Poul Anderson

De enige mogelijkheid


1

<p>1</p>

De naam John Sandoval paste niet bij hem. Dat hij in een sportpantalon en een loshangend shirt voor het venster van een apartement in het Manhattan uit het midden van de twintigste eeuw stond, leek evenmin vanzelfsprekend. Everard was aan anachronismen gewend, maar het donkere, scherp getekende gelaat tegenover hem scheen altijd behoefte te hebben aan oorlogskleuren, een paard en een geweer dat op de een of andere bleekhuidige dief gericht was. ‘Goed,’ zei hij. ‘De Chinezen hebben Amerika ontdekt. Interessant, maar waarom wordt mijn medewerking daarbij verlangd?’

‘Ik zou verduiveld graag willen dat ik het wist,’ antwoordde Sandoval.

Hij stond op de pels van de poolbeer die Bjarni Herjulfsson eens aan Everard had gegeven, en wendde zijn magere gestalte om, om naar buiten te kijken. Torens tekenden zich scherp tegen de heldere lucht af; het lawaai van het verkeer werd gedempt door de hoogte waarop ze zich bevonden. Zijn handen klemden zich nerveus op zijn rug ineen en lieten elkaar dan weer los.

‘Ik kreeg opdracht me van de medewerking van een agent in bijzondere dienst te verzekeren, samen met hem terug te gaan, en naar bevind van zaken te handelen.’ Na een tijdje ging hij verder: ‘Ik kende jou het beste, dus…’ Zijn stem stierf weg.

‘Maar zou je niet beter naar een indiaan zoals jijzelf, kunnen zoeken?’ vroeg Everard. ‘Ik zou in het dertiende-eeuwse Amerika nogal uit de toon vallen.’

‘Des te beter. Geef er maar een indrukwekkend, geheimzinnig tintje aan… Het zal heus geen al te zwaar karwei worden.’

‘Natuurlijk niet,’ zei Everard. ‘Wat het ook zijn mag.’ Hij haalde een pijp en tabak uit zijn schandelijk uitziend huisjasje tevoorschijn, en stopte hem met snelle, nerveuze bewegingen. Een van de moeilijkste lessen die hij, toen hij voor het eerst voor de Patrouille aan het werk ging, had moeten leren, was dat men niet voor iedere belangrijke opdracht een enorme organisatie nodig heeft. Dat was de typische twintigste-eeuwse benadering; maar vroegere beschavingen, zoals die van het Helleense Athene en die van Kamakura in Japan — en hier en daar in de historie ook latere beschavingen — hadden de nadruk gelegd op een zo groot mogelijke ontwikkeling van ieders individuele gaven. Eén enkele rekruut van de Patrouille-academie (weliswaar uitgerust met gereedschappen en wapens uit de toekomst) kon het tegen een hele brigade opnemen. Dit was zowel een noodzakelijkheid als een esthetische kwestie. Er waren veel te weinig mensen beschikbaar om al die duizenden jaren te bewaken.

‘Ik heb de indruk,’ zei Everard langzaam, ‘dat we hier niet te doen hebben met een eenvoudige correctie van de gevolgen van een ingrijpen van buitenaf.’

‘Klopt,’ zei Sandoval nors. ‘Nadat ik van mijn ontdekking verslag had uitgebracht, heeft het bureau van het Yuan tijdperk een grondig onderzoek ingesteld. Tijdreizigers hebben er niets mee te maken. Koeblai Khan heeft dit helemaal alleen uitgedacht. Het kan zijn dat hij geïnspireerd is door de verhalen van Marco Polo over de ontdekkingsreizen van Venetianen en Arabieren, maar het betreft hier de officiële historie, zelfs al maken Marco’s boeken er geen melding van.’

‘De Chinezen bezaten zelf een vrij goede nautische traditie,’ zei Everard. ‘O, het is allemaal nogal gewoon. Dus wat hebben wij er mee te maken?’

Hij kreeg de brand in zijn pijp en trok er hard aan. Sandoval had nog steeds niets gezegd dus vroeg hij: ‘Hoe kwam het dat je die expeditie ontdekte? Ze bevond zich niet in het gebied van de Navajo’s, nietwaar?’

‘Drommels nee, mijn onderzoekingen beperken zich niet tot mijn eigen stam,’ antwoordde Sandoval. ‘Er zijn nu eenmaal te weinig Amerikaanse Indianen in de Patrouille, en het is vervelend om vertegenwoordigers van andere rassen te moeten vermommen. Ik heb me voornamelijk beziggehouden met migraties van de Athabascen.’ Evenals Keith Denison was hij volkenkundig specialist, en ging hij de geschiedenis na van die volken die hun eigen geschiedenis nooit hadden opgeschreven zodat de Patrouille nauwkeurig kon weten, welke gebeurtenissen zij moest bewaken. ‘Ik werkte aan de oostflank van het Cascadengebergte vlakbij Crater Lake,’ ging hij verder. ‘Dat gebied behoort toe aan de Lutuami’s, maar ik had redenen om aan te nemen dat daar een Athabascen stam, waarvan ik het spoor kwijt was geraakt, was langs getrokken. De inheemse bevolking vertelde dat er geheimzinnige vreemdelingen uit het noorden waren aangekomen. Ik ging erop af en daar was de expeditie; Mongolen met paarden. Ik volgde hun spoor terug en ontdekte hun kamp aan de monding van de Chehalis, waar nog enkele Mongolen de Chinese zeelieden hielpen het kamp te bewaken. Ik sprong als een pijl uit de boog de toekomst in en rapporteerde de zaak.’

Everard ging zitten en keek de ander aan. ‘Hoe nauwkeurig was het onderzoek aan de andere kant?’ zei hij. ‘Ben je er absoluut zeker van dat er geen inmenging door tijdreizigers heeft plaats gevonden? Het zou kunnen dat we hier met een blunder te maken hebben waarvan de gevolgen pas nu, na jaren aan het daglicht treden.’

‘Nadat ik mijn opdracht ontvangen had, heb ik daar ook aan gedacht,’ knikte Sandoval. ‘Ik ben zelfs onmiddellijk naar het hoofdbureau van het Yuan tijdperk in Khan Baligh in Cambulac, of Peking zoals jij het noemt, gegaan. Ze vertelden me dat ze bij hun onderzoek tot het leven van Dzjengis terug waren gegaan, en ruimtelijk tot Indonesië. En alles was volkomen in orde net als bij de Noormannen en hun Wijnland. De zaak bleek alleen niet zoveel bekendheid gekregen te hebben. Voorzover men aan het Chinese hof wist, was er een expeditie uitgezonden die nooit was teruggekeerd, en Koeblai kwam tot de slotsom dat het niet de moeite waard was een andere uit te zenden. Het verslag rustte in de keizerlijke archieven maar werd tijdens de Ming revolutie, waarbij de Mongolen verdreven werden, vernietigd. De geschiedschrijving vergat het incident.’

De kwestie liet Everard toch niet los. Gewoonlijk hield hij wel van zijn werk maar er was iets bijzonders aan de hand met deze zaak.

‘Er heeft kennelijk een ramp plaatsgevonden,’ zei hij. ‘Ik zou wel eens willen weten, op welke manier. Maar waarom heb je een agent in bijzondere dienst nodig om hen te bespioneren?’

Sandoval wendde zich van het venster af. Even realiseerde Everard zich weer, hoe weinig de kleine Navajo hier thuishoorde. Hij was geboren in 1930, had in Korea gevochten en een universitaire opleiding gevolgd op een beurs voor oud-strijders voordat hij met de Patrouille in contact kwam. Maar op de een of andere manier paste hij nooit geheel in de twintigste eeuw.

‘Wel, hoort iemand van ons er wel?’ dacht hij. ‘Zou iemand die hier echt thuishoort het kunnen verdragen, te weten wat er ten slotte met zijn eigen volk zal gebeuren?’

‘Maar ze vragen me niet om te gaan spionneren!’ riep Sandoval uit. ‘Nadat ik verslag had uitgebracht, kreeg ik mijn orders regelrecht uit het hoofdkwartier van de Danellianen. Zonder enige verklaring, zonder verontschuldigingen, alleen maar de opdracht om die ramp te arrangeren. Om persoonlijk de geschiedenis te herzien!’


2

<p>2</p>

Anno Domini Twaalfhonderdtachtig: Koeblai Khan heerste over een gebied dat vele lengte- en breedtegraden besloeg. Hij droomde zich een wereldrijk, en aan zijn hof stond iedere gast die nieuwe kennis of een nieuwe filosofie bracht, in hoge ere. Vooral een jonge Venetiaanse koopman, Marco Polo genaamd, werd bijzonder gewaardeerd. Maar niet alle volkeren wensten zich een Mongools heerser. Allerwegen ontstonden geheime revolutionaire genootschappen. Verschillende veroverde gebieden verbonden zich tot het latere China. Japan, waar de machtige Hojo familie veel invloed op de troon uitoefende, had reeds een inval afgeslagen. Daarbij vormden de Mongolen slechts in theorie een eenheid. De Russische prinsen inden de belastingen voor de ‘Gouden Horde’. De Il-Khan Abaka zetelde in Bagdad.

Elders had een schimmig Abbasidisch Kalifaat een onderkomen gevonden in Bagdad. In Delhi heerste de Slavische dynastie, Nicolaas III was paus, Italië werd verscheurd door de strijd der Welfen en der Ghibellijnen, Rudolf van Habs-burg was keizer van, Philips de Stoute koning van Frankrijk, Edward de langbenige heerste in Engeland. Enkele tijdgenoten waren Dante Alighieri, Joannes Duns Scotus, Roger Bacon en Thomas de Rhymer. En in Noord Amerika hielden Manse Everard en John Sandoval hun paarden in om vanaf een heuvelhelling naar beneden te kijken.

‘Vorige week zag ik ze voor het laatst,’ zei de Navajo. ‘Sinds dat moment zijn ze een flink eind verder gekomen. In dit tempo zijn ze over een paar maanden in Mexico. Zelfs als we er rekening mee houden dat er verderop nog wat ruw terrein komt.’

‘Naar Mongoolse opvattingen nemen ze er hun gemak van,’ verzekerde Everard hem.

Hij hief zijn kijker op. Om hem heen lag het land in voorjaarstooi. Zelfs de hoogste en oudste beuken droegen vrolijk lichtgroen lover. Pijnbomen ruisten in de koude, harde wind die uit de bergen woei en naar smeltende sneeuw rook, onder een hemel waarin vogels in zulke grote zwermen naar hun zomerverblijf terugvlogen, dat ze de zon konden verduisteren. De toppen van het Cascadengebergte in het westen schenen te zweven, blauwachtig-wit, ver verwijderd en geheiligd. De met bossen en weiden bedekte heuvels aan de voet van het gebergte tuimelden over elkaar naar een vallei en eindigden ten slotte achter de horizon in de prairies waarover kudden buffels met donderend hoefgestamp hun weg zochten.

Everard richtte zijn kijker op de expeditie. Zij bewoog zich kronkelend door het open land, daarbij min of meer de loop van een riviertje volgend. Ze bestond uit ongeveer zeventig mannen, die op ruigharige, vale Aziatische paarden, met korte benen en langgerekte hoofden, reden. Zij leidden lastdieren en reservepaarden met zich mee. Hij ontdekte enkele inheemse gidsen die zich zowel door de lelijke manier waarop zij in het zadel zaten als door hun gelaatsvorm en hun kleding verraadden. Maar de nieuwkomers trokken het meest zijn belangstelling.

‘Heel wat drachtige merries die als lastdier worden gebruikt,’ merkte hij half tot zichzelf op. ‘Ik vermoed dat ze zoveel mogelijk paarden in hun schepen hebben meegenomen en die overal waar ze halt hielden, loslieten om te grazen en wat beweging te nemen. Nu fokken ze erbij terwijl ze verder trekken. Dit soort pony is taai genoeg om een dergelijke behandeling te kunnen doorstaan.’

‘Ik heb gezien dat het detachement bij het schip ook paarden aan het fokken is,’ deelde Sandoval hem mee. ‘Wat weet je nog meer van die troep?’

‘Niet meer dan ik je al verteld heb, wat weinig meer is dan je al gezien hebt. En dan is er nog het verslag dat enige tijd in de archieven van Koeblai heeft gelegen. Maar zoals je je zal herinneren, staat daar niet meer in dan dat vier schepen onder bevel van de Noyon Toktai en de geleerde Li Tai-Tsoeng uitgezonden werden om de eilanden voorbij Japan te verkennen.’

Everard knikte afwezig. Het had geen zin hier te blijven zitten en weer alles te herkauwen wat ze nu al zo’n honderd maal hadden doorgenomen. Het was hen toch alleen maar om uitstel begonnen.

Sandoval schraapte zijn keel. ‘Ik vraag me nog steeds af of het wel goed is samen naar beneden te gaan,’ zei hij. ‘Waarom blijf jij niet hier om in actie te komen wanneer ze vervelend gaan doen?’

‘Last van een heldencomplex, hè?’ zei Everard. ‘Nee, het is beter als we samen gaan. Trouwens, ik verwacht geen moeilijkheden; nog niet. Deze jongens zijn veel te intelligent om iedereen ongemotiveerd tegen zich in het harnas te jagen. Ze hebben een goede verstandhouding met de indianen bewaard, is het niet? En wij zullen in nog meerdere mate een onbekende grootheid voor hen zijn… Toch zou ik er geen bezwaar tegen hebben eerst iets te drinken.’

‘Ja, en na afloop weer.’

Ieder nam een duik in zijn zadeltas, haalde er een tweeliter-kruik uit en hief hem op. De Schotse whisky brandde in Everards keel en deed zijn bloed sneller stromen. Hij klakte met de tong naar zijn paarden en beide Patrouilleleden reden de helling af.

Er weerklonk een fluittoon. Ze waren ontdekt. Hij reed in een kalm gangetje door naar de voorhoede van de Mongoolse karavaan. Een paar voorrijders sloten hen aan beide kanten in, de pijlen gereed op de korte, krachtige bogen, maar zij kwamen niet tussenbeide.

‘Ik denk dat we een ongevaarlijke indruk maken,’ dacht Everard. Evenals Sandoval droeg hij twintigste-eeuwse overkleding: een jekker om zich tegen de wind en een hoed om zich tegen de regen te beschermen. Zijn eigen uitrusting was heel wat minder fraai dan de door Abercrombie en Fitch geleverde spullen van de Navajo. Beiden droegen dolken als versiering, Mauser machinepistolen en dertigste-eeuwse stralingswapens, voor het geval er zich iets ernstigs voordeed. De troep hield de teugels in, wat zo gedisciplineerd ging dat ze als één man stilhielden. Terwijl hij naderbij kwam, nam Everard hen nauwkeurig op. Vóór zijn vertrek had hij in enkele uren, met behulp van elektronische apparaten, een tamelijk nauwkeurig kennisbeeld omtrent taal, geschiedenis, technologie, omgangsvormen en morele opvattingen van de Mongolen, Chinezen en zelfs van de lokale indianenstammen, opgedaan. Maar hij had deze mensen nooit tevoren van nabij gezien. Allen bezaten ze een goede uitrusting, ze droegen laarzen en lange broeken, met metalen platen bezette leren kurassen met lakversieringen, en kegelvormige helmen waarop een pen of een pluim bevestigd kon worden. Hun bewapening bestond uit een gebogen zwaard, een mes, een lans, en een boog met dubbele buiging. Aan het hoofd van de stoet reed een man die een standaard torste, die van Yakstaarten gemaakt was en doorvlochten met gouddraad. Met hun donkere spleetogen sloegen zij de nadering van de Patrouilleagenten onaangedaan gade. De aanvoerder was gemakkelijk te herkennen. Hij reed in de voorhoede en van zijn schouders wapperde een gerafelde zijden mantel. Hij was een stuk groter dan de meeste mannen van zijn troep en zag er met zijn rode baard en de bijna Romeinse neus heel wat wreder uit. De indiaanse gids aan zijn zijde trok een angstig gezicht en ging haastig wat achteruit; maar Toktai Noyon bleef waar hij was, terwijl hij Everard met zijn roofdierogen scherp opnam. ‘Gegroet,’ riep hij, toen de nieuw aangekomenen binnen gehoorsafstand waren gekomen. ‘Welke boodschap brengt gij?’ Hij sprak het dialect van de Loetoeami’s, dat later de taal van de Klamaths zou worden, met een gruwelijk accent. Everard antwoordde in vloeiend, blaffend Mongools: ‘Gegroet Toktai, zoon van Batoe. Wanneer de Tengri dat willen, komen wij in vrede.’

Het was een goede zet. Everard zag uit zijn ooghoeken Mongolen naar hun amuletten grijpen of bezweringstekens maken tegen het boze oog. Maar de man die links van Toktai reed, nam al gauw weer een houding van rustig zelfvertrouwen aan. ‘Aha,’ zei hij, ‘de bewoners van de Westelijke landen zijn ook tot dit land doorgedrongen. Dat wisten wij niet.’

Everard keek naar hem. Hij was langer dan de meeste Mongolen en bezat een bijna witte huidskleur, fijnbesneden gelaatstrekken en slanke handen. Hoewel hij over het geheel net zo gekleed was als de anderen, was hij ongewapend. Hij leek ouder dan de Noyon, misschien vijftig. Everard boog in het zadel en ging op het Noordchinees over: ‘Geëerde Li Tai-Tsoeng, het doet mij, nietswaardige, leed uwe eminentie te moeten tegenspreken, maar wij komen van het grote rijk dat verder naar het zuiden ligt.’

‘Daarover zijn ons geruchten ter ore gekomen,’ zei de geleerde. Hij kon zijn opwinding niet geheel onderdrukken. ‘Zelfs hier, ver in het noorden, gaan er verhalen over een rijk en schitterend land. Wij zijn ernaar op zoek, om uw Khan te kunnen groeten, uit naam van onze Kha Khan Koeblai, de zoon van Toeli, de zoon van Dzjengis Khan; de aarde ligt aan zijn voeten.’

‘Wij hebben van de Kha Khan gehoord,’ zei Everard, ‘zoals we ook gehoord hebben van de kalief, de paus, de keizer en alle minder machtige heersers.’ Hij moest zijn woorden met zorg kiezen om de heerser over China niet openlijk te beledigen, maar hem toch op zijn plaats te zetten. ‘Daarentegen is er over ons weinig bekend, daar onze vorst geen contact zoekt met de buitenwereld, noch anderen aanmoedigt hem te zoeken. Sta toe dat ik, nietswaardige, mij aan u voorstel. Men noemt mij Everard en ik ben, zoals mijn uiterlijk doet veronderstellen, geen Rus of Westerling. Ik ben grensbewaker.’

Ze moesten zelf maar uitzoeken wat dat betekende. ‘U hebt niet veel begeleiders meegenomen,’ beet Toktai hem toe.

‘Meer waren er niet nodig,’ zei Everard op zijn vriendelijkste toon.

‘En u bent ver van huis,’ bracht Li te berde. ‘Niet verder dan u zou zijn, wanneer u zich in de moerassen der Kirgiezen bevond, geachte heren.’ Toktai sloeg een hand aan het gevest van zijn zwaard. Zijn ogen hadden een koude, behoedzame glans. ‘Kom,’ zei hij. ‘Wees welkom dan, als ambassadeur. We zullen ons kamp opslaan en luisteren naar het woord van uw koning.’


3

<p>3</p>

De zon die laag boven de westelijke toppen hing, verleende de sneeuwkappen de kleur van mat zilver. In het dal werden de schaduwen langer, het woud werd donkerder, maar daarentegen leek de weide steeds meer op te lichten. De stilte die hen omringde vormde bijna een klankbord voor de enkele geluiden die nog hoorbaar waren, zoals het snelle kolken en golven van de rivier, het gerinkel van een bijl, en het geluid van paarden die in het lange gras graasden. De Mongolen waren kennelijk door hun bezoekers en het vroege halt houden van hun stuk gebracht. Hun gezichten behielden de ondoorgrondelijke uitdrukking, maar soms dwaalden hun blikken naar Everard en Sandoval af en mompelden zij bezweringen uit hun diverse religies — voornamelijk heidense, maar ook boeddhistische, islamitische of nestoriaanse gebeden. Dit deed geen afbreuk aan de handigheid waarmee zij hun kamp opzetten, wachtposten uitzetten, de dieren verzorgden en voorbereidingen troffen om de maaltijd te bereiden. Maar Everard kwam tot de slotsom dat ze stiller waren dan gewoonlijk. Door de kennis die de elektronische leraar in zijn brein had gebracht, wist hij dat de mongolen spraakzaam en opgewekt waren. Hij zat met gekruiste benen op de vloer van een tent. Sandoval, Toktai en Li voltooiden de kring. Op de grond lagen kleden, en op een komfoor werd een pot thee warm gehouden. Meer tenten waren er niet opgezet. Waarschijnlijk was het de enig beschikbare en had men hem meegenomen om bij plechtige gelegenheden als deze dienst te doen. Toktai schonk persoonlijk de kumiss in en bood hem Everard aan die de drank zoals de etiquette vereiste, luidruchtig opslurpte en de kom doorgaf. Hij had wel eens iets ergers gedronken dan gegiste paardemelk, maar was toch blij dat men na het ritueel overging op thee.

Het Mongoolse opperhoofd nam het woord. Het lukte hem niet de vriendelijke toon van zijn Chinese secretaris te evenaren. Onwillekeurig deed hij wat stekelig. Want wat was dat eigenlijk voor een vreemdeling die het durfde wagen een dienaar van de Kha Khan anders dan kruipend in het stof, te naderen? Toch sprak hij in hoffelijke bewoordingen: ‘Willen onze gasten nu vertellen hoe de boodschap van hun koning luidt en allereerst zeggen hoe hij heet?’

‘Het is niet toegestaan zijn naam uit te spreken,’ verklaarde Everard. ‘De geruchten over zijn rijk, die u gehoord hebt, zijn maar een zwakke afschaduwing van de werkelijkheid. Uit het feit dat er niet meer mannen dan wij beiden voor deze verre tocht nodig waren en dat we ieder slechts één rijdier nodig hadden, kunt u zelf opmaken hoe machtig hij is, Noyon.’

Toktai gromde. ‘Het zijn prachtige dieren, hoewel ik me afvraag of ze op de steppen zouden voldoen. Kostte het u veel tijd om hier te komen?’

‘Niet meer dan een dag, Noyon. Wij hebben zo onze middelen.’

Everard dook in zijn jekker en bracht een paar verpakte geschenken tevoorschijn. ‘Onze koning verzocht ons deze bewijzen van zijn hoogachting aan de Chinese leiders te overhandigen.’

Terwijl het papier verwijderd werd, boog Sandoval zich naar hem over en fluisterde in het Engels: ‘Let op hun gelaatsuitdrukking, Manse. We hebben een figuur geslagen.’

‘Hoezo?’

‘Dat opzichtige cellofaan en dat andere spul maakt op een barbaar als Toktai wel indruk. Maar let eens op Li. In zijn land deden ze al aan calligrafie toen de voorouders van Praatjesmaker zich nog met blauwe verf beschilderden. Zijn opinie over onze smaak heeft een forse knauw gekregen.’ Everard haalde onmerkbaar de schouders op. ‘Nou, hij heeft wel gelijk.’

Hun gesprek was de anderen niet ontgaan. Toktai keek hen strak aan, maar wijdde zijn aandacht dan weer aan zijn geschenk, een zaklantaarn, waarvan ze hem het gebruik demonstreerden en die verbaasde uitroepen uitlokte. Aanvankelijk was hij er wat bang voor, mompelde zelfs een bezwering; daarna herinnerde hij zich dat een Mongool slechts vrees mag koesteren voor de donder. Hij wist zich te beheersen en toonde zich blij als een kind. Zij hadden gedacht dat ze een confuciaans geleerde als Li het beste een boek als de Family of Man konden aanbieden. De verscheidenheid en de buitenissige techniek zouden misschien indruk op hem maken. Hij putte zich uit in dankbetuigingen, maar Everard betwijfelde of hij onder de indruk was. Een patrouillelid ontdekt al spoedig dat gekunsteldheid niet aan een of andere graad van technische ontwikkeling is gebonden. Er moesten geschenken in ruil worden aangeboden. Ze kregen een prachtig Chinees zwaard en een bundel otterbont dat van de kust afkomstig was. Er verliep heel wat tijd voor er weer over zaken gepraat kon worden. Toen slaagde Sandoval er in de andere partij het eerst te laten vertellen. ‘Daar u al zoveel weet,’ begon Toktai, ‘moet het u ook bekend zijn dat onze aanval op Japan een paar jaar geleden mislukte.’

‘De goden beschikten anders,’ zei Li op de vleiende toon van de hoveling.

‘Onzin!’ gromde Toktai. ‘De domheid van de mensen beschikte anders, bedoel je. We waren met te weinig, wisten te weinig en hadden een te grote afstand over een te ruwe zee afgelegd. Maar wat geeft het? Op de een of andere dag gaan we weer.’

Everard dacht er somber aan dat ze dat inderdaad zouden doen en dat een storm de vloot zou vernietigen, waarbij wie weet hoeveel jonge mannen zouden verdrinken. Maar hij liet Toktai verder praten: ‘De Kha Khan realiseerde zich dat we meer kennis omtrent de eilanden moesten vergaren. Misschien moesten we trachten ergens ten noorden van Hokkaido een basis te vestigen. Want ook wij hebben al lange tijd verhalen vernomen over verder naar het westen gelegen landen. Zo nu en dan hebben uit de koers geslagen vissers er een glimp van opgevangen. Handelaars uit Siberië zeggen dat er een zeestraat is en land aan de overzijde. De Kha Khan nam vier schepen met een Chinese bemanning en gaf mij opdracht met honderd Mongoolse krijgers op onderzoek uit te gaan.’

Everard knikte, weinig onder de indruk. De Chinezen hadden duizenden jaren in jonken gevaren, waarvan sommige zo’n duizend passagiers konden bevatten. Toegegeven — deze vaartuigen waren niet zo zeewaardig als ze in later eeuwen, dank zij het contact met de Portugezen, zouden worden en hun eigenaars hadden zich nooit sterk aangetrokken gevoeld door de oceaan, laat staan door de koude noordelijke zeeën, maar er zouden toch wel een paar Chinese zeelieden zijn die een paar kunstjes hadden afgekeken van verdwaalde Koreanen en bewoners van Formosa, als ze het niet al van hun eigen vader geleerd hadden. Ze zouden toch zeker wel weten waar de Koerillen lagen.

‘We hebben twee eilandenrijen gevolgd,’ zei Toktai. ‘Ze waren nogal onherbergzaam, maar hier en daar konden we toch aan land komen om de paarden los te laten en iets van de bewoners te weten te komen. Hoewel de Tengri weten hoe lastig het is, als je elkaar via misschien wel zes verschillende talen moet trachten te begrijpen! We ontdekten dat er twee verschillende vastelanden zijn — Siberië en nog een ander — die elkaar naar het noorden zo dicht naderen dat een man er met een kano zou kunnen oversteken, of zelfs soms over het ijs zou kunnen trekken. Ten slotte kwamen we bij het nieuwe vasteland. Een uitgestrekt en bosrijk gebied met veel wild en aan de kust veel zeehonden. Te regenachtig weliswaar. Onze bemanning scheen echter verder te willen gaan, dus volgden we zo’n beetje de kust.’

Everard haalde zich de kaart voor de geest. Als je eerst de Koerillen en dan de Aleoeten volgt, ben je voortdurend in de nabijheid van het land. Terwijl ze gelukkig aan de beslist niet ondenkbare mogelijkheid van een schipbreuk ontsnapten, hadden de jonken, dank zij hun geringe diepgang, zelfs bij deze rotsachtige eilanden, ankerplaatsen kunnen vinden. Tevens werden ze door de stroom meegevoerd en volgden zo een bijna cirkelvormige koers. Voor hij goed en wel begreep wat er aan de hand was, had Toktai Alaska ontdekt. Daar het land, naarmate hij zuidelijker kwam, herbergzamer werd, voer hij Puget Sound voorbij om in rechte lijn naar de Chehalis koers te zetten. Misschien hadden de indianen hem gewaarschuwd voor de gevaarlijke monding van de Columbia, verderop, en hadden ze later zijn ruiters geholpen op vlotten de brede stroom over te steken.

‘Toen het jaar ten einde liep, richtten we een kampement in,’ zei de Mongool. ‘De stammen daarginds zijn primitief, maar ook vriendelijk. Ze gaven ons alle voedsel, vrouwen en hulp die we nodig hadden. In ruil daarvoor leerden onze zeelieden hun een paar kunstgrepen op het gebied van vissen en boten bouwen. We overwinterden er, leerden enkele talen, en maakten tochten naar het binnenland. Overal hoorden we verhalen over geweldige vlakten, wouden en grote kudden vee. We hebben genoeg gezien om te weten dat die verhalen juist zijn. Ik heb nog nooit zo’n rijk land bezocht.’ Zijn ogen hadden een roofdierachtige glans. ‘En er zijn maar weinig inwoners, die bovendien nog niet eens op de hoogte zijn met het gebruik van ijzer.’

‘Noyon,’ mompelde Li waarschuwend. Hij knikte heel onopvallend met zijn hoofd in de richting van de Patrouilleleden. Toktai sloot abrupt zijn mond.

Li wendde zich tot Everard en zei: ‘Er gingen ook geruchten over een goudland, ver naar het zuiden. Wij vonden dat het onze plicht was dit land te zoeken en de gebieden, die we doortrokken, te exploreren. Wij hadden niet verwacht dat ons de eer van een bezoek uwerzijds ten deel zou vallen.’

‘De eer is geheel aan onze kant,’ zei Everard poeslief en daarna, zijn ernstigste gezicht zettend: ‘Mijn meester, de heer van het gouden wereldrijk, wiens naam niet mag worden uitgesproken, heeft ons tot u gezonden in een geest van vriendschap. Het zou hem leed doen, wanneer u door onheilen getroffen zou worden. Wij zijn gekomen om u te waarschuwen.’

‘Wat!’ Toktai zat recht overeind. Met een van zijn gespierde handen greep hij naar het zwaard dat hij uit beleefdheid niet bij zich droeg. ‘Verduiveld, wat betekent dit?’

‘De duivel, inderdaad Noyon. Hoewel dit land een aangename indruk maakt, gaat het gebukt onder een vloek. Vertel het hem, mijn broeder.’

Sandoval, wiens stem heel geschikt was voor redevoeringen, nam het gesprek van hem over. Hij had een verhaaltje verzonnen dat er enerzijds op gericht was gebruik te maken van de bijgelovigheid van de half beschaafde Mongolen, zonder anderzijds te veel achterdocht bij de Chinees op te roepen. Er waren in werkelijkheid twee grote zuidelijke rijken, verklaarde hij. Hun eigen rijk lag ver weg. Het andere lag er iets ten noorden en oosten van en bezat een citadel in de vlakte. Beide staten waren in het bezit van immense krachten, noem het tovenarij, of verborgen kennis, net zoals u wilt. Het rijk in het noorden, ‘Kwaaddoener’, beschouwde al dit gebied als het zijne en zou een vreemde expeditie niet toestaan, zich daar op te houden. Zijn verkenners zouden de Mongolen binnenkort zeker ontdekken en hen met bliksemstralen vernietigen. Het welwillend gestemde zuidelijke rijk, ‘Goeddoener’, kon hun geen bescherming bieden; het kon slechts gezanten zenden om de Mongolen te waarschuwen en hen aan te raden weer naar huis te gaan. ‘Waarom hebben de inboorlingen ons niets over deze heersers verteld?’ vroeg Li spitsvondig.

‘Weet ieder stamlid in de jungle van Birma wie de Kha Khan is?’ antwoordde Sandoval.

‘Ik ben maar een onwetende vreemdeling,’ zei Li. ‘Vergeef me dat ik niets begrijp van wat u vertelt over uw onweerstaanbare wapens.’

‘Dat is de beleefdste manier waarop me ooit gezegd is dat ik een leugenaar ben,’ dacht Everard. Hardop zei hij: ‘Als de Noyon over een dier beschikt dat gedood kan worden, kan ik een kleine demonstratie geven.’ Toktai dacht na. Uiterlijk mocht hij de indruk wekken, uit steen gehouwen te zijn, maar een dun laagje transpiratie verried hem. Hij klapte in zijn handen en blafte de schildwacht die naar binnen keek, een bevel toe. Daarna zeiden ze zo nu en dan nog wat om de steeds dreigender stilte te verbreken.

Na een eindeloos lijkend kwartiertje verscheen er een krijger. Hij zei dat enkele ruiters met de lasso een hert hadden gevangen. Was dat wat de Noyon wenste? Dat was het. Toktai ging voorop, zich een weg banend door een dicht opeen gepakte groep drukpratende mannen. Everard volgde hem, wensend dat dit niet nodig was geweest. Hij drukte het magazijn in zijn Mauser. ‘Heb jij zin om het karweitje op te knappen?’ vroeg hij aan Sandoval. ‘Hemel, nee.’

Het hert, een hinde, was naar het kamp gebracht. Ze stond trillend bij de rivier, met de paardeharen touwen om de hals. De zon, die net de toppen in het westen raakte, gaf haar een bronsachtige kleur. Er lag een zachtaardige uitdrukking in de blik waarmee ze Everard aanstaarde. Hij gebaarde de mannen er omheen opzij te gaan en mikte. De eerste kogel doodde haar, maar hij liet zijn geweer doorratelen tot het lichaam er afschuwelijk uitzag.

Toen hij zijn wapen liet zakken, heerste er een gespannen stilte. Hij keek naar al die gezette, o-benige gestalten en de uitdrukkingloze, grimmig in bedwang gehouden gezichten. Met ongewone scherpte nam hij hun geuren waar: een opdringerige geur van zweet, paarden en rook. Hij voelde zich precies zo onmenselijk als zij hem waarschijnlijk zagen. ‘Dit is een van de onschuldigste wapens,’ zei hij. ‘Een ziel die op deze wijze van het lichaam wordt gescheiden, vindt nooit meer de weg terug.’

Hij draaide zich op de hielen om. Sandoval volgde hem. Hun paarden waren aan een paal gebonden, het tuig was er vlakbij opgestapeld. Zonder te praten, zadelden ze de dieren, stegen op en reden weg, het woud in.


4

<p>4</p>

Het vuur laaide op door een windvlaag. Het was opgebouwd met de zuinigheid van een woudloper en verlichtte nauwelijks de schaduw die de twee omhulde — even waren een paar wenkbrauwen, een neus en wangen zichtbaar en de glans van een paar ogen. Het zonk weer ineen tot blauwe en rode vlammetjes boven witgloeiende kolen. De duisternis sloot de mannen weer in.

Everard vond het niet erg. Hij draaide zijn pijp om en om in zijn handen, beet er hard op en zoog de rook in, maar het baatte weinig. Als hij sprak ging zijn stemgeluid bijna geheel verloren in het luide geruis van de bomen, hoog boven zijn hoofd in de duisternis, en ook dat vond hij niet erg. Dichtbij hen bevonden zich hun slaapzakken, hun paarden en de machine — een combinatie van een anti-zwaartekracht- en een tijdruimtevoertuig — waarmee ze hier waren gekomen. Verder was het landschap leeg. Over een afstand van kilometers waren door mensen gestookte vuren even schaars en eenzaam als sterren in het heelal. Ergens in de verte huilde een wolf.

‘Ik denk dat iedere agent zichzelf nu en dan een schoft vindt,’ zei Everard. ‘Tot nog toe ben je nog maar toeschouwer geweest, John. Opdrachten zoals ik die krijg, zijn vaak moeilijk te accepteren.’

‘Ja.’ Sandoval was nog stiller geweest dan zijn vriend. Hij had zich sinds het avondeten nauwelijks bewogen. ‘En nu dit. Wat je ook moet doen om de gevolgen van ingrijpen van buitenaf op te heffen, je hebt tenminste het gevoel dat je de oorspronkelijke gang van zaken weer herstelt.’ Everard trok hevig aan zijn pijp. ‘En zeg nou niet dat het woord ‘oorspronkelijk’ in dit verband geen enkele betekenis heeft. Het woord heeft een geruststellende klank.’

‘Mm ja!’

‘Maar als onze bazen, onze Danelliaanse supermensen, óns opdracht geven de historie te verstoren… We weten dat Toktais mannen China nooit terugzagen. Waarom moeten jij of ik ons daarmee bemoeien? Als ze vijandig gezinde indianen ontmoetten en uitgeroeid werden, zou het me niet kunnen schelen. Tenminste niet meer dan ik me ieder ander incident in dat vervloekte slachthuis, dat ze de historie van de mensheid noemen, aantrek.’

‘Je weet dat we hen niet hoeven te doden. We moeten er alleen maar voor zorgen dat ze teruggaan. Misschien is jouw voorstelling van vanavond wel voldoende om dat te bereiken.’

‘Ja. Terugkeren… en wat dan? Waarschijnlijk komen ze op zee om. De tocht naar huis zal hun niet gemakkelijk vallen — stormen, mist, tegenstromen, rotsen. En dat in die primitieve schepen, die eigenlijk voor de vaart op de binnenwateren bestemd zijn. En wij zijn het dan, die hen juist op dat ongunstige tijdstip tot die tocht gedwongen hebben! Wanneer we niet tussenbeide waren gekomen, zouden ze later in het jaar zijn vertrokken. De omstandigheden voor de tocht zouden anders zijn… Waarom moeten wij schuld op ons laden?’

‘Ze halen het misschien wel,’ mompelde Sandoval. ‘Wat?’ Everard sprong op.

‘Uit Toktais woorden maak ik op dat hij van plan is te paard terug te gaan, niet met deze schepen. Zoals hij al dacht, kun je de Beringstraat zonder moeite oversteken. De bewoners van de Aleoeten doen het altijd zo. Manse, ik ben bang dat het gewoon onmogelijk is hen te sparen.’

‘Maar we weten toch dat ze hun land niet zullen bereiken.’

‘Veronderstel dat ze het wel halen.’ Sandoval begon luider en sneller te praten. De nachtwind trachtte zijn woorden te overstemmen. ‘Laten we eens een moment met die mogelijkheid spelen. Veronderstel dat Toktai in zuidoostelijke richting verder trekt. Het is moeilijk iets te bedenken dat hem kan tegenhouden. Zijn mannen zullen er beter dan Coronado of andere dergelijke knapen, in slagen van het land, zelfs van de woestijn, te leven. Hij hoeft niet zo verschrikkelijk ver te gaan om een hoog ontwikkelde, neolithische bevolking te bereiken, namelijk de landbouwers in de pueblo’s. Dat zal zijn moed nog aanwakkeren. Vóór augustus is hij in Mexico. Mexico is op het moment net zo schitterend als het was — zijn zal — in de tijd van Cortes. En nóg aanlokkelijker is het dat de Azteken en de Tolteken om de macht strijden, en een groot aantal andere stammen gereed staat iedere willekeurige nieuwkomer in de strijd tegen beiden te helpen.

De geweren van de Spanjaarden leggen geen gewicht in de schaal, zoals je je zult herinneren als je Diaz hebt gelezen. De Mongolen zijn stuk voor stuk minstens zo superieur als welke Spanjaard ook… Niet dat ik denk dat Toktai zich meteen in de strijd zou mengen, maar hij zou ongetwijfeld zeer beleefd optreden en de winter gebruiken om zoveel mogelijk aan de weet te komen. Het volgend jaar zou hij dan naar het noorden terugkeren, naar huis gaan en aan Koeblai melden dat enige van de rijkste, met goud overladen gebieden op aarde geheel open liggen voor invallers!’

‘Hoe staat het met de andere indianen?’ bracht Everard in het midden. ‘Daar weet ik niet zoveel van af.’

‘Het nieuwe rijk van de Maya’s is op het toppunt van zijn ontwikkeling. Een harde noot om te kraken, maar ook veelbelovend. Ik zou zeggen dat er, wanneer de Mongolen in Mexico maar eenmaal voet aan de grond hebben, niets is dat hen nog kan tegenhouden. Peru heeft op dit moment zelfs een nog hogere graad van culturele ontwikkeling en is minder georganiseerd dan in Pizarro’s tijd. De Quechua-Ay-mar, het zogenaamde ras der Inca’s, zijn daar momenteel slechts één van de vele machten.’

‘En dan het land! Kun jij je voorstellen wat een Mongoolse stam met de grote vlakten zou aanvangen?’

‘Ik geloof niet dat ze in horden zouden gaan emigreren,’ zei Everard. Een ondertoon in Sandovals stem maakte hem onzeker en drong hem in de verdediging. ‘De afstand door Siberië en Alaska is te groot.’

‘Er zijn wel grotere hindernissen overwonnen. Ik zeg niet dat ze plotseling zouden binnenstromen. Het zou waarschijnlijk een paar eeuwen duren voor ze in grote getale gingen emigreren, net als de Europeanen later. Het lijkt me waarschijnlijk dat zich in de loop van de jaren door geheel Noord-Amerika een hele rij van stammen en familiegroepen vestigt. Mexico en Yucatan worden opgeslokt of, wat waarschijnlijker is, worden Khanaten. Terwijl de bevolking zich uitbreidt en nieuwe emigranten arriveren, verplaatsen de nomaden zich naar het noorden. Houd er rekening mee dat de Yuan-dynastie binnen een eeuw omvergeworpen zal worden. Dat zal de Mongolen in Azië er nog meer toe drijven naar elders te gaan. En er zullen ook Chinezen komen om de grond te bewerken en om een aandeel in het goud te krijgen.’

Everard viel hem zacht in de rede: ‘Sta me toe op te merken dat jij van alle mensen toch wel de laatste zou moeten zijn die de verovering van Amerika wil verhaasten.’

‘Het zou een heel ander soort verovering zijn,’ zei Sandoval. ‘De Azteken kunnen me weinig schelen; als je ze bestudeerd hebt, zul je moeten toegeven dat Cortez aan Mexico een weldaad heeft bewezen. Voor de andere, meer vredelievende stammen, zou er even een moeilijke tijd aanbreken. En tóch, zulke duivels zijn de Mongolen ook weer niet, vind je wel? Onze Westerse ideeën maken dat we vooringenomen zijn. Wij zijn vergeten hoe de Europeanen in die tijd leden onder folteringen en bloedbaden.

De Mongolen leken werkelijk heel veel op de oude Romeinen. Ze hebben ook de gewoonte om gebieden waarvan de bevolking zich tegen hen blijft verzetten, te ontvolken, maar ze respecteren ook de rechten van hen die zich onderwerpen. Ze verlenen dezelfde krachtdadige bescherming en zijn even bekwame heersers. Een zelfde gebrek aan verbeeldingskracht en scheppingsdrang, maar ook hetzelfde vage ontzag voor en afgunst op werkelijke beschaving. Op dit ogenblik verenigt de ‘Pax Mongolica’ een groter gebied en zij brengt meer verschillende volken met elkaar in een vruchtbaar contact dan dat nietige Romeinse rijk ooit heeft kunnen dromen.’

‘En wat de indianen betreft — bedenk dat Mongolen veehoeders zijn. Iets dergelijks als het onoplosbare conflict tussen de jager en de boer, dat maakte dat de blanke de indiaan vernietigde, zal niet voorkomen. De Mongool heeft ook geen rassenvooroordelen. En de gemiddelde Navajo, Cherokee, Seminole, Algonquin, Chippewa en Dakota zal zich na enige strijd graag onderwerpen en een verbond met hen sluiten. En waarom ook niet? Hij krijgt paarden, schapen, rundvee, geweven stoffen en neemt kennis van de metallurgie. Zij overtreffen de invallers in aantal en zullen meer hun gelijke zijn dan van de blanke boeren en zij zullen zich bij hen beter thuisvoelen dan in het machinetijdperk. En dan, ik herhaal het, zijn er nog de Chinezen die beschaving met zich brengen en kennis verspreiden…

Goeie God, Manse! Als Columbus komt,vindt hij zijn ‘Grote Heerser inderdaad! De Indiaanse Khan van de machtigste natie ter wereld!’

Sandoval zweeg. Everard luisterde naar het naargeestig gekraak van de takken in de wind. Lange tijd staarde hij de nacht in, voor hij zei: ‘Het is mogelijk. Natuurlijk zouden we in deze eeuw moeten blijven tot na het kritieke moment. Onze eigen wereld zou niet meer bestaan. Zou nooit bestaan hebben.’

‘Zo’n verrekt goede wereld was dat ook niet,’ zei Sandoval peinzend.

‘Denk eens aan je… eh… ouders. Zij zouden ook nooit geboren zijn.’

‘Zij woonden in een bouwvallig varkenshok. Ik heb mijn vader eens zien huilen omdat hij ’s winters geen schoenen voor ons kon kopen. Mijn moeder stierf aan tbc.’ Everard bleef onbeweeglijk zitten. Het was Sandoval die zich vermande en met een soort schaterlach overeind sprong.

‘Wat heb ik allemaal zitten bazelen? Het was maar kletspraat, Manse. Laten we naar bed gaan. Zal ik de eerste wacht nemen?’

Everard vond het best, maar hij lag nog lang wakker.


5

<p>5</p>

De tijdmachine was twee dagen de toekomst ingesprongen en zweefde nu op grote hoogte, onzichtbaar voor het blote oog. De lucht rondom hen was ijl en bijtend koud. Terwijl hij de elektronische telescoop instelde, huiverde Everard. Zelfs bij de sterkst mogelijke vergroting was de karavaan niet meer dan een handvol vlekjes die moeizaam door een groene oneindigheid trok. Maar op het westelijk halfrond reed niemand anders op paarden.

Hij draaide zich in het zadel naar zijn metgezel om. Wat nu?’

Sandovals gezicht had een ondoorgrondelijke uitdrukking. ‘Nou, als onze voorstelling geen effect heeft gehad…’

‘Geloof dat maar niet.’ Ik zou durven zweren dat ze tweemaal zo snel naar het zuiden trekken als tevoren. Waarom?’

‘Ik zou ze allen persoonlijk heel wat beter moeten kennen voor ik je daarop een bevredigend antwoord zou kunnen geven, Manse. Maar ik denk dat wij ze getart hebben. Kijk, het gaat hier om een beschaving waarin hardheid en moed de enige absolute waarden zijn… wat konden zulke mensen anders doen dan verdergaan. Als ze er enkel voor een dreigement al vandoor gingen, zouden ze nooit meer met zichzelf kunnen leven.’

‘Maar Mongolen zijn geen idioten! Dat ze zoveel volken onderwerpen is niet alleen maar een gevolg van het feit dat ze zo machtig zijn, maar omdat ze veel meer verstand hebben van oorlogvoeren. Toktai behoort terug te keren om verslag van zijn bevindingen uit te brengen bij zijn keizer en daarna een grotere onderneming op touw te zetten.’

‘Dat kunnen de mannen op de schepen wel doen,’ herinnerde Sandoval hem. ‘Nu ik erover nadenk, begrijp ik hoezeer wij Toktai onderschat hebben. Hij moet een tijdstip hebben vastgesteld, waarschijnlijk volgend jaar, waarop de schepen moeten trachten naar huis terug te keren, indien hij nog niet terug is. Als hij onderweg iets tegenkomt dat zijn belangstelling opwekt, ons bijvoorbeeld, kan hij een indiaan met een brief naar het basiskamp sturen.’ Everard knikte. Het kwam plotseling in hem op dat hij zich in dit werk gestort had en van alles en nog wat gedaan had, zonder ook maar een moment de tijd te nemen om een goed plan op te stellen, zoals hij dat had behoren te doen. Vandaar dit knoeiwerk. Maar in welke mate was de tegenzin in John Sandovals onderbewustzijn schuldig aan het geval? Na een tijdje zei Everard: ‘Mogelijk vonden ze ook dat er een luchtje aan ons was. De Mongolen hebben altijd al uitgeblonken op het gebied van psychologische oorlogvoering.’

‘Dat kan best. Maar wat doen we nu verder?’ Everard dacht: ‘Het beste kunnen we omlaag duiken, een paar schoten afvuren uit het eenenveertigste-eeuwse energiekanon dat ze op deze tijdfiets hebben gemonteerd, en dat is dan dat… nee, bij God, eerder laat ik me naar de verbanningsplaneet sturen dan dat ik zoiets zou doen. Er zijn grenzen.’

‘We zullen een wat indrukwekkender demonstratie geven,’ zei hij.

‘En als ook dat een waardeloze mislukking wordt?’

‘Schei uit! Misschien lukt het wel!’

‘Ik overweeg de mogelijkheid alleen maar.’ De wind maakte wat Sandoval zei, bijna onverstaanbaar. ‘Waarom gelasten we de expeditie niet af? Laten we een paar jaar terug gaan en Koeblai Khan ervan overtuigen dat het niet de moeite waard is ontdekkingsreizigers naar het oosten te zenden. Dan zou dit hier allemaal nooit gebeurd zijn.’

‘Je weet dat de voorschriften van de Patrouille ons verbieden om veranderingen aan te brengen in de geschiedenis!’

‘Wat zijn we dan nu aan het doen?’

‘Dit is een uitzonderlijk geval, waarvoor we van de allerhoogste instanties opdracht hebben ontvangen. Mogelijk om een correctie aan te brengen op de gevolgen van een ingreep ergens anders of op een ander moment. Hoe moet ik dat weten? Ik sta maar op de onderste sport van de evolutieladder. Een paar miljoen jaar verder zijn ze in het bezit van vermogens, waarvan ik me geen voorstelling kan vormen.’

‘Vader weet het beter,’ mompelde Sandoval. Everard klemde zijn kaken op elkaar. ‘Het feit blijft bestaan,’ zei hij, ‘dat het hof van Koeblai, de machtigste man ter wereld, belangrijker en van meer centrale betekenis is dan wat dan ook hier in Amerika. Nee, bij dit vervelende baantje ben ik je meerdere in rang en als het moet zal ik dat laten blijken. Onze opdracht zegt dat we ervoor moeten zorgen dat deze mensen hun ontdekkingstocht beëindigen. Wat daarna gebeurt, is onze zaak niet. Ze spelen het niet klaar om thuis te komen. Daarvan zullen wij niet de onmiddellijke oorzaak zijn, evenmin als je moordenaar bent, wanneer je iemand te eten vraagt en hij een dodelijk ongeluk krijgt terwijl hij naar je onderweg is.’

‘Hou op met dat gekwek en laten we aan het werk gaan,’ bitste Sandoval. Everard bracht de machine in een glijvlucht. ‘Zie je die heuvel?’ zei hij na enige tijd. ‘Die ligt in de marsroute van Toktai, maar ik denk dat hij een paar kilometer ervoor, bij dat grasveldje naast de rivier, zijn kamp zal opslaan. Maar hij heeft dan wel een vrij uitzicht op die heuvel. Laten we daar onze spullen klaarzetten.’

‘En een vuurwerk afsteken? Dat zal dan iets heel bijzonders moeten worden. Die Chinezen weten van kruit alles af.’

‘Dat weet ik. Maar toen ik mijn spullen voor deze tocht bij elkaar zocht, heb ik een paar bijzonder handige apparaten ingepakt, voor het geval mijn eerste poging zou mislukken.’ Verspreid op de heuveltop stonden enkele sparren. Everard zette de machine tussen de bomen aan de grond en begon dozen uit de omvangrijke bagageruimte te laden. Sandoval hielp hem zwijgend. De door de Patrouille afgerichte paarden stapten rustig uit de boxen waarin zij vervoerd waren en begonnen de helling af te grazen.

Na een tijdje verbrak de indiaan zijn stilzwijgen. ‘Ik snap er niets van. Wat zet je daar in elkaar?’ Everard tikte op het apparaatje dat hij al half gereed had. ‘Het is ontwikkeld uit een weercontrolesysteem dat ze in het koude tijdperk, verderop, gebruiken. Een potentieelverdeler. Het is in staat de ergste bliksemstralen te produceren die je ooit gezien hebt, en donderslagen die daar niet voor onder doen.’

‘Mmm… het zwakke punt van de Mongolen.’ Sandoval grinnikte plotseling. ‘Knap idee van je. We kunnen er beter op ons gemak bij gaan zitten en ervan genieten.’

‘Maak wat eten klaar, wil je. Intussen zet ik dit ding in elkaar. Geen vuur natuurlijk. We moeten doodgewone rook vermijden… O ja, ik heb ook nog een luchtspiegelingsprojector. Als je wat andere kleding aan wilt doen en op het juiste moment een motorhelm of zo opzet, zodat ze je niet herkennen, zal ik een plaatje van een paar kilometer hoogte van je maken, bijna net zo afstotend als het origineel.’

‘Wat zou je zeggen van een uitzending met geluid. Navajoliederen willen wel eens tamelijk afschrikwekkend zijn, zeker als je niet weet dat het gewoon maar een Yeibichai of zoiets is.’

‘Uitstekend!’

De dag liep ten einde. Het werd donker onder de bomen. De wind was koud en doordringend. Everard werkte een sandwich naar binnen en keek door zijn verrekijker naar de Mongoolse voorhoede, die de kampplaats uitzocht die hij al had voorspeld. Anderen kwamen binnenrijden met hun jachtbuit van die dag en zetten zich aan het koken. De hoofdgroep verscheen tegen zonsondergang. Vakkundig werden de legers ingericht, waarna men ging eten. Toktai zette er inderdaad haast achter, profiterend van ieder moment dat het licht was. Toen de duisternis inviel, zag Everard bereden wachtposten met gespannen bogen. Hij kon niet voorkomen dat hij zich onzeker voelde, hoezeer hij zich daartegen ook verzette. Hij wilde het opnemen tegen mannen die de aarde op haar grondvesten hadden doen schudden. De eerste sterren schitterden boven de besneeuwde bergtoppen. Het was tijd met het werk te beginnen. ‘Heb je onze paarden vastgebonden, John? Ze zouden op hol kunnen slaan. Ik ben er aardig zeker van dat die van de Mongolen niet te houden zullen zijn. Goed, daar gaat-ie dan.’ Everard draaide de hoofdknop om en hurkte neer bij het vaag verlichte controlepaneel van zijn apparaat. Eerst werd een vage lichtblauwe schittering zichtbaar tegen de hemel. Toen kwam de bliksem. De ene gevorkte straal na de andere flitste omlaag, bomen werden vernietigd door een inslag, terwijl de berghellingen schudden onder het geweld. Everard deed bolbliksems ontstaan, bollen van vuur, die snel ronddraaiden en cirkels beschreven, vonken sproeiend over het kamp schoten en erboven explodeerden zodat het leek of de hemel witgloeiend vuur was. Verdoofd en half verblind slaagde hij erin een fluorescerend gordijn van geïoniseerde lucht te projecteren. De grote vanen tuimelden over elkaar als het noorderlicht; bloedrood en sneeuwwit, sissend onder de herhaalde donderslagen. Sandoval schreed tevoorschijn. Hij had zich tot op zijn lange broek ontkleed en zijn lichaam met klei beschilderd op de wijze van zijn voorouders. Hij had ten slotte zijn gezicht niet gemaskerd, maar het met klei ingesmeerd en het veranderd tot iets dat Everard niet herkend zou hebben. Het apparaat tastte zijn gestalte af en zond daarvan een vertekend beeld uit. Datgene dat zich tegen het noorderlicht aftekende, was groter dan een berg. Het danste in cirkels rond, van horizon tot horizon en weer terug naar de hemel, en het jammerde en blafte met een falsetgeluid dat luider klonk dan het gerommel van de donder.

Everard zat ineengedoken voor het dreigend schouwspel. Zijn vingers krampten zich samen op het controlebord. Primitieve gevoelens van vrees maakten zich meester van hem; de dans riep iets in hem op dat hij sinds lang vergeten was. ‘Alle mensen! Als dit hen niet tegenhoudt…’ Hij kwam weer tot zichzelf. Keek zelfs op zijn horloge. Een half uur… hij zou nog maar een kwartier doorgaan, waarin hij het schouwspel langzaam in hevigheid zou laten afnemen… Ze zouden beslist tot de morgen in het kamp blijven. Liever dan in wanorde het donker in te vluchten. Zo gedisciplineerd waren ze wel. Het zou dus het beste zijn als hij zich nu een paar uur rustig hield en daarna hun zenuwen de genadeslag gaf door met een enkele blikseminslag vlak bij hen een boom te versplinteren… Everard gebaarde naar Sandoval, dat hij weg moest gaan. De indiaan ging zitten, moeizamer ademhalend dan te verklaren viel door de inspanning van de dans.

Toen het laatste geluid verklonken was, zei Everard: ‘Aardige voorstelling, John.’ Zijn stem klonk hem ijl en vreemd in de oren.

‘Zoiets had ik in jaren niet meer gedaan,’ bracht Sandoval eruit. Hij stak een lucifer aan, wat in de stilte een schrikwekkend geluid gaf. Gedurende de korte tijd dat het vlammetje brandde, kon je zien hoe het bloed uit zijn lippen was weggetrokken. Daarna deed hij de lucifer uit en zag je nog slechts het gloeipuntje van zijn sigaret. ‘Niemand in het reservaat die ik kende, nam dat gedoe ernstig op,’ ging hij na een ogenblik verder. ‘Een paar van de oudere mannen wilden dat de jongens het leerden om de oude gewoonte in stand te houden, om ons er aan te herinneren dat we nog steeds een apart volk waren. Maar waar wij voornamelijk aan dachten, was dat er wat kleingeld te verdienen was, door voor de toeristen te dansen.’ Er volgde een lange stilte. Everard draaide de projector verder dicht. In de duisternis die daar op volgde, gloeide Sandovals sigaret aan en uit. Een kleine rode Algol. ‘Toeristen!’ zei hij ten slotte.

Na enige minuten: ‘Vannacht had mijn dansen een doel. Ik heb dat nooit eerder zo gevoeld.’ Everard zweeg.

Toen een van de paarden die gedurende de voorstelling aan zijn halster gerukt had en nog steeds nerveus was, hinnikte, keek Everard op. Om hem heen het nachtelijk duister. ‘Heb jij iets gehoord, John?’

Het licht van een zaklantaarn scheen hem recht in het gezicht.

Een ogenblik keek hij er met verblinde ogen in. Toen sprong hij met een verwensing overeind, naar zijn straalpistool grijpend. Vanachter een van de bomen rende een schaduw op hem af. Hij kreeg een stoot in zijn ribben. Hij struikelde achteruit. Het stralingswapen gleed in zijn hand. Hij schoot in het wilde weg.

De lichtbundel schoot nogmaals tevoorschijn. Uit zijn ooghoeken zag Everard Sandoval. De Navajo had zijn wapens nog niet bij zich gestoken. Ongewapend dook hij weg voor een houw van een Mongools zwaard. De krijger rende hem achterna. Sandoval zocht zijn heil in het Judo dat hij bij de Patrouille geleerd had. Hij liet zich op een knie zakken. De Mongool, te voet geen handig vechter, hakte naar hem, miste, en maakte kennis met een schouderworp. Tijdens de worp kwam Sandoval overeind. Zijn handpalm schoot omhoog naar de kin van de Mongool. Het gehelmde hoofd sloeg met een ruk achterover. Sandoval tikte met een hand tegen de adamsappel, rukte het zwaard uit de greep van de eigenaar, wendde zich om en weerde een slag af die van achteren kwam. Een stem krijste boven het geschreeuw van de Mongolen uit, enkele bevelen. Everard ging achteruit. Hij had een aanvaller buiten gevecht gesteld met een ontlading van zijn pistool. Er waren er nog meer tussen hem en zijn voertuig. Hij liep in een cirkel rond om hen voor te komen. Een lasso kronkelde zich om zijn schouders, en werd met een vakkundige ruk strakgetrokken. Hij verloor zijn evenwicht. Vier mannen stortten zich op hem. Hij zag hoe een half dozijn speren krakend op Sandoval’s hoofd terechtkwamen. Toen had hij voor niets anders tijd meer, dan voor vechten. Tweemaal kwam hij overeind, maar zijn straalpistool was zoek en de Mauser was uit de holster gerukt — die mannetjes waren zelf ook tamelijk goede yawara-vechters. Ze sleurden hem op de grond en sloegen hem met hun vuisten, laarzen en degenknoppen. Hij raakte niet geheel bewusteloos, maar was op de duur te versuft om nog iets te kunnen beginnen.


6

<p>6</p>

Toktai brak het kamp voor zonsopgang op. De eerste zonnestralen schenen op een groep mannen die in een slingerende lijn voorttrokken door een brede vallei waarin verspreid kreupelhout groeide. Het land werd vlakker en onvruchtbaarder, de bergen aan hun rechterhand lagen verder weg, de enkele sneeuwtoppen die nog zichtbaar waren, staken nauwelijks af tegen de lichte hemel.

De taaie Mongoolse paarden draafden verder. Men hoorde het hoefgetrappel en het gekraak en gerinkel van het tuig. Achterom ziend zag Everard een lange rij, die zich als een compacte massa voortbewoog. Lansen rezen en daalden, daaronder fladderden wimpels, pluimen en mantels, en daaronder de helmen, terwijl ze nu en dan een bruin spleetogig gezicht en een grotesk beschilderd kuras zichtbaar werd. Niemand sprak een woord, en uit de gesloten gelaatsuitdrukkingen viel niets op te maken.

Hij had een dof gevoel in zijn hoofd. Zij hadden zijn handen vrijgelaten, maar zijn enkels aan de stijgbeugels vastgesnoerd. Het touw schrijnde zijn huid. Zij hadden hem tevens tot op de huid ontkleed — een verstandige voorzorgsmaatregel, want wie wist wat voor instrumenten er in zijn kleding verborgen waren? — en de Mongoolse kleding die ze hem in ruil gegeven hadden, was belachelijk klein. Hij had de overjas pas kunnen aantrekken nadat ze de naden hadden losgesneden.

De projector en de tijdmachine waren op de heuvel achtergebleven. Toktai wilde met deze dingen, die allerlei krachten in zich verborgen geen enkel risico nemen. Hij had zelfs een paar van zijn angstige krijgers moeten overschreeuwen, voordat ze erin toestemden de vreemde paarden met zadel en slaapzak, te midden van de pakdieren en zonder ruiter, mee te nemen.

Snel stampten de hoeven. Een van de boogschutters naast Everard gromde en stuurde zijn pony iets opzij. Li Tai-Tsung kwam naast hem rijden. Everard keek hem somber aan. ‘En?’ zei hij. ‘Ik ben bang dat uw vriend niet meer zal ontwaken,’ antwoordde de Chinees. ‘Ik heb het hem wat gemakkelijker gemaakt.’

Everard peinsde: ‘Maar wat wil je, als hij vastgebonden ligt op een draagbaar tussen twee ponnies, bewusteloos… Ja, een hersenschudding als gevolg van die meppen die ze hem vannacht gaven. In een ziekenhuis van de Patrouille zouden ze hem gauw weer op de been kunnen hebben. Maar het dichtstbijzijnde bureau van de Patrouille is in Cambaluc, en ik kan me niet voorstellen dat Toktai me naar de Tijdmachine zou laten gaan om de radio te gebruiken. John Sandoval gaat hier sterven, zeshonderdvijftig jaar voor hij geboren werd.’

Everard keek in de kalme bruine ogen, die hem belangstellend en niet zonder sympathie aanstaarden, maar waarachter toch een wereld schuil ging, die hem vreemd was. Hij wist dat het geen nut had; argumenten die in de beschaving waaruit hij voortkwam, heel logisch klonken, waren vandaag zonder enige zin, maar hij moest toch iets proberen. ‘Kun je dan tenminste Toktai niet aan zijn verstand brengen welk een onheil hij hierdoor over zichzelf en al zijn mensen afroept?’

Li streek zich over de gevorkte baard. ‘Het blijkt, geëerde heer, dat uw volk over kennis beschikt die wij niet bezitten,’ zei hij. ‘Maar wat dan nog? De barbaren…’ Hij wierp een snelle blik op Everards Mongoolse bewakers, maar kennelijk verstonden zij het Sung Chinees, waarvan hij zich bediende, niet… ‘onderwierpen heel wat rijken die in alles hun meerdere waren, behalve in gevechtskracht. Wij weten nu al dat u de waarheid, eh, enigszins geweld aandeed, toen u sprak van een vijandig rijk, hier in de buurt. Waarom zou uw koning trachten ons met leugens te verjagen, wanneer hij geen reden had ons te vrezen?’

Everard koos zijn woorden zorgvuldig: ‘Onze roemrijke keizer heeft een afkeer van bloedvergieten, maar als u hem er toe dwingt, u te vernietigen…’

‘Alstublieft,’ Li keek pijnlijk getroffen. Met een slanke hand maakte hij een wuivende beweging, alsof hij een insect verjoeg. ‘Zeg tegen Toktai, wat u wil, ik zal me er niet mee bemoeien. Het zou me niets spijten, wanneer we naar huis terugkeerden. Ik ging mee, op bevel van de keizer. Maar laten wij beiden, als we een vertrouwelijk gesprek voeren, geen dingen zeggen die beledigend zijn voor onze intelligentie. Begrijpt u niet, verheven heer, dat er niets is waarmee u deze mannen vrees kunt inboezemen? Om doodsgevaar lachen ze. Zelfs de langdurigste marteling zal hen ten slotte doden, de afstotendste verminking kan, door een man die bereid is zijn tong door te bijten en te sterven, ongedaan gemaakt worden. Er staat Toktai eeuwige schande te wachten wanneer hij in deze situatie terugkeert. En hij maakt een goede kans op eeuwige roem en onvoorstelbare rijkdom, wanneer hij verdergaat.’

Everard zuchtte. Zijn eigen vernederende gevangenneming was inderdaad een keerpunt geweest. De Mongolen hadden tijdens het onweer op het punt gestaan, op de vlucht te slaan. Velen hadden in het stof gekropen en gejammerd en zouden van nu af aan nog aggressiever zijn, om de herinnering daaraan uit te wissen. Toktai had zijn aanval op de bron van dit alles, deels met een gevoel van afgrijzen, deels om het noodlot te tarten, ondernomen, en slechts enkele paarden en mannen waren in staat geweest hem te volgen. Li was er zelf gedeeltelijk verantwoordelijk voor. Geleerde en scepticus die hij was, bekend met goocheltrucjes en pyrotechnische kunstjes, had hij er het zijne toe bijgedragen om Toktai de moed te geven aan te vallen, voor een van deze bliksemstralen zou inslaan.

‘De waarheid is,’ dacht Everard, ‘dat we deze mensen verkeerd beoordeeld hebben. We hadden een specialist mee moeten nemen, die een intuïtief gevoel zou hebben voor de fijnere nuances van hun beschaving.

Maar nee, wij dachten dat een hoofd vol met feitenkennis wel voldoende zou zijn. En wat nu? Eventueel zou er wel een hulpexpeditie van de Patrouille opduiken, maar over een dag of twee is John dood…’ Everard keek naar het als uit steen gehouwen gezicht van de krijger links van hem. ‘Hoogstwaarschijnlijk ik eveneens. Zij weifelen nog. Ze zouden me liever nu de nek omdraaien, dan nooit.’ En zelfs als hij lang genoeg zou leven wat niet te verwachten was — om door een andere Patrouille-groep uit deze rommel weggehaald te worden, zou het niet plezierig zijn, zijn kameraden weer te ontmoeten. Een agent in bijzondere dienst, die alle bijzondere voorrechten van zijn hoge rang genoot, werd geacht in staat te zijn, zijn moeilijkheden zonder extra hulp op te lossen, zonder waardevolle mannen de dood in te jagen.

‘Ik geef u dus de ernstige raad, niet meer te trachten ons te bedriegen.’

‘Wat?’ Everard keerde zich weer naar Li. ‘U begrijpt wel, nietwaar,’ zei de Chinees, ‘dat onze inheemse gidsen gevlucht zijn en dat u nu hun plaats inneemt. Maar we verwachten binnenkort andere stammen te zullen ontmoeten, waarmee we in contact zullen trachten te komen…’

Everard knikte met een bonzend hoofd. Het zonlicht stak hem in de ogen. Hij was niet in het minst verbaasd over de snelheid waarmee de Mongolen door talrijke gebieden met verschillende talen waren getrokken. Als je je niet druk maakt over de grammatica, is een paar uur voldoende om het kleine aantal basiswoorden en de gebaren te leren. Daarna kun je er dagen en weken aan besteden om de taal goed te leren van het escorte dat je in dienst hebt genomen. ‘… en op ieder nieuw traject kunnen we andere gidsen krijgen, zoals dat voorheen ook gebeurde,’ vervolgde Li. ‘Iedere verkeerde aanwijzing die u geeft, zal spoedig blijken. Toktai zal dat op bijzonder onbeschaafde wijze wreken. Daartegenover zullen we trouwe diensten belonen. U zou na de verovering op de duur een hoge positie aan het plaatselijk hof kunnen verwerven.’

Everard bleef onbeweeglijk zitten. Dit terloopse gepoch had hem volkomen overdonderd.

Hij had gedacht dat de Patrouille een andere groep zou zenden. Het was duidelijk dat iets zou moeten verhinderen dat Toktai naar huis terugkeerde. Maar was dat wel zo vanzelfsprekend? Waarom had men bevel gegeven om in te grijpen, wanneer er niet — op de een of andere paradoxale wijze, die hij met zijn twintigste-eeuwse logica niet kon bevatten — een onzekerheid, een rimpeling was in de tijdruimte, en wel juist op dit punt?

Verduiveld! Misschien zou de Mongoolse expeditie slagen. Misschien was die toekomst met een Amerikaans Khanaat, waarvan Sandoval nauwelijks had durven dromen… de werkelijke toekomst.

In de tijdruimte bevinden zich grillig gevormde momenten en discontinuïteiten. De lijnen der geschiedenis kunnen op zichzelf terugbuigen en zichzelf afsnijden, zodat er zich dingen en gebeurtenissen voordoen zonder enige oorzaak; onverklaarbare verschijnselen die weer spoedig verloren gaan en vergeten worden. Zoals bijvoorbeeld Manse Everard die in het verleden samen met een dode John Sandoval aan zijn lot werd overgelaten, nadat hij uit een toekomst was gekomen die nooit had bestaan, als agent van een tijdpatrouille die er nooit was geweest.


7

<p>7</p>

Door de genadeloze snelheid waarmee zij voorttrok, bereikte de expeditie tegen zonsondergang een landschap dat met salie en vetplanten bedekt was. De heuvels waren steil en hadden een bruine kleur. Stof dwarrelde onder de hoeven op en hier en daar groeiden zilvergroene struiken, die de lucht vervulden met een zoete geur, wanneer ze gekneusd werden, maar die verder niet erg bruikbaar waren.

Sandoval werd met behulp van Everard op de grond neergelegd. De Navajo hield de ogen gesloten. Zijn gezicht was heet en ingevallen. Soms woelde hij heen en weer en mompelde iets. Everard kneep wat water uit een vochtige doek tussen de gebarsten lippen, maar kon verder niets doen. De Mongolen installeerden zich in een vrolijker stemming dan voorheen. Ze hadden twee grote tovenaars overwonnen en waren niet meer aangevallen. En ze begonnen zich te realiseren wat dat inhield. Kletsend met elkaar knapten zij de verschillende noodzakelijke karweitjes op en haalden na een sobere maaltijd de leren zakken met kumiss tevoorschijn.

Everard bleef bij Sandoval in het centrum van het kamp. Er waren twee wachtposten die met gespannen bogen een paar meter bij hem vandaan zaten, maar niets zeiden. Nu en dan stond een van hen op om het vuurtje te verzorgen. Ten slotte werden ook hun kameraden stil. Zelfs deze taaie gastheren waren wel eens moe. De mannen rolden zich in elkaar en vielen in slaap. De wachtposten deden slaperig hun ronden. De wachtvuren doofden langzaam, terwijl boven hen de sterren opvlamden. Kilometers verder jankte een prairiewolf. Everard dekte Sandoval toe om hem tegen de toenemende kou te beschermen. Bij het schijnsel van zijn eigen kleine vuurtje zag hij hoe zich rijp vormde op de bladeren van de salie. Hij kroop ineen onder zijn mantel en wenste dat zijn cipiers hem tenminste zijn pijp zouden teruggeven.

Voetstappen kwamen naderbij. Everards bewakers graaiden naar pijlen voor hun bogen. Toktai liep de lichtkring binnen, blootshoofds en in een mantel gehuld. De bewakers bogen diep en trokken zich in de schaduw terug. Toktai bleef staan. Everard keek op, maar staarde daarna weer voor zich uit. De Noyon keek enige tijd naar Sandoval. Ten slotte zei hij, en het klonk bijna vriendelijk: ‘Ik denk niet dat uw vriend bij zonsopgang nog in leven zal zijn.’ Everard gromde.

‘Hebt u geen medicijnen waarmee we hem kunnen genezen?’ vroeg Toktai. ‘Er zitten nogal vreemde dingen in uw zadeltassen.’

‘Ik heb een geneesmiddel voor infecties, en een middel tegen pijn,’ zei Everard mechanisch. ‘Maar voor een verbrijzelde schedel hebben we bijzonder goede dokters nodig.’ Toktai ging zitten en strekte zijn handen naar het vuur uit. ‘Het spijt me dat we geen chirurg bij ons hebben.’

‘U kunt ons toch laten vertrekken,’ zei Everard, zonder echter enige hoop te koesteren. ‘Ik zou hem met de strijdwagen die in het vorige kamp is achtergebleven, nog tijdig naar een plaats kunnen brengen, waar ze hem kunnen genezen.’

‘U weet best dat ik dat niet kan doen!’ Toktai grinnikte. Zijn medelijden met de stervende verdween. ‘Ten slotte bent u het, die moeilijkheden heeft veroorzaakt.’ Omdat dat waar was, gaf de Patrouilleagent geen antwoord. ‘Ik neem het u niet kwalijk,’ vervolgde Toktai. ‘Eigenlijk zou ik nog steeds het liefst vriendschap sluiten. Als dat niet zo was, hield ik een paar dagen halt om alles wat u weet uit u los te krijgen.’

‘Dat lukt u niet,’ vloog Everard op.

‘Ik denk van wel. Zeker met iemand die middelen tegen pijn bij zich heeft.’ Op Toktai’s gezicht verscheen een wolf-achtige grijns. ‘Maar misschien kan ik nog plezier van u hebben, door u als gijzelaar of zo te gebruiken. En ik bewonder uw moed. Ik ga u zelfs een paar van mijn vermoedens onthullen. Ik geloof dat u helemaal niet uit dat rijke zuidelijke land afkomstig bent. Ik vermoed dat u een avonturier bent, en deel uitmaakt van een troep Sjamanen. U hebt de koning van het zuidelijke land in uw macht, of hoopt dat, en u wilt niet, dat vreemdelingen tussenbeide komen.’ Toktai spuwde in het vuur. ‘Er zijn allerlei oude verhalen over dergelijke gebeurtenissen, waarin een held ten slotte de tovenaar overwint. Waarom zou ik dat niet kunnen zijn?’ Everard zuchtte. ‘U komt er nog wel achter, waarom u dat niet zult zijn, Noyon.’ Hij vroeg zich af in hoeverre hij gelijk zou krijgen.

‘O, goed.’ Toktai klopte hem op de schouders. ‘Kunt u me zelfs niet een beetje vertellen? Er is geen bloedwraak tussen ons. Laten we vrienden worden.’

Everard wees met zijn duim over zijn schouder naar Sandoval.

‘Dat is ook erg,’ zei Toktai, ‘maar waarom verzette hij zich ook tegen een officier van de Kha Khan? Kom, laten we samen iets drinken, Eburar. Ik zal iemand een kruik laten halen.’

De Patrouilleagent trok een vies gezicht. ‘Dat is nu juist niet de manier om vrede met me te sluiten!’

‘O, houden jullie niet van kumiss? Ik ben bang dat we niets anders hebben. We zijn al geruime tijd door onze wijnvoorraad heen.’

‘U zou me wat van mijn whisky kunnen geven.’ Everard keek weer naar Sandoval, en daarna de duistere nacht in. Hij voelde hoe hij het steeds kouder kreeg. ‘Man, wat heb ik daar behoefte aan!’

‘Hè?’

‘Een van onze eigen dranken. Er zit nog wat in de zadeltassen.’

‘Wel…’ Toktai aarzelde. ‘Goed. Kom mee, dan gaan we het halen.’

De bewakers volgden hun aanvoerder en hun gevangene door het struikgewas, tussen de slapende krijgers door, naar een stapel spullen, die eveneens bewaakt werd. Eén van deze schildwachten ontstak een fakkel aan zijn wachtvuurtje om Everard wat licht te verschaffen. De rugspieren van de Patrouilleagent spanden zich, — ze hielden nu hun pijlen op hem gericht, de bogen zo gespannen dat de pijlpunten het hout raakten — maar hij hurkte neer en begon zijn eigen spullen te doorzoeken, ervoor zorgend geen plotselinge bewegingen te maken. Toen hij de beide veldflessen met Schotse whisky gevonden had, keerde hij naar zijn plaats terug. Toktai ging tegenover hem bij het vuur zitten. Hij keek toe hoe Everard de dop van de veldfles volschonk en de inhoud naar binnen goot. ‘Het ruikt vreemd,’ zei hij. ‘Proef eens.’ De Patrouilleagent overhandigde hem de fles. Het was een gebaar dat voortkwam uit zijn gevoel van eenzaamheid. Toktai was niet zo’n kwade kerel. Tenminste niet in zijn soort. En als je moet toezien hoe je vriend stervende is, zou je in staat zijn samen met de duivel zelf een glas te drinken, om tenminste niet te moeten denken. De Mongool rook er achterdochtig aan, keek nog eens naar Everard, wachtte even en bracht de fles dan met veel bravour naar zijn lippen. ‘Oooh-ooh-oo!’

Everard krabbelde overeind om de fles te pakken voor er al te veel verloren zou gaan. Toktai hijgde naar adem en spuwde alles weer uit. Eén van de bewakers legde een pijl op zijn boog, de andere sprong op om Everard bij de schouder te grijpen. Boven zijn hoofd glinsterde een zwaard. ‘Het is geen vergif!’ riep de Patrouille-man uit. ‘Het is alleen maar te krachtig voor hem. Kijk zelf maar, dan zal ik er zelf nog wat van nemen.’ Toktai stuurde de bewakers met een armgebaar weg en keek hem met tranen in de ogen, woedend aan. ‘Waar wordt dat van gemaakt?’ vroeg hij benauwd. ‘Van drakenbloed?’

‘Nauwelijks.’ Everard voelde er niets voor, het destillatie proces te moeten uitleggen. Hij schonk zich nog eens in. ‘Drink jij maar liever die paardemelk.’ Toktai maakte een smakkend geluid. ‘Het warmt je, hè? Net peper.’ Hij stak een vuile hand uit. ‘Geef me nog wat.’ Everard bleef enkele ogenblikken onbewegelijk zitten. ‘Nou?’ gromde Toktai.

De Patrouilleagent schudde het hoofd. ‘Ik heb je toch gezegd dat het te krachtig is voor Mongolen?’

‘Wat? Kijk eens hier, jij withuidige zoon van een Turk…’

‘Op je eigen verantwoording dan. Ik zeg je eerlijk, en ik neem je mannen als mijn getuigen, dat je morgen ziek bent.’ Toktai nam een flinke slok, boerde, en gaf de veldfles terug. ‘Onzin. Ik was er de eerste keer gewoon niet op voorbereid. Kom, drink!’

Everard nam er de tijd voor. Toktai werd ongeduldig. ‘Schiet toch eens op. Nee, geef mij de andere fles.’

‘Best, jij bent de baas. Maar probeer alsjeblieft niet gelijk op te drinken met mij. Dat kun je toch niet.’

‘Wat bedoel je met dat kun je niet? Kom nou, in Karakoroem heb ik eens twintig man onder de tafel gedronken. En dat waren heus niet van die slappe Chinezen. Het waren allemaal Mongolen.’ Toktai goot nog een deciliter naar binnen. Everard dronk met kleine teugjes. Hoewel hij er toch op een brandend gevoel in zijn slokdarm na weinig last van had. Hij was te zeer gespannen. Plotseling meende hij een uitweg te zien.

‘Hier, het is veel te koud,’ zei hij, terwijl hij de dichtstbijzijnde bewaker zijn fles aanbood. ‘Jullie mogen best wat hebben om warm te blijven.’

Toktai keek een beetje versuft op. ‘Dit is goed spul,’ wierp hij tegen, ‘veel te goed voor…’ Hij kwam weer tot zichzelf en slikte de rest van zijn woorden in. Het Mongoolse rijk mocht dan wreed en absoluut heersen, maar officieren deelden gelijk op met de minderen in rang. De krijger greep de kruik en liet de inhoud in zijn mond lopen. ‘Kalm aan,’ zei Everard, het is koppig spul.’

‘Voor mij is niets koppig.’

‘Toktai goot nieuwe voorraad naar binnen. ‘Ik ben zo nuchter als wat.’ Hij schudde met zijn wijsvinger. ‘Dat is het beroerde als je Mongool bent. Wij zijn zo sterk, dat we niet dronken kunnen worden.’

‘Ben je aan het bluffen, of aan het klagen?’ vroeg Everard. De eerste soldaat klakte met zijn tong, hernam zijn waakzame houding en gaf de kruik aan zijn metgezel door. Toktai hief de andere kruik weer op.

‘Ahhh!’ Hij keek schaapachtig. ‘Dat smaakt goed. Wel, we moesten nu maar gaan slapen. Geef hem zijn drank terug, mannen.’

Everard moest zijn nervositeit even wegslikken. Desondanks slaagde hij erin een begerige blik op de fles te werpen. ‘Ja, dankjewel, ik kan nog wel wat gebruiken,’ zei hij. ‘Ik ben blij dat je hebt ingezien, dat je er niet tegen kan.’

‘Wat bedoel je?’ Toktai keek hem woedend aan. ‘Drank doet me niets. Ik ben Mongool!’ Hij dronk opnieuw. De eerste bewaker kreeg de andere fles waar hij haastig een slok uit nam voor het te laat zou zijn.

Everard haalde verlicht adem. Ten slotte zou het hem dan toch nog lukken. Misschien.

Toktai was het drinken gewend. Er viel niet aan te twijfelen dat zijn mannen grote hoeveelheden kumiss, wijn, bier, mede, kvass, — een licht bier, dat ten onrechte rijstwijn wordt genoemd — zowel als iedere andere drank uit dit tijdperk, aankonden. Ze wisten heus wel, wanneer ze genoeg hadden gehad om welterusten te zeggen, en nog in kaarsrechte lijn naar hun nachtverblijf te kunnen lopen.

De moeilijkheid is dat geen enkele, op de gewone manier gegiste drank, een alcoholpercentage van meer dan vijfentwintig heeft. Het gistingsproces wordt stop gezet door de afvalproducten die erbij ontstaan. Van wat er in de dertiende eeuw gebrouwen werd, bevatte het meeste nog geen vijf procent alcohol, terwijl bovendien het voedingsgehalte hoog was.

Schotse whisky is van een heel andere klasse. Als je probeert dat te drinken alsof het bier of wijn is, raak je in moeilijkheden. Voor je het weet verlies je alle controle over jezelf en korte tijd later raak je buiten bewustzijn. Everard stak zijn hand uit naar de fles van een van de schildwachten. ‘Geef op!’ zei hij. ‘Straks drink je alles nog op.’ De soldaat grinnikte, en nam er een grote slok uit, waarna hij haar doorgaf aan zijn kameraad. Everard stond op en deed er een onhandige greep naar. Een van de bewakers porde hem in zijn maag. Everard viel achterover op de grond. De Mongolen brulden van het lachen, op elkaar leunend om niet te vallen. Zo’n goeie mop vroeg om nog een rondje. Toen Toktai in elkaar zakte, was Everard de enige die het opmerkte. De Noyon zat met gekruiste benen op de grond en gleed langzaam om, tot hij languit op zijn rug lag. Het vuur vlamde even op. Lang genoeg om de verdwaasde glimlach die om zijn lippen speelde, te verlichten. Everard hurkte neer, zijn spieren gespannen.

Enkele minuten later kwam het einde voor zijn cipier. Hij waggelde, ging op handen en voeten zitten en werkte zijn avondeten naar buiten. De andere draaide zich met knipperende ogen om en tastte naar zijn zwaard. ‘Wattisser?’ gromde hij. ‘Wa-doe-je? Ben je vergiftigd?’ Everard kwam in beweging.

Hij was al over het vuur gesprongen en boven op Toktai geland voor de laatste bewaker begreep wat er gebeurde. De Mongool struikelde luid schreeuwend naar voren. Everard vond Toktai’s zwaard. Het flitste uit de schede terwijl hij weer opsprong. De soldaat hief zijn eigen zwaard op. Everard hield er niet van, een zo goed als hulpeloze man te doden. Hij liep door tot hij vlak bij hem was, sloeg het andere wapen opzij en sloeg met gebalde vuist toe. De Mongool zonk op zijn knieën, kokhalsde en was voorlopig in diepe slaap verzonken.

Everard sprong weg. Gestalten bewogen zich in het duister, elkaar roepend. Hij hoorde het geluid van de hoeven van een van de bereden schildwachten die naderbij reed om te zien wat er aan de hand was. Iemand haalde een brandende tak uit een bijna gedoofd vuurtje en zwaaide ermee rond tot hij opvlamde. Everard liet zich plat op de grond vallen. Een naderbij stormende schildwacht, kon hem in het struikgewas niet vinden. Hij gleed verder het donker in. Een ratelende reeks vloeken achter hem maakte duidelijk, dat iemand de Noyon had gevonden. Everard stond op en rende weg.

De paarden waren vastgebonden en bleken als gewoonlijk bewaakt te worden. Onder de met fonkelende sterren bezaaide hemel staken ze als een zwarte massa af tegen de lichtgrijze vlakte. Everard zag een van de Mongoolse wachtposten in zijn richting gallopperen. Een stem riep: ‘Wat gebeurt er?’

Hij liet zijn stem hoog klinken: ‘Het kamp wordt aangevallen!’ Zijn enige bedoeling was tijd te winnen voor de ruiter hem zou herkennen en een pijl op hem af zou schieten. Hij bukte zich diep, zodat zijn ineengedoken gestalte niet herkend kon worden. De Mongool liet zijn paard halt houden, daarbij een stofwolk opwerpend. Everard sprong toe. Hij kreeg het toom van de pony te pakken, voordat de man hem herkende. De schildwacht schreeuwde en trok zijn zwaard. Hij weerde de stoot, die onhandig van bovenaf werd toegebracht, gemakkelijk af. Everard stootte op zijn beurt toe, en voelde hoe het lemmet in het vlees wegzonk. Het paard hinnikte verschrikt. De berijder viel uit het zadel. Hij rolde om en krabbelde brullend weer overeind. Everard stond al met één voet in de uitgeholde stijgbeugel. De Mongool hinkte naar hem toe, waardoor je het bloed, dat in het vage licht een zwarte kleur had, uit het gewonde been kon zien stromen. Everard steeg op en sloeg het paard met de platte kant van zijn eigen zwaard op het kruis. Hij vervolgde zijn tocht naar de paarden. Er stormde nog een ruiter naderbij, om hem te onderscheppen. Everard dook ineen. Waar hij zich zojuist bevonden had, snorde een pijl voorbij. De gestolen pony gooide zijn achterbenen in de lucht om zich van zijn onbekende last te ontdoen. Het kostte Everard een minuut om het dier weer in bedwang te krijgen. De boogschutter had hem op dat moment kunnen neerleggen, wanneer hij, dichterbij gekomen, een lijf aan lijf gevecht begonnen was. Maar uit gewoonte galoppeerde de man langs hem heen, terwijl hij zijn pijlen op hem afzond. In het halfdonker miste hij. Voor hij zich had kunnen omwenden was Everard in het nachtelijk duister uit het gezicht verdwenen. Everard ontrolde een lasso die aan de zadelknop hing en stortte zich tmidden van de schichtige dieren. Hij lassode het dichtstbijzijnde dier, dat alles gelukkig gedwee over zich heen liet gaan. Zich opzij buigend, hakte hij de kluisters met zijn zwaard door, waarna hij met het reserve paard achter zich aan wegreed. Zij kwamen aan de andere zijde van de troep paarden weer tevoorschijn en gingen er in noordelijke richting vandoor. ‘Een vlucht met je achtervolgers dicht achter je, kan ook heel lang worden voortgezet,’ hield Everard zich ten onrechte voor. ‘Maar als ik geen kans zie, ze van me af te schudden, halen ze me ten slotte altijd in. Laat eens zien; als ik me de kaart goed herinner, ligt het lavabed in het noordwesten.’

Hij wierp een blik achter zich. Tot nu toe was er nog geen enkele achtervolger zichtbaar. Het zou hun waarschijnlijk wat tijd kosten zich van de verwarring te herstellen. Hoewel…

Boven zijn hoofd flonkerden zwarte lichtjes. Achter hem klonk het gedreun van uiteen gereten luchtlagen. Hij voelde hoe een koude ruling, die niet door de nachtelijke kilte werd veroorzaakt, over zijn rug trok. Maar hij matigde zijn snelheid. Hij had geen reden meer om zich te haasten. Dat was natuurlijk Manse Everard… die naar de machine van de Patrouille was teruggekeerd en ermee in zuidelijke richting was vertrokken, terug in de tijd, naar dit moment. ‘Dat was gevaarlijk spel,’ dacht hij. De voorschriften van de Patrouille keurden het sterk af, dat men zichzelf op deze manier te hulp kwam. Het gevaar dat er een gesloten, altijd rondgaande keten van oorzaak en gevolg zou ontstaan, was te groot, evenals het gevaar dat verleden en toekomst hopeloos in de war zouden raken.

‘Maar,’ dacht hij, ‘in dit geval ga ik vrijuit. Ze kunnen me zelfs geen verwijten maken, want ik doe het om John Sandoval te redden, en niet voor mezelf. Ik heb mezelf al bevrijd. Ik zou mijn achtervolgers in de bergen kunnen afschudden, omdat ik daar bekend ben en de Mongolen niet. Tijdspringen doe ik alleen maar om het leven van mijn vriend te redden.

Bovendien,’ dacht hij, terwijl hij plotseling een gevoel van bitterheid in zich voelde opkomen, ‘wat gebeurt er in deze hele ellendige geschiedenis nu anders, dan dat de toekomst zich naar het verleden wendt om zo haar eigen verleden te scheppen? Als wij er niet waren geweest, kon het heel goed mogelijk geweest zijn, dat de Mongolen heel Amerika veroverd hadden, en dan zouden wij nooit bestaan hebben.’ Groots en diepzwart welfde de hemel zich boven hem. Zelden waren er zo veel sterren. Boven de grijze aarde schitterde de Grote Beer. Hoefslagen doorbraken de stilte. Nog nooit had Everard zich zo eenzaam gevoeld. ‘En wat ben ik in het kamp eigenlijk aan het doen?’ vroeg hij hardop.

Toen het antwoord hem duidelijk werd, kwam hij weer wat tot rust en begon hij, terwijl zijn bewegingen zich aansloten bij de ritmische gang van de paarden, de kilometers te verslinden. Hij wilde dit karwei afmaken. Maar wat hem te doen stond, bleek minder erg te zijn dan hij gevreesd had. Toktai en Li Tai-Tung keerden nimmer naar huis terug. Maar niet omdat ze op zee of in de wildernis omkwamen. Er daalde een tovenaar uit de hemel neer, die al hun paarden met zijn bliksems doodde en hun schepen in de monding van de rivier verbrandde. Geen enkele Chinese zeeman zou zich met de onhandige schepen die men hier kon bouwen, op de onbetrouwbare golven wagen en geen enkele Mongool zou op de gedachte komen, dat hij mogelijk te voet naar huis kon gaan. Waarschijnlijk was dat dan ook niet mogelijk. De expeditie zou hier blijven, ze zouden met leden van de indiaanse stammen trouwen en er tot het eind van hun leven deel van uitmaken. Van de Chinooks, de Tlingits, de Nootka’s, en al die andere stammen, die wilde feesten vierden, grote, zeewaardige kano’s, wigwams, koperen voorwerpen, huiden en kleding bezaten en zo hooghartig konden zijn… Een Mongoolse Noyon, en zelfs een Confuciaanse geleerde konden het slechter treffen in het leven en minder gelukkig zijn, dan wanneer ze dergelijke levensomstandigheden schiepen voor een dergelijk ras. Everard knikte in zichzelf. Dat was dat. Het verijdelen van Toktai’s bloeddorstige plannen was niet iets dat hem wroeging bezorgde. Moeilijker was het, zich de waarheid omtrent de Patrouille, die zijn familie en zijn vaderland en zijn doel in het leven was, te realiseren. Die supermensen uit de toekomst bleken ten slotte helemaal niet zulke idealisten te zijn. Zij beschermden alleen maar een misschien wel heilig verklaarde, historische ontwikkelingsgang, die tenslotte henzelf zou voortbrengen. Bovendien knoeiden ze hier en daar, met het doel hun eigen verleden te scheppen… Vraag niet of er ooit een ‘oorspronkelijke’ ontwikkeling heeft bestaan. Denk daar niet aan. Kijk naar de hobbelige weg die de mensheid moet gaan, en maak jezelf wijs dat het in sommige gevallen beter en in andere gevallen slechter had gekund. ‘Het mag dan vals spel zijn,’ zei Everard, ‘maar het is het enige spelletje dat we kennen.’

Zo luid klonk zijn stemgeluid over die uitgestrekte, met rijp bedekte vlakte, dat hij niets meer zei. Hij klakte met zijn tong tegen het paard en vergrootte zijn snelheid, in noordelijke richting rijdend.