem afgevuurd: ‘Teruggegaan als jonge man om je kinderjaren te begeleiden? Daarna je positie verbeterd en toen op zoek gegaan naar andere tijdreizigers?’

‘Ja, meneer.’

‘Wat vind je van je eigen tijdperk?’

‘Wat? Eh nou… we zijn in moeilijkheden. Ik ben naar de toekomst gegaan en heb een glimp opgevangen van wat ons te wachten staat, meneer.’

‘Door verval, Havig, dat begrijp je toch wel. Zijn toon werd dreigend. ‘De beschaafde mens keerde zich tegen zichzelf, eerst met oorlog en later door moreel verval. De imperia van de blanken brokkelden sneller af dan Rome; Het werk van Live, Bismarck, Rhodes, McKinsey, Latei, de Boeren, alles dat bereikt was, in een enkele generatie weggegooid; de trots op ras en afkomst verdwenen; verraders op machtsposities — bolsjewieken en het internationale Jodendom — die tegen de gewone blanke preekten dat de toekomst aan zwart was. Dat heb ik gezien toen ik jouw eeuw bestudeerde. Heb jij het gezien?’ Havig stoof op. ‘Ik heb gezien wat vooroordeel, ongevoeligheid en stompzinnigheid aanrichten. De zonden van de vaderen worden waarlijk bezocht aan de zonen.’

Wallis negeerde het feit dat Havig hem niet met ‘meneer’ aansprak. Hij begon daarentegen te glimlachen en zei sussend: ‘Ik weet het, ik weet het. Begrijp me niet verkeerd. Veel kleurlingen zijn uitstekende, dappere kerels — Zoeloes bijvoorbeeld, of Apachen, om een ander ras te noemen, of Jappen, om nog een ander te noemen. Alle reizigers die we onder hen vinden, zullen de kans krijgen om dezelfde eervolle plaats in te nemen als al onze betrouwbare tijdagenten en jij zelf ook, daar ben ik zeker van. Donders, ik heb bewondering voor wat ik van die Israeli’s gehoord heb. Een bastaardvolk, als ras niet verwant aan de Hebreeuwen uit de bijbel, maar intelligent en goede vechters. Nee, ik heb het over de noodzaak dat iedereen zijn eigen trots en identiteit bewaart. En ik heb alleen een hekel aan die klassen die met recht nikkers, roodhuiden, pinda’s, ploppers, enzovoort genoemd worden. Je weet wat ik bedoel. Daar zitten genoeg zuivere blanken bij die, het spijt me het te moeten zeggen, of de moed hebben opgegeven, of zich gewoon aan de vijand verkocht hebben.’

Havig dwong zichzelf voor ogen te houden dat deze opvattingen gemeengoed waren in de eeuw waarin de Sachem geboren was. Zelfs Abraham Lincoln had gesproken over de aangeboren inferioriteit van de neger … Hij nam aan dat Wallis geen mensen liet kruisigen. ‘Mijnheer,’ zei hij extra zorgvuldig, ‘ik stel voor dat we meningsvers schillen vermijden totdat we onze uitgangspunten uiteengezet hebben. Dat kan nog heel wat voeten in de aarde hebben. Intussen kunnen we ons beter beperken tot praktische zaken.’

‘Goed, goed,’ gromde Wallis. ‘Je hebt een goed stel hersens, Havig. En je bent een man van de daad ook, binnen bepaalde grenzen dan. Maar ik zal er niet omheen draaien, in dit stadium hebben we het meest behoefte aan mensen met hersens, zeker als ze wetenschappelijk geschoold zijn en een realistische kijk op de dingen hebben.’ Hij zwaaide met zijn sigaar. ‘Neem de vangst van vandaag nou eens. Een schoolvoorbeeld! De Brabander en de Griek kunnen waarschijnlijk opgeleid worden tot bruikbare soldaten, verkenners, hulpjes op tijd expedities enzovoorts. Maar de rest…’ Hij klakte met zijn tong. ‘1k weet het niet. Misschien op zijn hoogst als voerlui om dingen uit het verleden te halen. En ik hoop maar dat de vrouw voor de teelt geschikt is.’

‘Wat?’ Havig sprong overeind. ‘Kunnen we kinderen krijgen?’

‘Onder elkaar wel. Dat hebben we de afgelopen honderd jaar bewezen.’ Wallis bulderde van het lachen. ‘Maar met niet tijdreizigers nooit, maar dan ook nooit. Dat hebben we nog vaker bewezen. Wat zou je zeggen van een lekker dienstertje om vannacht je bed warm te houden? We hebben ook slaven die we op strooptochten gevangen hebben. En ga nou niet de moralist uithangen, want als we ze niet gevangen genomen hadden of ze de keel afgesneden hadden, zouden die lui hetzelfde met ons doen en doorgaan met moeilijkheden aan onze grenzen veroorzaken.’ Hij werd weer ernstig. ‘Er is een ernstig tekort aan vrouwelijke tijdreizigers en de weinige die er zijn, willen of kunnen niet allemaal moeder worden. Bovendien krijgen ze gewone kinderen. De gave is niet erfelijk.’

Gezien de hypothese die hij had opgesteld (hoe lang geleden in zijn herhaaldelijk onderbroken levenslijn?), was Havig niet verrast. Als twee stellen chromosomen samen leven konden scheppen dan moest dat mogelijk zijn doordat de resonanties (?) die anders bevruchting voorkwamen, uitgeschakeld werden.

‘Nu dan, het heeft dus geen zin ons eigen ras te fokken,’ ging Wallis droefgeestig verder. ‘Natuurlijk geven we onze kinderen een goede opleiding, een voorkeursbehandeling en leidende functies zodra ze volwassen zijn. Dat moet ik wel toestaan, wil ik mijn ondergeschikten loyaal houden. Maar, onder ons gezegd, het kost me dikwijls verschrikkelijke moeite om een schijnbaar gewichtige functie te vinden waar iemands nageslacht geen kwaad kan. Het feit dat de ouders tijdreizigers zijn, wil nog niet zeggen dat ze geen uilskuikens zijn die alleen maar geschikt zijn om nog meer uilskuikens ter wereld te brengen. Nee, ik zal niet ontkennen dat we hier een soort van aristocratie vormen, maar dat kunnen we niet lang erfelijk houden. Dat zou ik trouwens toch niet willen.’

‘Wat wilt u dan wel, meneer?’ vroeg Havig zacht.

Wallis ontdeed zich van zijn sigaar en zijn glas alsof de woorden die gingen volgen eerbiedig gevouwen handen vereisten. ‘De beschaving terugbrengen. Daarvoor heeft God ons soort geschapen.’

‘Maar de toekomst… wat ik gezien heb…’

‘De Maurai-Federatie?’ Het brede gezicht vertrok van woede en hij sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Hoeveel heb je eigenlijk gezien? Een verdomd klein beetje, niet? Ik heb dat tijdperk onderzocht, Havig. We zullen je meenemen om het zelf te kunnen ondervinden. Ik zeg je dat het een bastaardras is van Kanaka’s, blanken, nikkers en Japanse en Chinese spleetogen dat aan de macht komt — op het ogenblik dat we hier zitten — en dat alleen maar omdat ze minder hard getroffen zijn dan wij. Ze zullen werken en vechten en omkopen en samenspannen om de wereld te kunnen overheersen en dat alleen maar om hun wil te kunnen opleggen aan het menselijk ras in het algemeen en het blanke ras in het bijzonder om de vooruitgang voor altijd tegen te houden. Je zult het zien! Je zult het zien!’ Hij leunde achterover, haalde diep adem, gooide zijn whisky in een teug naar binnen en zei: ‘Nou, het zal ze niet lukken. Drie, vier eeuwen op zijn hoogst, zo lang zal de mensheid hun juk moeten dragen. Maar daarna — daar is het Arendsnest voor, Havig, voor daarna.’

‘Ik ben geboren in 1853, in de staat New York,’ vertelde de Sachem. ‘Mijn vader was een arme winkelier en streng doopsgezind. Dat portret daar is mijn moeder.’ Hij wees naar het zachtaardige gezicht aan de muur en even was een zekere tederheid merkbaar. ‘Ik was de jongste van de zeven kinderen die in leven bleven. Vader kon maar weinig tijd en energie aan ons besteden, vooral omdat de oudste jongen zijn lieveling was. Nu, dat heeft me op jeugdige leeftijd geleerd voor mijzelf te zorgen en mijn mond dicht te houden. En ijver en spaarzaamheid. Toen ik officieel zeventien was, ging ik naar Pittsburgh omdat ik toen al wist dat daar de toekomst lag. Mijn oudere ik heeft nauwer met mij samengewerkt dan de jouwe, neem ik aan, maar ik heb dan ook altijd geweten dat ik een bestemming had.’

‘Hoe heeft u uw vermogen verdiend, meneer?’ vroeg Havig. ‘Wel, mijn oudere ik sloot zich aan bij de ‘Negenenveertigers’ in Californie. Hij was alleen maar uit op een behoorlijk sommetje, precies genoeg om tegen een redelijke winst te investeren in legermateriaal en vervolgens vooruit te springen naar de Burgeroorlog. Vervolgens liet hij mij zijn tijdspoor volgen en toen ik in Pittsburgh terugkwam was de rest eenvoudig. Je kunt het geen speculaties noemen wanneer je weet wat er gaat gebeuren, nietwaar? Op het juiste ogenblik in ‘73 speculeerde ik a la baisse, en na die paniek kon ik bezit opkopen waar beslag op gelegd was, en dat later waarde zou krijgen door de aanwezigheid van olie en kolen. Kocht ook spoorwegen en hoogovens, ondanks de moeilijkheden met stakers en anarchisten en zulk tuig. Omstreeks 1880, toen ik in werkelijkheid ongeveer vijfendertig was, had ik de buit wel binnen, vond ik, en kon ik het werk beginnen waar God mij voor geschapen had.’

Plechtig zei hij: ‘Ik heb het geloof van mijn vader verlaten. Dat doen de meeste tijdreizigers, geloof ik. Maar ik geloof nog steeds in een God die zo nu en dan een bepaalde man tot zijn bestemming roept.’ Toen begon Wallis te schudden van het lachen en hij riep uit: ‘Tjonge, tjonge, is dat even verheven taal voor een gewone Amerikaan? Het is niet zo mooi en prachtig als in de geschiedenisboekjes staat, Havig. Het is keihard werken, geduld hebben en je alles ontzeggen. Je moet bereid zijn van je fouten te leren in plaats van je successen. Je ziet dat ik niet zo jong meer ben en dat mijn plannen nog nauwelijks verwezenlijkt zijn, laat staan vrucht afwerpen. Maar het doen, het doen op zich, dat is pas leven!’

Hij reikte zijn lege glas aan. ‘Vul nog eens bij,’ zei hij. ‘Gewoonlijk drink ik niet veel, maar God, wat heb ik ernaar verlangd om weer eens met een snugger persoon te praten. We hebben verschillende uitgekookte jongens, zoals Krasicki, maar dat zijn buitenlanders. En dan zijn er een paar Amerikanen aan wie ik zo gewend ben, dat ik weet wat ze gaan zeggen voor ze hun mond opendoen. Kom op, schenk eens in, ook voor jezelf en laten we wat kletsen.’ Daarop kon Havig vragen: ‘Hoe hebt u uw eerste contacten gelegd, meneer?’

‘Nou, ik heb een heel stel agenten gehuurd en die heb ik het grootste gedeelte van de negentiende eeuw advertenties laten plaatsen in kranten, tijdschriften en almanaks. Ze spraken nooit van ‘tijdreiziger’ en ze wisten ook niet wat ik eigenlijk wilde. De tekst was erg zorgvuldig opgesteld. Niet dat ik dat zelf gedaan heb. Ik ben geen schrijver. Een man van de daad huurt de hersens die hij nodig heeft. Ik heb wat rondgeneusd en in de jaren negentig een jonge Engelse schrijver gevonden, een talentvolle jongeman, al was hij dan een soort socialist. Ik wilde iemand uit het einde van die periode om eh, verrassingen te vermijden, begrijp je? Hij raakte geinteresseerd in mijn ‘Hypothetische voorstel’ en schreef voor een paar pond een paar knappe stukjes voor me. Ik heb hem meer geld aangeboden, maar hij wilde liever het vrije gebruik van het idee van tijdreizen.’ Havig knikte. ‘Zo iets is ook wel eens bij mij opgekomen, meneer, maar ik was niet zo, eh, doelbewust als u. Mijn vermogen is absoluut niet met het uwe te vergelijken. En bovendien, in mijn tijd was tijdreizen zo’n normaal literair thema, dat ik bang was voor publiciteit. Het leek me dat ik op zijn hoogst de aandacht van een paar zonderlingen zou trekken.’

‘Die heb ik ook gehad,’ gaf Wallis toe. ‘Zelfs een paar echte: ik bedoel tijdreizigers die door hun gave een beetje malend geworden waren. Vergeet niet: een halve gare of een pummel zal het voor iedereen verbergen en zal daardoor wat vreemd worden, als hij zich al niet doodgeschrokken is door wat hem overkomen is en het nooit meer doet, of niet verder wil reizen dan zijn eigen horizon, of zich laat verrassen en als heks verbrand wordt. Of neem aan dat hij een schoffie is, waarom zou hij niet rijk worden als inbreker of bookmaker of zo iets, en een leven als een vorst hebben? Of zeg dat hij een Indiaan in een reservaat is; dan kan hij zijn stam imponeren en zich door hen laten onderhouden, maar dat gaan ze toch niet aan de bleekgezichten vertellen, nietwaar? En ga zo maar door. Hopeloze gevallen. En iemand als ik, handig en eerzuchtig, nou die houdt zich koest, net als jij en ik gedaan hebben, nietwaar? Dikwijls zo koest dat hij onvindbaar is.’

‘Hoe … hoeveel heeft u er gevonden?’

‘Meneer.’

‘Neem me niet kwalijk, meneer.’

Wallis zuchtte. ‘Elf, niet meer dan elf uit een hele eeuw, bij die eerste poging. Hij somde ze op. ‘Austin Caldwell, de beste van allemaal. Een melkmuil toen hij hier kwam, maar hij is een hele kerel geworden. Hij heeft me de bijnaam Sachem gegeven. Dat vond ik wel aardig, daarom heb ik het maar zo gelaten.

Dan een goochelaar tevens waarzegger van een kermis, een beroepsgokker en een arm, blank meisje uit het zuiden. Dat waren de Amerikanen. Overzee vonden we een Beierse soldaat; een inspecteur van de Spaanse Inquisitie, die toen nog bestond zoals je misschien weet; een Hongaarse Jodin; een student uit Edinburgh die zich suf studeerde om uit de boeken te weten te komen wat hij nu wel was: een modiste uit Parijs die haar modellen uit de toekomst haalde; een jonge boerenechtpaar uit Oostenrijk. Daar waren we wel blij mee, overigens. Zij zijn misschien de enige tijdreizigers die als buren geboren zijn; ze hadden hun eerste kind al en waren niet meegegaan als hun kind te groot was geweest om mee te dragen. Wat een stel. Je kunt je de problemen voorstellen die we hadden om zo over te halen, met de taal en het transport en alles.’

‘En dat is alles?’ vroeg Havig ontzet.

‘Nee, er waren er nog eens zo veel, maar onbruikbaar. Malend, zoals ik al zei, of te stom, of kreupel, of te bang om zich bij ons aan te sluiten, of wat dan ook. Er was een potige huisvrouw die weigerde haar man te verlaten. Ik heb erover gedacht haar te ontvoeren — het doel is belangrijker dan haar verdomde gerief — maar wat heb ik aan een onwillige reiziger? Van een man zou je de familie kunnen bedreigen om hem te dwingen, maar vrouwen zijn te laf.’ Havig herinnerde zich de uitbundige begroeting op de binnenplaats, maar deed er het zwijgen toe.

‘Toen ik eenmaal mijn eerste discipelen had, kon ik verder gaan,’ vertelde Wallis. ‘We konden onze speurtochten uitbreiden en intensiever maken en er zo achter komen wat er gedaan moest worden en hoe. We konden fondsen en bases aanleggen op sleutelposities in … de tijd-ruimte. We konden beginnen meer mensen te rekruteren, voornamelijk uit andere eeuwen, maar ook nog enkele uit de onze. Uiteindelijk konden we de plaats voor het Arendsnest uitzoeken en de plaatselijke bevolking onderwerpen om voor ons hand- en spandiensten te verrichten. De arme uitgemergelde drommels. Ze waren wat blij met krijgsheren die echte geweren en zaaigraan meebrachten!’

‘Mag ik vragen waarom u juist dat jaar en die plaats uitkoos om uw natie te stichten, meneer?’

‘Natuurlijk, vraag wat je wilt,’ zei Wallis joviaal. ‘Misschien krijg je wel antwoord … Ik dacht aan het verleden. Aan die foto daar kun je zien dat ik helemaal teruggegaan ben naar de tijd van Karel de Grote. Maar de reis is te ver. En bovendien zouden we zelfs in een onontdekt gebied als het Amerika van voor Columbus sporen achter kunnen laten die later door archeologen ontdekt zouden kunnen worden. Vergeet niet dat er ook onder de Maurai tijdreizigers kunnen schuilen en dat wij het vooral van de verrassing moeten hebben. Op dit ogenblik, in deze eeuwen, schieten overal feodale gemeenschappen als de onze de grond uit, wordt met het herstel begonnen, en wij_ zorgen ervoor dat het niet opvalt dat we een uitzondering vormen. Onze onderdanen weten natuurlijk dat we over speciale krachten beschikken, maar ze noemen ons tovenaars en kinderen van goden en geesten.’

Havig had waardering voor de strategie, ‘Voor zover ik heb kunnen nagaan, meneer, en dat is niet ver,’ zei hij, ‘ontstaat op het ogenblik de Maurai-kultuur in de Stille Oceaan. Iemand uit de latere stadia, die in de tijd terug zou reizen, zou ongetwijfeld meer geinteresseerd zijn in het ontstaan daarvan dan in de politiek van onbekende, verarmde barbaren.’

‘Je doet je Amerikanen onrecht,’ verweet Wallis hem. Vanuit het standpunt van de Maurai gezien, heb je natuurlijk. gelijk. Maar in feite heeft het onze mensen niet meegezeten. Dat was ten dele waar, dat moest Havig toegeven. Gedeelten van Oceanie waren te onbelangrijk geweest voor overontwikkeling en voor aanvallen met superwapens. En die enorme watermassa’s waren minder aangetast dan de zeeen elders en bovendien door zelfreiniging eerder schoon. Toch waren de bewoners geen simpele, onnozele bewoners van een aards paradijs. Boeken waren ooit in te grote aantallen gedrukt en te wijd verspreid dan dat belangrijke informatie totaal verloren had kunnen gaan. In mindere mate gold hetzelfde voor technologische apparatuur.

Noord-Amerika, Europa, gedeelten van Azie en Zuid-Amerika, en Afrika in mindere mate, gingen naar de kelder omdat ze te gecompliceerd waren. Laat hun industrieel landbouwkundig medische complexen voor een korte tijd verlamd raken, en de bevolking zou met miljoenen tegelijk sterven. De onderlinge gevechten tussen de overlevenden om het vege lijf te redden, zouden de rest ook ruineren. Zelfs in dergelijke gebieden werd nu kennis bewaard, door een oase van orde hier, een half religieuze orde daar. Theoretisch althans, kon kennis uiteindelijk doordringen tot de barbaren die hem weer door konden geven aan de nieuwe wilden … De praktijk leerde anders. De oude beschaving had de wereld te kaal geplukt. Je zou bijvoorbeeld een maagdelijk bos kunnen kappen en een onaangeboorde mijn exploiteren en een nieuwe oliebron aanboren. Met wat je daarmee verdiend hebt kun je verder gaan en een grotere en modernere fabriek opzetten. Zodra de natuurlijke grondstoffen opreken kan die fabriek hout vervangen door plastics, ijzer winnen uit taconiet en de hele wereld afstropen voor olie. Maar ten tijde van het oordeel was dit al gedaan. Dat hele samenspel van machines, getraind personeel, rijke consumenten en belastingbetalers, was in elkaar gestort en niet meer op te bouwen. De gegevens benodigd voor een industriele restauratie waren wel beschikbaar, maar de natuurlijke materialen ontbraken. ‘Denkt u niet, meneer,’ waagde Havig te zeggen, ‘dat de Maurai en hun bondgenoten door hun ontwikkeling van technologische alternatieven een bijdrage leveren?’

‘Tot op zekere hoogte wel, dat moet ik die rotzakken nageven,’ gromde Wallis. ‘Maar meer ook niet. Net genoeg om ze stevig in het zadel te helpen en daar houdt het mee op. We bestuderen hun onderdrukking van nieuwe ontwikkelingen. Dat ga jij ook doen.’ Het leek erop of hij van onderwerp wilde veranderen, want hij vervolgde: ‘Hoe dan ook, wat mijn organisatie betreft, mijn sleutelfiguren zijn niet blijven plakken in ononderbroken, normale tijd en ik nog minder. Wij springen voorwaarts, waarbij we elkaar overlappen om het leiderschap niet te onderbreken. En het gaat ons goed. De zaken lopen gesmeerd, zowel in het heden en verleden als in de toekomst.

We hebben nu honderden agenten en duizenden toegewijde horigen. We heersen over een gebied dat eens verscheidene staten besloeg, hoewel ons verkeer natuurlijk meer in de tijd dan in de ruimte plaatsvindt. We regeren voornamelijk via gevolmachtigden van gewone komaf. Wanneer je in de tijd de levensloop van een veelbelovende knaap kunt volgen, kun je een fijne, betrouwbare kerel van hem maken — zeker als hij weet dat hij nooit iets voor je geheim kan houden en nooit veilig voor je is.

Maar begrijp me niet verkeerd. Ik herhaal, we zijn geen monsters of parasieten. Soms moeten we wel hard optreden. Maar ons doel is altijd het terugleiden van de wereld naar het pad dat God heeft aangewezen.’

Hij leunde voorover. ‘En dat zullen we ook,’ fluisterde hij. ‘Ik ben naar de verre toekomst gereisd. Over duizend jaar, ik heb het gezien …’

‘Doe je mee?’


8

<p>8</p>

‘Over het algemeen waren de maanden die volgden erg prettig,’ vertelde Havig me. ‘Ik bleef echter voorzichtig. Ik draaide bijvoorbeeld om mijn biografische gegevens heen en liet de chronoloog doorgaan voor een.” radionische” detector-en-zender, bedoeld voor het geval dat bezoekers aan het verleden zulke apparatuur ook gebruikten. Wallis zei dat hij dat betwijfelde en verloor zijn belangstelling. Ik vond er een geheim plaatsje voor. Als de mensen van het Arendsnest aan mijn verwachtingen voldeden, dan zouden zij mijn aarzeling begrijpen om ze zo iets nuttigs in handen te spelen.’

‘Waarom was je zo voorzichtig?’ vroeg ik.

Er kwam een frons op zijn magere gezicht. ‘Och … kleine dingetjes in het begin. De hele manier van doen van Wallis. Hoewel, ik had niet veel gelegenheid hem goed te leren kennen want hij sprong al gauw vooruit naar het volgend jaar. Denk eens in hoe dat je macht versterkt!’

‘Tenzij zijn ondergeschikten in de tussentijd tegen hem samenspannen,’ wierp ik op.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet in dit geval. Hij weet wie te allen tijde betrouwbaar is, zowel onder zijn agenten als onder de horigen. Een harde kern van reizigers reist met hem op en neer in de tijd volgens een gecompliceerd schema, zodat er altijd iemand is die de leiding heeft.

Bovendien, hoe moet je een samenzwering op touw zetten met gedweee horige boeren en werklieden, arrogante horige soldaten en ambtenaren, of met de tijdreizigers zelf? Dat is een hoogst gevarieerd en veeltalig gezelschap dat bijna helemaal afkomstig is uit de Westerse beschaving na de middeleeuwen…

‘Waarom?’ vroeg ik me af. ‘In de rest van de historie moeten de mogelijkheden naar verhouding toch even groot zijn.’

‘Ja, en Wallis zei dan ook dat hij de reikwijdte van zijn ronselaars zou kunnen vergroten. Maar de moeilijkheden van lange trips door de tijd, de taal- en cultuurkloof en de opleiding van degenen, die je zou vinden, maakten het niet de moeite waard, schijnt het. Zijn Jeruzalem-expeditie was een experiment en afgezien van mij leverde die een teleurstellend resultaat op.

Om op de eerste vraag terug te komen,’ zei Havig schouderophalend, ‘Amerikaans-Engels is de officiele taal. van het Arendsnest die iedereen verplicht is te leren. Maar toch, met de meesten kon ik niet vrijelijk van gedachten wisselen. Afgezien van een eventueel accent, verschilden onze gedachten te veel. Vanuit mijn standpunt bekeken waren de meesten schavuiten. Voor hen was ik verwijfd of te slinks om te vertrouwen. En er heerst jaloezie en wantrouwen. Hoe moetje eigenlijke aartsvijanden als Fransen en Duitsers een gemeenschappelijk doel geven?

En waarom zouden ze uiteindelijk in opstand komen? Er zijn maar een paar idealisten bij; vergeet niet dat dat een zeldzame karaktertrek is. Maar we hadden een leven als een luis op een zeer hoofd. Het beste eten drinken, uit de tijd geimporteerde luxe artikelen, bedienden, bedgenotes, royaal verlof om het verleden te bezoeken zo lang redelijke voorzorgen in acht werden genomen, en zakgeld in overvloed. Het werk is niet zwaar. Degenen die dat nodig hebben, krijgen een opleiding in die onderdelen van de geschiedenis en technologie waar ze geschikt voor zijn. Zij die gezond van lijf en leden zijn, krijgen een commando-opleiding. De rest wordt administrateur, tijdkoerier, bestuursambtenaar of onderzoeker als men daar de capaciteiten voor heeft. Dat was de gang van zaken; het was beslist niet saai. Het werk zelf was fascinerend, of zou dat worden zodra mijn superieuren vonden dat mijn opleiding voltooid was. Denk eens in: verkenner in de tijd! Nee, over het algemeen had ik geen ernstige klachten in het begin.’

‘Toch schijn je je metgezellen. niet erg sympathiek gevonden te, hebben,’ zei ik.

‘Sommigen wel,’ antwoordde hij. ‘Wallis zelf kon zowel charmant als autoritair zijn: op zijn manier was hij een briljant causeur, met alles wat hij had meegemaakt. Austin Caldwell, zijn ondercommandant, al grijs maar zo taai als bamboe, een scherpschutter en topruiter, legendarische whiskydrinker, die had een even groot arsenaal verhalen om uit te putten en meer gevoel voor humor; daar kwam bij dat hij een aardige kerel was die zich uitsloofde om mijn begintijd te vergemakkelijken. Reoul Orrick, de vroegere kermisgoochelaar, een heerlijke oude schelm. Jerry Jennings, een Engelse jongen zo uit de schoolbanken, die wanhopig probeerde een nieuwe droom te vinden nadat zijn vorige zo wreed verstoord was in de loopgraven van 1918. En nog een paar meer. En Leonce.’ Hij glimlachte naar er zat iets triests in zijn glimlach. ‘Vooral Leonce.’


Spoedig na zijn aankomst in Arendsnest gingen ze samen een dag uit. Hij had pas kort geleden zijn tweekamer-appartement in het kasteel betrokken en had nog maar weinig bezittingen. Zij gaf hem een vloerkleed van bedehuizen en een fles Glenlivet uit het verleden cadeau. Hij wist niet zeker of het alleen maar hartelijkheid was, zoals ook anderen die betoonden, of iets anders. Haar manier van doen verbijsterde hem nog meer dan haar dialect. Een stevige zoen toen hij haar nog geen vijf minuten van gezicht kende — daarna nonchalante vriendelijkheid en ze zat bij praktisch iedere maaltijd bij een andere man. Maar in die eerste dagen had Havig meer dan genoeg om zijn gedachten bezig te houden.

Daar was de hem aangeboden concubine niet bij. Hij hield niet van het idee dat een vrouw bevolen werd bij hem te slapen. Dat was een reden te meer om Leonce’s uitnodiging om te gaan picknicken met beide handen aan te grijpen.

Bandieten waren rigoureus uit de omgeving verdreven en bereden patrouilles zorgden ervoor dat ze niet terugkwamen. Men kon er zonder gevaar ontgeescorteerd opuit trekken. Ze droegen beiden een pistool, maar enkel als een onderscheidingsteken dat alleen aan hun klasse was toegestaan.

De door Leonce gekozen route leidde door zich kilometers ver uitstrekkende akkers die onder de ochtendzon lagen te dromen, totdat een pad zich aftakte in de richting van een bos dat groot genoeg was om Havig aan de gelukkige tijden in Morgan Woods te herinneren. De geur van vers hooi maakte plaats voor die van humus en blad. Het was warm, maar een briesje deed het loof ritselen, streelde hun huid en liet vlekjes zonlicht in de schaduw dansen. Eekhoorns schoten over takken, hoeven sloegen langzaam, de spieren van de paarden bewogen zich kalm tussen de menselijke dijen. Onderweg had zij hem gretig ondervraagd. Hij was haar graag terwille, maar binnen de grenzen die de voorzichtigheid gebood. Welke normale man vertelt een aantrekkelijke vrouw niet graag over zich zelf? Vooral als zij vindt dat zijn afkomst legendarisch:is. De taalbarriere werd overwonnen. Zij was hier ook nog niet lang, minder dan een jaar zelfs als men rekening hield met tijdreizen. Zij kon zijn soort Engels nu tamelijk goed sprekeii wanneer ze niet opgewonden was; en zijn getrainde oor begon het hare te begrijpen. ‘Uit de mooie jaren.’ Ze zuchtte, leunde naar hem toe en kneep hem in zijn arm. Ze had eelt op haar handen. ‘Uh, wat bedoel je daarmee?’ vroeg hij. ‘Korte tijd voor het Oordeel?’

‘Ja, toen de mensen naar de maan en de sterren reikten en alles.’ Hij realiseerde zich dat zij, ondanks haar lengte en zelfverzekerdheid, nog heel jong was. De enigszins scheef staande ogen straalden hem toe vanonder het rossige haar dat zij vandaag in vlechten met strikken droeg.

‘Toen wij onszelf veroordeelden tot onze eigen ondergang,’ dacht hij.

Maar hij wilde de onheilsprofeet niet uithangen. ‘Je ziet eruit alsof je uit een veelbelovende tijd komt,’ zei hij.

Ze trok een pruillip en keek bedenkelijk. Ze legde haar kin in haar hand en keek fronsend naar de oren van het paard. Toen zei ze: ‘Nou, ja en nee, net als bij jou waarschijnlijk.’

‘Wil je dat niet uitleggen? Ik heb gehoord dat je van hieruit gezien uit de toekomst komt, maar meer weet ik niet. Ze knikte en het licht danste over haar golvende rode lokken. ‘Ongeveer honderdvijftig jaar. Gletsjervolk.’ Toen ze eenmaal in het bos waren, konden ze niet langer naast elkaar rijden. Zij ging voor om de weg te wijzen. Hij bewonderde haar figuur van achteren en haar bevallige zit in het zadel. Vaak draaide zij zich om om hem een lach toe te werpen terwijl zij vertelde.

In haar geboorteland herkende hij dat hooggelegen, schitterende landschap dat hij gekend had als Glacier en Waterton Parks. Op het ogenblik woonden haar voorvaderen in het oostelijke gedeelte, omdat ze gevlucht waren voor de Mongs die de vlakten veroverd hadden ten behoeve van hun eigen kuddes en boerderijen. Nu al waren zij meer jagers dan kleine boeren die rooftochten ondernamen tegen de vijand op het laagland. Elders waren zij handelaars die huiden, erts en slaven inruilden voor voedsel en gerede producten. Ze waren overigens niet eensgezind; generaties lang zouden er vetes heersen tussen families, clans en stammen.

Naarmate hun aantal en hun gebied groter werd, zou een zekere mate van organisatie ontstaan. Leonce probeerde het te beschrijven: ‘Kijk, “ik ben van de Ranyan-kin, die behoort tot de Wahorngroep. Een “kin” is een aantal families die van hetzelfde bloed zijn. Een groep komt vier keer per jaar samen onder leiding van de Sherif die ze voorgaat in het slachten van vee voor Gawd en Oktai en hoe ze die verder ook mogen noemen. Dan bespreken ze dingen, beslissen ruzies en stemmen al of niet over wetten — de volwassenen, zowel mannen als vrouwen.’ Ze schaterde van het lachen. ‘Ha, ha, we doen maar alsof. Het is vooral om elkaar te ontmoeten, te roddelen, te ruilen, ons vol te eten, te zuipen, te pronken … weet je wel?’

‘Ik geloof van wel,’ antwoordde Havig. In de meeste primitieve gemeenschappen bestond wel een dergelijke instelling. ‘In een latere tijd,’ vervolgde ze, ‘kwamen de Sherfs en de leden van de groepen op de zelfde manier bij elkaar in het Kongers. De Ginral is daar de baas: eerstgeborene in directe lijn van- Injaan Samal van de Rover-kin, die bij geen groep hoort. Het zou een bloedpoel worden, zo veel verschillende kins bij elkaar, in het begin ten minste, maar het is aan het Pendoraymeer en dat is vredeheilig.’ Havig knikte: De wilden werden minder wild naarmate de voordelen van recht en orde hun duidelijker werden, maar ongetwijfeld niet voordat de Injaan Samal hun opperhoofden met de koppen tegen elkaar geslagen had.

‘Toen ik wegging, behoorlijk rustig,’ zei Leonce. ‘De Mongs waren Weg en we handelden met de nieuwe laaglanders, die rijk en machtig zijn. We imiteerden ze meer en meer.’ Ze zuchtte. ‘Honderd jaar na mijn tijd, heb ik gemerkt, is het Gletsjervolk lid van de Noord-West Unie. Ik wil niet terug.’

‘Toch moet je wel een moeilijk leven gehad hebben, lijkt me.’

‘Ach, had erger gekund. En wat snater, ik heb nog veel voor de boeg … We zijn er.’

Ze bonden hun paarden vast op een kleine weide die aan een ‘beekje lag. Bomen achter hen en aan de overkant van het kolkende en borrelende water tekenden zich schitterend af tegen de hemel. Het gras was dik en zacht en besprenkeld met late veldbloemen. Leonce pakte de lunch uit die ze had laten klaarmaken; een stevige verzameling sandwiches en fruit waarvan Havig betwijfelde of hij zijn helft op zou kunnen. Eerst wilden ze rusten en wat drinken. Ze gingen schouder aan schouder tegen een boomstam zitten en schonken wijn in zilveren bekers.

‘Ga door,’ spoorde hij haar aan. ‘Ik wil meer van je weten.’

Haar oogleden trilden. Hij keek naar de kleine sproeten op haar neus en haar jukbeenderen. ‘Ach, niks voor jou, Jack.’

‘Alsjeblieft, het interesseert me.’

Ze lachte van plezier. Toch had het verhaal dat ze hem vertelde, op een alledaagse toon die niet om medelijden vroeg, zijn grimmige kanten.

In’ de meeste opzichten heerste in een Gletsjerfamilie een groot gevoel van genegenheid en saamhorigheid. Een vroegere traditie van gelijkheid van de seksen was daar nooit uitgestorven: een vrouw moest ieder moment op jacht kunnen gaan of ten strijde kunnen trekken. Natuurlijk bestond er wel enige specialisatie. Zo deden mannen de zwaarste handarbeid en vrouwen het werk dat het meeste geduld vereiste. Mannen brachten altijd de offers; maar wat Leonce skulen noemde, was een voorrecht van een vrouw — als ze er aanleg voor had. ‘Voorkennis,’ legde ze uit. ‘Dromen uitleggen, lezen en schrijven, sommige ziektes genezen, zwarte nifst uit Zielen drijven, geesten terugsturen naar waar ze horen. Dat soort werk. En … mmm… manieren om het oog te bedriegen, het verstand voor de gek te houden, weet je?’

Maar haar gave was geen vingervlugheid of het verrichten van een ritueel. Haar oudere ik kwam haar niet waarschuwen haar geheim te bewaren.

Haar vader was (of zou eigenlijk nog worden) Wolfshuid-Jem, een befaamd strijder. Hij stierf bij het afslaan van een aanval van de Dafy-kin, die ogenschijnlijk bedoeld was om het ‘ding’ te doden waarvan hij de vader was, maar in werkelijkheid ging om de beslechting van een al lang broeiende vete. Zijn vrouw Onda ontsnapte echter met haar kinderen en vond een wijkplaats bij de Donnalgroep. Er volgden jaren van guerrilla en intriges voordat de Ranyans bondgenoten vonden en verpletterend terugkeerden. Leonce speelde, als spion in de tijd, een sleutelrol. Het was onvermijdelijk dat zij de nieuwe Skula werd.

Aanvankelijk werd zij gerespecteerd door haar vrienden; niet gevreesd. Ze leerde en bedreef de gewone sporten en kundigheden. Maar door haar gave vormde zij een uitzondering en naarmate haar capaciteiten groeiden, nam het ontzag voor haar toe. Van Onda leerde ze er met mate gebruik van te maken. (Bovendien deed het haar pijn, ondanks een stoicijns fatalisme, vooraf te weten van de rampen die degenen zouden treffen van wie zij hield). Niettemin ging het Wahorn, met zo’n Skula, geweldig voor de wind. En Leonce werd steeds eenzamer. Haar verwanten trouwden en vertrokken en zij en Onda bleven alleen achter in de oude hut van Jem. Beiden namen minnaars, zoals de gewoonte was bij ongetrouwde vrouwen, maar die van Leonce waren niet op een huwelijk uit omdat zij onvruchtbaar scheen te zijn, en geleidelijk aan zochten zij haar helemaal niet meer op. Vroegere speelkameraden kwamen haar opzoeken voor hulp en advies, nooit voor de gezelligheid. Omdat ze naar kameraadschap hunkerde, stond zij erop deel te nemen aan de aanvallen op het laagland. De verwanten van hen die vielen meden haar, en vroegen zich binnensmonds af waarom de Skula hun dood had toegestaan terwijl haar gaven die hadden kunnen verhinderen — of wilde zij — het zo? Toen stierf Onda.

Kort daarop spoorden verkenners van het Arendsnest haar op. Ze verwelkomde ze met tranen van blijdschap. Wahorn zou haar nooit meer terugzien.

Mijn God,’ zei Havig terwijl hij zijn arm om haar heensloeg. ‘Wat heb jij het verschrikkelijk gehad.’

‘Och, ik heb Veel en fijn gejaagd, geskied, feestgevierd en heel veel geintjes gemaakt toen ik hier eenmaal was.’ Ze had wat wijn op. Hij rook haar geurige adem toen ze tegen hem aan kroop. ‘Ik zing niet slecht, wil je horen?’

‘Graag.’

Ze sprong’ op om een instrument uit haar zadeltas te pakken dat op een kindergitaartje leek. ‘Ik speel ook beenfluit, maar dan kan ik er niet bij zingen. Dit is een liedje dat ik zelf gemaakt heb. In veel eenzame uren heb ik liedjes gemaakt.’ Tot zijn verbazing zong ze uitstekend en wat hij ervan kon volgen joeg hem rillingen over de rug.

‘Tsjonge,’ zei hij toen ze opgehouden was. ‘Wat kun je nog meer?’

‘Nou, ik kan lezen en schrijven, zo’n beetje dan. En schaken. De spelregels zijn wat veranderd hier, maar ik win de meeste partijen. En Austin heeft me leren pokeren; ik win hopen. En ik maak gein.’

‘He?’

Ze grinnikte en kroop in zijn armen. ‘Dacht dat we na de lunch wel gein zouden maken, Jack, mijn schatje,’ fluisterde ze. ‘Maar waarom eigenlijk niet voor en na?’ Hmm?

Hij ontdekte, met vrolijkheid die in verrukking overging, alweer een uitdrukking waarvan de betekenis in de loop der eeuwen veranderd was.

‘Ja,’ vertelde hij mij. ‘We gingen samenwonen. Het heeft geduurd tot … ik wegging. Een paar maanden. Het was meestal erg fijn. Ik mocht haar erg graag.’

‘Je hield kennelijk niet van haar,’ merkte ik op.

‘N-nee. Ik neem aan van niet. Maar wat is liefde dan wel? Er zijn toch zoveel soorten en variaties dat — ach, laat maar.’ Hij staarde door de vensters van de kamer waarin we zaten in de nacht. ‘We hadden ruzies, enorme ruzies waar zij een eind aan maakte door mij te slaan en me te beschimpen omdat ik niet terug wilde slaan. Dan vloog ze naar buiten. Erg ontvlambaar mijn Leonce. De verzoeningen waren net zo hartstochtelijk.’ Hij wreef over zijn vermoeide ogen. ‘Niet geschikt voor mijn temperament, he dok? En ik moet toegeven dat ik jaloers was. Mijn jaloezie veroorzaakte veel narigheid. Ze was met veel agenten, en ook met veel horigen trouwens, naar bed geweest voordat ik,-,daar kwam, om maar niet te spreken van de jongens in het hoogland. Ze ging er ook mee door, hoewel niet te vaak; maar als ze een man erg aardig vond, was dit haar manier om haar sympathie te tonen en hem beter te leren kennen. Ik had natuurlijk dezelfde vrijheid met andere vrouwen maar ik . . wilde het niet.’

‘Waarom is ze niet zwanger geraakt van een, eh, agent?’

Zijn lippen krulden omhoog. ‘Toen ze in het Arendsnest hoorde hoe het zat, stond ze erop om naar de laatste Mooie Jaren gebracht te worden, gedeeltelijk om wat rond te kijken, net als ik in Michelangelo’s Italie en het Griekenland van Pericles, maar ook om een injectie voor tijdelijke sterilisatie te krijgen. Ze wilde wel kinderen wanneer ze zou gaan trouwen — het schijnt dat getrouwde Gletsjervrouwen erg trouw zijn — maar zover was, het nog niet en ze genoot van seks zoals ze altijd van alles genoot. Goeie genade, wat was ze goed in bed!’

‘Als ze de meeste tijd bij jou was, moeten jullie je toch sterk tot elkaar aangetrokken hebben gevoeld,’ zei ik. ‘Dat was ook zo. Voor zover mijn obsessie voor prive-zaken mij dat toestaat, heb ik geprobeerd duidelijk te maken wat me aan haar, bond. Van Leonce’s kant … dat weet ik niet zeker. Hoe goed kenden we elkaar eigenlijk? Zij was gefascineerd door mijn intelligentie en wat ik allemaal wist. Zij had een goed stel hersens; al had in haar opleiding niet veel lijn gezeten. En ik had, laat ik er geen doekjes om winden, het hoogste IQ van het Arendsnest. Ook voelden we ons aangetrokken tot de tegenstelling. Zij vond mij aardig en zacht, maar niet op een neerbuigende manier, omdat ik erg goed was in sport en spel; maar ik was geen taaie bergbewoner en geen rauwe huurling uit de renaissance.’

Weer lag er iets triests in zijn glimlach. ‘Al bij al,’ zei hij, ‘gaf ze me de op een na beste periode van mijn leven tot nu toe en ik denk wel voor altijd. Ik zal haar daarvoor altijd dankbaar zijn; en ook voor wat erna kwam.’

Havigs wantrouwen groeide langzaam. Hij vocht ertegen, maar stukje bij beetje stapelden de bewijzen zich op dat iets voor hem verborgen werd gehouden. Het zat, hem in, het vermijden_. van bepaalde onderwerpen, of het afpoeieren van bepaalde vragen, of dat nu geschiedde door Austin Caldwell’s verlegenheid, door Conraet van Leuven’s bruuske ‘1k kan niet zeggen wat mij verteld is,’ of door het veranderen van het onderwerp van gesprek door Reuel Orrick, die vervolgens stomdronken werd, of door het milde ‘Wanneer God de tijd rijp acht, zal alles je onthuld worden, mijn zoon’ van Padre Diego de Inquisiteur, of door een vuilbekkend bevel om zijn mond te houden van een van de militairen.

Hij stond niet alleen in zijn isolement. Van de anderen die hij erover aansprak, waren de meeste nogal inschikkelijk, hetzij uit onverschilligheid, hetzij uit voorzichtigheid. Maar de jonge Jerry Jennings riep uit: ‘Bij Zeus, je hebt gelijk!’ Zo ook Leonce, maar die zei dat in wat krassere taal. Even later zei. ze: ‘Ach, ze kunnen ons, nieuwen, niet alles in een hap geven, niet?’

‘Coenraet is hier net zo lang als ik,’ protesteerde hij. ‘En korter dan jij.’

Nu haar nieuwsgierigheid gewekt was, vond ze haar eigen onderzoekmethoden. Die lagen niet erg voor de hand. Ze kon tegen een harde, vrouwen-minachtende krijgsman opdrinken tot hij bezopen en willoos was, terwijl zij glashelder bleef. Ze kon een nuchter persoon met een handige vraag in de val laten lopen; dat zij sjamaan geweest was, kwam goed van pas. En ze liet Havig verstijven van schrik toen ze hem giechelend als een schoolmeisje vertelde dat zij, wat zonder toestemming strikt verboden was, naar verschillende perioden in het bestaan van het Arendsnest geglipt was om te snuffelen, te loeren en af te luisteren.

Zij concludeerde: ‘Voor zover ik het begrijp, is de ouwe Wallis alleen bang dat mensen zoals jij kwaad worden om wat de agenten doen in sommige tijden en op sommige plaatsent In ieder geval tot jullie aan het idee gewend zijn.’

‘Ik was zelf tot dezelfde conclusies gekomen,’ zei Havig somber. ‘Ik heb gezien hoe het er in vroegere eeuwen aan toeging. De reizigers die op zijn lokpraatjes ingaan of die zich zo opvallend gedragen dat zijn ronselaars lucht van ze krijgen, zijn waarschijnlijk de moedigsten en dat betekent in de meeste gevallen de meest meedogenloze. Door hierheen te komen, zijn ze niet veranderd.’

‘De orders schijnen te zijn dat je langzaam achter de waarheid moet komen. 1k denk dat ik niets mag weten, omdat ik bij jou ben.’ Ze kuste hem. ‘Geeft niet, schat.’

‘Bedoel je datje plundering zou toestaan en …’

‘Sst. We moeten gebruiken wat we kunnen. Misschien zijn ze ruw. Jouw mensen, waren die dat nooit?’

Hij werd misselijk als hij eraan dacht hoe … van Wounded Knee tot My Lai en daarvoor en daarna … hij verloochende zijn land nooit. Want waar en wanneer bestond een beter land, tenzij het afstand had gedaan van alle verantwoordelijkheid voor de toekomst? (Denemarken misschien? De Denen beroemden zich op hun voorvaderen, de Vikings, die in een geriefelijk ver verleden leefden, maar ze waren opvallend zwijgzaam over de gebeurtenissen op de Maagdeneilanden tijdens de slavenopstand van 1848. Omstreeks 1950 konden ze zich weer dezelfde zelfvoldaanheid permitteren als de Zweden, die niet alleen met Hitler handel gedreven hadden maar ook diens militaire treinen door hun land hadden laten rijden. En toch waren dit landen die veel goeds in de wereld deden.) ‘Komt bij,’ zei Leonce openhartig, ‘de zwakken vallen, tenzij ze het geluk hebben dat een sterke over ze waakt. En op het eind, komt de Oude Man, dan zijn we allen zwak.’ Ze dacht even na. ‘Kan zijn, mijmerde ze, ‘dat als ik niet zou sterven, ik alleen nog maar een aardappel zou doden en dat alleen om te eten. Maar ik zal sterven. Ik zit ook in het spel. En jij ook, schat. Dus laten we de meeste punten scoren hm?’

Hij dacht daar nog lang over na.

‘Maar ik moest me ervan overtuigen,’ vertelde hij mij gekweld, ‘of het allemaal de moeite waard was.’

‘Of het doel de middelen heiligde?’ antwoordde ik. ‘Dat begrijp ik. Te zeggen dat dat nooit zo is, strookt niet met de realiteit. In het werkelijke leven moet je gewoonlijk kiezen voor het minste kwaad. Als een oude dokter moet ik toegeven dat ik ook injecties heb gegeven om een eind te maken aan ongeneeslijke pijn; en nu en dan was de keus zelfs nog moeilijker. Maar ga door, alsjeblieft.’

‘Men had mij een overzichtsreis naar de Maurai-tijd beloofd,’ zei hij, ‘zodat ik mij ervan kon overtuigen dat het slechts een overgangsperiode was waarin de leiders tirannen werden die probeerden de wereld te “bevriezen”. Op die manier zou ik ermee kunnen instemmen dat we tussenbeide moesten komen, de macht grijpen en de mensheid terugbrengen tot prestaties en vooruitgang na de ineenstorting van de Maurai-hegemonie.’

‘Niet openlijk natuurlijk,’ wierp ik tegen. ‘Het massaal opduiken van tijdreizigers zou tot niet mis te verstane krantenkoppen leiden.’

‘Dat spreekt vanzelf. Wij zouden eeuwen besteden, aan het in het geheim opbouwen van onze strijdmacht, totdat we gereed waren om toe te slaan; ze realiseerden zich echter dat er erg weinig informatie was. Bovendien hoorde ik lange filosofische betogen van mensen als Padre Diego over vrije wil enzovoort. Ik vond dat de logica ervan stonk, maar hield mijn mond.’

‘Had Leonce de toekomst al bezocht?’

‘Ja. Daarom was ze het, ondanks haar verzet nu en dan, in de grond met Wallis eens. Ze vertelde me over een wereld waar vooruitgang geboekt was. en die over een lange periode steeds vreedzamer werd.

Maar ze vond niet dat dit nu noodzakelijk vooruitgang betekende. Toegegeven: die wereld had vloten van doelmatige zeilschepen en elektrisch aangedreven luchtschepen, zeeplantages, zonne-energie schermen om batterijen op te laden, een wijdverbreid gebruik van bacteriele brandstofcellen die werkten op het afval van levende organismen, nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de zuivere en toegepaste wetenschap, vooral op het terrein van de biologie …’

Hij hield even op om adem te halen en ik probeerde er een vrolijke noot tussen te werpen: ‘Vertel me niet dat je huis-walkure zulke woorden gebruikte!’

‘Nee, nee.’ Hij bleef ernstig. ‘Ik loop vooruit op wat ik gezien heb en me uitgelegd is. Haar indrukken waren meer algemeen. Maar zij had het nauwkeurig waarnemingsvermogen van de jaagster en de tovenares. Ze was heel goed in staat de loop der, gebeurtenissen in het ,algemeen te overzien.’

‘En die was?’

‘De mens trachtte geen nieuwe toppen te bereiken. Men had een plateau bereikt en daar bleef men. De bio-technologische kennis werd niet uitgebreid maar alleen op grotere schaal toegepast.’

‘Dat was wat anders dan haar ideaal om de Mooie Jaren in ere te herstellen, of dat van Wallis van onbeperkte groei en vooruitgang.’

‘De excursie gaf een snel overzicht van een latere fase van terugval en geweld. De agenten van het Arendsnest durven niet op nader onderzoek uit te gaan, totdat zij een grotere en sterkere organisatie hebben. Bovendien kunnen ze niet begrijpen wat daarna komt. Het schijnt weer vreedzaam te zijn, maar het is niet te bevatten. Na de glimp die ik gezien heb, ben ik bereid dat te geloven.’

‘Hoe was het?’ vroeg ik. ‘Kun je me dat vertellen?’

‘Erg weinig.’ Zijn stem klonk nors. ‘Ik heb geen tijd. Klinkt dat vreemd, uit mijn mond? Nu, het is waar. Vergeet niet dat ik op de vlucht ben.’

‘Ik neem aan dat je trip naar de toekomst je bedenkingen tegen de bedoelingen van Wallis niet heeft weggenomen,’ zei ik. ‘Waarom?’ Hij streek met zijn vingers door zijn bezwete blonde haar. ‘ik ben een kind van deze eeuw,’ antwoordde hij. ‘Denk eens na, dok. Intelligente mannen zoals, wel eh, Bertrand Russell of Henry Wallace, reisden kriskras door het Rusland van Stalin en rapporteerden bij hun terugkomst dat er weliswaar problemen waren, maar dat die overdreven werden en uitsluitend te wijten waren aan oorzaken van buitenaf en dat de welwillende regering overal tegen was opgewassen. Vergeet ook niet dat de mesten van de gidsen die hen begeleidden dit ook werkelijk dachten en in alle oprechtheid hun instructies opvolgden om een buitenlandse bezoeker te beschermen tegen dingen die hij misschien verkeerd zou begrijpen.’

Hij grijnsde kwaadaardig. ‘De vloek van mijn leven is misschien dat ik de wil om ergens in te geloven verloren heb.’

‘Bedoel je,’ vroeg ik, ‘dat je je afvroeg of de wereld echt gebaat zou zijn bij een overheersing door het Arendsnest. En of de Maurai misschien belasterd werden doordat ze je alleen slechte dingen lieten zien die niet kenmerkend waren?’

‘Nee, dat ook niet precies. Hangt van de interpretatie af en — oh, dit is er een schoolvoorbeeld van.’

Niet iedere rekruut kreeg zo’n uitgebreide excursie als Havig. Wallis vond kennelijk niet alleen dat hij bijzonder waardevol was, maar ook dat hij bijzonder nodig overtuigd moest worden.

Door snelle sprongen heen en weer in de tijd, kreeg hij inzage in ultra-geheime documenten. (Hij kon die ontcijferen omdat Ingliss de officiele tweede taal van de Federatie was en de spelling minder veranderd was dan de uitspraak). Een ervan onthulde dat geleerden in Hinduraj clandestien een waterstof-fusie generator hadden ontwikkeld, die een einde kon maken aan het brandstoftekort van de wereld en dat de Maurai die even clandestien gesaboteerd hadden en zo’n politiek-economische druk hadden uitgeoefend dat de waarheid nooit aan het licht kwam.

Als motief werd gegeven dat deze revolutionaire uitvinding de vrede in gevaar zou brengen. Erger nog: het zou de wedergeboorte kunnen betekenen van de oude hebzuchtige machine-beschaving en dat zou de planeet niet kunnen verwerken.

En toch … nog verder in de toekomst dan de Maurai zag Havig gigantische, geruisloze toestellen en krachtbronnen … en mensen, dieren, gras, bomen, sterren flonkerend in een kristalheldere lucht …

‘Geloofden de sociologen en admiraals van de Maurai dat oprecht?’ fluisterde hij hees. ‘Of beschermden zij alleen de leidinggevende positie van de Maurai? Of allebei, of geen van beide? En is die latere toekomst goed? Het zou een gesmeerd lopend wangedrocht kunnen zijn, weet je, of het zou de fundamenten van het bestaan van alle leven kunnen ondermijnen. — Hoe kon ik dat weten?’

‘Wat heb je aan je gidsen gevraagd?’ antwoordde ik. ‘De zelfde vragen. De leider was Austin Caldwell trouwens, een eerlijk mens, net zo hard als de Indianen die eens op zijn scalp jaagden, maar niettemin eerlijk.’

‘Wat zei hij?’

‘Ik moest ophouden met mijn verdomde chicanes en vertrouwen hebben in de Sachem. De Sachem had het tot nu toe geweldig voor elkaar, niet? De Sachem had deze zaken bestudeerd en erover nagedacht; hij beweerde niet dat hij alles zelf wist, maar wij zouden meedelen in de wijsheid die hij vergaarde en hij zou ons op het juiste pad leiden. En wat mij betrof, zei Austin, moest ik me maar realiseren hoe langzaam en onhandig dit heen-en-weer gereis was omdat we eeuwen moesten terugreizen om vervoer te kunnen krijgen naar een ander gebied. Er was trouwens al evenveel moeite en tijd aan me besteed als ik waard was in het huidige stadium van mijn ontwikkeling. Als ik me niet kon aanpassen aan de discipline die een groep die aan een gevaarlijke onderneming bezig is nu eenmaal moet hebben, wel, dan kon ik opstappen, maar dan moest ik me maar liever nooit meer in de buurt van het Arendsnest wagen. Wat kon ik doen? Ik bood mijn verontschuldigingen aan en keerde met ze terug.’


9

<p>9</p>

Hij kreeg een paar dagen vrij, die hij gebruikte om zijn goede humeur te hervinden in het gezelschap van Leonce. Na zijn periode van opleiding en indoctrinatie kwam de winter en de gelegenheid tot het bedrijven van ouderwetse binnen- en buitensporten. Daarna werd hem opgedragen de geschiedenis van de toekomst van Wallis te herlezen, erover na te denken in het licht van wat hij gezien had, en eventuele vragen te bespreken met Waclaw Krasicki, die het meest belezen was van het toenmalige opperbevel van het garnizoen. De Sachem gaf toe dat hij verre van alwetend was. Maar hij had, tijdens expedities met steeds wisselende escortes, meer gezien dan wie ook. Hij had meer over de aarde gezworven en langs de levensloop van de planeet gereisd dan voor zijn ondergeschikten doenlijk was met het beperkte vervoer dat tot hun beschikking stond. Hij had vraaggesprekken en verhoren gehouden, wat anderen niet mochten omdat te veel van zulke activiteiten iemands argwaan konden wekken.

Hij wist dat het Arendsnest hier onder zijn leiding gedurende de twee volgende eeuwen zou blijven. Hij had zich zelf toen ontmoet, die hem vertelde hoe bevredigend Fase Een van het plan was uitgevoerd. In die tijd moesten de sterk gegroeide strijdkrachten die men hem had laten zien uit dit fort geevacueerd worden. De kernen van een herboren beschaving verspreidden zich over heel Amerika, de Maurai waren overal en een rijk als het zijne kon zich noch langer isoleren, noch de schijn ophouden dat er niets bijzonders met de leiders aan de hand was.

In de toekomst was een nieuwe basis gebouwd. Hij bracht er een bezoek aan en zag dat deze totaal niet op de oude leek. Hier waren nieuwe materialen, slanke, meestal ondergrondse constructies die een plaats boden aan geavanceerde machines, automatisering en een thermonucleaire energiecentrale.

Dit was in de periode van opstand tegen de Maurai. Zij waren er uiteindelijk niet in geslaagd het reusachtig gevarieerde geheel van de mensheid tot hun filosofie te bekeren. Twijfels, ontevredenheid en rebellie onder hun eigen bevolking leidden tot weifelend optreden in de buitenlandse politiek. Een opstandige natie ontwikkelde opnieuw de atoom-energie centrale en deed geen pogingen dat geheim te houden. Oude landen en bondgenootschappen vielen uiteen, nieuwe werden in onrust geboren.

‘Het zal altijd noodzakelijk zijn dat we geduldig, gevat en stoutmoedig zijn,’ schreef Wallis. ‘Wij zullen veel meer middelen tot onze beschikking hebben dan in Fase Een en veel meer vaardigheid om ze toe te passen. Daar is bij inbegrepen het gebruik van tijdreizen als middel om de grootte van een strijdkracht te vermenigvuldigen doordat iedere man snelle sprongen maakt totdat de tegenstander overspoeld is. Maar ik ben mij er wel van bewust dat dit soort zaken aan beperkingen is gebonden en risico’s meebrengt. In geen geval kunnen we de hoop koesteren dat wij de wereld snel over kunnen nemen. Een rijk dat duizenden jaren stand moet houden, is niet in een dag opgebouwd.’

Zou Fase Twee zo eindigen: met een planeet waarop de samenleving overwegend een plattelandskarakter had, ten einde de heerschappij onaantastbaar te maken van de mensen van het arendsnest met hun door hen zelf ontwikkelde sprookjesachtige machines? Wallis geloofde erin. Hij geloofde dat Fase Drie zou bestaan uit het heilzaam omvormen van die samenleving door haar nieuwe meesters, en in de creatie van een heel nieuw soort mens. Zeer ver in de toekomst reizend, had hij een glimp opgevangen van onbeschrijfelijke wonderen.

Maar hij leek wat vaag in dit gedeelte van het boek. Het was verschrikkelijk moeilijk om precieze inlichtingen te verzamelen. Hij was van plan ermee door te gaan, maar dan meer en meer bij volmacht. Over het algemeen, erkende hij, zou zijn tijd van leven besteed worden aan Fase Een. Zijn eigen ik die hij aan het einde daarvan ontmoette, was een bejaard man.

‘Laten wij er tevreden mee zijn dat wij Gods werktuigen voor de verlossing zijn,’ schreef hij. ‘Doch zij die dat wensen mogen in hun hart hoop koesteren. Is het niet mogelijk dat de wetenschap eindelijk een manier zal vinden om de ouden weer jong te maken, het lichaam onsterfelijk? Dan zal, ik twijfel er niet aan, tijdreizen begrepen worden, misschien zelfs de gewoonste zaak van de wereld zijn. Zal die schitterende toekomst niet terugkeren en ons, die aan de wieg gestaan hebben, opsporen, en ons onze beloning geven?’ Havig perste zijn lippen op elkaar. Hij dacht: ‘Ik heb gezien wat er gebeurt wanneer je probeert de mens in het keurslijf van een ideologie te persen.’ Maar later dacht hij: ‘Dit is voor velerlei uitleg vatbaar. Het is denkbaar dat we uiteindelijk eerder leraren dan meesters moeten zijn.’ En ten slotte: ‘Ik wacht nog maar even af. Als ik niet bij hem in dienst wil blijven, lijkt mij het enige alternatief dat ik mijn gave ongebruikt laat en mijn leven als een nietsnut vergooi.’

Krasicki liet hem ontbieden. Het was een ijskoude dag. Het zonlicht deed de ijspegels aan de torens schitteren. Havig huiverde toen hij over de binnenplaats naar het kantoor liep. Krasicki zat in uniform in een kamer die even ordelijk en doelmatig was als een cel. ‘Ga zitten’, beval hij. De stoel was hard en kraakte. ‘Beschouw je jezelf klaar voor je werk?’ vroeg hij. De rillingen liepen Havig over de rug en zijn hart bonsde. ‘J ja. Wil graag beginnen, ik. ..’ Hij vermande zich. ‘Ja.’ Krasicki verschoof wat papieren op zijn bureau. ‘Ik heb je vorderingen gevolgd en overwogen hoe je het beste ingezet kunt worden, met zo min mogelijk risico voor jezelf. Je hebt op eigen initiatief heel wat buitentijdse ervaring opgedaan, dat weet ik, en daardoor ben je al waardevol. Maar tot nog toe ben je nog niet op een missie voor ons geweest.’ Hij glimlachte stijfjes. ‘Door je nogal bijzondere opleiding kreeg ik een idee.’

Havig slaagde er op de een of andere manier in zijn onbewogen uiterlijk te bewaren.

‘Wij moeten onze bekwaamheden meer uitbuiten, vooral op het gebied van het rekruteren,’ zei Krasicki. ‘Je hebt zelf verklaard dat je het koine-Grieks redelijk vloeiend spreekt. Je hebt je bezoek beschreven aan het Byzantijnse Constantinopel. Dat lijkt me een strategisch beginpunt voor een systematische speurtocht door de middeleeuwen.’

‘Geniaal!’ riep Havig, die dolgelukkig en opgewonden was. ‘Centrum van beschaving, alles passeerde de Gouden Hoorn en wat zouden we niet kunnen doen als handelslieden …’

Krasicki hield zijn hand op. ‘Wacht even. Misschien later, wanneer we meer mankracht hebben en een grotere organisatie, zal dat de moeite waard zijn. Maar op het ogenblik hebben we een te beperkt aantal manjaren. Die kunnen we niet verspillen. Vergeet nooit dat Fase Een op een vastgestelde datum voltooid moet zijn. Nee, Havig, een directe en snelle aanpak is noodzakelijk.’

‘Wat?’

‘Met een grote voorraad munten en waardevolle artikelen kunnen we ons bedruipen in een periode waarin dat betaalmiddelen zijn. Maar je weet zelf hoe ingewikkeld het goederentransport door de tijd is. Daarom moeten we ons kapitaal … ter plekke? … ja, ter plekke vergaren en, zoals ik al zei, vlug ook.’

Havig gaf onthutst uiting aan zijn argwaan. ‘Je bedoelt toch niet door roof?’

‘Nee, nee, nee.’ Krasicki schudde ontkennend met zijn hoofd. ‘Denk even na en luister. Een strooptocht in een vredige stad die massaal genoeg is om een bruikbare oogst binnen te halen, zou op een gevaarlijke manier opvallen. Het zou in de geschiedenisboeken terecht kunnen komen en onze dekmantel vernietigen. Bovendien zou het op zichzelf al gevaarlijk zijn. Onze mensen zouden gering in aantal zijn en niet al te goed uitgerust met vuurwapens. Het Byzantijnse leger en de politie waren uitzonderlijk groot en gedisciplineerd. Nee, dat zou waanzin zijn.

‘Wat dan?’

‘Gebruik maken van chaos om dat mee te nemen wat anders toch zonder enige zin door meedogenloze binnendringers gestolen zou worden.’

Havig staarde hem aan.

‘In 1204,’ vervolgde zijn meerdere, ‘werd Constantinopel veroverd door de legers van de Vierde Kruistocht. Die plunderden het van boven tot onder leeg; wat over bleef, was een lege huls.’ Hij maakte een armbeweging. ‘Waarom zouden wij daar geen gedeelte van pakken? De eigenaars zijn het toch kwijt.’ Hij gluurde naar de ander voor hij eraan toevoegde: ‘En we zorgen voor schadeloosstelling, we beschermen ze tegen een bloedbad en een roofpartij, zodat ze een nieuw leven kunnen beginnen.’

‘Allemachtig.’ Havig snakte naar adem. ‘Rovers beroven!’

Havig won informatie in in de grote microfilmbibliotheek van het Arendsnest. Toen zijn kostuum klaar was en allerlei details geregeld waren, vertrok hij.

Een vliegtuig zette hem af bij de eenentwintigste-eeuwse ruines van Istanboel en vertrok weer even snel als hij zich naar het verleden spoedde. Deze puinhopen waren nog uiterst radio-actief. Hij had het bezit van de chronoloog nog niet onthuld en moest zijn doelwit vinden door middel van de vervelende procedure van het tellen van zonneomwentelingen, waarbij hij naar schatting het aantal dagen dat hij gemist had moest optellen, totdat hij door lukraak proberen het juiste tijdstip kon bepalen.

Leonce was woedend geweest omdat ze moest achterblijven. Zij miste echter de kennis om hier, behalve als metgezellin en troosteres, van nut te kunnen zijn. Zij zou hem eerder tot last geweest zijn, omdat haar vreemde verschijning te veel aandacht zou trekken. Havig wilde doorgaan voor een Scandinavische pelgrim — weliswaar katholiek, maar minder verfoeilijk dan een Fransman, een Venetiaan, een Spanjaard, een ieder die stamde uit een van de Middelandse-Zee landen die het stervende rijk als wolven in het nauw dreven. Als Rus zou hij eerder geaccepteerd worden, maar Russen waren in die streken gemeengoed en hun orthodoxe geloof schreef een strenge levenswandel voor. Hij durfde geen vergissing te riskeren. Hij begon niet met het jaar van de verovering. Dan zou het te woelig zijn en een buitenstaander zou te verdacht zijn om een intensief onderzoek te kunnen doen. In feite trokken de Kruisvaarders Constantinopel, na een maritiem beleg, in 1203 binnen en installeerden een stroman op de troon. Zij bleven nog hangen om hun betaling in ontvangst te nemen, voordat zij verder trokken naar het Heilige Land. De stroman kwam met een lege schatkist te zitten en trachtte tijd te winnen. De wrijving tussen de Oost-Romeinen en de ‘Franken’ groeide op schrikbarende wijze. In januari 1204 kreeg Alexius, de schoonzoon van de afgezette keizer, een strijdmacht op de been die groot genoeg was om het paleis en de kroon te veroveren. Drie maanden lang probeerden hij en zijn mannen de Kruisvaarders te verdrijven. Hun hoop dat God hen op een of andere manier te hulp zou komen, ging in rook op toen Alexius, minder moedig dan zij, aan wanhoop ten prooi viel en vluchtte. De Kruisvaarders trokken door geopende poorten weer binnen. Zij koesterden een moorddadige eigengerechtigheid ten aanzien van de ‘Griekse verraderlijkheid’ en de verschrikking nam onmiddellijk een aanvang. Daar het een prachtig seizoen was, koos Havig de lente van 1195 omdat dat ver genoeg in het verleden was voor zijn eigenlijk werk: inlichtingen inwinnen. Hij had perfect vervalste papieren die hem langs de stadswachten hielpen en goudstukken die hij kon inwisselen voor numismae. Nadat hij een kamer had gevonden in een goede herberg — een heel verschil met de varkensstal waarmee hij het in het Westen zou hebben moeten doen — ging hij op onderzoek. Zijn vorige bezoek had plaatsgevonden in de rustige dagen van 1050. De luister die hij nu ervoer, de levendigheid en de kosmopolitische kleurenrijkdom waren niet minder. Hoezeer haar macht ook taande, Nieuw Rome bleef de koningin van Europa.

Havig zag haar in haar nadagen.

Het huis en de winkel van Doukas Manasses, goudsmid, stond op een heuvel die bijna midden in de stad lag. Het werd geflankeerd door vierkante gebouwen die allemaal een blinde muur hadden aan de kant van de goed geveegde en geplaveide straat. Maar vanaf het platte dak had je een magnifiek uitzicht op de uitgestrekte, van torens voorziene muren die de stad omringden, en op een doolhof van straten, huizen en hoog oprijzende kerkkoepels; op de grootse boulevard die de Mese genoemd werd, en op het bloeiende landschap aan de andere kant van de Poort van Charisius; op de pilaren die beelden droegen uit de bloeitijd van Hellas, op kloosters, musea en bibliotheken die werken bewaarden van mensen als Aischylos en Sappho die men in latere eeuwen nooit zou lezen; op levendige forums, het Hippodroom en het wijdvertakte complex van het Keizerlijk paleis. Aan de andere kant reikte het uitzicht van het helderblauw van de Zee van Marmora, via het woud van masten in de Gouden Hoorn en de rijke voorsteden tot het smaragd van de hoogten daarachter. Schepen voeren af en aan. Het lawaai van wielen, hoeven, voeten, gepraat, gezang, gelach, gesnik, gevloek en van gebeden smolt samen tot een eindeloze hartslag. Een briesje voerde een rijkdom aan geuren aan; de zee, brandend hout, voedsel, dieren en mensen. Havig haalde diep adem.

‘Dank U, Kyrios Hauk,’ zei Doukas Manasses. ‘Het is erg hoffelijk van u om het uitzicht te prijzen. Zijn manier van doen suggereerde dat hij verbaasd was dat een Frank bewondering kon opbrengen voor iets Grieks. Maar Hauk Thomasson was dan ook geen echte Frank of Engelsman, hij stamde uit een noordelijker koninkrijk. ‘Minder hoffelijk dan u, die het mij heeft laten zien,’ antwoordde Havig.

Ze bogen naar elkaar. De Byzantijnen waren in hun hart geen stijf volk — naast hun hartstochtelijke religie en schoonheidszin hadden ze evenveel aangeboren energie en levenslust als Levantijnen in welk tijdperk dan ook — maar hun hogere standen hechtten waarde aan goede omgangsvormen.

‘U gaf blijk van belangstelling,’ zei Doukas. Hij was een knappe man met een grijze baard en bijziende ogen. Zijn tengere gestalte leek verloren te gaan in het gebruikelijke witte opperkleed. ‘Ik merkte alleen maar op, Kyrios, dat een zaak die zulke smaakvolle artikelen vervaardigt, ook omringd moet zijn met inspiratiebronnen.’ Het was makkelijk genoeg om poolshoogte te nemen in openbare gebouwen. Maar de enige manier om erachter te komen waar de rijkdommen zaten die in particuliere handen waren, was ergens naar binnen stappen, vertellen datje een geschenk zocht om mee naar huis te nemen en de collectie bestuderen. Nou, dat mocht gezegd, Doukas en zijn leerlingen leverden voortreffelijk werk.

‘U bent te vriendelijk,’ mompelde de goudsmid. ‘Maar ik heb toch het gevoel dat wij, Romeinen, ons meer zouden moeten richten op Gods schepping — al het goede komt immers van Hem — en minder op conventionele onderwerpen.’

‘Zoals dit?’ Havig wees op een bloeiende wilde appelboom die in een grote pot stond.

Doukas glimlachte. ‘Die is voor mijn dochter. Ze houdt van bloemen en we kunnen haar niet iedere dag mee naar buiten nemen.’ Vrouwen genoten hoog aanzien en hun rechten waren op vele manieren wettelijk beschermd. Maar misschien voelde Doukas dat hij zijn bezoeker een nadere verklaring schuldig was. ‘Misschien verwennen we haar te veel, Anna en ik. Maar ze is ons enige kind. Ik ben al eerder getrouwd geweest, maar de zoons van Eudoxia, zaliger nagedachtenis, zijn al volwassen. Xenia is Anna’s eerste en mijn enige dochter.’

In een opwelling voegde hij eraan toe: ‘Kyrios Hauk, denk niet dat ik vrijpostig ben. Maar ik heb belangstelling voor een ons goedgezinde vreemdeling uit zo’n ver land. Het is lang geleden dat velen uit uw streken deel uitmaakten van de Varangiaanse Garde. Ik zou wel eens op mijn gemak willen praten. Zou u ons de eer willen aandoen de avondmaaltijd bij ons thuis te willen gebruiken?’

‘Wel — heel graag.’ Havig vond het een zeldzame gelegenheid om achter een paar dingen te komen. De Byzantijnse handel en nijverheid was georganiseerd in besloten gilden, die onder leiding stonden van de prefect. Omdat deze man een goede naam had in zijn beroep, kon hij hem waarschijnlijk veel over zijn collega’s en andere handelslieden vertellen. ‘Het zou mij een groot genoegen zijn.’

‘Hebt u er bezwaar tegen als mijn vrouw en mijn kind bij de maaltijd aanwezig zijn?’ vroeg Doukas verlegen. ‘Zij zullen ons niet storen en graag naar u luisteren. Vergeef mij mijn trots, maar Xenia is pas vijf en leert al lezen.’

Zij was een uitzonderlijk mooi kind.

Het jaar daarop keerde Hauk Thomasson terug en vertelde de goudsmid dat hij een betrekking had aangenomen bij een firma in Athene. Griekenland was een onderdeel van het rijk en dat zou zo blijven tot aan de catastrofe; er werd nu zoveel handel gedreven door buitenlanders, dat zijn verhaal geen opzien baarde. Zijn werk bracht hem dikwijls in Constantinopel. Hij was blij dat hij de gelegenheid kreeg de kennismaking te hernieuwen en hij hoopte dat de dochter van Doukas Manasses een klein geschenk zou willen aannemen. ‘Athene!’ fluisterde de goudsmid. ‘U verblijft in het hart van Hellas?’ Hij tilde zijn handen omhoog en legde ze op de schouders van zijn gast. De tranen stonden in zijn ogen. ‘Wat heerlijk voor u! Die tempels te zien is de droom van mijn leven … De Heer vergeve mij, maar ik zou ze liever zien dan het Heilige Land.’ Xenia nam het speelgoed dankbaar aan. Tijdens de maaltijd en daarna luisterde zij verrukt, totdat haar kinderjuf haar naar bed stuurde. Ze was een lief jong ding, vond Havig, pienter ook en niet verwend, hoewel Anna waarschijnlijk geen kinderen meer zou krijgen. Hij amuseerde zich ook. Het gezelschap van een gevoelig, beschaafd en opmerkzaam mens is in elke tijd een genoegen. Zijn opdracht verloor, tijdelijk althans, iets van het karakter van een nachtmerrie. In werkelijkheid maakte hij eenvoudig sprongetjes vooruit in de tijd. Hij moest van tijd tot tijd controleren of zijn gegevens niet verouderd waren. Tegelijkertijd kon hij zo meer aanwijzingen verzamelen en meer vragen stellen dan bij een bezoek mogelijk was geweest. Maar — vroeg hij zich een paar kalenderjaren later af — ging hij niet grondiger te werk dan nodig was? Moest hij de familie Manasses werkelijk zo vaak opzoeken, bevriend met ze raken, dagjes met ze uitgaan, ze te eten uitnodigen en een dagje met ze gaan varen op een gehuurde plezierboot? Hij overschreed zijn budget … Ach wat. Hij kon zich bedruipen door weddenschappen af te sluiten met zijn voorkennis van wat er in het Hippodroom ging gebeuren. Een zelfstandig werkende agent had een grote vrijheid van handelen. Hij voelde zich schuldig omdat hij zijn vrienden bedroog. Maar het kon niet anders. Zijn enige bedoeling was hen te redden.

Xenia had een nogal hoog stemmetje, maar wanneer Havig haar hoorde moest hij altijd aan zangvogels denken. Dat was zo geweest vanaf het ogenblik dat zij voor het eerst haar verlegenheid overwon en in zijn aanwezigheid lachte. Van toen af aan babbelde ze met hem zo vaak haar ouders dat toestonden en vaker wanneer die niet keken. Zij was zo slank als riet. Hij had nog nooit iemand gezien die zich zo elegant bewoog; en wanneer het decorum dat toeliet, dansten haar voeten. Haar ravenzwarte, volle, opgestoken haar leek te zwaar voor haar tere hals. Ze had een smetteloze blanke huid, een ovaal gezicht met een wipneusje en een altijd iets openstaande mond. Haar ogen vielen het meest op: groot, donker glanzend en omringd door zware wimpers. Die ogen kunnen ook elders aanschouwd worden, op de mozaieken van Ravenna en bij Keizerin Theodora de Grote; vergeten kan men ze nooit.

Het was een vreemde gewaarwording haar te ontmoeten met tussenpozen van maanden, die voor Havig slechts uren of dagen waren. Iedere keer was ze op verbijsterende manier gegroeid. Met ontzag begon hij besef te krijgen van de onmetelijke rivier waarin hij kon zwemmen, maar waarop zij slechts meegevoerd kon worden van duisternis naar duisternis.

Het huis was gebouwd rondom een binnenplaats waar bloemen en sinaasappels groeiden en een fontein klaterde. Trots toonde Doukas Havig zijn laatste aanwinst: op een voetstuk in een van de hoeken stond een buste van Constantijn, die Rome bekeerd had en naar wie Nieuw Rome genoemd was. ‘Naar het leven, daar ben ik zeker van,’ zei hij. ‘In die tijd was de beeldhouwkunst over haar hoogtepunt heen, maar let eens op die gebiedende, stijf gesloten lippen …’ De negenjarige Xenia giechelde. ‘Wat is er, liefje?’ vroeg haar vader. ‘Niets, echt niet.’ Maar ze kon niet ophouden met giechelen. ‘Nee, vertel het maar. Ik zal niet boos zijn.

‘Hij … hij wil iets belangrijks zeggen en hij moet een boer laten!’

‘Bij Bacchus,’ riep Havig uit, ‘ze heeft gelijk!’

Doukas moest zich even inhouden, maar deelde weldra in hun plezier.

‘Alsjeblieft, Hauk, wil je met ons mee naar de kerk? Je weet niet hoe mooi het is als het gezang, de wierook en de kaarsvlammen opstijgen naar Christus Pantocrator.’

Ze was elf en had het hart vol van God.

‘Nee, het spijt me,’ zei Havig. ‘Je weet dat ik katholiek ben.’

,De heiligen vinden het niet erg. Ik heb het aan Vader en Moeder gevraagd en die vinden het ook niet erg. We kunnen zo nodig zeggen dat je een Rus bent. Ik doe wel voor wat je doen moet.’ Zij trok hem aan zijn hand. ‘Kom nou!’

Hij gaf toe, maar hij was er niet zeker van of ze hem wilde bekeren of dat ze iets schitterends wilde delen met haar lievelingsoom.

‘Maar het is veel te mooi!’ Ze barstte in tranen uit en hield het geschenk voor haar dertiende verjaardag stijf vast voordat ze het liet zien. ‘Vader, moeder, kijk eens wat ik van Hauk gekregen heb. Dit boek met de toneelstukken van Euripides — allemaal voor mij!’ Toen ze weg was om zich te verkleden voor een bescheiden feestdiner, zei Doukas: ‘Dat was een koninklijk geschenk. Niet alleen vanwege de kosten van het laten overschrijven en het inbinden, maar ook om het idee.’

‘Ik wist dat zij evenveel van de klassieken hield als u,’ antwoordde de reiziger.

‘Vergeef me,’ zei haar moeder Anna. ‘Maar is Euripides niet al te sombere leeskost voor haar leeftijd?’

‘Dit zijn sombere tijden,’ antwoordde Havig en hij kon niet langer blijdschap voorwenden. ‘Deze tragische regels kunnen haar misschien de kracht geven haar lot te aanvaarden.’ Hij wendde zich tot de goudsmid. ‘Doukas, ik zeg het nogmaals, ik zweer je dat ik via mijn connecties weet dat op dit ogenblik de Venetianen onderhandelen met andere Frankische heersers …’

‘Dat heb je al gezegd.’ De goudsmid knikte. Zijn haar en baard waren bijna wit.

‘Het is nog niet te laat om jezelf en je familie in veiligheid te brengen. Ik zal je helpen.’

‘Waar is het veiliger dan achter deze muren, waar geen binnendringer ooit een bres in heeft kunnen slaan? En waar ben ik veiliger voor honger en armoe wanneer ik mijn zaak opgeef? Wat zouden mijn leerlingen en bedienden moeten beginnen? Zij kunnen niet weg. Nee, goede oude vriend, voorzichtigheid en plicht gebieden mij hier te blijven en op God te vertrouwen.’ Hij glimlachte verdrietig. ‘Zei ik ‘oud’? Het lijkt wel of je nooit verandert. Maar je bent in de kracht van je leven, natuurlijk.’

Havig zuchtte. ‘Ik denk dat ik voorlopig niet in Constantinopel kom. Onder de huidige omstandigheden willen mijn werkgevers … Wees voorzichtig, gedraag je onopvallend, verberg je kostbaarheden en blijf zoveel mogelijk binnen; ’s nachts altijd. Ik ken de Franken.’

‘Wel, ik zal je advies in gedachten houden, Hauk. Maar je gaat te ver. Dit is Nieuw Rome.’

Anna pakte hen beiden bij de arm. ‘Jullie mannen altijd met je politiek,’ zei ze. ‘Kijk eens wat vrolijker. Wij vieren feest vanwege Xenia’s verjaardag, of waren jullie dat vergeten?’

In een steeg aan de overkant van de straat maakte Havig een sprong tijdopwaarts om een onderzoek in te stellen naar de eerste bezettingsperiode. Er bleek niets ernstigs te gebeuren. Hij ging terug naar een gelukkiger jaar, zocht onderdak voor de nacht en dwong zichzelf tot een stevig maa een goed idee als het misschien spoedig op vechten aankomt.

Hij sprong vooruit, naar 12 april 1204.

Hij kon niet meer dan een waarnemer zijn gedurende de dagen en nachten van de plundering. Hem was uitdrukkelijk en niet ten onrechte bevolen. ‘Loop geen gevaar, tenzij dat onvermijdelijk is. Raak er onder geen voorwaarde in gemengd en tracht nooit de gang van zaken te beinvloeden. Betreed nooit een gebouw waarin gevochten wordt; daar staan zware straffen op. Wij willen je rapport en daarvoor moetje levend terugkeren.’

De vlammen van razende branden lekten omhoog. Een stekende rook dreef door de straten en de mensen scholen ineengedoken als ratten binnenshuis, of vluchtten als ratten naar buiten. Sommigen ontsnapten, maar duizenden werden door paarden vertrapt, neergeschoten, neergesabeld, geslagen, gemarteld, beroofd en verkracht door schreeuwende, bezwete en met bloed besmeurde mannen die zijden altaarkleden om hun schouders geslagen hadden waarop hun vlooien rondsprongen. Lijken met gapende wonden lagen in de goten die verstopt raakten door de stromen klonterend bloed. Vele lijken waren erg klein. Moeders kropen rond en gilden om hun kinderen, kinderen om hun moeders; de meeste vaders waren dood. In de kerken werden orthodoxe priesters gemarteld tot zij onthulden waar de schatkisten verborgen waren: meestal waren er geen en in dat geval was het een aardig tijdverdrijf hun baarden met olie te doordrenken en in brand te steken. Vrouwen, meisjes en nonnen van iedere leeftijd lagen snikkend te mompelen na door reeksen mannen onteerd te zijn. Er waren vindingrijkere vormen van vernedering denkbaar.

Een dronken hoer zat op de troon van de patriarch in de Hagia Sophia, terwijl op de altaren gedobbeld werd om de buit. De bronzen paarden van het Hippodroom werden weggesleept naar de kathedraal van San Marco in Venetie; kunstwerken, juwelen en gewijde voorwerpen zouden verstrooid worden over een heel werelddeel, maar zij zouden tenminste bewaard blijven. Veel meer werd omgesmolten en afgebroken vanwege de edele metalen en de edelstenen, of louter voor het plezier in brand gestoken of stukgeslagen. Zo ging veel klassieke kunst verloren en bijna alle klassieke literatuur die Constantinopel tot die tijd had weten te bewaren. Het was niet waar dat de Turken van 1453 daar verantwoordelijk voor waren. De Kruisvaarders waren hen voor geweest. Daarna volgde de grote stilte, slechts doorbroken door heimelijke snikken; en de stank, de ziektes en de honger. Op deze wijze vernietigde in het begin van de dertiende eeuw, die door katholieke apologeten het hoogtepunt van de beschaving genoemd wordt, het westerse christendom zijn oostelijke flank. Anderhalve eeuw later drongen de Turken Europa binnen, nadat zij Klein-Azie onder de voet gelopen hadden.

Hij maakte een sprong in de tijd.

Zijn plan was om terug te keren naar een veilig tijdstip, post te vatten op een vooraf bepaalde locatie en, met onderbrekingen in de normale tijd, in de toekomst te reizen gedurende de hele periode van de plundering, totdat hij- wist wat daar zou voorvallen. Wanneer hij een bende Franken ergens zag binnengaan, lette hij extra scherp op. Inde meeste gevallen wankelden zij, verzadigd van het martelen en moorden, na enige tijd weer naar buiten waarbij zij gevangenen die de buit moesten dragen voor zich uit schopten. Die gebouwen schreef hij af. Je kon het verleden of de toekomst niet veranderen, je kon alleen ontdekken welke gedeelten jou toebehoorden. Maar in sommige gevallen — het zouden er in vergelijking maar weinig zijn omdat de commando’s van het Arendsnest slechts enkele manmaanden aan dit karwei konden besteden — zag Havig dat plunderaars met schoten uit machinepistolen verjaagd werden en zo nodig neer gemaaid. Hij verlustigde zich niet in het schouwspel, maar hij voelde een kille voldoening wanneer hij de plaats van het gebeurde noteerde.

Daarvandaan sleepten de mannen van het Arendsnest, gekleed in de stijl van de veroveraars, hun buit weg. Het was onwaarschijnlijk dat ze temidden van deze verwarring de aandacht zouden trekken. Een schip lag gereed om de buit naar een veilige opslagplaats te brengen. Ze zouden goed voor de bewoners zorgen had Krasicki beloofd. Wat ze zouden doen, hing van de omstandigheden af. Sommige families hoefden ze alleen maar ongedeerd te laten, met genoeg geld om verder te leven. Anderen moesten elders gebracht worden en in de gelegenheid worden gesteld opnieuw te beginnen. Paradoxen hoefden niet gevreesd te worden. Het verhaal hoe echte heiligen — of duivels, vanuit het standpunt van de Franken — die en die gered hadden, zou enige tijd in de folklore voortleven, maar niet in de kronieken terechtkomen. De schrijvers van Constantinopel zouden de komende zevenenvijftig jaar erg voorzichtig moeten zijn, totdat Michael Paleologus een einde maakte aan het Latijnse koninkrijk en een schim van het oude keizerrijk stichtte. Tegen die tijd zouden anekdotes vergeten zijn.

Havig onderzocht de onmiddellijke gevolgen van de acties van deze agenten niet. Nog afgezien van het hem opgelegde verbod, was hij al overbelast. De dingen die hij zag, joegen hem dikwijls, huilend en overgevend, op de vlucht, terug in de tijd. Dan sliep hij tot hij de kracht had om verder te gaan.

Het huis van de familie Manasses was een van de eerste waar hij een onderzoek instelde. Het was niet het eerste; hij wilde eerst elders ervaring opdoen, maar hij wist dat hij later afgestompt zou raken.

Hij had de hoop gekoesterd dat het helemaal over het hoofd gezien zou worden. Dat was het geval met enkele van zijn locaties. Omdat het ondoenlijk was de Kruisvaarders uit de befaamde gebouwen te weren, had hij zijn onderzoek gericht op de minder bekende, waarvan de gezamenlijke rijkdommen ook niet te versmaden waren. Bovendien was voor de plunderaars Constantinopel veel te groot, te zeer een doolhof en veel te onbekend om iedere deur in te trappen. Hij voelde geen bovenmatige angst. In dit bijzondere geval zou er tenminste iets gedaan worden, door hemzelf desnoods. Caleb Wallis kon naar de hel lopen met zijn uitverkorenheid en de rest. Niettemin, toen Havig vanuit zijn steeg een dozijn smerige mannen op de deuropening af zag springen, miste zijn hart een slag. Toen regende het kogels en twee Franken vielen en bleven stil liggen, twee lagen te gillen van de pijn en de rest vluchtte. Havig juichte. Zijn terugkeer was een hele onderneming. Als gevolg van de radioactiviteit en zijn onzekerheid omtrent de juiste tijd, kon hij zich niet naar het dode Istanboel begeven en op zoek gaan naar het afgesproken tijdstip waarop het vliegtuig hem zou komen afhalen. Hij kon ook niet in een eerder tijdperk opduiken — dan waren de vliegtuigen van het Arendsnest niet beschikbaar — of in een later — dan zou die plek weer bewoond zijn. Hij zou er te merkwaardig uitzien en het zou nog steeds lastig zijn een punt te bereiken van waaruit hij contact kon maken.

‘Kom je daar nu pas op?’ mompelde hij in zichzelf. Hij vroeg zich af waarom het voor de hand liggende antwoord niet gevonden was toen dit hele project besproken werd. Zijn twintigste-eeuwse identiteit aannemen. Wat geld en kleren verbergen in een hotel in Istanboel in die tijd; het personeel een verhaal vertellen over een filmopname en klaar was Kees.

Natuurlijk had hij over een hoop dingen moeten nadenken en het idee was bij niemand anders opgekomen. Hoewel Wallis bepaalde uitvindingen uit de ‘Mooie Jaren’ gebruikte, waren hij en zijn luitenants negentiende-eeuwers die een karakteristiek negentiende-eeuwse onderneming op touw hadden gezet. Het plan vereiste dat Havig op zijn schreden in het verleden terugkeerde, zo nodig nog wat meer geld verdiende en passage boekte op een schip naar Kreta. Daar kon hij zich op een vooraf afgesproken, afgelegen plaats in de toekomst projecteren. De moeite, de benauwde ruimte, het vuil, het lawaai, de beschimmelde scheepsbeschuit, het bedorven water en zijn eigenaardige medepassagiers konden hem werkelijk niet veel schelen. Hij had iets nodig om zijn gedachten af te leiden van wat hij gezien had.

‘Uitstekend gedaan,’ zei Krasicki naar aanleiding van zijn geschreven rapport. ‘Uitstekend, ik ben er zeker van dat je door de Sachem in het openbaar gehuldigd en beloond zal worden, wanneer jullie tijdlijnen weer samenvallen.’

‘Wat? Oh, ja bedankt.’ Havig kon zijn ogen niet open houden. Krasicki keek hem aan. ‘Je bent uitgeput, is het niet?’

‘Ik voel me net Rip van Winkle,’ mompelde Havig.

Zo Krasicki de toespeling al niet begreep, kon hij genoeg opmaken uit de uitgemergelde, hologige figuur met de zenuwtrek die voor hem stond. ‘Ja, het komt dikwijls voor, we houden er rekening mee. Je hebt je verlof verdiend. Ik stel voor dat je naar je eigen omgeving gaat. Vergeet de rest van dat zaakje in Constantinopel maar. Als we nog meer van je willen kan dat altijd nog wanneer je hier weer terug bent. Hij legde warmte in zijn glimlach. ‘Ga nu maar. Later praten we wel. Ik denk wel dat we ervoor kunnen zorgen dat je je vriendin … Havig? Havig?

Havig sliep.

De moeilijkheid was dat hij later, in plaats van van zijn verlof te genieten, begon na te denken.


10

<p>10</p>

Toen hij ontwaakte, was zijn besluit genomen. Het was vroeg. Het licht scheen net op de hoge daken van de Rive Gauche, Parijs, 1965, en het was koel en grijs als de ochtendlucht die nog niet door het verkeer was aangetast. De hotelkamer was in schaduwen gehuld. Hij voelde de warme ademhaling en het verwarde haar van Leonce tegen zich aan. Zij hadden tot diep in de nacht nachtclubs bezocht — hun voorkeur ging uit naar de chansonniers nu haar belangstelling voor de grote shows getaand was — en na hun terugkomst hadden ze teder en op hun gemak gevreeen. Ze zou zich nauwelijks verroeren voor er over een paar uur geklopt werd om de koffie en croissants aan te kondigen.

Havig verbaasde zich erover dat hij zelf zo vroeg wakker was geworden. Nou ja, de laatste weken had hij meer en meer het gevoel gekregen dat hij het onvermijdelijke alleen maar uitstelde. Zijn geweten had er misschien genoeg van en had een ultimatum gesteld. Hij zag het gevaar onbekommerd onder ogen en kwam voor het eerst in die tijd tot rust.

Hij stond op om zich te wassen en aan te kleden en zocht daarna zijn uitrusting bij elkaar. Die bestond uit twee standaard-pakketten met de basis-uitrusting van een agent, en een pistoo een uitgebreide versie van wat hij had meegenomen naar Jeruzalem. (De documentenafdeling van het Arendsnest had hem de papieren verschaft om het pistool langs de douane te krijgen.) Voorwerpen die Leonce al had, zoals het zilver, had hij achtergelaten om ruimte te sparen voor de chronoloog. (Die had hij ongemerkt op deze reis meegenomen. Toen Leonce vroeg waarom hij hem meesjouwde, noemde hij het ‘speciale elektronische uitrusting’ en met die toverformule nam ze genoegen.) Een paspoort, inentingsbewijs en een dikke portefeuille met travellercheques completeerden de lijst.

Hij bleef even staan en keek op het slapende meisje neer. Ze was een schatje, dacht hij. Een vuile streek om de benen te nemen. Zou hij een briefje achterlaten … Nee, dat had geen zin. Hij kon naar dit uur terugkeren. En als hij dat niet deed, nou ja, ze kon zich met haar Engels best redden en ze had geld genoeg. (Haar Amerikaanse paspoort was echt; het Arendsnest had voor een geboortebewijs gezorgd.)

De mogelijkheid bestond dat hij alleen een standje zou oplopen. In dat geval zou zij het hele verhaal te horen krijgen; wanneer hij het haar persoonlijk zou uitleggen, zou zij begrijpen dat zijn loyaliteit in het geding was.

Of zou het veel uitmaken? Dat zij hem schat noemde en van liefde sprak wanneer hij haar omhelsde, was waarschijnlijk haar manier van doen. Maar de laatste tijd had ze zijn hand erg vaak vastgehouden wanneer ze uitgingen en hij had haar erop betrapt dat zij hem toelachte als zij dacht dat hij het niet merkte … Hij was ook een beetje verliefd op haar. Dat kon niet zo blijven, maar zo lang het duurde …

Hij boog zich naar haar over. ‘Tot ziens, Grote Rooie,’ fluisterde hij. Vluchtig beroerden zijn lippen de hare. Hij pakte zijn twee draagtassen op en sloop de kamer uit. ’s Avonds was hij in Istanboel.

Zo veel uren van zijn levensduur nam de reis ook in beslag, voor het merendeel doorgebracht in het vliegtuig en in luchthavenbussen. Hij sprong rond in de tijd om tickets en dergelijke te kopen en daardoor bedroeg het werkelijke tijdsverloop een paar dagen. Met een zuur lachje had hij me verteld: ‘Weet je wat de beste plaats is voor chronokinese? Een openbaar toilet. Romantisch, he?’ Hij gebruikte een goed, zij het eenzaam avondmaal en nam een slaappil. Hij moest goed uitgerust zijn voor hij op weg ging.

Constantinopel, laat in de middag van de dertiende april 1204. Havig kwam tevoorschijn in een steeg op ruime afstand van zijn bestemming. De stilte was beangstigend — de geluiden van het gewone dagelijkse leven waren verstomd — maar verderop waren het gebrul der vlammen en de menselijke kreten hoorbaar en dichterbij het wanhopige geblaf van een hond.

Hij trof zijn voorbereidingen. Hij deed zijn pistool, een 9 mm Smith & Wesson, in een holster aan zijn middel en stopte de extra munitie in de diepe zakken van zijn jas. De chronoloog en de rest van zijn uitrusting gingen in een aluminium draagstel op zijn rug. Toen hij de straat inliep, zag hij dat de deuren en de luiken voor de ramen gesloten waren. De meeste bewoners hadden zich binnen verscholen — hongerig, dorstig en onafgebroken in gebed. Behalve voor het genoegen van moord, verkrachting, brandstichting en marteling, was het over het algemeen niet de moeite waard hier in te breken. Dit was weliswaar de buurt van de goudsmeden, maar niet in ieder huis woonde er een. Iemands welstand bepaalde niet waar hij woonde; de armen woonden overal. Als de kramen en uitstalkasten verwijderd waren, was het niet te zeggen of achter een bepaalde geval rijkdom of een huurkazerne schuilging — totdat je een bewoner te grazen nam en het uit hem perste. Degenen die het huis van Manasses waren binnengedrongen, waren kennelijk de voorhoede van de bendes die over deze wijk zouden uitzwermen zodra het paleis en de kerken leeggehaald waren. Waren ze er al? Havig wist niet precies hoe laat hij ze gezien had.

Hij rende een hoek om en zag een doorstoken, dode man liggen. Zijn rechterarm was uit zijn schouder getrokken en lag op zijn rug. Een armoedig geklede vrouw zat bij hem neergehurkt en toen Havig passeerde, schreeuwde ze: ‘Was het niet genoeg dat hij onze buren verraden heeft? Was dat niet genoeg, in Christus’ naam?’ Nee, dacht hij. Van een leven uitblussen ging voor sommigen ook een bijzondere bekoring uit.

Hij liep verder. De ellende die hij al eerder gezien had, kwam weer in zo’n monsterlijke golf op hem af dat de tranen van deze weduwe aan hem niet besteed waren. Hij kon niets voor haar doen; door zijn broek, korte haar en gladgeschoren gelaat was hij voor haar een Frank. Bij zijn geboorte waren zij en haar verdriet al zevenhonderd jaar vergeten.

Nu wist hij tenminste hoe de Kruisvaarders de winkel van Doukas gevonden hadden. Een van hen moest wat Grieks kennen en zijn groepje had besloten deze wijk te doorzoeken voor de grote stormloop begon. Hij wist ook dat hij ongeveer op het juiste moment kwam.

Van muren en straatkeien kaatste het afschuwelijke geschreeuw en gekletter naar de beroete hemel. Hij klemde zijn lippen op elkaar en mompelde: ‘Ja, ik kom precies op tijd.’

Hij versnelde zijn pas. Zijn jongere ik zou er niet meer zijn tegen de tijd dat hij aankwam. Dat lag voor de hand; hij had zijn latere ik nooit ontmoet. Hij wilde het huis niet langer uit het oog verliezen, dan onvermijdelijk was. Zeker niet als hij bedacht wat voor soort mens de gemiddelde krijger van het Arendsnest was. De straat waar hij moest zijn, liep steil omhoog. Met al zijn spierkracht verzette hij zich tegen de zwaartekracht. Zijn voetstappen gingen zo snel als zijn hart bonsde. Hij had een droge mond en de rook prikte in zijn neus.

Daar was het!

Een van de gewonde Kruisvaarders zag hem, ging moeizaam op zijn knieen zitten en hief zijn armen omhoog. Helderrood bloed bedekte het kruis op zijn wapenrok en viel in dikke druppels op de stenen. ‘Ami, kreunde hij met een lijkbleek, van pijn verwrongen gezicht. ‘Frere par Jesu…’ De andere overlevende kon slecht kreunen, telkens weer.

Hij moest een opwelling onderdrukken om hun tanden in te trappen. In een oorlog vallen alle normen weg. Hij negeerde de knielende man die meteen daarop weer in elkaar zakte. Hij stak zijn armen omhoog en riep: ‘Niet schieten! Ik kom van het Arendsnest! Inspectie! Schiet niet en laat me binnen!’ Met een beklemd gevoel liep hij op de deuropening af.

Ernaast stond een kar, getrokken door een os die was vastgebonden aan de beugel waaraan het uithangbord van Doukas gehangen had. Het dier bewoog zijn oren om de vliegen te verjagen en keek kalm naar de stervende Kruisvaarders. Dat was kennelijk van tevoren zo geregeld om het goud en zilver, de edelstenen en sieraden, de iconen en de bruidskransen naar het wachtende schip te brengen. Havig was niet de enige reiziger die in de voorafgaande jaren aan het werk geweest was. Een dergelijke onderneming vereiste veel voorbereiding.

De ingang werd niet bewaakt. Met hun bewapening konden de agenten aan iedere poging tot ingrijpen het hoofd bieden. Havig hield stil en bekeek fronsend de deur. Die was erg zwaar en was zeker gebarricadeerd geweest. Te oordelen naar de manier waarop hij nu half-verschroeid en versplinterd in de scharnieren hing, moesten de jongens van Wallis dynamiet gebruikt hebben. Dat moest zo snel gegaan zijn, dat hun aankomst, en die van de Franken een paar minuten later, volgens Havigs beperkte chronokinetische waarnemingsvermogen waren samengevallen.

Een gil klonk uit de vertrekken binnenin: ‘Nee, oh nee, alstublieft niet!’ Het was de stem van Xenia. Er volgde een vloek en een bulderlach. Havig kromp als door de bliksem getroffen in elkaar.

Hij was ondanks alles toch te laat. Bij zijn aankomst hadden de agenten de deur al opgeblazen en zich toegang verschaft. Ze hadden hier een man geposteerd om de komst van de plunderaars af te wachten. Die was nu weer naar binnen gegaan om aan de pret deel te nemen.

Een eindeloos lijkend moment vervloekte Havig zijn stommiteit. Of naiviteit — dit was allemaal nieuw voor hem en hij zag stellig belangrijke dingen over het hoofd. Naar de hel ermee. Hij was nu hier en het was zijn plicht te redden wat er te redden viel. Zijn geroep was niet opgemerkt. Hij riep nog eens toen hij het huis inliep dat hij zich zo goed herinnerde. Het gegil om genade kwam uit de richting van het grootste vertrek, de werkplaats en opslagruimte. De familie, de leerlingen en de bedienden waren daar samengebracht. Er was daar meer licht en lucht dan de gewoonte was in Byzantium, doordat de deur en de brede vensters aan de binnenplaats lagen. Daar klaterde nog steeds de fontein, sinaasappels blonken tussen donkergroene bladeren, lentebloemen stonden in de knop en de buste van Constantijn stond in eeuwige verlegenheid in de hoek. Dicht opeengepakt lag hier op planken en tafels al het schoons dat door Doukas Manasses vervaardigd was. Hij lag vlak bij de ingang op de grond uitgestrekt. Zijn schedel was ingeslagen. Een grote plas bloed maakte de vloer glibberig en door: het hele vertrek liepen rode voetsporen. Zijn toga en zijn witte baard waren met bloed doordrenkt en zijn ene hand omklemde nog een aambeeldje waarmee hij getracht had zijn vrouwen te verdedigen. Er waren vier als Kruisvaarders verklede agenten. Havig herkende ze in een flits. De leider was Mendoza, die in zijn eigen eeuw tot de’’ onderwereld van Tijuana had behoord en die ook in Jeruzalem was geweest. Hij beval de bewoners de buit te verzamelen. Moriarty, de’ negentiende-eeuwse gangster uit Brooklyn, hield met een machinepistool de wacht. Hans, de zestiende-eeuwse landsknecht, keek toe terwijl Coenraet van Brabant, die zijn zwaard had willen trekken om de Verlosser te redden, met Xenia worstelde. Het veertienjarige meisje gilde en gilde. Haar haar was losgeraakt en plakte door haar zweet en tranen aan haar gezicht. Coenraet greep haar rond haar middel en scheurde met zijn vrije hand haar kleren open. De strijdbijl aan zijn gordel droop van het bloed en de hersens. ‘Straks is het mijn beurt,’ grijnsde Hans. Coenraet duwde Xenia op de natte vloer en frunnikte aan zijn broek. Anna, die als verdoofd en verblind bij het lijk van haar man stond, begon te jammeren en schoot op haar dochter af. Hans velde haar met een enkele klap. ‘Jij komt misschien later aan de beurt,’ zei hij. ‘Keiharde kerels zijn jullie,’ lachte Moriarty. Het had zich in enkele seconden afgespeeld. In hun opwinding hadden ze Havigs geroep niet gehoord. Mendoza zag hem het eerst en slaakte een kreet. De anderen verstijfden, totdat Coenraet Xenia losliet en langzaam opstond.

Zij staarde hem aan. Nog nooit had hij ogen zo zien oplichten. ‘Hauk,’ riep ze, Oh Hauk!’

Mendoza richtte zijn pistool op hem. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg hij.

Havig realiseerde zich dat hij zijn eigen wapen niet in zijn hand had, maar hij voelde geen angst. Aan de oppervlakte voelde hij alleen de waakzaamheid van een poema, maar diep in zijn binnenste kookte een ziedende woede, een afgrijzen en een walging die hij zich op dit moment niet kon veroorloven.

‘Ik zou jou hetzelfde kunnen vragen,’ antwoordde hij langzaam.

Ben je je orders vergeten? Ik niet. Jouw baan is het verzamelen van inlichtingen en je dient je leven niet te riskeren door je op het werkterrein zelf te vertonen.’

Mijn werk is gedaan, Mendoza. Ik ben teruggekomen om persoonlijk een kijkje te nemen.’

‘Verboden! Smeer ‘m, dan praten we er later over of ik dit zal rapporteren.’

‘En als ik niet ga?’ Ondanks zijn zelfbeheersing klonk Havigs stem schril en bijtend. ‘Ik heb nu gezien wat ik niet ineens had mogen zien, maar geleidelijk, stukje bij beetje, totdat ik het zo vaak op een smerig akkoordje met mijn principes zou hebben gegooid dat het er niet langer toe doet. Ik zou er tot mijn nek aan toe inzitten en zelfmoord moeten plegen of net zo worden als jij.’

Mendoza haalde zijn schouders op, maar zijn machinepistool bleef op Havigs maag gericht. ‘Wat verwacht je dan? We gebruiken al het mensenmateriaal dat we kunnen vinden. Deze jongens zijn niet slechter dan de Kruisvaarders — dan de hele mensheid door de eeuwen heen. Of wel soms, Jack? Wees eens eerlijk.’

‘Dat zijn ze wel, omdat ze de macht bezitten op iedere tijd, op iedere plaats alles te doen wat ze maar willen zonder ooit bang te hoeven zijn voor wraak. Hoe brengen ze hun vakanties eigenlijk door? Zo krijg je de smaak voor moord en marteling wel te pakken.’

‘Luister …’

‘En Wallis en de rest van het stel proberen ze niet eens in de hand te houden!’

‘Havig, je zegt teveel. Verdwijn voordat ik je arresteer.’

‘Ze houden de waarheid voor die paar, die net als ik zijn, verborgen totdat we die rotsmoes geloven — dat de roeping van het Arendsnest veel te belangrijk is om tijd te besteden aan het afdwingen van gewone menselijkheid. Is het niet zo?’

‘Goed, dan, jongen. Je hebt meer dan genoeg gezegd. Je staat onder arrest. Je wordt onder escorte naar de toekomst gebracht en de zaak wordt aan de Sacham voorgelegd. Als je je goed gedraagt, loopt het misschien met een sisser af.’

Afgezien van het gesnik van Xenia die het hoofd van haar halfbewusteloze moeder in haar schoot hield, bleef het een ogenblik dood stil. Aller ogen waren op Havig gericht — die van Xenia en de rest van het huishouden, onder wie de veelbelovende Bardas, de begaafde Joannes, de oude Maria die Xenia’s kindermeisje was geweest — en die van Mendoza en Moriarty. De ogen van Hans straalden een dierlijke waakzaamheid uit, die van Coenraet verijdelde wellust.

Havig nam zijn besluit en haalde diep adem. Tegelijk nam hij de positie van iedere man en ieder wapen in het vertrek in zich op. Hij kwam zesvoudig over het hele vertrek verspreid te voorschijn. Terwijl hij opzij sprong, wierp hij zich een paar minuten in de tijd terug en schoot met getrokken pistool weer tijdopwaarts. Hij dook weer op naast Hans, het pistool knalde en het hoofd van de landsknecht spatte uit elkaar. Havig schoot tijdafwaarts en naar de andere kant van het vertrek.

Naderhand kon hij zich nauwelijks herinneren wat er gebeurd was, zo kort en hevig was het gevecht. De anderen konden hetzelfde met hem doen. Coenraet was niet zo snel van begrip en stierf. Moriarty verdween uit het gezicht toen Havig opdook. Mendoza’s machinepistool spuwde vuur en Havig sprong maar net op tijd vooruit in de tijd. Vaag zag hij Moriarty opdoemen. Hij onderbrak zijn sprong en toen de man helemaal verschenen was, schoot hij hem neer. Snel vluchtte hij tijdafwaarts van Mendoza weg.

Toen was Mendoza verdwenen. Om op adem te komen en zijn bezwete, trillende ledematen rust te gunnen, gleed Havig terug naar een nacht waarin de familie vredig onder Gods hoede sliep. Toen hij zich er eindelijk toe in staat voelde, keerde hij terug naar het strijdtoneel om een onderzoek in te stellen. Al kort na het begin van het gevecht was er geen spoor van Mendoza meer te bekennen. Die moest zich naar de verre toekomst begeven hebben om hulp te halen. Dat betekende dat er snel gehandeld moest worden. Havigs vrienden konden niet door de tijd reizen en de vijand was gehandicapt doordat deze zonder chronoloog moeilijk op het juiste moment zijn doelwit zou kunnen bereiken. Mensen van Arendsnest zouden op hun gevoel moeten afgaan, maar zouden er onder leiding van Mendoza niet veel naast zitten.

Havig keerde op een zo vroeg mogelijk tijdstip terug. Moriarty lag te trappelen van de pijn en jammerde van angst, net als de mannen buiten op straat, die hij wellicht had neergeschoten. De Byzantijnen zaten dicht op elkaar gekropen. Bardas was dood en twee anderen waren gewond in het kruisvuur.

‘Ik kom jullie redden,’ zei Havig. Ze staarden hem te midden van de stank van angstzweet en kruitdamp met glazige ogen onbegrijpend aan. Hij sloeg een kruisteken van rechts naar links op de Orthodoxe manier. ‘In naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. In naam van de Maagd Maria en Alle Heiligen. Kom onmiddellijk met me mee of u sterft.’

Hij hielp Xenia opstaan. Zij klemde zich aan hem vast en drukte haar hoofd tegen zijn borst. Hij streek door haar lange zwarte haar en herinnerde zich hoe hij zich als kind had vastgeklampt aan zijn vader toen die zijn dood tegemoet ging. Over haar schouder heen snauwde hij: ‘Joannes, Nicephorus, jullie zijn de sterkste, draag uw vrouwe Anna. De anderen helpen de gewonden.’ Hij barstte in het Engels uit: ‘Godverdomme, we moeten hier weg!’

Verdoofd gehoorzaamden ze. Op straat deed hij de mantel van een dode Kruisvaarder om. Van een ander lijk pakte hij het zwaard en gaf zijn ransel aan een bediende om te dragen. Hij verdeed geen tijd met het losgespen van de gordel en de schede; zo’n zwaard gaf aan dat iemand van zo hoge rang was dat zijn groepje niet lastig gevallen zou worden.

Een paar straten verder werd hij door duizeligheid overvallen. Hij moest met zijn hoofd tussen zijn knieen gaan zitten tot zijn krachten terugkeerden. Xenia knielde bezorgd voor hem neer. ‘Hauk,’ fluisterde ze schor, ‘wat is er aan de hand, lieve Hauk?’

‘We zijn veilig,’ zei hij uiteindelijk.

Voor onmiddellijk gevaar, tenminste. Hij nam aan dat het Arendsnest, als hij en de zijnen eenmaal in de menigte waren opgegaan, geen man jaren zou verknoeien met het doorzoeken van Constantinopel. Maar hij moest zijn eigen en hun toekomst nog veilig stellen. Met ijzige vastberadenheid stond hij op en ging hen voor op hun moeizame weg.

‘Ik liet ze in het klooster achter,’ vertelde hij me. ‘Het zat boordevol vluchtelingen, maar ik wist vooruit dat het aan de aandacht zou ontsnappen. In de loop van de volgende dagen, plaatselijke tijd, trof ik betere voorzieningen. Een eenvoudig maar onaangenaam karweitje. Ik beroofde een paar gewone Franken van hun buit en gaf die ten geschenke aan het klooster en later ook aan het nonnenklooster waar ik de vrouwen heenbracht. Dit gaf de mensen die ik daar bracht een streepje voor op de anderen, doordat de monniken en nonnen nu brood konden kopen om hun armen te voeden. ‘En die anderen dan?’ vroeg ik.

Hij sloeg zijn handen voor zijn gezicht. ‘Wat kon ik doen? Er waren er te veel.’

Ik greep hem bij de schouder. ‘Het zijn er altijd te veel, Jack.’

Hij zuchtte en zei met een glimlachje: ‘Bedankt, dok.’

Ik had mijn dagelijkse tabaksrantsoen al overschreden, maar het was laat en mijn zenuwen konden best wat hulp gebruiken. Ik haalde mijn pijp tevoorschijn en begon het stinkende schoonmaakritueel. ‘Wat heb je daarna gedaan?’

‘Ik ben teruggegaan naar de twintigste eeuw — naar een ander hotel — en heb veel geslapen. ‘En daarna … voor mijn Byzantijnen kon ik hun onmiddellijke toekomst niets doen. Ik had ze verteld dat ze er niet over mochten praten en dat ze moesten zeggen dat ze gewoon gevlucht waren. Het was een goeie gok dat ze zouden gehoorzamen nu ze door een ‘heilige’ uit handen van de ‘duivels’ gered waren. Maar als voorzorgsmaatregel vertelde ik ze niet waar ik de vrouwen heengebracht had. Verder was het gewoon de beste tactiek ze met rust te laten, omdat er toch geen vervoer beschikbaar was en ik niet wilde dat ze opvielen. De instellingen waar ze waren, konden beter voor ze zorgen dan ik.

‘Bovendien moest ik zorgen dat ik het zelf overleefde.’

Ik schraapte mijn pijp onnodig krachtig uit. ‘Ja natuurlijk,’ zei ik, ‘hoe heb je dat gedaan?’

Hij nam een slok. Hoewel hij niet dronken durfde te worden, werkte zo nu en dan wat Scotch kalmerend. ‘Ik wist wat de laatste datum was waarop ik in het openbaar J. F. Havig geweest was,’ vertelde hij me. ‘Dat was aan het begin van mijn verlof in 1965, op een bespreking met mijn makelaar. Ik was nog wel later opgedoken in normale tijd, zoals bij mijn reis naar Israel in 1969, maar dat was maar kort geweest. 1965 betekende het einde van mijn officiele bestaan als persona. Alles was in orde, vertelde de makelaar mij. Het leek me onmogelijk dat die hele gecompliceerde financiele instelling en de identiteit van de man gefingeerd waren. Dus tot op dat moment leidde ik een veilig bestaan.’

‘Dus voor dat tijdstip kon het Arendsnest je niet te grazen nemen? Waarom niet?’

‘Oh, ze zouden daarvoor kunnen opduiken en een of andere val uitzetten, maar die zou pas na die dag dicht kunnen slaan. Ik betwijfelde zelfs dat ze dat zouden proberen. Geen van hen, zeker het kader niet wist zo goed als ik de weg in de twintigste eeuw.’

‘Bedoel je dat een eenmaal vastgelegde gebeurtenis niet meer te veranderen is?’

Zijn lachje deed me rillen. ‘Ik denk dat dat voor alle gebeurtenissen opgaat,’ zei hij. ‘Ik weet zeker dat een tijdreiziger geen tegenstrijdigheden kan veroorzaken. Ik heb het geprobeerd en anderen ook, onder wie Wallis. Laat ik je een enkel persoonlijk voorbeeld geven. Als jonge man had ik eens het plan terug te gaan in de tijd, het verbod van mijn ‘oom’ te negeren en mijn vader te waarschuwen niet in dienst te gaan nadat ik hem had uitgelegd wat ik was.’

‘En?’ fluisterde ik.

‘Dok, herinner je je dat je me behandeld hebt voor een gebroken been?’

‘Ja, wacht eens, dat was. . .

‘Iemand was zo onvoorzichtig geweest een elektrisch snoer bovenaan een trap te laten liggen en daar ben ik over gestruikeld; een dag in persoonlijke tijd voordat ik het zou doen … Toen ik weer beter was en het opnieuw wilde proberen, kreeg ik een dringend telefoontje van mijn maatschappij om allerlei vervelende details te komen bespreken. Toen ik in Senlac terugkwam, had mijn moeder voorgoed met Birkelund gebroken en was mijn aanwezigheid vereist. Ik bekeek die twee onschuldige kinderen eens die zij en hij ter wereld hadden gebracht en er ging me een licht op. ‘Denk je dat God tussenbeide komt?’

‘Nee, nee. Logisch gezien is het gewoon onmogelijk om het verleden te veranderen, net zo min als een eenkleurige vlek tegelijkertijd rood en groen kan zijn. leder ogenblik in de tijd is het verleden van oneindig veel andere ogenblikken, dat spreekt vanzelf. Het patroon is. Onze pogingen er nu en dan van af te wijken, en de mislukking daarvan, maken er deel van uit.’

‘Zijn we dan marionetten?’

‘Dat zei ik niet, dok. Dat kan ik echt niet geloven. Ik denk dat onze vrije wil een onderdeel is van de hele opzet. Maar we doen er beter aan op het terrein van het ongekende te blijven, want daar ligt onze vrijheid.’

‘Zou er een overeenkomst zijn, met, eh, drugs bijvoorbeeld?’ vroeg ik me af. ‘Iemand kan weloverwogen en uit vrije wil een chemisch middel innemen, maar zolang het op zijn geest inwerkt, is hij niet echt vrij.’

‘Misschien wel.’ Havig bewoog zich onrustig in zijn stoel, tuurde in de nacht en nam nog een slokje van zijn whisky. ‘Luister eens, we hebben eigenlijk geen tijd voor filosofische beschouwingen. Wallis’ bloedhonden zitten achter me aan. Ze hebben mijn lucht nog niet opgevangen, maar blijven attent. Ze weten iets van mijn levensloop en kunnen steekproeven doen.’

‘Heb je me daarom de afgelopen jaren gemeden?’ vroeg ik.

‘Ja.’ Troostend legde hij,zijn hand om mij heen. ‘Zolang Kate nog leefde, begrijp je?’

Ik knikte zwijgend.

Haastig ging hij verder met de droge details van zijn verhaal. ‘Ik keerde terug naar New York op diezelfde dag in 1965, de laatste waar ik tamelijk zeker van was. Van daaruit trof ik mijn voorbereidingen. Dat kostte veel tijd. Ik moest er zeker van zijn dat wat ik deed zo moeilijk te achterhalen was, dat Wallis er vanaf zou zien er de nodige man jaren aan te besteden. Ik werkte met Zwitserse banken en een hele serie stromannen. Het resultaat was dat het vermogen van John Havig wijd verspreid werd op naam van een aantal personen en firma’s die ik in feite zelf ben. John Havig zelf, de publiciteitsschuwe playboy, legde aan zijn bankiers uit … dat doet er ook niet toe. Het was een verhaal dat erg riekte naar belastingontduiking maar dat het in werkelijkheid niet was. Ze waren blij dat ze hun handen in onschuld konden wassen en niets belangrijks wisten.’

‘Zoals je weet, verdween John Havig daarna stilletjes uit de circulatie. Omdat hij, afgezien van zijn moeder en zijn oude huisarts, geen intieme kennissen had in de twintigste eeuw, zou hij alleen door dezen gemist worden en hij kon van tijd tot tijd makkelijk een geruststellend briefje sturen.’

‘Voornamelijk briefkaarten,’ zei ik. ‘Je maakt me wel nieuwsgierig.’ Na een korte stilte: ‘Waar zat je?’

‘Nadat ik mijn spoor zo goed mogelijk had uitgewist,’ antwoordde hij, ‘ging ik terug naar Constantinopel.’

In het uitgebrande skelet van Nieuw Rome werd de orde weldra hersteld. Ten eerste hadden de troepen water en voedsel nodig en daarvoor waren arbeidskrachten en een burgerlijk bestuur vereist, wat betekende dat de bewoners niet langer als ongedierte behandeld konden worden. Later wenste Boudewijn van Vlaanderen, heerser over het gedeelte van het rijk waarin de stad lag, zijn onderdanen voor meer dan dat ten nutte te maken. Hij werd spoedig gevangengenomen tijdens de oorlog tegen de Bulgaren en stierf in de gevangenis, maar zijn broer en opvolger Hendrik I huldigde dezelfde opvatting. Een Latijnse koning kon de Grieken onderdrukken, ze uitknijpen, vernederen, met belastingheffingen tot de bedelstaf brengen en dwingen tot corveediensten voor zijn legers, maar in ruil hiervoor moest hij hun een zekere mate van veiligheid bieden. Hoewel Xenia slechts te gast was, waren de regels in het nonnenklooster streng. Ze ontmoette Havig in een somber en kil vertrek onder de afkeurende blikken van een zuster. Ze was gekleed in een ruw, bruin wollen habijt met kap en sluier en mocht haar mannelijke bezoeker niet aanraken, laat staan hem om de hals vliegen, hoe rijkelijk hij het klooster ook bedacht had. Maar hij zag de ogen van de mozaieken van Ravenna en haar kleding kon niet verhullen hoe zij gegroeid was en hoe vrouwelijk haar figuur werd, en haar stem herinnerde hem aan het gezang van de vogels als hij met haar en haar vader de natuur introk …

‘Oh, Hauk, lieve Hauk!’ Ze deinsde terug, sloeg een kruis en stamelde: ‘Ik … vraag uw vergiffenis, G-gezegende.’

De oude non fronste en deed een stap naar hen toe. Havig zwaaide wild met zijn armen. ‘Nee, nee, Xenia!’ riep hij uit. Ik ben net zo sterfelijk als jij. Ik zweer erop. Er zijn die dag vreemde dingen gebeurd. Misschien kan ik het je later uitleggen. Maar geloof me, i ben een gewoon mens.’

Dat deed haar in tranen uitbarsten, maar niet van teleurstelling. ‘Ik; ik ben zo blij. Ik bedoel … je gaat naar de hemel wanneer je sterft, maar …’

Vandaag was hij niet een van haar stijve, strenge Byzantijnse heiligen.

‘Hoe is het met je moeder?’ vroeg Havig.

Hij kon haar nauwelijks verstaan: ‘Ze … heeft de sluier aangenomen. Ze smeekt me dat ook te doen.’ Ze wrong zich in de handen en keek hem angstig aan. ‘Moet ik het doen? Ik heb op jou gewacht om het me te vertellen. ..’

‘Begrijp me niet verkeerd, dok,’ zei Havig. ‘De zusters bedoelden het goed. Maar hun regels waren streng, vooral als je hun onzekere positie in aanmerking neemt nu de geestelijke en wereldlijke overheid katholiek was. Zij hield van haar God en boeken hadden altijd veel voor haar betekend. Maar ze was doordrongen van de geest van de klassieke oudheid zoals zij droomde dat die geweest was, en ik had nooit de moed om haar teleur te stellen. En haar opvoeding en mijn invloed hadden haar belangstelling al vroeg op de wereld gericht.

Zelfs zonder die achtergrond was een leven van gebed in een klooster, totdat de dood de deur opende, niets voor haar. Haar afgrijselijke ervaringen ontnamen haar haar geboorterecht niet: ze was een kind van de zon.’

‘Wat deed je?’

‘Ik vond een ouder echtpaar dat haar in huis wilde nemen. Ze waren arm maar ik kon ze financieel bijstaan. Zelf hadden ze geen kinderen, zodat ze erg aardig voor haar waren. Hij was een schrijver, zo’n beetje een geleerde. Dat kwam allemaal goed uit.’

‘Je hield natuurlijk een oogje in het zeil.’ Havig knikte. Er kwam een tedere uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ik had mijn eigen bezigheden, maar in het daarop volgende jaar van mijn leven — dat waren drie jaren voor Xenia — ging ik van tijd tot tijd terug om haar op te zoeken. Dat gebeurde steeds vaker.


11

<p>11</p>

Het schip was een gigantische trimaran. Vanaf de brug keek Havig uit over een uitgestrekt dek van prachtig hardhout waarop de luiken, de laadbomen, de zonne-energieschermen, de hulpmachines en de opbouw een harmonieus geheel vormden. Chroom of glanzend koperwerk was er niet: tijdens de Maurai-beschaving was er een schaarste aan metalen. Tegen de hutten groeiden bougainville en trompetbloemen. Op elk van de drie voorstevens stond een uit hout gesneden figuur die een lid van de Drie-eenheid voorstelde — Tanaroa Creator in het midden, een kolom met abstracte symbolen; Lesu Haristi met het kruis aan stuurboord; en aan bakboord de scherpgetande Nan voor de donkere zijde van het leven en de dood. Dit koopvaardijschip was niet gebouwd en werd niet bemand door barbaren. De drieling-romp was ontworpen voor maximaal hydrodynamisch rendement. De drie grote A-vormige masten droegen weliswaar zeilen, maar die waren van geheimzinnige snit en werden geholpen door vinnen die op hun eigen wijze van de wind gebruikmaakten; de hele tuigage werd voortdurend bijgesteld door op biologische brandstofcellen lopende kleine motoren die door een computer gestuurd werden. De bemanning bestond uit vier Kanaka’s en twee Wahines en die waren bepaald niet overwerkt. Kapitein Rewi Lohannasso was een afgestudeerde ingenieur van de Universiteit van Wellantoa in N’Zeelann. Hij sprak verscheidene talen en zijn Ingliss was niet het koeterwaals van een of andere Mexicaanse stam, maar even rijk en precies als Havigs moedertaal. Hij was een gedrongen bruine man, blootsvoets en gekleed in een sarong. Langzaam zei hij, ter wille van zijn passagier die probeerde de nieuwe taal onder de knie te krijgen: ‘Nadat de technologische wereldmachine was stuk gedraaid, hebben wij de wetenschappelijke kennis bewaard. Wij moesten nieuwe manieren vinden om die kennis toe te passen in een verbrande en vergiftigde wereld. Dat probleem is nog niet helemaal opgelost, maar we zijn al een heel eind en komen steeds verder.’

De deinende oceaan glinsterde van indigo, turkoois en aquamarijn. De golven ruisten voorbij en het zonlicht blinkte op de zeilen en de vleugels van een albatros. Een majestueuze school walvissen kruiste hun gezichtsveld. Door de snelheid van het voor de wind varende schip was slechts een wiegend briesje voelbaar dat zilte geuren meevoerde en verkoeling bracht aan naakte, zonovergoten lichamen. Op het dak onder hen ontlokte een jongeman glasheldere tonen aan een bamboefluit en een meisje danste. Hun naakte lichamen waren zo gracieus als een kat of een volbloed.

‘Daarom hebt u zo iets groots verricht. Broeder Thomas,’ zei Lohannasso. ‘Ze zullen u juichend ontvangen! Hij aarzelde. ‘Ik heb niet om een vliegtuig gevraagd om u en uw waren naar de Federatie te brengen omdat de Admiraliteit daar misschien opin was gegaan. En … eerlijk gezegd: luchtschepen zijn wel sneller, maar niet zo betrouwbaar als zeilschepen. De motoren zijn zwak en de brandveiligheidkatalysator van de waterstof is nog in het experimentele stadium.’

‘Vooral daardoor begon ik de Maurai-maatschappij in zijn beste dagen werkelijk te begrijpen,’ zei Havig. Ze waren niet van die ‘terug naar de natuur idioten’ Integendeel, onder hun gemakzuchtige minzaamheid, zijn ze misschien nog meer op vooruitgang gebrand dan de Verenigde Staten nu. Maar ze hebben geen brandstof voor vliegtuigen die zwaarder zijn dan lucht, tenminste niet in de vroege periode. En ze hebben geen helium voor zeppelins zoals wij: wij hebben zo veel verkwist.’)

‘Uw ontdekking heeft al een paar eeuwen op zich laten wachten,’ vervolgde Lohannaso. ‘Het kan geen kwaad dat het een paar weken duurt voor u in Wellantoa aankomt.’ (’Als ik een diepgaande studie van de Maurai wilde maken en erachter wilde komen of wat Wallis over hen gezegd had waar was, en hoeveel op leugens en blind vooroordeel berustte, dan had ik een entree nodig. Met als uitgangspunt het moment dat ze een factor van belang in de wereld werden, kon ik hun geschiedenis naar de toekomst volgen. Maar ik stond met lege handen. Ik kon me makkelijk uitgeven voor een Merikaan — Engels was toen in zoveel dialecten uiteengevallen dat mijn uitspraak geen opzien zou baren — maar waarom zou een gewone barbaar hun interesse opwekken? En ik kon me niet voordoen als iemand uit een half-beschaafde gemeenschap, want daar onderhielden ze handelsbetrekkingen mee … Nou, ik kwam op een idee.’ Havig grinnikte.

‘Kun je het niet raden, dok? Nee? Goed dan. Door middel van een twintigste-eeuwse stroman legde ik de hand op een stelletje radio-isotopen, zoals 14C. Ik liet ze op een veilige plaats achter — ze moesten zich echt ontleden — en begaf me in de tijd vooruit. Daar werd ik Broeder Thomas, afkomstig van een eilandje waar nog wat kennis bewaard was gebleven. Ik had deze vondst gedaan en besloten hem aan de Maurai te geven, dus sleepte ik alles naar de kust … Zie je? Hun onderzoekingen richtten zich voornamelijk op de biologie, omdat de ecologie er slecht aan toe was en bomen en planten de omzetters van zonne-energie bij uitstek zijn. Maar ze hadden geen kernreactors om op grote schaal radioactieve isotopen te vervaardigen. Daarom was mijn ‘vondst’ een geschenk uit de hemel.’) ‘Denkt u dat ik als student word toegelaten?’ vroeg Havig bezorgd. ‘Het zou voor mij en mijn mensen een hoop betekenen. Maar ik ben zo’n buitenstaander …’

Lohannaso legde volgens het gebruik van de Maurai zijn arm om mijn schouder. ‘Maak je maar niet ongerust, vriend. Ten eerste zijn we een volk van handelaars en we betalen naar waarde. Ten tweede willen we beschaving en kennis zo wijd mogelijk verbreiden. Zelf willen we ook bondgenoten die hun handen en hun hersens kunnen gebruiken.’

‘Hoopt u werkelijk de hele mensheid te bekeren?’

‘Bewaar me! Als je bedoelt: ‘Willen we van iedereen ons evenbeeld maken?’ dan is het antwoord nee. Ik ben geen lid van het Parlement of van de Admiraliteit, maar ik volg de debatten en ik lees de filosofen. Een van de moeilijkheden van de oude machinebeschaving was dat de mensen gedwongen werden meer en meer het zelfde te worden. Uiteindelijk mislukte dat niet alleen, met rampzalige gevolgen, maar zover het wel gelukte, waren de gevolgen nog rampzaliger.’ Lohannaso beukte op de railing met zijn machtige vuist. ‘Verdomme, Thomas. We hebben verscheidenheid nodig, alle levenswijzen en opvattingen die we maar kunnen krijgen!’

Hij lachte en besloot: ‘Binnen bepaalde grenzen, natuurlijk. De zeerovers moeten opgeruimd worden en meer van dat werk. Maar voor de rest … Kom, dit wordt wat al te serieus. Het is bijna twaalf uur. Ik ga een zonnetje schieten en mijn rekenwerk doen. Dan krijgt Teral de wacht en kunnen wij lunchen. Je hebt niet echt geleefd als je mijn bier niet geproefd hebt.’

(’Ik heb meer dan een jaar doorgebracht bij de vroege Maurai,’ vertelde Havig mij. ‘Omdat ze erop gebrand zijn het ware woord te verbreiden, gaven ze mij precies de opleiding die ik voor mijn doeleinden nodig had. Het waren aardige, vrolijke mensen — natuurlijk waren er slechteriken bij en hadden ze ook hun tekortkomingen, maar over het algemeen was de Federatie in die eeuw een gelukkig oord.)

Dat gold natuurlijk niet voor de rest van de wereld en voor het verleden. Ik maakte voortdurend tijdsprongen naar het twintigste-eeuwse Wellington of Honolulu om het vliegtuig naar Istanboel te nemen en te kijken hoe Xenia het maakte. Toen ik op het laatst het gevoel kreeg dat ik er niet veel meer bij kon leren over dat toekomstige milieu, keerde ik weer terug naar het Latijnse Constantinopel. Xenia was toen achttien. Kort daarna trouwden we.’)

Van hun leven samen in de vijf jaar die hem gegund werden, vertelde hij me weinig. Ach, over wat voor mij en Kate werkelijk van belang was, heb ik ook niet veel te vertellen.

Hij noemde wel een paar praktische problemen. Die waren drievoudig: hij moest haar behoorlijk onderhouden, zich handhaven in de omgeving waarin zij zat opgesloten en verborgen blijven voor het Arendsnest.

Het eerste was niet zo eenvoudig. Hij kon geen zaak beginnen in een wereld van gilden, monopolies en gecompliceerde bepalingen en temidden van mensen die zelfs in een wereldstad — zonder drukpers, regelmatige postbezorging en elektronische communicatie — even graag roddelden als dorpelingen. Het kostte hem veel moeite en naspeuringen voor hij zich kon vestigen als agent van een nieuwgevormde groep Deense handelsavonturiers. Hij was meer waarnemer dan commissionair; zodat hij de Franken geen concurrentie aandeed. Geld was zijn minste zorg. Met wat naar het verleden meegenomen’: goud kwam je een heel eind. Maar hij moest een geloofwaardige verklaring voor zijn geld hebben.

Voor de oplossing van zijn tweede probleem, dacht hij erover een flink eind weg te trekken, misschien naar Rusland of West-Europa, misschien naar Nicaea waar een Byzantijnse monarchie standhield die op den duur Constantinopel zou heroveren. Maar nee, het had weinig zin en ze zouden er toch niet veilig zijn. De Tartaren rukten op en dan was er nog de Inquisitie. Veroverd en leeggeplunderd, had deze grootse stad toch evenveel te bieden als andere steden buiten de Orient, en Xenia was hier thuis en had contact met I\aar moeder en haar vrienden. Bovendien, waar ze ook heen zouden gaan, zouden ze opvallen; zij een Levantijnse die zich Romeinse noemde, en hij een vreemdeling. Vanwege deze maskerade waren ze min of meer gedwongen een huis te kopen in Pera, waar de buitenlanders gewoonlijk woonden. Maar die stad lag direct aan de overkant van de Gouden Hoorn, met regelmatige pontverbindingen. Het derde probleem loste hij op door zich zo onopvallend mogelijk te gedragen. Hij nam een nieuwe schuilnaam aan, Jon Andersen, en leerde Xenia die te gebruiken en zich niet uit te laten over haar afkomst. Zijn katholieke kennissen kwamen hem te hulp doordat zij zich niet voor haar interesseerden en zich alleen afvroegen waarom Ser Jon de moeite had genomen met een ketterse Griekse te trouwen. Als hij haar zo nodig moest hebben, had hij haar toch als concubine kunnen nemen?

‘In hoeverre heb je Xenia de waarheid verteld?’ informeerde ik. ‘Helemaal niets.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Het deed me wel zeer dat ik tegen haar moest liegen, maar het zou te gevaarlijk zijn als ze het wist, vooropgesteld dat ze er iets van zou begrijpen … niet? Ze was altijd zo openhartig en ze had al moeite genoeg met de kleine bedriegereitjes, zoals mijn nieuwe identiteit die volgens mij nodig was voor mijn nieuwe baan.

Nee, ze accepteerde me voor wat ik zei dat ik was, en vroeg me niet uit over mijn zaken omdat ze zich realiseerde dat ik daaraan niet wilde denken als ik bij haar was. Dat was waar.’

‘Maar hoe verklaarde je haar redding?’

‘Ik zei dat ik tot mijn beschermheilige gebeden had die kennelijk op spectaculaire wijze mijn gebed verhoord had. Door de schrik en de verwarring was haar herinnering aan het gebeurde vervaagd, dus dat kon ze makkelijk geloven.’ Zijn gezicht betrok. Het deed me ook zeer om te zien hoe ze kaarsen opstak en als een braaf kind smeekte om een baby terwijl ik wist dat we er geen konden krijgen.’

‘Hm, wat de godsdienst betreft: werd zij katholiek of bekeerde jij je tot het Orthodoxe geloof?

‘Nee, ik heb haar niet gevraagd te veranderen, want ze was niet in staat te huichelen. Mij had het niet veel kunnen schelen, maar ik moest acceptabel blijven voor de Italianen, de Normandiers en de Fransen, anders zouden we nooit een redelijk bestaan kunnen hebben. Nee, we vonden een Oosterse priester die de plechtigheid wilde voltrekken en een Westerse bisschop die mij voor een, eh, honorarium wel dispensatie wilde verlenen. Xenia vond het best. Ze had haar principes, maar ze was tolerant en verwachtte niet dat ik in de hel terecht zou komen, vooral niet omdat een heilige me al een keer te hulp gekomen was.’

Ze hadden een bescheiden huis, maar stukje bij beetje richtte zij het in en verfraaide het met de smaak die ze van haar vader geerfd had. Vanaf het dak keek je _uit over het dicht op elkaar gebouwde Pera en de schepen op de Gouden Hoorn, tot aan de muren, torens en koepels van Constantinopel, dat er vanaf deze afstand praktisch onaangetast uitzag. Het binnenland was landelijk en ze vond het heerlijk om daar uitstapjes naartoe te maken. Ze hadden drie bedienden, wat niet veel was in een tijd waarin veel werk verricht moest worden en arbeidskrachten goedkoop waren. Havig kon goed opschieten met zijn knecht, een losbandige Cappadocier die met de kokkin getrouwd was. Xenia verwende hun kinderen. dienstmeisjes kwamen en gingen en eisten veel aandacht van de jonge huisvrouw; de hedendaagse huishoudelijke apparaten besparen ons niet alleen lichamelijke arbeid. Xenia deed de tuin zelf, en de patio en het kleine erf achter het huis werden een sprookjestuin. Voor de rest hield zij zich bezig met borduren, waar ze een uitgesproken aanleg voor had, met de boeken die hij voor haar bleef meenemen, met haar godsdienst en met haar bijgeloof. ‘Volgens mij waren de Byzantijnen zo bijgelovig als een paard,’ vertelde Havig. ‘Magie, waarzeggerij, bescherming tegen van alles en nog wat, van het Boze Oog tot en met de pest, voortekens, kwakzalverij, liefdesdranken, noem maar op, ze zweerden erbij. Xenia is helemaal weg van astrologie. Nou ja, dat kan geen kwaad en ze heeft genoeg gezond verstand om haar horoscopen op een zinnige manier uit te leggen. ’s Nachts gingen we samen de sterren bekijken. Voor de tijd van de straatverlichting en de smog kon je dat even goed in de stad doen als buiten. In het licht van de sterren is ze nog mooier dan overdag. Ik moest me bedwingen om geen telescoop voor haar mee te brengen, een kleintje maar. Dat zou natuurlijk te riskant zijn.’

‘Je hebt de, laten we zeggen, intellectuele kloof aardig overbrugd,’ zei ik.

‘Dat is niet zo verwonderlijk, dok.’ Zijn gedempte stem streelde een herinnering. ‘Zij was — is — ongeveer vijftien jaar jonger dan ik, schat ik. Veel dingen die ik weet, zijn haar onbekend. Maar andersom ook, vergeet dat niet. Ze is op de hoogte met het reilen en zeilen van een van de meest roemruchte wereldsteden uit de geschiedenis. De mensen, hun gebruiken, de folklore, de gebouwen, de kunst, de muziek, de boeken — ze had Griekse klassieken gelezen die mijn tijdgenoten nooit zouden kennen omdat ze bij de plundering verloren gingen. Daar vertelde ze me over; ze scandeerde die geweldige verzen van Aischylos en Sofocles tot de rillingen over mijn rug liepen; ze kon ons tweeen dronken maken met Sappho of laten huilen van het lachen met Aristofanes. Ik wist wat ik zocht en daarom vond ik dikwijls ‘toevallig’ boeken in een bazaar — eerder in de tijd, natuurlijk.’ Hij zweeg even om op adem te komen en ik wachtte. ‘En het alledaagse ook,’ besloot hij. ‘Als jij de hele dag in je praktijk had gewerkt, wilde je dan niet weten wat Kate gedaan had? En boven dien … we waren altijd verliefd.’

Ze gingen betrekkelijk weinig uit. Om de schijn op te houden, moest hij zo nu en dan een Westerse koopman ontvangen of in zijn eentje een feest bezoeken. Dat vond hij niet erg, want de mesten waren, voor die tijd, geen slechte kerels en ze konden hem veel interessants vertellen. Xenia kon haar dodelijke afkeer daarvan maar nauwelijks verbergen. Gelukkig verwachtte niemand van haar dat ze een charmante twintigste-eeuwse gastvrouw was. Wanneer Oosterse vrienden kwamen eten, begaf zij zich meer op de voorgrond en bloeide ze helemaal op. Havig kon zich dat permitteren omdat Jon Anderson, als voorpost van een zeer veraf gelegen firma, zijn inlichtingen moest inwinnen waar hij maar kon, en de kruimels moest oprapen die van de tafels van Genua en Venetie vielen. Zelf hield hij ook van die mensen; geleerden, handelslui, kunstenaars, handswerklieden, Xenia’s priester, een gepensioneerde zeekapitein en meer exotische types die voor zaken kwamen of op een diplomatieke missie; Russen, joden van verschillende afkomst en zo nu en dan een Arabier of een Turk.

Wanneer hij weg moest, was de afwisseling hem welkom, maar tegelijkertijd haatte hij het verlies aan de tijd van leven die hij met haar kon doorbrengen. Om in zijn rol te blijven, moest hij regelmatig op stap. Gewoonlijk had een man zijn kantoor wel aan huis, maar de zaken van Jon Anderson vereisten dat hij anderen bezocht en reisjes over land en zee maakte naar andere streken. ‘Soms was dat onvermijdelijk, bijvoorbeeld als ik was uitgenodigd,’ vertelde hij me. ‘En zo nu en dan wilde ik, zoals iedere man, hoe gelukkig getrouwd ook, wel eens een dagje alleen ronddwalen. Maar ik reisde voornamelijk naar de toekomst. Ik wist niet … weet niet of het nut heeft, maar ik voel me verplicht de waarheid te onthullen. Dus ik projecteerde me eerst naar Istanboel, waar ik onder een schuilnaam een vette bankrekening had. Van daaruit vloog ik naar welk deel van de wereld ik maar wenste en begaf me naar de toekomst om mijn studie voort te zetten van de Maurai-Federatie; de opkomst, de bloei, de neergang, de ondergang en de nasleep.’

Langzaam kroop de schemering over het eiland. Onder de hoogste heuvel lag het land in duisternis gehuld, behalve waar vuurvlieglantaarns gloeiden tussen de huizen van de zeeboeren; het water glinsterde nog. Venus straalde blinkend wit tegen een achtergrond van koningsblauw die zich naar het westen tot aan Azie uitstrekte. Op de veranda van het huis van Carelo Keajimu kringelde geurige rook uit een wierookvat. Een vogel zat op zijn stok en zong het ingewikkelde repertoire waarvoor de mens hem geschapen had. Toch was hij niet gekooid maar leefde vrij in het woud.

De oude man mompelde: ‘Het einde nadert. Sterven doet pijn. Niettemin gaven de voorvaderen blijk van wijsheid toen zij Nan de gelijke maakten van Lesu. Iets dat eeuwig zou voortbestaan, zou op den duur onverdraaglijk worden. De dood opent een deur, zowel voor mensen als voor volkeren.’

Hij zweeg even en zei toen: ‘Uit wat je me vertelt, maak ik op dat we misschien te zeer ons stempel gedrukt op alles hebben.’ (’Ik had zijn leven gevolgd,’ vertelde Havig mij. ‘Hij was begonnen als een briljante, jonge filosoof die zich later op de staatkunde toelegde. Als ouder staatsman trok hij zich terug om zich weer aan de filosofie te wijden. Toen besloot ik mijn geheim ook aan hem toe te vertrouwen. Zie je, ik bezit geen wijsheid. Ik kan aan de oppervlakte de toekomst afschuimen voor informatie, maar kan ik die interpreteren, of begrijpen? Hoe kan ik weten wat gedaan moet worden, of wat gedaan kan worden? Ik ben door heel wat jaren rondgesprongen maar Carelo Keajimu leefde en werkte en dacht na gedurende negentig onafgebroken jaren. Ik had zijn hulp nodig.’) ‘U bedoelt,’ zei Havig, ‘dat een element in uw beschaving te sterk benadrukt wordt en dat dat ten koste gaat van de volgende?’

‘Afgaande op wat jij vertelde, ja.’ Zijn gastheer peinsde een paar minuten. ‘Of vind je ook niet dat er in de toekomst een vreemde tweedeling bestaat tussen twee begrippen die volgens het ideaal van de Maurai met elkaar in evenwicht moesten zijn? Wetenschap, rationaliteit, planning. En de mythes, de bevrijde geest, de mens een wezenlijk deel van de natuur waarvan de wetten niet onderworpen zijn aan kennis of wijsheid.

Uit wat je me vertelt, maak ik op dat de huidige overwaardering voor de technologie van voorbijgaande aard is,’ zei Keajimu. ‘Een gerechtvaardige reactie. Wij Maurai werden te aanmatigend, erger nog, eigenrechtig. Wij maakten dat wat eens goed geweest was tot een afgod en lieten al het goede dat nog over was eruit wegrotten. In naam van het behoud van de culturele verscheidenheid, trachtten we hele rassen te bevriezen in een toestand die op zijn best wat eigenaardig was, en op zijn slechtst een grotesk en gevaarlijk anachronisme. In naam van het behoud van het milieu probeerden wij werk te verbieden dat ons eens naar de sterren had kunnen voeren. Geen wonder dat de Ruwenzorya openlijk onderzoekingen verrichten voor een thermonucleaire energiecentrale! Geen wonder dat de onvrede in ons eigen land ons belet daar een einde aan te maken!’ Het was even stil en hij vervolgde: ‘Maar afgaande op jouw rapport, is het een verkrampte situatie. Het grootste gedeelte van de mensheid zal de wetenschap verwerpen en slechts wat versteende technologie behouden om de wereld draaiende te houden. Zij zullen zich steeds meer in zich zelf keren voor mystieke ervaringen en contemplatie; de gewone man zal zich tot de wijze wenden voor inzicht en die zal zich op zijn beurt tot zijn innerlijk wenden. Heb ik gelijk?’

‘Ik weet het niet,’ zei Havig. ‘Ik heb die indruk, maar meer ook niet. Meestal begrijp ik de taal niet eens. Er zijn er een paar die ik met veel moeite kan ontcijferen, maar ik heb nooit tijd genoeg gehad om ze vloeiend te leren spreken. Het weinige wat ik van de Maurai weet, heeft me jaren gekost en in de toekomst staan ze nog verder van mij af.

‘En de paradox wordt nog ingewikkelder door de tegenstrijdige dingen die je gezien hebt. Midden in een pastoraal landschap, torens die gonsden en schitterden door geheimzinnige krachten. Door een overigens lege lucht gleden geluidloos enorme schepen die eerder van een krachtveld gemaakt leken dan van metaal. En … de symbolen op een standbeeld, in een boek of op een deurpost die onthuld werden door een handbeweging … niets van dat alles kun je begrijpen. Je kunt je niet voorstellen waar ze vandaan kwamen. Heb ik gelijk?’

‘Ja,’ zei Havig ongelukkig. ‘Carelo, wat moet ik doen?’

‘Ik denk dat je in het stadium bent waarin je je moet afvragen “Wat moet ik leren?” ’

‘Carelo, ik ben een man alleen die probeert duizend jaar te overzien. Ik kan het niet! Ik ga steeds sterker betwijfelen of het Arendsnest die machinale verschijningen voort kan brengen. Maar waar komen ze dan wel vandaan?’

Keajimu raakte hem even aan. ‘Wees kalm. Een man kan maar weinig doen. Het is genoeg als dat weinige het juiste is.’

‘Wat is het juiste? Is de toekomst een tirannie van een paar technische overheersers over een mensheid die zweverig en passief geworden is omdat deze wereld alleen maar ellende kent? Als dat zo is, wat kan er dan aan gedaan worden?’

‘Als praktisch, hoewel gepensioneerd politicus,’ zei Keajimu droogjes, ‘denk ik dat je de griezeligste kant van de zaak over het hoofd ziet. Een tirannie kan men overleven. Maar wij, Maurai, hebben, door ons zo te concentreren op de biologie, een erfenis nagelaten die misschien erger is dan de pijn die erdoor voorkomen wordt.’

‘Wat?’ Havig verstijfde op zijn strooien mat. ‘Gescherpt metaal kan in brandhout hakken en in menselijk vlees. Een explosie kan puin opruimen en mensen vernietigen. Drugs — ik kan je vertellen dat die een probleem vormen waarmee onze regering zich op het hoogste niveau bezighoudt. Wij hebben chemicalien die meer doen dat kalmeren of stimuleren. Degene die onder hun invloed is, gelooft alles wat hem verteld wordt. Tot in details, zoals in een droom, met alle kleuren en geluiden, angst — en geluksgevoelens, verleden en toekomst. In hoeverre durven wij deze middelen toe te dienen aan onze voornaamste onruststokers?’

‘Ik ben bijna blij te horen dat er aan de hegemonie van de Federatie een einde komt voordat deze kwestie kritiek wordt. Ons treft dus geen verwijt.’ Keajimu boog zich naar Havig over. ‘Maar, arme zwerver door de tijd, jouw gedachten moeten zich uitstrekken tot na de volgende eeuw. Kom vanavond tot rust. Aanschouw de sterren in hun baan, luister naar de zangvogel, laat je door de koele wind strelen en wees een met de aarde.’

Ik zat in mijn eentje een boek te lezen in mijn huisje in Senlac. Het was een onbewolkte, bitterkoude avond in November 1969. IJsbloemen zaten op de ruiten. Een symfonie van Mozart klonk uit de platenspeler, de verzen van Yeats lagen op mijn schoot, een glas met twee vingers Scotch stond op de tafel naast mijn luie stoel en zo nu en dan schoot me een herinnering te binnen die me deed glimlachen. Het was een fijne avond voor een oude man.

Knokkels bonkten op de deur. Ik zei een onwelvoeglijk woord, kwam moeizaam overeind en verzon een uitvlucht terwijl ik naar de deur liep. Mijn humeur werd er niet beter op toen Fiddlesticks tussen mijn enkels door glipte en me bijna liet struikelen. Ik had die rot kat alleen maar gehouden omdat hij van Kate geweest was. Toen zij stierf was hij pas een paar weken oud, nu liep hij zelf tegen zijn einde.

Toen ik de deur opende, stroomde de winter naar binnen. De grond was niet besneeuwd, maar hard bevroren. Een man stond voor me, rillend in een te dunne overjas. Hij was van middelmatige lengte, slank, blond en zijn gezicht had scherpe trekken. Zijn leeftijd was moeilijk te schatten, maar hij had diepe lijnen in zijn gezicht.

Ik had hem in geen vijf jaar gezien, maar mijn herinnering was niet vervaagd: ‘Jack!’ riep ik uit.

Hij kwam binnen, sloot de deur achter zich en zei met lage, haperende stem: ‘Dok, je moet me helpen. Mijn vrouw ligt op sterven.’


12

<p>12</p>

‘Rillingen, koorts, pijn in de borst, kleverig roodachtig slijm, hoesten … ja, longontsteking, zo te horen. Die hoofdpijn, rugpijn en stijve nek zijn zorgwekkend. Kon wel eens beginnende meningitis zijn.

Havig zat met een van angst vertrokken gezicht op het puntje van zijn stoel en smeekte: ‘Wat moet ik doen? Antibiotica …’

‘Ja, ja. Ik ben er niet verrukt van dat ik een recept moet uitschrijven voor een patient die ik nooit te zien zal krijgen en dat de behandeling door een leek geschiedt. Ik zou er de voorkeur aan geven haar in een zuurstoftent te leggen.’

‘Ik zou …’ begon hij en zeeg moedeloos ineen. ‘Nee, een zuurstofcilinder weegt veel te veel.’

‘Ze is nog jong,’ troostte ik hem. ‘Streptomycine helpt haar er wel weer bovenop.’ Ik klopte hem op zijn gebogen schouders. ‘Maak je niet ongerust. Je hebt de tijd; je kunt terugkeren naar het moment dat je bij haar bent weggegaan.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ fluisterde hij.

Toen vertelde hij me alles wat er gebeurd was.

In de loop van zijn verhaal sloeg de schrik mij om het hart en ik flapte mijn bekentenis eruit. Meer dan tien jaar geleden had ik een gesprek gehad met een schrijver uit Californie. Ik had niet kunnen nalaten te zinspelen op wat Havig had opgevangen tijdens zijn eerste reizen naar dat tijdperk. Die beschaving intrigeerde me, hoe weinig ik er ook van wist; ik dacht dat hij, getraind als hij was in speculatief denken, sommige raadsels en paradoxen zou kunnen ophelderen. Onnodig te zeggen dat ik het deed voorkomen alsof het louter spelen met gedachten was. Toen hij mijn toestemming vroeg om er in een paar verhalen gebruik van te maken, zag ik geen reden die te weigeren.

‘Ze zijn uitgegeven,’ zei ik diep ongelukkig. ‘in een ervan heeft hij zelfs voorspeld wat jij later zou ontdekken, namelijk dat de Maurai een heimelijke poging om een atoomreactor te bouwen zouden saboteren. Wat gebeurt er als een agent van het Arendsnest ze in handen krijgt?’

‘Heb je hier een exemplaar?’ vroeg Havig.

Dat had ik en hij las het snel door. Dat luchtte hem wat op en zijn trekken ontspanden zich. ‘Ik geloof niet dat we ons zorgen hoeven te maken,’ zei hij. ‘Hij heeft de namen en sommige onderdelen veranderd. De hiaten in wat je hem verteld hebt, heeft hij vaker fout dan goed ingevuld. Als iemand die de toekomst kent dit leest, zal hij op zijn hoogst denken dat het een schot naast de roos is, zoals in science fiction wel meer voorkomt.’ Hij lachte zenuwachtig. ‘Als je honderd keer schiet, is het altijd wel een keer raak, weet je? Maar ik betwijfel of ze gelezen worden. Deze verhalen hadden geen grote oplage en waren weer snel vergeten. Tijd-agenten zouden nooit proberen alles door te nemen wat gedrukt werd, en die van Wallis zeker niet.’

‘Eigenlijk stelt het me gerust. Ik denk dat ik me te veel zorgen gemaakt heb. Er is jou en dat familielid van je nog niets overkomen. Ze hebben je ongetwijfeld nagetrokken en je laten gaan omdat je voor mijn volwassen ik niet van belang bent. Dat is de voornaamste reden waarom ik na mijn laatste bezoek zo’n lange tijd heb laten verlopen, dok, — jouw veiligheid. En die andere Anderson — ach, die heb ik nog nooit ontmoet. Die is een kennis van een kennis.’

Hij zweeg even en zei toen grimmig: ‘Ze hebben niet eens geprobeerd me via mijn moeder te treffen of me door haar in de val te laten lopen. Dat zullen ze wel te voor de hand liggend vinden, of te riskant omdat ze met deze tijd niet vertrouwd zijn. Wees voorzichtig en er overkomt je niets. Maar je moet me helpen!’ De nacht werd al grauw van het ochtendlicht toen ik hem vroeg: ‘Waarom kom je bij mij? De Maurai hebben vast veel modernere medicijnen.’

‘Ja, maar veel te modern en bijna allemaal preventief. Ze beschouwen medicijnen als eerste hulp. Dus voor zover ik het kan bekijken, zijn ze net zo goed als de jouwe in Xenia’s geval.’

Ik streek over mijn kin. De harde stoppels maakten een schrapend geluid. ‘Ik heb altijd wel gedacht dat er een natuurlijke grens bestaat voor chemotherapie,’ merkte ik op. ‘Ik zou verdomme wel eens willen weten wat ze tegen virusziekten doen!’

Havig kwam in beweging. ‘Geef me de ampullen en een injectiespuit en ik ga ervandoor.’

‘Kalm aan,’ beval ik. ‘Denk eraan dat ik niet meer praktiseer en hier geen krachtige medicijnen meer heb. We moeten wachten tot de apotheek opengaat. Nee! je maakt geen tijdsprong naar dat tijdstip. Ik wil nog even nadenken en wat naslaan. Misschien is een ander antibioticum wenselijk. Streptomycine kan neveneffecten hebben die jij niet kunt behandelen. Bovendien moet je het een en ander leren. Ik wed dat je nog nooit een injectie gegeven hebt, laat staan een herstellende patient hebt verzorgd. En eerst nemen we onze laatste dosis Scotch en gaan we een paar uurtjes dutten.’

‘Het Arendsnest …’

‘Kalm aan,’ zei ik nogmaals tot de verwilderde man in wie ik de wanhopige jongen herkende. ‘Je hebt net uitgemaakt dat die bandieten geen belangstelling voor me hebben. Als ze van je aankomst hier op dit tijdstip op de hoogte zijn, dan waren ze er al geweest om je te grijpen. Waar of niet?’

Hij knikte langzaam. ‘Da’s waar.’

‘Ik begrijp dat je je zorgen maakt, maar ik had liever dat je me eerder geraadpleegd had over de ziekte van je vrouw.’

‘Ik niet soms? Eerst dacht ik dat ze alleen maar een zware kou had.

Ze zijn taaier dan wij vandaag. Kinderen sterven als vliegen. Ouders investeren niet zo veel liefde in baby’s als wij, tenminste niet voor ze een jaar of twee zijn. Maar als ze die eerste twee jaar overleven, hebben ze een goede kans over hun latere ziektes heen te komen. Hoewel ze zich al lang niet lekker voelde, is Xenia pas eergisterenavond naar bed gegaan …’Hij kon zijn zin niet afmaken. ‘Heb je in haar toekomst gekeken?’ vroeg ik. Zijn roodomrande ogen zochten de mijne en hij zei vermoeid: ‘Nee,’ dat durfde ik niet.’

1k zal ook nooit weten of zijn angst om het tijdstip van Xenia’s dood vooruit te weten, gegrond was. Behield hij door zijn onwetendheid zijn vrijheid, of slechts een illusie van vrijheid? Ik weet alleen maar dat hij een paar dagen bij mij bleef om uit te rusten en te leren hoe hij zijn vrouw hulp moest bieden. Daarna nam hij afscheid; geen van beiden wisten we of we elkaar ooit terug zouden zien. Hij reed in zijn huurauto naar het vliegveld en vloog naar Istanbul. Daar spoedde hij zich naar het verleden met wat ik hem had gegeven, en werd hij gevangen genomen door de mannen van het Arendsnest.

Ook in het jaar 1213 was het november. Havig had die maand in 1969 uitgekozen, omdat hij wist dat het guur weer zou zijn en zijn vijanden daarom waarschijnlijk niet bij mijn huisje op wacht zouden staan. Aan de Gouden Hoorn was het niet zulk bar weer. Maar er woei een koude wind vanuit Rusland die van boven de Zwarte Zee regen had meegevoerd. Om zich tegen de kou te beschermen, waren er slechts houtskoolkomforen: verwarmingsovens waren in die magere jaren voor dat klimaat te duur. De tengere Xenia lag dag in dag uit te rillen totdat de bacterien haar longen begonnen aan te tasten. Zowel in plaats als tijd veranderde Havig herhaaldelijk van basis in Istanbul. Als extra veiligheidsmaatregel was die altijd gevestigd op de andere oever van de zee-engte. Daarom moest hij met een krakend pontje de Gouden Hoorn oversteken voor hij zich door vrijwel verlaten straten huiswaarts kon begeven. Met zijn linkerhand droeg hij de chronoloog, in zijn rechterhand was een plat etui geklemd dat, het leven van zijn vrouw moest redden. Er viel wat regen uit de laaghangende wolken en de mist doordrenkte zijn kleren. Zijn voetstappen weerklonken hol op de glibberige straatkeien. Hij zou een kwartier weg geweest zijn als hij bij Xenia terugkwam. Hoewel het pas drie uur in de middag was, werd het al donker.

De deur was gesloten de luiken vergrendeld. Door de kieren scheen flauwtjes het licht van een lamp. Hij klopte aan in de verwachting dat het dienstmeisje — hoe heette zij ook alweer? Eulalia? — de klink zou lichten en hem mompelend zou binnenlaten. Ze zou verbaasd zijn dat hij zo snel terug was, maar daar gaf hij geen donder om.

De deurhengsels kraakten en een man gekleed in een Byzantijnse toga verscheen in de deuropening. Hij omklemde een reusachtig jachtgeweer. ‘Beweeg je niet, Havig,’ zei hij in het Engels. ‘Probeer niet te vluchten. Vergeet niet datje vrouw in onze macht is.’

Met uitzondering van een icoon van de Heilige Maagd, was hun slaapvertrek vrolijk ingericht met muurschilderingen van bloemen en dieren. Het had iets onbetamelijks dat boven Xenia’s bed een lammetje dartelde, zo mager en uitgeteerd lag zij erbij. Haar huid spande strak om haar tengere leden en haar gebarsten lippen kleefden aan elkaar.- Alleen haar haar, dat los over haar borsten lag, en haar grote verschrikte ogen glansden nog.

De man in Oost-Romeinse vermomming — Havig kende hem niet — hield zijn linkerarm in een geroutineerde greep. Juan Mendoza had zijn rechterarm vast en oefende grijnzend druk uit op zijn elleboog. Hij was in westerse stijl gekleed, net als Waclaw Krasicki, die naast het bed stond.

‘Waar zijn de bedienden?’ vroeg Havig dof.

‘Doodgeschoten,’ zei Mendoza.

Wat …?

‘Ze wisten niet wat een geweer was, dus konden we ze er niet mee bedreigen. We wilden niet dat je door dat gekrijs gealarmeerd zou worden. Hou je bek.’

Het schokkende nieuws van hun dood en de hoop dat de kinderen gespaard waren en in een weeshuis konden worden opgenomen, troffen Havig als een verdovende slag. Xenia hoestte hartverscheurend. ‘Nauk,’ kreunde ze. ‘Nee, Jon, Jon …’ Krachteloos strekte ze haar handen naar hem uit, maar hij moest machteloos toezien. Krasicki’s brede gezicht was zichtbaar ouder geworden. Hij moest jaren van zijn leven besteed hebben aan het begaan van wandaden, zowel in het verleden als in de toekomst. Hij zei met ijzige voldoening: ‘Misschien interesseert het je te weten hoe lang en hard we hebben moeten werken om je op te sporen. Je hebt ons een hoop gekost, Havig.’

‘Waarom … al die moeite?’ kon de gevangene uitbrengen.

‘Je dacht toch niet dat we je met rust konden laten, wel? Het is niet alleen dat je een paar van ons vermoord hebt, maar je bent ook slim en daardoor gevaarlijk. Ik heb me persoonlijk belast met dit karwei.’

,Wat hebben ze me overschat,’ dacht Havig somber.

,We moeten weten wat je hebt uitgespookt,’ vervolgde Krasicki. ‘Ik raad je aan om mee te werken.’

‘Hoe hebben jullie …?’

‘Een hoop speurwerk. We gingen er vanuit, gelet op wat je gedaan had, dat deze Griekse familie je na aan het hart lag en datje contact met ze zou houden. Je hebt je sporen goed uitgewist, dat moet ik toegeven. Maar, gezien onze beperkte mankracht en de problemen die het werken hier met zich meebrengt, hoef je je niet op de borst te kloppen voor die vijf jaar die je je gang kon gaan. Dat we dit moment kozen om toe te slaan, ligt nogal voor de hand. De hele buurt weet dat je vrouw ernstig ziek is. We wachtten tot je naar buiten kwam en we wisten dat je gauw terug zou komen.’ Hij wierp een blik op Xenia. ‘En je werkt mee, niet?’

Er voer een huivering door haar heen en ze hoestte blaffend, zoals eens een hond geblaft had toen haar vader vermoord werd. Het slijm dat zij opgaf was rood van het bloed. ‘Jezus Christus!’ gilde Havig. ‘Laat me los! Laat me haar helpen!’

‘Wie zijn dat, Jon?’ zei ze smekend. ‘Wat willen ze?’ Waar blijft je beschermheilige?’

‘Daar komt nog bij dat Pat Moriarty een vriend van me was,’ zei Mendoza, terwijl hij zo hard aan Havigs pols trok dat zijn elleboog bijna brak.

Door de folterende pijn heen hoorde hij Krasicki zeggen: ‘Als je met ons meegaat en geen moeilijkheden maakt, laten we haar met rust. Dan geef ik haar zelfs een injectie met dat spul dat je hebt opgehaald.’

‘Dat is … niet genoeg … alsjeblieft …’

‘Meer krijgt ze niet. We hebben al genoeg man jaren aan je verspild. Of wil je liever dat we haar armen breken?’ Havig zakte in elkaar en begon te huilen.

Krasicki hield zijn belofte, maar hij duwde de naald er zo onhandig in dat Xenia het uitschreeuwde van de pijn. ‘Alles komt in orde, lieveling, de heiligen waken over je,’ riep Havig haar toe. Tegen Krasicki zei hij: ‘Laat me afscheid van haar nemen, in godsnaam. Ik zal alles doen wat je zegt als ik haar vaarwel mag zeggen.’

Krasicki haalde zijn schouders op: ‘Goed, maar een beetje vlug.’ Mendoza en de andere man hielden Havig vast toen hij zich over haar heen boog. ‘Ik hou van je,’ zei hij. Hij wist niet of zij het verstaan had, overmand door koorts en angst als ze was. Hij kust haar op haar uitgedroogde mond, maar niets herinnerde hem aan d volle lippen die hij eens gekust had.

‘Zo is het genoeg,’ zei Krasicki. ‘We gaan.’

Op weg naar de toekomst verloor Havig alle besef van de mannen om hem heen. Zintuiglijk waren ze er, net als zijn eigen lichaam, maar alleen de flakkerende schaduwen in de kamer waren werkelijkheid. Hij zag hoe zij daar in de steek gelaten lag en huilend haar handen naar zijn verdwenen gestalte uitstrekte. Hij zag haar bewegingloos liggen en dagen later iemand die ongerust was geworden de deur forceren; hij zag verwarring, en vervolgens een lege kamer waarin zich — nog later — onbekenden bevonden. Hij zou zich hebben kunnen verzetten, zich aan de normale tijd hebben kunnen vastklampen, toen ze voor het eerst moesten stilhouden om op adem te komen. Zijn bewakers beschikten niet over de middelen om die onbeweeglijkheid te doorbreken. Maar er zijn manieren om iedere wil te breken. Het was beter ongebroken van lichaam en geest in het Arendsnest te arriveren. Hij moest in staat blijven tot wraak.

Dat was slechts een vage gedachte. Zijn hele wezen was doordrenkt van haar dood. Hij merkte nauwelijks dat de schaduwen van vorm veranderen — hoe hun huis afgebroken werd om plaats te maken voor een groter, dat afbrandde toen de Turken Pera veroverden, en vervangen werd door gebouw na gebouw, tot uiteindelijk de gloeiende vuurbal de stad veranderde in een hoop radioactief puin. Noch drong het tot hem door dat zij stilhielden tussen de ruines, met een vliegtuig de oceaan overstaken en zich naar de toekomst begaven waar de Sachem wachtte. Zijn gedachten waren geheel bij Xenia, die hem zag verdwijnen en op het bed terugviel om te sterven zonder de laatste sacramenten.

Hoewel de zomer het Arendsnest baadde in warmte en felle zonneschijn, hielden de bakstenen muren de torenkamer waarin Havig was opgesloten koel. Het was een kaal vertrek met een wastafel, een toilet, een matras en twee rechte stoelen. Het enige raam keek uit op het fort en de landerijen waar de boeren voor hun meesters zwoegden. Als je even naar het zonovergoten landschap had gekeken, zag je enige tijd niets meer.

Van een ring rond zijn enkel liep een anderhalve meter lange staaldraad naar een kram in de muur. Dat was voldoende. Een rijdreiziger droeg alles met zich mee wat in direct contact met hem was, zoals zijn kleren. Havig zou de hele toren met zich mee moeten torsen; hij probeerde het maar niet.

‘Ga zitten, ga zitten,’ drong Caleb Wallis aan. Hij had, buiten bereik van zijn gevangene, zijn brede achterste op een van de stoelen laten zakken. Zijn zwarte uniform met epauletten, netjes gekamde rossige snor en zijn kale kop, benadrukten zijn overwicht op Havigs smerige archaische kleren, zijn ongeschoren kaken en zijn bloeddoorlopen en vuilomrande ogen.

Wallis gebaarde met zijn sigaar. ‘Ik ben niet eens kwaad op je,’ zei hij. ‘Eigenlijk bewonder ik je energie en geslepenheid. Die zou ik graag weer aan mijn kant hebben. Daarom heb ik de jongens bevolen je voor dit onderhoud met rust te laten. Het eten was goed, hoop ik? Ga toch zitten.’

Havig gehoorzaamde. Hij voelde zich nog steeds verdoofd. Die nacht had hij van Xenia gedroomd. Ze waren op reis met een grote trimaran, waarvan de zeilen in vleugels veranderden die hen naar de ster ren droegen.

‘We zijn hier onder elkaar,’ zei Wallis. Aan de andere kant van de zware gesloten deur stond zijn lijfwacht. ‘Je kunt vrijuit praten.’

‘En als ik dat niet doe?’ antwoordde Havig.

Staalharde blikken boorden zich in de zijne. ‘Dat zal je wel. Ik ben een geduldig mens, maar ik laat mijn plannen niet langer door jou dwarsbomen. Je leeft nog omdat ik denk dat je ons schadeloos kunt stellen voor de schade die je hebt aangericht en de moeilijkheden die je hebt veroorzaakt. Je weet bijvoorbeeld de weg in de late twintigste eeuw. En je hebt daar geld. Dat zou goed van pas kunnen komen. Havig stak zijn hand in zijn tuniek en dacht dof: ‘Wat prozaisch dat een nieuwbakken weduwnaar, bedreigd met martelingen, last heeft van jeuk en zijn eigen stank. Hij had eens tegen Xenia opgemerkt dat haar geliefde klassieke dichters zulke menselijke trekjes altijd achterwege lieten: en ze had hem passages uit Homerus en de toneeldichters laten zien om te bewijzen dat hij ongelijk had; haar wijsvinger danste over de regels en de bijen zoemden tussen de rozen … ‘Ik heb gehoord dat je een grietje had in Constantinopel. Ze we ziek en ze moesten haar laten sterven. Niet leuk, ik voel met je me Maar toch, jongen, in zekere zin heb je het aan je zelf te wijten. aan haar.’ Hij schudde zijn grote hoofd. ‘Ik zeg niet dat God gestraft heeft. Dat zou kunnen, maar de natuur geeft mensen wat hu toekomt, en het geeft geen pas dat een fatsoenlijke blanke zich bindt aan zo’n soort vrouw. Ze was een Levantijnse, weet je? Dat wilzeggen een bastaard — Armeens, Aziatisch, Joods, wat nikkerbloed Weer maakte Wallis een wijds gebaar met zijn sigaar. ‘Begrijp m goed, ik heb er geen bezwaar tegen dat de jongens hun pleziertje hebben,’ zei hij met een joviale knipoog. ‘Nee, dat is gewoon een bonus op jullie salaris. Je kunt je hart ophalen bij iedereen die je maar wilt, en achteraf geen gedonder, noch van haar, noch van ie mand anders.’ Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Maar jij, Jack, jij ben met haar getrouwd.’

Havig probeerde niet te luisteren maar de stem dreunde door. ‘Het i erger dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Ik noem het een symbolische handeling. Je verlaagt je zelf, omdat een halfbloed noot tot jouw niveau verheven kan worden. En zo verneder je het hele ras.’ Zijn toon werd scherper. ‘Begrijp je het niet? Het is altijd de vloek van de blanke geweest. Omdat hij intelligenter en gevoeliger is, stelt hij zich open voor degenen die hem haten. Zij zaaien verdeeldheid, zij vertellen hem leugens, zij dringen zich op hun gladde manie in, totdat hij merkt dat hij zich bij zijn natuurlijke vijand heeft aangesloten om zijn broeders te bestrijden. Ik heb jouw eeuw bestudeerd, Jack. Toen ging de samenzwering tot actie over, werd de wereld vernietigd en werden de poorten wagenwijd opengezet voor de Mongs en de Maurai … Weet je wat ik de grootste tragedie aller tijden vind? Dat de twee grootste genieen die het blanke ras ooit heeft voortgebracht, de twee die het mogelijk hadden kunnen beschermen tegen de Slaaf en de Chinees, zich in de oorlog in tegenovergestelde kampen lieten lokken: Douglas MacArthur en Adolf Hitler.’

Havig merkte — eerst tot zijn verbazing en later met een diep gevoel van voldoening — dat hij op de vloer had gespuwd en had gesnauwd: ,Als de Generaal dat gehoord had, zou ik geen cent voor je leven geven, Wallis. Niet dat het een cent waard is, trouwens.’ Tot zijn verbazing barstte Wallis niet in woede uit. ‘Dat bewijst nou precies wat ik zei.’ Zijn toon was bijna verdrietig. ‘Jack, je moet de feiten onder ogen zien. Ik weet dat je gezonde instincten hebt. Die zijn alleen maar bedolven onder een berg handige leugens. Je hebt dat nikkerrijk in de toekomst gezien en toch kun je niet inzien wat er gedaan moet worden om de mensheid terug te leiden op de juiste evolutionaire weg.’

Wallis trok aan zijn sigaar tot het vuur rood opgloeide, blies de scherpe rook uit en voegde er op welwillende toon aan toe: ‘Natuurlijk, vandaag ben je je zelf niet. Je hebt dat meisje verloren om wie je veel gaf, en zoals ik al zei, ik voel met je mee. Maar hoe dan ook, ze zou nu toch allang dood zijn, of niet soms?’ Hij werd nu doodernstig. ‘Iedereen sterft,’ zei hij. ‘Behalve wij. Ik geloof dat wij reizigers niet hoeven te sterven. Jij kunt bij ons horen. Je kunt voor eeuwig leven.’

Havig onderdrukte de neiging om te zeggen: ‘Als ik jou op de koop toe moet nemen, pas ik liever.’ Hij wachtte af.

‘Ver in de toekomst van de wereld die wij aan het opbouwen zijn, vinden ze stellig het geheim van de onsterfelijkheid,’ zei Wallis. ‘Ik ben ervan overtuigd. Dit is in vertrouwen, maar als je blijft weigeren onze zijde te kiezen, sterf je toch. Nadat ik het handboek had geschreven, ben ik teruggekeerd naar het einde van Fase Een. Je weet dat ik dan oud ben. Ingevallen wangen, leepogen, trillende handen met levervlekken … geen prettig gezicht.’ Hij vermande zich. ‘Op deze trip heb ik iets nieuws opgemerkt. Tegen het einde verdwijn ik. Afgezien van het ene korte bezoek, dat ik al heb afgelegd aan Fase Twee, zien ze me nooit meer. Nooit. En hetzelfde geldt voor een aantal van mijn luitenants. Ik ben niet al hun namen te weten gekomen — het had geen zin daar tijd van leven aan te besteden — maar het zou me niet verbazen als jij daar ook bij was.’

Vaag drongen de woorden tot de apathische Havig door. ‘Wat denk je dat er gebeurd zal zijn?’ vroeg hij.

‘Nou, waarover ik geschreven heb,’ jubelde Wallis. ‘De beloning. Nadat ons werk voltooid was, zijn we naar de verre toekomst geroepen en hebben we de eeuwige jeugd gekregen. Als goden.’ Buiten kraste een kraai.

De juichende toon verdween uit zijn stem: ‘Ik hoop dat je erbij zult zijn, Jack. Echt. Je gaat recht op je doel af. Die tocht op je eigen houtje naar Constantinopel heeft Krasicki op het idee van die expeditie gebracht. Het was onze beste buit tot nu toe. Geloof me, Caleb Wallis is niet ondankbaar. Denk ook eens aan de mannen, kamera den van je, die je gedood hebt. Zet die nu eens naast dat meisje dat je het hoofd op hol gebracht heeft. Laten we gewoon de schade die je hebt aangericht uitwissen met de diensten die je ons bewezen hebt.. Dan staan we quitte, nietwaar? Je moet in al die jaren een hoop, gegevens verzameld hebben. Wat zou je ervan zeggen die aan ons door te geven? Waarom zeg je niet waar je geld is? Dan kun je het aan ons overmaken. Zo kun je je plaats in het korps terugverdienen.’ Of wil je de gloeiende ijzers, de tangen, de tandartsboor, gehanteerd, door de beroepsbeulen die we hier, zoals je weet, hebben, totdat dat wat er nog van je over is mijn zin doet in de hoop dat ik het zal laten sterven?

De nacht viel eerst in de kamer, toen achter het venster. Havig staarde dof naar het eten en de bandrecorder tot hij niets meer kon onderscheiden.

Hij moest maar toegeven, dacht hij. Wallis zou wel niet liegen over de toekomst van het Arendsnest. Je kon je beter bij een overmacht aansluiten en hopen dat je je invloed ten goede kon aanwenden. Maar toch — stel dat Wallis gehoord had van de psychofarmaca van de Maurai, waar de Maurai zelf zo bang voor waren, en mannen tijdopwaarts had gestuurd …

Wel, Julius Caesar had slachtpartijen aangericht en volkeren onderworpen ter wille van zijn politieke carriere. Daarmee had hij de grondvesten gelegd van de Westelijke beschaving, die op zijn beurt de wereld de kathedraal van Chartres, Sint Franciscus van Assisie, Bach, Rembrandt, de genetica enzovoorts had geschonken. Maar ook de atoomkop, de auto, de Vierde Kruistocht en het fascisme. Toch, als je het tegen elkaar afwoog, in het perspectief van de eeuwigheid .

Moest hij, Jack Havig, het opnemen tegen een hele toekomst ter wille van een geliefd hoopje stof?

Kon hij dat? Morgen zou een beul komen kijken of er iets op de band stond.

Hij kon maar beter niet vergeten dat voor de eeuwigheid Jack Havig net zo min iets betekende als Doukas Manasses of Xenia. Alleen: hij hoefde zijn vijand niet behulpzaam te zijn. Hij kon ze tijd van leven laten verspillen; wat dat ook waard mocht zijn.

Iemand rukte aan hem. Langzaam ontwaakte hij uit een onrustige slaap. Een handpalm werd in het donker op zijn mond gedrukt. ‘Maak geen lawaai, idioot,’ fluisterde Leonce.


13

<p>13</p>

De lichtstraal van een staaflantaarn tastte rond tot het licht op het metaal rond Havigs enkel weerkaatste. ‘Ah,’ fluisterde ze, ‘zo houden ze de kurk op de fles. Dacht ik al. Hou es vast.’ Ze duwde de lantaarn in zijn handen. Door zijn duizeligheid en het kloppen van zijn hart kon hij zijn handen niet stil houden. Ze zei een lelijk woord, griste de lamp terug, duwde hem tussen haar tanden en hurkte over hem heen. Een ijzerzaag begon te knarsen. ‘Leonce — schat, dat moet je niet doen,’ stamelde hij. Ze uitte een woedend gegrom en hij hield zijn mond maar. De sterren schitterden in het venster.

Toen de kabel doorgezaagd was en hij alleen nog de ring om zijn enkel had, wankelde hij overeind. Zij knipte het licht uit en stopte de lantaarn in een zak op haar blouse — verder droeg zij een spijkerbroek, bergschoenen, een mes en een revolver, zag hij — greep hem bij de bovenarm en siste: ‘Luister, wip even vooruit naar morgenochtend. Laat je je ontbijt geven voor je naar nu terugkomt. Begrepen? Dan denken ze dat je later ontsnapt bent. Krijg je dat voor elkaar? Zo niet, dan ben je er geweest.

‘Ik zal het proberen,’ zei hij zwakjes.

‘Goed zo.’ Ze kuste hem kort maar heftig. ‘Ga nu.’

Havig begaf zich voorzichtig op weg naar de toekomst. Toen het venster grijs werd kwam hij te voorschijn en legde hij de staaldraad zo neer dat je op het eerste gezicht niet kon zien dat hij doorgezaagd’ was, en wachtte af. Een uur had nog nooit zo lang geleken. Een horige bewaker bracht een blad met eten en koffie. ‘Hallo,’ zei Havig nogal idioot.

De man wierp hem een norse blik toe en waarschuwde: ‘Eet vlug. Ze willen zo met je praten.’

De afschuwelijke gedachte trof Havig dat de man zou blijven wachten, maar hij ging weer weg. Toen de deur achter hem dichtsloeg, moest Havig even gaan zitten; zijn knieen knikten. Leonce. Hij slokte zijn koffie naar binnen en hervond zijn krachten. Hij stond op om nachtwaarts te reizen.

De lichtstraal attendeerde hem op het juiste moment. Toen hij in normale tijd terugkeerde, hoorde hij een hees gefluister: ‘Krijg je dat voor elkaar? Zo niet, dan ben je er geweest.’

‘Ik zal het proberen.’

‘Goed zo.’ Even stilte. ‘Ga nu.’

Hij hoorde het geruis van de lucht die het vacuum vulde waar hij gestaan had en wist dat hij vertrokken was. ‘Hier ben ik,’ riep hij zacht.

‘Wat? Ah!’ Ze moest beter in het donker kunnen zien dan hij, want ze kwam direct op hem af. ‘Alles goed?’

‘Ik denk van wel.’

‘Mond dicht,’ beval ze. ‘Ondanks onze list kunnen ze op dit uur een onderzoek instellen. Houd mijn hand vast en glip naar het verleden. Haast je niet, ik weet dat we het zullen redden. Ik wil niet dat ze erachter komen hoe.’

Gelijktijdig tijdreizen was een onderdeel van de opleiding van het Arendsnest. Je voelde een weerstand als je ‘sneller’ of ‘langzamer’ reisde dan de ander en paste je chronokinetische tempo daaraan aan. Een paar nachten eerder was het vertrek niet bewoond en stond de deur open. Ze liepen over duistere trappen naar de binnenplaats en gingen onder de poort door die in deze tijden van onbetwiste heerschappij gewoonlijk openstond. Ze moesten met tussenpozen te voorschijn komen om adem te halen, maar dat kon ’s nachts. Toen ze over de ophaalbrug waren, versnelde Leonce haar pas. Havig verwonderde zich erover dat zij niet gewoon naar een dag ging voor het fort bestond, tot hij zich realiseerde dat het risico te groot was dat er anderen in de nabijheid waren. Er waren veel jagers in de wouden die hier eens gegroeid hadden. Overmand als hij was door vermoeidheid en verdriet, deed hij er maar het beste aan haar voorbeeld te volgen. Zij had hem ten slotte bevrijd, niet?

Dat had ze en het duurde even voor hij het kon bevatten.

Ze zaten in een woud, op een zomerdag voor Columbus geboren was. Reusachtige eiken, iepen en berken stonden door elkaar; de lucht was van hun geur vervuld en hun bladeren wierpen groene schaduwen om het compacte kreupelhout om hen heen. Leonce had een laaggloeiend vuur aangelegd en op een geimproviseerd spit daarboven roosterden ze een korhoen, een van de duizenden die bij hun aankomst hier verschrikt waren opgevlogen.

‘Ik kan er maar niet over uit,’ zei ze. ‘Wat een schitterende wereld was het voordat de mens met zijn machines roet in het eten gooide. Ik ben niet meer weg van de Mooie Jaren. Ik ben er te vaak geweest.’ Havig, die tegen een boom geleund zat, had even een griezelig gevoel van deja vu. Toen begreep hij het: de omgeving leek erg op die van een millennium later toen zij en hij … Hij nam haar wat aandachtiger op. Met haar mahoniekleurige haar en haar jongensachtige kleren zou ze zo uit zijn oorspronkelijke tijd gestapt kunnen zijn. Haar Engels was praktisch accentloos. Natuurlijk, ze droeg nog steeds wapens, en haar katachtige gang en haar trotse optreden waren niet veranderd.

‘Hoe lang is het voor jou geleden?’ informeerde hij.

‘Dat je me in Parijs in de steek liet? Ongeveer drie jaar.’ Ze keek fronsend naar de vogel en draaide het spit.

‘Het spijt me. Dat was een rotstreek. Waarom heb je me bevrijd?’

Ze fronste nog dieper. ‘Als je me eens vertelde wat er gebeurd is.’

‘Weet je dat niet?’ riep hij verbaasd uit. ‘Als je niet wist waarom ik gearresteerd was, hoe wist je dan dat ik het niet verdiende?’

‘Vertel op.’

Hakkelend vertelde hij haar de hoofdzaken van zijn verhaal. Nu en dan sloeg zij haar ogen naar hem op, maar haar gezicht bleef uitdrukkingloos. Toen hij klaar was, zei ze: ‘Nou, mijn voorgevoel heeft me niet bedrogen. Ik heb niet veel bijzonders in de steek gelaten. Ik moest van dat zooitje kotsen toen ik zag hoe het toeging.’ Ze had wel eens wat over Xenia kunnen zeggen, vond hij en daarom zei hij even bruusk: ‘Ik dacht dat je geen bezwaar had tegen een beetje knokken en plunderen.’

‘Niet als het eerlijk toegaat, man tegen man. Maar die … jakhalzen … kiezen juist hulpeloze mensen uit, en meer voor hun plezier dan uit hebzucht.’ Woedend stak zij haar mes in de vogel zodat het vet eruit liep en gele vlammen uit het vuur omhoog laaiden. ‘En wat heeft het allemaal voor zin? Waarom zouden we de machines in de wereld terugbrengen? Om Cal Wallis tot God te laten promoveren?’

‘Toen je merkte dat ik was opgespoord en gevangen gehouden werd, brak toen het verzet los dat langzaam bij je gegroeid was?’

Ze gaf niet rechtstreeks antwoord. ‘Ik ging terug in de tijd tot de kamer leeg was en toen tijdopwaarts tot jij er was. Daarvoor had ik een paar dagen in de toekomst doorgebracht om niet te laten blijken dat ik bij je ontsnapping betrokken was. Ha, iedereen liep rond als een kip zonder kop. Ik verspreidde het gerucht datje in het verleden een andere tijdreiziger bij het complot betrokken had.’ Ze haalde haar brede schouders op. ‘Nou, de opwinding bedaarde snel. Het was kennelijk niet de moeite waard het aan de vroegere Wallis op zijn inspectiereis te vertellen. Hij kwam pas jaren later terug en in de tussentijd was er niets vreselijks gebeurd. Jij was niet belangrijk en ik ook niet als ik niet van mijn verlof terugkom. Ze zullen wel aannemen dat ik een ongeluk heb gehad.’ Ze grinnikte. ‘Ik ben gek op sportwagens.’

‘Ondanks het feit datje tegen machines bent?’ vroeg Havig.

‘Ach, je kunt er plezier van hebben zolang ze er zijn, of dat nou goed is of niet, vind je niet?’ Ze keek hem kalm aan en zei op sombere toon: ‘Dat is ongeveer alles wat we kunnen doen, jij en ik. Een paar fijne schuilplaatsjes zoeken, hier en elders in de tijd-ruimte. Het Arendsnest dwarsbomen kunnen we toch niet.’

‘Toch ben ik er niet zeker van dat hun overwinning is voorbeschikt,’ zei Havig. ‘Maar misschien is de wens de vader van de gedachte. Zijn ernst vulde de leegte die Xenia had achtergelaten. ‘Leonce, het is verkeerd om wetenschap en technologie overboord te gooien. Die kunnen misbruikt worden, maar dat kan met alles. De natuur is nooit volmaakt in evenwicht geweest — er zijn veel meer uitgestorven dan levende soorten — en de primitieve mens was even destructief als de moderne. Het duurde alleen langer voor hij zijn omgeving opgebruikt had. Waarschijnlijk hebben de jagers uit het steentijdperk de mammoets van het Pleistoceen uitgeroeid. Boeren met sikkels en graafstokken hebben de Vruchtbare Gordel uitgeput. En bijna de hele mensheid stierf op jeugdige leeftijd aan oorzaken die te voorkomen zijn als je maar weet hoe … De Maurai zullen meer doen dan de grondvesten van het leven op aarde herbouwen. Zij zullen als eersten proberen een evenwichtig milieu te scheppen. En dat is slechts mogelijk doordat zij de wetenschappelijke kennis en middelen bezitten.’

‘Het ziet er niet naar uit dat ze succes zullen hebben.’

‘Dat weet ik niet. Die geheimzinnige verre toekomst … Die moet onderzocht worden.’ Havig wreef in zijn ogen. ‘Later, later. Nu ben ik te moe. Leen me na de lunch je mes, dan snij ik wat twijgen en ga ik drie weken slapen.’

Ze knielde voor hem neer, legde een hand om zijn hals en streelde hem met de andere door het haar. ‘Arme Jack,’ fluisterde ze. ‘Ik was een beetje kortaf, niet? Vergeef me. Het was voor mij ook een moeilijke tijd toen je bij me wegging … Ga maar slapen. Vandaag hebben we rust en vrede.’

‘Ik heb je nog niet bedankt,’ zei hij onhandig. ‘Ik zal je nooit genoeg kunnen bedanken.’

‘Jij sufferd! Waarom denk je dat ik je daar uitgehaald heb?’ Ze sloeg haar armen om hem heen.

‘Maar… maar Leonce. Ik heb mijn vrouw zien sterven!’

‘Ik weet het,’ snikte ze. ‘Wat zou ik graag teruggaan om … haar te ontmoeten. Als zij je gelukkig kon maken … Maar dat gaat niet, ik weet het. Ik zal wachten, Jack, zolang dat nodig is.

Ze waren niet uitgerust voor een lang verblijf in het oude Amerika. Ze hadden in de toekomst uitrusting kunnen kopen en naar het verleden kunnen verschepen, maar na wat hun was overkomen, stond hun hoofd niet naar idyllische leegloperij.

Havigs toestand was van meer belang. De wond in zijn binnenste heelde langzaam, maar liet een diep litteken achter: het besluit het Arendsnest te bestrijden. Het ging hem er niet alleen om zich te wreken op de moordenaars van Xenia. Leonce nam dit als vanzelfsprekend aan en schaarde zich aan zijn zijde omdat een Gletsjervrouw haar man trouw was. Het ging hem er voornamelijk om, geloofde hij, dat een bende rovers uitgeroeid diende te worden. De wandaden die zij bedreven en nog zouden bedrijven, konden niet meer worden uitgewist; maar zou daar geen eind aan gemaakt kunnen worden? Zou een latere toekomst dat niet bespaard kunnen blijven?

‘Wat ik niet begrijp,’ zei hij tegen Leonce, ‘is dat er in het Maurai-tijdperk en later geen tijdreizigers worden geboren. Ze kunnen natuurlijk incognito blijven — zoals velen van hen in vroegere perioden — omdat ze te bang zijn of te slim om hun unieke gave te onthullen. Maar dat klinkt niet erg geloofwaardig, wel?’

‘Heb je dat onderzocht?’ vroeg zij.

Ze waren in een hotel in het midden van de twintigste eeuw. Het was vroeg in de avond en rondom hen knalde en knipperde Kansas City. Hij vermeed zijn vroegere verblijfplaatsen tot hij zeker wist dat de mannen van Wallis die niet zouden ontdekken. Het zachte lamplicht bescheen Leonce die in een doorschijnende nachtjapon met onder haar kin opgetrokken knieen in bed zat. Overigens liet zij hem in niets merken dat zij diep in haar hart meer was dan een zusterlijke kameraad. Een jageres leert geduld, een Skula leert in het hart te kijken.

‘Ja,’ zei hij. ‘Ik heb je verteld van Carelo Keajimu. Hij heeft zijn connecties over de hele wereld en als hij geen tijdreiziger weet te vinden, kan niemand het. Hij is er niet in geslaagd.’

‘Wat nu?’

‘Ik weet het niet; alleen, Leonce, we moeten de gok wagen. We gaan op een expeditie in de tijd na de Maurai.’

Wederom moesten zij tijd van leven besteden aan praktische problemen. Ga maar na. Het ene tijdperk wordt niet plotseling vervangen door een ander. Iedere stroming wordt verdoezeld door talloze tegenstromingen. Maarten Luther was niet de eerste protestant in de leerstellige en politieke betekenis van dat woord. Hij was gewoon de eerste die voet aan de grond kreeg. En zijn succes was gebaseerd op eeuwenlange mislukte pogingen; Hussieten, Lollards, Albigenzen en zo verder tot de ketterijen van de dageraad van het christendom; en zelfs die waren van oorsprong nog ouder. Op dezelfde wijze kwamen atoomreactors en aanverwante machines in gebruik, terwijl tegelijkertijd de uit Azie ingevoerde mystiek ontkende dat de wetenschap een antwoord kon geven op vragen die wezenlijk van belang waren. Als je een tijdperk wilt bestuderen, in welk jaar begin je dan? Je kunt door de tijd reizen, maar als je eenmaal je doel bereikt hebt, heb je slechts de beschikking over je twee voeten om je te verplaatsen. Waar vind je onderdak? Hoe kom je aan eten? Het kostte een paar tochtjes naar de toekomst voor ze een plan konden maken.

De details zijn niet belangrijk. Op de Westkust van het eenendertigste-eeuwse Amerika had zich een bastaardvorm van Ingliss-Maurai-Spanjol ontwikkeld die voor Havig nog wel te volgen was. Hij nam een grammatica, een woordenboek en gevarieerd leesmateriaal mee terug. Na individuele concentratie en wederzijdse oefening konden Leonce en hij het redelijk vlot spreken.

Er werden zo veel bezoekers van overzee aangevoerd door met atoomenergie aangedreven en door robots bemande transporttoestellen, dat twee extra bezoekers niet zo erg zouden opvallen, vooral omdat ze naar Sancisco gingen, een geliefd pelgrimsoord; daar had de goeroe Duago Samito zijn visioen gehad. Niemand geloofde in wonderen, maar men geloofde dat je mocht hopen inzicht te verkrijgen als je op de door mensenhanden gemaakte heuvels in de kelkvormige baai neerkeek en jezelf een liet worden met hemel en aarde en water.

Een kredietrekening was niet nodig in de financiele wereldmachine. Deze eeuw was, op zijn sobere wijze, welvarend. Een huishouding kon de slaapplaats en het voedsel voor een paar bezoekers makkelijk missen; de kinderen luisterden graag naar verhalen van reizigers.

‘Als u de Sterrenmeesters zoekt. ..’ zei de vriendelijke, donkere man, die hun op een avond onderdak verschafte, ‘ja, die hebben hier dichtbij een nederzetting. Maar die zullen er toch ook wel in uw land: zijn?’

‘We zijn nieuwsgierig of de Sterrenmeesters hier op die bij ons thuis’ lijken,’ antwoordde Havig. ‘Ik heb gehoord dat er vele soorten zijn.’

‘Dat is juist.’

‘Het zal onze reis niet al te zeer verlengen.’

‘U hoeft er niet heen te lopen. Opbellen kan ook.’

Havigs gastheer wees op een holografische communicator die in een hoek van het vertrek stond waarvan de afmetingen voor de bezoekers even vreemd — en even bevredigend — waren als een Japanse tempel voor een middeleeuwse Europeaan of een gotische kerk voor een Japanner.’

‘Maar ik betwijfel of het station momenteel bemand is. Ze komen niet vaak, weet u.’

‘Maar we kunnen het tenminste betasten.’ zei Havig.

De donkere man knikte. ‘Een volledige gevoelsgewaarwording … Ja, ga met God en wees God.’

’s Ochtends keerde de familie, na een uur zingen en mediteren, weer terug tot de dagelijkse bezigheden. Vader bewerkte zijn groentetuin met de hand; de reden hiervoor was eerder dieptepsychologisch dan economisch te verklaren. Moeder ging door met een paramathematisch theorema waar Havig niets van begreep. De kinderen wijdden hun aandacht aan een elektronisch onderwijssysteem dat waarschijnlijk de hele planeet bestreek en waarbij gebruikgemaakt werd van een soort kunstmatige telepathie. Toch was het huis klein en eenvoudig met een Oosterse daklijn. Het stond alleen in een wijds, geelbruin heuvellandschap. Leonce zei zuchtend, terwijl ze over een zandpad voort sjokte waarbij het stof om haar laarzen opdwarrelde en een veelarmige machine zich fluisterend langs de hemel bewoog: ‘Je hebt gelijk. Ik begrijp deze mensen niet.’

‘Daar zou je een heel leven voor nodig hebben,’ beaamde Havig. ‘Iets nieuws heeft zijn intrede gedaan. Dat hoeft niet slecht te zijn, maar nieuw is het zeker.

Na een ogenblik voegde hij er aan toe: ‘Dat is al eerder voorgekomen. Kon de paleolithische jager de neolithische boer begrijpen? Hoeveel overeenkomst is er tussen iemand die leefde onder de goddelijke rechten van koningen en iemand die leefde in de verzorgingsstaat? Ik kan je gedachten niet altijd volgen, Leonce.’

‘Ik de jouwe ook niet.’ Ze greep zijn hand. ‘Laten we het blijven proberen.’

‘Het schijnt…’ zei Havig, ‘ik herhaa het schijnt dat deze Sterrenmeesters beschikken over de ultra-gemechaniseerde, energie-uitstralende bases, de enorme vliegende machines en al die andere dingen waarvan we een glimp hebben opgevangen en die in zo’n scherpe tegenstelling staan tot de rest van de aarde. Ze komen onregelmatig en hun nederzettingen zijn vaak onbemand. Klinkt als tijdreizigers, niet?

‘Maar ze zijn, nou ja, goed, zal ik maar zeggen.’

‘En daarom kunnen ze niet van het Arendsnest zijn. Waarom niet? Van oorsprong, bedoel ik. De kleinzoon van een heerszuchtige zeerover kan een verlichte koning zijn.’ Havig ordende zijn gedachten. ‘Het is waar, de Sterrenmeesters gedragen zich anders dan je zou verwachten. Voor zover ik het begrijp — en je moet niet vergeten dat ik deze taal net zo slecht begrijp als jij — komen ze hier om te handelen, en eerder in ideeen en kennis dan in goederen. Ze hebben een subtiele maar indringende invloed op de wereld. Mijn tochten naar een verdere toekomst hebben aangetoond dat hun invloed nog zal groeien totdat er een nieuwe beschaving — of een na-beschaving — is ontstaan die ik niet kan peilen.’

‘Beschrijven de mensen hier in de buurt ze niet als soms menselijk en soms niet?’

‘Die indruk heb ik ook. Maar spreken?

‘Jij komt er wel achter,’ zei ze.

Hij keek naar haar en zijn ogen bleven op haar gevestigd. Het zonlicht speelde in haar haar en in de kleine zweetdruppeltjes op haar voorhoofd. Hij rook de aangename geur van haar lichaam. De pelgrimsmantel vormde zich naar haar lange ledematen. Tijdloos zong boven een korenveld een roodgevleugelde merel. ‘We zullen er samen achter komen,’ zei hij.

Ze glimlachte.

De dicht op elkaar staande spitsen en subtiel gewelfde koepels waren verlaten toen ze aankwamen. Een onzichtbare barriere hield hen tegen. Ze begaven zich naar de toekomst. Toen ze te midden van de schaduwen een schip zagen, hielden ze stil.

Het schip was toen al geland. De bemanning daalde af langs een ladder maar zijn gedachten.

‘Dok,’ vertelde hij me met een schorre, wanhopige stem, ‘ik kon daar niet blijven — in een soort renaissance-paradijs — en alles maar aan het lot overlaten. Ik geloof dat we van de toekomst veel kunnen verwachten, maar hoe kom ik aan zekerheid? Ja, ja, de naam is Jack en niet Jezus; mijn verantwoordelijkheid houdt ergens op; maar waar precies?

Zelfs al was dat een fijne eeuw om in te leven, langs welke weg was de mensheid daar dan gekomen? Misschien herinner je je dat ik eens gezegd heb dat Napoleon erin had moeten slagen Europa te verenigen. Die bewering gaat niet op voor Hitler; de schoorstenen van Bergen-Belsen spreken voor zich. Maar hoe zit het met het Arendsnest?’

Hij maakte Leonce wakker. Zij omgordde zich om met haar man op weg te gaan.

Ze hadden Carelo Keajimu kunnen opzoeken. Maar hij was eigenlijk te onschuldig. Hoewel hij leefde in een eeuw van verval, was het bewind van de Maurai altijd goedaardig geweest en had nooit de georganiseerde meedogenloosheid van onze tijden uitgelokt. Bovendien trad hij te veel op de voorgrond en daarom was er een grote kans dat hij bespied zou worden.

Het was mijn onbeduidende persoontje tot wie Jack Havig en Leonce van Wahorn zich wendden.


14

<p>14</p>

12 April 1970. Waar ik woonde was dat een dag van ontluikend groen dat nat was van de regen van de vorige nacht. Witte wolken dreven langs de hemel en de wind rimpelde het water in de plassen op mijn oprijlaan. Op mijn knieen plantte ik irisbollen in de koele, vochtige aarde.

Autowielen deden het grint knarsen. Een auto stopte onder de grote oude kastanjeboom die het grasveld domineerde. Ik herkende de wagen niet en stond vloekend op; het is altijd vervelend je van huis-aan-huis verkopers te ontdoen. Toen stapten ze uit en herkende ik hem; ik kon wel raden wie zij was.

‘Dok!’ Havig rende op me af en omhelsde me. ‘Wat ben ik blij je te zien!’

Ik was niet erg verbaasd. Na zijn laatste bezoek van een paar maanden geleden had ik hem wel terug verwacht, als hij nog leefde. Maar op dit ogenblik besefte ik pas hoe erg ik over hem had ingezeten. ‘Hoe is het met je vrouw?’ vroeg ik. Zijn gezicht betrok. ‘Ze leeft niet meer. Ik zal het je vertellen …

later.’

‘O Jack, wat erg. ..’

‘Voor mij is het al anderhalf jaar geleden.’

Toen hij zich omdraaide naar het slanke roodharige meisje, kon hij al weer glimlachen. ‘Dok, dit is Leonce, jullie hebben al veel over elkaar gehoord.’

Net als hij drukte zij onbezorgd mijn modderige hand. In het begin raakte ik nogal verward door de ontmoeting met haar. Nog nooit had ik iemand uit een andere tijd ontmoet; Havig telde eigenlijk niet mee. En hoewel hij mij genoeg over naar verteld had, kwam in zijn verhalen dikwijls haar anders zijn naar voren. Ze dacht en gedroeg zich op een manier die zelfs in de verte niet herinnerde aan een vrouw uit mijn eigen tijd.

Maar toch, de jaagster, stamraadsvrouw, sjamaan, minnares, en weinig berouwvolle afslachtster van — hoe vele? — mannen droeg een gewone jurk, nylonkousen, schoenen met hoge hakken en een tasje, glimlachte met vaardig opgemaakte lippen en zei in Engels dat bijna niet van het mijne te onderscheiden was: ‘Hoe maakt U het, dokter Anderson. Ik heb me hier erg op verheugd.’

‘Kom binnen,’ zei ik zwakjes. ‘Laten we ons even opfrissen en dan zet ik een pot thee.’

Leonce probeerde zich rustig te gedragen maar slaagde daarin niet. Terwijl Havig zat te praten, stond ze keer op keer uit haar stoel op, liep naar het raam en keek naar buiten. ‘Kalmeer toch,’ zei hij ten slotte. ‘We hebben de toekomst gecontroleerd, nietwaar? Geen agenten van het Arendsnest.’

‘We konden niet iedere minuut controleren,’ antwoordde zij.

‘Nee, maar … Dok, over ongeveer een week zal ik je opbellen om te vragen of je moeilijkheden gehad hebt en dat zal je ontkennen.’

‘Ze kunnen iets in hun schild voeren,’ zei Leonce. ‘Dat is niet waarschijnlijk,’ zei Havig geergerd; ze hadden het hier kennelijk al eerder over gehad.

‘Als jong meisje al heb ik geleerd wantrouwig te zijn.’

Havig aarzelde even voor hij zei: ‘Als ze achter ons aanzitten en weten dat dok ons contact is, zouden ze ons dan niet via hem te grazen nemen? Nou, dat hebben ze niet gedaan.’ Tegen mij: ‘Het spijt me dat ik je willens en wetens aan gevaar heb blootgesteld. Daarom mijd ik mijn moeder.’

‘Dat is in orde, Jack.’ Ik lachte geforceerd. ‘Het geeft me wat te doen op mijn ouwe dag.’

‘Er overkomt je niets,’ hield hij vol. ‘Daar heb ik me van overtuigd.’ Leonce haalde diep adem. Een tijd lang was er geen geluid te horen, behalve het suizen van de wind in de takken buiten. ‘Je bedoelt,’ zei ik, ‘dat je hebt vastgesteld dat ik rustig verder zal leven tot’ ik sterf.’

Hij knikte.

‘Je weet de datum,’ zei ik. Hij verroerde zich niet.

‘Nou, vertel het maar niet,’ besloot ik. ‘Niet dat ik bang ben, maar ik ga gewoon liever door met me op de gewone sterfelijke manier te amuseren. Ik benijd je niet — jij kunt een vriend twee keer verliezen.’ De theeketel floot.

Uren later zei ik: ‘Je hebt dus besloten in te grijpen. Je wilt iets aan het Arendsnest gaan doen?’

‘Als we dat kunnen,’ zei Havig somber.

Leonce, die naast hem zat, greep hem bij zijn arm. ‘Maar wat?’ schreeuwde zij bijna. ‘Ik ben zelf even in de toekomst geweest, maar het is groter dan ooit tevoren en ik zag Cal Wallis uit een vliegtuig stappen; hij werd oud, maar toch was hij er.’ Haar vingers kromden zich tot klauwen. ‘Niemand had die rotzak vermoord, in al die tijd niet.

Ik vulde mijn pijp. We hadden gegeten en zaten nu te midden van mijn boeken en schilderijen. Ik had verklaard dat de zon laag genoeg aan de onzichtbare einder stond om de whisky te voorschijn te halen. Maar die twee konden niet meer eenvoudig genieten van een bezoek aan een oude bekende; hun verdriet en woede stonden dat in de weg. ‘Je hebt geen volledige beschrijving van de toekomst van het Arendsnest,’ zei ik.

‘Tja, we hebben het boek van Wallis gelezen en naar zijn woorden geluisterd,’ antwoordde Havig. ‘We geloven niet dat hij liegt. Hij is veel te vol van zichzelf om over zo iets te liegen.’

‘Je begrijpt niet waar ik op aanstuur.’ Ik gebaarde met mijn pijp. ‘De vraag is of je persoonlijk een jaarlijkse inspectie gemaakt hebt.’

‘Nee,’ antwoordde Leonce. ‘Aanvankelijk was daar geen reden voor en later was het te gevaarlijk.’ Ze hield haar blik op mij gevestigd. Ze was een schrandere meid. ‘Waar wilt u heen, dokter?

Ik streek een lucifer aan en stak mijn pijp aan. ‘Jack, ik heb lang nagedacht over wat je me bij je vorige bezoek vertelde. Ik heb de vrije tijd om na te denken en te studeren — je bent teruggekomen in de hoop dat ik een idee zou hebben, is het niet?’

Hij knikte en onderdrukte een huivering.

‘Ik heb geen pasklare oplossing voor jullie problemen,’ waarschuwde ik, ‘maar ik heb eens nagedacht over een opmerking die je maakte dat vrijheid ligt in het onbekende.’

‘Ga door,’ drong Leonce aan.

‘Wel,’ zei ik tussen twee halen door, ‘watje me nu vertelt, sterkt mi in mijn overtuiging. Dat wil zeggen: Wallis gelooft dat zijn organisatie, weliswaar in gewijzigde vorm maar fundamenteel dezelfde, in de periode na de Maurai de leiding zal hebben. Watje daar gezien hebt, maakt dat niet erg geloofwaardig, wel? Ergo, er is ergens een tegen ‘strijdigheid. En voor wat in de tussenliggende periode gebeurd is, heb je alleen het woord van Caleb Wallis en die is een snoever en i meer dan honderd jaar geleden geboren.’

‘Wat heeft zijn geboortejaar er nu mee te maken?’ vroeg Havig. ‘Heel veel,’ zei ik. ‘Dit is een bittere eeuw. Er zijn harde lessen geleerd die de generatie van Wallis nooit nodig had en waarover zij zich geen voorstelling kon maken. Hij heeft misschien van het begrip systeemanalyse gehoord, maar hij gebruikt het nooit. Het zit hem niet in het bloed. Jouw chronoloog is een voorbeeld van twintigste-eeuws denken,’ vervolgde ik. ‘Wat is ervan geworden, tussen twee haakjes?’

‘Die is in Pera achtergebleven … toen ik gevangen genomen werd,’ antwoordde hij. ‘Ik denk dat de latere eigenaar van het huis hem weggegooid heeft. Misschien dacht hij dat het toverij was en heeft hij hem in de Hoorn gesmeten. Ik heb een paar nieuwe laten maken.’ Een gevoel van opwinding maakte zich van mij meester en ik begon iets te begrijpen van Leonce, de jaagster. ‘De mannen die je oppakten, zelfs zo’n gehaaid type als die Krasicki, kwamen niet op het idee om hem mee te nemen om te laten onderzoeken. Dat is een prachtig voorbeeld. Kijk eens, Jack, iedere tijdreiziger vindt het verdomd lastig om precies op het goede moment aan te komen. Voor jou was het de gewoonste zaak van de wereld om in te zien dat de oplossing van het probleem een instrument was. Daarna zocht je gewoon een bedrijf dat het ding voor je kon uitvinden en bouwen.’ Ik blies een blauwe rookwolk uit. ‘Dat is nooit bij Wallis opgekomen,’ besloot ik. ‘Bij niemand van zijn bende. Zo’n aanpak gaat ze niet natuurlijk af.’

Weer werd het stil.

‘Ik ben de laatste reiziger die ze voor het Oordeel hebben gevonden,’ zei Havig.

‘Precies, maak daar dus gebruik van. Je hebt al een begin gemaakt met je onderzoek in de periode na de Maurai. Je vindt het misschien niet te geloven dat Wallis geen diepgaande studie heeft gemaakt van die tijd. Maar vergeet niet dat hij uit een tijd stamt waarin totaal niet vooruitgekeken werd, een tijd waarin iedereen dacht dat de open mijnbouw en de ontbossing voor altijd door konden gaan. Het was de eeuw van Clerk Maxwell, de grondlegger van de cybernetica, en Babbage en Peirce en Clausewitz en nog vele andere denkers aan wie we nu nog veel te danken hebben. Maar het zaad van hun gedachten begon pas later wortel te schieten en te bloeien. Hoe dan ook, zoals zo veel tijdreizigers bleef Wallis niet rondhangen om de ontwikkelingen in zijn eeuw mee te maken. Nee, hij wist niet hoe snel hij de almachtige superman moest uithangen.

Jack, Jij kunt profiteren van de moeizaam vergaarde kennis van het menselijk ras.’

Leonce keek verward. Mijn filosofie was voor haar ook nieuw. Jack leek er geheel door in beslag genomen. ‘Wat is je voorstel?’ vroeg hij zacht.

‘Niets in het bijzonder,’ antwoordde ik. ‘Meer in het algemeen. Concentreer je meer op strategie dan op tactiek. Probeer niet het op je eentje tegen een organisatie op te nemen; richt een betere op.’

‘Waar haal ik de leden vandaan?’

‘Van altijd en overal. Wallis gebruikte min of meer zijn fantasie bij zijn ronselpraktijken, maar zijn methodes waren primitief en zijn opvattingen bekrompen. Er moeten op die dag in Jeruzalem, bij voorbeeld, meer tijdreizigers geweest zijn. Zijn agenten pikten alleen degenen op die erg opvielen, en gaven het toen op. Er moet een manier zijn om de aandacht van de overigen te trekken.’

‘Ja. .. daar heb ik ook over nagedacht.’ Havig liet zijn kin op zijn handen rusten. ‘Misschien door de straten lopen en regels uit de Griekse mis zingen …’

‘En in het Latijn. Je kunt je geen grieven veroorloven. En nog iets Waarom zou je geen open kaart spelen? Natuurlijk, je “oom” had groot gelijk toen hij erop aandrong je geheim aan niemand te vertellen; het zou voor een kind afschuwelijk zijn als ontdekt werd dat hij een tijdreiziger was. Maar je bent geen kind meer. Bovendien, ik heb begrepen dat Wallis gewone mensen als een minderwaardige soort beschouwt. Hij tolereert ze alleen op ondergeschikte posities. Het enige dat hij daarmee bereikt, is dat hij geen gebruik kan maken van hun verstand.

Ik heb mijn licht eens opgestoken op Holberg College en Berkeley. Er zijn wel degelijk goede en verantwoordelijke wetenschapsmensen op Berkeley. Ik kan je de namen geven van mannen en vrouwen die je zullen accepteren voor wat je bent en je vertrouwen niet zullen beschamen. Ze zullen je, net als ik, helpen.’

‘Waarmee?’ vroeg Leonce.

Havig sprong uit zijn stoel omhoog en terwijl hij in de kamer heen en weer ijsbeerde, vuurde hij het antwoord op haar af. ‘Om de wereld open te leggen, lief. Ons soort kan niet alleen maar in het Westen geboren worden. Dat zou onzin zijn. China, Japan, India, Afrika, Amerika voor de blanken kwamen — we kunnen uit de hele mensheid putten! En we kunnen de slechten links laten liggen en alleen de goeden nemen, we kunnen de kinderen zoeken en ze een goede opvoeding geven. Mijn God! Wat kan ons die bende schavuiten in de toekomst schelen? Wij kunnen de toekomst maken!’ Zo eenvoudig was het niet, natuurlijk. In feite besteedden zij meer dan tien jaar van hun leven aan de voorbereidingen. Ook hun prive-zaken eisten tijd op. Toen ik ze in maart weer even zag (na zijn ene telefoontje), gedroegen zij zich tegen elkaar als een al jaren gelukkig getrouwd stel. Niettemin waren het tien moeilijke en gevaarvolle jaren.

Het was ook een periode die stevig denkwerk en een scherpe werkelijkheidszin vereiste. Het op de been brengen van Havigs leger zou hem alle jaren gekost hebben die hem nog restten, had hij het niet aangepakt op de manier die ik had voorgesteld. Via mij ontmoette hij de leden van de denktanks en faculteiten over wie ik gesproken had. Nadat hij hen overtuigd had, stelden zij hem voor aan uitgelezen collega’s, zodat hij beschikte over een uiterst bekwaam team van adviseurs. (Verscheidene van hen gaven later hun baan op om zich aan ander werk te wijden. Dat verbaasde hun collega’s nogal). Zo nu en dan hoorde ik van hun vorderingen. De methoden die zij ontwikkelden om contact te leggen met tijdreizigers over de hele wereld en gedurende de hele geschiedenis, zouden boekdelen vullen. De meeste faalden, maar genoeg hadden succes. Een onderzoeker keek bijvoorbeeld wat rond en won discreet inlichtingen in over mensen die iets ongewoons hadden, dat voor een tijdreiziger in dat milieu nogal voor de hand lag: een sjamaan, een heks, een monnik die mensen die een beroep op hem deden, hielp met erg praktische wonderdaden. Een boer die op de een of andere manier bij zaaien en oogsten nooit. verrast werd door slecht weer. Een koopman die met gelukkige hand investeerde in schepen, terwijl bij anderen zeeroverij en stormen hun tol eisten. Een krijgsman die als spion of verkenner niet te pakken was. Een jongen van wie verteld werd dat hij zijn vader raad gaf. Af en toe bleken zulke mensen tijdreizigers te zijn … Dan waren er manieren om hun aandacht te trekken, bijvoorbeeld door je uit te geven voor een rondtrekkende waarzegger.

Degenen die het eerst gerekruteerd waren, werden zo veel mogelijk opgeleid tot een kader van ronselaars. Daardoor kreeg het opsporen van mensen een sneeuwbaleffect. Ook hier waren methoden beschik baar die buiten het gezichtsveld lagen van een negentiende-eeuwse Amerikaan die de twintigste eeuw en alle andere culturen als inferieur beschouwde. Er zijn moderne methoden om iemand snel een nieuwe taal te laten leren. En er zijn eeuwenoude methoden, door het Westen verwaarloosd, om lichaam en zintuigen te ontwikkelen. Onder de gesel van oorlogen, revoluties, invasies en bezettingen hebben we geleerd ons aaneen te scharen, discipline te betrachten en elkaar te beschermen.

Maar bovenal was er het hedendaagse begrip van samenwerking. Onze tijd zal in vuur ten onder gaan, maar zal giften achterlaten waar de mensheid later dankbaar voor zal zijn. Het vinden van de tijdreizigers was slechts het kale begin. Ze moesten georganiseerd worden. Hoe? Waarom zouden zij hun huis willen verlaten, beperkingen accepteren en hun leven wagen? Waarom zou den ze blijven, als ze vermoeid raakten of zich verveelden of bang werden of verteerd door heimwee naar een verloren liefde? De hoop op kameraadschap binnen hun eigen soort zou op velen aantrekkingskracht uitoefenen. Daarvan kon Havig profiteren, net als Wallis. Maar Wallis had nog meer te bieden. Dank zij de mogelijkheden van zijn groep lag de hele wereld voor een man open, en de gelegenheid om zich aan de meest primitieve genotzucht te buiten te gaan was onbeperkt. De intelligente onder hen bood Wallis macht, grandeur en een kans — of de plicht als je je liet overtuigen en dat was verschrikkelijk makkelijk — om in het lot van de wereld in te grijpen. Dan waren er die wilden leren, of de hoogtepunten van de menselijke beschaving meemaken. Voor hen bood Havig de aantrekkelijkste vooruitzichten.

Maar dat gaf nog steeds geen motief om de strijd aan te binden met het Arendsnest. De gemiddelde reiziger zou toegeven dat het monsterlijk was, maar de meeste regeringen en instellingen zijn op hun eigen manier monsterlijk geweest. Wat voor een bedreiging was de Sachem?

‘Indoctrinatiecursussen.’ Havig zuchtte. ‘Naar woord, niet? Doet je denken aan intimidatie en onafgebroken propaganda. Maar eerlijk, we willen alleen maar uitleg geven. We proberen onze studenten aan de hand van de feiten te doen inzien dat het Arendsnest van nature niet in staat is ze met rust te laten. Dat valt niet mee. Heb je enig idee hoe je een samoerai van de Kamakoera-periode moet aantonen dat iedereen, wie dan ook, die de wereld wil overheersen, een directe bedreiging voor hem is? Ik ben momenteel voornamelijk hier om te zien wat mijn antropologen en semantici hebben opgedoken. En dan, nou ja, er zijn nog andere manieren om het te spelen, bijvoorbeeld de primitieve loyaliteit aan hoofdman en kameraden, of de gein van een lekker partijtje knokken, of … wel, de kans om op een toelaatbare manier rijk te worden. En een paar hebben een speciale droom…

Ik benijdde hem om de uitdaging die van zijn taak uitging. Stel je voor: het smeden van een hechte band tussen een Confuciaanse leermeester, een boemerangwerpende kangoeroejager, een Poolse schooljongen, een middeleeuwse Mesopotamische boer, een West-Afrikaanse smid, een Mexicaanse vaquero, een Eskimomeisje … Misschien was zijn grootste kracht dat hij in staat was deze caleidoscopische verzameling bij elkaar te brengen. Zulke mensen hoefden niet veel over het Arendsnest te leren voordat ze beseften dat een tijdreiziger bij Havig het beste af was.

Ze kregen hun vooropleiding op verschillende plaatsen en in verschillende tijden. Daarna werden zij op hun betrouwbaarheid getest; daarvoor beschikte men over een wonderlijke potpourri van methoden. De twijfelgevallen — een gering percentage — werden naar hun eigen streek en tijd teruggebracht en afgekocht. Ze wisten niet genoeg van de vijand om contact met hem te kunnen opnemen; over het algemeen woonden ze duizenden kilometers daarvandaan. De mesten werden naar het hoofdkwartier gebracht voor aanvullende training en om te helpen bij de uitbreiding en versterking. Het lag in de nabijheid van het Arendsnest, maar onmetelijk ver terug in het verleden, in het Pleistoceen. Die voorzorgsmaatregel veroorzaakte weer aparte problemen. De reis door de tijd was langdurig en vereiste speciale uitrusting en rustplaatsen onderweg. Er moesten geheime bergplaatsen aangelegd worden en alles moest stuk voor stuk en in etappes tijdafwaarts getransporteerd worden. Maar hun veiligheid was dit waard. Hun bolwerk stond op een beboste heuvel en in het dal beneden stroomde een machtige rivier die als brons glansde in het zonlicht.

Het speurwerk had ongeveer evenveel mannen als vrouwen opgeleverd. Zo ontwikkelde zich een gemeenschap — kinderloos weliswaar, met uitzondering van de jongste leden, maar toch een gemeenschap die zijn eigen identiteit, wetten, ceremonies en prioriteiten vaststelde, zijn eigen verhalen en overlevering had, en in liefde en ruzies verenigd was. En dit was Havigs ware triomf. De Sachem had een leger geschapen; de man die gezworen had hem ten val te brengen had een stam gecreeerd.

Ik hoorde dit alles toen Havig en Leonce in maart bij mij op bezoek waren. Ze zaten toen nog midden in het werk. Pas op de avond voor Allerheiligen hoorde ik de rest van hun verhaal.


15

<p>15</p>

De schaduwen van de tijd draaiden voorbij. Ze hadden slechts dan vorm en kleur, gewicht en dimensie als men stilhield en te voorschijn kwam om te eten, te slapen of even adem te halen. Seizoen na seizoen gleed over de heuvels; de gletsjers uit het noorden vermaalden heuvels tot vlakten en trokken zich onder hevige sneeuwstormen weer terug, waarbij zij meren achterlieten waaruit mastodonten dronken; de meren werden moerassen en later weiden waarop kamelen en paarden graasden totdat de gletsjers weer terugkeerden; toen het klimaat weer mild werd, zag men die vroegere dieren niet meer, maar waren er bizonkuddes waarvan het hoefgedreun klonk als een aardbeving; de pioniers deden hun intrede, koperkleurige mannen die jaagden met speren met stenen punten; weer was er een Grote Winter, gevolgd door een Grote Lente, en nu hadden de jagers bogen en in deze periode ontstonden de wouden op het gletsjerpuin; eerst wilgen, lorken en dwergeiken, later de schitterende torenhoge soorten. En plotseling, in een oogwenk, was dat allemaal verdwenen. De veroveraars waren geland, trokken de stronken uit de grond die de bijlen hadden achtergelaten, ploegden en zaaiden, maaiden en dorsten en legden ijzeren sporen waarop ’s nachts een geraas en een lang aangehouden geloei hoorbaar was dat op een vreemde manier herinnerde aan een voorbij stuivende mastodont.

Havigs groep stopte voor een laatste rustpauze in het huis van een jonge boer die zelf geen tijdreiziger was, maar die betrouwbaar was. Ze gebruikten het huis ook als opslagplaats. Het zou onmogelijk geweest zijn op deze plaats op de aarde zo ver door de tijd te reizen zonder kleine zuurstofcilinders te gebruiken. Anders hadden ze meer dan eens stil moeten houden om adem te halen terwijl het land onder water stond of bedekt was met een laag ijs van een kilometer dik. Het waren sterke barrieres die het geheim van hun hoofdkwartier tegen het Arendsnest beschermden. Veel meer dan het gewicht van de cilinders konden zij op hun reis door de tijd niet meedragen. Hier lag hun kans om aan wapens te komen.

Zacht lamplicht bescheen een keukentafel, de blank geschuurde potten en pannen en het fornuis waarin een houtvuurtje knetterde om een reusachtige pot koffie warm te houden. Hoewel de naaste buren op een afstand van meer dan een half uur paardrijden dwars door de velden woonden, moest Olav Torstad zijn bezoekers altijd bij donker ontvangen. En nog werd het vreemd gevonden dat er zo nu en dan ’s nachts licht achter de gordijnen te zien was. Maai voor de rest was hij een rustige vent; het was te verwachten dat een vrijgezel zo nu en dan niet in slaap kon komen, redeneerden de buren. ‘Gaan jullie al weer weg?’ vroeg hij.

‘Ja,’ zei Havig. ‘We hebben nog een eind voor de boeg voor het licht wordt.’

Torstad staarde naar Leonce. ‘Eigenlijk hoort dat niet, een dame die op oorlogspad gaat.’

‘Mijn plaats is naast mijn man. Jack kan het me toch niet uit mijn hoofd praten,’ grinnikte ze.

‘Tja, andere tijden, andere zeden,’ zei Torstad, ‘maar ik ben blij dat ik van 1850 ben.’ Haastig voegde hij eraantoe: ‘Niet dat ik geen waardering heb voor wat jullie voor me gedaan hebben.’

‘Jij hebt meer voor ons gedaan,’ antwoordde Havig. ‘We hebben deze boerderij voor je gekocht omdat we iets dergelijks nodig hadden in de nabijheid van de plaats waar het Arendsnest zal verrijzen. Je hebt het risico aanvaard en de last om al die dingen verborgen te houden en … doet er niet toe. Dit is de laatste avond.’ Hij glimlachte geforceerd. ‘Je kunt de spullen die we hier achterlaten wegdoen, met je verloofde trouwen en hier de rest van je dagen in vrede leven.’

Even leek het of diep in de ogen van Torstad iemand aan zijn ketenen rukte. ‘In vrede?’ Abrupt: ‘Jullie komen toch terug, niet? Om te vertellen wat er gebeurd is. Alsjeblieft!’

‘Als we winnen,’ zei Havig en hij vroeg zich af hoeveel van die beloften hij gedaan had in de tijd-ruimte die zij doorkruist hadden. Hij sprong uit zijn stoel op. ‘Kom op, laten we de militaire uitrusting van onze manschappen gaan halen. Als jij de paarden inspant, rijden we met de wagen naar de bergplaats.

Zij waren niet de enigen die op weg waren.

Het was geen groot leger, in totaal misschien drieduizend mensen. Tweederde bestond uit vrouwen, kinderen, invaliden en ouderen die geen gevechtsfunctie hadden, maar dienst deden als verpleegsters, tijd-kruiers en fourageurs. Hun aantal was toch nog te groot om op een tussenstation te verzamelen, omdat de vijand door geruchten en sporen gealarmeerd zou kunnen worden. Het was al een enorm gecompliceerd logistiek probleem geweest om ze allemaal in het geheim naar Amerika te vervoeren.

Jaren voor Columbus Amerika ontdekte, trokken sommigen de enorme wouden in onder leiding van een Dakota-Indiaan die medicijnman van zijn stam geworden zou zijn als hij niet door een geduldige speurder was ontdekt.

Net als alle andere aanvoerders had hij een chronoloog bij zich die exact de plaats kon bepalen vanwaar uit zij zich naar een even exact bepaald moment in de toekomst zouden begeven. Ergens in de achttiende eeuw hadden bepaalde coureurs des bois een samenkomst, waarna zij de wildernis introkken.

Nog geen honderd jaar later vertelde een kapitein aan de weinige blanken die hij tegenkwam, dat hij het gebied in kaart bracht waar hij en zijn mannen doorheen trokken.

In de jaren rond 1920 schonk men geen aandacht aan heimelijke transporten, vooral niet op de aanvoerroute van Canadese whisky. Tegen het einde van de twintigste eeuw steeg een Jumbo jet met veel geraas op. De bonte verzameling mensen aan boord trok niet veel aandacht. ‘Internationale Vriendschapsreizen’ waren aan de orde van de dag omdat regeringen en particuliere organisaties om het hardst probeerden een einde te maken aan de wedren naar de catastrofe. Jaren later trok een flinke troep ruiters door het gebied. Naar hun gezichten en kledij te oordelen, waren het Mongs. De binnendringers kregen daar nooit vaste voet aan de grond, dus hun eerste verkenners waren van geen belang.

Havig en zijn half dozijn mannen keerden terug in normale tijd. Op zijn chronoloog was een uur voor zonsopgang een rood lichtje gaan knipperden. Het was nieuwjaarsdag in het 177ste jaar van het bestaan van het Arendsnest. In het Westen stonden de sterren nog aan de donkere hemel, in het Oosten was de lucht vuilgrijs. In het vale licht was iedere steen van de muren en torens zichtbaar. Door de vorst was het plaveisel op de binnenplaats wit uitgeslagen. De wereld lag in stilte gehuld, alsof alle geluid bevroren was in de kou die de adem afsneed.

Het groepje had vaak genoeg gerepeteerd wat het moest doen. Niettemin dwaalde zijn blik nog eenmaal over hen heen, zijn strijdmakkers, gekozen voor de spil waar de hele operatie om draaide.

Ze droegen allemaal donkergroene parka’s, gewatteerde broeken, leren laarzen, helmen en wapens. Na jaren van kameraadschap kon hij hun gezichten en eigenaardigheden wel dromen: Leonce, stralend van geestdrift, een weerbarstige rode lok over het voorhoofd dat hij zo vaak gekust had: Chao, Indhlovu, Gutierrez, Bielawski, Maatuk ibn Nahal. Nog even hielden zij elkaars handen vast. Toen lieten zij los. Hij zette zijn chronoloog neer. Ze brachten hun wapens in gereedheid voordat de wachtposten alarm konden slaan. De kansen voor een verrassingsaanval waren gunstig. Het achterland was stevig onder controle. Had de Sachem zelf dat niet bevestigd na zijn reizen naar de toekomst? Het ging het Arendsnest goed, niet alleen materieel, maar er waren ook veel rekruten om het grote doel te verwezenlijken. Dus op een feestdag kon men er zijn gemak van nemen. Agenten namen hun verlof zoveel mogelijk in de winter op om aan de kou en somberte te ontsnappen. Maar met nieuwjaar was de Sachem er altijd. Oudejaarsavond begon met ceremonies en redevoeringen en eindigde in een braspartij. Wie kon het een wachtpost kwalijk nemen dat hij in de bittere ochtendkou zijn ogen niet kon openhouden?

‘Okay,’ zei Havig; ‘Ik hou van je, Leonce,’ fluisterde hij. Haar lippen beroerden de zijne. Het groepje stormde op de deur af van de toren waarin Caleb Wallis woonde.

Er was geen beweging in te krijgen. De vrouw vloekte. Maatuk, schoot met zijn Colt .45 het slot aan splinters. Het oorverdovende lawaai weerkaatste tussen de muren. Havig dacht : ‘Geen enkele gevechtsoperatie verloopt perfect. Er dient altijd enige speelruimte te zijn.’

Maar van dit moment hing het falen of slagen van de operatie af.

Hij ging als eerste naar binnen. Achter zich hoorde hij geschreeuw. Hij schonk er geen aandacht aan en stormde de trappen op, gevolgd door vier man. Gutierrez en Bielawski waren beneden gebleven om de hoofdingang en de lift te bewaken. Indhlovu en Chao bleven respectievelijk op de eerste en tweede verdieping achter om de vertrekken van Austin Caldwell en van de huidige secretaris van Wallis te bezetten. En hier, op de volgende overloop, de met brons beslagen deur van Wallis.

Die was niet op slot. Niemand durfde hier onuitgenodigd binnen te komen, tenzij om zijn schepping te vernietigen. Havig gooide de deur wijd open.

Hij herkende het vertrek met het zware bureau, de houten lambrisering en de portretten van meesters en moeder. Het was er warm en vochtig. Door het ijs op de ruiten was het er schemerig. Maatuk draaide zich om om de ingang te bewaken en Havig en Leonce stormden de erachter liggende suite binnen.

Wallis kwam overeind in een dubbel hemelbed. Havig schrok even toen hij zag hoe de jaren de man hadden aangevreten. Hij was helemaal grijs. Zijn gezicht was een netwerk van gesprongen adertjes. Het was een verschrikkelijk gezicht en tegelijk grappig omdat hij een nachthemd aanhad. Hij greep naar het pistool op het tafeltje naast het bed.

Met een schreeuw dook Leonce op hem af. Wallis verdween uit het gezicht en zij ook. Ze kwamen weer te voorschijn, worstelend. Hij was niet in staat in de tijd te vluchten omdat zij hem vast had en vastbesloten was in het heden te blijven. Boven hun hijgende ademhaling uit was het gegil te horen van een meisje dat zich achter de gordijnen van het bed verscholen had.

Havig cirkelde om hen heen en zocht naar een kans om te hulp te komen. De vechtenden waren aan elkaar gewaagd en vochten voor hun leven. Het ging zo snel dat hij niet kon toeslaan.

Schoten knalden in de werkkamer.

Havig snelde naar de tussendeur, drukte zich plat tegen de deurpost en loerde naar binnen. Maatuk lag bewegingloos op de grond. Naast hem stond Austin Caldwell. Hij droop van het bloed en stond te zwaaien op zijn benen maar de revolver in zijn bevende hand zocht nog steeds naar vijanden. De oude vechtersbaas moest Chao te slim af geweest zijn, of had zelf een paar kogels geincasseerd en hem toch nog afgemaakt …

‘Ik heb je onder schot. Geef je over!’ riep Havig.

‘Loop … naar de hel … verrader. ..’ De Colt blafte opnieuw. Havig glipte een minuut tijdopwaarts en stapte door de deur. Toen hij weer te voorschijn kwam, vuurde hij. Zijn kogel doorboorde slechts lucht en versplinterde het glas van de ingelijste foto van Karel de Grote. Austin Caldwell was in elkaar gezakt.

Overal in het fort en de bijgebouwen denderden de explosies. Havig haastte zich terug naar Leonce. Ze had haar benen rond het onderlichaam van Wallis geklemd en drukte met haar duimen zijn halsslagaderen dicht. Hij beukte op haar schouders, maar zij spande haar lichaam en hield vast. Zijn slagen werden zwakker. Toen lag hij stil. ‘Leg hem vast,’ hijgde ze. ‘Vlug.’

Uit een van zijn zakken haalde Havig een stel boeien met een ketting die tot de standaarduitrusting van zijn mannen behoorde. Hij hurkte neer en verankerde Wallis aan het bed. ‘Die kan nergens meer heen,’ zei hij, ‘tenzij iemand hem bevrijdt. Jij houdt hier de wacht om dat te voorkomen.’

‘Moet ik de pret mislopen?’ brieste ze.

‘Dat is een bevel,’ snauwde hij. Ze wierp hem een woedende blik toe maar gehoorzaamde. Hun hele plan draaide om deze gevangene. ‘Ik zal je zo gauw mogelijk laten aflossen,’ zei hij en voegde er in stilte aan toe: ‘Zodra de strijd voorbij is.’ Toen hij het vertrek verliet, merkte hij dat de concubine gevlucht was. Hij vroeg zich af of ze opgelucht of diep bedroefd was.

Een verdieping hoger was een balkon dat uitkeek op de binnenplaats. Hier hield de Sachem zijn redevoeringen. Havig stapte het grauwe ochtendlicht in en staarde naar de chaos. Overal woedden hevige gevechten en lagen kreunende gewonden. De doden leken ineen geschrompeld. De stilte had plaatsgemaakt voor geschreeuw en het geratel van vuurwapens.

Een nieuw bataljon van zijn leger dook in normale tijd op en plotseling ontplooiden zich parachutes aan de hemel toen zij die met hun chronoloog uit een twintigste-eeuws vliegtuig gesprongen waren, op deze dag te voorschijn kwamen.

De verwarring was meer schijn dan werkelijkheid. Tegenover het garnizoen van Wallis stond een even groot aantal tijdreizigers die hier al jaren waren en die zich de avond tevoren niet bedronken hadden. De vijfde colonne was allang voor Havigs tijd uitgevonden. Dat in aanmerking genomen, en de precieze tijdbepaling die de chronoloog mogelijk maakte, en de plannen die gesmeed waren door een team van beroepssoldaten en die keer op keer gerepeteerd waren met behulp van een nagebouwd Arendsnest … dat alles in aanmerking genomen, was de overwinning onvermijdelijk. Waar het op aankwam was dat zo weinig mogelijk agenten mochten ontsnappen. Havig haalde de draagbare zend-ontvanger van zijn schouder en begon zijn bataljonscommandanten op te roepen.

‘Omdat de aanval als een volslagen verrassing kwam,’ vertelde hij me later, ‘waren er niet veel die in de tijd konden vluchten. Later hebben we nog een stel opgepakt. Uit de registers wisten we wie het waren, en we konden wel raden waarheen en naar welke tijd ze gevlucht waren. Ze konden maar ‘niet in het wilde weg ergens heen, weet je. Ze moesten naar een omgeving waar ze een kans hadden het er levend af te brengen. Dat liet ze niet veel keus.’

‘Je hebt ze niet allemaal te pakken gekregen?’ tobde ik. ‘Nee, niet allemaal. Dat was ook nauwelijks te verwachten.’

‘Je zou zo zeggen dat eentje die vrij rondloopt, al te veel is. Die kan tijdafwaarts glippen naar de tijd voor de aanval en waarschuwen …’

‘Daar maak ik me geen zorgen over, dok. Ik weet dat het nooit gebeurd is en daarom zal het nooit gebeuren.’

‘Hoor eens. Dit waren geen supermensen. Het waren of gewoon zwakkelingen die gewone burgerbaantjes hadden, of krijgslieden die even stompzinnig en bijgelovig als onmenselijk waren. Afgezien van hun speciale training voor de doeleinden waar Wallis ze voor gebruikte, hadden ze nooit een behoorlijke opleiding gehad. Al was het alleen maar omdat ze dan misschien zouden gaan twijfelen aan zijn rechtschapenheid en onfeilbaarheid. Daarom hadden degenen die konden ontsnappen weinig moreel over. Hun voornaamste zorg was dat ze zich voor ons verborgen moesten houden. En ze wisten dat wij, gedurende de hele periode dat Wallis regeerde, spionnen in het Arendsnest hadden. Dat waren er maar een paar, maar genoeg om ze het zwijgen op te leggen zodra ze zich vertoonden.’ Havig grinnikte. ‘Ik was zelf nogal verbaasd toen ik erachter kwam wie dat zouden zijn. Reuel Orrick, die ouwe kermisklant … Boris, de monnik die naar Jeruzalem ging. ..’ Hij zweeg even om een slokje van mijn Scotch te nemen.

‘Nee,’ besloot hij, ‘we wilden niet dat er bandieten vrij rondliepen die ongestraft wandaden konden bedrijven doordat zij in de tijd de wijk kunnen nemen. En ik hoop dat dat ons gelukt is. Maar hoe kan bijvoorbeeld een condottiere, helemaal alleen en zonder een cent, hoe kan die zich nu redden in het moderne Amerika of Europa? Nee, hij doet er het beste aan zich bij een Indianenstam aan te sluiten. Daar kan hij zich verdienstelijk maken als medicijnman. Dat is natuurlijk maar een voorbeeld, maar ik hoop dat het een- algemene indruk geeft.’

‘Wat de toekomst betreft,’ zei Leonce, ‘die is in onze handen. Wij hebben Fase Twee voltooid. We hebben van onze campagne veel geleerd. Niemand zal ons eruit gooien.’

‘In de militaire betekenis van het woord,’ gooide haar echtgenoot er vlug tussen. ‘Het gaat niet van de ene op de andere dag, maar we willen de onderdanen van het Arendsnest van horigen tot vrije boeren maken. Fase Twee zal geen onderdanen hebben, maar leden van een gemeenschap. Het spreekt vanzelf dat onze agenten zich niet misdragen. Ze bezoeken het verleden alleen om onderzoek te verrichten en rekruten te werven. Als ze geld nodig hebben, verdienen ze dat met eerlijke handel.’

Leonce streelde hem over zijn wang. ‘Jack stamt uit een sentimenteel tijdperk,’ zei ze zacht.

Ik fronste mijn wenkbrauwen. ‘Wacht eens even. Je had een netelig probleem nadat je het Arendsnest veroverd had. De gevangenen. Hoe zit het daarmee?’

Havigs gezicht betrok bij de pijnlijke herinnering. ‘Daar was geen goede oplossing voor,’ zei hij toonloos. ‘We konden ze niet vrijlaten. En we konden ze niet neerschieten. Ik bedoel dat letterlijk: we konden het niet. Onze hele strijdmacht bestond uit mensen met een geweten, die geleerd hadden menselijk te zijn, ook al waren ze daarmee niet grootgebracht. En we wilden ze ook niet levenslang in een geheime kerker aan ketenen leggen.’

Leonce grijnsde. ‘Dat is erger dan doodschieten,’ zei ze.

‘Wel,’ zei Havig moeizaam, ‘ik heb je al verteld van de psychofarmaca uit de late Maurai-periode. Kun je je dat herinneren? Mijn vriend Carelo Keajimu zal er bevreesd voor zijn, omdat ze zo’n macht geven. Als je iemand ermee inspuit, zal hij alles geloven wat je hem beveelt. Onvoorwaardelijk. Niet op een fanatieke manier, maar heel natuurlijk. Zijn eigen brein verschaft de rationaliseringen en valse herinneringen die tegenstrijdigheden verklaren. Begrijp je wat dat is? De perfecte hersenspoeling! Zo volmaakt dat het slachtoffer niet het geringste besef heeft dat het ooit anders geweest is.’ Ik floot. ‘Goeie God! Bedoel je dat je die boeven en slagers en masse bekeerd hebt?’

Havig huiverde. ‘Nee, al was het alleen maar omdat ik zo’n stel zombies nooit had kunnen verdragen. We zouden hun hele verleden hebben moeten uitwissen en … dat lukte toch niet. Keajimu had ervoor gezorgd dat een paar van onze pienterste jongens een opleiding in de psycho-technologie konden volgen, maar die hadden hun handen toch al vol.’

Hij haalde diep adem, alsof hij moed moest verzamelen en vervolgde: ‘We vernietigden hun geloof in tijdreizen. We brachten ze terug naar hun eigen tijd en omgeving en behandelden ze daar. Er werd hun verteld dat ze koorts gehad hadden, of dat ze door de duivel bezeten geweest waren, of iets anders dat van pas kwam: ze hadden zich onmogelijke dingen in hun hoofd gehaald en moesten daar nooit meer aan denken en nooit over spreken; ze waren nu genezen en konden weer terugkeren in het gewone leven. Daarna lieten onze mensen ze vrij en kwamen terug om nieuwe gevangenen op te halen.’

Peinzend zei ik: ‘Ik moet toegeven dat ik het idee een beetje weerzinwekkend vind. Maar zelf heb ik in mijn praktijk ook vaak dingen moeten doen, leugens moeten vertellen om …’

‘Er waren twee uitzonderingen, dok,’ deelde Leonce mee.

‘Kom mee,’ zei de brein-omvormer. Hij had een aardige stem. Versuft van de drugs hield Caleb Wallis zijn hand vast toen hij wegliep. Havig bleef achter en werkte samen met zijn luitenants vaak vierentwintig uur achter elkaar om het Arendsnest naar zijn eigen inzichten te veranderen. Maar de tijd verstreek; op het laatst kon hij er niet meer onderuit toen de psychotechnicus hem vertelde dat hij de bewaakte toren kon betreden.

Het schrikbarendst was misschien dat de Sachem er zo goed uitzag, zo monter als hij daar zat achter zijn bureau in de werkkamer waaruit alle beschadigingen en bloedsporen waren weggewist. ‘Kijk eens aan. Goeie middag, mijn jongen, goeie middag. Ga zitten. Nee, schenk eerst eens in. Je weet wat ik hebben wil.’

Havig gehoorzaamde. De kleine oogjes namen hem scherp op. ‘Dat is nog een verduiveld lastige en langdurige expeditie voor je geworden, niet?’ zei Wallis. ‘Je bent ouder geworden. Ik ben blij dat het je gelukt is. Ik heb je rapport nog niet helemaal gelezen, maar dat zal ik zeker doen. Laten we nu eens even bijpraten.’ Hij hief zijn glas op. ‘Op ons beider gezondheid.’

Havig nam met moeite een slokje en liet zich in een stoel zakken.

‘Je hebt ongetwijfeld al gehoord dat mijn gezondheid de laatste tijd te wensen overliet. Ben een hele tijd in de lappenmand geweest. Hersenvliesontsteking. Een of andere verdomde bacil uit het verleden of de toekomst. De pillendraaiers zeggen dat bacillen, net als dieren, evolueren. Daarom heb ik besloten om paal en perk te stellen aan onze exploraties en ons meer te concentreren op het uitbreiden van onze macht in normale tijd. Wat denk je ervan?’

‘Ik geloof dat dat verstandig zou zijn,’ fluisterde Havig. ‘Er is nog een andere reden om het wat kalmer aan te gaan doen; we hebben veel van onze beste mensen verloren terwijl jij weg was. Austin Caldwell, heb je het al gehoord? En Waclaw Krasicki … He, je ziet lijkbleek. Wat is er? Voel je je wel goed?’

‘Ja, meneer … Nog steeds moe. Ik heb een aantal jaren in het verleden doorgebracht en . ..’

… en het was Leonce geweest die de geketende Krasicki gevonden had. Ze zei ‘Xenia’ en schoot hem door, zijn hoofd. Havig kon geen spijt voelen, tot hij in zijn dromen door Xenia bezocht werd, die huilde omdat hij niet wist te vergeven.

‘Het gaat wel over, meneer.’ .

‘Goed zo. We hebben kerels zoals jij nodig. Wallis wreef zich over zijn voorhoofd. Er klonk verwondering in zijn stem: ‘Er zijn zoveel mensen hier. Ik mis zoveel oude vertrouwde gezichten, iemand die Juan heette en Hans … ik kan ze niet meer thuisbrengen. Heb ik dat misschien gedroomd toen ik ziek lag?’ Hij huiverde alsof de winterkou in de tropische warmte om hem heen was binnengedrongen. ‘De laatste tijd voel ik me vaak zo alleen, alleen in ruimte en tijd …’ Havig probeerde een opgewekte toon aan te slaan: ‘U moet eens een flinke lange vakantie nemen, meneer.’

‘Ja, je hebt gelijk, dat zou me goed doen.’ Wallis nam een fikse slok uit zijn beker en probeerde onhandig een sigaar te pakken.

‘Wanneer u terugkomt, moet u het wat kalmer aandoen. De fundering is klaar en alles gaat van een leien dakje.’

‘Ik weet het.’ Wallis liet zijn lucifer vallen.

‘We hebben uw dagelijkse onderricht niet meer nodig, meneer, we hebben meer behoefte aan uw brede overzicht, uw elementaire richtlijnen — uw genie.’

Onder de grijze snor verscheen een onnozel, zelfingenomen lachje. Dit keer slaagde hij erin zijn sigaar aan te steken.

‘Ik heb er met verscheidene officieren over gepraat en er lang over nagedacht,’ vervolgde Havig. ‘Zij hebben de zaak met u besproken, zeiden ze. Meneer, laat ik mijn woorden aan de hunne toevoegen. Wij geloven dat het beste zou zijn dat er een schema werd opgesteld voor uw tocht door de toekomst. Daar vallen natuurlijk ook die periodes onder die uw vroegere ik bezocht heeft om aan te tonen hoe goed alles verloopt. Overigens vinden we dat u — eh — zo weinig mogelijk tijd van uw levensduur moet doorbrengen in opeenvolgende tijd. U bent te kostbaar voor ons grootse project.’

‘Juist. Ik had daar zelf praktisch ook al toe besloten,’ zei Wallis knikkend. ‘Eerst, zoals je al zei, een flinke vakantie om mijn gedachten wat tot rust te laten komen en dat duffe gevoel kwijt te raken. En dan … een reis door de komende eeuwen om toezicht te houden en orders te geven … totdat aan het einde mijn werk gedaan is. Ja.’

‘God,’ riep ik uit, ‘als er ooit wraak …’

‘Dit was geen wraak,’ zei Havig strak.

‘Maar wat ging er door je heen als je hem ontmoette?’

‘Ik heb hem zoveel mogelijk gemeden. Als het niet te vermijden was, was het altijd ter gelegenheid van een festiviteit en dan kon het niemand wat schelen dat ik dronken was. Mensen die geregeld met hem te maken hebben, vertellen me dat het went om de arme verschijning rond te leiden door zijn Potemkin-dorpen of om hem tijdafwaarts mee te nemen naar een of ander lustoord voor een orgie die zijn levensduur bekort. Ze geven zich veel moeite om een goede show op te voeren. Dat vergemakkelijkt de gedachte aan het einde.’

‘Wat? Ik dacht dat hij op zijn oude dag zou verdwijnen.’ Havig balde zijn vuist op de stoelleuning. ‘Dat is zo. Hij zal gillen in de nacht en zijn kamer zal leeg zijn. Hij moet zich ver in de tijd geprojecteerd hebben, want in verleden en toekomst is hij niet meer te vinden.’

Havig gooide zijn drank naar binnen. Ik zag dat hij meer nodig had en schonk weer in.

Leonce streelde hem. ‘Trek het je niet aan, liefje,’ zei ze zacht. ‘Dat is hij niet waard.’

‘Ik begrijp niet…’ stamelde ik.

Leonce draaide zich naar mij om. Ze glimlachte teder voor haar kwetsbare man. Wat ze zei, was voor haar een onbelangrijke opmerking. ‘Ze zeggen dat dat middel zijn uitwerking verliest als je op sterven ligt. Dan herinner je je weer wat er in werkelijkheid gebeurd is.


16

<p>16</p>

De 31ste oktober 1971 viel op een zondag. Het was een koele, winderige dag en toen ik terugkeerde van een wandeling door Morgan Woods, merkte ik de auto die onder mijn kastanjeboom geparkeerd stond niet op voor ik er vlakbij was. Jack en Leonce Havig sprongen eruit om me te begroeten. We omhelsden elkaar in een kring en ik wauwelde: ‘Welkom, welkom, waarom hebben jullie geen bericht gestuurd, dan had ik jullie niet laten wachten. ‘Dat geeft niets, dok,’ antwoordde hij. ‘We hebben van het uitzicht zitten genieten.’

Ik deed een stap terug en bekeek hem eens goed. Hij was magerder geworden en er liepen diepe lijnen naast zijn mond en tussen zijn ogen. Zijn blonde haar werd grijs. Midden veertig, schatte ik. Hij was ongeveer tien jaar ouder geworden en ik slechts enkele weken sinds de vorige keer dat ze op bezoek waren. Ik keerde me naar zijn vrouw. Kaarsrecht, lenig, een voller figuur dan de vorige keer, maar het stond haar goed. Bij haar hadden de jaren minder sporen achtergelaten, maar zij was dan ook jonger. Toch zag ik kraaienpootjes en zilverdraden in die rode manen.

‘Is het achter de rug?’ vroeg ik. ‘Is het Arendsnest verslagen?’

‘Ja,’ jubelde Leonce. Havig knikte alleen maar. Hij had iets grimmigs over zich gekregen. Hij hield zijn arm echter om haar middel en ik nam aan dat zij niet gelukkig kon zijn als hij dat ook niet was. ‘Geweldig,’ riep ik. ‘Kom binnen.’

‘Om thee te drinken?’ lachte ze.

‘Hemeltje, nee natuurlijk. Zelf was ik dat wel van plan, maar nu jullie er zijn drinken we Aalborg aquavit en Carlsberg bier gevolgd door een Glenlivet. Ik zal Swanson bellen en ze wat lekkere dingen laten bezorgen. Hoe lang kunnen jullie blijven?

‘Niet erg lang, vrees ik,’ zei Havig. ‘Hoogstens twee dagen. We hebben in de tijd die ons rest nog erg veel te doen.’

Hun verhaal nam uren in beslag. De ondergaande zon vlamde reeds goud en oranje in de groenachtige avondhemel, voor ik in grote trekken wist wat er gebeurd was. Ik vond dat we een vuur in de open haard konden gebruiken en maakte aanstalten om er een aan te leggen, maar Leonce zei: ‘Laat mij maar.’ Ze had het nog niet verleerd en het was een genoegen haar gade te slaan. Het was ook een genoegen te zien hoe zijn blikken haar volgden.

‘Jammer dat je de oprichting van het Arendsnest niet kan voorkomen,’ zei ik.

‘Dat kunnen we niet, en daarmee af,’ antwoordde hij.

‘Ik weet ook niet of dat wel zo erg is. Zou iemand als ik de … vastberadenheid gehad hebben? In het begin ging het me er alleen maar om mijn makkers te ontmoeten. Waarom zou ik ze voor een speciaal doel georganiseerd hebben als niet … Zijn stem stierf weg.

‘Xenia,’ mompelde ik.

Leonce keek naar ons om. ‘Zelfs Xenia gaf niet de doorslag,’ zei ze zacht. ‘De Kruisvaarders zouden haar niet gespaard hebben. Nu heeft ze nog negen jaar geleefd, waarvan vijf met Jack. O, ze heeft minder geluk gekend dan ik, maar dat was haar toch gegund.’ Ik vond dat Leonce uiterlijk minder veranderd was dan haar man, en innerlijk meer dan ik vermoed had. ‘Wel,’ zei ik in een poging de sombere stemming te doorbreken, ‘ik had nooit verwacht een koning en een koningin te gast te hebben.’

‘Wat?’ Havig knipperde met zijn ogen van verbazing. ‘Nou je bent daar toch de baas, niet?’

‘Nee, een tijd lang wel omdat iemand het doen moest. Maar we werkten samen met de verstandigste mensen die we konden vinden — ook met niet-tijdreizigers — om hier zo snel mogelijk een eind aan te maken en van de militaire gemeenschap een republiek te maken … en later een soort gilde.’

Het vuur in de haard glansde in de ogen van Leonce toen ze naar mij opkeek en zei: ‘We moeten je iets vertellen, een droom.’

Havig zocht naar woorden. ‘Dok,’ zei hij na een tijdje, ‘dit is de laatste keer dat je ons ziet.’

Leonce vloog op me af, omarmde me en kuste me op mijn wang… ‘Niet omdat je gauw doodgaat, Dok.’

‘Ik wil niet …’

‘Nee, je zei dat je de datum op je grafsteen niet wilde weten en die vertellen we je ook niet. Maar verdomme, je hebt nog een aardig tijdje voor de boeg,’ zei Leonce met haar barbaarse openhartigheid. ‘Wat we je wilden vertellen,’ zei Havig onhandig, ‘is dat wij, Leonce en ik, de aarde gaan verlaten. Ik betwijfel of we nog terugkomen.’

‘Wat voor nut heeft tijdreizen ooit gehad?’ vroeg hij toen we eindelijk ter zake konden komen.

‘Nou eh … geschiedenis, archeologie …’

‘Kennis is een esthetische ervaring, maar als het daarmee ophoudt, zijn we dan niet ronduit egoistisch? Vind je niet dat kennis gebruikt moet worden?’

‘Dat hangt van het doel af, Jack.’

Leonce, die weer naast hem zat, zei: ‘Ons doel zijn de sterren. Daarvoor komt tijdreizen van pas.’

Havig glimlachte. ‘Waarom denk je dat we Fase Twee gebouwd hebben? Wij noemen het Polaris. Je weet dat we de wereld niet willen overheersen. Nee, Polaris dient voor onderzoek en ontwikkeling. Daar zullen de eerste ruimteschepen gebouwd worden.’

‘En ze komen er,’ zei Leonce enthousiast. ‘We hebben ze gezien.’ Havig zei hartstochtelijk: ‘Ik ben nog niet op de hoogte met de technische en wetenschappelijke bijzonderheden. Dat is een van de redenen waarom we weer naar de toekomst moeten. De natuurkundigen praten over de wiskundige gelijkwaardigheid van tijdafwaarts reizen en sneller dan het licht vliegen. Ze hopen een theorie te ontwikkelen die praktisch toegepast kan worden. Tijdens het bestaan van Polaris zullen ze daar nog niet in slagen. Maar dat geeft niet. Met mensen zoals wij als bemanning, kan een ruimteschip langzamer vliegen dan het licht. Kun je me volgen?

De reis kan eeuwen duren, maar als wij ons tijdens de tocht door de ruimte tijdopwaarts begeven, zijn dat uren of minuten. Onze kinderen zullen dat niet kunnen. Maar die zullen er al zijn. Wij zullen de poorten van het heelal voor de mensheid openen.’

Ik staarde langs hem heen naar het venster. Door het licht van de vlammen waren de sterren niet zichtbaar. ‘Ik begrijp het,’ zei ik zachtjes. ‘Het is een geweldig visioen.’

‘En nodig ook,’ zei Havig. ‘Zonder ons zou het nooit geprobeerd zijn. Op het hoogtepunt van hun macht hadden de Maurai de middelen om de verkenning van de ruimte nieuw leven in te blazen. Maar ze deden het niet. Dat zij het ongelimiteerde gebruik van energie verboden, was aanvankelijk een goede zaak omdat het voortbestaan van de aarde bedreigd werd. Later werd het een obsessie. De beschaving die hen opvolgde, zou evenmin de ruimte verkend hebben.’

‘Wij wel,’ zei Leonce triomfantelijk. ‘De Sterrenmeesters zijn onze mensen.’

‘Jullie tweeen zijn dus van plan als een van de eersten de ruimte te gaan verkennen?’ vroeg ik nogal overbodig. ‘Dat recht hebben we wel verdiend,’ zei ze. ‘Eh, vergeef me, het gaat me niet aan, maar als jullie kinderen jullie gave niet kunnen erven …’

Ze kreeg iets weemoedigs over zich. ‘Misschien vinden we een nieuwe aarde waar we ze groot kunnen brengen. We zijn nog niet te oud.’ Ze staarde naar het scherp gesneden gezicht van haar man. ‘Of misschien zwerven we door het heelal tot we sterven. Dat zou genoeg zijn.’

Er viel een stilte. De klok op de schoorsteenmantel tikte luidruchtig en buiten raasde de wind.

Het is nu een jaar geleden dat Jack Havig en Leonce van Wahorn mij vaarwel gezegd hebben. Ik denk dikwijls aan ze. Meestal worden mijn dagen in beslag genomen door de dingen van alledag. Toch heb ik vaak een uurtje over om aan ze te denken.

Ieder moment kunnen zij ergens op onze planeet zijn, wanhopig of zegevierend in die sage die mij al bekend is. Maar we zullen elkaar niet’ meer ontmoeten. Het einde van hun leven ligt onzegbaar veel verder in de toekomst dan het mijne. Dat geldt ook voor het menselijk ras. En voor de Aarde en de Kosmos.

Ik had … ik had nog veel gewild: dat ze een gedeelte van de nu voorbije zomer bij mij hadden doorgebracht. We hadden kunnen gaan zeilen. Maar natuurlijk wilden zij op bezoek bij zijn moeder Eleanor om haar te vertellen … ja, wat? Mij heeft ze niets verteld. Ik had gewild dat zij of ik eraan gedacht hadden het vraagstuk te bespreken dat mij de laatste tijd maar niet los wil laten. Hoe is het ras van de tijdreizigers ontstaan? Wij drieen dachten dat we het ‘waarom’ wisten. Maar we vroegen ons niet af wie, of wat, de noodzaak had aangevoeld en gereageerd had.

Een zinloze en toevallige mutatie? Dan is het wel merkwaardig dat er in de toekomst na het Arendsnest geen tijdreizigers zijn geboren. In feite is dat maar goed ook. Hun aanwezigheid en voorkennis is nutteloos zodra de mens de vrijheid heeft hervonden om eeuwig te zwerven op ontdekkingsreizen. Maar wie bepaalde dat? Wie maakte dat mogelijk?

Ik heb het een en ander gelezen over recent onderzoek op het gebied van de experimentele genetica. Men kan een virus kennelijk genen van de ene gastheer naar de andere gastheer laten overbrengen; en de gastheren hoeven niet van dezelfde soort te zijn. Het is heel goed mogelijk dat wij in onze cellen een erfenis meedragen van dieren die nooit tot onze voorouders behoord hebben, en dat wij die erfenis aan onze kinderen doorgeven.

Maar zou er een virus gekweekt kunnen zijn dat iets heel vreemds met zich meedroeg? En zou het kunnen zijn uitgezaaid in een daarvoor uitgekozen periode in het verleden door tijdreizigers uit een onvoorstelbaar verre toekomst?

’s Avonds loop ik vaak het dorp uit. Het is herfst. Ik kijk omhoog naar de sterren en vraag me veel dingen af.