Poul Anderson

Delenda est


1

<p>1</p>

Het is goed jagen in het Europa van twintigduizend jaar geleden en er is geen tijdperk waarin je beter aan wintersport kan doen. Daarom ook houdt de Tijdpatrouille die haar zorgvuldig opgeleide personeel altijd met de meeste zorgen omringt, een jachthuis in de Pyreneeën, in het tijdperk van het Pleistoceen, in stand.

Manse Everard stond op een met glas overdekte veranda en tuurde naar de ijlblauwe verten, waar de noordelijke uitlopers van het gebergte afdaalden naar de bossen, moerassen en toendra’s. Zijn geweldige gestalte was gehuld in een gemakkelijk zittende, groene pantalon en een tuniek, gemaakt uit het drieëntwintigste-eeuwse insulsynth. Zijn schoenen waren met de hand gemaakt door een negentiende-eeuwse Frans-Canadees. Hij rookte uit een vieze, oude, bruyère-pijp van onbestemde herkomst. Hij maakte een ietwat rusteloze indruk en hij schonk geen enkele aandacht aan het lawaai dat uit het gebouw, waarin een aantal agenten zat te drinken, te praten en op de piano te spelen, tot hem doordrong. In de besneeuwde tuin liep een Cro-Magnon-gids voorbij. Hij was een lange, knappe kerel die er in zijn kleding bijna als een Eskimo uitzag. (Hoe kwam het toch, dat men er in die romantische verhalen nooit aan gedacht had, de mens uit het Paleoliticum genoeg gezond verstand toe te schrijven, om tijdens een ijstijd een jekker, een broek en schoeisel te dragen?) Zijn gezicht was beschilderd en aan zijn gordel droeg hij een van de stalen messen waarmee hij werd betaald. Zo ver in het verleden had de Patrouille veel vrijheid van handelen; men hoefde niet bang te zijn de toekomst te veranderen, want over enkele eeuwen zou het metaal weggeroest en de vreemdelingen vergeten zijn. Het enige vervelende was dat de vrouwelijke agenten uit de meer ruimdenkende perioden in de toekomst, voortdurend verhoudingen hadden met de plaatselijke jagers.

Piet van Sarawak (een Venusiaan van Nederlands-Indonesische origine, afkomstig uit de eerste helft van de vierentwintigste eeuw) een slanke jongeman met een donkere huidskleur die zowel door zijn uiterlijk als zijn lichamelijke bedrevenheid, met de inlandse gidsen kon wedijveren, voegde zich bij Everard. Zij bleven enkele ogenblikken zwijgend staan. Hij was eveneens in bijzondere dienst en moest altijd gereedstaan om in ieder willekeurig tijdvak hulp te verlenen. Hij had al eens eerder met de Amerikaan samengewerkt. Zij waren samen op vakantie gegaan.

Hij sprak in het Universee ‘Ik heb gehoord dat er in de buurt van Toulouse een paar Mammoeten gesignaleerd zijn.’

De stad zou voorlopig nog niet gebouwd worden maar de gewoonte hem als plaatsaanduiding te gebruiken, was sterk ingeworteld.

‘Ik heb er al eens een geschoten,’ zei Everard ongeduldig. ‘Ik heb ook al geskied, een paar bergen beklommen en de inboorlingen zien dansen.’

Van Sarawak knikte, haalde een sigaret te voorschijn en trok eraan, tot hij uit zichzelf ontbrandde. De beenderen van zijn magere, gebruinde gelaat tekenden zich scherp af terwijl hij de rook naar binnen zoog. ‘Dit is een aardige plaats om je verlof door te brengen,’ gaf hij toe, ‘maar na een tijdje begint het uitgaansleven wel iets van zijn glans te verliezen.’ Er restten hun nog twee verlofweken. In theorie kon een agent in ongelimiteerde hoeveelheden verlof opnemen, daar hij later altijd weer kon teruggaan naar het moment dat hij was vertrokken. Maar in werkelijkheid werd er van hem verwacht dat hij een zeker gedeelte van zijn leven aan zijn werk zou besteden. (Er werd je nooit verteld, wanneer je zou sterven en je was verstandig genoeg om niet te proberen daar achter te komen. Bovendien had je dan nog geen zekerheid, daar de loop der gebeurtenissen gewijzigd kon worden. Eén van de voordelen van het agentschap was, dat de Danellianen je een behandeling konden geven waarbij je leven verlengd werd.)

‘Waar ik zin in zou hebben,’ vervolgde Van Sarawak, ‘is een plaats met schitterend licht, veel muziek en meisjes die nog nooit van tijdreizen hebben gehoord.’

‘Akkoord!’ zei Everard.

‘Rome uit de tijd van Augustus?’ vroeg de ander geestdriftig. ‘Daar ben ik nog nooit geweest. Ik zou hier gemakkelijk hypnotisch onderricht in de taal en de gewoonten kunnen krijgen.’

Everard schudde het hoofd. ‘Je moet het niet overschatten. Als we naar de toekomst willen, kunnen we de meest fantastische decadentie juist in mijn eigen tijdperk vinden. New York bijvoorbeeld… Als je tenminste zoals ik de juiste telefoonnummers weet.’

Van Sarawak grinnikte. ‘Ik weet nog een paar fijne plaatsen in mijn eigen tijd,’ antwoordde hij, ‘maar in het algemeen is er in een gemeenschap van pioniers weinig ruimte voor de meer verfijnde zijden van het amusementsbedrijf. Goed, we gaan naar New York in… welke tijd?’

‘Laten we zeggen, 1960. Toen ben ik er voor het laatst als gewoon burger geweest voor ik bij de Patrouille kwam.’ Ze grinnikten en vertrokken om te gaan pakken. Everard had een vooruitziende blik gehad en enkele twintigste-eeuwse kledingstukken meegebracht, waarvan hij dacht, dat die zijn vriend wel zouden passen.

Terwijl hij zijn kleding en zijn scheerapparaat in een koffertje gooide, vroeg de Amerikaan zich af of hij in staat zou zijn gelijke tred te houden met Van Sarawak. Hij was nooit zo’n geweldig fuifnummer geweest, en zou trouwens niet geweten hebben, waar hij zich ergens in de tijdruimte te buiten zou kunnen gaan aan wilde feesten. Een goed boek, een stierengevecht en een krat bier, dat waren de dingen die het meest overeenkwamen met zijn idee van ontspanning. Maar zelfs de meest bezadigde man moet zo nu en dan eens uit de band springen.

En dat zou hij te meer moeten omdat hij een Patrouilleagent in bijzondere dienst was, zijn baantje bij Engineering Studies niet meer was dan een dekmantel voor zijn zwerftochten en zijn avonturen in de historie en omdat hij had ontdekt hoe de geschiedenis op minder belangrijke punten herschreven wordt — niet door God, dat zou nog te dragen geweest zijn, maar door sterfelijke en feilbare mensen — want zelfs de Danellianen stonden niet op gelijke hoogte met God. Ook omdat hij voortdurend in spanning werd gehouden door het denkbeeld van een ingrijpende verandering die tot gevolg zou hebben dat hij en zijn gehele wereld nooit zouden hebben bestaan… Op Everards doorgroefde, alledaagse gezicht verscheen een grimas. Hij streek met zijn hand door het stugge, bruine haar alsof hij de gedachte eraan van zich af wilde vegen. Het had geen zin daarover te piekeren. Taal en logica waren nutteloos als er paradoxen in het spel waren. Op zulke momenten kon je je maar het beste zoveel mogelijk trachten te ontspannen. Hij pakte zijn koffer om zich bij Piet Van Sarawak te voegen. Hun kleine tweepersoons anti-zwaartekracht-voertuig stond in de garage gereed in de blokken. Zo op het eerste gezicht zou je nauwelijks willen geloven dat de instrumenten afgestemd konden worden op iedere willekeurige plaats en ieder willekeurig moment. Maar een vliegtuig is ook iets wonderbaarlijks net als een schip of vuur.

‘Auprès de ma blonde Qu’il fait bon, fait bon, fait bon, Auprès de ma blonde Qu’il fait bon dormir!’

Van Sarawak was luidkeels aan het zingen, waarbij zijn adem in de vrieskou in dampwolkjes uit zijn mond kwam. Hij sprong op de achterste zitplaats. Hij had het liedje geleerd toen hij dienst deed in het leger van Lodewijk de veertiende. Everard lachte. ‘Rustig aan, jongen!’

‘Kom, kom,’ lachte de jongere man. ‘We leven toch in een prachtig heelal, in een blijde en schitterende kosmos. Schiet op, klim op de machine.’

Everard was niet overtuigd. In iedere eeuw had hij een overvloed van menselijke ellende gezien. Na een tijdje was hij wel gehard, maar diep in zijn hart leed hij als een boer hem aankeek met ogen, ziek van alle ellende, of als een soldaat gilde omdat er een spies in zijn lichaam stak of als er een stad in vlammen opging door een kernexplosie. Hij kon de fanatiekelingen die getracht hadden de loop der gebeurtenissen te veranderen, begrijpen. Maar er bestond weinig kans dat hun werk ook maar enige verbetering zou brengen… Hij stelde de instrumenten af op het pakhuis van Engineering Studies. Dat was een plaats waar je altijd in het geheim kon opduiken. Daarna zouden zij naar zijn kamer gaan waarna de pret kon beginnen.

‘Ik neem aan dat je van al je vriendinnetjes hier, afscheid hebt genomen,’ merkte Everard op.

‘O ja, en bijzonder hoffelijk, dat verzeker ik je. Kom aan. Je bent net zo traag als stroop op Pluto. Ik kan je verzekeren dat dit ding niet naar huis geroeid hoeft te worden.’ Everard haalde zijn schouders op en startte. De garage verdween uit het gezicht.


2

<p>2</p>

Eén ogenblik bleven zij, verstijfd van schrik, zitten. Bij stukken en beetjes namen zij de omgeving in zich op. Ze waren enkele centimeters boven de grond te voorschijn gekomen — de scooter was erop gebouwd, nooit binnen een massief lichaam te materialiseren — en daar ze dat niet verwacht hadden, waren ze met een hevige smak op de grond terecht gekomen. Ze bevonden zich op een soort plein. Dichtbij hen spoot een fontein waarvan het stenen bassin versierd was met ineengestrengelde ranken. Verschillende straten kwamen op het plein uit. Er stonden bijna vierkante gebouwen omheen van zes tot tien verdiepingen hoog, uit baksteen of beton opgetrokken en nogal bont beschilderd en overdadig geornamenteerd. Er reden grote, plompe auto’s van een onbekend merk en er waren veel mensen. ‘Goeie hemel!’ Everard wierp een snelle blik op de wijzerplaten. Het voertuig had hen naar een lager gelegen gedeelte van Manhattan gebracht op 23 oktober 1960 om half twaalf in de morgen en op de plaats die de coördinaten van het pakhuis bezat. Maar hier bulderde de wind die hun stof en roet in het gezicht wierp en de stank van schoorstenen met zich meevoerde, en…

Van Sarawak had plotseling zijn sonisch pistool in de hand. De menigte vluchtte in een opeengedrongen massa van hen weg, terwijl ze allerlei kreten slaakten in een taaltje waar ze niets van begrepen. Het was een allegaartje van mensentypen: lange, blanke figuren met ronde schedels en overwegend rood haar, een stelletje indianen, en halfbloeds van iedere mogelijke combinatie. De mannen droegen wijde, kleurige hemden, Schotse kilts, een soort Schots hoofddeksel, schoenen, en kousen tot op kniehoogte. Ze droegen het haar lang en de meesten gaven kennelijk de voorkeur aan een hangsnor. De vrouwen droegen wijde rokken tot op de enkels, terwijl zij onder de kappen van hun mantels, opgerolde vlechten vertoonden. Zowel de mannen als de vrouwen droegen massieve armbanden en halskettingen. ‘Wat is er gebeurd,’ fluisterde de Venusiaan. ‘Waar zijn we?’

Everard was tot het uiterste gespannen. Zijn verstand werkte op volle toeren terwijl hij zich alle tijdperken te binnen riep waarover hij ooit iets had geweten of gelezen. Een industrieel tijdperk — deze dingen leken op stoommachines maar waar kwamen die scherpe voor- en achterkanten vandaan? Waren het misschien van die met kolen gestookte machines zoals die in het post-nucleaire tijdperk gereconstrueerd waren? Nee, in die tijd werden er geen kilts gedragen en sprak men Engels…

Het klopte niet. Er was nog nooit van een dergelijk tijdperk melding gemaakt. ‘We gaan er vandoor!’

Zijn handen bevonden zich al op het bedieningspaneel toen de grote man boven op hem sprong. In een menigte van slaande vuisten en schoppende voeten rolden ze over het plaveisel. Van Sarawak vuurde op iemand die bewusteloos ineen-zonk. Toen werd hij in de rug vastgegrepen. De menigte rolde over hen heen en alles werd hen vaag voor de ogen. Everard kreeg een verwarde indruk van mannen, gekleed in koperen borstschilden en helmen, die zich met hun stokken een weg door de menigte baanden. Hij werd versuft opgevist en overeind gehouden terwijl men hem de handboeien aanlegde. Toen werden Van Sarawak en hij gefouilleerd en naar een groot, afgesloten voertuig gesleept. Een overvalwagen heeft in ieder tijdperk dezelfde vorm. Pas toen ze zich in een vochtige, kille cel bevonden waarvan de deur met een ijzeren staaf werd vergrendeld, kwam hij weer tot bewustzijn.

‘Verduiveld.’ De Venusiaan liet zich op een houten krib neervallen en verborg het gezicht in zijn handen. Everard stond bij de deur en keek naar buiten. Het enige dat hij kon zien, was de stenen vloer en de cel tegenover hen. Vanachter de tralies keek een gezicht als de kaart van Ierland hem vrolijk aan en werden hem enkele onbegrijpelijke opmerkingen toegeroepen.

‘Wat is er aan de hand?’ Van Sarawaks magere gestalte rilde.

‘Ik weet het niet,’ zei Everard traag. ‘Ik weet het echt niet. Die machine werkt feilloos maar het kan zijn dat wij grotere ezels zijn dan de ontwerpers voor mogelijk hielden.’

‘Een plaats als deze bestaat niet eens,’ zei Van Sarawak wanhopig. ‘Droom ik?’ Hij kneep zichzelf en slaagde erin een treurige glimlach te vertonen. Zijn lip was gescheurd en werd steeds dikker en rond een van zijn ogen werd een prachtige regenboog zichtbaar. ‘Logisch gezien kun je met knijpen niet aantonen dat wat je meemaakt, werkelijkheid is, maar er gaat iets geruststellends van uit.’

‘Ik wilde maar dat het niet zo was,’ zei Everard. Hij greep de tralies zo wild vast dat ze rammelden. ‘Is het mogelijk dat er tóch iets fout is gegaan met de besturingsapparaten? Bestaat er ergens op aarde — want ik ben er in ieder geval zeker van dat dit de aarde is — een stad, hoe klein ook, die er ooit zó uitzag?’

‘Voorzover mij bekend, niet.’

Everard spande zich in om zijn verstand het overwicht te doen behouden en riep alle vermogens waarover hij dank zij zijn opleiding bij de Patrouille kon beschikken, te hulp. Dat hield onder meer in dat hij zich alles feilloos kon herinneren wat hij maar wilde. Hij had een dermate grondige studie van de geschiedenis gemaakt, ook van de geschiedenis van tijdperken waarin hij nooit geweest was, dat hij er verschillende universitaire graden mee had kunnen verwerven.

‘Nee,’ zei hij ten slotte, ‘er is nooit een tijd geweest, waarin blanken, brachycefale schedels hadden, in kilts liepen, zich met indianen vermengden en tegelijkertijd in auto’s reden, die door stoom werden voortbewogen.’

‘President Stantel V uit de achtendertigste-eeuw,’ zei Van Sarawak zwakjes, ‘deed geweldige experimenten — stichtte kolonies waarin beschavingen uit het verleden gereproduceerd werden…’

‘Geen enkel experiment leek op dit hier,’ zei Everard. Langzaam werd de waarheid hem duidelijk, en om die te veranderen had hij zijn ziel aan de duivel willen verkopen. Hij had al zijn geestkracht nodig om niet te gaan schreeuwen en zijn hoofd tegen de muur te pletter te lopen. ‘We zullen maar afwachten,’ zei hij beheerst. Een agent van politie (Everard nam aan, dat ze zich in handen van de Justitie bevonden) bracht hen een maaltijd en trachtte een gesprek met hen aan te knopen. Van Sarawak dacht dat hij een soort Keltisch sprak maar hij kon er maar enkele woorden van verstaan. Het eten smaakte niet kwaad. Tegen de avond bracht men hen naar een wasruimte, waar zij zich, met de wapens der wetsdienaren op hen gericht, konden wassen. Everard bekeek de wapens nauwlettend: revolvers met acht kogels in het magazijn en geweren met lange lopen. Er was gaslicht. De lichtkronen waren eveneens versierd met motieven van dooreengevlochten bloemranken en slangen. Zowel de vuurwapens en de overige apparaten, alsook de geuren, deden vermoeden dat de technische ontwikkeling te vergelijken was met die van de vroeg negentiende eeuw.

Toen zij weer teruggingen, ontdekte hij op een muur enkele afbeeldingen. Het schrift was kennelijk van Semitische origine maar hoewel Van Sarawak door zijn omgang met leden van de Israëlische kolonies op Venus iets van Hebreeuws afwist, kon hij het niet lezen.

Toen ze weer waren opgesloten, zagen ze hoe de andere gevangenen naar de wasgelegenheid werden weggeleid. Het was een opvallend vrolijke troep landlopers, misdadigers en dronkaards. ‘Het schijnt dat wij een speciale behandeling krijgen,’ merkte Van Sarawak op.

‘Verbaast me nauwelijks,’ zei Everard. ‘Wat zou jij doen met een paar vreemdelingen die volkomen onbekende wapens gebruiken en zomaar uit het niets opduiken?’ Van Sarawak keerde hem een gezicht toe, dat een ongewoon grimmige uitdrukking vertoonde. ‘Denk jij hetzelfde als ik?’ vroeg hij.

‘Hoogstwaarschijnlijk.’

De Venusiaan trok zenuwachtig met zijn lippen en zei met afgrijzen in zijn stem: ‘We zijn in een andere lijn van historische ontwikkeling terecht gekomen. Iemand is er in geslaagd de geschiedenis te veranderen.’ Everard knikte.

Zij maakten een onplezierig nachtje door. Het zou een zegen geweest zijn wanneer ze hadden kunnen slapen maar uit de andere cellen kwam teveel lawaai. Het scheen dat de discipline maar matig was. Bovendien waren er wandluizen. Nadat ze lusteloos hun ontbijt verorberd hadden, mochten Everard en Van Sarawak zich weer gaan wassen en scheren met een soort veiligheids-scheermessen die weinig verschilden van hun eigen messen. Daarna werden ze door een groep van tien bewakers naar een kantoortje gebracht, waar de bewakers zich met de rug tegen de muur, opstelden.

Zij gingen tegenover een bureau zitten, en wachtten. Het meubilair maakte, evenals alles hier, doordat het hun gedeeltelijk vertrouwd en gedeeltelijk vreemd voorkwam, een onplezierige indruk. Het duurde even voor de belangrijke jongens kwamen opdagen. Er waren er twee: een blonde, blozende man die een kuras en een tuniek droeg en die waarschijnlijk commissaris van politie was en een magere knaap met een hard gezicht, kennelijk een halfbloed, met grijs haar en zwarte snor en gekleed in een blauwe tuniek en op zijn hoofd een Schotse baret. Links op zijn borstschild droeg hij een gouden stierekop die een teken van zijn waardigheid scheen te zijn. Hij zou een zekere roofvogelachtige waardigheid hebben bezeten, wanneer die niet weer teniet gedaan werd door de aanblik van de magere, behaarde benen, die onder zijn kilt zichtbaar waren. Hij werd gevolgd door twee jongere mannen die op dezelfde wijze gekleed en gewapend waren. Nadat hij was gaan zitten, namen ze hun plaatsen achter hem in.

Everard boog zich opzij, en fluisterde: Tk durf te wedden dat het een militair is. Ze schijnen ons belangrijk te vinden.’

Van Sarawak knikte lusteloos.

De commissaris die duidelijk van zijn belangrijkheid overtuigd was, schraapte zijn keel en zei iets tegen… de generaal? Deze gaf een ongeduldig antwoord en richtte zich tot de gevangenen. Hij had een blafferige manier van praten waarbij hij de woorden helder uitsprak, wat Everard in de gelegenheid stelde zich een beeld te vormen van de gebruikte fonemen maar verder geen al te geruststellende indruk op hem maakte.

Op de een of andere manier zouden ze een manier moeten vinden om met elkaar te kunnen praten. Everard wees naar zichzelf. ‘Manse Everard,’ zei hij. Van Sarawak volgde zijn voorbeeld en introduceerde zichzelf op dezelfde wijze. De generaal sprong op en begon een verward gesprek met de commissaris. Zich weer omdraaiend, snauwde hij, ‘Yrn Cimberland?’

‘Mij spreken dat Engels niet,’ zei Everard. ‘Ghotland? Svea? Nairon Teutonach?’

‘Die namen — als het namen zijn — klinken Duits, vind je niet?’ mompelde Van Sarawak.

‘Denk er aan dat onze namen ook zo klinken,’ antwoordde Everard gespannen. ‘Misschien denken ze dat wij Germanen zijn.’ Tegen de generaal zei hij: ‘Sprechen Sie Deutsch?’ Hij staarde in een gezicht dat hem niet-begrijpend aankeek. ‘Taler ni svensk? Nederlands? Dönsk tunga? Parlez-vous français? Verdraaid, habla usted español?’ De commissaris schraapte zijn keel weer en wees op zichzelf. ‘Cadwaller Mac Barca,’ zei hij. ‘De generaal heiss Cynyth ap Ceorn.’ Tenminste, zo interpreteerde Everards Angelsaksische geest de klanken die zijn oren opvingen. ‘In ieder geval Keltisch,’ zei hij. In zijn oksels voelde hij transpiratie prikkelen. ‘Maar om helemaal zeker te zijn…’ Hij wees enkele andere mannen aan en werd beloond met namen als Hamilcar ap Angus, Asshur yr Cathlann en Finn O’Carthia. ‘Nee… er zijn ook Semitische invloeden. Dat klopt dan met hun schrift.’

Van Sarawak bevochtigde zijn lippen. ‘Probeer het eens met klassieke talen,’ drong hij met een schorre stem aan. ‘Misschien kunnen we er achter komen vanaf welk punt deze historie zich anders is gaan ontwikkelen.’

‘Loquerisne latine?’ Dat lokte alleen maar een nietszeggende blik uit. ‘Ἑλλευιζεισ?’

Generaal Ap Ceorn schrok, draaide zijn snor op en kneep zijn ogen samen. ‘Hellenach?’ vroeg hij. ‘Yrn Parthia?’

Everard schudde het hoofd. ‘Zij hebben tenminste wel eens van de Grieken gehoord,’ zei hij langzaam. Hij probeerde nog enkele woorden maar niemand kende de taal. Ap Ceorn gromde iets tegen een van zijn mannen die een buiging maakte en naar buiten ging. Het bleef lange tijd stil.

Everard ontdekte dat zijn vrees voor zijn persoonlijk welzijn minder werd. Zeker, hij bevond zich in een gevaarlijke situatie en misschien had hij niet lang meer te leven maar wat er met hemzelf gebeurde was absoluut onbelangrijk vergeleken met wat er met de gehele wereld gebeurd was. Hemelse goden! Met wat er met het heelal gebeurd was! Hij kon het zich niet voorstellen. In gedachten zag hij het land dat hij kende duidelijk voor zich: uitgestrekte laagvlakten, hoge bergen en trotse steden. Hij zag het ernstige gelaat van zijn vader. Toch herinnerde hij zich hoe hij als klein kind opgetild werd naar de hemel terwijl zijn vader, beneden hem, lachte. En zijn moeder… ze hadden het samen goed gehad in het leven, die twee.

Op de universiteit had hij een meisje gekend. Geen enkele man had ooit met een liever meisje in de regen mogen wandelen. Dan was er Bernie Aaronson met wie hij nachten lang samen bier gedronken had, gerookt en gepraat. En Phil Brackney die hem in Frankrijk uit de modder plukte terwijl machinegeweerkogels het doorploegde land geselden. En Charlie en Mary Whitcomb, bij wie hij van een uitgebreide Engelse thee had genoten terwijl een laag kolenvuur-tje een warme gloed verspreidde. Keith en Cynthia Denison in hun chroomstalen arendsnest, hoog boven New York en John Sandoval tussen de scherpe rotsen van Arizona. Hij dacht aan een hond die hij eens had gehad, en aan de sobere verzen van Dante, de weergalmende klanken van Shakespeare, de pracht van de kloosterkerk van York en aan de Golden-Gate-brug. O God, een heel mensenleven en de levens van wie weet hoeveel miljarden zwoegende, lijdende, — lachende menselijke wezens die weer tot stof zouden vergaan om voor hun kinderen plaats te maken… Dat alles had nooit bestaan. Hij schudde het hoofd, verbijsterd van verdriet en niet in staat te begrijpen wat er gebeurd was. De soldaat kwam terug met een landkaart die hij op het bureau uitspreidde. Ap Ceorn maakte een bevelend gebaar en Everard en Van Sarawak bogen zich over de kaart. Ja, het was een Mercator-projectie van de aarde. Zij konden dankzij hun eidetisch geheugen zien dat het een tamelijk onnauwkeurige weergave was. De bekende werelddelen en eilanden waren er in heldere kleuren aangegeven maar de staten zagen er anders uit. ‘Kun jij die namen lezen, Van?’

‘Uitgaande van het Hebreeuwse alfabet, kan ik er wel een beetje naar raden,’ zei de Venusiaan. Hij las de woorden hardop. Ap Ceorn gromde en verbeterde hem. Noord-Amerika vanaf de noordpunt tot Columbia, heette Ynys yr Afallon en vormde kennelijk één land, dat in staten was verdeeld. Zuid-Amerika bestond uit een uitgestrekt rijk: Huy Brasea en enkele kleinere landen met Indiaans klinkende namen. Australië, Indonesië, Borneo, Birma, het oostelijk deel van India en een groot gedeelte van de Stille Zuidzee behoorden bij Hinduraj. Afghanistan en de rest van India vormden de Punjaab. Han omvatte China, Korea, Japan en het oostelijk deel van Siberië. Littorn bestond uit de rest van Rusland en reikte tot ver in Europa. De Britse eilanden waren in het bezit van de Britten. Frankrijk met Nederland en België waren Frankisch en het Iberisch schiereiland was Keltisch. Centraal Europa en de Balkanlanden bestonden uit vele kleinere landen waarvan sommige namen hadden die aan de Hunnen herinnerden. Zwitserland en Oostenrijk vormden samen Helvetië. Italië heette Kimber-land, Scandinavië was overdwars in tweeën gedeeld, met Zweden in het Noorden en Gotland in het Zuiden. Noord Afrika maakte de indruk een statenbond te zijn die Cartha-galann heette en zich uitstrekte van Senegal tot Suez, en dan verder tot bijna aan de equator. Het zuidelijke deel van het werelddeel werd door enkele kleinere rijken ingenomen waarvan de meeste echt Afrikaanse namen droegen. Arabië en Parthië bezaten het nabije Oosten. Van Sarawak keek op en had tranen in de ogen. Ap Ceorn snauwde een vraag en wees gebiedend met zijn vinger. Hij wilde weten waar ze vandaan kwamen. Everard haalde de schouders op en wees omhoog. De waarheid was het enige dat hij niet kon onthullen. Van Sarawak en hij hadden afgesproken te zeggen dat ze van een andere planeet afkomstig waren. Ze konden dat des te beter beweren omdat deze wereld nauwelijks een ruimtevaart ontwikkeld kon hebben.

Ap Ceorn zei iets tegen de commissaris die knikte en antwoord gaf. Daarna werden de gevangenen naar hun cel teruggebracht.


3

<p>3</p>

‘Wat nu?’ Van Sarawak liet zich op zijn brits neervallen en staarde naar de vloer.

‘Gewoon doorgaan,’ zei Everard ernstig. ‘We zullen alle mogelijke moeite doen om onze machine te pakken te krijgen en te ontsnappen. Als we eenmaal vrij zijn, zullen we wel verder zien.’

‘Maar wat is er gebeurd?’

‘Hoor eens, dat weet ik ook niet. Voorlopig lijkt het er nog het meest op dat de Grieks-Romeinse geschiedenis verstoord werd, waarna de Kelten hun rol overnamen, maar ik zou niet weten wat daar de oorzaak van is.’ Everard ijsbeerde door de kamer. Hij voelde hoe een koppig gevoel van vastberadenheid bezit van hem nam.

‘Denk eens terug aan je eerste theorie-lessen,’ zei hij. ‘Gebeurtenissen zijn het gevolg van een complex van factoren. Er bestaat niet zoiets als een afzonderlijke oorzaak. Daarom is het zo moeilijk om de geschiedenis te wijzigen. Als ik naar, laten we zeggen de middeleeuwen terugging, om één van de Nederlandse voorouders van F.D. Roosevelt neer te schieten, zou hij toch tegen het einde van de negentiende eeuw geboren worden want hij is met al zijn erfelijke eigenschappen het produkt van zijn gezamenlijke voorouders en het verlies van een enkele voorouder zou wel gecompenseerd worden. Maar op gezette tijden vindt er een kritieke gebeurtenis plaats. Dan komen er in één geval zoveel ontwikkelingslijnen samen dat de afloop ervan beslissend is voor de gehele verdere toekomst.

‘Op de een of andere manier heeft iemand, om welke reden dan ook, het verloop van een van die gebeurtenissen uit het verleden, beïnvloed.’

‘Vaarwel Hesperus City,’ mompelde Van Sarawak. ‘Nooit zal ik meer langs het kanaal kunnen zitten terwijl de blauwe schemering invalt, nooit meer Afrodite-wijnen drinken, nooit meer — wist jij dat ik een zuster heb die op Venus woont?’

‘Hou je mond!’ Everard schreeuwde bijna. ‘Ik weet het. Naar de bliksem ermee. Het enige wat telt is wat wij eraan kunnen doen.’

‘Kijk,’ ging hij een ogenblik later verder, ‘de Patrouille en de Danellianen zijn verdwenen. (Vraag me niet hoe het komt dat ze niet altijd al verdwenen waren en waarom we pas deze keer bij onze terugkomst uit het verleden met een andere toekomst geconfronteerd worden. Ik begrijp niets van die paradoxen betreffende de veranderlijke geschiedenis. Het gebeurde nu eenmaal en daarmee uit.) Maar hoe dan ook, met de bureaus en ontmoetingspunten van de Patrouille die voor het moment liggen waarop de verandering intrad, is niets gebeurd. We moeten een paar honderd agenten kunnen bijeenroepen.’

‘Als we kans zien, terug te gaan.’

‘We kunnen die kritieke gebeurtenis gaan zoeken en een eind maken aan de invloeden die er, hoe dan ook van buitenaf op worden uitgeoefend. We zullen wel moeten!’

‘Dat lijkt me niet gek. Maar…’

Buiten de deur klonken voetstappen. Er werd een sleutel in het slot omgedraaid. De gevangenen gingen een pas achteruit. Van Sarawak begon plotseling te buigen en te glimlachen en hoffelijk te doen. Zelfs Everard was met stomheid geslagen.

Het meisje dat met drie soldaten in haar gevolg de cel binnenkwam, was adembenemend. Ze had een rijzige gestalte en een weelde van tot op het smalle middel afhangend roodbruin haar. Ze had glanzende, groene ogen en haar gezicht was een combinatie van al het schoons dat men ooit bij Ierse meisjes had aangetroffen. Haar figuurtje dat oorspronkelijk bedoeld moet zijn geweest om de muren van Troje op te luisteren, was gehuld in een lang, nauwsluitend, wit gewaad. Everard ontdekte tevens dat er in deze wereld eveneens schoonheidsmiddelen gebruikt werden hoewel het meisje er nauwelijks behoefte aan had. Hij verspilde geen aandacht aan het goud en het barnsteen van haar sieraden en evenmin aan de geweren achter haar.

Zij glimlachte een beetje verlegen en zei: ‘Kunt u mij verstaan? Men dacht dat u misschien Grieks sprak.’ Haar taalgebruik was eerder klassiek dan modern. Everard die indertijd eens een opdracht vervuld had in de periode van Alexander de Grote kon haar ondanks het accent volgen als hij zich er tenminste volledig op concentreerde — wat trouwens toch onvermijdelijk was.

‘Dat kan ik inderdaad,’ antwoordde hij in zijn haast om antwoord te geven over zijn eigen woorden struikelend. ‘Wat voor taal sta je nu te kletsen?’ vroeg Van Sarawak. ‘Klassiek-Grieks,’ zei Everard.

‘Daar was ik al bang voor,’ klaagde de Venusiaan. Hij wanhoopte niet meer en zijn ogen schitterden. Everard stelde zichzelf en zijn metgezel voor. Het meisje zei dat ze Deirdre Mac Morn heette. ‘O, nee,’ gromde Van Sarawak. ‘Ook dat nog. Manse, leer me Grieks. Vlug.’

‘Hou je mond,’ zei Everard. ‘Dit is een ernstige zaak.’

‘Goed, maar kan ik daar ook niet mijn deel van hebben?’ Everard nam geen notitie meer van hem en nodigde het meisje uit plaats te nemen. Hij ging naast haar op de brits zitten terwijl de andere Patrouille-agent met een ongelukkig gezicht bij hen in de buurt bleef. De bewakers hadden hun wapens vuurklaar.

‘Is het Grieks nog steeds een levende taal?’ vroeg Everard. ‘Het wordt alleen nog maar in Parthië gesproken en dan nog sterk verbasterd,’ zei Deirdre. ‘Ik studeer onder andere klassieke talen. Saorann ap Ceorn is mijn oom en daarom vroeg hij mij eens te proberen of ik u zou kunnen verstaan. In Affalon zijn maar weinig mensen die Attisch spreken.’

‘Nou…’ Everard onderdrukte een bete glimlach… ‘Ik ben uw oom bijzonder dankbaar.’

Een paar ernstige ogen keken hem aan. ‘Waar komt u vandaan? En hoe komt het dat u van alle bekende talen alleen maar Grieks kent?’

‘Ik spreek ook Latijn.’

‘Latijn?’ In gedachten verzonken fronste zij de wenkbrauwen. ‘O, de taal der Romeinen, is het niet? Ik vrees dat u weinig mensen zult ontmoeten die daar nog iets van afweten.’

‘Met Grieks gaat het ook,’ zei Everard vastbesloten. ‘Maar u hebt me nog niet verteld waar u vandaan komt,’ drong ze aan.

Everard haalde de schouders op. ‘We zijn niet zo bijster beleefd behandeld,’ gaf hij voorzichtig te kennen. ‘Het spijt me.’ Het klonk oprecht. ‘Maar ons volk is nu eenmaal licht ontvlambaar. Vooral ook door de huidige internationale toestand. En toen u beiden uit het niets tevoorschijn kwam…’

Everard knikte. De internationale toestand? Dat waren onplezierig bekende klanken. ‘Wat bedoelt u?’ informeerde hij. ‘Dat zult u wel weten. Nu Huy Braseal en Hinduraj op het punt staan een oorlog te beginnen, vragen wij ons allemaal af wat er zal gaan gebeuren… Het is niet zo gemakkelijk om een klein land te zijn.’

‘En klein land? Ik heb de kaart gezien. Afallon leek me anders groot genoeg.’

‘We hebben tweehonderd jaar geleden in de grote oorlog met Littorn al onze krachten uitgeput. Op het ogenblik kunnen onze verbonden staten het maar niet eens worden over de te volgen politiek.’ Deirdre keek hem recht in de ogen. ‘Hoe komt het dat u zo onwetend bent?’ Everard slikte en zei: ‘Wij komen van een andere wereld.’

‘Wat?’

‘Ja, van een planeet (nee, dat betekent ‘zwerver’)… een hemellichaam dat om Sirius draait. Dat is de naam die wij aan een van de sterren geven.’

‘Maar wat bedoelt u? Een wereld die om een ster draait? Ik begrijp u niet.’

‘Weet u dat niet? Een ster is een zon net als…’ Deirdre deinsde terug en maakte met haar vinger een teken. ‘De grote Baal moge ons bijstaan,’ fluisterde ze. ‘Of u bent gek of… De sterren zijn vastgemaakt aan een kristallen bol.’

‘O, nee!’ smeekte Everard in gedachten. ‘En hoe staat het dan met de zwervende sterren die u kunt zien?’ vroeg hij langzaam, ‘Mars en Venus en…’

‘Die namen ken ik niet. Als u Moloch, Ashtoreth en de rest bedoelt, dat zijn natuurlijk werelden net als de onze en evenals onze wereld behoren zij bij de zon. De een huisvest de zielen van de doden, een andere dient de tovenaars tot woning, weer een andere…’

‘Dat ze dat allemaal geloven in het tijdperk van de stoommachine,’ dacht Everard. Hij glimlachte onzeker. ‘Als u me niet gelooft, waar denkt u dan dat ik vandaan kom?’ Deirdre keek hem met grote ogen aan. ‘Ik geloof dat jullie tovenaars zijn,’ zei ze.

Daar had hij niet van terug. Everard stelde nog een paar onbelangrijke vragen maar kwam weinig meer aan de weet dan dat deze stad Catuvellaunan heette en een centrum van handel en industrie was. Deirdre schatte het aantal inwoners op twee miljoen en dat van geheel Afallon op vijftig miljoen maar was daar ook niet zeker van. Er werden hier geen volkstellingen gehouden.

Het lot van de Patrouille-leden was net zo onzeker. Het leger had hun tijdmachine en andere bezittingen in beslag genomen maar niemand durfde eraan te knoeien en er werden heftige discussies gevoerd over het lot van de eigenaars. Everard kreeg de indruk dat alle regeringsbesluiten, met inbegrip van die over het leger, niet dan na veel gekrakeel genomen werden. Een ongeorganiseerde statenbond dan Afallon dat uit voormalige zelfstandige rijken was opgebouwd — kolonies der Britten en Indianen die de Europese beschaving hadden overgenomen — en angstvallig over hun rechten waakten, was niet denkbaar. Het oude keizerrijk der Maya’s dat in een oorlog met Texas vernietigd en daarna geannexeerd was, was haar oude glorie nog niet vergeten en had enkele zeer opgeblazen afgevaardigden naar de bondsraad gestuurd.

De Maya’s wilden, misschien omdat ze zich met de indianen verwant voelden, een verbond met Huy Braseal sluiten. De staten aan de westkust die bevreesd waren voor Hinduraj keken het Zuidoost-Aziatische rijk naar de ogen. Het middenwesten was vanzelfsprekend, isolationalistisch gezind. De oostelijke staten zagen in iedere oplossing wel iets maar waren geneigd zich door de Britten te laten leiden. Toen hij begreep dat er ook nog slavernij voorkwam, hoewel niet op grond van rassenonderscheid, vroeg Everard zich enige tijd verbijsterd af, of degenen die de veranderingen in de historie hadden aangebracht soms fanatici uit de zuidelijke staten van de Verenigde Staten waren geweest. Maar genoeg daarover! Voorlopig had hij al zijn aandacht nodig om zijn eigen nek en die van Van Sarawak, te redden. ‘Wij komen van Sirius,’ zei hij hooghartig. ‘Uw opvattingen over de sterren zijn ernaast. We kwamen als vreedzame ontdekkingsreizigers hierheen en als ons iets mocht overkomen, zullen onze rasgenoten ons wreken.’

Deirdre keek zo ongelukkig, dat hij zijn geweten voelde spreken. ‘Ze zullen de kinderen toch wel ontzien?’ smeekte ze. ‘De kinderen konden er niets aan doen.’ Everard kon zich voorstellen hoe zij in gedachten zag hoe kleine, huilende gevangenen naar de slavenmarkten in de wereld der tovenaars werden geleid.

‘Als wij worden vrijgelaten en onze bezittingen terugkrijgen, hoeft er helemaal niets ernstigs te gebeuren,’ zei hij. ‘Ik zal er met mijn oom over spreken,’ beloofde zij, ‘maar zelfs indien ik hem kan overhalen, moet u nog bedenken dat hij in de raad maar over één stem beschikt. Toen het tot de mannen doordrong wat zij met uw wapens konden doen, verloren zij al hun bezinning.’

Ze stond op. Everard omvatte haar handen, die warm en zacht in de zijne rustten, en glimlachte moeizaam. ‘Sterkte, meid,’ zei hij in het Engels. Ze huiverde, rukte zich los en maakte weer een bezweringsteken.

‘En?’ vroeg Van Sarawak toen ze weer alleen waren, ‘wat ben je aan de weet gekomen?’ Nadat hij alles gehoord had, streek hij zich over de kin en mompelde: ‘Wat een prachtige verzameling gekken. Ik kan me slechtere werelden voorstellen, dan deze.’

‘En betere,’ zei Everard ruw. ‘Ze hebben wel geen atoombommen maar ik durf te wedden dat ze evenmin penicilline hebben. En het is niet de bedoeling dat wij de godheid gaan uithangen.’

‘Nee, nee, dat denk ik ook niet.’ De Venusiaan zuchtte.


4

<p>4</p>

Ze waren die dag verder erg rusteloos. Het was al nacht toen er in de gang lantaarnlichtjes opglansden en een soldaat de deur ontsloot. De gevangenen werden zwijgend naar een achteruitgang geleid waar twee auto’s op hen stonden te wachten. Men duwde hen in een ervan waarna de hele troep wegreed.

Er was geen straatverlichting in Catuvellaunan en er was maar weinig verkeer. Op de een of andere manier maakte de uitgestrekte stad daardoor in het duister een onwerkelijke indruk. Everard wijdde zijn aandacht aan de constructie van zijn voertuig. Zoals hij al gedacht had, werd het door stoomkracht aangedreven met poederkool als brandstof. Het had rubber banden om de wielen, vloeiende lijnen, een scherpe neus en een slangekop als versiering voorop. De besturing was gemakkelijk en het geheel was solide gebouwd maar het ontwerp was niet al te best. Kennelijk had men in deze wereld langzamerhand een techniek ontwikkeld die voornamelijk met wat ruwe vuistregels werkte. Er was echter geen systematische wetenschap die de moeite waard was. Ze kwamen over een plompe, ijzeren brug die naar Long Is-land voerde waar ook in deze wereld de wijk der welgestelden lag. Ze reden snel ondanks het matige schijnsel van de olielampen voorop. Tweemaal ontsnapten ze maar nauwelijks aan een ongeluk. Nergens waren verkeerstekens te zien en kennelijk was er geen enkele chauffeur die voorzichtigheid niet als iets verachtelijks beschouwde. Gezag en verkeer… hm. Op de een of andere manier deed het aan Frankrijk denken, met uitzondering van die zeldzame perioden waarin Frankrijk een Hendrik van Navarre of een Charles de Gaulle bezat. En zelfs in Everards eigen tijd, de twintigste eeuw, was de Franse bevolking overwegend Keltisch. Hij was geen aanhanger van opgeblazen theorieën over aangeboren raskenmerken maar vond dat er wel iets van waarheid zat in de gedachte dat zulke oude tradities ten slotte onderbewuste en onuitroeibare eigenschappen werden. Dit was een westerse wereld waarin de Kelten de overhand hadden gekregen en de Germaanse volken naar een paar kleine grensgebieden waren verdreven… Ja, kijk maar eens naar Ierland of bedenk eens hoe de politieke belangen van de verschillende stammen de opstand van Vercingetorix deden mislukken… Maar hoe zat dat dan met Littorn? Wacht even! In zijn eigen middeleeuwen was Litouwen een machtige staat geweest. Het had zich lange tijd de Germanen, Polen en Russen van het lijf gehouden en was zelfs pas in de vijftiende eeuw tot het Christendom overgegaan. Zonder de bedreiging door de Germanen had Litouwen zich gemakkelijk naar het oosten kunnen uitbreiden… Ondanks de aarzelende politiek van de Kelten waren er in deze wereld grotere staten en minder afzonderlijke landjes dan in Everards eigen wereld. Dat wees in de richting van een oudere samenleving. Als je rekende dat zijn eigen Westerse beschaving zo omstreeks 600 n.C. uit het afbrokkelende Romeinse Rijk was voortgekomen, moest daaruit opgemaakt worden dat in deze wereld de Kelten al voor die tijd de macht hadden gegrepen.

Everard begon zich langzamerhand een beeld te vormen van wat er gebeurd was maar hij hield zijn gedachten voorlopig voor zich.

De auto’s hielden stil voor een rijk versierde poort in een stenen muur. De chauffeurs praatten met twee gewapende wachtposten die, zoals dat op de grote landgoederen de gewoonte was, het livrei van het landgoed droegen; om hun hals was een smalle stalen band bevestigd, die erop wees dat zij slaven waren. De poort werd geopend en de auto’s vervolgden hun tocht over een met grint bedekte weg die door grasvelden en bomen omzoomd was. Aan het andere eind, bijna op het strand stond een huis. Men gebaarde Everard en Van Sarawak uit te stappen, waarna men hen naar het huis geleidde.

Het was een onregelmatig, houten bouwwerk. Bij het licht van de gaslampen op de veranda kon men zien dat het in bonte kleuren geschilderd was. De hoeken van de gevel en de uiteinden van de draagbalken waren met drakekoppen versierd. Vlakbij hoorde hij de zee en bij het licht van de, dicht boven de horizon staande, wassende maan kon Everard een schip met een lange schoorsteen en een boegbeeld waarschijnlijk een vrachtvaarder, onderscheiden. De ramen wierpen een geel schijnsel naar buiten. Een butler opende de deur voor het gezelschap. De wanden werden gevormd door panelen van donker hout en op de vloer lagen dikke tapijten. Aan het eind van de hal was de woonkamer die was ingericht met tamelijk overdreven gestoffeerd meubilair. Verschillende schilderijen van een weinig oorspronkelijke, conventionele stijl, en een enorme, stenen, open haard waarin een vrolijk vuur opvlamde.

In een van de stoelen zat Saorann ap Ceorn en in een andere Deirdre. Toen zij binnenkwamen, legde zij haar boek weg en stond glimlachend op. De officier trok aan een sigaar en staarde hen dreigend aan. Na enkele woorden gewisseld te hebben, verdwenen de soldaten. De butler bracht op een dienblad wijn binnen en Deirdre nodigde de agenten van de Patrouille uit om plaats te nemen.

Everard nipte aan zijn glas — het was een bijzonder fijne bourgogne — en vroeg botweg: ‘Waarom zijn we hier?’ Deirdre zond een verblindende glimlach op hem af. ‘Waarschijnlijk vindt u het hier plezieriger dan in de gevangenis?’

‘Natuurlijk. Bovendien is alles mooier uitgevoerd. Maar toch zou ik graag willen weten of we vrij zijn.’

‘U bent…’ Ze zocht naar een diplomatiek antwoord maar scheen daar te openhartig voor te zijn. ‘U bent hier welkom maar u mag het landgoed niet verlaten. Wij hopen dat we u kunnen overhalen ons te helpen. U kunt op een rijke beloning rekenen.’

‘Helpen? Hoe dan?’

‘Door onze handwerkslieden en onze druïden te leren hoe ze net zulke wapens en magische voertuigen kunnen maken als u bezit.’

Everard zuchtte. Het had geen zin te trachten hun het onmogelijke ervan duidelijk te maken. Zij bezaten niet eens de gereedschappen om de gereedschappen te maken waarmee ze het verlangde zouden moeten bouwen. Maar hoe zou hij dat duidelijk moeten maken aan mensen die nog in tovenarij geloofden?

‘Is dit huis van uw oom?’ vroeg hij.

‘Nee, van mijzelf,’ zei Deirdre. ‘Ik ben het enige kind van mijn ouders die rijke edelheden waren. Ze zijn vorig jaar gestorven.’

Ap Ceorn sprak een paar korte afgebeten woorden. Deirdre vertaalde ze met een zorgelijke uitdrukking op haar gezicht: ‘Op het moment heeft iedereen in Catuvellaunan het verhaal van uw komst al gehoord en dat betekent dat vijandelijke spionnen ook op de hoogte zijn. Wij hopen dat wij u hier verborgen kunnen houden.’

Everard die zich herinnerde welke daden er door de agenten van de geallieerden en de asmogendheden in kleine, neutrale landen als Portugal gepleegd waren, huiverde. Waarschijnlijk zouden degenen die door de dreiging van een naderende oorlog tot wanhoopsdaden verleid werden minder hoffelijk optreden dan de Afalloniërs. ‘Waar gaat die strijd eigenlijk om?’ informeerde hij. ‘Om de beheersing van de Iceniaanse Oceaan natuurlijk. In het bijzonder om het bezit van enkele rijke eilanden die wij Ynys yr Lyonnach noemen.’ Deirdre stond met een vloeiende beweging op en wees op een globe Hawaï aan. ‘Ziet u,’ vervolgde zij ernstig, ‘zoals ik u al verteld heb, hebben Littorn en de Westerse alliantie — wijzelf inbegrepen — door de oorlog eikaars krachten uitgeput. De zich steeds verder uitbreidende en oorlogvoerende grootmachten van het moment zijn Huy Braseal en Hinduraj. De kleinere landen raken ook bij dat conflict betrokken want het is niet alleen een strijd om de macht maar tevens een strijd tussen systemen: het koninkrijk Hinduraj strijdt tegen de theocratische zonaanbidders van Huy Braseal.’

‘Wat gelooft uzelf, als ik vragen mag?’ Deirdre keek verbaasd. Zij scheen het een zinloze vraag te vinden. Ten slotte antwoordde zij langzaam: ‘De intellectuelen geloven dat er een Baal bestaat die alle mindere goden geschapen heeft. Maar wij houden de oude cultus natuurlijk in ere en betuigen ook de machtige buitenlandse goden zoals Perkunas en Czernebog van Littorn, Wotan Am-mon van Kimberland, Brahma en de Zon, onze eerbied… Het is maar beter om niet hun toorn op te wekken.’

‘Ik begrijp het.’

Ap Ceorn bood hun sigaren en vuur aan. Van Sarawak inhaleerde en zei klagerig: ‘Verdraaid, dat dit nu juist een wereld moet zijn waar niemand een voor mij verstaanbare taal spreekt.’ Zijn gezicht klaarde op. ‘Maar ik leer tamelijk snel, zelfs zonder hypnose. Ik zal me door Deirdre les laten geven.’

‘Jij en ik samen,’ zei Everard haastig. ‘Maar luister even Van.’ Hij vertelde wat hij ontdekt had. ‘Hm,’ de jongere man wreef zich over de kin. ‘Niet zo best, he? Maar als ze ons de kans geven op onze machine te klimmen, kunnen we er natuurlijk gemakkelijk vandoor gaan. Waarom spelen we het spelletje niet mee?’

‘Zulke sufferds zijn het niet,’ antwoordde Everard. ‘Ze mogen dan in toverij geloven, maar dat wil niet zeggen dat ze ook in zuiver altruïsme geloven.’

‘Grappig, dat ze op intellectueel gebied zo achterlijk zijn en toch verbrandingsmotoren hebben.’

‘Nee, dat ligt tamelijk voor de hand. Daarom vroeg ik naar hun geloof. Het is altijd een onvervalst heidendom geweest. Zelfs het Joodse geloof schijnt verdwenen te zijn en het boeddhisme heeft niet veel invloed uitgeoefend. Whitehead heeft er al op gewezen dat het middeleeuws geloof in één almachtige God een belangrijke stimulans voor de groei der wetenschappen vormde omdat dit geloof samenging met de gedachte aan wetmatigheden in de natuur. En Mumford heeft daaraan toegevoegd dat de vroegere kloosters waarschijnlijk de mechanische klok ontwikkeld hebben — wat een zeer belangrijke uitvinding is geweest — omdat men op vaste uren wilde bidden. In deze wereld schijnt de uitvinding van de klok veel later plaats gevonden te hebben.’ Everard glimlachte ironisch om een gevoel van droefheid te verbergen. ‘Vreemd om daarover te praten. Whitehead en Mumford hebben hier nooit geleefd.’

‘Niettemin…’

‘Een ogenblik.’ Everard wendde zich tot Deirdre. ‘Wanneer werd Afallon ontdekt?’

‘Door blanken? In het jaar 4827.’

‘Hm… Met welke gebeurtenis vangt uw tijdrekening aan?’ Deirdre scheen zich over niets meer te kunnen verbazen. ‘Met de schepping van de wereld. Sommige geleerden hebben tenminste die datum zo vastgesteld. Dat is 5964 jaar geleden.’

Dat klopte met het bekende getal van 4004 v.C. van bisschop Ussher. Puur toeval misschien, maar toch… Deze beschaving bezat duidelijk enkele Semitische kenmerken. Ook het scheppingsverhaal uit Genesis was van Babylonische origine. ‘En wanneer maakte men voor de eerste maal van stoomkracht (pneuma) gebruik om machines aan te drijven?’ vroeg hij.

‘Ongeveer duizend jaar geleden. De grote druïde Boroihme O’Fiona…’

‘Laat maar.’ Everard rookte zijn sigaar en verdiepte zich enige tijd in zijn eigen gedachten voor hij zich weer tot Van Sarawak wendde.

‘Zo langzamerhand begint het me duidelijk te worden,’ zei hij. ‘De Galliërs waren allesbehalve het soort barbaren waarvoor men ze algemeen houdt. Ze hebben heel veel van de Fenisische handelaars en de Griekse kolonisten geleerd evenals van de Etrusken in het Gallië aan de overzijde van de Alpen. Aan de andere kant waren de Romeinen nogal stompzinnig en bezaten weinig intellectuele interessen. In onze eigen wereld was er tot aan de middeleeuwen, toen het keizerrijk van de kaart was geveegd, maar weinig technische vooruitgang. In déze geschiedenis verdwenen de Romeinen eerder. Evenals, daar ben ik tamelijk zeker van, de Joden. Ik veronderstel nu dat de Syriërs de Maccabeeën uitroeiden en dat dit mogelijk was door het ontbreken van het machtsevenwicht dat de Romeinen geschapen hadden. Ook in onze geschiedenis is dat bijna gebeurd. Het Joodse volk verdween en dus ontstond het Christendom ook nooit. Maar hoe dan ook, toen Rome eenmaal verdwenen was, grepen de Galliërs de macht. Zij begonnen ontdekkingsreizen te maken, bouwden betere schepen en ontdekten in de negende eeuw Amerika. Maar ze waren niet zo superieur aan de indianen dat dezen niet met hen konden wedijveren… Zij werden zelfs gestimuleerd om ook keizerrijken te bouwen zoals het hedendaagse Huy Braseal. In de elfde eeuw begonnen de Kelten met stoommachines te experimenteren. Het schijnt dat ze zelfs buskruit hadden, misschien uit China en ze deden nog verschillende andere uitvindingen. Maar over het algemeen hebben ze die allemaal door proberen moeten vinden. Er ligt geen echte wetenschap aan ten grondslag.’

Van Sarawak knikte. ‘Waarschijnlijk heb je gelijk. Maar wat is er met Rome gebeurd?’

‘Ik weet het niet. Nog niet. Maar daar ergens ligt het kritieke moment.’

Everard richtte zijn aandacht weer op Deirdre. ‘Wat ik nu ga zeggen zal u wel verbazen,’ zei hij kalm. ‘Ongeveer 2500 jaar geleden hebben onze mensen een bezoek gebracht aan deze wereld. Daarom spreek ik Grieks maar weet ik niet wat er sinds die tijd gebeurd is. Ik zou dat graag van u horen. Ik neem aan dat u bijna een geleerde bent.’ Ze bloosde en liet haar ogen schuil gaan achter een paar lange donkere wimpers zoals weinig roodharigen die maar bezitten. ‘Ik zal u met plezier, zoveel als in mijn vermogen ligt, van dienst zijn. Maar,’ smeekte ze plotseling, ‘helpt u dan op uw beurt ons?’

‘Ik weet het niet,’ zei Everard moeizaam. ‘Ik zou het graag doen, maar ik weet niet of het wel kan.’

‘Want,’ dacht hij, ‘ten slotte is het mijn taak, jouw en je hele wereld ter dood te veroordelen.’


5

<p>5</p>

Nadat Everard naar zijn kamer gebracht was, ontdekte hij dat de plaatselijke opvattingen van gastvrijheid meer dan voortreffelijk waren. Hij was te vermoeid en terneergeslagen om ervan te profiteren maar het slavenmeisje van Van Sarawak zou tenminste niet in haar verwachtingen teleurgesteld worden, dacht hij, al half in slaap. Men stond hier vroeg op. Vanuit zijn raam op de eerste verdieping zag Everard wachtposten langs het strand lopen. Hij vond het een koude morgen. Samen met Van Sarawak ging hij naar beneden om te ontbijten. De ham met eieren en de toast met koffie vervolmaakten het geheel. Ap Ceorn was weer naar de stad om een vergadering bij te wonen, zei Deirdre. Zijzelf had zich over haar droevige stemming heengezet en babbelde vrolijk over allerlei onbelangrijke zaken. Everard ontdekte dat ze lid was van een amateur toneelgroep die soms Griekse klassieke toneelstukken in de oorspronkelijke taal opvoerde. Vandaar haar vloeiende beheersing van de taal. Ze hield van paardrijden, jagen, zeilen, zwemmen… ‘Zullen we?’ vroeg ze. ‘Wat?’

‘Zwemmen natuurlijk.’ Deirdre sprong op van haar stoel op het grasveld, waar ze onder het vlammend getinte gebladerte gezeten hadden en begon zich zonder enige terughouding van haar kleding te ontdoen. Everard dacht dat hij een doffe tik op de grond hoorde toen Van Sarawaks ogen uit hun kassen rolden.

‘Kom op,’ lachte zij. ‘De laatste man is een ezel.’ Ze spartelde al in de witte branding toen Everard en Van Sarawak nog huiverend over het strand liepen.

‘Ik kom van een warme planeet,’ kreunde de Venusiaan. ‘Mijn voorouders komen uit Indonesië. In de tropen.’

‘Ze waren toch ook Nederlander, is het niet?’ grinnikte Everard.

‘Ze waren zo verstandig om naar Indonesië te verhuizen.’

‘Goed, blijf dan maar aan de kant.’

‘Bliksems! Als zij het uithoudt, kan ik er ook wel tegen!’ Van Sarawak stak een teen in het water en kreunde weer. Everard riep alle wilskracht waarover hij ooit beschikt had te hulp en rende de zee in. Deirdre gooide hem water naar het hoofd. Hij dook, kreeg een slank been te pakken en trok haar onder. Ze maakten nog een paar minuten gekheid waarna ze naar het huis terugrenden om een hete douche te nemen. Van Sarawak volgde hen als een blauwe dampwolk. ‘Van een tantaluskwelling gesproken,’ mompelde hij. ‘Het mooiste meisje van het heelal en ik kan niet eens met haar praten en bovendien is ze een soort ijsbeer.’ Nadat hij door de slaven afgedroogd en in de plaatselijke klederdracht gestoken was, keerde Everard naar zijn plaats voor het haardvuur terug. ‘Welk patroon is dit?’ vroeg hij op de ruiten van zijn kilt wijzend.

Deirdre hief het gouden hoofd op. ‘Dat van mijn eigen clan,’ antwoordde ze. ‘Een geëerd gast wordt tijdens zijn verblijf altijd als een lid van de clan beschouwd, zelfs in een geval van bloedwraak.’ Zij glimlachte schuw. ‘En er is niets tussen ons.’

Dat bracht zijn sombere stemming weer terug. Hij herinnerde zich zijn taak.

‘Ik zou je graag een paar vragen over geschiedenis stellen,’ zei hij. ‘Dat is een van mijn hobby’s.’

Zij knikte, maakte een gouden band in haar haar vast en haalde een boek van een overvolle plank. ‘Dit is vermoedelijk de beste wereldgeschiedenis die er is. Ik kan alles wat u weten wil hierin opzoeken.’

‘Ja,’ dacht Everard, ‘om me zo te vertellen wat ik moet doen om je te vernietigen.’

Hij ging samen met haar op een divan zitten. De butler rolde de maaltijd naar binnen. Everard at in een gedrukte stemming zonder iets te proeven.

Een ingeving volgend… ‘Zijn Rome en Carthago ooit met elkaar in oorlog geweest?’

‘Ja, twee maal om precies te zijn. Ze hadden aanvankelijk een verbond gesloten tegen Epirus, maar dat hield geen stand. Rome won de eerste oorlog en trachtte daarna de ontwikkeling van Carthago aan banden te leggen.’ Haar gave profiel boog zich over de bladzijden als dat van een leergierig kind. ‘De tweede oorlog brak drieëntwintig jaar later uit en duurde… hm… alles bij elkaar elf jaar hoewel de laatste drie jaar alleen maar dienden om de laatste weerstand te breken nadat Hannibal Rome ingenomen en in brand gestoken had.’

‘Aha!’ Om de een of andere reden voelde Everard zich niet zo bijster gelukkig met dit succes.

De tweede Punische oorlog (die ze hier de Romeinse oorlog noemden) — of eigenlijk een kritieke gebeurtenis uit die oorlog — vormde dus het keerpunt in de ontwikkeling. Deels uit nieuwsgierigheid, deels uit vrees zich teveel bloot te zullen geven, trachtte Everard niet onmiddellijk de juiste oorzaak van de afwijking op te sporen. Hij zou toch eerst eens goed moeten nagaan wat er in werkelijkheid gebeurd was. (Nee,… wat er niet gebeurd was. Realiteit was zij die warm en zacht naast hem zat; hij was de schim.) ‘En wat gebeurde er daarna?’ vroeg hij toonloos. ‘Het Carthaagse Rijk omvatte ten slotte Spanje, het zuidelijk deel van Gallië en de teen van Italië,’ zei zij. ‘De rest van Italië was na het uiteenvallen van de Romeinse statenbond tot machteloosheid en chaos vervallen. Maar de Carthaagse heersers waren te corrupt om hun macht lang te kunnen handhaven. Hannibal zelf werd vermoord door mannen die van mening waren dat hij door zijn onkreukbaarheid hun plannen in de weg stond. Intussen streden Syrië en Parthië om het bezit van het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied. Een strijd waaruit Parthië dat daardoor meer dan ooit onder Helleense invloed kwam als overwinnaar tevoorschijn trad.

Ongeveer honderd jaar na de Romeinse oorlogen werd Italië door enkele Germaanse stammen onder de voet gelopen. (Dat moesten de Kimbren met de Teutonen en de Ambronen als bondgenoten, geweest zijn. In Everards eigen wereld had Marius hen een halt toegeroepen.) Een spoor van verwoesting achterlatend, trokken zij door Gallië waardoor ook de Kelten in beweging kwamen. Dezen bereikten ten slotte Spanje en toen Carthago in verval was geraakt, ook Noord-Afrika. Van de bewoners van Carthago leerden de Galliërs veel.

Er volgde nu een langdurige oorlogsperiode, gedurende welke de macht van Parthië afnam en de Keltische staten zich uitbreidden. De Hunnen versloegen de Germanen in cen-traal-Europa maar werden op hun beurt weer door de Parthen overwonnen. Als gevolg daarvan trokken de Galliërs nu binnen en bevonden er zich nog slechts Germanen in Italië en Hyperborea. (Daarmee bedoelde ze waarschijnlijk Scandinavië). Toen er betere schepen gebouwd werden nam de handel met het verre oosten zowel via Arabië als langs de route rond Afrika, toe. (In Everards eigen geschiedenis had Julius Caesar tot zijn verbazing ontdekt dat er in Venetië betere schepen gebouwd werden dan waar ook in het Middellandse zeegebied.) De Kelten ontdekten Zuid-Afallon waarvan ze dachten dat het een eiland was — vandaar de benaming ‘Ynys’ — maar zij werden door de Maya’s verjaagd. De kolonies der Britten, verder naar het noorden gelegen, konden zich handhaven en verwierven later hun onafhankelijkheid.

Inmiddels nam de macht van Littorn toe. Gedurende enige tijd had het het grootste gedeelte van Europa in zijn macht. Slechts het westelijk deel van het vasteland herwon, na de honderdjarige oorlog waarover ik je al verteld heb zijn vrijheid. De Aziatische landen schudden hun uitgeputte Europese heersers van zich af waarna zij hun samenleving moderniseerden terwijl de westerse rijken op hun beurt in verval raakten.’ Deirdre keek op van het boek dat ze terwijl ze vertelde zo nu en dan vluchtig had geraadpleegd. ‘Dit is in grove lijnen wat er gebeurd is, Manslach. Zal ik verder gaan?’ Everard schudde het hoofd. ‘Nee, dank je.’ Na enige ogenblikken zei hij: ‘Je bent wel erg openhartig over de toestand van je eigen land.’

‘De meesten willen het niet toegeven,’ zei Deirdre ronduit. ‘Maar ik geloof dat men de waarheid maar beter onder ogen kan zien.’

‘Maar vertel me nu iets over uw eigen land,’ zei ze gretig. ‘Dat lijkt me een ongelooflijk wonder.’ Everard zuchtte, legde zijn geweten het zwijgen op en begon erop los te liegen.

Die avond vond de aanval plaats.

Van Sarawak had zijn zelfvertrouwen herwonnen en leerde met hulp van Deirdre, Afallonisch. Ze liepen hand in hand door de tuin, zo nu en dan halthoudend om bepaalde dingen aan te wijzen of met gebaren de betekenis van een werkwoord duidelijk te maken. Everard volgde terwijl hij zich oppervlakkig bezig hield met de vraag of hij nu als vijfde rad aan de wagen fungeerde of niet, maar meer nog met het probleem hoe hij zijn tijdmachine in handen moest krijgen. Uit een heldere, wolkenloze hemel stroomde schitterend zonlicht. Een esdoorn pronkte in al zijn scharlaken pracht, de wind joeg een zwerm gele bladeren over het gras. Een al wat oudere slaaf was op zijn gemak de tuin aan het bijharken, een jeugdig uitziende indiaanse schildwacht slenterde met een geweer over de schouder heen en weer en onder een heg lagen enkele prairiehonden te dommelen. Het was een vredig schouwspel. Het was nauwelijks te geloven dat binnen deze muren moorden beraamd werden.

Maar mensen blijven mensen, in welke geschiedenis dan ook. Deze beschaving mocht dan niet de rusteloze drang en de onnatuurlijke wreedheid van de Westerse beschaving bezitten, ze mocht in sommige opzichten zelfs een merkwaardig onschuldige indruk maken maar men kon niet zeggen dat ze hetzelfde niet geprobeerd hadden. Het was bovendien mogelijk, dat er zich in deze wereld nooit een zuivere wetenschap zou ontwikkelen, en dat de cirkelgang van oorlog, macht, ineenstorting en oorlog zich eindeloos zou herhalen. In Everards eigen toekomst was men daar ten slotte aan ontsnapt. En waarom? Hij zou beslist niet hebben durven beweren dat deze wereld slechter of beter was dan zijn eigen. Ze was anders, dat was alles. En hadden deze mensen niet evenveel recht op bestaan als de bewoners van zijn eigen wereld die tot non-existentie zouden worden veroordeeld indien hij faalde.

Hij balde zijn vuisten. Het was niet juist om één man zo’n belangrijke beslissing te laten nemen.

Hij wist dat hij zich, als het erop aankwam een beslissing te nemen, niet door een of ander abstract plichtsbesef maar door de herinnering aan kleine gebeurtenissen en kleine mensen die hij gekend had, zou laten leiden. Zij liepen om het huis heen en Deirdre wees naar de zee. ‘Awarlann,’ zei ze. Haar loshangend haar leek een rode vlam in de wind.

‘Betekent dat nu “oceaan” of “Atlantische Oceaan” of “water”?’ lachte Van Sarawak. ‘We zullen eens kijken.’ Hij leidde haar naar het water.

Everard liep op zijn gemak achter hen aan. Een kilometer of vijf uit de kust danste een lange, snelle stoombarkas over de golven. Een vlucht meeuwen vloog als sneeuw er achteraan. ‘Wanneer ik hier het bevel voerde, had ik daar een marineschip gestationneerd,’ dacht hij. Maar was er nog wel iets waarover hij te beslissen had? In de pre-Romeinse periode waren nog meer Patrouille-leden. Zij zouden naar hun eigen tijdperk teruggaan en… Everard verstijfde. Een koude rilling liep langs zijn rug en het een gespannen gevoel in zijn maag achter. Ze zouden terugkeren en uitzoeken wat er gebeurd was, waarna ze de fout zouden trachten te herstellen. Als een van hen daarin slaagde, zou deze wereld uit de tijdruimte verdwijnen en hij ook.

Deirdre stond stil. Everard, transpirerend van vrees, zag nauwelijks waar zij naar staarde totdat ze begon te roepen en te wijzen. Toen ging hij naar haar toe en tuurde over de zee.

De barkas was vlakbij. De hoge schoorsteen braakte rookwolken en vonken uit, de vergulde drakenkop op de voorspiegel schitterde. Hij kon de gestalten van de mannen aan het dek onderscheiden en iets wits met vleugels… Het steeg op vanaf het achterdek en klom aan het eind van een touw omhoog. Een zweefvliegtuig! Zover hadden de Kelten het tenminste met hun aeronautica gebracht. ‘Aardig,’ zei Van Sarawak. ‘Ik veronderstel dat ze ook luchtballons hebben.’

Het zweefvliegtuig liet het touw schieten en dook landinwaarts. Een van de wachtposten op het strand schreeuwde. De rest stormde vanachter het huis tevoorschijn. Het zonlicht schitterde op hun geweren. Het vliegtuig kwam recht op de kust af, en landde, daarbij een lange voor in het strand ploegend.

Een officier schreeuwde en gebaarde de Patrouille-leden terug te gaan. Everard wierp een blik op Deirdres witte, niet begrijpende gezicht. Dan draaide er een geschutskoepel op het vliegtuig open — met een gedeelte van zijn geest dat onder dit alles onbewogen bleef, veronderstelde hij dat het met handkracht gebeurde — waarna het geluid van een licht kanon weerklonk.

Everard het zich op de grond vallen. Van Sarawak volgde hem, het meisje met zich mee sleurend. Het kartetsvuur hield op afschuwelijke wijze huis onder de Afallonische soldaten. Dan volgde het kwaadaardig geknetter van geweervuur. Uit het luchtschip sprongen mannen tevoorschijn. Mannen met donkere gelaatskleur, gekleed in sarongs en met tulbanden op. ‘Hindura’s,’ dacht Everard. Zij wisselden schoten met de overlevende soldaten die zich rond hun kapitein verzameld hadden.

De officier schreeuwde en leidde een stormloop. Everard keek op van het zand en zag dat hij de bemanning van het zweefvliegtuig al bijna bereikt had. Van Sarawak sprong op. Everard liet zich omrollen, greep hem bij zijn enkel en trok hem op de grond voor hij aan de strijd kon gaan deelnemen. ‘Laat me los!’ Snikkend trachtte de Venusiaan zich los te wringen. De doden en gewonden die aan de kanonschoten ten slachtoffer waren gevallen, lagen overal verspreid. De rode kleur van het bloed versterkte nog het gevoel van een nachtmerrie. De lucht scheen vervuld van het lawaai van het gevecht.

‘Nee, stomme ezel! Ze hebben het juist op ons gemunt en die onbezonnen Ier heeft het domste gedaan dat hij had kunnen doen…’ Een nieuwe uitbarsting van geweervuur trok Everards aandacht.

De platboomde barkas die door een schroef werd aangedreven, was op de zandbanken gevaren en spuwde nu gewapende mannen uit. Te laat ontdekten de Afalloniërs dat zij hun wapens hadden leeggevuurd en nu in de rug werden aangevallen.

‘Kom mee!’ Everard sleurde Deirdre en Van Sarawak overeind. ‘We moeten maken dat we hier weg komen — we gaan naar de buren.’

Een groep mannen van de boot zag hem en veranderde van richting. Hij voelde, meer dan hij hoorde, hoe een kogel zich met een doffe klap in de grond boorde juist op het moment dat hij het grasveld bereikte. Uit het huis klonk het hysterisch gegil van enkele slaven. De twee wolfshonden stortten zich op de aanvallers en werden neergeschoten. Bukken, en zig-zag rennen, dat was het beste. Over de muur heen, de weg op! Everard had het kunnen klaarspelen maar Deirdre struikelde en viel. Van Sarawak bleef staan om haar te beschermen. Everard stopte eveneens en toen was het te laat. Ze werden ingehaald.

De aanvoerder van de donker gekleurde soldaten snauwde iets tegen het meisje. Ze ging rechtop zitten en gaf hem een uitdagend antwoord. Hij lachte kort en wees met zijn duim naar de barkas.

‘Wat willen ze?’ vroeg Everard in het Grieks.

‘Jou.’ Ze keek hem hevig ontsteld aan. ‘Jullie beiden…’ De officier zei weer iets. ‘En mij als tolk… Nee!’ Ze trachtte zich uit de handen die haar armen vastgegrepen hadden, los te rukken, werkte zich gedeeltelijk vrij en krabde iemand in het gezicht. Everards vuist beschreef een korte boog en landde met een verpletterende slag op iemands neus. Het was te mooi om lang te kunnen duren. Een geweerkolf kwam op zijn hoofd terecht en hij was er zich nog maar nauwelijks van bewust hoe hij aan armen en benen en met zijn gezicht omlaag naar de boot werd gedragen.


6

<p>6</p>

De bemanningsleden heten het zweefvliegtuig achter, schoven hun boot in dieper water en klommen erin. Ze lieten de dode en gewonde wachtposten achter maar namen hun eigen gewonden mee.

Everard zat op een bank op het stampende dek en staarde naar de verdwijnende kustlijn terwijl zijn gedachten langzamerhand weer wat helderder werden. Deirdre huilde met haar hoofd op Van Sarawaks schouder en de Venusiaan trachtte haar te troosten. Een kille, gierende wind blies hun opspattend schuim in het gezicht.

Toen hij twee blanken uit de kajuit zag komen, begon Everards geest plotseling weer op volle kracht te werken. Het waren dus geen Aziaten, maar Europeanen! En nu hij wat beter keek, zag hij dat de andere bemanningsleden eveneens Kaukasische gelaatstrekken bezaten. De bruine gelaatskleur was met schmink opgebracht.

Hij stond op en nam zijn nieuwe eigenaars behoedzaam op. De een was een welgedaan man van middelbare leeftijd en normale lengte, gekleed in een roodzijden hemd, een flodderige witte pantalon en een soort astrakan hoofddeksel. Hij had een gladgeschoren gezicht en droeg het donkere haar in een vlecht. De ander was ietwat jonger. Een behaarde, blonde reus, gehuld in een tuniek die met koperen haken gesloten werd, een korte broek en een leren mantel, met op zijn hoofd een helm die uitsluitend als sieraad bedoeld was. Beiden droegen een revolver aan hun gordel en werden door de zeelieden met eerbied behandeld.

‘Wel verduiveld.’ Everard keek nogmaals om zich heen. Ze waren al buiten het gezicht van het land en zetten koers in noordelijke richting. Het schip trilde van het geweld van de machine, en wanneer de boeg op een golf stootte spatte er een fijne nevel omhoog.

De oudste man nam het woord, Afallonisch sprekend. Everard haalde zijn schouders op. Daarna deed de baardige Noorderling een poging. Eerst in een volkomen onbekend dialect, maar toen zei hij:’

‘Taelan thu Cimbric?’ Everard die verschillende Germaanse talen sprak, deed een poging terwijl Van Sarawak zijn Nederlandse oren spitste. Deirdre deinsde met grote ogen terug, te verbijsterd om zich te durven bewegen.

‘Ja,’ zei Everard, ‘ein wenig.’ Toen Goudkopje een beetje onzeker keek, wijzigde hij het in ‘a little.’

‘Ah, aen litt. Gode!’ De grote kerel wreef zich in de handen. ‘Ik hait Boierik Wulfilasson ok main freond heer erran Boleslav Arkonsky.’

Het was geen taal die Everard ooit gehoord had — en na zoveel eeuwen kon het evenmin het oorspronkelijke Kimbrisch zijn — maar de Patrouille-man kon het tamelijk goed volgen.

Het spreken gaf meer moeilijkheden; hij wist niet hoe het zich ontwikkeld had.

‘Wat the heil bist thu maching?’ tierde hij. ‘Ik bin aen man auf Sirius — de stern Sirius mit planeten ok all. Set uns gebach or willen be der Teufel to pay!’

Boierik Wulfilasson zette een pijnlijk getroffen gezicht en stelde voor het gesprek binnen voort te zetten waarbij de jongedame dan als tolk dienst kon doen. Hij leidde hen naar de kajuit waarin zich een kleine maar geriefelijk gemeubileerde salon bleek te bevinden. De deur bleef open terwijl een gewapend soldaat een oogje in het zeil hield en enige anderen in de buurt bleven om eventueel te hulp te kunnen komen.

Boleslav Arkonsky zei iets in het Afallonisch tegen Deirdre. Ze knikte, waarop hij haar een glas wijn gaf. Het scheen haar te kalmeren maar toen ze het woord tot Everard richtte, klonk haar stem nog onvast.

‘Ze hebben ons gevangen genomen, Manslach. Hun spionnen ontdekten waar wij je verborgen hielden. Een andere groep moet je tijdmachine stelen. Waar die is, weten ze ook.’

‘Dat had ik al gedacht,’ antwoordde Everard. ‘Maar bij Baal, wie zijn zij eigenlijk?’

Boierik lachte bulderend bij het horen van die vraag en legde uitgebreid uit hoe slim hij wel was. Het was de bedoeling dat de heersers van Afallon Hinduraj zouden verdenken. In werkelijkheid hadden Littorn en Kimberland die in het geheim een bondgenootschap waren aangegaan, een zeer doeltreffende geheime dienst opgebouwd die dan ook voor deze onderneming verantwoordelijk was. Ze waren nu op weg naar het zomerverblijf van de ambassadeur van Littorn op Ynys Llangollen (Nantucket) waar zij de tovenaars ertoe wilden overhalen hun geheimen te onthullen en waar zij de grootmachten een verrassing zouden bereiden. ‘En als we niet meewerken?’

Deirdre vertaalde Arkonskys antwoord woord voor woord: ‘Ik zou de gevolgen die dat voor u zou hebben, ten zeerste betreuren. Wij zijn een beschaafd volk en zullen u, wanneer u ons vrijwillig helpt, met goud en eerbewijzen terug betalen. Weigert u ons uw medewerking dan zullen wij die afdwingen. Het gaat om het voortbestaan van ons land.’ Everard staarde hem strak aan met het gevolg dat Boierik zich onzeker en slecht op zijn gemak scheen te voelen. Zijn blufferige houding was geheel verdwenen. Boleslav Arkonsky trommelde met zijn vingers op het tafelblad. Hij had de lippen samengeknepen, maar uit zijn ogen straalde een smeekbede. ‘Dwing ons niet. Wij moeten om onszelf denken.’ Zij hadden waarschijnlijk een vrouw en kinderen en zouden net als ieder ander graag een kroes bier drinken en een spelletje dobbelen. Misschien was Boierik paardenfokker in Italië en kweekte Arkonsky rozen aan de Baltische kust. Maar wanneer het almachtige vaderland de strijd aanbond met zijn buren, zou dat alles de gevangenen niet helpen. Een ogenblik voelde Everard bewondering voor het schitterend vernuft waarmee deze onderneming op touw gezet was, waarna hij zich begon af te vragen wat hem nu te doen stond. De barkas voer snel maar zou, schatte hij, toch wel zo’n twintig uur nodig hebben alvorens Nantucket te bereiken. Zoveel tijd was hem tenminste nog gelaten. ‘We zijn moe,’ zei hij in het Engels. ‘Mogen we niet wat gaan rusten?’

‘Ja deedly,’ zei Boierik in een mislukte poging tot hoffelijkheid. ‘Ok wir sallen gode gef reunds sein, ni?’

In het westen zette de ondergaande zon de hemel in brand. Deirdre en Van Sarawak stonden aan de reiling over de eindeloze grijze watervlakte uit te kijken. Drie gewapende bemanningsleden die inmiddels hun vermomming afgelegd en de schmink van hun gezicht verwijderd hadden, liepen waakzaam op het achterdek heen en weer. Een ander bestuurde het schip met behulp van een kompas, Boierik en Everard liepen eveneens op het achterdek heen en weer. Allen droegen stevige kleding om zich tegen de wind te beschermen. Everard was al wat bedrevener in het gebruik van het Kimbrisch. Hij struikelde nog wel eens over zijn tong maar hij kon zich toch verstaanbaar maken. Desondanks liet hij het praten zoveel mogelijk aan Boierik over. ‘Dus u komt van de sterren? Ik begrijp niets van zulke dingen. Ik ben maar een eenvoudig man. Als het aan mij lag, zou ik mij rustig aan het besturen van mijn landgoed in Toscane wijden en het ik de wereld haar gang gaan. Maar als leden van ons volk hebben we nu eenmaal onze verplichtingen.’ De Teutonen in Italië schenen de Latijnen geheel en al verdrongen te hebben zoals de Angelen dat in Everards wereld de Britten hadden gedaan.

‘Ik begrijp hoe u zich voelt,’ zei de Patrouille-agent. ‘Vreemd, dat zoveel mensen een strijd moeten voeren die door zo weinigen begeerd wordt.’

‘O, maar in dit geval is het noodzakelijk. Carthagalann beroofde ons van Egypte dat ons rechtmatig toebehoort.’ Het klonk als een jammerklacht. ‘Italia irredenta,’ mompelde Everard. ‘Hè?’

‘Niets bijzonders. Dus uw volk, de Kimbren, heeft een bondgenootschap gesloten met Littorn en nu hoopt u in Europa en Afrika uw slag te kunnen slaan terwijl de grootmachten elkaar in het oosten bestrijden.’

‘Beslist niet!’ zei Boierik verontwaardigd. ‘Wij strijden uitsluitend voor de vervulling van onze gerechtvaardigde en historische eisen. Luister, de koning zelf heeft gezegd dat…’ enzovoort enzovoort.

Everard zette zich schrap tegen de slingeringen van het dek. ‘Het komt me voor dat u ons tovenaars nogal hard behandelt,’ merkte hij op. ‘Pas maar op dat we op de duur niet echt kwaad op u worden.’

‘Er zijn maatregelen genomen om ons tegen toverspreuken en bezweringen te beschermen.’

‘Wel…’

‘Ik had liever dat u ons uit vrije wil zou helpen. Als u een paar uur de tijd heeft, zal ik graag aantonen dat wij voor een rechtvaardige zaak strijden.’

Everard schudde het hoofd, verwijderde zich en bleef bij Deirdre staan. In de dichte schemering was haar gezicht niet meer dan een vage vlek. Hij hoorde een ondertoon van wanhopige woede in haar stem toen ze zei: ‘Ik hoop dat je ze verteld hebt dat ze met hun plannetjes naar de duivel kunnen lopen, Manslach.’

‘Nee,’ zei Everard ernstig. ‘We zullen hen helpen.’

Ze bleef als aan de grond genageld staan.

‘Wat zei je, Manse?’ vroeg Van Sarawak.

Everard vertelde het hem.

‘Nee!’ zei de Venusiaan.

‘Ja!’ zei Everard.

‘Bij God, nee! Ik zal…’

Everard greep hem bij de arm en zei koud: ‘Hou je kalm. Ik weet heus wel wat ik doe. We kunnen in deze wereld geen partij kiezen. We zijn tegen iedereen en het is maar beter dat je je dat goed voor ogen houdt. Het enige dat we kunnen doen is het spelletje voor een korte tijd meespelen. Maar vertel dat niet aan Deirdre.’

Van Sarawak dacht enige tijd met gebogen hoofd na. ‘Goed,’ zei hij somber.


7

<p>7</p>

De Littornse basis bevond zich op de zuidkust van Nantucket, vlakbij een vissersdorp waar het door een muur van gescheiden was. Het ambassadegebouw was in de bouwstijl van het moederland opgetrokken: langgerekte houten huizen met daken als gekromde katteruggen, een grote hal en bijgebouwen die om een geplaveide binnenplaats lagen. Toen zij bij de particuliere aanlegsteiger arriveerden, brak Everard zijn nachtrust af en genoot een ontbijt aan dek, onder de bedroefde ogen van Deirdre die ook aan dek was. Een wat grotere barkas was al eerder gearriveerd en het wemelde er van de krijgshaftig uitziende mannen. Opgewonden zei Arkonsky in het Afallonisch: ‘Ik zie dat het magisch voertuig is aangekomen. We kunnen meteen aan het werk gaan.’ Toen Boierik dat voor hem vertaald had, voelde Everard zijn hart kloppen.

De gasten, zoals de Kimbriër hen hardnekkig bleef noemen, werden naar een enorme kamer gebracht waar Arkonsky voor een afgodsbeeld met vier gezichten neerknielde. Het was het beeld van Svantevit; het soort beeld dat de Denen in die andere wereld tot brandhout hadden gehakt. In de haard brandde een vuur om de herfstkilte te verdrijven en langs de muren stonden rondom bewakers. Everard had alleen maar oog voor de machine die glanzend midden in het vertrek stond.

‘Ik hoor dat er in Catauvellaunan hard gevochten is om het bezit van dat voorwerp,’ merkte Boierik op. ‘Er zijn veel gesneuvelden maar onze groep zag kans er vandoor te gaan zonder gevolgd te worden.’ Behoedzaam raakte hij een schakelaar aan. ‘En is het waar dat dit voertuig overal waar zijn berijder dat wenst, uit het niets kan opduiken?’

‘Ja,’ zei Everard.

Deirdre zond hem zo’n toornige blik toe, als Everard zelden tevoren gezien had. Hooghartig bleef zij op een afstand van hem en van Van Sarawak.

Arkonsky zei iets tegen haar dat hij haar wilde laten vertalen. Ze spuwde voor zijn voeten op de grond. Boierik zuchtte en zei tegen Everard: ‘Wij willen een demonstratie van het toestel. U en ik zullen er samen mee op weg gaan. Ik waarschuw u dat ik een revolver in uw rug gereed zal houden. U vertelt me voortdurend van te voren wat u van plan bent en wanneer er iets onverwachts gebeurt, schiet ik. Uw vrienden blijven hier achter als gijzelaar en zullen op het eerste teken van onraad worden neergeschoten. Maar ik ben er zeker van,’ voegde hij eraan toe, ‘dat we het wel met elkaar zullen kunnen vinden.’

Everard knikte. Alles in hem was gespannen; zijn handpalmen voelden vochtig en koud aan. ‘Eerst moet ik een toverformule uitspreken,’ zei hij.

Zijn ogen schoten heen en weer. Met één blik prentte hij zich de stand van de meters die zijn positie en de tijd aangaven, in. Een volgende blik leerde hem waar Van Sarawak, onder bedreiging van Arkonsky’s pistool en de geweren van de bewakers, op een bank zat. Deirdre was ook gaan zitten, strak rechtop en zo ver mogelijk bij hem vandaan. Everard schatte zo nauwkeurig mogelijk de afstand van de bank tot de machine, daarna hief hij zijn armen omhoog en zong in het Universee

‘Van, ik ga proberen om je hier vandaan te halen. Blijf nauwkeurig, herhaal, nauwkeurig waar je nu bent. Ik zal je in de vlucht oppikken. Als alles goed gaat, gebeurt dat een minuut nadat ik met onze harige vriend ben verdwenen.’ De Venusiaan bleef met een onbewogen gezicht zitten maar op zijn voorhoofd vertoonden zich kleine zweetdruppeltjes. ‘In orde,’ zei Everard in zijn gebroken Kimbrisch. ‘Boierik, klim in het achterste zadel, dan zullen we dit magische paard zijn kunsten eens laten vertonen.’

De blonde man knikte en gehoorzaamde. Toen Everard voorop ging zitten, voelde hij hoe de loop van het vuurwapen met trillende vingers in zijn rug werd geduwd. ‘Zeg tegen Arkonsky dat we over een half uur terug komen,’ zei hij. De tijdseenheden die hier gebruikt werden, waren ongeveer gelijk aan die van zijn eigen wereld, daar beiden van de Babyloniërs stamden. Toen dat gebeurd was, zei Everard: ‘We zullen nu eerst in de lucht boven de oceaan opduiken en daar blijven zweven.’

‘M… m… mooi,’ zei Boierik. Het klonk niet erg overtuigend. Everard stelde de knoppen in op een afstand van twintig kilometer in oostelijke richting en een hoogte van driehonderd meter en legde de hoofdschakelaar om. Ze zaten schrijlings als heksen op een bezemsteel en keken neer op de groen-grijze oneindigheid en op de vage streep van het land in de verte. Een harde wind trachtte hen uit het zadel te werpen. Everard greep zich stevig met zijn knieën vast. Hij hoorde Boierik vloeken en glimlachte gespannen. ‘En,’ vroeg hij, ‘hoe bevalt het?’

‘Tja… het is fantastisch.’ Nu hij eraan begon te wennen, nam het enthousiasme van de Kimbriër zienderogen toe. ‘Een ballon is niets hierbij vergeleken. Met deze machines kunnen we over vijandelijke steden vliegen en er vuur op werpen.’

Op de een of andere manier vond Everard het hierna niet meer zo erg zijn plan uit te voeren.

‘Nu zullen we in rechte lijn vliegen,’ kondigde hij aan, waarna hij de machine in snelle vaart door het luchtruim stuurde. Boierik liet een triomfantelijke kreet horen. ‘En nu springen we in één moment naar uw land.’

Everard draaide aan de stuurknop. De machine maakte een looping en stortte met een versnelling van driemaal de zwaartekracht, omlaag.

Hoewel hij wist wat er gebeuren zou, had de Patrouille-agent de grootste moeite in het zadel te blijven. Hij zou nooit weten of het de looping of de val was geweest die Boierik uit het zadel wierp. In een flits zag hij hoe de man door de ruimte omlaag tuimelde naar het zeeoppervlak en wenste maar niets gezien te hebben.

Hij bleef nog enige tijd boven de golven hangen. Zijn eerste reactie was een gevoel van huivering. Veronderstel eens dat Boierik nog tijd had gehad om te schieten? Dan overviel hem een gevoel van schuld. Hij schudde beide gevoelens van zich af en concentreerde zich op het vraagstuk, hoe Van Sarawak te redden.

Hij stelde de plaatscoördinaten in op een afstand van dertig centimeter voor de bank waarop Van Sarawak zat en de tijdregelaar op een minuut na zijn vertrek. Hij hield zijn rechterhand bij het bedieningspaneel — hij zou snel moeten handelen — en liet zijn linkerhand vrij. ‘Hou je vast, jongen. Daar gaan we dan.’ De machine flitste bijna recht tegenover Van Sarawak weer tevoorschijn. Everard greep de tuniek van de Venusiaan en trok hem dicht naar zich toe zodat hij binnen het krachtveld van de machine was en draaide tegelijkertijd met zijn rechterhand de tijdregelaar terug en wierp de hoofdschakelaar om.

Een kogel ketste op het metaal. Everard ving nog een glimp op van de schreeuwende Arkonsky waarna alles uit het gezicht verdween en ze op een met gras begroeide helling stonden die glooiend afliep naar het strand. Ze waren tweeduizend jaar in het verleden.

Hij liet zich trillend voorover op het bedieningspaneel vallen. Een kreet bracht hem weer tot zichzelf. Hij draaide zich met een ruk om naar de Venusiaan die, met een arm nog om Deirdre’s middel, op de helling lag.

De wind was afgenomen en de zee zond haar golven naar een breed, wit strand terwijl hoog in de lucht wolken voortdreven.

‘Ik kan niet zeggen dat ik het je kwalijk neem, Van.’ Everard liep met de blik op de grond gericht voor de tijdmachine heen en weer. ‘Maar het maakt de zaak wel ingewikkelder.’

‘Wat had je dan van me verwacht,’ vroeg de ander ruw. ‘Had ik haar dan moeten achterlaten om door die schurken gedood te worden of met haar hele wereld te worden weggeblazen?’

‘Denk eraan dat we geconditioneerd zijn. Zonder speciale toestemming zijn we niet eens in staat haar de waarheid te vertellen, zelfs al zouden we dat willen. Persoonlijk wil ik dat ook niet.’

Everard keek naar het meisje. Ze hijgde naar adem en haar ogen hadden een vochtige glans. De wind speelde door haar haren en door de plooien van haar lange, dunne jurk. Ze schudde het hoofd alsof ze zich van een nachtmerrie bevrijden wilde, rende naar hen toe en greep hun handen vast. ‘Vergeef me Manslach,’ zei ze. ‘Ik had kunnen weten dat je ons niet verraden zou.’

Zij kuste hen beiden. Van Sarawak beantwoordde dat met de gretigheid die van hem verwacht kon worden maar Everard kon dat niet. Hij zou zich een Judas gevoeld hebben. ‘Waar zijn we?’ vervolgde ze. ‘Het lijkt op Llangollen maar er zijn nergens bewoners. Heb je ons naar de Gelukzalige Eilanden gebracht?’ Ze draaide zich op een voet om en danste door de zomerbloemen. ‘Kunnen we hier nog even blijven, voor we naar huis gaan?’

Everard haalde diep adem. ‘Ik heb slecht nieuws voor je, Deirdre,’ zei hij.

Ze werd stil. Hij zag hoe ze zich vermande. ‘We kunnen niet terug.’ Ze wachtte zwijgend.

‘De… de bezweringsformules die ik moest gebruiken om ons leven te redden — er was geen keus. Die bezweringen hebben de terugweg voor ons afgesloten.’

‘Is er geen hoop meer?’ Hij kon haar nauwelijks verstaan. Hij voelde zijn ogen steken. ‘Nee,’ zei hij. Zij wendde zich om en liep weg. Van Sarawak wilde haar achterna, maar bedacht zich en ging naast Everard zitten. ‘Wat heb je haar verteld?’ vroeg hij.

Everard herhaalde zijn woorden. ‘Het lijkt me de beste oplossing,’ zei hij. ‘Ik kan haar niet terugzenden. We weten wat deze wereld te wachten staat.’

‘Nee,’ Van Sarawak staarde enige tijd naar de zee. Toen zei hij: ‘Welk jaar hebben we hier? Zijn we ongeveer in de tijd van Christus? Dan zijn we nog steeds in de tijd na het keerpunt.’

‘Ja en we moeten er nog steeds achter zien te komen wat dat keerpunt is.’

‘Laten we naar een bureau van de Patrouille dat verder in het verleden ligt, gaan. Daar kunnen we hulp halen.’

‘Misschien,’ Everard lag languit in het gras naar de hemel te staren. Nu kwam de reactie. ‘Maar ik denk dat ik dat keerpunt met Deirdre’s hulp, ook wel kan lokaliseren. Maak me wakker als ze terug is.’

Toen ze terugkwam huilde ze niet meer hoewel ze dat wel gedaan had. Nadat Everard haar gevraagd had of ze hem wilde helpen zijn opdracht te vervullen, knikte ze. ‘Natuurlijk, mijn leven behoort toe aan mijn redders.’

‘Nadat we je eerst in moeilijkheden hebben gebracht,’ dacht hij. En hardop: ‘Ik wil alleen wat inlichtingen van je. Heb je wel eens gehoord dat… dat mensen in slaap gebracht kunnen worden zodat ze alles geloven wat hen verteld wordt?’ Zij knikte aarzelend. ‘Ik heb druïdengenezers dat zien doen.’

‘Er gebeurt niets ergs met je. Ik wil je alleen maar in slaap brengen zodat je je alles wat je weet weer kunt herinneren; ook datgene waarvan je denkt dat je het vergeten bent. Het duurt niet lang.’

Het deed hem pijn te zien, hoeveel vertrouwen zij in hem stelde. Met behulp van de Patrouillemethoden bracht hij haar in een diepe, hypnotische trance, waarin zij zich letterlijk alles weer kon herinneren, zodat hij alles wat zij ooit over de tweede Punische oorlog gehoord of gelezen had weer naar boven haalde. Alles bij elkaar was dat genoeg om het doel dat hij zich gesteld had, te kunnen bereiken. Toen de Romeinen tussenbeide kwamen omdat de Cartha-gers het gesloten verdrag schonden, door hun veroveringstochten ten zuiden van de Ebro uit te strekken, was dat de druppel die de emmer deed overlopen. In 219 voor Christus belegerde Hannibal Barca, gouverneur van het Carthaagse deel van Spanje, Saguntum. Na acht maanden nam hij het in en lokte op deze manier een reeds lang voorbereide oorlog met Rome uit. In de eerste week van mei in 218 trok hij met 90.000 man infanterie, 12.000 man cavalerie en 37 olifanten over de Pyreneeën, marcheerde door Gallië en trok de Alpen over. De verhezen die hij onderweg leed, waren gruwelijk; slechts 20.000 man voetvolk en 6000 paarden bereikten laat in het jaar, Italië. Desondanks vernietigde hij bij de Ticino een superieur Romeins leger. In de loop van het volgende jaar behaalde hij in verschillende bloedige veldslagen de overwinning en trok hij Apulië en Campanië binnen. De bewoners van Apulië en Lucania, de Bruttianers en de Samnieten kozen zijn zijde. Quintus Fabius Maximus streed een verbitterde guerrilla die Italië verwoestte en die desondanks geen beslissing bracht. Maar inmiddels deed Hasdrubal Barca in Spanje zijn uiterste best en arriveerde hij in 211 met versterkingen. In het jaar 210 nam Hannibal Rome in waarna hij het in brand stak en in 207 hadden de laatste bondgenoten zich aan hem onderworpen. ‘Dat is het dan,’ zei Everard. Hij streelde de koperkleurige lokken van het meisje dat naast hem lag. ‘Ga nu maar slapen. Slaap lekker en ontwaak zonder zorgen.’

‘Wat heeft ze je verteld?’ vroeg Van Sarawak. ‘Een grote hoeveelheid details,’ zei Everard. Het hele verhaal had meer dan een uur in beslag genomen. ‘Maar waar het om draait is dit: ze bezit een uitgebreide kennis van die periode maar ze noemde niet de naam van de Scipio’s.’

‘De wie?’

‘Publius Cornelius Scipio voerde bij de Ticino het bevel over het Romeinse leger. Hij werd daar in onze wereld inderdaad verslagen. Maar later was hij zo verstandig, naar het westen te trekken en de Carthaagse basis in Spanje afbreuk te doen. Het resultaat was dat Hannibal in Italië de pas werd afgesneden en dat het beetje Spaanse hulp dat hem nog gezonden kon worden, vernietigd werd. De zoon van Scipio die dezelfde naam droeg, bekleedde eveneens een hoge positie in het leger en hij was het die Hannibal ten slotte bij Zama vernietigde. Hij wordt Scipio Africanus de oudere genoemd.

Vader en zoon waren verreweg de beste legeraanvoerders die Rome ooit gekend heeft. Maar Deirdre had nooit van hen gehoord.’

‘Dus…’ Van Sarawak staarde over de zee naar het oosten waar de Galliërs, de Kimbren en de Parthen hun spoor trokken door de vernietigde klassieke wereld. ‘Wat is er in deze tijdlijn dan met hen gebeurd?’

‘Mijn eigen geheugen zegt me dat de beide Scipio’s de slag bij de Ticino meemaakten en er bijna gedood werden. Tijdens de terugtocht die naar ik aanneem wel meer op een panische vlucht zal hebben geleken, redde de zoon zijn vader het leven. Ik durf erom te wedden dat de Scipio’s in deze wereld, daarginds sneuvelden.’

‘Iemand moet hen naar de andere wereld geholpen hebben,’ zei Van Sarawak. Er kwam een dreigende klank in zijn stem. ‘De een of andere tijdreiziger. Dat kan niet anders.’

‘Het is in ieder geval wel waarschijnlijk. We zullen zien.’ Everard keek van Deirdre’s sluimerend gelaat weg. ‘We zullen zien.’


8

<p>8</p>

Een half uur nadat ze het voor hun tocht naar New York verlaten hadden, arriveerden de Patrouille-agenten in het jachthuis in het Pleistoceen waar ze het meisje achterlieten onder de hoede van een vriendelijke, Grieks sprekende matrone. Daarna riepen ze hun collega’s bijeen. Er werden in alle richtingen boodschappen door de tijdruimte verzonden. Alle bureau’s voor 218 v. C. waren nog aanwezig. Het verst gelegen was dat van Alexandrië. Alles bij elkaar waren er nog zo’n 200 agenten. Schriftelijk contact met de toekomst bleek onmogelijk en enkele korte tochtjes naar de toekomst verschaften de laatste zekerheid. In de Academie, ver in het verleden in het Oligoceen, werd een conferentie belegd. Agenten in bijzondere dienst hadden een hogere rang dan die in algemene dienst maar onder de eersten waren er niet met een hogere rang dan de anderen. Everard zag zich op grond van zijn ervaringen tot voorzitter van een commissie van hoge officieren benoemd.

Het was geen gemakkelijk baantje. Deze mannen en vrouwen hadden de eeuwen doorkruist en de wapens der goden gehanteerd. Desondanks waren het gewone mensen met alle ingewortelde karakterfouten van hun ras. Iedereen was het er mee eens dat men de aangerichte schade moest herstellen. Maar men vreesde voor het voortbestaan van die agenten die net als Everard, de toekomst ingereisd waren voor men hen had kunnen waarschuwen. Als ze op het moment dat de geschiedenis opnieuw veranderd werd nog niet terug zouden zijn, zou men hen nooit weer terugzien. Everard zond enkele reddingsploegen uit maar twijfelde aan hun succes. Hij gaf ze de ernstige waarschuwing, binnen een dag plaatselijke tijd, terug te keren. Anders zouden ze zelf de gevolgen moeten dragen. Een afgevaardigde uit het tijdperk van de wetenschappelijke Renaissance bracht een ander probleem naar voren. De overlevenden hadden ongetwijfeld de plicht, de geschiedenis weer in het ‘oorspronkelijke’ spoor te brengen. Maar zij hadden ook verplichtingen ten opzichte van de wetenschap. Hier deed zich de unieke kans voor om een geheel andere fase van de ontwikkeling der mensheid te bestuderen. Eerst zou men gedurende enkele jaren antropologische onderzoekingen moeten doen voordat… Met veel moeite wist Everard hem het zwijgen op te leggen. Er waren niet genoeg Patrouille-leden over om het risico te nemen. Er werden studiegroepen gevormd om te onderzoeken op welk moment en onder welke omstandigheden de verandering was ingetreden. Er werd eindeloos gekrakeeld over de te volgen methoden. Everard staarde woedend uit het venster de voormenselijke nacht in en vroeg zich af of de sabel-tandtijgers hun zaken per slot van rekening toch niet beter regelden dan hun aapachtige opvolgers. Toen hij ten slotte de verschillende groepen had weggewerkt, scharrelde hij een goede fles op en bedronk zich samen met Van Sarawak.

Op de bijeenkomst van de volgende dag nam de bestuurscommissie de verslagen van de mannen die gezamenlijk een flink aantal jaren in de toekomst bezocht hadden, in ontvangst. Ze hadden een twaalftal Patrouille-agenten die op min of meer smadelijke wijze in moeilijkheden waren geraakt, ontzet. Twintig anderen moesten eenvoudig worden afgeschreven. Het verslag van de inlichtingengroep was belangwekkender. Het scheen dat twee Zwitserse huurlingen zich in de Alpen bij het leger van Hannibal hadden gevoegd en erin geslaagd waren zijn vertrouwen te winnen. Na de oorlog waren ze in Carthago tot hoge posten opgeklommen. Onder de namen Phrontes en Himilco hadden ze praktisch alle macht in handen gehad, de moord op Hannibal op touw gezet en alle records op het gebied van een lu-xueuse levenswijze geslagen. Een van de patrouille-leden had hun woningen en de mannen zelf, gezien. ‘Er waren serie’s verbeteringen aangebracht die voor de klassieke geschiedenis ongehoord waren. De kerels leken me afkomstig te zijn uit het tweehonderdvijfde millennium.’ Everard knikte. Dat was een tijdperk van banditisme dat de Patrouille al heel wat moeite bezorgd had. ‘Ik denk dat we het probleem opgelost hebben,’ zei hij. ‘Het doet er wei nig toe of ze voor de slag bij de Ticino al in het leger van Hannibal waren. Het zou verduiveld moeilijk zijn hen in de Alpen te arresteren zonder daarbij zo’n herrie te veroorzaken dat dat alleen al de geschiedenis zou wijzigen. ‘Waar het om gaat, is dat ze de Scipio’s waarschijnlijk uit de weg geruimd hebben en op dat moment zullen wij moeten toeslaan.’ Een negentiende-eeuwse Brit, een bekwaam agent, die in zijn optreden iets weg had van kolonel Blimp, ontrolde een kaart en begon een verhandeling af te steken over zijn luchtwaarnemingen van het gevecht. Hij had een infrarood-telescoop gebruikt om door het lage wolkendek te kunnen kijken. ‘En hier stonden de Romeinen…’

‘Weet ik,’ zei Everard. ‘Die dunne rode lijn. Het kritieke moment komt wanneer zij op de vlucht slaan. In de daarmee gepaard gaande verwarring kunnen wij onze kans grijpen. Goed, wij zullen het slagveld onopvallend omsingelen maar ik geloof niet dat we het ons kunnen veroorloven om met meer dan twee agenten tegelijk op het toneel van de strijd te verschijnen. De jongens zullen op hun hoede zijn en mogelijke tegenmaatregelen verwachten, zie je. Het bureau in Alexandrië kan Van en mij van kleding voorzien.’

‘Hoor eens,’ riep de Engelsman uit, ‘ik dacht dat ik het voorrecht zou hebben…’

‘Nee, het spijt me.’ Everard produceerde een scheef glimlachje. ‘Overigens is er van voorrecht geen sprake. Je riskeert alleen maar je nek om een wereld bewoond met mensen zoals wijzelf, in het niet te laten verdwijnen.’

‘Wel verdraaid…’

Everard stond op. ‘Ik moet nu gaan,’ zei hij effen. ‘Ik weet niet waarom maar ik moet gaan.’ Van Sarawak knikte.

Ze lieten hun machine achter tussen een groepje bomen en begonnen het veld over te steken.

Achter de horizon en hoog in de lucht wachtten ongeveer honderd Patrouille-agenten maar hier, tussen speren en pijlen vormde die wetenschap maar een schrale troost. Een koude gierende wind joeg laaghangende wolken voor zich uit en er vielen een paar regendruppels. Het zonnige Italië beleefde de late herfst.

Zwaar drukte het harnas op Everards schouders terwijl hij door de met bloed doordrenkte modder liep. Hij droeg een helm en scheenplaten, een Romeins schild hing aan zijn linkerarm en om zijn gordel hing een zwaard. Met zijn rechterhand omknelde hij een stralingswapen. Van Sarawak op dezelfde wijze uitgerust, draafde achter hem aan terwijl zijn ogen onder de door de wind verwaaide officierspluim snel heen en weer schoten.

Trompetgeschal en tromgeroffel weerklonk. Het klonk hoorbaar uit boven de kreten der soldaten, het gestamp van voeten, de hinnikende paarden zonder ruiters en de snorrende pijlen. Slechts enkele kapiteins en hoplieden zaten nog te paard. Zoals voor de uitvinding van de stijgbeugel vaak gebeurde, was, wat als een cavalerie gevecht begonnen was, geheel en al overgegaan in een strijd te voet nadat de lan-ciers van hun rijdieren gevallen waren. De Carthagers drongen op en hakten met het scherpe staal op de terugdeinzende Romeinse Unies in. Hier en daar vielen de strijders in kleine groepjes van vloekende en naar vreemdelingen slaande mannen uiteen.

De strijd was dit deel van het terrein al gepasseerd. Om zich heen zag Everard niets dan dood en verderf. Hij haastte zich achter de Romeinse Unies op weg naar de glanzende adelaars in de verte. Temidden van de gevallen helmen en de dode Uchamen zag hij een purper en blauw gekleurde banier trots wapperen in de wind. En daar naderde een groep olifanten die zich met opgeheven slurven en luid trompetterend, vreeswekkend aftekenden tegen de grijze hemel. Altijd was de oorlog hetzelfde: het was geen zaak van keurig over een kaart getrokken lijntjes, of van juichende heldenmoed maar van verbijsterde, naar adem snakkende, zwetende en bloedende mannen.

Ze kwamen voorbij een tengere, donkerhuidige jongen die over de grond kruipend, zwakke pogingen in het werk stelde de werpspies die zijn maag doorboord had er weer uit te trekken. Hij was een Carthaags slingeraar maar de zware Italiaanse boer naast hem die met een blik vol ongeloof naar de stomp van zijn arm zat te staren, besteedde geen aandacht aan hem.

Boven hen dreef een vlucht kraaien op de wind. ‘Deze kant op,’ mompelde Everard. ‘In Gods naam, schiet op! Ieder ogenblik kan die verdedigingslinie het begeven.’ In een sukkeldrafje Uep hij moeizaam ademhalend, op de standaard van de RepubUek af. Hij moest er opeens aan denken dat hij altijd Uever gezien had dat Hannibal zou winnen. De kille, fantasieloze machtsbegeerte van de Romeinen had iets weerzinwekkends. En nu probeerde hij de stad te redden. Ach ja, het leven is vaak een vreemde zaak. Het troostte hem enigszins dat Scipio Africanus een van de weinige fatsoenlijke kerels uit het naoorlogse Rome was. Het schreeuwen en het wapengekletter klonken luider terwijl de Italianen achteruit wankelden. Het leek Everard of er een golf tegen een rots te pletter sloeg. In dit geval was het echter de rots die luid schreeuwend en om zich heenslaand, voorwaarts trok. Hij begon te rennen. Een van angst huilende legioensoldaat rende langs hem heen. Een vergrijsde Romeinse veteraan spuwde op de grond, plantte zijn voeten in de aarde en bleef staan waar hij stond tot hij werd neergehouwen. De olifanten van Hannibal trompetterden en liepen wild heen en weer. Gehoorzamend aan het onwerkelijke ritme van de troms trokken de Carthaagse gelederen voorwaarts.

Naar voren, nu! Everard bemerkte enkele op paarderuggen gezeten soldaten; Romeinse officieren. Zij hielden de adelaars recht omhoog en schreeuwden luid, maar niemand kon hen boven het lawaai uit verstaan.

Een groepje legioensoldaten marcheerde langs hen heen. Hun aanvoerder wenkte de Patrouille-leden: ‘Hierheen! We zullen hen er, bij Venus’ schoot, eens van langs geven!’ Everard schudde het hoofd en liep door. De Romein gromde en sprong op hem af. ‘Kom hier, jij laffe…’ Een straal uit het pistool sneed zijn woorden af. Hij stortte in de modder. Zijn mannen huiverden, sommigen begonnen te jammeren waarna de hele groep op de vlucht sloeg. De Carthagers waren nu heel dichtbij: een muur van schilden en van bloed druipende zwaarden. Everard kon het witte litteken op de wang van een der soldaten en de grote haakneus van een andere onderscheiden. Iemand wierp hem een speer naar het hoofd die op zijn helm afketste. Hij boog het hoofd en begon te rennen. Voor hem doemde een groepje strijdenden op. Hij trachtte er omheen te rennen en struikelde over een verminkt lichaam. Een Romeins soldaat viel op zijn beurt over hem heen. Van Sarawak vloekte en trok hem overeind. Iemand bracht de Venusiaan met zijn zwaard een wond aan zijn arm toe.

Scipio’s mannen, verderop, waren omsingeld en streden een hopeloze strijd. Everard bleef staan, pompte zijn uitgeputte longen vol lucht en staarde door de zacht neervallende regen. Vochtig glansde de wapenrusting van een groep naderbij galopperende Romeinse ruiters. De modder kleefde tot aan de neuzen van hun paarden. Dat zou de zoon, de toekomstige Scipio Africanus zijn, die zijn vader kwam redden. De hoefslagen donderden door de lucht. ‘Daar!’

Het was Van Sarawak die naar iets wees. Everard dook op zijn plaats ineen terwijl de regen van zijn helm op zijn gezicht droop. Van de andere kant kwam een groep Carthagers op het strijdgewoel rond de adelaars toegereden. Aan het hoofd reden twee mannen met de scherpgetekende gelaatstrekken van Neldorianen. Zij droegen een Amerikaanse legerhelm maar hadden ieder een geweer met een heel smalle, lange loop bij zich.

‘Deze kant op!’ Everard draaide zich op de hielen om en rende in hun richting. Het leer van zijn wapenrusting kraakte terwijl hij verderliep. De Patrouille-leden waren al vlak bij de Carthagers voor ze werden opgemerkt. Toen riep een van de ruiters een waarschuwing: ‘Twee krankzinnige Romeinen!’ Everard zag hem in zijn baard grinniken. Een van de Neldorianen hief zijn wapen op.

Everard plofte voorover op de grond. Op de plaats waar hij zojuist stond, siste nu de venijnige, blauw-witte straal. Hij vuurde een schot af waarop een van de Afrikaanse paarden met veel metaalgekletter ineen zakte. Van Sarawak hield, regelmatig vurend, stand. Twee, drie, vier — en daar viel een van de Neldorianen in de modder!

Rondom de Scipio’s sloegen de mannen op elkaar in. De begeleiders van de Neldorianen schreeuwden het in panische angst uit. Waarschijnlijk hadden ze al eerder een demonstratie van het stralingswapen meegemaakt maar deze onzichtbare slagen waren iets heel anders. Zij gingen er vandoor. De tweede bandiet kreeg zijn paard weer in bedwang en keerde het om hen te volgen.

‘Zorg jij voor die ene die jij hebt neergelegd, Van,’ hijgde Everard. ‘Sleep hem het slagveld af. We hebben hem een paar vragen te stellen…’ Hij krabbelde overeind en liep naar een paard zonder ruiter. Hij zat al in het zadel en ging achter de Neldoriaan aan voor hij zich er eigenlijk goed van bewust was.

Achter hem wisten Publius Cornelius Scipio en zijn zoon zich vrij te vechten en zich weer bij hun vluchtende leger te voegen.

Everard snelde over het chaotische slagveld. Hoewel hij zijn paard voortdurend tot groter spoed aanzette, was hij er toch tevreden mee de vluchteling te volgen. Wanneer ze eenmaal uit het gezicht van het slagveld verdwenen waren, kon er een tijdmachine naar beneden komen om korte metten met zijn prooi te maken.

Maar de tijdbandiet moest hetzelfde gedacht hebben. Hij hield de teugels in en richtte zijn wapen. Everard zag een verblindende lichtflits en voelde zijn wang steken toen het schot rakelings langs hem heen ging. Hij stelde zijn pistool op een wijde straal in en reed vurend op hem af. Een nieuwe ontlading trof zijn paard recht in de borst. Het dier tuimelde voorover en Everard vloog uit het zadel. Zijn geoefende reflexen hielpen hem zijn val te breken. Hij sprong weer op zijn voeten en stormde op zijn tegenstander af. Hij was zijn wapen dat in de modder was gevallen, kwijt. Het deed er niet toe; als hij in leven bleef, kon hij het altijd nog opzoeken. De wijde straal had haar doel getroffen. Bij deze verzwakking was ze weliswaar niet krachtig genoeg om er iemand mee neer te leggen maar het resultaat was toch dat de Neldoriaan zijn wapen had laten vallen en zijn paard met gesloten ogen heen en weer zwaaide.

De regen sloeg Everard in het gezicht. Hij werkte zich in de richting van het paard. De Neldoriaan trok een zwaard en sprong op de grond. Everard trok zijn eigen wapen uit het gevest.

‘Zoals je wilt,’ zei hij in het Latijn. ‘Een van ons beiden zal dit slagveld niet meer verlaten.’


9

<p>9</p>

De maan die boven de bergen omhoog rees, deed de sneeuw zacht glinsteren. Ver naar het noorden weerkaatste het licht in een gletsjer. Er huilde een wolf. In hun grot waren de Cro-Magnons aan het zingen. Het geluid drong vaag tot de serre door.

Deirdre stond in het donker naar buiten te kijken. Het maanlicht tekende lichte plekken op haar gezicht en verlichtte enkele tranen. Toen Everard en Van Sarawak van achteren op haar toe hepen, schrok zij op.

‘Bent u alweer zo spoedig terug?’ vroeg zij. ‘U hebt mij pas vanmorgen hier achter gelaten.’

‘We hadden niet veel tijd nodig,’ zei Van Sarawak. Hij had zich onder hypnose het Attisch-Grieks laten leren. ‘Ik hoop…’ ze probeerde te glimlachen… ‘Ik hoop dat u uw taak volbracht hebt en nu van uw arbeid kunt uitrusten.’

‘Ja,’ zei Everard, ‘we zijn klaar.’

Ze stonden enige tijd naast elkaar naar het winterlandschap te kijken.

‘Is het waar wat u zei: kan ik nooit meer naar huis terugkeren?’ Deirdre’s stem klonk beheerst. ‘Ik ben bang van wel. De toverspreuken…’ Everard wisselde een blik met Van Sarawak.

Ze hadden officiële toestemming het meisje zoveel te vertellen als ze maar wilden en haar naar iedere willekeurige plaats die ze voor haar het geschiktst achtten, te brengen. Van Sarawak hield vol dat het Venus in zijn tijd was en Everard was te moe om er met hem over te redetwisten. Deirdre haalde diep adem. ‘Zo zij het,’ zei ze. ‘Ik zal mijn leven niet verspillen door erover te blijven treuren. Maar Baal geve dat het mijn familie goed gaat.’

‘Daar ben ik zeker van,’ zei Everard.

Plotseling was hij tot niets meer in staat. Hij wilde alleen nog maar slapen. Laat Van Sarawak alles wat er nog verteld moest worden maar vertellen en de eventuele dank oogsten.

Hij knikte naar zijn metgezel. ‘Ik ga naar bed,’ verklaarde hij.

‘Ga je gang, Van.’

De Venusiaan nam het meisje bij de arm. Everard ging langzaam naar zijn kamer terug.