Poul Anderson

De Tijdpatrouille


1

<p>1</p>

Medewerkers gevraagd — 21-40 jr., bij voork. ongh., mil. of techn. erv., krachtig postuur, voor goed betaald werk met reizen naar het buitenland. Engineering Studies Co., 305 E. 45, 9-12 & 2-6 u.


‘Het werk is enigszins ongewoon, ziet u,’ zei Mr. Gordon. ‘En vertrouwelijk. Ik hoop dat u een geheim kunt bewaren?’

‘Gewoonlijk wel,’ zei Manse Everard. ‘Het hangt er natuurlijk van af, wat dat geheim is.’

Mr. Gordon glimlachte. Het was een merkwaardige glimlach, waarbij zijn mond een scherp gebogen lijn vormde op een manier zoals Everard dat nooit tevoren had gezien. Hij sprak vlot standaard-Amerikaans, en droeg een onopvallend colbert, maar er was iets vreemds aan hem, dat niet alleen toegeschreven kon worden aan zijn donkere huidskleur, baardeloos gezicht en de incongruentie van Mongoolse ogen boven een smalle Kaukasische neus. Het was moeilijk te verklaren.

‘Wij zijn geen spionnen, als u dat soms mocht denken,’ zei hij.

Everard grinnikte: ‘Sorry. Denk alstublieft niet dat ik net zo hysterisch ben als de rest van het land. Ik heb trouwens nooit toegang gehad tot geheime stukken. Maar uw advertentie had het over werk in het buitenland, en zoals de zaken ervoor staan — ik zou mijn paspoort graag houden, ziet u?’ Hij was groot, met vierkante schouders en een enigszins verweerd gezicht onder kortgeknipt bruin haar. Zijn papieren lagen voor hem: een militair ontslagbewijs en een opsomming van zijn werk als ingenieur in verschillende plaatsen. Mr. Gordon scheen er nauwelijks naar gekeken te hebben.

Het kantoor was heel alledaags, een schrijftafel en een paar stoelen, een archiefkast en een deur die naar een ruimte achter het vertrek leidde. Een raam gaf uitzicht op het dreunende verkeer van New York, zes verdiepingen lager. ‘Een onafhankelijke aard,’ zei de man achter het bureau, ‘ik mag dat wel. Er komen er al zoveel kruiperig binnen, alsof ze dankbaar zouden zijn als ze een schop kregen. Maar natuurlijk, met uw ervaring bent u nog niet moedeloos. U kunt nog steeds werk krijgen, zelfs in een tijd van… eh, ver doorgevoerde bestedingsbeperking is, meen ik, de gangbare uitdrukking.’

‘Ik was geïnteresseerd,’ zei Everard. ‘Ik heb in het buitenland gewerkt, zoals u kunt zien, en ik zou graag weer gaan reizen. Maar, eerlijk gezegd, heb ik nog steeds niet het vaagste idee van wat uw firma doet.’

‘We doen van alles en nog wat,’ zei Mr. Gordon. ‘Laat eens zien… u hebt gevochten… Frankrijk en Duitsland.’ Everard knipperde met zijn ogen; zijn papieren bevatten een opsomming van zijn onderscheidingen, maar hij zou hebben kunnen zweren dat de man geen tijd had gehad om ze te lezen.

‘Mm… wilt u die knoppen op de armleuning van uw stoel even beetpakken? Dank u. Vertel eens, hoe reageert u op lichamelijk gevaar?’ Everard vloog op. ‘Zeg eens…’

De ogen van Mr. Gordon flitsten naar een instrument op zijn bureau: het was niet meer dan een doos met een paar knoppen en een meter. ‘Laat maar. Hoe is uw mening over het internationalisme?’

‘Hoor eens even…’

‘Communisme? Fascisme? Vrouwen? Uw persoonlijke ambities?… Dat is alles. U hoeft niet te antwoorden.’

‘Verduiveld, wat betekent dit allemaal?’ snauwde Everard. ‘Een kleine psychologische test. Maakt u zich er maar verder niet druk om. Ik heb alleen maar belangstelling voor uw opvattingen voorzover ze uw diepste emotionele instelling verraden.’ Mr. Gordon leunde achteruit en plaatste de vingertoppen tegen elkaar.

‘Tot zover is alles nogal veelbelovend. Kijk eens, het gaat hier om. Wij doen werk, dat zoals ik u al verteld heb, zeer geheim is. Wij eh… zijn van plan onze concurrenten een verrassing te bezorgen.’ Hij grinnikte. ‘Ga uw gang en geef me aan bij de F.B.I. als u daar zin in hebt. Er heeft hier al een onderzoek plaatsgevonden en we hebben een keurige verklaring van goed gedrag. U zult merken dat we werkelijk wereldomvattend financieel en technisch werk verrichten. Maar er is nog een kant aan deze zaak, en daarvoor hebben we medewerkers nodig. Ik zal u honderd dollar betalen als u naar het vertrek hier achter gaat en een paar tests maakt. Het zal ongeveer drie uur duren. Als u niet slaagt, dan is daarmee alles afgelopen. Slaagt u wel, dan nemen we u in dienst, geven u kennis van alle feiten en beginnen met uw opleiding. Gaat u akkoord?’

Everard aarzelde. Hij voelde zich overrompeld. Deze onderneming bestond uit meer dan een kantoor en een minzame vreemdeling. Maar toch…

‘Goed, ik zal tekenen nadat u me verteld hebt wat dit allemaal inhoudt.’

‘Zoals u wilt,’ zei Mr. Gordon schouderophalend. ‘Doe wat u het beste lijkt. De tests zullen voorspellen of u al dan niet tekent, ziet u. We gebruiken nogal ver gevorderde methodes.’

Dat was dan, tenminste, helemaal waar. Everard was enigszins op de hoogte met de moderne psychologie: encefalogrammen, associatietests, het Minnesota-profiel. Hij herkende geen enkele van de ingewikkelde apparaten die rondom hem zoemden en knipperden. De vragen die de assistent — een bleke, volkomen kale man van ondefinieerbare leeftijd, met een zwaar accent en een uitdrukkingloos gezicht — op hem afvuurde, leken absoluut zinloos. En wat was de metalen helm die hij op zijn hoofd moest dragen? Waarheen leidden de draden ervan?

Hij keek tersluiks naar de meters, maar de letters en cijfers er op, leken op niets dat hij ooit tevoren gezien had. Geen Engels, Frans, Russisch, Grieks, Chinees, of iets anders uit 1954 n.C. Misschien begon toen al de waarheid hem duidelijk te worden.

Naarmate de tests vorderden, groeide een eigenaardige zelfkennis in hem. Manson Emmert Everard, leeftijd 30 jaar, voormalig luitenant bij de genie van het U.S. Army; ervaring in ontwerpen en bouwen opgedaan in Amerika, Zweden, Arabië; nog steeds vrijgezel, echter met toenemende afgunst jegens zijn getrouwde vrienden; momenteel geen meisje, geen naaste verwanten; een tikkeltje bibliofiel; een koppig pokerspeler; voorliefde voor zeilboten, paarden en geweren; kampeerder en visser in zijn vakanties. Hij wist dit natuurlijk allemaal al lang, maar slechts als feiten zonder samenhang. Het was vreemd, deze plotselinge beleving van zichzelf als een geïntegreerd organisme, deze bewustwording dat iedere karakteristiek één enkel en noodzakelijk facet van een groter totaal was.

Na afloop was hij uitgeput en kletsnat. Mr. Gordon bood hem een sigaret aan en keek snel een serie met codetekens bedekte papieren door, die de assistent hem aanreikte. Nu en dan mompelde hij enkele woorden: ‘… cortex zêta — 20… ongenuanceerde waardebepaling hier… psychische reactie op antitoxinen… zwakke centrale coördinatie…’ Hij was overgegaan op een dialect met een zangerigheid en een uitspraak van de klinkers zoals Everard dat gedurende een langdurige kennismaking met de wijzen waarop de Engelse taal mishandeld kan worden, nog nooit gehoord had. Het duurde een half uur, voor hij weer opkeek. Everard werd rusteloos, zich ergerend aan deze hooghartige behandeling, maar zijn nieuwsgierigheid deed hem blijven waar hij was. Mr. Gordon glimlachte breed en tevreden, waarbij hij een stel ongelofelijk witte tanden vertoonde. ‘Ah. Eindelijk. Weet u dat ik al vierentwintig kandidaten heb moeten afwijzen? Maar u speelt het wel klaar. U speelt het beslist wel klaar.’

‘Wat speel ik klaar?’ Everard boog zich voorover, zich ervan bewust dat zijn pols sneller klopte. ‘Het werk in de patrouille. U wordt een soort politieagent.’

‘O ja? Waar?’

‘Overal. En in iedere tijd. Zet u maar schrap, dit zal u een schok geven.

Ziet u, hoewel onze onderneming aan de wettelijke voorschriften voldoet, is ze toch slechts bedoeld als dekmantel en bron van inkomsten. Ons echte werk is tijdbewaking.’


2

<p>2</p>

De Academie bevond zich in West-Amerika. Ze bevond zich tevens in het Oligoceen, een warme periode met wouden en weilanden, toen de miserabele voorouders van de mens haastig wegvluchtten bij de nadering van reusachtige zoogdieren. Ze was zo’n duizend jaar geleden gebouwd en zou een half miljoen jaar in stand worden gehouden — lang genoeg om zoveel mannen af te leveren als de tijdpatrouille nodig zou hebben — en dan behoedzaam afgebroken worden, zodat er geen spoor van zou overblijven. Later zouden de gletsjers komen, en er zouden mensen zijn, en in het jaar 19.352 n.C. (het 7841-ste jaar van de Moreense Overwinning) zouden deze mensen een methode ontdekken om door de tijd te reizen, en terugkeren naar het Oligoceen om de Academie te stichten.

Het was een complex lange, lage gebouwen, met vloeiende lijnen en afwisselende kleuren, die verspreid lagen over een grasveld tussen oeroude bomen. Verderop glooiden heuvels en wouden naar een brede, bruine rivier, en ’s nachts kon je soms het brullen van titanotheren of de verwijderde roep van een sabeltandtijger horen.

Everard stapte uit de tijdcabine — een grote, gladde metalen doos — met een droog gevoel in zijn keel. Hij gevoelde zich als op zijn eerste dag in militaire dienst, twaalf jaar geleden — of, zo u wilt, vijftien tot twintig miljoen jaar in de toekomst — eenzaam en hulpeloos, en wanhopig verlangend naar de een of andere eervolle terugweg naar huis. Het was enigszins bemoedigend, uit de overige cabines in totaal zo’n vijftig jonge mannen en vrouwen te zien ontschepen. De rekruten verzamelden zich langzaam, een onhandige groep vormend. Aanvankelijk praatten ze niet, maar staarden elkaar aan. Everard ontdekte iemand met een Hooverboord en stekelhaar, de klederdracht en haarstijl uit 1954 en later. Waar kwam zij vandaan, dat meisje met de regenboogkleurige, nauwsluitende pantalon, groene lipstick en het grillig gemodelleerde gele haar? Nee… van wanneer? Naast hem bleek een man van ongeveer vijfentwintig jaar te staan, kennelijk een Brit, afgaande op het gladde tweed dat hij droeg en het lange, smalle gezicht. Hij zag er uit alsof hij onder zijn gemaniëreerde uiterlijk een diepe bitterheid verborg. ‘Hallo,’ zei Everard. ‘We kunnen net zo goed even kennis maken!’ Hij noemde zijn naam en plaats en tijd van herkomst.

‘Charles Whitcomb, Londen 1947,’ zei de ander verlegen. ‘Ik was juist gedemobiliseerd — R.A.F. — en dit leek me een goede kans. Momenteel twijfel ik daaraan.’

‘Misschien,’ zei Everard, aan het salaris denkend. Vijftienduizend per jaar om mee te beginnen! Hoewel, hoe telden ze die jaren? Zou wel gedaan worden aan de hand van iemands persoonlijke tijdgevoel?

Een man slenterde hun richting uit. Het was een slanke, jonge knaap in een nauw sluitend, grijs uniform met een diepblauwe cape die leek te glinsteren alsof er sterren ingeweven waren. Hij had een plezierig, lachend gezicht en hij praatte hartelijk, met een licht accent: ‘Hallo! Welkom op de Academie. Ik neem aan dat u allen Engels spreekt?’ Everard bemerkte iemand in de haveloze restanten van een Duits uniform, en een Hindoe, en anderen die waarschijnlijk uit verschillende plaatsen in het buitenland kwamen.

‘In dat geval zullen we Engels spreken, tot u allen Universeel hebt geleerd.’ De man stond er ontspannen bij, de handen op de heupen. ‘Mijn naam is Dard Kelm. Ik ben geboren in — laat eens kijken — 9573 christelijke tijdrekening, maar ik heb een speciale studie gemaakt van uw tijdvak. Dat, tussen haakjes, loopt van 1850 tot 1975, hoewel u allemaal afkomstig bent uit jaren die daar ergens tussenin liggen. Ik ben uw officiële klaagmuur, voor het geval er iets verkeerd gaat.

De zaken worden hier anders geregeld dan u waarschijnlijk verwacht hebt. We leveren geen mensen in massa’s tegelijk af, en hebben dus niet de nauwgezette discipline van een schoolklas of het leger nodig. Ieder van u zal zowel individueel als groepsonderricht krijgen. Tekortkomingen in de studie behoeven we niet te straffen, omdat de voorafgegane tests gegarandeerd hebben dat die niet zullen voorkomen en deze tevens de kans op tekortkomingen in het werk verkleind hebben. Ieder van u heeft, naar de maatstaven van uw eigen cultuur, een hoge graad van ontwikkeling. Het verschil in aanleg maakt echter dat, als we ieder van u tot zijn hoogste ontplooiing willen brengen, persoonlijke begeleiding nodig zal zijn.

Afgezien van de normale omgangsvormen, hechten we hier weinig waarde aan formaliteiten. U zult zowel voor ontspanning als studie alle gelegenheid hebben. We verwachten nooit meer van u dan u kunt opbrengen. Ik zou eraan toe willen voegen dat de mogelijkheden voor jagen en vissen hier in de omgeving nog steeds vrij goed zijn, en als u slechts een paar honderd kilometer verder vliegt zijn ze zelfs fantastisch. Als er geen vragen meer zijn, wilt u me dan maar volgen, dan zal ik u wegwijs maken.’

Dard Kelm toonde hun de gebruiksvoorwerpen die in de meeste vertrekken te vinden waren. Ze waren van het type zoals je dat omstreeks het jaar 2000 verwacht zou hebben: bescheiden meubilair van een volmaakte functionaliteit, beeldschermen voor ontspanning, die verbonden waren met een reusachtige geluids- en filmbibliotheek. Vooralsnog niets dat té ver gevorderd was. Iedere cadet had zijn eigen kamer op het Academieterrein; de maaltijden vonden plaats in een gemeenschappelijke eetzaal, maar voor afzonderlijke groepen konden regelingen worden getroffen. Everard voelde de spanning van binnen afnemen.

Er werd een feestmaal ter verwelkoming gegeven. De gang van zaken was vertrouwd, maar de geruisloze machines die opdoken om hen te bedienen, waren dat niet. Er was wijn, bier en een overvloed van rookwaren. Misschien had iemand iets door het voedsel gedaan, want Everard voelde zich net zo uitgelaten als de anderen. Tenslotte was hij een boogie op de piano aan het bonken, terwijl een half dozijn aanwezigen een afschuwelijke sfeer schiepen door te trachten te zingen.

Slechts Charles Whitcomb hield zich achteraf, alleen in een hoek somber een glas drinkend. Dard Kelm had de tact hem niet te overreden zich bij de anderen te voegen. Everard kwam tot de conclusie dat het hem begon te bevallen. Maar het werk en de organisatie en het doel waren nog steeds een gesloten boek voor hem.

‘Het tijdreizen werd ontdekt in de tijd dat het choritisch geloof begon af te nemen,’ zei Kelm, in de aula. ‘U zult later de details bestuderen, maar voorlopig moet u maar van mij aannemen, dat het een roerige tijd was, waarin commerciële en genetische wedijver een strijd op leven en dood tussen reusachtige machtsconcentraties betekende, alles was toegestaan, en de verschillende regeringen waren pionnen in een planetaire worsteling. Het tijd-effect was een nevenresultaat van een onderzoek naar de mogelijkheden voor materie-transmissie, voor de mathematische beschrijving waarvan, zoals sommigen van u duidelijk zal zijn, oneindig discontinue functies vereist zijn. Ik zal me niet in de theorie verdiepen — u hoort er meer van bij de fysicalessen — maar slechts opmerken dat dit onder meer inhoudt, het bestaan van oneindigwaardige betrekkingen in een tijdruimte van 4 N-di-mensies, waarbij N het aantal deeltjes in het heelal voorstelt.

Uiteraard was de groep die dit ontdekte, de Negen, zich bewust van de mogelijkheden. Niet alleen zakelijke — handel, mijnbouw, en andere ondernemingen waarvan u zich gemakkelijk een voorstelling kunt vormen — maar ook de mogelijkheid hun vijanden de genadeslag toe te brengen. De tijd is onbestendig, ziet u; het verleden kan veranderd worden…’

‘Eén ogenblik!’ Het was het meisje uit 1972, Elizabeth Gray, dat in haar eigen tijd een opkomende, jonge fysicus was. ‘Ja?’ zei Kelm beleefd.

‘Ik vind dat u een, logisch gezien, onmogelijke toestand beschrijft. Ik moet de mogelijkheid van tijdreizen toegeven, gezien het feit dat we hier zijn, maar een gebeurtenis kan niet tegelijkertijd wèl en niét hebben plaatsgevonden. Dat is een innerlijke tegenstrijdigheid.’

‘Alleen, wanneer u vasthoudt aan een logica waarvoor geen alpha-sub-alpha waardering gedefinieerd is,’ zei Kelm. ‘Wat gebeurt is het volgende: veronderstel dat ik me achterwaarts in de tijd verplaatste en uw vader belette, uw moeder te ontmoeten. U zou nooit geboren zijn. Dat deel van de geschiedenis van het heelal zou er voortaan anders uitzien; het zou altijd al anders geweest zijn, hoewel ik een herinnering zou behouden aan de “oorspronkelijke” stand van zaken.’

‘Goed, en wat als u datzelfde deed bij uzelf?’ vroeg Elizabeth. ‘Zoudt u ophouden te bestaan?’

‘Nee, want ik zou behoren tot dat deel van de geschiedenis, voorafgaande aan mijn eigen ingrijpen. Laten we het op u betrekken. Als u terugging naar, ik zou zeggen, 1946, en maatregelen trof om het huwelijk van uw ouders in 1947 te verhinderen, zoudt u nog steeds in dat jaar hebben bestaan; u zou niet ophouden te bestaan alleen maar omdat u enkele gebeurtenissen beïnvloed had. Hetzelfde zou gelden, zelfs als u maar een microseconde in 1946 was geweest alvorens de man neer te schieten die anders uw vader geworden zou zijn.’

‘Maar dan zou ik bestaan zonder… zonder oorsprong!’ protesteerde zij. ‘Ik zou leven bezitten en herinneringen en… alles… hoewel niets dat zou hebben doen ontstaan.’ Kelm haalde zijn schouders op. ‘Wat dan nog? U houdt vol dat de wet van de causaliteit, beter gezegd de wet van het behoud van energie, alleen continue functies toestaat. In werkelijkheid is discontinuïteit zeer goed mogelijk.’ Hij lachte en leunde over de lessenaar. ‘Natuurlijk, sommige dingen zijn onmogelijk,’ zei hij. ‘U zou bijvoorbeeld nooit uw eigen moeder kunnen zijn, louter als gevolg van de erfelijkheidsleer. Als u terugging en met uw voormalige vader trouwde, zouden de kinderen anders zijn, geen van hen zou u zijn, omdat elk slechts de helft van uw chromosomen zou bezitten.’

Hij schraapte zijn kee ‘Laten we niet van ons onderwerp afdwalen. U zult de bijzonderheden tijdens andere lessen horen. Ik geef u slechts een algemeen overzicht. Om verder te gaan: de Negen zagen de mogelijkheid, in de tijd terug te gaan en hun vijanden te verhinderen, de vijandelijkheden te openen, of zelfs maar geboren te worden. Maar toen verschenen de Danellianen.’

Voor de eerste maal liet hij zijn nonchalante, lichtelijk geamuseerde houding varen en stond daar als een man in de tegenwoordigheid van het mysterie. Hij sprak rustig: ‘De Danellianen zijn een deel van de toekomst — onze toekomst, meer dan een miljoen jaar van ons verwijderd. De mensheid is geëvolueerd tot iets… onmogelijk te omschrijven. U zult waarschijnlijk nooit een Danelliaan ontmoeten. Als dat u ooit zou overkomen, zou dat… nogal een schok zijn. Zij zijn niet kwaadwillig — noch goedaardig — ze zijn zo ver van ons begrip en gevoel verwijderd, als wij van deze insekteneters die onze voorouders gaan worden. Het is niet zo plezierig om oog in oog te staan met iets dergelijks. Zij bekommerden zich alleen maar om de bescherming van hun eigen voortbestaan. Het tijdreizen was al lang bekend toen zij ontstonden, er waren ontelbaar veel mogelijkheden geweest voor de dwazen en de hebzuchtigen en de krankzinnigen om terug te gaan en de geschiedenis binnenste buiten te keren. Zij wilden het tijdreizen niet verbieden — het was een deel van het grote geheel dat hen had voortgebracht — maar zij moesten het reglementeren. Het werd de Negen belet hun plannen uit te voeren. En de Patrouille werd gesticht om de tijdlijnen te bewaken. U zult meestal binnen uw eigen tijdvak werken, tenzij u promoveert tot een functie in bijzondere dienst. U zult in het algemeen, een gewoon leven leiden, met een gezin en vrienden als gewoonlijk; in het geheime deel van dat leven zult u het genoegen smaken van een goed salaris, bescherming, nu en dan vakantie in enkele bijzonder interessante plaatsen, en vóór alles, werk dat de moeite waard is. Maar u zult voortdurend klaar moeten staan. Soms zult u tijdreizigers helpen, die op de een of andere manier in moeilijkheden geraakt zijn. Soms zult u opdrachten uitvoeren, als de inhechtenisneming van would-be politieke, militaire of economische veroveraars. Soms zal de Patrouille eenmaal toegebrachte schade accepteren en in plaats daarvan in latere perioden tegenwerkende invloeden in het leven roepen, die de geschiedenis in het verlangde spoor terugbrengen. Ik wens u allen veel geluk.’

Het eerste gedeelte van de opleiding bestond uit een lichamelijke en geestelijke training. Everard had nooit beseft hoe zijn eigen manier van leven hem naar lichaam en geest mank had doen gaan. Hij was slechts voor de helft de man die hij zou kunnen zijn. Hij kreeg het heel moeilijk, maar tenslotte was het een vreugde om de volmaakt beheerste kracht van zijn spieren, en de gevoelens, die dieper geworden waren nu hij ze beheerste, en de snelheid en precisie van zijn denken, gewaar te worden.

Gedurende de opleiding was hij grondig geconditioneerd tegen het onthullen van ook maar het geringste betreffende de Patrouille, tegen zelfs maar het zinspelen op het bestaan ervan, tegen een ieder die er niets mee te maken had. Het was hem eenvoudig onmogelijk dat, onder welke aandrang ook, te doen; even onmogelijk als het was naar de maan te springen. Hij leerde tevens de kleinste bijzonderheden omtrent zijn twintigste-eeuwse publieke verschijning. Universeel, de kunstmatige taal, met behulp waarvan leden van de patrouille uit alle eeuwen met elkaar konden spreken zonder door vreemdelingen begrepen te worden, was een wonder van logisch samengesteld uitdrukkingsvermogen. Hij dacht dat hij iets afwist van vechten, maar hij moest de trucs en wapens van vijftigduizend jaar leren kennen, alles, vanaf een steekwapen uit het bronzen tijdperk tot aan een cyclische springstof die een heel werelddeel in het niets kon doen verdwijnen. Teruggekeerd naar zijn eigen tijdperk, zou hij een beperkte uitrusting krijgen, omdat hij naar andere perioden gezonden zou kunnen worden, en duidelijke anachronismen zelden werden toegestaan.

Hij studeerde geschiedenis, natuurwetenschappen, kunst, filosofie en de fijnere details van dialecten en omgangsvormen. Dit laatste betrof slechts het tijdvak van 1850 tot 1975; mocht hij gelegenheid krijgen naar een andere tijd te gaan, dan zou hij aanvullend onderricht krijgen met gebruikmaking van een hypnotiseerapparaat. Daardoor was hij ook in staat zijn opleiding in drie maanden te voltooien. Hij leerde de organisatie van de Patrouille kennen. Verder ‘vooruit’ lag het mysterie van de Danelliaanse beschaving, maar daarmee had men weinig onmiddellijk contact. De Patrouille was op semi-militaire wijze georganiseerd, er waren verschillende rangen, maar geen bijzondere plichtplegingen. De geschiedenis was verdeeld in milieus, met een hoofdbureau, gevestigd in een grote stad, voor een afzonderlijke periode van twintig jaar (gecamoufleerd door een of andere overtuigende bezigheid als bijvoorbeeld handel) en verschillende bijkantoren. Zijn eigen tijd was verdeeld in drie milieus: het Westen, met Londen als hoofdkwartier; Rusland met Moskou; Azië met Peking; ieder hoofdkantoor gevestigd in de wat gemakkelijker jaren 1890-1910, toen geheimhouding minder moeilijk was dan in later jaren, waarin kleinere bureaus, zoals dat van Gordon, waren. Een gewone agent woonde normaal in zijn eigen tijd en had vaak een gewone betrekking. De verbinding tussen de jaren werd onderhouden door kleine robot-capsules of door koeriers, met automatisch in werking tredende zijsporen, om te voorkomen dat zulke boodschappen zich in één zelfde tijdseenheid zouden opstapelen.

De gehele organisatie was zo veelomvattend dat hij haar nauwelijks kon overzien. Hij was in aanraking gekomen met iets dat nieuw en opwindend was, en dat was alles dat hij werkelijk met alle lagen van zijn bewustzijn kon begrijpen… tot nu toe tenminste.

Hij ontdekte dat zijn leraren vriendelijk waren, altijd bereid tot een praatje. De vergrijsde veteraan die hem leerde ruimteschepen te besturen, had meegevochten in de Martiaanse oorlog van 3890. ‘Jullie spelen het vrij snel klaar,’ zei hij. ‘Daarentegen is het verduiveld moeilijk, pre-industriële mensen iets te leren. We zijn er mee opgehouden ook maar te proberen hun iets meer dan het allereenvoudigste te leren. Er was hier eens een Romein — uit de tijd van Caesar — een vrij intelligente jongen ook nog, maar het wilde maar niet tot hem doordringen dat een machine niet net als een paard behandeld kan worden. Wat die Babyloniërs betreft, tijdreizen kwam in hun woordenboek eenvoudig niet voor. We moesten hun het routineverhaaltje over de strijd der goden vertellen.’

‘Welk routinesmoesje vertel je ons?’ vroeg Whitcomb. De ruimtevaarder keek hem wat scheefjes aan. ‘De waarheid,’ zei hij tenslotte. ‘Zoveel ervan als je kunt verwerken.’

‘Hoe kreeg je dit baantje?’

‘O… ik werd aan flarden geschoten in de buurt van Jupiter. Veel was er niet van me over. Ze raapten me bij elkaar, construeerden een nieuw lichaam voor me — daar niemand van mijn familie nog in leven was, en ik werd doodgewaand, zag ik er niet zo veel in, terug naar huis te gaan. Leven onder toezicht van de Nazorg-Commissie is niet leuk. Dus nam ik dit baantje hier. Goed gezelschap, een makkelijk leven, en verloven in een bende verschillende tijdperken.’ De ruimtevaarder grinnikte. ‘Wacht maar eens tot je in de decadente periode van het Derde Matriarchaat bent geweest! Dan weet je pas wat plezier maken is.’

Everard zei niets. Hij was te zeer in beslag genomen door het schouwspel van de aarde die zich in al haar grootsheid tegen de sterren aftekende.

Hij raakte bevriend met zijn medeleerlingen. Het was een goed bij elkaar passende groep — vanzelfsprekend, waar men voor de Patrouille altijd een zelfde type uitkoos, mensen met een stoutmoedige en intelligente geest. Er waren enkele romances. Niet van het soort van Romeo en Julia: het was heel goed mogelijk om te trouwen, waarbij het nieuwe paar dan één of ander jaar koos om een gezin te stichten. Zelf mocht hij de meisjes graag, maar hij hield zijn hoofd koel. Vreemd genoeg raakte hij het meest bevriend met de stille en gemelijke Whitcomb. Er ging op een bepaalde manier een sterke aantrekkingskracht van de Engelsman uit; hij was zeer beschaafd, een buitengewoon goede kerel, en desondanks maakte hij een wat hulpeloze indruk. Op een dag waren ze aan het paardrijden; op paarden waarvan de verre voorouders wegvluchtten bij de nadering van hun reusachtige nakomelingen. Everard had een geweer bij zich, in de hoop een aardzwijn dat hij gezien had, te kunnen verschalken. Beiden droegen het uniform van de Academie, gemaakt van een lichte stof die zacht en koel aanvoelde onder de hete, gele zon.

‘Het verbaast me dat we mogen jagen,’ merkte de Amerikaan op. ‘Veronderstel nu eens dat ik een sabeltandtijger neerschoot — in Azië, denk ik — die oorspronkelijk voorbestemd was een van deze insekten etende voorouders van de mens op te eten. Zou dat de hele toekomst niet veranderen?’

‘Nee,’ zei Whitcomb. Hij had snellere vorderingen gemaakt bij de studie van de theorie betreffende tijdreizen. ‘Kijk eens, je moet de tijdruimte zien als een weefsel van stevige rubberbanden. Zij is niet zo gemakkelijk te veranderen; ze heeft de tendens steeds weer in haar, eh, oude vorm terug te springen. Eén enkele insekteneter meer of minder doet er weinig toe, het is de gezamenlijke voorraad erfelijke eigenschappen van de soort, die tenslotte de mens voortbracht. Zie het eens zó: als ik in de middeleeuwen een schaap zou doden, zou ik daarmee niet alle latere afstammelingen uitroeien; waarschijnlijk alle schapen die in 1940 leefden. Die zouden er integendeel nog steeds zijn, tot in zelfs hun genen onveranderd, niettegenstaande ze andere voorouders zouden hebben, want na zo’n lange tijdsperiode zijn alle schapen, of mensen, afstammelingen van alle voorafgegane schapen of mensen. Er zou aanvulling plaats hebben, begrijp je wel; op één of ander moment zou een andere voorouder de erfelijke eigenschappen, waarvan je dacht dat je ze geëlimineerd had, leveren.

‘Op dezelfde manier… wel, veronderstel dat ik terugging, en Booth verhinderde Lincoln te doden. Tenzij ik bijzonder ingewikkelde voorzorgsmaatregelen zou treffen, zou hoogstwaarschijnlijk een ander de moord plegen, en Booth ondanks dat, toch de schuld krijgen. Deze veerkracht van de tijd is de enige reden waarom tijdreizen toegestaan is. Als je de dingen wilt veranderen, moet je de zaak op de juiste manier aanpakken, en meestal heel hard werken.’ Hij maakte een grimas. ‘Theorie! Er wordt steeds weer gezegd, dat we gestraft zullen worden, als wij tussenbeide trachten te komen. Het is mij niet geoorloofd terug te gaan en die verwenste schoft van een Hitler in zijn wieg neer te schieten. Er wordt van me verwacht dat ik hem laat opgroeien, zoals hij opgroeide, hem de oorlog laat beginnen en mijn verloofde doden.’

Everard reed gedurende enige tijd zwijgend verder. Het enige geluid dat te horen was, was het gekraak van het leren zadel en het geritsel van het lange gras. ‘O’, zei hij tenslotte. ‘Het spijt me. Wil je erover praten?’

‘Jazeker. Maar er valt niet veel te zeggen. Zij diende bij de W.A.A.F. — Mary Nelson — we zouden na de oorlog gaan trouwen. Ze was in Londen in ‘44. Zeventien november. Ik zal die datum nooit vergeten. De V-één’s kregen haar te pakken. Ze was even naar het huis van de buren in Streatham — ze had verlof, zie je, en was bij haar moeder. Dat huis werd geraakt; haar eigen huis was niet eens beschadigd.’

Whitcombs gezicht was bleek geworden. Zonder iets te zien staarde hij voor zich uit. ‘Het zal verschrikkelijk moeilijk zijn niet… niet terug te gaan, een paar jaar maar, om haar tenminste weer te kunnen zien. Om haar alleen maar weer te zien… Nee! Dat durf ik niet.’

Everard legde onhandig zijn hand op Whitcombs schouder, en zo reden ze zwijgend verder.


De klas studeerde verder, ieder in zijn eigen tempo, maar er waren voldoende compensaties, zodat allen tegelijk slaagden: een korte plechtigheid werd gevolgd door een geweldig feest waarbij vele sentimentele afspraken voor latere ontmoetingen werden gemaakt. Daarna ging ieder terug naar het jaar vanwaar hij gekomen was; naar hetzelfde uur. Everard nam Gordon’s gelukwensen in ontvangst, kreeg een lijst met de namen van eigentijdse agenten (waarvan velen een beroep bij de inlichtingendienst, of iets dergelijks, hadden) en keerde naar zijn kamer terug. Later zou hem waarschijnlijk werk gegeven worden dat hem in staat zou stellen belangrijke inlichtingen te verzamelen, maar zijn huidige opdracht — in verband met de belastingen droeg hij de titel, ‘bijzonder adviseur van de N.V. Engineering Studies’ — hield niet méér in, dan het lezen van een paar kranten per dag, speurend naar aanwijzingen betreffende tijdreizen die hij had leren opmerken, en het zich gereedhouden voor een oproep.

Zoals de zaken liepen, zou hij zich zijn eerste opdracht zelf verschaffen.


3

<p>3</p>

Het was een eigenaardig gevoel, de krantenkoppen te lezen en, meer of minder, precies te weten wat er verder zou komen. Het ontnam de berichten hun scherpste kant, maar veroorzaakte een gevoel van droefheid, want men leefde in een bewogen tijd. Hij kon begrip opbrengen voor het verlangen van Whitcomb om terug te gaan en de geschiedenis te veranderen.

Maar natuurlijk was één man machteloos. Hij kon, door de dingen te veranderen, geen verbeteringen aanbrengen; hoogst waarschijnlijk zou hij alles verknoeien. Ga terug en dood Hitler en de Japanse en Russische leiders — dan zou misschien iemand anders, die nog gevaarlijker was, hun plaats innemen. Misschien zou de atoomenergie niet ontdekt worden, en daardoor zou ook de schitterende opbloei van de Venusiaanse Renaissance achterwege blijven. Joost mocht weten…

Hij keek uit het raam. Lichten vlamden op tegen een dreigende lucht; de straat krioelde van auto’s en haastige, naamloze voorbijgangers; hiervandaan kon hij de torens van Manhattan niet zien, maar hij wist dat ze daarginds trots omhoog reikten naar de wolken. En dat alles was slechts een rimpeling op een rivier die van het vredige voormense-lijke landschap waar hij geweest was, naar de onvoorstelbare toekomst van de Danellianen stroomde. Hoeveel miljarden en triljarden menselijke wezens leefden, lachten, huilden, werkten, hoopten en stierven in haar golven! Tja… Hij zuchtte, stak zijn pijp aan en keerde zich om. Een lange wandeling had hem niet geholpen zijn rusteloosheid te verdrijven; lichaam en geest verlangden naar een bezigheid. Maar het was al laat en… Hij ging naar de boekenkast, deed min of meer willekeurig een greep en begon te lezen. Het was een verzameling Victoriaanse en Edwardiaanse vertellingen.

Een terloopse verwijzing trok zijn aandacht. Iets over een tragedie in Addleton en de merkwaardige inhoud van een oude Britse grafheuvel. Verder niets. Hm. Tijdreizen? Hij glimlachte in zichzelf. Maar toch…

‘Nee,’ dacht hij. ‘Dit is te gek’.

Toch zou het geen kwaad kunnen, de zaak eens na te gaan. Er werd vermeld dat de gebeurtenis in 1894 in Engeland had plaatsgevonden. Hij zou in de oude archieven van de Londense Times kunnen zoeken. Hij had toch niets anders te doen… Misschien was dat de reden waarom men hem dit saaie krantenwerk had gegeven, zodat zijn geest, nerveus door de verveling, iedere denkbare mogelijkheid volledig zou doorzoeken.

Toen de gemeentelijke bibliotheek openging, stond hij al op de stoep te wachten.

Het bericht was er, gedateerd 25 juni 1894, en op verschillende dagen erna. Addleton was een dorp in Kent, dat zich voornamelijk onderscheidde door de aanwezigheid van een kasteel uit de tijd van Jacobus, toebehorend aan lord Wynd-ham en een grafheuvel van onbekende ouderdom. De edelman, een enthousiast amateur-archeoloog, was bezig geweest hem bloot te leggen, samen met een zekere James Rotherhithe, een expert van het Brits Museum, die een familielid bleek te zijn. Lord Wyndham had een nogal teleurstellende grafkamer blootgelegd: een paar bijna geheel verroeste of weggerotte kunstvoorwerpen en wat beenderen van mensen en paarden. Tevens vond men een kist, die in een verrassend goede staat verkeerde en waarin zich stukken metaal van onbekende samenstelling bevonden, waarvan men vermoedde dat het een lood- of zilverlegering was. Hij kreeg een dodelijke ziekte en vertoonde merkwaardige symptomen van levensgevaarlijke vergiftiging; Rotherhithe die maar nauwelijks een blik in de kist had geworpen, werd niet ziek, en er waren aanwijzingen waaruit viel af te leiden dat hij de edelman één of ander gemeen Aziatisch brouwseltje had toegediend. Scotland Yard arresteerde de man, toen lord Wyndham op de vijfentwintigste overleed. Rotherhithe’s familie verzekerde zich van de diensten van een bekende detective, die door een zeer intelligente wijze van redeneren, en aan de hand van dierproeven, aantoonde dat de beklaagde onschuldig was en dat de oorzaak gezocht moest worden in een ‘dodelijke uitstraling’ van de kist. Kist en inhoud werden in het Kanaal geworpen. Gelukwensen van alle kanten. Zachte sluier over het happy end. Everard bleef stil zitten in de langwerpige, stille zaal. Het verhaal bevatte onvoldoende gegevens. Maar het stemde, op zijn zachtst gezegd, tot nadenken. Maar waarom had het Victoriaans kantoor van de Patrouille dan geen onderzoek ingesteld? Of hadden ze dat wel gedaan? Waarschijnlijk wel. Ze zouden hun resultaten natuurlijk niet overal rondvertellen. Toch kon hij beter een memorandum verzenden. Terug op zijn kamer nam hij een van de kleine capsules voor het zenden van berichten, die men hem verstrekt had, legde er een rapport in, en stelde de knoppen in op het Londens kantoor, 25 juni 1894. Toen hij de laatste knop indrukte verdween de doos; een zachte windvlaag vulde de ruimte waar deze zich had bevonden.

Enkele minuten later keerde ze terug. Everard opende de doos en haalde er een keurig getikt vel foliopapier uit — ja, de schrijfmachine was toen natuurlijk al uitgevonden. Hij las het met één snelle blik, zoals hij dat geleerd had.

‘Geachte Heer:

In antwoord op uw schrijven van 6 september 1954, verzoeken wij u vriendelijk ontvangst van deze brief te willen bevestigen en drukken wij onze bewondering voor uw ijver uit. De zaak heeft hier nog nauwelijks een aanvang genomen, en wij zijn momenteel zeer geoccupeerd met het voorkomen van een moord op Hare Majesteit, evenals met de Balkan-kwestie, de opiumhandel met China van 1890-22370, etc. Hoewel wij uiteraard de lopende zaken kunnen regelen om zich daarna met deze zaak bezig te houden, lijkt het ons beter, curiosa als het zich in twee plaatsen tegelijk bevinden, die de aandacht zouden kunnen trekken, te vermijden. Dientengevolge zouden wij het zeer op prijs stellen, wanneer u ons, vergezeld van een bevoegd Brits agent, te hulp zou kunnen komen. Tenzij anders besloten wordt, zullen wij u verwachten op 26 juni 1894, te middernacht twaalf uur op de Old Osborne Road nummer 14 b. Uw nederige en dienstwillige dienaar,’

J. Mainwethering’

Daaronder volgde een opgave van de tijdruimte-coördinaten, die onder al die welsprekendheid vreemd aandeden. Everard belde Gordon op, ontving toestemming, en trof maatregelen om een tijdmachine te reserveren bij het pakhuis van de ‘vennootschap’. Daarna schoot hij een briefje naar Charlie Whitcomb in 1947, kreeg een uit één woord bestaand antwoord — ‘Zeker’ — en vertrok om zijn machine te gaan halen.

Het ding riep herinneringen op aan een motorfiets zonder wielen of stuur. Het had twee zadels en de voortstuwing werd geleverd door een anti-zwaartekrachtmotor. Everard stelde de wijzers in op het tijdperk van Whitcomb, drukte de hoofdknop in en bevond zich in een ander pakhuis. Londen 1947. Hij bleef een moment stilzitten, eraan denkend dat hijzelf, zeven jaar jonger, op datzelfde moment college liep, thuis, in de Verenigde Staten. Op dat ogenblik wrong Whitcomb zich langs de bewaker naar binnen en gaf hem een hand. ‘Blij je weer te zien, ouwe jongen,’ zei hij. Zijn magere gezicht vertoonde die bijzonder innemende glimlach waarmee Everard al zo bekend was. ‘Op naar Victoria, niet?’

‘En of. Spring erop.’ Everard stelde opnieuw in. Deze maal zou hij in een kantoor opduiken, een zeer ontoegankelijk privékantoor. Het sprong om hen heen te voorschijn. De eikenhouten meubels, het dikke tapijt en de flakkerende gaslampen maakten een onverwacht massieve indruk. De elektriciteit was al ontdekt, maar Dalhousie & Roberts was een solide, conservatieve zaak. Mainwethering hees zich uit een stoel en begroette hen: hij was een grote, statige man, met warrige bakkebaarden en een monocle. Maar hij wekte tevens een indruk van kracht, en bezat een Oxfords accent dat zo gecultiveerd was, dat Everard hem nauwelijks kon verstaan.

‘Goede avond, heren. Prettige reis gehad, hoop ik? O, ja… sorry… de heren werken nog maar kort bij de zaak, eh, nietwaar? Altijd een beetje verontrustend in het begin. Ik herinner me nog hoe geschokt ik was tijdens mijn bezoek aan de eenentwintigste eeuw. In het geheel niet Brits… Toch is het slechts een res naturae, slechts een ander facet van het altijd verrassend heelal, nietwaar? U meet mijn gebrek aan gastvrijheid verontschuldigen, maar we hebben het werkelijk verschrikkelijk druk. Een paar fanatieke Duitsers hebben, verderop, in 1917, het geheim van het tijdreizen ontdekt, door de onoplettendheid van een antropoloog, een machine gestolen en zijn naar Londen gekomen om Hare Majesteit te vermoorden. Het kost verduiveld veel moeite hen te vinden.’

‘Denkt u dat het zal lukken?’ vroeg Whitcomb. ‘O jazeker. Maar het kost ons drommels veel inspanning, heren, voornamelijk daar we in het geheim moeten werken. Ik zou er de voorkeur aan geven, een detective in dienst te nemen, maar de enige die werkelijk goed is, is veel te intelligent. Hij gaat uit van het beginsel dat, wanneer men alle onmogelijkheden geëlimineerd heeft, datgene wat overblijft, hoe onwaarschijnlijk ook, de waarheid moet zijn. En tijdreizen zou wel eens niet te onwaarschijnlijk voor hem kunnen zijn.’

‘Ik durf er wat onder verwedden dat het dezelfde man is die aan die zaak van Addleton werkt, of er morgen aan zal werken,’ zei Everard. ‘Dat is niet belangrijk; we weten dat hij Rotherhithe’s onschuld zal aantonen. Waar het om gaat, is dat er in de oude Britse tijden hoogstwaarschijnlijk knoeierijen hebben plaatsgehad.’

‘Saksische, bedoel je,’ verbeterde Whitcomb, die zich eveneens met de feiten vertrouwd had gemaakt. ‘Heel veel mensen verwarren Britten met Saksen.’

‘Bijna net zovelen verwarren Saksen met Jutlanders,’ zei Mainwethering minzaam. ‘De invasie in Kent vond plaats vanuit Jutland, als ik het wel heb… En. Hm. Hier is uw kleding, heren. En uw geld. En papieren, ze zijn al voor u in orde gebracht. Ik heb soms de indruk dat agenten in de buitendienst, zoals u, niet beseffen hoeveel werk er, zelfs voor de kleinste onderneming, in de bureaus verzet moet worden. H’m. Pardon. Hebt u een plan de campagne?’

‘Ja.’ Everard begon zich van zijn twintigste-eeuwse kleding te ontdoen. ‘Dat geloof ik wel. We weten beiden genoeg van het Victoriaanse tijdperk om ons te kunnen redden. Ik zal natuurlijk Amerikaan blijven… ja, ik zie dat u dat zo in mijn papieren hebt gezet.’

Mainwethering zag er bedroefd uit. ‘Als die grafheuvelgeschiedenis in een beroemd literair werk terecht is gekomen, zoals u zegt, zullen we er zeker honderd memoranda over ontvangen. Het uwe kwam toevallig het eerst. Sindsdien zijn er nog twee gekomen, uit 1923 en uit 1960. Lieve hemel, gaven ze me maar een robot-secretaris!’ Everard worstelde met het onhandige kostuum. Het paste goed; in dit kantoor had men een lijstje met zijn maten in het archief, maar het werd hem nu duidelijk dat hij de betrekkelijke geriefelijkheid van zijn eigen mode tevoren niet genoeg gewaardeerd had. Dat verdraaide vest! ‘Hoor eens,’ zei hij, ‘deze hele onderneming zal wel tamelijk onschuldig zijn. In feite moet het, daar we nu hier zijn, onschuldig geweest zijn. Nietwaar?’

‘Vanaf dit moment wel,’ zei Mainwethering. ‘Maar bedenk dit. U gaat beiden terug naar de tijd van de Jutlanders en u vindt de knoeier. Maar u faalt. Misschien schiet hij u neer, voor u hem neer kunt schieten; misschien brengt hij hen die we achter u aan sturen, op een dwaalspoor. Dan gaat hij verder met het veroorzaken van een industriële revolutie, of met wat hij dan ook van plan mag zijn. De geschiedenis verandert. U bestaat nog steeds… zij het als dode… daar u daar al was, voor het moment waarop de verandering intrad, maar wij hebben dan nooit bestaan. Dit gesprek vond nooit plaats. Zoals Horatius zegt…’

‘Laat maar,’ lachte Whitcomb. ‘We zullen de grafheuvel eerst onderzoeken, in dit jaar, dan hier terugkomen en beslissen over wat ons verder te doen staat.’ Hij bukte zich en begon uitrustingsstukken over te laden uit een twintigste-eeuwse tas in een monsterlijk geval van gebloemde lakense stof uit de tijd van Gladstone. Een paar revolvers, enkele medische en chemische apparaatjes die in zijn eigen tijd nog niet bekend waren, en een klein radiozendertje waarmee men in geval van nood het kantoor kon oproepen. Mainwethering bladerde in zijn spoorboekje. ‘U kunt met de trein van morgenochtend van 8.23 u. uit Charing Cross vertrekken,’ zei hij. ‘Neem een half uur om er te komen.’

‘Goed.’ Everard en Whitcomb klommen weer op hun voertuig en verdwenen. Mainwethering zuchtte, gaapte, liet instructies achter bij zijn schrijver en ging naar huis. De schrijver was ter plaatse om kwart voor acht in de avond toen de tijdmachine weer verscheen.


4

<p>4</p>

Op dat moment werd het begrip tijdreizen voor Everard werkelijkheid. Ergens had zijn bewustzijn geweten dat het bestond, en hij was tamelijk onder de indruk geweest, maar voor zijn gevoel bleef het iets buitenissigs. Nu, terwijl hij door een Londen ratelde dat hij niet kende, zittend in een tweewielig rijtuig (niet zo’n oud, terwille van de toeristen in stand gehouden ding, maar een echt in bedrijf zijnde koets, vuil en haveloos), terwijl hij de lucht inademde die meer rook bevatte dan in een twintigste-eeuwse stad, maar minder benzinedampen, terwijl hij de mensenmassa’s zag die voorbij stroomden — de heren die bolhoeden droegen, de arbeiders, zwart van het werk, de dames met hun lange rokken, terwijl hij zich realiseerde dat dit geen acteurs waren, maar echte, pratende, zwetende, lachende en bedroefde menselijke wezens, bezig met hun dagelijkse arbeid — overweldigde hem het besef dat hij hier was. Op dit ogenblik was zijn moeder nog niet geboren en vormden zijn grootouders nog maar een jong stel, dat net aan het huwelijk begon te wennen; Grover Cleveland was president van de Verenigde Staten en Victoria koningin van Engeland, Kipling was bezig zijn boeken te schrijven en de laatste Indianen-opstanden in Amerika moesten nog plaatsvinden… Het was alsof je een klap op je hoofd kreeg.

Whitcomb onderging het wat rustiger, maar ook zijn ogen flitsten voortdurend heen en weer terwijl hij naar de dagen van Engelands glorie keek. ‘Ik begin het te begrijpen,’ mompelde hij. ‘Men is het er nooit over eens geweest of dit een tijdperk was van abnormale, stoffige, omgangsvormen en van nauwelijks met een laagje vernis bedekte wreedheid, of de laatste opbloei van de Westerse beschaving voordat zij zich begon te verspreiden. Alleen al het zien van deze mensen maakt me duidelijk dat het alles was wat ze ervan gezegd hebben, goed zowel als kwaad, omdat dit tijdperk niet een eenvoudig gebeuren was dat door iedereen beleefd werd, maar omdat het zelf bestaat uit de bundeling van miljoenen afzonderlijke levens.’

‘Zeker,’ zei Everard. ‘Dat moet een waarheid zijn die aan iedere tijd ten grondslag ligt.’

De trein was bijna vertrouwd, niet veel verschillend van de voertuigen van de Engelse spoorwegen uit 1954, wat Whitcomb in de gelegenheid stelde enkele sarcastische opmerkingen te plaatsen over onaantastbare tradities. Enkele uren later kwamen zij aan op een slaperig dorpsstationnetje, gelegen te midden van zorgvuldig onderhouden bloementuinen, waar zij een rijtuigje huurden om hen naar het landgoed van Wyndham te brengen.

Een beleefde agent liet hen, na enkele vragen gesteld te hebben, door. Zij deden zich voor als geologen, Everard uit Amerika en Whitcomb uit Australië, die verlangend hadden uitgezien naar een ontmoeting met lord Wyndham en geschokt waren door zijn tragisch einde. Mainwethering die zijn contacten overal leek te hebben, had hen voorzien van aanbevelingsbrieven van een zeer bekende autoriteit van het Brits Museum. De inspecteur van Scotland Yard vond goed dat zij een blik op de grafheuvel wierpen — ‘de zaak is opgelost, heren, er zijn geen aanwijzingen meer te vinden, ondanks het feit dat mijn collega het niet met mij eens is, ha ha!’ De detective glimlachte zonder veel overtuiging en lette scherp op hen, toen zij zich naar de heuvel begaven; hij was lang, mager, bezat een haviksgezicht en was vergezeld van een zwarte besnorde kerel die mank liep en een soort particulier secretaris leek te zijn.

De grafheuvel was hoog en langwerpig, met gras begroeid, behalve waar een kaal gedeelte de toegang tot de grafkelder verried. Deze was indertijd gestut door ruwe balken, die sinds lang uiteengevallen waren. Restanten van het hout lagen nog in de modder.

‘De kranten schreven iets over een metalen kist,’ zei Everard. ‘Zouden we er eens naar mogen kijken?’ De inspecteur knikte bereidwillig en leidde hen naar een bijgebouw waar de belangrijkste vondsten op een tafel waren uitgelegd. Behalve de doos waren het niet meer dan stukken verroest metaal en vergane beenderen. ‘Hm,’ zei Whitcomb. Hij keek peinzend naar de glanzende, gladde oppervlakte van het kistje. Er lag een blauwe glans over, een of andere tegen de tand des tijds bestand zijnde legering die nog uitgevonden moest worden. ‘Heel merkwaardig. Beslist niet primitief. Je zou bijna denken dat het machinaal vervaardigd is, niet?’

Everard naderde het behoedzaam. Hij wist vrij nauwkeurig wat het bevatte en bezat alle ontzag voor zulke dingen, eigen aan een vertegenwoordiger van het atoomtijdperk. Hij haalde een teller uit zijn tas en richtte hem op de doos. De naald trilde, maar niet veel…

‘Belangwekkend ding is dat,’ zei de inspecteur. ‘Mag ik vragen wat het is?’

‘Een experimentele elektroscoop,’ loog Everard. Voorzichtig wierp hij het deksel terug en hield de teller boven de doos.

Goede hemel! Daarbinnen was genoeg radioactiviteit om iemand binnen een dag te doden! Hij kreeg slechts een vluchtige indruk van zware, dof glanzende staven, voor hij het deksel weer dichtsmeet. ‘Wees voorzichtig met dat spul,’ zei hij beverig. De hemel zij dank, dat de onbekende die deze duivelse stof vervoerd had, uit een tijd kwam die wist hoe men straling moest afschermen!

De detective was hun geluidloos nagekomen met de blik van een jager op zijn scherpzinnig gezicht. ‘U herkende de inhoud dus, meneer?’ vroeg hij rustig. ‘Nou en of.’ Everard herinnerde zich dat Becquerel pas over twee jaar de radioactiviteit zou ontdekken; zelfs de ontdekking van X-stralen lag nog meer dan een jaar in de toekomst. Hij moest voorzichtig zijn. ‘Dat wil zeggen… in de Indiaanse gebieden heb ik verhalen gehoord over een metaal als dit, dat giftig is…’

‘’Zeer belangwekkend.’ De detective begon een grote, kromme pijp te stoppen. ‘Zoals kwikdamp, nietwaar?’

‘Dus Rotherhithe plaatste die doos in het graf, is het niet?’ mompelde de inspecteur.

‘Doe niet zo belachelijk!’ snauwde de detective. ‘Ik kan op drie verschillende manieren afdoend aantonen dat Rotherhithe absoluut onschuldig is. Wat mij bezighield, was wat in werkelijkheid de dood van lord Wyndham veroorzaakte. Maar als, zoals deze heren zeggen, men een dodelijk gif in die grafkelder begraven heeft… misschien om grafrovers af te schrikken? Toch vraag ik me af hoe die oude Saksen aan een Amerikaanse delfstof kwamen. Misschien bevatten die theorieën betreffende vroege tochten van de Feniciërs over de Atlantische Oceaan een kern van waarheid. Ik heb wat onderzoekingen gedaan naar aanleiding van een theorie van mij, dat er Chaldeeuwse invloeden zijn terug te vinden in de taal van Wales, en dit schijnt mijn theorie te bevestigen.’

Everard voelde zich schuldig als hij eraan dacht wat hij de archeologie aandeed. Och, kom, deze doos zou in het Kanaal gegooid en vergeten worden. Hij en Whitcomb verzonnen een smoesje om zo snel mogelijk te kunnen vertrekken.

Op de terugweg naar Londen bracht de Engelsman, eenmaal veilig in hun coupé, een halfvergaan stuk hout te voorschijn. ‘Stak ik in mijn zak, toen we bij de grafheuvel waren,’ zei hij: ‘Dat zal ons helpen het juiste tijdstip vast te stellen. Geef me die koolstofteller eens aan, wil je?’ Hij duwde het hout in het apparaat, draaide aan enkele knoppen en las het antwoord af. ‘Veertienhonderddertig jaar, plus of min tien, ongeveer. De heuvel werd opgeworpen omstreeks het jaar… eh… 464 n.C, juist toen de Jutlanders zich in Kent vestigden.’

‘Als deze staven na zo lange tijd nog steeds zo hels gevaarlijk zijn, vraag ik me af hoe ze oorspronkelijk waren,’ mompelde Everard. ‘Het is moeilijk te begrijpen hoe je zo veel energie kunt hebben bij zo’n lange halveringstijd; zo zie je, ginds in de toekomst kunnen ze resultaten bereiken met het atoom, waarvan in mijn tijd nog niemand droomt.’

Nadat zij hun rapport bij Mainwethering hadden ingeleverd, brachten ze een dag door met het bekijken van Londen, terwijl hij boodschappen verzond door de tijd en de grote machinerie van de Patrouille in beweging bracht. Everard was geïnteresseerd en ondanks het vuil en de armoede bijna betoverd door het Victoriaanse Londen. Whitcomb kreeg een peinzende blik in zijn ogen. ‘Ik zou hier hebben willen wonen,’ zei hij.

‘Ja? Ondanks hun dokters en tandartsen?’

‘En zonder vallende bommen.’ Whitcomb’s antwoord had iets uitdagends.

Teruggekeerd in het kantoor van Mainwethering ontdekten zij, dat deze al verschillende maatregelen getroffen had. Aan een sigaar trekkend, de ronde handen gevouwen onder het jacquet, schreed hij heen en weer, onderwijl zijn verhaal afratelend.

‘Het metaal is met vrij grote zekerheid geïdentificeerd. Het is een isotopenbrandstof, ten naaste bij uit de dertigste eeuw. Het onderzoek heeft ons geleerd dat een koopman uit het Ing-rijk een bezoek heeft gebracht aan het jaar 2987, teneinde zijn ruwe grondstoffen te verhandelen tegen syntroop, waarvan het geheim tijdens de periode van het Interregnum verloren is gegaan. Uiteraard trof hij voorzorgsmaatregelen, hij trachtte door te gaan voor een handelaar uit het stelsel van Saturnus, doch verdween niettemin. Zo ook zijn tijdcapsule. Vermoedelijk ontdekte iemand uit 1987 wie hij was en doodde hem om zijn capsule te kunnen bemachtigen. De Patrouille werd op de hoogte gesteld, maar geen spoor van de machine. Deze werd tenslotte teruggevonden in het Engeland van de vijfde eeuw door twee leden van de Patrouille, genaamd — ja! — Everard en Whitcomb.’

‘Als we al geslaagd zijn, waar maken we ons dan druk om?’ grinnikte de Amerikaan.

Mainwethering was geschokt. ‘Maar m’n beste kerel! U bent nog niet geslaagd. Gemeten naar uw en mijn persoonlijke tijd moet het karwei nog opgeknapt worden. En neem alstublieft niet als vanzelfsprekend aan dat u zult slagen, alleen maar omdat het historisch vaststaat. De tijd is niet onveranderlijk; de mens heeft een vrije wil. Als u faalt zal de geschiedenis zich wijzigen en uw slagen zal nooit neergeschreven zijn; ik zal u er niets van verteld hebben. Dat is ongetwijfeld wat heeft plaatsgevonden in de zeldzame gevallen dat de Patrouille een mislukking heeft moeten boeken. Er wordt nog steeds aan deze gevallen gewerkt, en als er tenslotte succes wordt geboekt, zal de geschiedenis veranderd zijn en zal het succes er “altijd” al geweest zijn. “Tempus non nascitur, fit,” de tijd wordt niet geboren, maar geschiedt, als ik me een kleine parodie mag veroorloven.’

‘Al goed, al goed, ik maakte maar een grapje,’ zei Everard. ‘Laten we aan het werk gaan. Tempus fugit (de tijd vliedt).’ Hij sprak de ‘g’ met voorbedachten rade overdreven zwaar uit, en Mainwethering huiverde.

Het bleek dat zelfs de Patrouille maar weinig wist van de duistere tijden toen de Romeinen Engeland hadden verlaten, de Romeins-Britse beschaving in verval was, en de An-gelen het land binnenkwamen. Het had nooit een belangrijke tijd geleken. Het Londens kantoor van 1000 A.D. zond hun het materiaal waarover het de beschikking had, tezamen met enkele kledingstukken die wel zouden voldoen. Everard en Whitcomb waren een uur lang in een diepe hypnotische trance, na afloop waarvan zij zich vloeiend in het Latijn en verschillende Saksische en Jutlandse dialecten konden uitdrukken, en een behoorlijke kennis van de omgangsvormen bezaten. De kleding was onplezierig: broek, hemd en vest waren van ruwe wol, de mantel van leer, en verder was er een eindeloze verzameling riemen en veters. Langharige vlassige pruiken bedekten hun modern geknipt haar; een gladgeschoren gezicht zou, zelfs in de vijfde eeuw, niet opvallen. Whitcomb droeg een bijl, Everard een zwaard, beide voor hen op maat gemaakt van gehard staal, hoewel zij meer vertrouwen hadden in de kleine zesentwintigste-eeuwse, bedwelmende, sonische wapens onder hun jas. Een harnas was niet aanwezig, maar in de zadeltas van de tijdmachine bevond zich een stel valhelmen: deze zouden niet veel aandacht trekken in een tijd waarin men zijn uitrusting zelf fabriceerde, en ze waren heel wat sterker en comfortabeler dan de originele helmen. Zij pakten tevens een picnic-lunch in en enkele aardewerkkruiken, gevuld met goed, Victoriaans bier.

‘Uitstekend.’ Mainwethering trok een horloge uit zijn zak en raadpleegde het. ‘Ik zal u terug verwachten om… zullen we afspreken, om vier uur? Ik zal voor een paar gewapende wachten zorgen voor het geval u een gevangene meebrengt, en daarna kunnen we gaan theedrinken.’ Hij schudde hun de hand. ‘Goede jacht!’

Everard zwaaide zich op de tijdmachine, plaatste de wijzers op 464 n.C. te Addleton Burrow, op een zomernacht, en draaide de schakelaar om.


5

<p>5</p>

Het was volle maan. Daaronder lag het land, wijd en eenzaam, de horizon verborgen achter het duister van een woud. Ergens huilde een wolf. De grafheuvel was al aanwezig; ze waren te laat gekomen.

Opstijgend op de anti-zwaartekrachtmotor tuurden zij over een dichtbegroeid, schaduwrijk woud. Ongeveer een mijl van de grafheuvel lag een gehucht, een slot van gevelde bomen en een groep kleinere gebouwen, rondom een plein. Het lag er heel stil in het overvloedige maanlicht. ‘Bewerkte akkers,’ merkte Whitcomb op. Zijn stem klonk zeer zacht in de stilte. ‘De Jutlanders en Saksen waren voornamelijk vrije boeren, weet je, zij kwamen hier land zoeken. Ik veronderstel dat de Britten een paar jaar geleden vrij grondig uit deze streken verdreven zijn.’

‘We moeten nog iets te weten zien te komen van die begrafenis,’ zei Everard. ‘Zullen we teruggaan en het moment lokaliseren waarop het graf werd gegraven? Nee, het is misschien veiliger om nu, op een later tijdstip, nu iedere opwinding die er mogelijkerwijs geweest is, weggeëbd is, inlichtingen in te winnen. Laten we zeggen, morgenochtend.’ Whitcomb knikte, en Everard bracht de machine omlaag in de beslotenheid van een dicht groepje struikgewas en sprong vijf uur verder. De zon scheen verblindend in het noordoosten, dauw fonkelde in het lange gras, en de vogels maakten een onbehoorlijke herrie. Na afgestegen te zijn, zonden de agenten de tijdmachine met fantastische snelheid omhoog, waar hij op twintig kilometer hoogte zou blijven zweven, om weer terug te komen wanneer zij hem zouden oproepen via de miniatuurzendertjes die in hun helmen waren ingebouwd.

Zij naderden het dorp openlijk, de honden die grommend op hen afkwamen, met de botte kant van het zwaard en de bijl van zich afhoudend. Het dorpsplein oplopend, zagen ze dat het ongeplaveid was en bedekt met een dikke laag modder en mest. Een groepje naakte, vlasharige kinderen gaapte hen aan vanuit een hut van tenen en leem. Een meisje dat buiten de hut een armetierige koe zat te melken, gaf een gilletje; een breedgeschouderde boerenknecht met een laag voorhoofd die de varkens voerde, greep een speer. Everard trok zijn neus op en wenste dat een van die bewonderaars van het ‘Nordische Ras’ uit zijn eigen tijd, deze tijd eens kon bezoeken.

Een man met een grijze baard en een bijl in de hand, verscheen aan de ingang van het slot. Zoals iedereen uit deze periode was hij centimeters kleiner dan de gemiddelde twintigste-eeuwer. Hij bestudeerde hen behoedzaam alvorens hen goede morgen te wensen.

Everard glimlachte beleefd: ‘Ik heet Uffa Hundinsson, en mijn broeder is Knubbi. Wij zijn kooplui uit Jutland; hierheen gekomen om te Canterbury handel te drijven. (Hij gaf het de gebruikelijke naam Cantwarabyrig.) Rondzwervend vanaf de plaats waar we ons schip achterlieten, verdwaalden we en bereikten tenslotte, na de gehele nacht rondgedwaald te hebben, uw huis.’

‘Ik ben Wulfnoth, zoon van Aelfred,’ zei de vrijboer. ‘Kom binnen en breek uw brood met ons.’

De zaal was groot, schemerig, vol rook en er bevond zich een druk pratende menigte: Wulfnoth’s kinderen, met hun echtgenoten en kinderen en onderhorige boeren met hun vrouwen, kinderen en kleinkinderen. Het ontbijt bestond uit halfgaar varkensvlees, dat werd opgediend in grote, houten schalen en weggespoeld met licht, zuur bier uit drinkhorens.

Het was niet moeilijk een gesprek gaande te houden. Deze mensen waren even praatziek als alle afgelegen wonende boeren, waar ook ter wereld. Moeilijk werd het, toen zij enkele geloofwaardige nieuwtjes uit Jutland moesten zien te verzinnen. Eén- of tweemaal betrapte Wulfnoth, die geen dwaas was, hen op een fout, maar Everard zei beslist: ‘U hebt onjuiste berichten gehoord. Nieuws neemt vreemde vormen aan, wanneer het de zee oversteekt.’ Hij was verrast, toen hij ontdekte hoeveel contact er nog steeds met het moederland was. Maar het praatje over het weer en de oogst verschilde niet veel van dat waarmee hij bekend was uit het twintigste-eeuwse West-Amerika. Pas veel later zag hij kans een vraag over de grafheuvel in het gesprek in te voegen. Wulfnoth fronste de wenkbrauwen en zijn dikke, tandeloze vrouw maakte haastig een bezweringsteken in de richting van een ruwgesneden, houten afgodsbeeldje.

‘Over dergelijke zaken moet men liever maar niet praten,’ mompelde de Jutlander. ‘Ik had liever gehad dat die tovenaar niet op mijn land was begraven. Maar hij was bevriend met mijn vader, die vorig jaar gestorven is, en die wilde van niets anders horen.’

‘Tovenaar?’ Whitcomb spitste zijn oren. ‘Wat is dat voor een geschiedenis?’

‘Ach, u mag het wel weten ook,’ gromde Wulfnoth. ‘Hij was een hooggeplaatst edelman, die zo’n zes jaar geleden in Canterbury verscheen. Hij moet van ver zijn gekomen, want hij sprak geen Engels of Brits. Koning Hengist verleende hem gastvrijheid en al spoedig leerde hij onze taal. Hij gaf de koning vreemde, maar waardevolle geschenken, en hij was een goed raadgever, in wie de koning meer en meer vertrouwen stelde. Niemand durfde hem te dwarsbomen, want hij bezat een toverstaf die bliksemstralen uitzond, en men had gezien hoe hij rotsen doormidden spleet en hoe hij eens, tijdens een gevecht met de Britten, de strijders met vuur doodde. Sommigen dachten dat hij Wodan was, maar dat kan niet, daar hij stierf.’

‘Juist ja.’ Everard voelde de spanning in zich toenemen. ‘En wat deed hij, toen hij nog in leven was?’

‘O… hij gaf de koning wijze raad, zoals ik al verteld heb. Hij was van oordeel dat wij, hier in Kent, ermee moesten ophouden de Britten te verjagen en steeds meer van onze verwanten uit Jutland te hulp te roepen; daarentegen behoorden we vrede te sluiten met de inheemse bevolking. Hij was van mening dat we gezamenlijk, met onze macht en hun Romeinse kennis, een machtig rijk konden stichten. Het kan zijn dat hij gelijk had, hoewel ik persoonlijk weinig heil zie in al die boeken en al dat baden, om nog maar niet te spreken van die vreemde kruisgod… Wel, hoe dan ook, drie jaar geleden werd hij door onbekenden gedood, en hier begraven met offergaven en dat deel van zijn bezittingen dat zijn vijanden niet geroofd hadden. Wij brengen hem twee maal per jaar een offer, en ik moet zeggen dat zijn geest ons geen moeilijkheden heeft veroorzaakt. Maar toch voel ik me nog steeds niet helemaal gerust.’

‘Drie jaar hè?’ zei Whitcomb gespannen. Het kostte hun ruim een uur om weg te komen, en Wulfnoth stond erop, een jongen met hen mee te zenden, om hen naar de rivier te begeleiden. Everard die er niet veel voor voelde zo ver te lopen, grinnikte en riep de tijdmachine omlaag. Terwijl hij en Whitcomb erop gingen zitten, zei hij ernstig tot de jongen, wiens ogen bijna uit zijn hoofd puilden: ‘Weet, dat gij Wodan en Donar hebt geherbergd. Van nu aan zullen wij uw volk tegen ongelukken beschermen.’ Daarna sprong hij drie jaar terug.

‘Nu komt het moeilijkste,’ zei hij, vanuit het struikgewas naar het nachtelijke dorp turend. Er was nu geen grafheuvel; de tovenaar Stane was nog in leven. ‘Het is gemakkelijk genoeg, wat toverij op te voeren voor een jongen, maar nu moeten we deze figuur weghalen uit een grote, weerbare stad, waar hij de rechterhand van de koning is. En hij heeft een stralingswapen.’

‘Kennelijk slagen we — of zullen we slagen,’ zei Whitcomb. ‘Onzin. Het is niet onvoorwaardelijk, weet je. Als we falen zal Wulfnoth ons over drie jaar een ander verhaal vertellen, misschien wel, dat Stane daar aanwezig is — hij zou ons tweemaal kunnen doden! En dan zal Engeland, vanuit de middeleeuwen in een neo-klassieke cultuur verplaatst, zich ontwikkelen tot iets dat je in 1894 beslist vreemd zal voorkomen… Ik vraag me af wat Stane van plan is.’ Hij bracht de machine van de grond en vloog naar Canterbury. De nachtwind blies hen somber in het gezicht. Na korte tijd dook de stad voor hen op. Hij daalde in het kreupelhout. Het zilveren maanlicht verlichtte de afbrokkelende muren van het oude Doruvernum, die zwart afstaken tegen de lichter gekleurde klei en het hout van de gedeelten die door de Jutlanders hersteld waren. Na zonsondergang zou er niemand meer binnen mogen komen.

Weer bracht de tijdmachine hen naar het daglicht — het was bijna twaalf uur — waarna zij omhoog werd gezonden. Zijn ontbijt van twee uur geleden en drie jaar in de toekomst, lag Everard zwaar op de maag, terwijl hij Whitcomb voorging over een kapotte Romeinse weg die naar de stad leidde. Er was nog aanzienlijk veel verkeer, voornamelijk boeren, die op krakende ossewagens hun produkten naar de markt brachten. Een paar boosaardig uitziende wachtposten hielden hen bij de poort aan en informeerden naar hun bestemming. Ditmaal gaven zij zich uit voor vertegenwoordigers van een handelaar uit Thanet, die hen hierheen had gezonden met de opdracht contact te zoeken met verschillende handwerkslieden. De herriemakers keken zuur, totdat Whitcomb hun een paar Romeinse munten toestak; toen gingen de speren omlaag en werden zij toegelaten.

Rondom hen bruiste het jachtige stadsleven, hoewel het ook deze maal weer de verschrikkelijke stank was die de meeste indruk op Everard maakte. Hij zag een enkele geromaniseerde Brit, die zich te midden van de woelige menigte Jutlanders hooghartig een weg door het vuil zocht, daarbij zijn tuniek strak om zich heen trekkend om te voorkomen dat deze met die wilden in contact zou komen. Het zou grappig geweest zijn, wanneer het niet zo’n pathetische indruk gemaakt had.

Binnen de met mos begroeide ruïnes van wat eens de woning van een rijk man moest zijn geweest, was nu een buitengewoon vuile herberg gevestigd. Everard en Whitcomb ontdekten dat hun geld hier, waar voornamelijk ruilhandel bedreven werd, bijzonder veel waarde had. Door een paar rondjes te geven, ontvingen ze alle gewenste inlichtingen. Het slot van koning Hengist bevond zich in de omgeving van het centrum… geen echt slot, maar een oud gebouw dat onder leiding van die vreemdeling Stane op belachelijke wijze was opgepoetst… Niet dat onze goede, dappere koning verwijfd is, begrijp me goed, vreemdeling… O, vorige maand nog… O ja, Stane! Hij woont in het huis ernaast. Vreemde kerel, sommigen beweren dat hij een god is… Hij heeft in ieder geval kijk op meisjes… Ja, ze zeggen dat hij het is die achter al die vredesonderhandelingen met de Britten staat. Iedere dag komen er meer van die gehaaide knapen de stad binnen, het loopt er nog op uit dat een eerlijk man niet eens een beetje bloed kan laten vloeien, zonder dat… Natuurlijk, Stane is een bijzonder wijs man. Ik zou niets in zijn nadeel willen zeggen, begrijp me goed, tenslotte kan hij zijn bliksem naar je slingeren…’

‘Dus wat doen we?’ vroeg Whitcomb, toen ze in hun kamer waren teruggekeerd. ‘Gaan we naar binnen om hem te arresteren?’

‘Nee, ik geloof niet dat dat mogelijk is,’ zei Everard nadenkend. ‘Ik heb wel een plannetje, maar dat kan pas uitgevoerd worden als we weten wat hij precies van plan is. Laten we eens zien of hij ons niet een onderhoud wil toestaan.’ Toen hij opstond van de strozak die als bed dienst moest doen, krabde hij zich. ‘Verdraaid! Wat ze in deze periode het hardst nodig hebben, is geen onderwijs, maar insektenpoeder!’

Het huis was zorgvuldig hersteld, de witte voorgevel, waarin zuilen geplaatst waren, stak bijna pijnlijk schoon af tegen de rommel eromheen. Twee wachtposten lummelden op de trappen; ze werden waakzaam bij de nadering van de twee agenten. Everard gaf hun wat geld en vertelde een verhaaltje over een bezoeker die in het bezit was van berichten waarvoor de grote tovenaar zeker belangstelling zou hebben. ‘Zeg hem: “Een man van morgen.” Dat is een wachtwoord, begrepen?’

‘Dat heeft geen enkele betekenis,’ zei de wachtpost. ‘Wachtwoorden hoeven niets te betekenen,’ zei Everard uit de hoogte. De Jutlander verwijderde zich met veel gerinkel van wapens, inmiddels somber het hoofd schuddend. Al dat nieuwerwetse gedoe!

‘Weet je zeker dat dit wel verstandig is?’ vroeg Whitcomb. ‘Nu zal hij op zijn hoede zijn, nietwaar?’

‘Ik weet ook dat een belangrijk man zijn tijd niet zal verknoeien met de eerste de beste vreemdeling. Dit is een dringende zaak, man! Op het ogenblik heeft hij nog niets blijvends tot stand gebracht, zelfs niet genoeg om een blijvende legende te worden. Maar als Hengist een oprecht verbond zou sluiten met de Britten…’

De wachtpost kwam terug, gromde iets, en ging hun voor, de trap op en het voorportaal door. Daarachter was het atrium, een ruime zaal, waar moderne, dikke tapijten vloekten met het beschadigde marmer en het verbleekte mozaïek. Voor een ruwhouten rustbank stond een man. Toen zij binnenkwamen hief hij zijn hand op, en Everard zag de smalle loop van een dertigste-eeuws stralingswapen.

‘Zorg dat uw handen zichtbaar blijven en houdt ze van uw | lichaam vandaan,’ zei de man op beschaafde toon, ‘anders zal ik u waarschijnlijk met een bliksemstraal moeten doden.’

Whitcomb hield geschrokken de adem in, maar Everard had dit wel enigszins verwacht. Toch had hij een krampachtig gevoel in zijn maag.

Tovenaar Stane was een kleine man, gekleed in een prachtig geborduurde tuniek, die waarschijnlijk afkomstig was uit een of andere Romeinse villa. Hij had een lenig lichaam, een groot hoofd en een in zijn lelijkheid nogal innemend gezicht onder een grote bos zwart haar. Hij kneep zijn lippen gespannen samen.

‘Edgar, fouilleer ze,’ beval hij. ‘Verwijder alles wat ze in hun kleding verbergen.’

De Jutlander werkte onhandig, maar hij vond de revolvers met de gaspatronen en wierp ze op de vloer. ‘Ge kunt gaan,’ zei Stane.

‘Is er geen gevaar van hen te verwachten, heer?’ vroeg de soldaat.

Zijn glimlach werd breder. ‘Met dit ding in mijn vingers? Nee, ga!’ Edgar schuifelde het vertrek uit. ‘Tenslotte hebben we ons zwaard en de bijl nog,’ dacht Everard. ‘Maar dat zal ons niet veel helpen, met dat ding op ons gericht.’

‘Dus u komt echt van morgen,’ mompelde Stane. Plotseling parelde er zweet op zijn voorhoofd. ‘Ik had me al afgevraagd of het waar was. Spreekt u laat-Engels?’ Whitcomb opende zijn mond, maar Everard, improviserend met zijn leven als inzet, was hem net voor. ‘Welk dialect bedoelt u?’

‘Dit.’ Stane ging over op een Engels, dat een eigenaardig accent had, maar voor twintigste-eeuwse oren verstaanbaar: ‘Ik wil weten vanwaar en uit welke tijd u komt, wat uw bedoeling is en de rest. Vertel het me, anders schiet ik u neer!’

Everard schudde zijn hoofd. ‘Nee,’ antwoordde hij in het Jutlands, ‘ik versta u niet.’

Whitcomb wierp hem een snelle blik toe en legde zich toen neer bij wat de Amerikaan verder zou doen. Everard dacht na met de moed der wanhoop; hij wist dat zijn eerste fout de dood zou betekenen. ‘In onze tijd spraken we zo…’ En hij draaide een hele pagina Spaans-Mexicaans af, het zoveel hij durfde verhaspelend.

‘Zo… een Latijnse taal!’ Stane’s ogen glinsterden. Het wapen trilde in zijn handen. ‘Van wannéér komt u?’

‘Uit de twintigste eeuw na Christus, en ons land heet Lyonesse. Het ligt aan de overzijde van de westelijke Oceaan…’

‘Amerika!’ Het klonk als eeen zucht. ‘Werd het ooit Amerika genoemd?’

‘Nee, ik begrijp niet waar u het over heeft.’ Stane trilde onbeheerst. Zichzelf weer in bedwang hebbend: ‘Spreekt u Romeins?’ Everard knikte.

Stane lachte nerveus. ‘Laten we dat dan spreken. Als u wist hoe ziek ik ben van dat brabbeltaaltje hier…’ Zijn Latijn was een beetje gebroken. Kennelijk had hij het in deze eeuw geleerd; maar het was nog verstaanbaar. Hij zwaaide met zijn wapen. ‘Verontschuldig mijn onbeleefdheid, maar ik moet voorzichtig zijn.’

‘Natuurlijk,’ zei Everard. ‘En… mijn naam is Mencius, mijn vriend heet Iuvenalis. Wij zijn uit de toekomst gekomen, zoals u al begrepen heeft; wij zijn historici, het tijdreizen is kort geleden uitgevonden!’

‘Mijn echte naam is Rozher Schtein, uit het jaar 2987. Hebt u… ooit van mij gehoord?’

‘Wie niet?’ zei Everard. ‘Wij kwamen terug om deze geheimzinnige Stane, die een van de belangrijkste personen uit de geschiedenis scheen te zijn, te zoeken. Wij vermoedden, dat hij een tijdreiziger was, dat wil zeggen, iemand die van tijdreizen hield. Nu weten we het zeker.’

‘Drie jaar.’ Schtein begon koortsachtig heen en weer te lopen, het wapen achteloos in zijn hand bungelend; maar hij was te ver weg voor een onverwachte sprong. ‘Drie jaar ben ik al hier. Als u wist hoe vaak ik wakker heb gelegen, me afvragend of ik succes zou hebben… Zeg me, is uw wereld verenigd?’

‘De wereld en de planeten,’ zei Everard, ‘zijn dat al heel lang.’ Innerlijk huiverde hij. Zijn leven hing af van zijn vermogen te raden wat Schteins plannen waren. ‘En leeft men in vrijheid?’

‘Ja. Dat wil zeggen: de keizer regeert, maar de senaat maakt de wetten en wordt door het volk gekozen.’ Een bijna gewijde uitdrukking veranderde het dwergachtig gelaat. ‘Zoals ik me dat gedroomd heb,’ fluisterde Schtein. ‘Dank u.’

‘U kwam dus uit uw eigen tijd terug om geschiedenis te maken?’

‘Nee,’ zei Schtein, ‘om haar te veranderen.’ De woorden stroomden van zijn lippen, alsof hij jarenlang had willen, maar niet durven praten:

‘Ik was ook historicus. Toevallig ontmoette ik iemand die beweerde koopman te zijn, afkomstig van de manen van Ju-piter, maar omdat ik daar eens een tijdje gewoond had, doorzag ik het bedrog. Tenslotte, kwam ik achter de waarheid. Hij was tijdreiziger, afkomstig uit een verre toekomst. Kijk eens, de tijd waarin ik leefde was verschrikkelijk, en als psychografisch historicus realiseerde ik me dat de oorlogen, de armoede en de tirannie die ons tot een vloek waren, niet te wijten waren aan een of andere aangeboren slechtheid van de mens, maar aan de wet van oorzaak en gevolg. De techniek was ontstaan in een wereld die tegen zichzelf verdeeld was, en de oorlogen groeiden uit, tot steeds ingrijpender en vernietigender gebeurtenissen. Er waren tijdperken van vrede geweest, tamelijk lange zelfs; maar het kwaad was té diep ingevreten, conflicten waren een deel van onze beschaving geworden. Mijn gezin was uitgeroeid tijdens een aanval op Venus, ik had niets te verliezen. Ik nam bezit van de tijdmachine, na de eigenaar… uit de weg geruimd te hebben.

‘Ik was van mening dat de grote fout gemaakt was in de middeleeuwen. Rome had in een uitgestrekt rijk de vrede verzekerd, en uit vrede kan altijd gerechtigheid voortkomen. Maar Rome putte zich in die poging uit en was nu bezig uiteen te vallen. De binnenvallende barbaren waren energiek en tot veel in staat, maar verwekelijkten al spoedig. Maar neem nu Engeland eens. Het raakte geïsoleerd van het decadente Rome. De Germanen stromen het land binnen; het zijn echte pummels, maar krachtig en leergierig. In mijn eigen geschiedenis roeiden ze de Britse beschaving eenvoudig uit en werden daarna, door hun gebrek aan intellectuele ontwikkeling, overspoeld door de jonge — en kwaadaardige — Westerse beschaving. Ik wil dat alles zich op een betere manier ontwikkelt.

Eenvoudig is het niet. U moest eens weten hoe moeilijk het is je in een ander tijdperk staande te houden, zelfs als je in het bezit bent van moderne wapens en belangwekkende geschenken voor de koning. Maar ik word nu door koning Hengist gewaardeerd en slaag er steeds meer in, het vertrouwen van de Britten te winnen. Ik ben in staat deze twee volkeren te verenigen in een gezamenlijke strijd tegen de Pieten. In de toekomst zal Engeland een eenheid vormen, die gegrond is op de kracht der Saksen en de kennis der Romeinen, en krachtig genoeg is om alle invallers te verdrijven. De komst van het christendom is natuurlijk onvermijdelijk, maar ik zal ervoor zorgen dat het de juiste vorm van Christelijk geloof is: een geloof dat de mens beschaving en kennis schenkt en niet hun geestkracht aan banden legt. Tenslotte zal Engeland zich in een positie bevinden, waarin het kan gaan beginnen het continent te onderwerpen. Uiteindelijk zal de wereld één zijn. Ik blijf hier tot het verbond tegen de Pieten tot stand is gekomen en zal daarna verdwijnen met de belofte, later terug te komen. Als ik de eerstvolgende eeuwen met tussenpozen van, zeg vijftig jaar, steeds weer verschijn, word ik ten slotte een legende, een godheid, die ervoor kan zorgen, dat men op de juiste weg voortgaat.’

‘Ik heb veel over St.-Stanius gelezen,’ zei Everard langzaam.

‘Ik heb dus gewonnen!’ riep Schtein uit, ‘ik heb de wereld vrede geschonken.’ Tranen verschenen in zijn ogen. Everard kwam dichterbij. Schtein richtte het stralingswapen op zijn maag, hem nog niet geheel vertrouwend. Everard liep, als in gedachten, om hem heen, en Schtein draaide mee om hem onder schot te houden. Maar de man was door de gedachte aan het kennelijk welslagen van zijn plan zo in beslag genomen, dat hij te weinig aandacht schonk aan Whitcomb. Everard gaf de Engelsman over zijn schouder een seintje.

Whitcomb wierp zijn bijl. Everard dook naar de vloer. Schtein schreeuwde en het wapen maakte een knetterend geluid. De bijl had zijn schouder geraakt. Whitcomb sprong toe, de hand grijpend, waarin zich het wapen bevond. Schtein brulde het uit, terwijl hij uit alle macht het wapen trachtte om te draaien. Everard sprong overeind, om te hulp te komen. Eén ogenblik lang ging alles zeer verward in zijn werk. Toen ging het wapen weer af, en plotseling hing Schtein als een dood gewicht in hun armen. Bloed dat opwelde uit de afschuwelijke wond in zijn borst, doordrenkte hun kleding. De twee wachtposten kwamen naar binnen gesneld. Everard griste zijn wapen van de vloer, en drukte de pal naar de hoogste intensiteit. Een speer schampte zijn arm. Hij vuurde tweemaal en de twee reusachtige gestalten zakten ineen. De eerstkomende uren zouden ze buiten gevecht zijn. Ineengedoken luisterde Everard toe. Uit een van de vertrekken klonk het gegil van een vrouw, maar er kwam niemand naar binnen. ‘Ik geloof dat we het klaargespeeld hebben,’ hijgde hij.

‘Ja,’ Whitcomb keek somber naar het lichaam voor hem op de grond. Het was een meelijwekkend schouwspel. ‘Ik wilde zijn dood niet,’ zei Everard. ‘Maar de dingen lopen nu eenmaal vaak… beroerd. Het moest zo zijn, denk ik.’

‘Beter zó dan een veroordeling door de Patrouille, gevolgd door een enkele reis naar de verbanningsplaneet,’ zei Whitcomb.

‘Formeel beschouwd was hij een dief en een moordenaar,’ zei Everard. ‘Maar hij droomde zich een schitterende toekomst.’

‘Die door ons verstoord werd.’

‘Anders zou de geschiedenis dat wel in de war gestuurd hebben. Dat is zelfs zeer waarschijnlijk. Eén man bezit nu eenmaal niet genoeg wijsheid en macht. Ik geloof dat het grootste deel van alle menselijke ellende veroorzaakt wordt door goedwillende fanatici, zoals hij.’

‘Dus moeten we maar toezien en afwachten?’

‘Denk eens aan al je vrienden uit 1947. Ze zouden zelfs nooit bestaan hebben.’

Whitcomb trok zijn jas uit en trachtte het bloed van zijn kleding te verwijderen.

‘Laten we weggaan,’ zei Everard. Hij rende het achterste portaal door. Een angstige concubine staarde hem met verschrikte ogen aan. Hij moest het slot van een kamerdeur kapotschieten. In de kamer bevond zich een tijdmachine uit het Ing-tijdperk, een paar dozen met wapens en voorraden en een paar boeken. Everard laadde alles op de machine, uitgezonderd de brandstoftank. Die moest achterblijven, opdat hij er later in de toekomst iets over zou kunnen lezen, en terugkeren om de man die de plaats van God wilde innemen, te verhinderen zijn plannen uit te voeren. ‘Zou jij dit misschien naar het pakhuis in 1894 willen brengen?’ zei hij. ‘Ik zal onze eigen machine terugbrengen en dan zie ik je in het kantoor weer terug.’ Whitcomb staarde hem aan. Hij zag er afgetobd uit. Terwijl Everard naar hem keek, veranderde dat en verscheen er een uitdrukking van vastberadenheid op zijn gezicht. ‘In orde, ouwe jongen,’ zei de Engelsman. Hij glimlachte bijna weemoedig en knelde Everards hand in een vaste greep. ‘Tot ziens, het allerbeste.’

Everard keek hem na, terwijl hij de grote stalen cilinder binnenging. Vreemd om zoiets te zeggen, vooral als je bedacht dat ze straks, over een paar uur, in 1894, samen weer een kopje thee zouden drinken.

Zorgelijk gestemd liep hij het gebouw uit om zich onder de menigte te mengen. Charlie was een rare kerel. Nou ja… Niemand hield hem tegen toen hij de stad verliet en het struikgewas binnendrong.

Hij riep de tijdmachine omlaag en maakte, niettegenstaande zijn haast om weg te komen, voordat er iemand naar de vreemde vogel die daar was neergedaald, zou komen kijken, een kruik bier open. Hij had het hard nodig. Dan wierp hij een laatste blik op het oude Engeland en vertrok naar 1894. Zoals afgesproken werd hij daar door Mainwethering en zijn gewapende geleide opgewacht. De ambtenaar schrok toen hij zag dat er maar één man, met bloed op zijn kleding, terugkeerde, maar Everard stelde hem gerust. Het duurde enige tijd voor hij zich gewassen, schone kleren aangetrokken en de secretaris een volledig verslag van het gebeurde gegeven had. Op dat moment had Whitcomb er allang moeten zijn, zelfs als hij een rijtuig had moeten nemen, maar er was geen spoor van hem te bekennen. Mainwethering riep per radio het pakhuis op en keerde met een frons op het gelaat terug. ‘Hij is er nog niet,’ zei hij. ‘Kan er iets verkeerd gegaan zijn?’

‘Nauwelijks, die machines werken feilloos.’ Everard beet zich op de lippen. ‘Ik begrijp niet wat er aan de hand kan zijn, misschien begreep hij me verkeerd en is hij naar 1947 gegaan.’

Er werden enkele berichten verzonden, waarna het duidelijk was dat Whitcomb zich ook daar niet gemeld had. Everard en Mainwethering vertrokken om ergens te gaan theedrinken. Toen ze terugkwamen, had men nog steeds geen spoor van Whitcomb gevonden.

‘Ik moest de veiligheidsdienst maar waarschuwen,’ zei Mainwethering. ‘Eh, vindt u ook niet? Zij zullen hem wel vinden.’

‘Nee, wacht even.’ Everard bleef nadenkend staan. Hij had een gedachte die hij maar niet kwijt kon raken. Het was beangstigend. ‘Weet u iets?’

‘Ja, ik geloof het wel.’ Everard begon zich van zijn Victoriaanse kleding te ontdoen. Zijn handen trilden. ‘Geef me mijn twintigste-eeuwse kleding, wilt u? Misschien kan ik hem zelf opsporen.’

‘De Patrouille zal eerst een rapport met uw ideeën en plannen willen zien,’ merkte Mainwethering op. ‘Loop naar de pomp met je Patrouille,’ zei Everard.


6

<p>6</p>

Londen, 1944. De vroege winteravond was al ingevallen, en door de donkere straten blies een scherpe koude wind. Ergens klonk het gedreun van een explosie, een brand werd zichtbaar. Grote, rode vlammen laaiden boven de daken uit. Everard liet zijn machine op het trottoir achter — terwijl de V-ééns neerkwamen, was er toch niemand op straat — en zocht zich tastend een weg door het duister. Zeventien november; zijn geoefend geheugen had zich de datum herinnerd. Op die dag was Mary Nelson om het leven gekomen. Op de hoek ging hij een publieke telefooncel binnen en zocht in het register. Er waren nogal wat Nelsons, maar er woonde maar één Mary Nelson in het district Streatham. Dat was natuurlijk haar moeder. Hij moest maar aannemen dat de dochter dezelfde voornaam droeg. Hij wist ook niet nauwkeurig hoe laat de bom zou vallen, maar er bestond een mogelijkheid om dat aan de weet te komen. Toen hij weer naar buiten stapte, bevond hij zich plotseling midden tussen de vlammen en de explosies. Hij wierp zich voorover op de grond terwijl het glas versplinterde op de plaats waar hij zojuist gestaan had. Zeventien november 1944. De jonge Manse Everard, luitenant bij de genie van het U.S. Army, bevond zich ergens aan de overzijde van Het Kanaal, in de nabijheid van de Duitse kanonnen. Hij kon zich op dat moment niet herinneren, waar dat precies geweest was en hij bleef niet wachten tot hij er achter zou komen. Het deed er niet toe. Hij was er zeker van dat hij aan dat gevaar zou ontkomen.

De volgende ontploffing miste hem op een haar, terwijl hij naar zijn machine rende. Hij sprong erop en vloog weg. Hoog boven Londen kon hij weinig meer onderscheiden, dan een uitgestrekte donkere vlakte waarin hier en daar vlammen oplaaiden. ‘Walpurgisnacht.’ Op aarde was de hel losgebarsten.

Hij kon zich Streatham goed herinneren: een sombere aaneenschakeling van bakstenen gebouwen, bewoond door kantoorklerkjes, groentehandelaren en fabrieksarbeiders; het minst welvarende deel van de burgerij, dat was opgestaan om de macht die geheel Europa aan zich onderwierp, een halt toe te roepen. Vroeger, in 1943, woonde hier een meisje… Misschien zou ze ten slotte toch nog wel met een ander getrouwd zijn.

Laag overvliegend trachtte hij het adres te vinden. Niet ver bij hem vandaan barstte een vulkaan open. Zijn machine, werd heftig heen en weer geslingerd; bijna verloor hij zijn houvast. Zich erheen haastend zag hij een ingestort, verwoest en brandend huis. Het was maar drie huizenblokken van de woning van de Nelsons verwijderd. Hij was te laat.

Nee! Hij controleerde het tijdstip — precies half elf — en sprong twee uur terug. Het was nog steeds nacht, maar het vernietigde huis tekende zich nog massief tegen de hemel af. Eén ogenblik kwam het verlangen in hem op, de bewoners te waarschuwen. Maar nee. Over de hele wereld stierven op dat ogenblik mensen. Hij was geen Schtein die de wereldgeschiedenis wilde veranderen. Hij glimlachte bitter, steeg af en wandelde het tuinhek binnen. Hij was evenmin zo’n vervloekte Danelliaan. Hij klopte op een deur. Er werd opengedaan.

In het donker staarde een vrouw van middelbare leeftijd hem aan, en hij realiseerde zich wat een vreemde indruk een Amerikaan in burgerkleding hier moest maken. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Kent u mejuffrouw Mary Nelson?’

‘Hoezo, jazeker.’ Ze aarzelde. ‘Ze woont hier in de buurt. Ze komt straks hierheen. Bent u een vriend van haar?’ Everard knikte. ‘Ze vroeg me, u een boodschap over te brengen, mevrouw… eh…’

‘Enderby.’

‘O, ja, mevrouw Enderby. Ik ben verschrikkelijk vergeetachtig. Kijk eens, juffrouw Nelson vroeg me u te zeggen, dat ze tot haar spijt niet kan komen. Maar ze zou wel graag zien dat u met het hele gezin om half elf bij haar bent!’

‘Wij allemaal, meneer? En de kinderen dan…’

‘De kinderen in ieder geval ook. Het hele gezin. Ze heeft een heel bijzondere verrassing voor u, maar dan is het wel nodig dat u er op tijd bent. U moet allen komen.’

‘Nou… goed meneer, als zij dat zegt.’

‘U bent er dus om precies half elf met de hele familie. Tot dan, mevrouw Enderby.’ Everard knikte en liep terug naar de straat.

Hij had gedaan wat hij kon. Nu naar de woning van de Nelsons. Hij vloog drie blokken verder, parkeerde zijn machine in de schaduw van een steegje en liep naar het huis. Hij had nu ook een overtreding begaan en was even schuldig als Schtein. Hij vroeg zich af hoe het zou zijn op de verbanningsplaneet.

Er was geen spoor van de Ing-capsule te bekennen, en zij was te groot om te verbergen. Charlie was er dus nog niet. Tot diens aankomst zou hij moeten improviseren. Terwijl hij op de deur klopte, vroeg hij zich af, wat de gevolgen zouden zijn van de redding van het gezin Enderby. De kinderen zouden volwassen worden en zelf weer kinderen krijgen. Ongetwijfeld zouden ze opgroeien tot weinig invloedrijke leden van de Engelse middenstand, maar op een of andere dag, ver in de toekomst, zou een belangrijk man geboren worden, of juist niet geboren worden. Natuurlijk was de geschiedenis niet zó onveranderlijk. Op enkele uitzonderlijke gevallen na, deed de juiste afstamming er niet zoveel toe; wat telde, was de gezamenlijke som van de erfelijke eigenschappen der mensheid. Toch zou dit een van die uitzonderlijke gevallen kunnen zijn.

Een jonge vrouw opende de deur. Het was een aantrekkelijk meisje, geen opzienbarende verschijning weliswaar, maar in het keurige uniform zag ze er leuk uit. ‘Juffrouw Nelson?’

‘Ja?’

‘Mijn naam is Everard. Ik ben bevriend met Charlie Whitcomb. Mag ik binnenkomen? Ik heb nogal verrassend nieuws voor u.’

‘Ik stond op het punt uit te gaan,’ zei ze afwerend. ‘O nee, u gaat niet.’ Dat had hij niet moeten zeggen; ze was kennelijk verontwaardigd.

‘Neem me niet kwalijk. Mag ik het alstublieft uitleggen?’ Ze liet hem binnen in een saaie, rommelige zitkamer. ‘Wilt u niet gaan zitten, meneer Everard? Praat alstublieft niet te hard. De hele familie slaapt al. Ze moeten weer vroeg op.’ Everard maakte het zich gemakkelijk. Mary zat rechtop op een hoekje van de sofa, hem met grote ogen aankijkend. Hij vroeg zich af of Edgar en Wulfnoth tot haar voorouders behoorden. Ja… ongetwijfeld, na zoveel eeuwen. Misschien zelfs Schtein wel.

‘Dient u bij de luchtmacht?’ vroeg ze. ‘Hebt u Charlie daar leren kennen?’

‘Nee, ik ben bij de inlichtingendienst, daarom ben ik ook in burger. Mag ik weten wanneer u hem het laatst gezien hebt?’

‘O, weken geleden. Momenteel is hij in Frankrijk gelegerd. Ik hoop dat deze oorlog gauw voorbij zal zijn. Dom van hen om door te gaan terwijl ze kunnen weten dat het met hen gedaan is, vindt u niet?’ Ze hield haar hoofd een beetje schuin, op een manier die hij wel leuk vond. ‘Maar wat voor nieuws heeft u?’

‘Ik zal het u zo vertellen.’ Hij begon een wijdlopig verhaal af te steken, over de situatie aan de overzijde van het Kanaal. Het was vreemd om met een geest te zitten praten. En zijn opleiding weerhield hem de waarheid te vertellen. Hij deed een poging, maar het leek wel of zijn tong verlamd raakte, ‘…en de moeite die je moet doen om een flesje doodgewone rode inkt te pakken te krijgen…’

‘Alstublieft,’ ze viel hem ongeduldig in de rede. ‘Zoudt u terzake willen komen? Ik heb een afspraak voor vanavond.’

‘O, neem me niet kwalijk. Het spijt me erg. Ik ben er zeker van dat, kijk eens, het zit zo…’ Hij werd gered doordat er op de deur werd geklopt. ‘Een ogenblik,’ mompelde zij, en verdween achter de verduisteringsgordijnen om open te doen. Everard liep haar na. Met een kreet deed ze een pas achteruit. ‘Charlie!’ Whitcomb knelde haar in zijn armen, zonder acht te slaan op het nog vochtige bloed dat aan zijn Jutlandse kleding kleefde. Everard kwam de hal binnen. De Engelsman staarde hem ontzet aan. ‘Jij!…’

Hij greep naar zijn wapen, maar Everard had het zijne al in de hand. ‘Doe niet zo stom,’ zei de Amerikaan, ‘ik ben je vriend. Ik wil je helpen. Wat voor krankzinnig plan heb je eigenlijk uitgedacht?’

‘Ik… zorg dat ze hier blijft… zal voorkomen dat ze weggaat…’

‘En je gelooft dat zïj geen middelen hebben om je op te sporen?’ Everard sprak Universeel, de enige taal die hij in Mary’s aanwezigheid kon gebruiken. ‘Toen ik bij Mainwethering vandaan ging, was hij al verdraaid achterdochtig. Tenzij we heel verstandig te werk gaan, zal iedere eenheid in de Patrouille gewaarschuwd worden. Men zal de fout herstellen, misschien zelfs door haar te doden. Jij wordt verbannen.’

‘Ik…’ Whitcomb  slikte nerveus. Zijn gezicht verwrongen van angst. ‘Zou jij haar laten gaan, zodat ze zal sterven?’

‘Nee, maar we moeten veel voorzichtiger te werk gaan.’

‘We kunnen ontsnappen… we gaan naar een tijdperk waar niemand ons zoekt… desnoods naar de periode van de dinosaurus.’

Mary maakte zich van hem los. Ze stond op het punt te gaan gillen, haar mond al half open. ‘Wees stil!’ zei Everard. ‘Je leven loopt gevaar, en wij proberen je te redden. Als je mij niet vertrouwt, vertrouw Charlie dan.’ Zich weer tot hem wendend, ging hij in het Universeel verder: ‘Kijk eens hier, kerel, er is geen plaats of tijd waar je je zou kunnen verbergen. Mary Nelson is vannacht gestorven. Zo is de geschiedenis. Ze bestond in 1947 niet. Dat staat ook vast. Ik heb mezelf er ook al ingewerkt; het gezin waarbij ze op bezoek wilde gaan, zal het huis verlaten hebben, als de bommen het raken. Als je met haar tracht te vluchten, zullen ze je vinden. Het is puur geluk dat er op het moment nog geen eenheid van de Patrouille is opgedoken.’ Whitcomb trachtte zijn zelfbeheersing te herwinnen. ‘Veronderstel dat ik samen met haar naar 1948 spring. Hoe weet je dat ze in 1948 niet onverwacht weer is teruggekomen? Misschien is dat ook wel historisch vastgelegd.’

‘Man, dat lukt je niet. Probeer het maar. Ga je gang, vertel haar dat je haar vier jaar de toekomst in gaat brengen.’ Whitcomb kreunde. ‘Onmogelijk… en ik ben geconditioneerd…’

‘Juist, je hebt nauwelijks de vrijheid om je op deze manier aan haar te vertonen, maar als je haar iets wilt vertellen, zul je leugens moeten vertellen, omdat je niet in staat bent de waarheid te spreken. Trouwens hoe zou je haar aanwezigheid duidelijk willen verklaren? Als ze Mary Nelson blijft, is ze een desertrice. Als ze een andere naam aanneemt, waar moet ze dan haar geboortebewijs, haar diploma’s, haar bonkaarten, kortom, al die papiertjes waar de twintigste-eeuwse regeringen zo’n heilig ontzag voor hebben, vandaan halen? Het is een hopeloze zaak, jongen.’

‘Maar wat moeten we dan?’

‘Wacht op de Patrouille en vecht het met ze uit. Wacht hier even.’

Everard was heel kalm geworden, hij had geen tijd om bang te zijn of zich over zijn eigen gedrag te verbazen. Hij ging naar buiten, zocht zijn tijdmachine op en stelde de wijzers zo af, dat het ding over vijf jaar, ’s middags om twaalf uur op Piccadilly Circus zou verschijnen. Hij drukte de hoofdschakelaar omlaag, keek toe hoe de machine verdween, en ging weer naar binnen. Mary lag huilend en trillend in Whitcombs armen. Die verdraaide, hulpeloze kinderen! ‘In orde.’ Everard leidde hen terug naar de zitkamer en ging zitten met zijn wapen schietklaar. ‘Nu nog maar even wachten.’

Het duurde niet lang. Er verscheen een tijdmachine met twee mannen, gekleed in het uniform van de Patrouille. Ze hielden hun wapens gereed. Everard legde ze, met een zwakke straal uit zijn wapen, neer. ‘Help me, ze vast te binden, Charlie,’ zei hij.

Mary stond sprakeloos weggedoken in een hoekje. Toen de mannen weer bijkwamen, boog Everard zich met een kil glimlachje over hen heen. ‘Waar worden we van beschuldigd, jongens?’ vroeg hij in het Universeel. ‘Waarschijnlijk weet je dat zelf wel,’ zei een van de gevangenen rustig. ‘Het hoofdkantoor gaf ons opdracht jullie op te sporen. Toen we een onderzoek instelden in de volgende week, ontdekten we, dat je een gezin dat bij een bombardement om zou komen, uit hun huis gehaald had. Uit Whitcombs staat van dienst konden we opmaken dat je daarna hierheen was gegaan, om hem te helpen deze vrouw, die anders vannacht omgekomen zou zijn, te redden. Je kunt ons beter onze gang laten gaan, anders maak je het alleen maar erger voor jezelf.’

‘Ik heb geen veranderingen in de geschiedenis veroorzaakt,’ zei Everard. ‘De Danellianen zijn er toch nog steeds, nietwaar?’

‘Ja, natuurlijk, maar…’

‘Hoe wist je dat het gezin Enderby zou moeten omkomen?’

‘Hun huis werd getroffen, en ze zeiden dat ze het alleen maar verlaten hadden, omdat…’

‘Aha, maar het staat vast dat ze het verlieten. Dat valt niet te weerleggen. Nu bent u het, die het verleden wilt veranderen.’

‘Maar die vrouw hier…’

‘Bent u er zeker van dat er nooit een Mary Nelson geleefd heeft, die zich in, laten we zeggen 1850, in Londen vestigde en in 1900 van ouderdom stierf?’

Er vertoonde zich een glimlach op het magere gelaat. ‘Je doet verschrikkelijk je best hè? Het zal je niet helpen. Je kunt je niet tegen de hele Patrouille verzetten.’

‘Zo, kan ik dat niet? Ik kan je hier achterlaten, zodat je door de Enderby’s wordt gevonden. Ik heb mijn tijdmachine zó afgesteld, dat zij in het openbaar weer te voorschijn zal komen, op een tijdstip dat alleen mijzelf bekend is. Wat zullen de gevolgen voor de geschiedenis zijn?’

‘De Patrouille zal maatregelen treffen om de zaak weer in het reine te brengen… zoals jij dat in de vijfde eeuw hebt gedaan.’

‘Mogelijk! Maar ik kan het ze een stuk makkelijker maken, als ze bereid zijn mijn verzoek in overweging te nemen. Ik wil een Danelliaan spreken.’

‘Wat!’

‘Je hebt me gehoord,’ zei Everard. ‘Desnoods klim ik op die tijdmachine van je, en reis een miljoen jaar verder. Ik zal ze persoonlijk uitleggen hoeveel eenvoudiger alles wordt, wanneer ze ons een kans geven.’

‘Dat zal niet nodig zijn.’

Naar adem snakkend draaide Everard zich om. Zijn wapen viel uit zijn hand.

Hij was niet in staat zijn blik op de stralende gestalte voor hem gericht te houden. Met een brok in de keel deinsde hij terug.

‘Wij hebben uw verzoek in overweging genomen,’ zei de geluidloze stem. ‘Eeuwen voor u geboren werd, hadden we onze beslissing al genomen. Desondanks was u een noodzakelijke schakel in de keten van de tijd. Wanneer u vannacht gefaald had, zouden we niet van genade hebben willen horen.

Het was ons bekend dat een zekere Charles en Mary Whitcomb in het Engeland van Victoria leefden. Het stond tevens vast dat Mary Nelson tegelijkertijd met het gezin waar zij in 1944 op bezoek was, om het leven kwam, en dat Charles Whitcomb zijn leven verder als vrijgezel sleet en ten slotte bij zijn werk voor de Patrouille gedood werd. Er werd van deze tegenstrijdigheid nota genomen, en daar zelfs de onopvallendste paradox een gevaarlijke zwakke plek in de tijdruimte vormt, moesten er correcties worden aangebracht door óf de ene, óf de andere gebeurtenis te niet te doen. U hebt beslist welke gebeurtenis dat zal zijn.’ Op de een of andere manier zagen Everards geschokte zintuigen nog kans, waar te nemen hoe de leden van de Patrouille plotseling vrij waren. Hij wist dat de tijdmachine onzichtbaar verwijderd werd… was… zou worden, juist op het moment dat zij zichtbaar werd. Hij wist dat het volgende nu historisch was vastgelegd: vermist: Mary Nelson, lid van de W.A.A.F., vermoedelijk tijdens een bombardement omgekomen in de omgeving van de woning van de familie Enderby, die allen in haar huis waren op het moment dat hun eigen woning verwoest werd; Charles Whitcomb verdween in 1947, waarschijnlijk verdronken. Hij wist dat men Mary op de hoogte bracht, terwijl men het haar door een hypnotische behandeling tegelijkertijd onmogelijk maakte, haar kennis ooit aan iemand anders mede te delen; en dat zij vervolgens samen met Charlie naar 1850 werd gebracht. Hij wist dat zij verder als leden van de burgerij door het leven zouden gaan, dat ze zich in het Victoriaanse Engeland nooit geheel zouden thuis voelen en dat Charlie vaak naar de tijd bij de Patrouille zou terug verlangen… maar dan weer naar zijn vrouw en kinderen zou kijken, en tot de slotsom komen dat het, alles bijeen genomen, niet zo’n groot offer geweest was. Dat alles werd hem duidelijk; toen was de Danelliaan weer verdwenen. Nadat de zwarte mist die over zijn denken lag, weer wat was opgetrokken, en hij met helderder blik naar de twee agenten van de Patrouille keek, wist hij nog niet wat zijn eigen lot zou zijn.

‘Kom op,’ zei de eerste. ‘Laten we maken dat we hier weg komen, voor er iemand wakker wordt. We zullen je een lift naar je eigen tijd geven, 1954, is het niet?’

‘En wat gebeurt er daarna?’ vroeg Everard. De Patrouille-agent schraapte zijn keel. Achter zijn onverschillige houding trachtte hij te verbergen, hoezeer de ontmoeting met de Danelliaan hem geschokt had. ‘Breng rapport uit bij de commandant van uw sector. U hebt duidelijk getoond, ongeschikt te zijn voor het routinewerk.’

‘Zo… ik word eruit gegooid, nietwaar?’

‘U hoeft niet zo dramatisch te doen. Denkt u dat er nooit eerder zoiets heeft plaatsgevonden in de miljoenen jaren dat de Patrouille bestaat? Er is een vaste procedure voor dit soort gevallen.’

‘Natuurlijk hebt u een uitgebreider opleiding nodig. Een persoonlijkheid als de uwe is het meest geschikt voor werk in bijzondere dienst — werk in iedere periode en overal waar of wanneer men u nodig zal hebben. Ik vermoed dat u het wel plezierig zult vinden.’

Vermoeid klom Everard op de tijdmachine. En toen hij er weer afstapte, waren tien jaren voorbijgegaan.