/ Language: Netherlands / Genre:sf

De splinter in gods oog

Larry Niven

Gedurende het Tweede Imperium van het grote Aardse ruimterijk wordt plotseling een ruimteschip van onbekende herkomst ontdekt dat, aan de koers te zien, afkomstig is uit de richting van ‘Murchisons Oog’. Dit betekent het allereerste contact met ‘buitenaardsen’. Murchisons Oog is de enige ster in de Kolenzaknevel die op grote afstand nog te zien is. Het is een grote, rode ster, met in een hoek een klein wit lichtend puntje, dat De Splinter in Gods Oog wordt genoemd.

Larry Niven, Jerry Pournelle

De splinter in gods oog

Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen ook bemerkt gij niet?

MATTH. 7: 3

CHRONOLOGISCH OVERZICHT

1969 — Neil Armstrong zet voet op dc maan van de Aarde.

1990 — Een reeks verdragen tussen de Verenigde Staten en de Sovjet Unie heeft het ontstaan van het Co-Dominium ten gevolge.

2008 — Proefvlucht met de eerste geslaagde interstellaire aandrijving. Verbetering van de Alderson-aandrijving.

2020 — Oprichting van de eerste interstellaire koloniën. Begin van de Grote Uittocht.

2040 — Het Co-Dominiale Bureau voor Relokatie begint aan een massale overbrenglng van misdadigers naar planeten buiten het zonnestelsel kolonisatie van Sparta en St.-Ekaterina.

2079 — Sergej Lermontov benoemd lot Grootadmiraal van de Ruimte-Marine van het Co-Dominium.

2103 — De Grote Patriottische Oorlogen. Hinde van het Co-Dominium. Uittocht van de vloot.

2110 — Kroning van Lysander I van Sparta. De vloot zweert trouw aan de Spartaanse kroon. Huwelijken tussen de beide dynastieën hebben de vereniging van Sparta en St.-Ekaterina ten gevolge.

2111 — Begin van de Formatieoorlogen.

2250 — Leonidas I proclameert het Keizerrijk van de Mensheid.

2250–2600 — Het Keizerrijk van dc Mensheid handhaaft de interstellaire vrede.

2450 — Jasper Murcheson maakt een ontdekkingsreis naar het gebied achter de Kolenzak. Kunstmatige aanbrenging van aardse bodemlagen (terraformatie) op de planeet Nieuw-Schotland.

2640 — De Afscheidingsoorlogen duren nog steeds voort. Vele zonnestelsels beleven een tijd van verval. Effectief einde van het Eerste Keizerrijk. Uitroeiing van de supermannen van Sauron.

2800 — Interstellaire handel komt geheel stil te liggen. Piraterij en roof op grote schaal. Algeheel verval.

2862 — Gebundelde, uit het zonnestelsel Splinter afkomstige licht stralen worden waargenomen op Nieuw-Schotland.

2870 — Einde van de Afscheidingsoorlogen.

2882 — Howard Grote Littlemead richt op Nieuw-Schotland de Kerk van Hem op.

2902 — De uitzending van gebundelde lichtstralen vanuit het zonnestelsel Splinter houdt plotseling op.

2903 — Leonidas IV van Sparta proclameert het Tweede Keizerrijk van de Mensheid. Aflegging van de Eed van Hereniging.

3016 — Opstand op New Chicago.

3017 — HET EERSTE CONTACT.

Proloog

‘Gedurende de afgelopen duizend jaar van onze geschiedenis is het traditie geworden de Alderson-aandrijving als een onverdeelde zegen te beschouwen. Als Aldersons uitvindingen het niet mogelijk gemaakt hadden sneller dan het licht te reizen, zou de mensheid opgesloten hebben gezeten in die kleine gevangenis van het Zonnestelsel, toen de Grote Patriottische Oorlogen het Co-Dominium op Aarde vernietigden. Maar in plaats daarvan hadden wij nu inmiddels al meer dan tweehonderd werelden gekoloniseerd.

Een zegen, inderdaad. Als de Alderson-aandrijving er niet geweest was, zouden we nu misschien allang uitgestorven zijn. Maar een onverdeelde zegen? Laten wc daar eens even bij stilstaan. Dat zelfde tramlijn-effect dat ons in staat gesteld heeft andere zonnestelsels te koloniseren, en die zelfde interstellaire contacten die het tot stand komen van het Eerste Keizerrijk mogelijk maakten, hebben ook het voeren van interstellaire oorlogen mogelijk gemaakt. De werelden die in de loop van tweehonderd jaar Afscheidingsoorlogen werden verwoest, werden zowel gekoloniseerd als vernietigd door schepen die gebruik maakten van de Alderson-aandrijving.

Dank zij de Alderson-aandrijving behoeven wij ons nooit te bekommeren om wat er zich in de ruimte tussen de sterren bevindt. Dank zij het feit dat wij ons ogenblikkelijk kunnen verplaatsen van het ene zonnestelsel naar het andere, behoeven onze schepen en hun aandrijvingen slechts interplanetaire afstanden af te leggen. Wij zeggen dat het Tweede Keizerrijk van de Mensheid over tweehonderd werelden regeert en over alle ruimte die daartussen ligt, een totale ruimte van meer dan vijftien miljoen kubieke parsecs…

Maar laten wij nu even een blik op de werkelijkheid werpen. Denkt u zich eens myriaden kleine luchtbelletjes in, die schaars verspreid zijn over zeer grote afstanden en opstijgen uit een onmetelijke zwarte oceaan. Ons gezag strekt zich uit over een aantal van die luchtbelletjes. Over het water daartussen weten wij niets…’

- uit een door dr. Anthony Horvath in het Blaine-Instituut gehouden toespraak, A.D. 3029.

Deel I De Gekke Gerrit-verkenner

1. Een eigen commando

A. D. 3017

‘Complimenten van de Admiraal en of u onmiddellijk naar zijn kantoor wilt komen,’ kondigde cadet Staley aan.

Eerste luitenant Roderick Blaine keek met een opgejaagde uitdrukking op zijn gezicht de brug rond, waar een aantal van zijn medeofficieren onder zijn leiding bezig was met het geven van aanwijzingen voor de te verrichten reparaties. Ze spraken op zachte, maar dringende toon, als chirurgen die assisteerden bij een moeilijke operatie. Er was in dit grijs-stalen compartiment een wirwar van activiteiten gaande, die op zichzelf allemaal ordelijk verliepen, maar de totaalindruk was er een van chaos. Beeldschermen boven de standplaats van een der roergangers toonden de onder hen liggende planeet en de andere schepen, die te zamen met de MacArthur in een baan eromheen hingen. Maar overal elders had men de afdekplaten van consoles verwijderd, waren testinstrumenten met krokodilleklemmen bevestigd aan de ingewanden daarvan en stonden technici klaar met van kleurencodes voorziene elektronische assemblages om alles ie vervangen wat maar even twijfelachtig leek. Dreunende en gierende geluiden weerklonken door het hele schip, veroorzaakt door de werktuigkundigen die ergens in het achterschip bezig waren met reparaties aan de romp. Overal waren de littekens van de strijd zichtbaar; daar, waar het beschermende Langston-krachtveld van het schip tijdelijk gefaald had door overbelasting, waren lelijke brandplekken achtergebleven. Dwars door een van de bedieningsconsoles heen was een onregelmatig gat gebrand dat groter was dan een vuist, en nu leken de twee technici die ermee bezig waren wel permanent in het systeem ingebouwd te zijn, zo innig schenen ze er door een web van kabels mee verbonden. Rod Blaine keek naar de zwarte vegen die zich over zijn gevechtstenue verspreid hadden. De stank van verpulverd metaal en verschroeid vlees zat nog steeds in zijn neusgaten, of misschien verbeeldde hij het zich wel, en opnieuw zag hij een golf van vuur en gesmolten metaal uit de romp naar binnen slaan en langs zijn linkerzij stromen. Zijn linkerarm zat nog steeds voor zijn borst gebonden door middel van een elastisch verband en hij kon het merendeel van de activiteiten van de afgelopen week aflezen van de vlekken die daarop zaten.

En dat terwijl ik nog maar net een uur aan boord ben! dacht hij. En terwijl de Kapitein aan land is en alles hier een complete janboel is. Ik kan nu niet weg! Hij draaide zich om naar de cadet. ‘Nu metéén?’

‘Ja, meneer. Het bericht is “Dringend”.’

Er was dus niets aan te doen, en Rod zou er straks ongenadig van langs krijgen, wanneer de Kapitein aan boord terugkwam. Eerste luitenant Cargill en hoofdmachinist Sinclair waren weliswaar kerels die hun vak verstonden, maar Rod was Eerste Officier en als zodanig verantwoordelijk voor het herstellen van de schade, ook al was hij dan niet aan boord van de MacArthur geweest op het moment dat ze de meeste van haar voltreffers te incasseren had gekregen.

De Marinier die Rods ordonnans was, kuchte discreet en wees op zijn besmeurde uniform. ‘Meneer, hebben we nog even tijd om u een beetje op te knappen?’

‘Een goede gedachte.’ Rod wierp een snelle blik op het dienstrooster om zich ervan te vergewissen of dit inderdaad nog kon. Ja, hij had nog een halfuur de tijd voor er weer een sloep vertrok om naar de oppervlakte van de planeet af te dalen. Als hij eerder vertrok, zou hij het kantoor van de admiraal er niet sneller om bereiken. Het zou een opluchting zijn eindelijk uit deze overall te kunnen stappen. Sinds hij gewond was geraakt, was hij nog niet uit de kleren geweest. Ze moesten er iemand van de geneeskundige dienst bij halen om hem uit te kleden. De verpleger knipte het gepantserde textiel weg dat in zijn linkerarm gedrongen was en mopperde: ‘Blijf stilstaan, meneer. Die arm is lelijk gebraden.’ Zijn stem klonk afkeurend. ‘U had er al een week geleden mee naar de ziekenboeg behoren te komen.’

‘Daar was ik nauwelijks toe in de gelegenheid,’ antwoordde Rod. Een week geleden was de MacArthur in gevecht geweest met een oorlogsschip van de opstandelingen, dat meer treffers had weten te plaatsen dan wenselijk was, voordat het zich eindelijk overgegeven had. Na de overwinning was Rod aan boord van het vijandelijke schip gezonden om het op te brengen en ze hadden daar geen faciliteiten gehad voor een juiste behandeling. Het pantser liet los en nu rook Rod iets dat erger stonk dan alleen maar zweet van een week oud. Zou wel eens een tikkeltje koudvuur kunnen zijn.

‘Zoals u zegt, meneer.’ Er werden weer een paar draden weggeknipt. Het synthetische materiaal was zo hard als staal. ‘Nu zal het mes eraan te pas moeten komen, luit. We zullen dit allemaal weg moeten snijden, willen de regeneratiestimulators hun werk goed kunnen doen. En als we u straks toch in de ziekenboeg hebben, kunnen we meteen wat aan die neus van u doen.’

‘Ik ben best tevreden met mijn neus,’ zei Rod koeltjes. Hij betastte het lichtelijk scheve uitsteeksel met zijn vingers en dacht weer terug aan het gevecht waarbij hij gebroken was. Rod vond dat het hem er ouder deed uitzien en dat kon geen kwaad als je nog pas vierentwintig standaardjaren oud was; bovendien was het het onderscheidingsteken voor een verdienste en niet voor iets dat hij geërfd had. Rod was trots op zijn familiegeschiedenis, maar er waren wel eens momenten waarop het niet meeviel de reputatie van de familie Blaine eer aan te doen. Eindelijk was het pantser helemaal weggeknipt en werd zijn arm besmeerd met Numbitol. De stewards hielpen hem in een lichtblauw uniform, compleet met rode sjerp, goudgalon en epauletten; het was verkreukeld en verfomfaaid, maar toch nog altijd beter dan een overall van monofiber. Ondanks de verdovende zalf deed het stijve jasje zijn arm pijn, totdat hij tot de ontdekking kwam dat hij zijn onderarm op de kolf van zijn pistool kon laten rusten.

Toen zijn uitrusting compleet was begaf hij zich naar het hangardek van de MacArthur en nam plaats in de landingssloep. De stuurman liet de sloep door de grote liftdeuren naar buiten vallen, zonder de rotatie van het schip te laten stopzetten. Dit was een gevaarlijke manoeuvre, maar het spaarde tijd uit. De remraketten traden in werking en de kleine gevleugelde boot dook de atmosfeer van de planeet binnen.

NEW CHICAGO: Bewoonde planeet in de Trans-Kolenzak-Sector, op ongeveer 20 parsecs afstand van de hoofdplaneet van deze sector gelegen. De primaire zon is een gele ster van het type F9, die gewoonlijk Bêta Hortensis genoemd wordt. De atmosfeer komt bijna overeen met de Aardnorm en kan geademd worden zonder gebruikmaking van hulpmiddelen of filters. Zwaartekracht aan de oppervlakte: 1, 08 maal standaard. De planetaire straal is 1, 15 en de massa is 1, 12 maal de Aardstandaard, hetgeen wijst op een planeet van meer dan normale dichtheid. New Chicago heeft een inclinatie van 41 graden bij een matig excentrische halve hoofdas van 1, 06 AE’. De daaruit voortvloeiende schommelingen in de seizoenstemperaturen hebben de bewoonde gebieden beperkt doen blijven tot een betrekkelijk smalle strook in de gematigde zone van het zuidelijk halfrond. Er is één maan die zich op normale afstand bevindt en gewoonlijk Evanston genoemd wordt. De herkomst van deze naam is onbekend. New Chicago bestaat voor 70 procent uit zeeën. Met landgebied is overwegend bergachtig en bij voortduring onderhevig aan vulkanische activiteit. De uitgebreide metaalindustrieën uit de periode van het Eerste Keizerrijk werden bijna alle vernietigd tijdens de Afscheidingsoorlogen; met de wederopbouw van een industriële basis zijn bevredigende vorderingen gemaakt sinds New Chicago in A. D. 2940 toegelaten werd tot het Tweede Keizerrijk.

De meeste bewoners zijn gevestigd in één enkele stad, die dezelfde naam draagt als de planeet. Andere bevolkingscentra liggen ver uiteen en hebben geen van alle een bevolking van meer dan 45 000. Bij de volkstelling van 2990 werd voor de totale planeet een bevolking van 6, 7 miljoen vastgesteld. In de bergen bevinden zich kleinere plaatsen, waar ijzererts gedolven en gesmolten wordt en er zijn uitgestrekte nederzettingen waar de landbouw beoefend wordt. Op het gebied van de voedselvoorziening voorziet de planeet in haar eigen behoeften. New Chicago bezit een zich gestadig uitbreidende koopvaardijvloot en dient dank zij haar gunstige ligging als een centrum voor de interstellaire handel in de Trans-Kolenzak-Sector. Het wordt bestuurd door een gouverneur-generaal en een door de Onderkoning van de Trans-Kolenzak-Sector benoemde raad; er is een gekozen algemene vergadering en twee afgevaardigden zijn toegelaten tot het Keizerlijk Parlement.

Rod Blaine keek met een frons naar de woorden die elkaar opvolgden op het beeldscherm van zijn zakcomputer. De natuurkundig-geografische gegevens waren nog altijd actueel, maar al het overige was inmiddels achterhaald. De opstandelingen hadden zelfs de naam van hun planeet veranderd, van New Chicago in Vrouwe Vrijheid. Er zou een geheel nieuw regeringssysteem moeten komen. Hun afgevaardigden waren ze kwijt, dat stond vast; en waarschijnlijk zouden ze zelfs het recht op een gekozen algemene vergadering verliezen. Hij borg het instrument weer op en keek omlaag. Ze bevonden zich boven bergachtig terrein en hij kon geen sporen van de oorlog ontdekken. Er hadden goddank geen areaalbombardementen plaatsgevonden. Dat gebeurde anders wel eens: bijvoorbeeld wanneer een vestingstad stand hield met behulp van een op satellieten gebaseerd planetair verdedigingsstelsel. De Marine had geen tijd voor een langdurig beleg. De keizerlijke gedragslijn was opstanden de kop in te drukken met een zo gering mogelijk verlies aan mensenlevens — maar ze de kop in te drukken, hoe dan ook. Dan kon het gebeuren dat zo’n tot het uiterste weerstand biedende opstandelingenplaneet tot glinsterende lavavelden gereduceerd werd, waarin niets meer leefde, uitgezonderd hier en daar een paar door hun zwarte Langston-koepels beschermde steden; en wat dan? Er waren niet genoeg schepen om over interstellaire afstanden voedsel aan te voeren. Epidemieën en hongersnood waren dan het onvermijdelijke gevolg.

En toch, dacht hij, was het de enige manier. Toen hij keizerlijk officier werd, had hij de Eed afgelegd. De mensheid moest weer herenigd worden onder één regering, hetzij door overreding of door middel van geweld, opdat die honderden jaren van Afscheidingsoorlogen zich nooit meer zouden kunnen herhalen. Iedere keizerlijke officier had de gruwelen gezien, die die oorlogen met zich meegebracht hadden; dat was de reden waarom de academies allemaal op Aarde gevestigd waren, in plaats van op de Hoofdplaneet.

Toen ze de stad begonnen te naderen zag hij voor het eerst de sporen van de strijd. Een gordel van verschroeide aarde, een ring van verwoeste forten, gebroken betonnen rails van het transportsysteem; vervolgens de bijna ongeschonden stad, veilig binnen de volmaakte cirkel van haar Langston-krachtveld. De stad had wat lichte schade opgelopen, maar toen het krachtveld eenmaal was uitgeschakeld, was daarmee iedere vorm van doeltreffend verzet gebroken. Alleen fanatici vochten door tegen de Keizerlijke Mariniers.

Ze vlogen over de ruïne van een hoog gebouw dat verpletterd was door een neerstortende landingssloep. Iemand moest op de mariniers geschoten hebben en de piloot had niet gewild dat zijn dood vergeefs zou zijn…

Ze beschreven een boog rond de stad en verminderden vaart om te kunnen landen zonder alle ruiten op hun pad te laten sneuvelen. De gebouwen waren oud; de meeste ervan waren gebouwd met behulp van een koolwaterstof-technologie, vermoedde Rod, en hier en daar waren ze afgebroken om plaats te maken voor modernere bouwsels. Van de stad die hier in de tijd van het Eerste Keizerrijk gestaan had, was niets meer over.

Toen ze boven de ruimtehaven omlaagzakten en neerstreken op het dak van het Regeringsgebouw, zag Rod dat het niet nodig was geweest vaart te verminderen. De meeste ruiten van de stad waren al kapot. In de straten krioelde een wanordelijke menigte door elkaar en de enige voertuigen die zich daartussen bewogen waren militaire konvooien. Sommige mensen hingen doelloos rond, anderen renden win-kels in en uit. Rondom het Regeringsgebouw stonden grijs geüniformeerde Keizerlijke Mariniers op wacht achter dranghekken die onder stroom stonden. De sloep landde.

Snel werd Blaine met de lift naar beneden gebracht, naar de verdieping van de Gouverneur-Generaal. Er was in het hele gebouw geen vrouw te bekennen, hoewel het daar meestal van wemelde in keizerlijke regeringsgebouwen, en Rod miste de meisjes. Hij was een hele tijd in de ruimte geweest. Hij gaf zijn naam aan de kaarsrechte Marinier die nu achter het bureau van de receptioniste zat, en wachtte. Hij verheugde zich niet op het onderhoud dat hem te wachten stond en bracht de tijd door met nijdig naar de kale muren te kijken. Alle decoratieve schilderijen, de driedimensionale sterrenkaart met de boven de diverse provincies zwevende keizerlijke vlaggetjes, kortom al die dingen die bij het kantoor van de Gouverneur-Generaal van een planeet Eerste Klasse behoorden, waren verdwenen, lelijke plekken op de muren achterlatend.

De wacht beduidde hem dat hij het kantoor binnen kon gaan. Achter het bureau van de Gouverneur-Generaal zat admiraal Sir Vladimir Richard George Plechanov, Vice-Admiraal van de Zwarte Vloot, Ridder van St.-Michaël en St.-George. Van Zijne Excellentie de heer Haruna was geen spoor te bekennen en gedurende een ogenblik dacht Rod dat de admiraal alleen was. Maar toen zag hij kapitein Cziller, die als gezagvoerder van de MacArthur zijn onmiddellijke superieur was, bij het raam staan. Alle transparante vensterschijven waren verbrijzeld en er zaten diepe krassen in de gelambriseerde wanden. De maquettes en het meubilair waren verdwenen. Zelfs het Grote Zegel — kroon en ruimteschip, adelaar, sikkel en hamer ontbrak boven de van duralplast gemaakte schrijftafel. Rod kon zich niet herinneren ooit een van duralplast gemaakte schrijftafel in het kantoor van een gouverneur-generaal te hebben gezien. ‘Eerste luitenant Blaine meldt zich zoals bevolen, meneer.’ Afwezig groette Plechanov terug. De naar buiten kijkende Cziller keek niet om. Rod bleef stram in dc houding slaan, terwijl dc Admiraal hem aankeek zonder van gelaatsuitdrukking te veranderen. Eindelijk zei hij: ‘Goede morgen, luitenant.’

‘Goede morgen, meneer.’

‘Eigenlijk is het dat niét. Sinds da laatste keer dat ik bij het Hof van Crucis op bezoek was heb ik je niet meer gezien, geloof ik. Hoe maakt de Markies het?’

‘Uitstekend, de laatste keer dat ik thuis was, meneer.’ De Admiraal knikte en bleef Blaine met een kritische blik aankijken. Hij was nog niets veranderd, dacht Rod. Een geweldig bekwaam man, die zich tegen een neiging tot dik worden verzette door gymnastiek te doen bij hoge zwaartekracht. Wanneer er een zware strijd verwacht werd, stuurde de Marine altijd Plechanov erop af. Onbekwaamheid was iets dat hij, voor zover bekend, nog nooit een officier vergeven had en in de wapenkamer deed het gerucht de ronde dat hij de Kroonprins — de huidige Keizer — eens over een tafel in de mess had laten leggen en een pak op zijn billen had laten geven met een spatbal-bat, destijds, toen Zijne Hoogheid in opleiding was geweest als cadet aan boord van de Plataea.

‘Ik heb je rapport hier voor me liggen, Blaine. Je hebt je al vechtend een weg moeten banen naar de krachtveldgenerator van de opstandelingen. En daarbij heb je een hele compagnie Keizerlijke Mariniers verloren.’

‘Jawel, meneer.’ Het generatorstation was door fanatieke bewakingstroepen van de rebellen verdedigd en het was een verwoede strijd geweest.

‘En wat deed jij verdomme in een actie op de grond?’ wilde de Admiraal weten. ‘Cziller had je die buitgemaakte kruiser gegeven om er het schip met onze aanvalstroepen mee te escorteren. Had je soms orders met de landingsboten mee naar beneden te gaan?’

‘Nee, meneer.’

‘Je denkt zeker dat de aristocratie niet aan de discipline van de Marine onderworpen is?’

‘Natuurlijk denk ik dat niet, meneer.’

Plechanov sloeg hier geen acht op. ‘En dan is daar nog die afspraak die je met een leider van de opstandelingen hebt gemaakt. Hoe heette die ook alweer?’ Plechanov wierp een blik op de papieren die voor hem lagen. ‘Stone. Jonas Stone. Vrijwaring voor arrestatie. Teruggave van persoonlijke bezittingen. Verdomme nog aan toe, verbeeld jij je soms dat iedere marineofficier de bevoegdheid heeft afspraken te maken met onderdanen die in opstand zijn? Of heb je misschien een of andere diplomatieke opdracht waar ik niets van afweet, luitenant?’

‘Nee, meneer.’ Rod hield zijn lippen strak tegen zijn tanden geperst. Hij had het wel uit willen schreeuwen, maar hij deed het niet. Naar de hel met de gebruiken van de Marine, dacht hij. Ik heb deze oorlog toch maar gewonnen, verdomme.

‘Maar heb je er soms een verklaring voor?’ wilde de Admiraal weten.

‘Ja, meneer.’

‘Nou?’

Rod had het gevoel alsof zijn keel werd dichtgeknepen, toen hij sprak. ‘Meneer. Terwijl ik het bevel voerde over het buitgemaakte schip Defiant, ontving ik een radiobericht uit de stad van de opstandelingen. Op dat tijdstip was het Langstonveld van de stad nog intact, werd kapitein Cziller aan boord van de MacArthur volledig in beslag genomen door de strijd tegen de door satellieten bestuurde planetaire verdedigingsmiddelen en was de hoofdmacht van de vloot in een algemene strijd gewikkeld met de strijdkrachten van de opstandelingen. Het bericht was ondertekend door een leider van de opstandelingen. Deze, de heer Stone, beloofde de keizerlijke strijdkrachten in de stad binnen te zullen laten, op voorwaarde van volledige vrijwaring voor strafvervolging en teruggave van zijn persoonlijke bezittingen. Hij gaf een tijdslimiet van één uur en stond erop dat een lid van de aristocratie voor een dergelijke toezegging garant zou staan. Als zijn aanbod serieus was, dan hield dat in dat de oorlog afgelopen zou zijn als de Mariniers eenmaal in het generatorstation van de stad waren binnengedrongen. Aangezien er geen mogelijkheid bestond overleg hierover te plegen met hoger gezag, heb ik de landingstroepen zelf aangevoerd en de heer Stone mijn persoonlijk erewoord gegeven.’

Plechanov fronste de wenkbrauwen. ‘Je woord. Als Heer van Blaine, ja. Maar niet als marineofficier.’

‘Dat was de enige manier waarop hij wilde onderhandelen, admiraal.’

‘Zo.’ Plechanov dacht na. Als hij weigerde zich door Blaines woord te laten binden, zou het met Rods carrière bij de Marine, bij het gezag, kortom overal gedaan zijn. Maar aan de andere kant zou admiraal Plechanov zich moeten verantwoorden voor het Hogerhuis. ‘Waarom dacht je dat het een serieus aanbod was?’

‘Meneer, het was in keizerlijke code en mede-ondertekend door een officier van de Marine Inlichtingendienst.’

‘En dus heb je je schip eraan gewaagd —’

‘Aan de kans de oorlog te beëindigen zonder de hele planeet te vernietigen. Jawel, meneer. Misschien mag ik u er nog op wijzen dat in dat bericht van de heer Stone ook melding werd gemaakt van het gevangenenkamp in de stad, waarin ze de keizerlijke officieren en staatsburgers gevangen hielden.’

‘Zo zo.’ Plotseling maakte Plechanov een nijdig gebaar met zijn handen. ‘Goed dan. Ik moet niets van verraders hebben, zelfs niet wanneer die ons helpen. Maar ik zal de door jou gemaakte afspraak nakomen en dat betekent dat ik het feit dat jij met die landingsboten bent meegegaan, officieel zal moeten goedkeuren. Maar ik hoef dat niet prettig te vinden, Blaine, en dat doe ik ook niet. Het was een verdomd dwaze stunt.’

Maar een die resultaat had opgeleverd, dacht Rod. Hij stond nog altijd in de houding, maar hij voelde die knoop in zijn ingewanden wat losser worden.

De Admiraal maakte een knorrig geluid. ‘Je vader neemt ook altijd van die stomme risico’s. Door zijn toedoen waren we er bijna allebei geweest, destijds op Tanith. Het is een godswonder dat jouw familie lang genoeg is blijven voortbestaan om elf markiezen voort te brengen en het zal een nog groter wonder zijn als jij lang genoeg in leven blijft om de twaalfde te worden. Oké, je kunt gaan zitten.’

‘Dank u, meneer,’ zei Rod op koele, maar beleefde toon en wat stijfjes ging hij zitten.

Het gezicht van de Admiraal ontspande zich een beetje. ‘Heb ik je ooit verteld dat je vader mijn commandant was, destijds op Tanith?’ vroeg Plechanov op conversatietoon.

‘Nee, meneer. Dat heeft hij me verteld.’ Er viel nog steeds geen warmte in Rods stem te bespeuren.

‘Maar ook was hij de beste vriend die ik in de Marine ooit heb gehad, luitenant. Dank zij zijn invloed zit ik nu op deze stoel en hij was het die me vroeg jou onder mijn bevel te nemen.’

‘Ja, meneer.’ Dat wist ik al. Maar nu vraag ik me af waarom, dacht Rod.

‘Je zou me graag willen vragen wat ik dén van je verwacht had dat je zou doen, nietwaar, luitenant?’

Er ging een schok van verbazing door Rod heen. ‘Ja, meneer.’

‘Wat zou er gebeurd zijn als dat aanbod nu eens niét bonafide was geweest? Als het een valstrik was geweest?’

‘Dan zouden de rebellen mijn strijdmacht misschien vernietigd hebben.’

‘Juist.’ Plechanovs stem klonk ijzig kalm. ‘Maar jij vond het ’t risico waard, omdat je er een kans in zag de oorlog te beëindigen met slechts weinig slachtoffers aan beide kanten. Nietwaar?’

‘Ja, meneer.’

‘En als die Mariniers allemaal gesneuveld waren, wat had mijn vloot dan nog kunnen uitrichten?’ De Admiraal liet allebei zijn vuisten dreunend op het schrijfbureau neerkomen. ‘Dan had ik geen enkele keus meer gehad!’ brulde hij. ‘Iedere week dat ik deze vloot nog langer hier houd, betekent een kans voor buitenwerelders om een van onze planeten aan te vallen! Er zou geen tijd geweest zijn om een ander aanvalstransportschip te laten komen met een nieuwe lading Mariniers. Als jij je strijdmacht verspeeld had, zou ik deze planeet teruggeblazen hebben naar het stenen tijdperk, Blaine. Aristocraat of geen aristocraat, waag het niet nog óóit iemand in een dergelijke positie te brengen! Heb je me goed begrepen?’

‘Ja, meneer…’ Hij heeft gelijk, dacht Rod. Maar — Wat had je aan die Mariniers gehad, zolang het krachtveld van de stad nog intact was? Rod liet zijn schouders hangen. Hij zou iets gedaan hebben. Iets anders. Maar wat?

‘Het is goed afgelopen,’ zei Plechanov op kille toon. ‘Misschien had je gelijk. Misschien ook niet. Maar haal nóg eens zo’n stunt uit en ik zal ervoor zorgen dat je je zwaard kunt inleveren. Begrepen?’ Hij nam een computerafschrift van Rods staat van dienst van zijn schrijfbureau op. ‘Is de MacArthur klaar voor de ruimte?’

‘Pardon, meneer?’ De Admiraal had deze laatste vraag op dezelfde toon gesteld als zijn eerder geuite dreigement en Rod had er een ogenblik voor nodig om geestelijk op een andere versnelling over te schakelen. ‘Wel voor de ruimte, meneer. Maar niet voor een gevecht. En ik zou haar niet graag grote afstanden willen zien afleggen zonder een grondige reparatiebeurt.’ In dat ene, koortsachtige uurtje dat hij aan boord had doorgebracht, had Rod een grondige inspectie verricht, wat een van de redenen was waarom hij er ongeschoren uitzag. Niet op zijn gemak zat hij op zijn stoel en er gingen allerlei gedachten door zijn hoofd. De gezagvoerder van de MacArthur stond bij het raam, kennelijk luisterend naar alles wat er gezegd werd, maar hij had niet één keer zijn mond opengedaan. Waarom vroeg de Admiraal het hém niet?

Terwijl Blaine zich dit alles zat af te vragen, kwam Plechanov tot een besluit. ‘Nou? Bruno, jij bent commodore van dit eskader. Laat horen wat je adviseert.’

Bruno Cziller keerde zich van het venster af. Rod schrok op: Cziller droeg niet langer dat kleine zilveren evenbeeld van de MacArthur, dat aangaf dat hij haar gezagvoerder was. In plaats daarvan blonken nu de komeet en de stralende zon van de Marinestaf op zijn borst en had Cziller de brede strepen van een admiraal-titulair op zijn mouw. ‘Hoe maakt u het, luitenant?’ vroeg Cziller formeel. Toen grijnsde hij. Die scheve grijns was overal op de MacArthur beroemd. ‘U ziet er goed uit. Van de rechterkant bezien, tenminste. Nou, u bent een uur aan boord geweest. Wat is de schade, die u hebt kunnen vaststellen?’ Ietwat verward bracht Rod verslag uit over de toestand waarin hij de MacArthur had aangetroffen en over de reparaties die hij had bevolen.

Cziller knikte en stelde een aantal vragen. Ten slotte zei hij: ‘En u bent tot dc conclusie gekomen dat ze klaar is voor de ruimte, maar niet voor oorlogshandelingen, als ik het wel heb?’

‘Ja, meneer. Niet tegen een kapitaal schip tenminste.’

‘Dat is ook zo. Admiraal, ik stel het volgende voor. Luitenant Blaine is aan promotie toe en we kunnen hem het bevel over de MacArthur geven met de opdracht haar naar Nieuw-Schotland te brengen voor een grondige reparatiebeurt en vervolgens naar de Hoofdplaneet. Dan kan hij meteen de nicht van senator Fowler meenemen.’

Hem het bevel over de MacArthur geven? dacht Rod verbaasd; het drong maar vaag tot hem door. Hij durfde het bijna niet geloven, maar dit was zijn kans om Plechanov en alle anderen te tonen wat hij waard was.

‘Hij is nog jong. Ze zouden hem dat schip nooit als eerste eigen commando laten houden,’ zei Plechanov. ‘Maar toch is dit waarschijnlijk de beste oplossing. Door via Nieuw-Caledonië naar Sparta te gaan, kan hij niet al te veel problemen veroorzaken. Goed, je krijgt haar, kapitein.’ Toen Rod nog steeds niets zei, blafte Plechanov hem toe: ‘Hé daar. Blaine. Je bent hierbij gepromoveerd tot kapitein en gezagvoerder van de MacArthur. Over een halfuur heeft mijn schrijver je orders klaar.’

Cziller trok weer die scheve grijns. ‘Zeg toch eens wat,’ opperde hij. ‘Dank u wel, meneer. Ik — ik dacht dat ik u niet beviel.’

‘Daar ben ik zelf ook niet zeker van,’ zei Plechanov. ‘Als ik het voor het kiezen had, zou je iemands adjudant zijn. Er steekt waarschijnlijk ’n goeie markies in je, maar voor de Marine bezit je niet het juiste temperament. Niet dat het veel uitmaakt, want in de Marine ligt immers toch niet je carrière.’

‘Nu niet meer, meneer,’ zei Rod voorzichtig.

Inwendig deed het hem nog steeds pijn. Zijn broer, die grote George die al zware halters kon optillen toen hij twaalf was en al de lichaamsbouw van een atleet had toen hij nog geen zestien was zijn broer George was gesneuveld in een ruimteslag ergens aan de andere kant van het Keizerrijk. Telkens wanneer Rod plannen maakte voor zijn toekomst of weemoedig aan thuis dacht, kwamen de herinneringen weer bij hem op en ze deden hem pijn, alsof iemand met een speld in zijn ziel had geprikt. George dood?

George had de landgoederen en de adellijke titels zullen erven. En Rod had niets meer verlangd dan een carrière bij de Marine en de kans om het nog eens tot grootadmiraal te brengen. En nu zou hij over nog geen tien jaar zitting moeten nemen in het Parlement. ‘U krijgt twee passagiers mee,’ zei Cziller. ‘Een daarvan hebt u al ontmoet. U kent Vrouwe Sandra Bright Fowler toch, nietwaar? Senator Fowlers nicht.’

‘Jawel, meneer. Haar oom dineert vaak bij ons thuis aan het Hof van Crucis, maar haar had ik in geen jaren gezien… totdat ik haar hier in het gevangenenkamp aantrof. Hoe maakt ze het nu?’

‘Niet al te best,’ zei Cziller. De grijns verdween van zijn gezicht. ‘We sturen haar naar huis en ik hoef u niet te vertellen, dat u haar met de nodige voorzichtigheid dient te behandelen. Ze blijft bij u aan boord tot Nieuw-Schotland, of anders helemaal tot aan Sparta, als ze dat mocht wensen. Dat moet ze zelf maar zien. Maar met uw andere passagier ligt de zaak heel anders.’

Rod keek op, een en al aandacht. Cziller keek naar Plechanov die hem toeknikte, en vervolgde toen: ‘Het is Zijne Excellentie, de Handelsman Horace Hussein Bury, tevens Magnaat en President van de Keizerlijke Autonetische Industrieën, en verder speelt hij ook nog een of andere belangrijke rol in het Keizerlijk Genootschap van Handelslieden. Hij blijft de hele reis bij u, tot aan Sparta toe, en daarmee bedoel ik letterlijk dat hij ook werkelijk aan boord van uw schip blijft, begrijpt u?’

‘Nee, niet helemaal, meneer,’ antwoordde Rod.

Plechanov snoof. ‘Cziller heeft zich anders duidelijk genoeg uitgedrukt. We denken dat Bury de hand in deze opstand heeft gehad, maar we hebben niet voldoende bewijzen om hem in preventieve hechtenis te kunnen nemen. Hij zou daartegen in hoger beroep gaan bij de Keizer. En dus hebben we gedacht, goed, dan sturen we hem maar naar Sparta als gast van de Marine. Dan kan hij daar in hoger beroep gaan. Maar met wie kan ik hem veilig meesturen, Blaine? Hij bezit miljoenen. Nog méér zelfs. Hoeveel mannen zouden zich niet laten omkopen als hun een hele planeet werd aangeboden? En Bury is tot zo’n aanbod in staat.’

‘Ik — jawel, meneer,’ zei Rod.

‘En kijk niet zo onthutst, verdomme,’ blafte Plechanov. ‘Ik heb niemand van mijn officieren van corruptie beticht. Maar het is een feit dat jij nog rijker bent dan Bury. Jou zou hij zelfs niet in de verleiding kunnen brengen. En dat is de voornaamste reden waarom ik jou het commando over de MacArthur geef, opdat ik me geen zorgen zal hoeven maken over onze rijke vriend.’

‘Ik begrijp het. Niettemin wel bedankt, meneer.’ En reken maar dat ik u tonen zal dat u zich niet in mij vergist hebt, dacht hij. Plechanov knikte, alsof hij Blaines gedachten kon lezen. ‘Misschien dat er toch een goede marineofficier in je steekt. Hier is je kans. Ik heb Cziller hier nodig om me te helpen deze planeet te besturen. De opstandelingen hebben de Gouverneur-Generaal vermoord.’

‘Meneer Haruna, vermoord?’ Rod stond versteld. Hij kon zich die gerimpelde oude heer nog goed herinneren, die al meer dan honderd jaar oud was geweest toen hij bij Rod thuis op bezoek kwam — ‘Hij is een oude vriend van mijn vader.’

‘Hij is niet de enige die ze vermoord hebben. Ze hadden de hoofden op pieken gespietst en voor het Regeringsgebouw in de grond gestoken. Iemand was op het idee gekomen dat het volk dan langer zou blijven doorvechten. Dat ze dan bang zouden zijn om zich aan ons over te geven. Nou, ze hebben er nu alle reden voor om bang te zijn. Om op jouw overeenkomst met die Stone terug te komen, waren er nog andere voorwaarden?’

‘Jawel, meneer. De afspraak gaat niet door als hij mocht weigeren onze Inlichtingendienst zijn medewerking te verlenen. Ik heb hem ertoe verplicht alle samenzweerders met name te noemen.’

Plechanov wierp Cziller een veelbetekenende blik toe. ‘Zet je mensen aan het werk, Bruno. Dat is tenminste een goed begin. Oké, Blaine, zie dat je zo snel mogelijk je schip in orde krijgt en maak dan dat je weg komt.’ De Admiraal stond op; het onderhoud was afgelopen. ‘Je zultt wel een hoop te doen hebben, kapitein. Aan de slag dus maar.’

2. De passagiers

Horace Hussein Chamoen al Shamlan Bury wees de laatste paar artikelen aan die hij op reis mee wilde nemen en daarna stuurde hij de bedienden weg. Hij wist dat ze even buiten de deur van zijn suite zouden gaan zitten wachten, klaar om de rijkdommen die hij achterliet onder elkaar te verdelen, maar het amuseerde hem hen te laten wachten. De opwinding van het stelen zou hen des te gelukkiger maken. Toen het vertrek leeg was, schonk hij zichzelf een groot glas wijn in. Het was spul van slechte kwaliteit, dat binnengesmokkeld was nadat de blokkade was begonnen, maar hij merkte het nauwelijks. Wijn was officieel verboden op de planeet Levant, wat betekende dat de horden wijnverkopers hun klanten en zelfs rijke klanten, zoals de familie Bury, alles aansmeerden wat maar een beetje alcohol bevatte. Horace Bury had eigenlijk nooit echt de smaak te pakken gekregen van dure sterke dranken. Hij kocht ze alleen maar om te laten zien hoe rijk hij was en om zijn gasten te onthalen, maar zelf nam hij overal genoegen mee. Met koffiesoorten lag de zaak echter heel anders. Hij was klein van postuur, evenals de meeste mensen van Levant, met donkere, scherpe gelaatstrekken en een haviksneus, donkere, doorborende ogen, snelle bewegingen en een opvliegend temperament, maar dat laatste vermoedde alleen zijn naaste omgeving. Nu hij alleen was, stond hij zichzelf een nijdige frons toe. Op zijn schrijfbureau lag een telex van admiraal Plechanovs schrijvers en het kostte hem geen moeite de werkelijke betekenis te begrijpen van die formeel beleefde zinnen, waarin hij uitgenodigd werd New Chicago te verlaten en waarin het. betreurd werd dat er geen passage beschikbaar was in een niet-militair ruimteschip. De Marine koesterde verdenkingen tegen hem en ondanks de wijn voelde hij een kille woede in zich opkomen, die hem de baas dreigde te worden. Maar uiterlijk bleef hij kalm, terwijl hij daar aan zijn schrijfbureau zat en verschillende zaken op zijn vingers aftelde.

Wat kon de Marine tegen hem aanvoeren? Daar waren de verdenkingen van de Marine Inlichtingendienst, maar bewijzen hadden ze niet. Verder was daar de gebruikelijke haat die de Marine tegen Keizerlijke Handelslieden koesterde en die nog verergerd werd, dacht hij, door het feit dat sommige leden van de Marinestaf joden waren, en alle joden haatten Levantijnen nu eenmaal. Maar de Marine kon onmogelijk over werkelijk bewijsmateriaal beschikken, want dan zouden ze hem niet als gast aan boord van de MacArthur laten gaan. Nee, eerder geketend. Dat betekende dat Jonas Stone tot dusverre gezwegen had.

Zwijgen mocht hij dan ook wel. Bury had hem honderdduizend kronen betaald, met de belofte dat hij nog meer zou krijgen. Maar hij had geen vertrouwen in Stone: twee avonden geleden had Bury met zekere lieden gesproken in het lager liggende gedeelte van de Kosciuskostraat en hun vijftigduizend kronen betaald, en het zou nu niet lang meer duren of Stone zou voor eeuwig zwijgen. Als hij in zijn graf lag, mocht hij geheimen fluisteren zoveel hij wilde.

Was er nog iets anders dat gedaan moest worden? vroeg hij zich af. Nee. Wat komen moest, moest komen. Allah zij geprezen… Hij trok een lelijk gezicht. Dat soort gedachten kwam als vanzelf bij hem op, en hij verachtte zichzelf erom en schold zichzelf uit voor bijgelovige dwaas. Zijn vader moest Allah maar loven voor de dingen die hij bereikt had; het geluk viel slechts die man ten deel, die niets aan het toeval overliet; precies zoals er maar weinig dingen waren die hijzelf ongedaan gelaten had in zijn negentig standaardjaren. Levant was onder het bewind van het Keizerrijk gekomen toen Horace tien jaar oud was en in het begin had het slechts geringe invloed uitgeoefend. In die tijd had het Keizerrijk een andere politiek gevoerd en de planeet was erin opgenomen met een status die bijna gelijk was aan die van werelden, wier ontwikkeling verder gevorderd was. Horace Bury’s vader had al spoedig beseft dat het voordelen kon opleveren tot het Keizerrijk te behoren. Door een van diegenen te worden die zich door de Keizerlijken lieten gebruiken om de planeet te besturen, had hij onmetelijke rijkdommen weten te vergaren: voor geld had hij de mensen audiënties bij de gouverneur bezorgd en met gunstige rechterlijke uitspraken geleurd als een marktkoopman, maar steeds op een voorzichtige manier, steeds ervoor zorgend dat het anderen waren, die zich de toorn van de onverbiddelijke Keizerlijke functionarissen op de hals haalden.

Zijn vader had zijn geld zorgvuldig belegd en hij had zijn invloed aangewend om Horace Hussein op Sparta school te laten gaan. Hij had hem zelfs de naam gegeven die een officier van de Keizerlijke Marine hem aan de hand had gedaan; pas later waren ze erachter gekomen dat Horace bepaald geen naam was die in het Keizerrijk veel voorkwam en dat het een naam was die de lachlust opwekte. Bury verdronk de herinnering aan die jeugdjaren die hij in de scholen op de Hoofdplaneet doorgebracht had in een tweede glas wijn. Maar hij had het een en ander geleerd! En nu had hij niet alleen zijn vaders geld goed belegd, maar ook dat van hemzelf. Horace Bury was niet iemand om de draak mee te steken. Het had hem dertig jaar gekost, maar uiteindelijk hadden zijn agenten de officier weten te vinden aan wie hij zijn naam te danken had. De stereogrammen van zijn doodsstrijd lagen zorgvuldig opgeborgen in Bury’s huis op Levant. Hij had het laatst gelachen.

En nu kon hij mannen die om hem lachten kopen en verkopen, precies zoals hij ook stemmen in het Parlement kocht, en ruimteschepen, en er bijna in geslaagd was deze planeet New Chicago te kopen. En bij de Profeet — hè, verdomme! — bij de verdoemenis, hij zou haar nóg in zijn bezit weten te krijgen. De macht over New Chicago zou zijn familie invloed verschaffen hier, in het gebied achter de Kolenzak, hier waar het Keizerrijk nog zwak was en waar ze iedere maand nieuwe planeten ontdekten. Hier waren je mogelijkheden onbegrensd! Zijn mijmeringen hadden hem wat over zijn woede heen geholpen. Nu riep hij zijn agenten bij zich, de man die hier over zijn belangen zou waken en Nabil, die als zijn bediende met hem mee zou gaan op het oorlogsschip. Nabil was een klein mannetje, veel kleiner dan Horace. Hij was jonger dan hij leek, had een gezicht als een fret, dat gemakkelijk op allerlei manieren te vermommen was en bezat een vaardigheid met dolk en vergif, die hij zich op tien verschillende planeten had eigen gemaakt. Horace Hussein Bury glimlachte. De Keizerlijken wilden hem dus gevangen houden aan boord van hun oorlogsschepen? Zolang er geen schepen in de buurt waren die naar Levant gingen, mochten ze dat rustig doen. Maar als ze een drukbezochte ruimtehaven aandeden, zouden ze wel eens tot de ontdekking kunnen komen dat dat moeilijker was dan ze gedacht hadden.

Drie dagen lang werkte Rod hard om de MacArthur weer op orde te krijgen. Lekkende tanks, doorgebrande componenten, alles moest vervangen worden. Er waren maar weinig reserveonderdelen en de bemanning van de MacArthur bracht vele uren in de ruimte door met het slopen van onderdelen uit de wrakken van de Unie-vloot, die in een baan rond New Chicago zweefden.

Geleidelijk aan werd de MacArthur weer gevechtsklaar gemaakt. Blaine werd daarbij geholpen door Eerste luitenant Jack Cargill, die nu zijn plaats als Eerste Officier ingenomen had, en Eerste Luitenant Jock Sinclair, de Hoofdmachinist. Als zovele werktuigkundige officieren was ook Sinclair afkomstig van Nieuw-Schotland. Overal in de ruimte waar je Schotten tegenkwam, kon je ze met dat zelfde zware accent horen spreken, dat ze trots en als een soort onderscheidingsteken gehandhaafd hadden gedurende de Afscheidingsoorlogen, zelfs op planeten waar het Keltisch een vergeten taal was. Heimelijk verdacht Rod de Schotten ervan dat ze zich in hun spraakje oefenden gedurende de uren waarin ze geen dienst hadden, om ervoor te zorgen dat de rest van de mensheid ze niet zou kunnen verstaan. Nieuwe platen werden aan de romp gelast, en reusachtige lappen pantserplaat werden van oorlogsschepen van de Unie afgesloopt en met veel zwoegen en zweten aangebracht. Sinclair verrichtte wonderen met het aanpassen van op Nieuw-Chicago gevonden uitrustingsstukken en toebehoren voor gebruik in de MacArthur, totdat hij uiteindelijk een ratjetoe van componenten en vervangingsonderdelen in elkaar geknutseld had dat weinig overeenkomst meer vertoonde met de originele blauwdrukken van het schip. De officieren die de brug bemanden, werkten er nachtenlang aan om te trachten de diverse veranderingen aan de centrale computer van het schip uit te leggen en te beschrijven. Cargill en Sinclair raakten bijna slaags over sommige van deze aanpassingen, waarbij Sinclair het standpunt innam dat de hoofdzaak was het schip klaar te maken voor de ruimte, terwijl de eerste officier volhield dat het hem onmogelijk zou zijn, tijdens een eventueel gevecht eerder geketend. Dat betekende dat Jonas Stone tot dusverre gezwegen had.

Zwijgen mocht hij dan ook wel. Bury had hem honderdduizend kronen betaald, met de belofte dat hij nog meer zou krijgen. Maar hij had geen vertrouwen in Stone: twee avonden geleden had Bury met zekere lieden gesproken in het lager liggende gedeelte van de Kosciuskostraat en hun vijftigduizend kronen betaald, en het zou nu niet lang meer duren of Stone zou voor eeuwig zwijgen. Als hij in zijn graf lag, mocht hij geheimen fluisteren zoveel hij wilde.

Was er nog iets anders dat gedaan moest worden? vroeg hij zich af. Nee. Wat komen moest, moest komen. Allah zij geprezen… Hij trok een lelijk gezicht. Dat soort gedachten kwam als vanzelf bij hem op, en hij verachtte zichzelf erom en schold zichzelf uit voor bijgelovige dwaas. Zijn vader moest Allah maar loven voor de dingen die hij bereikt had; het geluk viel slechts die man ten deel, die niets aan het toeval overliet; precies zoals er maar weinig dingen waren die hijzelf ongedaan gelaten had in zijn negentig standaardjaren. Levant was onder het bewind van het Keizerrijk gekomen toen Horace tien jaar oud was en in het begin had het slechts geringe invloed uitgeoefend. In die tijd had het Keizerrijk een andere politiek gevoerd en de planeet was erin opgenomen met een status die bijna gelijk was aan die van werelden, wier ontwikkeling verder gevorderd was. Horace Bury’s vader had al spoedig beseft dat het voordelen kon opleveren tot het Keizerrijk te behoren. Door een van diegenen te worden die zich door de Keizerlijken lieten gebruiken om de planeet te besturen, had hij onmetelijke rijkdommen weten te vergaren: voor geld had hij de mensen audiënties bij de gouverneur bezorgd en met gunstige rechterlijke uitspraken geleurd als een marktkoopman, maar steeds op een voorzichtige manier, steeds ervoor zorgend dat het anderen waren, die zich de toorn van de onverbiddelijke Keizerlijke functionarissen op de hals haalden.

Zijn vader had zijn geld zorgvuldig belegd en hij had zijn invloed aangewend om Horace Hussein op Sparta school te laten gaan. Hij had hem zelfs de naam gegeven die een officier van de Keizerlijke Marine hem aan de hand had gedaan; pas later waren ze erachter gekomen dat Horace bepaald geen naam was die in het Keizerrijk veel voorkwam en dat het een naam was die de lachlust opwekte. Bury verdronk de herinnering aan die jeugdjaren die hij in de scholen op de Hoofdplaneet doorgebracht had in een tweede glas wijn. Maar hij had het een en ander geleerd! En nu had hij niet alleen zijn vaders geld goed belegd, maar ook dat van hemzelf. Horace Bury was niet iemand om de draak mee te steken. Het had hem dertig jaar gekost, maar uiteindelijk hadden zijn agenten de officier weten te vinden aan wie hij zijn naam te danken had. De stereogrammen van zijn doodsstrijd lagen zorgvuldig opgeborgen in Bury’s huis op Levant. Hij had het laatst gelachen.

En nu kon hij mannen die om hem lachten kopen en verkopen, precies zoals hij ook stemmen in het Parlement kocht, en ruimteschepen, en er bijna in geslaagd was deze planeet New Chicago te kopen. En bij de Profeet — hè, verdomme! — bij de verdoemenis, hij zou haar nóg in zijn bezit weten te krijgen. De macht over New Chicago zou zijn familie invloed verschaffen hier, in het gebied achter de Kolenzak, hier waar het Keizerrijk nog zwak was en waar ze iedere maand nieuwe planeten ontdekten. Hier waren je mogelijkheden onbegrensd! Zijn mijmeringen hadden hem wat over zijn woede heen geholpen. Nu riep hij zijn agenten bij zich, de man die hier over zijn belangen zou waken en Nabil, die als zijn bediende met hem mee zou gaan op het oorlogsschip. Nabil was een klein mannetje, veel kleiner dan Horace. Hij was jonger dan hij leek, had een gezicht als een fret, dat gemakkelijk op allerlei manieren te vermommen was en bezat een vaardigheid met dolk en vergif, die hij zich op tien verschillende planeten had eigen gemaakt. Horace Hussein Bury glimlachte. De Keizerlijken wilden hem dus gevangen houden aan boord van hun oorlogsschepen? Zolang er geen schepen in de buurt waren die naar Levant gingen, mochten ze dat rustig doen. Maar als ze een drukbezochte ruimtehaven aandeden, zouden ze wel eens tot de ontdekking kunnen komen dat dat moeilijker was dan ze gedacht hadden.

Drie dagen lang werkte Rod hard om de MacArthur weer op orde te krijgen. Lekkende tanks, doorgebrande componenten, alles moest vervangen worden. Er waren maar weinig reserveonderdelen en de bemanning van de MacArthur bracht vele uren in de ruimte door met het slopen van onderdelen uit de wrakken van de Unie-vloot, die in een baan rond New Chicago zweelden.

Geleidelijk aan werd de MacArthur weer gevechtsklaar gemaakt. Blaine werd daarbij geholpen door Eerste luitenant Jack Cargill, die nu zijn plaats als Eerste Officier ingenomen had, en Eerste luitenant Jock Sinclair, de Hoofdmachinist. Als zovele werktuigkundige officieren was ook Sinclair afkomstig van Nieuw-Schotland. Overal in de ruimte waar je Schotten tegenkwam, kon je ze met dat zelfde zware accent horen spreken, dat ze trots en als een soort onderscheidingsteken gehandhaafd hadden gedurende de Afscheidingsoorlogen, zelfs op planeten waar het Keltisch een vergeten taal was. Heimelijk verdacht Rod de Schotten ervan dat ze zich in hun spraakje oefenden gedurende de uren waarin ze geen dienst hadden, om ervoor te zorgen dat de rest van de mensheid ze niet zou kunnen verstaan. Nieuwe platen werden aan de romp gelast, en reusachtige lappen pantserplaat werden van oorlogsschepen van de Unie afgesloopt en met veel zwoegen en zweten aangebracht. Sinclair verrichtte wonderen met het aanpassen van op Nieuw-Chicago gevonden uitrustingsstukken en toebehoren voor gebruik in de MacArthur, totdat hij uiteindelijk een ratjetoe van componenten en vervangingsonderdelen in elkaar geknutseld had dat weinig overeenkomst meer vertoonde met de originele blauwdrukken van het schip. De officieren die de brug bemanden, werkten er nachtenlang aan om te trachten de diverse veranderingen aan de centrale computer van het schip uit te leggen en te beschrijven. Cargill en Sinclair raakten bijna slaags over sommige van deze aanpassingen, waarbij Sinclair het standpunt innam dat de hoofdzaak was het schip klaar te maken voor de ruimte, terwijl de eerste officier volhield dat het hem onmogelijk zou zijn, tijdens een eventueel gevecht reparaties te doen uitvoeren, aangezien zelfs God zelf niet wist wat er allemaal aan het schip gedaan was.

‘Zulke godslasterlijke taal wens ik niet an te hoorr’n,’ hoorde Rod Sinclair zeggen toen hij binnen gehoorbereik kwam. ‘En is ’t trrouwens nie genoeg dat ik weet wat we an d’rr gedaan hebben?’

‘Nee, tenzij je soms ook voor kok wilt spelen, maniak van een ketellapper die je bent! De kok van de officierskantine kon vanochtend de koffiepot niet gebruiken! Een van jouw werktuigkundigen heeft het microgolf-verwarmingsapparaat ingepikt. En bij God, je zult het terugbrengen, ook…’

‘Jazékerr, we zullen ’t weerr losrrukken uit tank nummerr drrie, zo-drra ge onderrdelen voorr me weet te vinden voorr die pomp die ik d’rrmee Verrvangen heb. Kunt ge nie eens ’n blij gezicht zetten, man? ’t Schip is weerr gevechtsklaarr. Of is koffie soms ’n zaak die van veel méérr belang is?’

Cargill haalde diep adem en begon toen nog eens opnieuw. ‘Het schip is gevechtsklaar, ja,’ zei hij op een toon alsof hij tegen een zuigeling praatte, ‘totdat iemand er een gat in schiet. Dan zal het gerepareerd moeten worden. Stel je nou eens voor, dat ik bijvoorbeeld dit zou moeten repareren,’ zei hij, zijn hand leggend op iets waarvan Rod bijna zeker was dat het een luchtaanzuigerconverter was. ‘Dit verdomde ding ziet er zó al half gesmolten uit. Hoe zou ik moeten weten wat eraan beschadigd was? Of dat het überhaupt beschadigd was? Stel je eens voor …’

‘Man, ge zoudt minderr prroblemen hebben als ge u nie bemoeide met…’

‘Wil je daar nou eens mee ophouden? Telkens wanneer je je opwindt, praat je net als al die anderen!’

Dat is niet waar, verdomme!’

Maar op dat moment leek het Rod beter in hun gezichtsveld te stappen. Hij stuurde de Hoofdmachinist terug naar zijn eigen deel van het schip en Cargill naar het voorschip. Hun verschil van mening zou pas bijgelegd kunnen worden wanneer de MacArthur grondig hersteld zou kunnen worden op de werven van Nieuw-Schotland. Op bevel van de luitenant-chirurg bracht Blaine een nacht in de ziekenboeg door. Toen hij eruit kwam zat zijn arm in een reusachtig, op een kussen lijkend gipsverband, zodat hij hem niet bewegen kon. Gedurende de volgende paar dagen voelde hij zich onbehaaglijk en was hij overdreven op zijn hoede, maar niemand waagde het er binnen zijn gehoorbereik hardop om te lachen.

Op de derde dag nadat hij het bevel overgenomen had, hield Blaine scheepsinspectie. Al het werk werd stopgezet en het schip werd weer in rotatie gebracht, zodat de kunstmatige zwaartekracht terugkeerde. Vervolgens inspecteerden Blaine en Cargill samen het hele schip. Rod kwam in de verleiding gebruik te maken van zijn recente ervaringen als Eerste Officier van de MacArthur. Hij kende alle plekjes waar een luie eerste officier het met het werk niet zo nauw genomen zou kunnen hebben. Maar het was zijn eerste inspectie, de gevechtsschade die het schip opgelopen had was nog maar ternauwernood gerepareerd, en Cargill was een te goede officier om iets door de vingers te zien wat hij maar mogelijkerwijze zou hebben kunnen verbeteren. Blaine deed op zijn gemak de ronde en controleerde de belangrijkste installaties, maar voor het overige liet hij zich door Cargill leiden. Maar terwijl hij dat deed nam hij zich in gedachten voor hier geen gewoonte van te maken. Zodra hij meer tijd had, zou hij het hele schip nog eens onderzoeken, en niets over het hoofd zien.

De ruimtehaven van Nieuw-Chicago werd door een voltallige compagnie Mariniers bewaakt. Sinds de verovering van de generator van het Langston-krachtveld van de stad waren verdere vijandelijkheden achterwege gebleven. Het grootste deel van de bevolking scheen de Keizerlijke strijdkrachten zelfs te verwelkomen met een uitgeputte opluchting, die overtuigender aandeed dan parades en gejuich. Maar de opstand op Nieuw-Chicago was een volslagen verrassing voor het Keizerrijk geweest; een herleving ervan zou beslist geen verrassing zijn. En dus patrouilleerden er Mariniers op de ruimtehaven en bewaakten ze de keizerlijke landingssloepen en Sally Fowler voelde hun ogen op zich gericht, toen ze met haar bedienden door het hete zonlicht naar een bootvormig ruimtevaartuig liep. Ze trok er zich niets van aan. Ze was de nicht van senator Fowler; ze was er wel aan gewend aangegaapt te worden.

Lekker stuk, dacht een van de bewakers. Maar een gezicht zonder uitdrukking. Je zou denken dat ze blij zou zijn uit dat stinkende gevangenenkamp bevrijd te zijn, maar het valt niet aan haar te zien. het zweet drupte gestadig langs zijn ribben, en hij dacht, Ze zweet niet eens. Die is uit ijs gehakt door de beste beeldhouwer die ooit geleefd heeft. Het was een grote sloep en hij was voor twee derde leeg. Sally’s ogen namen twee kleine, donkere mannen in zich op Bury en zijn bediende, en er viel niet aan te twijfelen, wie wie was — en vier jongere mannen, wier gelaatsuitdrukkingen angst, verwachting en ontzag verrieden. Ze droegen het stempel van het achterland van Nieuw-Chicago. Nieuwe rekruten, vermoedde ze.

Ze nam een van de laatste zitplaatsen achterin. Ze was niet in een stemming om gesprekken te voeren. Adam en Annie keken bezorgd naar haar en namen toen zitplaatsen aan de andere kant van het gangpad in. Ze waren op de hoogte. ‘Ik ben blij dat we hier weggaan,’ zei Annie. Sally gaf geen antwoord. Ze voelde in het geheel niets. Zo was ze nu al sinds de Mariniers het gevangenenkamp waren komen binnenstormen. Ze hadden haar goed voedsel gegeven, en een warm bad, en schone kleren, en iedereen had haar eerbiedig behandeld… maar niets van dat alles was tot haar doorgedrongen. Ze had niets gevoeld. Die maanden in het gevangenenkamp hadden iets in haar stukgemaakt. Misschien wel voorgoed, dacht ze. Het gaf haar een vaag bezorgd gevoel.

Toen Sally Fowler de Keizerlijke Universiteit van Sparta had verlaten na haar doctoraal examen gedaan te hebben, had ze haar oom weten over te halen haar toestemming te geven om in plaats van verder te studeren voor haar doctorstitel, reizen door het Keizerrijk te maken en rond te kijken in onlangs veroverde nieuwe provincies en primitieve beschavingen uit de eerste hand te bestuderen. Ze wilde zelfs een boek gaan schrijven.

‘Per slot van rekening,’ had ze volgehouden, ‘wat valt er hier voor mij te leren? Het is daarginds, aan gene zijde van de Kolenzak, dat men mij nodig heeft.’

In gedachten zag ze haar triomfantelijke terugkeer, en de publikaties en geleerde artikelen die ze schrijven zou, waarmee ze zich een plaats in haar beroep zou veroveren, in plaats van passief te gaan zitten afwachten totdat ze uitgehuwelijkt zou worden aan de een of andere jonge aristocraat. Sally was wel degelijk van plan te trouwen, maar niet voordat ze op iets méér bogen kon dan haar erfdeel alleen. Ze wilde zelf iets presteren en het rijk ook nog op andere manieren dienen dan het alleen maar zoons te baren om te laten sneuvelen in oorlogsschepen.

Tot haar verbazing had haar oom toegestemd. Als Sally wat meer van mensen afgeweten had dan alleen maar de kennis van psychologie die ze op de universiteit had opgedaan, zou ze misschien beseft hebben waarom. Benjamin Bright Fowler, haar vaders jongere broer, had niets geërfd en hij had zich zijn plaats als leider van de Senaat weten te veroveren door louter durf en bekwaamheid. Aangezien hijzelf geen kinderen had, beschouwde hij het na diens dood alleen achtergebleven enig kind van zijn broer als zijn eigen dochter, en hij had al genoeg jonge meisjes meegemaakt, wier enige waarde uit hun bloedverwanten en hun geld bestond. Sally en een medestudente waren van Sparta vertrokken, vergezeld door Sally’s bedienden Adam en Annie, op weg naar de buitengewesten en om die primitieve menselijke beschavingen die de Marine voortdurend overal aantrof, te bestuderen. Sommige planeten waren gedurende driehonderd jaar of zelfs nog wel langer niet door ruimteschepen bezocht en door de oorlogen waren de bevolkingen ervan dermate gereduceerd dat ze weer tot barbaarsheid vervallen waren.

Ze waren onderweg naar een primitieve planeet, met een kort oponthoud in Nieuw-Chicago om daar op een ander schip over te stappen, toen de revolutie uitgebroken was. Sally’s vriendin Dorothy was die dag buiten de stad geweest en ze werd nooit meer teruggevonden. De Gardesoldaten van het Comité voor Publieke Veiligheid van de Unie hadden Sally uit haar hotelsuite gesleurd, haar beroofd van haar kostbaarheden en in het kamp gegooid.

De eerste dagen had er orde geheerst in het kamp. De zich daar bevindende leden van de Keizerlijke adel, regeringsfunctionarissen en voormalige soldaten van de Keizerlijke strijdkrachten hadden het kamp veiliger gemaakt dan de straten van Nieuw-Chicago. Maar dagelijks waren er aristocraten en regeringsambtenaren uit het kamp weggehaald die nooit meer werden teruggezien, terwijl men doodgewone misdadigers aan het mengsel toegevoegd had. Adam en Annie hadden haar op de een of andere manier weten terug te vinden, en de andere bewoners van haar tent waren allemaal keizerlijke staatsburgers geweest, en geen misdadigers. En zo had ze eerst dagen, toen weken, en ten slotte maanden van gevangenschap overleefd onder de eindeloze zwarte nacht van het Langston-krachtveld van de stad. In het begin was het een avontuur, beangstigend en onaangenaam, maar erger niet. Toen had men de rantsoenen ingekrompen en vervolgens nog meer, en begonnen de gevangenen te verhongeren. Tegen het eind waren de laatste sporen van orde verdwenen. Aan sanitaire voorschriften werd niet langer de hand gehouden. Uitgemergelde lijken bleven dagenlang bij het hek opgestapeld liggen voordat de opruimings-ploegen ze kwamen weghalen.

Het was een eindeloze nachtmerrie geworden. Men had haar naam aangeplakt op het bord bij de ingang: ze moest voor het Comité voor Publieke Veiligheid verschijnen. De andere geïnterneerden in het kamp hadden gezworen dat Sally Fowler dood was en aangezien de bewakers slechts zelden binnen de omrastering kwamen, was het lot dat andere leden van regerende families achterhaald had, wat dat dan ook zijn mocht, haar bespaard gebleven.

Naarmate de toestand erger werd, had Sally een nieuwe innerlijke kracht weten te vinden. Ze probeerde een goed voorbeeld te zijn voor de anderen in haar tent. Ze beschouwden haar als hun leider, waarbij Adam de rol van haar eerste minister speelde. Wanneer zij huilde, was iederéén bang. En dus kon Sally, terwijl ze slechts tweeëntwintig standaardjaren oud was, en haar donkere haren tot een verwarde ragebol, haar kleren smerig en gescheurd en haar handen ruw en vuil geworden waren, het zich niet eens permitteren zich in een hoek op de grond te laten vallen en haar tranen de vrije loop te laten. Er zat niets anders op dan de nachtmerrie te verdragen.

In die nachtmerrie waren geruchten doorgedrongen over keizerlijke slagschepen die boven die zwarte koepel aan de hemel verschenen waren — en geruchten dat de gevangenen allemaal afgemaakt zouden worden voordat die schepen door de verdedigingslinie heen zouden kunnen breken. Ze had geglimlacht en voorgewend niet te geloven dat zo iets gebeuren kon. Voorgewend? Een nachtmerrie was immers geen werkelijkheid.

En toen waren de Mariniers binnengevallen, aangevoerd door een grote, met bloed bespatte kerel met de manieren van het Hof, en een arm in een draagverband. En daarmee was de nachtmerrie ten einde en nu wachtte Sally tot ze wakker zou worden. Ze hadden haar gewassen en gereinigd, gevoed en gekleed — waarom werd ze nu niet wakker? Haar ziel voelde aan alsof zij in watten verpakt was. De acceleratie drukte zwaar op haar borst. De schaduwen in de cabine waren zo scherp als scheermessen. De rekruten van Nieuw-Chicago verdrongen zich druk met elkaar pratend bij de ramen. Ze bevonden zich zeker al in de ruimte. Maar Adam en Annie sloegen haar met bezorgde ogen gade. Ze waren goed doorvoed geweest, toen ze Nieuw-Chicago voor het eerst gezien hadden. Nu hing de huid van hun gezichten er in slappe plooien bij. Ze wist dat zij haar te veel van hun eigen voedsel afgestaan hadden. Maar toch schenen ze het beter overleefd te hebben dan zij.

Ik wou dat ik huilen kon, dacht ze. Ik zou moeten huilen. Om Dorothy. Ik heb aldoor gewacht totdat ze me zouden komen vertellen dat Dorothy gevonden was. Maar ik hoorde niets. Ze was verdwenen.

Een op de band vastgelegde stem zei iets, maar ze nam niet de moeite te proberen het te verstaan.

Toen werd dat zware gewicht van haar afgenomen en zweefde ze. Ze zweefde.

Zouden ze haar werkelijk laten gaan?

Met een ruk wendde ze zich om naar het raam. Nieuw-Chicago hing daar, schitterend zoals alle op de Aarde lijkende werelden, en de haar kenmerkende patronen waren niet te onderscheiden. Helder belichte zeeën en landmassa’s in alle nuances van de kleur blauw, hier en daar bedekt met het witte schuim van de wolken. Snel kleiner wordend. Terwijl de planeet slonk staarde ze ernaar door het raam, haar gezicht verbergend. Niemand mocht die woeste, bijna dierlijke trek op haar gezicht zien. Op dat ogenblik zou ze met genoegen het bevel hebben kunnen geven Nieuw-Chicago plat te laten branden tot op het onderliggende gesteente.

Na zijn inspectie leidde Rod de wekelijkse godsdienstoefening op het hangardek. Net waren ze klaar met het zingen van de laatste hymne, toen de cadet die de wacht had, aankondigde dat de passagiers binnen enkele ogenblikken aan boord zouden komen. Blaine keek toe, terwijl de bemanningsleden haastig terugkeerden naar hun werk. Zolang zijn schip nog niet helemaal gevechtsklaar was zouden er geen vrije zondagen zijn, ongeacht wat bij de strijdkrachten traditie mocht zijn met betrekking tot zondagen doorgebracht in een baan rond een of andere planeet. Blaine luisterde terwijl de mannen langs hem liepen, waakzaam voor tekenen van ontevredenheid. Maar in plaats daarvan kreeg hij slechts onbeduidend gekeuvel te horen en niet meer dan het gebruikelijke gemopper.

‘Goed, ik weet wat ’n splinter is,’ zei Stoker Jackson tegen zijn maat. ‘Een splinter in me oog, dat kan ik begrijpen. Maar hoe zou ik er in godsnaam ’n balk in kunnen krijgen? Dat mot je me toch eens vertellen, hoe kan ’n balk in ’n vent ze oog verzeild raken zonder dattie er iets van in de peiling heeft? Da’s gewoon niet logisch.’

‘Je hebt volkomen gelijk. Wat is een balk?’

‘Wat ’n balk is? O, wacht effe, jij komt van Tafelblad, hè? Nou, ’n balk is ’n gezaagd stuk hout. Hóút. Dat komt van een boom. En ’n boom, dat is ’n héle grote…’

De stemmen stierven weg. Blaine liep snel terug naar de brug. Als Sally Fowler de enige passagier was geweest zou hij haar met genoegen persoonlijk verwelkomd hebben op het hangardek, maar hij wilde dat die Bury er van het begin af aan van doordrongen zou zijn, wat zijn plaats was. Hij moest niet denken dat de gezagvoerder van een van Zijner Majesteits oorlogsschepen zich zou uitsloven om een Handelsman te begroeten.

Op de brug sloeg Rod de beeldschermen gade terwijl het wigvormige vaartuig langzij kwam en aan boord geloodst werd, langzaam naar binnen zwevend tussen de grote rechthoekige vleugels van de opengeklapte hangardeuren. Zijn hand bleef in de buurt van de schakelaars van het luidsprekersysteem. Bij dergelijke manoeuvres kon er altijd makkelijk iets misgaan.

Cadet Whitbread verwelkomde de passagiers. Bury stapte het eerst uit, gevolgd door een klein, donker mannetje dat de Handelsman niet de moeite vond voor te stellen. Beiden waren verstandig gekleed voor in de ruimte: ballonbroeken die strak om de enkels sloten, door riemen op hun plaats gehouden tunieken, en al hun zakken waren gesloten door middel van ritssluitingen of zelfklevende stroken. Bury scheen in een slecht humeur. Hij foeterde tegen zijn bediende en Whitbread was zo verstandig de opmerkingen van de man op te nemen op zijn recorder, met de bedoeling ze later te laten analyseren door de scheepscomputer. De cadet stuurde de Handelsman naar het voorschip onder geleide van een onderofficier, terwijl hijzelf op juffrouw Fowler bleef wachten. Hij had wel eens foto’s van haar gezien. Bury werd in het verblijf van de Scheepsaalmoezenier ondergebracht en Sally in de kajuit van de Eerste Officier. Klaarblijkelijk kreeg zij de grootste kajuit omdat Annie, haar kamenier, die met haar zou moeten delen. De mannelijke bedienden konden te slapen worden gelegd in de verblijven van de bemanning, maar een vrouw, zelfs een die al zo oud was als Annie, kon zich onmogelijk onder de mannen begeven. Als ruimtelui maar lang genoeg geen voet op een planeet gezet hebben, beginnen ze nieuwe maatstaven van schoonheid aan te leggen. De nicht van een senator zouden ze nooit durven lastig vallen, maar een kamenier was een andere kwestie. Het was allemaal heel logisch en als de kajuit van de Eerste Officier dan bovendien nog direct naast het verblijf van kapitein Blaino lag, terwijl de luxe hut van de aalmoezenier zich één dek lager en drie luchtdichte schotten verder naar achteren bevond, zou niemand zich kunnen beklagen ‘Passagiers aan boord, meneer.’ meldde cadet Whitbread. ‘Mooi zo. Iedereen naar genoegen ondergebracht?’

‘Tja, juffrouw Fowler in ieder geval wel, meneer. Wat de Handelsman betreft, die heb ik door onderofficier Allot zijn kajuit laten wijzen…’

‘Zo hoort het ook.’ Blaine nam plaats in zijn gezagvoerdersstoel. Vrouwe Sandra — nee, ze werd liever Sally genoemd, herinnerde hij zich — had er niet al te best uitgezien die paar korte ogenblikken dat hij haar in het gevangenenkamp gezien had. Naar Whitbreads woorden te oordelen had ze zich inmiddels een beetje hersteld. Rod had zich het liefst willen verbergen toen ze uit een tent in dat gevangenenkamp naar buiten was komen schrijden, en hij haar voor het eerst herkend had. Hij had onder het bloed en vuil gezeten — en toen was ze dichterbij gekomen. Ze liep als een dame van het Hof, maar ze was broodmager en half verhongerd, en ze had grote donkere kringen onder haar ogen. En dan die ogen zelf. Die waren volkomen uitdrukkingsloos geweest. Welnu, ze had inmiddels twee weken de tijd gehad om weer op verhaal te komen en Nieuw-Chicago lag nu voor goed achter haar.

‘Ik neem aan dat je juffrouw Fowler de te volgen procedure bij het accelereren zult uitleggen?’ vroeg Rod.

‘Ja, meneer,’ antwoordde Whitbread. En de techniek van het zich voortbewegen onder zero gee ook, dacht hij bij zichzelf. Blaine sloeg zijn cadet geamuseerd gade. Het kostte hem geen moeite diens gedachten te lezen. Och, hij mocht hoop koesteren als hij dat wilde, maar een hogere rang bracht zo zijn voorrechten met zich mee. Trouwens, hij kende het meisje al; hij had haar eens ontmoet toen ze tien jaar oud was.

‘Een bericht voor u van het Regeringsgebouw,’ meldde de wacht. Zijn gedachten werden onderbroken door Czillers opgewekte, zorgeloze stem. ‘Hallo, Blaine! Klaar om de trossen los te gooien?’ De Commodore lag lui onderuitgezakt in een bureaustoel, lurkend aan een reusachtige en in kwade reuk staande pijp. ‘Jawel, meneer.’ Rod had nog iets willen zeggen, maar hij hield zich in. ‘Passagiers tot hun tevredenheid ingekwartierd?’ Rod zou hebben kunnen zweren dat zijn voormalige gezagvoerder hem zat uit te lachen. ‘Jawel, meneer.’

‘En je bemanning? Geen klachten?’

‘U weet donders goed — We redden het wel, meneer.’ Blaine wist met moeite zijn woede te bedwingen. Hij kon moeilijk kwaad op Cziller zijn, per slot van rekening had hij het commando over dit schip aan hem te danken, maar de duivel hale de man! ‘We zijn niet overbemand, maar we hebben voldoende manschappen om het schip te bedienen in de ruimte.’

‘Hoor eens, Blaine, ik heb je bemanning niet geplunderd omdat ik dat zo lollig vond. We hebben hier domweg niet genoeg mensen om het gezag te handhaven, en jij zult eerder aan mensen kunnen komen dan wij hier. Ik heb je twintig rekruten gestuurd, jonge knullen van hier, die denken dat het hun wel bevallen zal in de ruimte. Verrek, misschien lukt het wel. Mij is het ook bevallen, destijds.’

Groentjes die nergens van afwisten en wie ieder karweitje voorgedaan zou moeten worden, maar daar zouden de onderofficieren wel raad mee weten. Twintig man was tenminste iets. Rod voelde zich al een beetje beter.

Cziller rommelde wat tussen zijn papieren. ‘Ik zal je een paar secties Mariniers teruggeven, al betwijfel ik dat je op Nieuw-Schotland vijanden zult aantreffen om tegen te vechten.’

‘Tot uw orders, meneer. En dank u wel dat u me Whitbread en Staley gelaten hebt.’ Op die twee na hadden Cziller en Plechanov alle adelborsten geronseld die aan boord waren en een groot aantal van de betere onderofficieren bovendien. Maar de allerbesten hadden ze hem gelaten. Die waren voldoende om de zaak draaiende te houden. Het schip was bemand en ruimtewaardig, al zou je aan het aantal lege kooien zeggen dat ze als verliezer uit de strijd gekomen was. ‘Niets te danken. Het is een goed schip, Blaine. Er is een flinke kans dat de Admiraliteit je het niet zal laten houden, maar misschien heb je geluk. Ik moet hier een planeet met mijn blote handen regeren. Er is niet eens geld! Alleen maar zilverbonnen van de Republikeinen! De rebellen hebben alle keizerlijke kronen ingepikt en er stukjes bedrukt papier voor in de plaats uitgegeven. Hoe moeten we het verdomme klaarspelen om weer echt geld in omloop te krijgen?’

‘Ja, meneer.’ Als volslagen Kapitein was Rod in theorie de gelijke in rang van Cziller. Een titulaire benoeming tot Admiraal was alleen maar voor de vorm, opdat kapiteins die meer senioriteit bezaten dan Cziller, van hem als Commodore bevelen zouden kunnen aannemen zonder dat er moeilijkheden ontstonden. Maar Blaines aanstelling tot kapitein moest nog bevestigd worden door een promotiecommissie van de Marine en hij was jong genoeg om die beproeving met bezorgdheid tegemoet te zien. Misschien zou hij over zes weken weer Luitenant zijn.

‘Nog iets,’ zei Cziller. ‘Ik zei daarnet dat er geen geld op de planeet was, maar dat is niet helemaal waar. We hebben hier een stelletje zéér rijke lieden. Een daarvan is Jonas Stone, de man die jouw Mariniers de stad binnen liet. Hij beweert dat hij zijn geld voor de rebellen verborgen heeft weten te houden. Tja, waarom ook niet? Hij was immers een van hen. Maar we hebben een doodgewone mijnwerker opgepakt, die stomdronken was en een fortuin aan keizerlijke kronen op zak had. Hij wil niet verklappen hoe hij aan dat geld gekomen is, maar we vermoeden dat hij het van Bury gekregen heeft.’

‘Ja, meneer.’

‘Dus hou Zijne Excellentie in de gaten. Maar goed. Je ambtelijke postzakken en je nieuwe bemanningsleden komen binnen een uur aan boord.’ Cziller wierp een blik op zijn zakcomputer. ‘Om precies te zijn, over drieënveertig minuten. Je kunt vertrekken zodra ze aan boord zijn.’ Cziller stak de computer weer in zijn zak en begon de tabak in zijn pijp wat vaster aan te stampen. ‘Doe mijn groeten aan MacPherson van de Scheepswerven en onthoud één ding goed: als de werkzaamheden aan het schip niet erg vlotten, en dat gebeurt beslist, stuur dan geen memoranda aan de Admiraal. Daar maak je MacPherson alleen maar kwaad mee. Wat te begrijpen is. In plaats daarvan kun je Jamie beter aan boord uitnodigen en Scotch met hem drinken. Jij kunt daar weliswaar niet zoveel van op nis hij, maar door het te proberen zul. je meer werk gedaan krijgen dan door middel van een memorandum.’

‘Jawel, meneer,’ zei Rod weifelend. Plotseling besefte hij hoe onvoorbereid hij eigenlijk wel was het bevel over de MacArthur te voeren. De technische kant beheerste hij, waarschijnlijk zelfs beter dan Cziller, maar die tientallen kleine foefjes die je alleen maar door ervaring leren kon…

Cziller moest zijn gedachten gelezen hebben. Het was een talent waarvan alle officieren die onder hem gediend hadden hem verdachten. ‘Rustig maar, kapitein. Ze zullen je niet door iemand anders vervangen voordat je de Hoofdplaneet bereikt, en tegen die tijd zul je inmiddels een heleboel uurtjes aan boord van de Ouw Mac achter de rug hebben. En ook zou ik mijn tijd maar niet besteden met te gaan zitten blokken voor die examens van de commissie, als ik jou was. Het zal je niks helpen.’ Cziller trok aan zijn enorme pijp en liet een dikke rookwolk aan zijn mond ontsnappen. ‘Je hebt een hoop te doen, ik zal je dus niet langer ophouden. Maar wanneer je straks op Nieuw-Schotland bent, moet je beslist eens omhoog kijken naar de Kolenzak. Er zijn maar weinig bezienswaardigheden in de Melkweg, die daaraan kunnen tippen. Het Gezicht van God, noemen sommigen het.’ Czillers beeld vervaagde, maar zijn scheve grijns scheen op het beeldscherm achter te blijven, als die van de Cheshire kat uit het verhaal van Alice in Wonderland.

3. Een dineetje

De MacArthur accelereerde weg van Nieuw-Chicago met een versnelling van één gee. Over het hele schip waren bemanningsleden druk in de weer om over te schakelen van de beneden-is-buitenboord oriëntatie die geldt wanneer een schip in een baan rond een planeet zweeft en de rotatie van het schip voor kunstmatige zwaartekracht zorgt, op de boven-is-vooruit oriëntatie van een aangedreven vlucht door de ruimte. In tegenstelling tot koopvaardijschepen, die dikwijls lange afstanden van de binnenplaneten naar de Springpunten van Alderson in vrije val afleggen, plegen oorlogsschepen doorgaans constant te accelereren. Twee dagen na het vertrek van Nieuw-Chicago gaf Blaine een dineetje. De bemanningsleden brachten tafellinnen, kandelabers, zwaar tafelzilver en fijn besneden kristal te voorschijn, vervaardigd door bekwame handwerkslieden van wel een half dozijn verschillende werelden; een schat die niet aan Blaine, maar aan de MacArthur zelf toebehoorde. Het meubilair zat nu allemaal op zijn plaats geschroefd, nadat men het van zijn rotatie-posities rond de buitenste ribben van het schip losgeschroefd en opnieuw gemonteerd had op de tussenschotten in het achterschip — met uitzondering van de grote rotatie-tafel, die wegge-klapt was in wat nu de cilindervormige wand van de officierskantine geworden was.

Die gewelfde eettafel had Sally Fowler gehinderd. Ze had die twee dagen geleden gezien, toen de MacArthur nog rond haar as wentelde en de buitenwand de, eveneens gewelfde, vloer was geweest. Nu zag Blaine haar een ogenblik opgelucht kijken, toen ze door het trapgat omhoog kwam.

Hij merkte op dat Bury daarentegen minzaam en volkomen op zijn gemak was en zich kennelijk amuseerde. Die had al meer tijd in de ruimte doorgebracht, concludeerde Blaine. Mogelijk zelfs meer tijd dan hijzelf.

Het was de eerste keer dat Blaine in de gelegenheid was de passagiers formeel te ontmoeten. Terwijl hij op zijn plaats aan het hoofd van de tafel zat en naar de stewards keek, die met smetteloos witte uniformen aan de eerste gang opdienden, moest Blaine een glimlach onderdrukken. De MacArthur had nergens gebrek aan, behalve aan uitgelezen voedsel.

‘Ik ben bang dat de kwaliteit van de dekschalen die van de inhoud zal overtreffen,’ zei hij tegen Sally. ‘Maar we zullen zien wat ze ons voorzetten.’ Kelley en de stewards hadden de hele middag beraadslaagd met de sergeant-kok, maar Rod koesterde geen hoge verwachtingen. Er was natuurlijk wel genoeg te eten. Maar het was scheepsvoer: bio-plast, gistbiefstukken, maïs van Nieuw-Washington; want Blaine had geen gelegenheid gehad op Nieuw-Chicago een eigen kajuitvoorraad in te slaan en zijn eigen voorraadje was vernietigd tijdens de strijd tegen de planetaire verdedigingslinie van de opstandelingen. En kapitein Cziller had zijn eigen persoonlijke bezittingen natuurlijk van boord-laten halen. Hij had tevens kans gezien de hoofdkok en de kanonnier van geschutskoepel nummer drie die als kapiteinskok gefungeerd had, mee te nemen.

Het eerste gerecht werd opgediend, een enorme dekschaal met een zwaar deksel dat eruit zag alsof het van bladgoud was. Gouden draken zaten elkaar achterna langs de rand, terwijl de gelukbrengende hexa-grammen van de I Ching er heilzaam boven zweefden. Schaal en deksel waren vervaardigd op Xanadu en ze waren evenveel waard als een van de sloepen van de MacArthur.

Sergeant Kelley stond achter Blaines stoel en in zijn indrukwekkende witte gala-uniform zag hij eruit als de volmaakte hofmeester. Het was moeilijk in hem de man te herkennen die nieuwe rekruten kon doen flauwvallen door zijn schrobberingen, en de sergeant die de Mariniers van de MacArthur aangevoerd had in de strijd tegen de gardisten van de Unie. Met een geroutineerd zwierig gebaar tilde Kelley het deksel van de schaal.

‘Magnifiek!’ riep Sally uit. Als ze dit alleen maar uit beleefdheid deed, dan ging het haar toch erg goed af en Kelley straalde dan ook. Op de schaal onthulde zich aan hun ogen een pastei, gemodelleerd in de vorm van een kopie van de MacArthur en het zwart-overkoepelde fort dat ze bevochten had. Ieder detail was zorgvuldiger geboetseerd dan een kunstschat in het Keizerlijk Paleis. De andere gerechten zagen er net zo uit, zodat, ook al zaten er gistkoek en ander onappetijtelijk voedsel in verborgen, het effect toch dat van een banket was. Rod slaagde erin zijn bezorgdheid te vergeten en van het diner te genieten. ‘En wat gaat ge nu doen, vrrouwe? vroeg Sinclair, ‘Zijt ge al ‘ns ecrrderr op Nieuw-Schotland geweest?’

‘Nee, ik was beroepshalve op reis, luitenant Sinclair. Dat was tenminste de bedoeling. En hel zou niet erg vleiend voor uw vaderland zijn als ik het bezocht had, niet waar?’Ze glimlachte, maar achter haar ogen zat een lege ruimte van vele lichtjaren. ‘En waarrom zouen we mé gevleid zijn doorr ’n bezoek van u? D’rr is geen planeet in ’t hele Keizerrrijk waan men dat nie als ’n eerr zou beschouwen.’

‘Dank u — maar ik ben antropologe en mijn specialiteit is primitieve beschavingen. Nieuw-Schotland valt daar beslist niet onder,’ verzekerde ze hem. Dat accent wekte haar professionele belangstelling op. Zouden ze werkelijk zo spreken op Nieuw-Schotland? Die man klinkt als iemand uit een roman uit het voor-Imperiale tijdperk. Maar ze zorgde er wel voor Sinclair niet aan te kijken terwijl ze dat dacht. Ze kon de wanhopige trots voelen, die de hoofdmachinist uitstraalde. ‘Bravo!’ zei Bury goedkeurend. ‘Het komt me zo voor dat ik de laatste tijd tamelijk veel antropologen ben tegengekomen. Is het misschien een nieuwe specialiteit?’

‘Ja. Het is jammer dat er destijds niet méér van ons waren. Op maar al te veel planeten die we in het Keizerrijk hebben opgenomen, hebben we alles wat goed was vernietigd. Dergelijke fouten hopen we nooit meer te maken.’

‘Ja, ik veronderstel dat het een hele schok moet zijn,’ zei Blaine, ‘zonder waarschuwing en of je wilt of niet bij het Keizerrijk ingelijfd te worden — nog afgezien van andere problemen. Misschien had u op Nieuw-Chicago moeten blijven. Kapitein Cziller zei dat hij er grote moeite mee had de planeet te besturen.’

‘Ik kon het niet opbrengen.’ Somber staarde ze neer op haar bord om vervolgens met een gedwongen glimlach weer op te kijken. ‘Onze eerste stelregel is dat we sympathie moeten voelen voor de mensen die we bestuderen. En ik haat die planeet,’ voegde ze er met venijnige oprechtheid aan toe. Het gaf haar een prettig gevoel. Zelfs haat was beter dan — die leegte.

‘Ja,’ viel Sinclair haar bij. ‘Wie zou dat nie, na maandenlang in ’n gevangenenkamp opgesloten te zijn geweest.’

‘Dat is nog niet alles, luitenant. Dorothy is verdwenen. Dat was het meisje met wie ik samenreisde. Ze is gewoon — spoorloos verdwenen.’ Er viel een lange stilte en Sally geneerde zich. ‘Neem me niet kwalijk, ik wil ons samenzijn niet bederven.’

Blaine zat nog te zoeken naar iets wat hij zou kunnen zeggen, toen Whitbrcad hem daartoe in de gelegenheid stelde. Eerst zag Blaine alleen maar dat de jeugdige adelborst iets onder de hoek van het tafelblad zat te doen — maar wat? Toen zag hij het. Hij zat aan het tafelkleed te rukken om het op zijn rekvermogen te onderzoeken. En daarnet had hij ook al naar het kristal zitten kijken. ‘Ja hoor, meneer Whit-bread,’ zei Rod. ‘Het is heel sterk spul.’

Whitbread keek op en bloosde, maar het lag niet in Blaines bedoeling de jongen in verlegenheid te brengen. ‘Het tafelkleed, het zilver, de borden, de schalen, het kristal, alles dient redelijk duurzaam te zijn,’ zei hij tegen het gezelschap in het algemeen. ‘Gewoon glaswerk zou bij het eerste het beste gevecht al sneuvelen. Ons kristal is geen gewoon kristal. Het werd gesneden uit het windscherm van een landingscapsule uit de tijd van het Eerste Keizerrijk. Tenminste, dat hebben ze me verteld. Het staat vast dat we dergelijke materialen tegenwoordig niet meer kunnen maken. En het linnen is ook al geen echt linnen; het is van kunstvezels gemaakt, ook al uit de tijd van het Eerste Keizerrijk. De deksels op de schalen zijn van bladgoud met een gegalvaniseerde laag kristalijzer er overheen.’

‘Wat me het eerst opviel, was het kristal,’ zei Whitbread bedeesd. ‘Dat is met mij ook een aantal jaren geleden gebeurd.’ Blaine keek de cadetten vriendelijk lachend aan. Het waren officieren, maar tegelijk ook jongens van nog geen twintig en Rod kon zich zijn eigen tijd in de wapenkamer nog goed herinneren. Er werden nog meer gangen opgediend die, doorkruid met gesprekken over de bezigheden aan boord, verorberd werden. Ter wille van de oningewijden werden de vaktermen tot een minimum beperkt, terwijl Kelley erop toezag dat de bediening niets te wensen overliet. Ten slotte was de tafel op koffie en wijnen na afgeruimd.

‘Meneer de adjudant,’ zei Blaine vormelijk.

Whitbread, die drie weken minder senioriteit bezat dan Staley, hief zijn glas op. ‘Kapitein, vrouwe. Op Zijne Keizerlijke Majesteit.’ De officieren hieven hun glazen ter ere van hun soeverein, zoals dat bij de Marine al tweeduizend jaar lang gebruikelijk was geweest. ‘Ge staat toch hoop ik toe, dat ik u de bezienswaarrdigheden van m’n vaderrland laat zien?’ vroeg Sinclair gretig.

‘Zeker. Dank u wel, maar ik weet alleen niet hoe lang we daar zullen blijven.’ Afwachtend keek Sally naar Blaine.

‘Ik al evenmin. We moeten daar zijn voor een grondige reparatiebeurt en hoe lang dat duurt zal van de Scheepswerven afhangen.’

‘Nou, als het niet te lang duurt, blijf ik bij u aan boord. Vertelt u me eens, luitenant, gaan er veel schepen van Nieuw-Schotland naar de Hoofdplaneet?’

‘Méérr dan van de meeste planeten aan deze kant van de Kolenzak, hoewel dat nie veel zeggen wil. D’rr zijn maarr weinig schepen met ’n fatsoenlijke accommodatie voorr passagierrs aan boorrd. Misschien dat meneerr Burry u daarr meerr overr verrtellen kan; zijn schepen doen Nieuw-Schotland aan.’

‘Maar, zoals u al zei, niet met accommodatie voor passagiers. Onze bezigheden zijn gericht op het ontwrichten van de interstellaire handel, weet u.’ Bury zag vragende blikken op zich gericht. Hij vervolgde: ‘De Keizerlijke Autonetische Industrieën houden zich bezig met het vervoeren van volledig geautomatiseerde fabrieken. Telkens wanneer we op een of andere planeet iets goedkoper kunnen maken dan anderen het kunnen invoeren, richten we daar fabrieken op. De handelsschepen zijn onze voornaamste concurrenten.’

Bury schonk zichzelf nog een glas wijn in, er zorgvuldig een uitzoekend waarvan Blaine gezegd had dat de voorraad gering was. (Het moest wel een goede wijn zijn; anders zou het gebrek eraan de kapitein geen zorgen gebaard hebben.) ‘Zo komt het dat ik op Nieuw-Chicago was toen de opstand uitbrak.’

Begrijpende knikjes van Sinclair en Sally Fowler; die net iets te roerloze houding en dat net iets te uitdrukkingsloze gezicht van Blaine; Whitbread die Stalcy aanstootte Ik zal je straks eens iets vertellen — dit geheel vertelde Bury bijna alles wal hi| weten wilde. Vermoedens, maar niets was bevestigd, niets was officieel. ‘U houdt er een fascinerend beroep op na,’ zei hij tegen Sally, voordat de stilte te lang kon gaan duren. ‘Wilt u er ons niet eens wat meer over vertellen? Hebt u al veel primitieve werelden bezocht?’

‘Nog geen enkele,’ zei ze treurig. ‘Alles wat ik ervan afweet, weet ik alleen maar uit boeken. We zouden doorgereisd zijn om een bezoek aan Harlekijn te brengen, maar die opstand’ Ze brak af. ‘Ik ben eens op Makassar geweest,’ zei Blaine.

Onmiddellijk klaarde ze op. ‘Daar hadden ze een heel hoofdstuk aan gewijd. Het was daar erg primitief, niet waar?’

‘Dat is het er nog steeds. Er was daar om te beginnen al geen grote kolonie. Het hele industriecomplex werd tot op de bodem verwoest tijdens de Afscheidingsoorlogen en daarna heeft er vierhonderd jaar lang niemand een bezoek aan die planeet gebracht. Tegen de tijd dat wij daar landden, hadden ze daar een beschaving in het ontwikkelingsstadium van de ijzertijd. Zwaarden. Maliënkolders. Ze bevoeren de zeeën met houten zeilschepen.’

‘Maar hoe waren de mensen daar?’ vroeg Sally gretig. ‘Hoe leefden ze?’ Rod haalde verlegen zijn schouders op. ‘Ik ben er maar een paar dagen geweest. Bepaald niet lang genoeg om een idee van een wereld te krijgen. Het is al jaren geleden, toen ik nog de leeftijd had van Staley, hier. Ik herinner me hoofdzakelijk naar een goed wijnhuis gezocht te hebben.’ Per slot van rekening ben ik geen antropoloog, had hij eraan toe willen voegen.

Het gesprek verplaatste zich. Rod was moe en verlangde naar een kans om het diner op een beleefde manier te laten eindigen. De anderen leken met hun stoelen vergroeid te zijn.

‘Ge studeerrt dus cultuur-rele evolutie,’ hoorde hij Sinclair op ernstige toon zeggen, ‘en da’s misschien wel verrstandig ook. Maarr zou d’rr nie ook ’n fysieke evolutie plaatsgehad kunnen hebben? ’t Eerrste Keizerrrijk was errg grroot, en ’t had ’n wijd verrsprreide en dunne bevolking, wat genoeg rruimte overrliet voorr zo ongeveerr alles wat ge u maarr bedenken kunt. Is ’t nie mogelijk dat we errgens in een of andrre verrgeten uithoek van ’t oude Keizerrrijk ’n planeet vol superrmannen zullen vinden?’

De beide cadetten keken plotseling geïnteresseerd op. Bury vroeg, ‘Wat zou een fysieke evolutie van menselijke wezens voor resultaten kunnen opleveren, vrouwe?’

‘Aan de universiteit hebben ze ons geleerd dat evolutie van intelligente wezens niet mogelijk was,’ zei ze. ‘Samenlevingen beschermen hun zwakkere leden. Beschavingen plegen rolstoelen en brillen en gehoorapparaten te gaan maken, zodra ze over het nodige gereedschap daarvoor beschikken. En wanneer zo’n samenleving oorlog gaat voeren, moeten de mannen over het algemeen een lichamelijke keuring met goed gevolg doorstaan, voordat het hun zelfs maar tóégestaan wordt hun levens te riskeren. Ik veronderstel dat het ertoe bijdraagt de oorlog te winnen.’ Ze glimlachte. ‘Maar het laat maar bitter weinig ruimte over voor het voortbestaan van de sterksten.’

‘Maar veronderstel,’ opperde Whitbread, ‘veronderstel nu eens dat een beschaving zelfs nog verder teruggeworpen werd dan die van Makassar? Helemaal terug tot volslagen barbaarsheid: knuppels en vuur. Dan zou er wel degelijk evolutie plaatsvinden, niet waar?’ Drie glazen wijn hadden Sally’s sombere bui overwonnen en ze ging er gretig op in over aangelegenheden te praten die met haar beroep te maken hadden. Haar oom had haar dikwijls gezegd dat ze te veel praatte voor een dame en ze probeerde zich in toom te houden, maar wijn deed deze voornemens altijd teniet — wijn en een gewillig gehoor. Het was een heerlijk gevoel na al die weken van leegte. ‘Zeker,’ zei ze. ‘Totdat er een samenleving ontstond. Er zou sprake zijn van natuurlijke selectie, totdat genoeg mensen zich aaneensloten om elkaar te beschermen tegen hun omgeving. Maar dat heeft tijd nodig. Meneer Whitbread, er bestaat een wereld waar ze rituele kindermoorden plegen. De ouderen onderwerpen daar alle kinderen aan een onderzoek en doden degenen die niet aan hun maatstaven van volmaaktheid voldoen. Je kunt dat niet precies evolutie noemen, maar toch zou je op die manier wel enige resultaten kunnen verkrijgen — behalve dan dat het niet lang genoeg de kans gekregen heeft.’

‘Men fokt paarden. En ook honden,’ merkte Rod op. ‘Ja. Maar ze hebben geen nieuwe soort gekweekt. Nog nooit. En samenlevingen zien geen kans lang genoeg vaste regels te handhaven om ooit werkelijke veranderingen in het menselijk ras teweeg te kunnen brengen. Als je een miljoen jaar later terugkomt — Maar er zijn natuurlijk wel opzettelijke pogingen geweest om supermannen te kweken. Zoals in het Sauron-stelsel, bijvoorbeeld.’

Sinclair maakte een grommend geluid. ‘Die beesten,’ stootte hij uit. ‘Zij waarr’n ‘t, die de Afscheidingsoorrlogen begonnen en bijna hadden ze ons allemaal om zeep gebrracht.’ Hij zweeg plotseling, toen cadet Whitbread zijn keel schraapte.

Sally stortte zich in de ontstane stilte. ‘Dat is ook al zo’n stelsel waar ik geen sympathie voor kan voelen. Ook al zijn ze nu loyale staatsburgers van het Keizerrijk…’ Ze keek om zich heen. Ze hadden allemaal een vreemde uitdrukking op hun gezicht, en Sinclair probeerde zijn gezicht te verbergen achter het wijnglas dat hij voor zijn mond achterover liet kieperen. Het hoekige gezicht van cadet Horst Staley zag eruit alsof het uit steen gehouwen was. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze.

Het bleef een hele tijd stil. Eindelijk zei Whitbread: ‘Meneer Staley komt uit het Sauron-stelsel, vrouwe.’

‘Het — het spijt me,’ bracht Sally uit. ‘Tja, heb ik me daar even een blunder gemaakt! Heus, meneer Staley, ik…’

‘Als mijn adelborsten daar niet tegen kunnen, kan ik ze aan boord van mijn schip niet gebruiken,’ zei Rod. ‘En u was trouwens niet de enige die een blunder maakte.’ Veelbetekenend keek hij Sinclair aan. ‘We mogen de mensen niet beoordelen naar wat hun thuisplancet honderden jaren geleden heeft gedaan.’ Verdomme. Dat klinkt wel erg hoogdravend. ‘Maar wc hadden hel over evolutie. Wat wilde u ook alweer zeggen?’

‘Dat — dat het voor een intelligent ras nagenoeg onmogelijk zou moeten zijn,’ zei ze. ‘Rassen evolueren om zich aan te passen aan hun omgeving. Een intelligent ras verander! die omgeving naar zijn eigen wensen. Zodra een ras intelligent wordt, houd! het blijkbaar op met te evolueren.’

‘Jammer dat we geen andere rassen kennen om ons mee te vergelijken,’ zei Bury luchtig. ‘Alleen maar een paar gefantaseerde.’ En hij vertelde een lang verhaal over een ontmoeting tussen een onwaarschijnlijk intelligente octopus en een centaur, en allen lachten. ‘Nou, kapitein, het was een heerlijk diner,’ zei Bury tot besluit. ‘Ja.’ Rod stond op en bood Sally zijn arm aan en ook de anderen kwamen overeind. Ze was weer stil toen hij haar door de gang naar haar kajuit bracht, en niet meer dan beleefd toen hij afscheid van haar nam. Rod keerde terug naar de brug. Er moesten nog een aantal reparaties vastgelegd worden in het brein van de scheepscomputer.

4. Prioriteit oc

Het reizen door de hyperruimte kan vreemd en frustrerend zijn. Er is maar een onvoorstelbare korte tijd voor nodig om de afstand tussen twee sterren af te leggen, maar aangezien de baan die elk paar sterren met elkaar verbindt, ofte wel de tramlijn (die nooit een volkomen rechte lijn is, maar die dicht genoeg benadert om haar als zodanig voor te stellen) slechts langs één kritieke lijn tussen die twee sterren bestaat, en de eindpunten van die banen zich ver van die afwijkingen in de ruimte bevinden die veroorzaakt worden door sterren en grote planetaire massa’s, volgt daaruit dat een schip het grootste deel van de tijd doorbrengt met van het ene eindpunt naar het andere te kruipen.

En wat nog erger is, niet ieder paar sterren is door tramlijnen met elkaar verbonden. De banen komen tot stand langs wisselende thermo-nucleaire lijnen van gelijkwaardige potentie, en de aanwezigheid van andere sterren in dit geometrische patroon kan verhinderen dat zo’n baan überhaupt bestaat. Bovendien zijn niet alle bestaande schakels in kaart gebracht. Ze zijn moeilijk te vinden.

De passagiers van de MacArthur kwamen tot de ontdekking dat het reizen aan boord van een keizerlijk oorlogsschip veel weg had van gevangenschap. De bemanningsleden hadden, zelfs wanneer ze geen dienst hadden, taken te verrichten en reparaties uit te voeren. De passagiers hadden eikaars gezelschap en het kleine beetje vertier dat de dagelijkse sleur bij de Marine hun toestond. Er was aan boord geen plaats voor faciliteiten voor vermaak, die je kon verwachten in luxe passagiersschepen.

Het was eentonig en saai. Tegen de tijd dat de MacArthur aan haar laatste Sprong toe was, begonnen de passagiers naar hun aankomst in het Nieuw-Caledonië-stelsel uit te zien als naar een bevrijding uit de gevangenis.

NIEUW-CALEDONIË: Zonnestelsel achter de Kolenzak, met een primaire zon van het type F8, die in de catalogus vermeld staat als Murcheson A. De verderop gelegen tweelingzon Murcheson B maakt geen deel uit van het Nieuw-Caledonië-stelsel. Murcheson A heeft zes planeten in vijf verschillende banen. Vier daarvan zijn binnenplaneten, gevolgd door een betrekkelijk brede hiaat die de brokstukken van een voormalige planeet bevat, en twee buitenplaneten die in een Trojaanse verhouding tot elkaar staan. De vier binnenplaneten dragen de namen Conchobar, Nieuw-Ierland, Nieuw-Schotland en Fomor, in volgorde gezien vanaf de zon, die plaatselijk Cal, of Ouw Cal, of ook wel ‘de Zon’ genoemd wordt. De beide middelste planeten zijn bewoond en werden beide geterraformeerd door wetenschapsmensen van het Eerste Keizerrijk nadat Jasper Murcheson die een bloedverwant van Alexander iv was, de Raad ervan had weten te overtuigen dat het Nieuw-Caledonië-stelsel de geschikte plaats zou zijn om een keizerlijke universiteit te vestigen. Wij weten thans dat het Murcheson er hoofdzakelijk om te doen was een bewoonde planeet te hebben in de buurt van de rode superreus die bekend staat als Murchesons Oog, en aangezien hij niet tevreden was met het klimaat van Nieuw-Ierland, stond hij erop dat ook Nieuw-Schotland geterraformeerd zou worden. Fomor is een betrekkelijk kleine planeet met nagenoeg geen atmosfeer en slechts weinig belangwekkende kenmerken. Wel groeien er echter verscheidene soorten zwammen en paddestoelen, die biologisch verwant zijn aan andere soorten die in de Trans-Kolenzak-Sector aangetroffen worden. De manier waarop deze naar Fomor overgebracht zouden kunnen zijn heeft aanleiding gegeven tot eindeloos twistgeschrijf in het Journaal van het Keizerlijk Genootschap van Xenobiologen, aangezien er geen andere vormen van leven bestaan die in het Nieuw-Caledonië-stelsel inheems zijn.

De twee buitenplaneten volgen dezelfde baan en worden Dagda en Mider genoemd, in overeenstemming met de Keltische mythologische nomenclatuur van het stelsel. Dagda is een gasreus en het Keizerrijk onderhoudt brandstofdepots op Angus en Brigit, de beide manen van deze planeet. Koopvaardijschepen dienen erop bedacht te zijn dat Brigit een Marinebasis is, die men niet zonder toestemming mag naderen.

Mider is een koude, metalen bal met een uitgebreide mijnbouw; deze planeet baart de kosmologen nogal wat hoofdbrekens, aangezien de manier van haar ontstaan blijkbaar met geen van de beide voornaamste elkaar bestrijdende theorieën omtrent het ontstaan van planeten overeen te brengen valt.

Toen Nieuw-Schotland en Nieuw-Ierland, de enige bewoonde planeten van het stelsel, voor het eerst ontdekt werden bezaten zij uitgestrekte dampkringen van waterdamp en methaan, maar geen vrije zuurstof. Tegen aanzienlijke kosten werden de beide planeten door de aanvoer van reusachtige hoeveelheden biologisch materiaal in bewoonbare werelden veranderd; tegen het einde van het project verloor Murcheson zijn invloed bij de Raad, maar de bedragen die men erin geïnvesteerd had waren inmiddels al zo hoog opgelopen dat besloten werd door te gaan totdat het project voltooid was. In minder dan honderd jaren van intensieve inspanning wist men de overkoepelde nederzettingen in open nederzettingen te veranderen, een van de grootste triomfen van het Eerste Keizerrijk.

De beide werelden werden gedeeltelijk ontvolkt tijdens de Afscheidingsoorlogen, waarin Nieuw-Ierland de zijde van de opstandelingen koos, terwijl Nieuw-Schotland onwrikbaar trouw bleef aan het Keizerrijk. Ook nadat de interstellaire ruimtevaart op de Trans-Kolenzak-Sector ophield te bestaan bleef Nieuw-Schotland de strijd nog voortzetten, totdat het opnieuw ontdekt werd door het Tweede Keizerrijk. Bijgevolg is Nieuw-Schotland thans de Hoofdplaneet van de Trans-Kolenzak-Sector.

Met een aantal schokken materialiseerde de MacArthur zich even buiten de baan van Dagda. Vele momenten lang bleven de bemanningsleden gedesoriënteerd op de plaatsen zitten die ze voor de overgang vanuit de hyperruimte ingenomen hadden, worstelend om de geestelijke verwarring te boven te komen, die altijd op zo’n ogenblikkelijke overgang volgt.

Waarom dit zo is? Volgens één groep van natuurkundigen, verbonden aan de Keizerlijke Universiteit op Sigismund, vergt het reizen door de hyperruimte niet zero tijd, maar een onbegrensde hoeveelheid tijd, en ze beweren dat dit die karakteristieke verwarring ten gevolge heeft.

die zich zowel bij mensen als bij computers voordoet. Weer andere theorieën gaan ervan uit dat de Sprong een zich uitrekken of inkrimpen van de plaatselijke ruimte ten gevolge heeft, waardoor zowel zenuwen als computerelementen beïnvloed worden; of dat niet alle delen van het schip zich op hetzelfde moment materialiseren; of dat er zich op een subatomisch niveau na de overgang verschillen voordoen tussen inertie en massa. Niemand weet het, maar de uitwerking valt niet te ontkennen.

‘Roerganger,’ zei Blaine met dikke tong. Langzaam stelden zijn ogen zich in op de instrumenten van de brug.

‘Tot uw orders, meneer.’ De stem klonk verdoofd en niet-begrijpend, maar de man reageerde automatisch. ‘Zet een koers uit naar Dagda. Breng haar op gang.’

‘Tot uw orders.’ In de begintijd van de hyperruimtevaart hadden scheepscomputers geprobeerd onmiddellijk na de materialisatie in de normale ruimte te accelereren. Het had niet lang geduurd voordat men erachter kwam dat computers zelfs nog meer in verwarring raakten dan mensen. Tegenwoordig werd alle automatische apparatuur vóór de overgang uitgeschakeld. Lichten begonnen te flikkeren op Blaines instrumentenborden, naarmate bemanningsleden de MacArthur langzaam aan weer tot leven brachten en hun bedieningssystemen controleerden.

‘We gaan landen op Brigit, meneer Renner,’ vervolgde Blaine. ‘Regel uw snelheid dienovereenkomstig. En meneer Staley, u assisteert de Eerste Stuurman daarbij.’

‘Tot uw orders, meneer.’ De brug begon weer tot leven te komen. Bemanningsleden kwamen in beweging en gingen weer aan hun werk. Stewards brachten koffie, nadat de acceleratie en de zwaartekracht weer teruggekeerd waren. Mannen verlieten hun speciale hyperruimte-posten om zich weer aan hun patrouilledienst te gaan wijden, terwijl de kunstmatig functionerende ogen van het schip de ruimte afspeurden naar eventuele vijanden. Op het controlepaneel flitsten groene lampjes aan, naarmate de ene post na de andere een succesvolle overgang meldde.

Blaine knikte tevreden, terwijl hij van zijn koffie dronk. Het was iedere keer weer hetzelfde en hoewel hij al honderden van dergelijke overgangen achter de rug had, had hij er nog steeds last van. Er was iets aan zo’n ogenblikkelijke overgang dat fundamenteel verkéérd was, iets waartegen de zintuigen in opstand kwamen, iets dat het verstand weigerde te aanvaarden op een niveau, dat ergens beneden dat van het bewuste denken lag. De in de Marine aangeleerde automatische reflexen hielpen de mannen daar overheen; ook die zaten op een dieper en fundamenteler niveau dan dat van de intellectuele functies. ‘Meneer Whitbread, mijn complimenten aan de Hoofdmarconist, en of hij onze aankomst wil melden aan het Hoofdkwartier van de Vloot op Nieuw-Schotland. Onze koers en snelheid zal Staley u opgeven en u kunt het brandstofdepot op Brigit seinen dat we daar komen landen. Verwittig het Hoofdkwartier van onze bestemming.’

‘Tot uw orders, meneer. Radiotransmissie over tien minuten, meneer?’

‘Akkoord.’

Whitbread gespte zijn veiligheidsgordel los, stond op uit zijn commandostoel achter die van de kapitein, en waggelde als een dronkeman naar de post van de roerganger. ‘Over tien minuten heb ik volle motorkracht nodig voor een transmissie, Horst.’ Toen hij zich omdraaide en de brug verliet begon hij al weer snel de oude te worden. Met jonge mannen was dit doorgaans het geval en dat was een van de redenen waarom men het commando over de schepen bij voorkeur in handen van jonge officieren legde.

ATTENTIE IEDEREEN,’ kondigde Staley aan. De oproep weergalmde uit alle luidsprekers van het schip, ‘ATTENTIE IEDEREEN, STOPZETTING VAN DE ACCELERATIE OVER TIEN MINUTEN. OVER TIEN MINUTEN KORTE PERIODE VAN VRIJE VAL.’

‘Maar waarom toch?’ hoorde Blaine iemand zeggen. Hij keek op en zag Sally Fowler bij de ingang tot de brug staan. Zijn uitnodiging aan de passagiers om de brug te bezoeken wanneer het schip zich niet in alarmtoestand bevond, had gunstige gevolgen gehad: Bury maakte bijna nooit van dit privilege gebruik. ‘Waarom zo gauw al vrije val?’ vroeg ze.

‘We hebben alle energie nodig voor een radiotransmissie,’ antwoordde Blaine. ‘Op deze afstand is er een aanzienlijk deel van onze energie mee gemoeid om de maserstraal op te wekken. Als het moest zouden we de motoren kunnen overbelasten, maar de normale procedure is radioberichten in vrije val uit te zenden, als je geen grote haast hebt.’

‘O.’ Ze ging in de door Whitbread ontruimde stoel zitten. Rod liet zijn eigen commandostoel ronddraaien, zodat hij recht tegenover haar kwam te zitten en voor de zoveelste keer wenste hij dat iemand eens een vrije val-kostuum voor meisjes zou ontwerpen dat niet zoveel van hun benen bedekte, of dat korte broeken weer in de mode zouden komen. Momenteel werden de rokken op Sparta tot op de kuilen gedragen en in de buitengewesten volgde men de stijl van de Hoofdplaneet na. Om aan boord van ruimteschepen te dragen hadden de ontwerpers van die pantalonachtige dingen bedacht die weliswaar geriefelijk waren, maar erg slobberig…

‘Wanneer bereiken we Nieuw-Schotland?’ vroeg ze ‘Hangt ervan af hoe lang we op Bright blijven Sinclair wil wal werkzaamheden aan de buitenkant verrichten, terwijl we toch op de grond zijn.’ Hij haalde zijn zakcomputer te voorschijn en schreef snel enkele getallen neer met de daaraan bevestigde schrijfstift. ‘Eens even kijken, we zijn nog ongeveer anderhalf miljard kilometer van Nieuw-Schotland verwijderd, dat betekent, uh, laten we zeggen honderd uur tot aan het punt waarop we het schip omdraaien. Ongeveer tweehonderd uur reistijd, plus de tijd die we op Brigit doorbrengen. En de tijd die we ervoor nodig hebben om Brigit te bereiken, natuurlijk. Dat is niet zo ver, maar ongeveer twintig uur hier vandaan.’

‘Dus het zal nog minstens een paar weken duren,’ zei ze. ‘Ik had gedacht dat we, als we eenmaal hier waren —’ Lachend viel ze zichzelf in de rede. ‘Het is eigenlijk zo dwaas. Waarom kunnen jullie niet iets uitvinden waardoor je in het rond kunt Springen in de interplanetaire ruimte? Het is ergens belachelijk, we hebben in minder dan geen tijd vijf lichtjaren afgelegd en nu hebben we er nog weken voor nodig om Nieuw-Schotland te bereiken.’

‘Heeft u nu al genoeg van ons? Maar het is zelfs nog erger dan u denkt. Het kost ons slechts een onbeduidend deel van onze waterstof om een Sprong te maken — Nou ja, zo onbeduidend is het nu ook weer niet, maar vergeleken bij de hoeveelheid die we ervoor nodig hebben om Nieuw-Schotland te bereiken is het niet veel. Ik heb niet voldoende brandstof aan boord om daar rechtstreeks heen te gaan, tenminste niet als ik er minder dan een jaar over wil doen, maar we hebben meer dan genoeg om een Sprong te maken. Alles wat we daarvoor nodig hebben, is voldoende energie om in de hyperruimte terecht te komen.’ Sally nam een kop koffie aan van de steward. Ze begon al aan het drinken van marinekoffie te wennen, die overigens met niets in de hele Melkweg te vergelijken viel. ‘Dus we moeten ons er maar in schikken,’ zei ze.

‘Ik vrees van wel. Ik heb reizen meegemaakt waarbij het sneller was naar een ander Alderson-punt over te steken, een Sprong te maken naar een ander zonnestelsel, dat stelsel over te steken en weer een volgende Sprong te maken, enzovoort, net zolang totdat je op een ander punt in het oorspronkelijke stelsel uitkwam — en met dat alles was dat dan nog altijd sneller dan als je gewoon het oorspronkelijke systeem in de normale ruimte overgestoken had. Maar deze keer gaat dat niet; de geometrie leent er zich niet voor.’

‘Jammer,’ zei ze lachend. ‘Dan zouden we voor dezelfde prijs meer van de kosmos te zien krijgen.’ Ze zei niet dat ze zich verveelde, maar Rod meende dat dit wel het geval was, en hij kon er weinig aan doen om daar verandering in te brengen. Hij kon niet veel tijd aan haar besteden en er was weinig bezienswaardigs te zien.

‘ATTENTIE IEDEREEN. MAAKT U GEREED VOOR VRIJE VAL.’ Ze had nog maar net de tijd om zich in te gespen voordat de aandrijving uitgeschakeld werd.

Hoofdmarconist Lud Shattuck tuurde door zijn vizier, terwijl zijn knokige vingers aan de stelschroef draaiden om zo een uiterst nauwkeurige afstelling te bereiken, die voor die onbeholpen aanhangsels ongelofelijk fijn genoemd mocht worden. Buiten aan de romp van de MacArthur bewoog zich zoekend een aldus door Shattuck geleide telescoop, totdat hij een heel klein lichtpuntje vond. De telescoop bewoog zich nog wat meer, totdat het stipje volmaakt gecentreerd was. Shattuck knorde tevreden en haalde een schakelaar over. Een hoofdantenne schoof naar buiten in het verlengde van de telescoop, terwijl de scheepscomputer uitrekende waar dat lichtpuntje zich bevinden zou wanneer het radiobericht daar aankwam. Een op een band vastgelegd bericht kwam van een draaiende spoel afgelopen, terwijl in het achterschip de motoren van de MacArthur een fusie tussen waterstof en helium tot stand brachten. Er flitste een straal energie uit de antenne, energie die gemoduleerd werd door dat dunne aflopende bandje in Shattucks hokje en die weggolfde in de richting van Nieuw-Schotland. Rod zat in zijn eentje in zijn kajuit te dineren toen het antwoord opgevangen werd. De dienstdoende marconist wierp één blik op de aanhef, en riep toen meteen om hoofdmarconist Shattuck. Vier minuten later klopte cadet Whitbread bij zijn kapitein aan de deur.

‘Ja!’ antwoordde Rod geïrriteerd.

‘Een radiobericht van vlootadmiraal Cranston, meneer.’

Geërgerd keek Rod op. Het was niet zijn bedoeling geweest alleen te eten, maar de officieren hadden Sally Fowler uitgenodigd in hun kantine te komen dineren — het was per slot van rekening hun beurt — en als Blaine zichzelf uitgenodigd had om met zijn officieren te dineren, zou de heer Bury ook gekomen zijn. En nu werd zelfs dit miserabele diner onderbroken. ‘Kan het niet wachten?’

‘Het is prioriteit oc, meneer.’

‘Een spoedbericht voor óns? oc? Met een ruk stond Blaine op, zijn schotel imitatievlees vergetend. ‘Lees maar voor, meneer Whitbread.’

‘Jawel, meneer. AAN MACARTHUR VAN HK KEIZ VLOOT NIEUW SCHOT. OC OC 8175—’

‘De verificatiecode kunt u wel overslaan, Cadet. Ik neem aan dat u die al gecontroleerd heeft.’

‘Jawel, meneer. Uh, maar goed, meneer, datum en code dus…

AANVANG BERICHT VERVOLG ZO SNEL MOGELIJK HERHAAL ZO SNEL MOGELIJK UW WEG NAAR BRIGIT VOOR INNEMEN NIEUWE BRANDSTOF MET PRIORITEIT DUBBEL A EEN STOP BRANDSTOF DIENT IN KORTST MOGELIJKE TIJD INGENOMEN TE WORDEN STOP ALINEAMACARTHUR WORDT OPGEDRAGEN ZICH VERVOLGENS NAAR —

uh, dan volgen er een stel coördinaten in het Nieuw-Calstelsel, meneer —

OF WILLEKEURIGE ANDERE VECTOR UW KEUZE TE BEGEVEN TENEINDE MYSTERIEUS VOORWERP TE ONDERSCHEPPEN EN ONDERZOEKEN DAT TIIANS NIEUW-CALEDONIË-STELSEL BINNENKOMT VANUIT NORMALE RUIMTE STOP VOORWERP BEWEEGT ZICH LANGS GALACTISCHE VECTOR —

uh, dan komt er een koers vanuit de algemene richting van de Kolenzak, meneer —

MET EEN SNELHEID VAN CIRCA ZEVEN PROCENT LICHTSNELHEID STOP VOORWERP DECELEREERT SNEL STOP VOLGENS ASTRONOMEN KEIZERLIJKE UNIVERSITEIT IS SPECTRUM INDRINGEJR ZELFDE ALS SPECTRUM ZON NIEUW-CAL MAAR BLAUW VERSCHOVEN STOP VOOR DE HAND LIGGENDE CONCLUSIE DAT INDRINGER AANGEDREVEN WORDT DOOR LICHT-ZEIL STOP ALINEA

ASTRONOMEN KEIZERLIJKE UNIVERSITEIT OVERTUIGD DAT VOORWERP CECONSTRUEERD DOOR INTELLIGENTE WEZENS STOP VOOR UW INFORMATIE GEEN MENSELIJKE KOLONIES BEKEND OP SCHIJNBAAR PUNT VAN OORSPRONG INDRINGER STOP ALINEA

KRUISER LERMONTOV UITGEZONDEN TER ASSISTENTIE MAAR KAN NIET EERDER LANGSZIJ INDRINGER ZIJN DAN EENENZEVENTIG UUR NA VROEGSTE TIJDSTIP WAAROP MACARTHUR LANGSZIJ VOORWERP STOP VOORZICHTIGHEID GEBODEN STOP U DIENT INDRINGER ALS VIJANDIG TE BESCHOUWEN TOTDAT OVERTUIGD VAN TEGENDEEL STOP HOEWEL UW OPDRACHT LUIDT VOORZICHTIGHEID IN ACHT TE NEMEN MOGEN VIJANDELIJKHEDEN NIET DOOR U GEOPEND WORDEN HERHAAL VIJANDELIJKHEDEN NIET DOOR U GEOPEND WORDEN STOP

SPATIE SPATIE ER OP AF CZILLER STOP WOU DAT IK DAAR WAS STOP SUCCES STOP CRANSTON SPATIE EINDE BERICHT VERIFICATIE — uh, dat is alles, meneer.’ Whitbread was buiten adem.

‘Zo, dat is alles, ja. Nou, dat is nogal wat, meneer Whitbread.’ Blaine raakte de schakelaar van de intercom aan. ‘Officierskantine.’

‘Officierskantine meldt zich, Kapitein,’ antwoordde de stem van cadet Staley.

‘Roep Cargill aan de lijn.’

De adjudant klonk verbolgen, toen hij aan de lijn kwam. Blaine verstoorde zijn dineetje. Het gaf Rod een gevoel van voldoening. ‘Jack, kom op de brug. We gaan deze vogel laten vliegen zo hard hij maar kan. Ik wil een minimum tijd-koers hebben om op Brigit te landen, en reken maar dat ik ook minimum bedóél. Wat mij betreft stook je de tanks droog, maar zorg dat we er komen, en snel.’

‘Tot uw orders, meneer. De passagiers zullen het niet lollig vinden.’

‘De passagiers kunnen de — Uh, mijn complimenten aan de passagiers en je kunt ze vertellen dat het een spoedopdracht van het Hoofdkwartier betreft. Spijt me van jullie dineetje, Jack, maar stop je passagiers in hydraulische bedden en zorg dat er beweging in dit schip komt. Ik ben over een minuut op de brug.’

‘Jawel, meneer.’ De luidspreker zweeg een ogenblik, en toen toeterde Staleys stem door het hele schip, ‘ATTENTIE, IEDEREEN, ATTENTIE IEDEREEN. BEREIDT U VOOR OP EEN LANGDURIGE ACCELERATIE VAN MEER DAN TWEE GEES. AAN ALLE SECTIECOMMANDANTEN: MELDT U ZODRA ALLES IN ZEKERHEID IS VOOR VERHOOGDE ACCELERATIE.’

‘Oké,’ zei Blaine. Hij draaide zich om naar Whitbread. ‘Geef de computer die vectoropgave door en laten we eens zien waar die indringer vandaan komt, verdomme.’ Hij besefte dat hij aan het vloeken was en dwong zich tot kalmte. Indringers — buitenaardsen? Grote God, wat een buitenkansje! Het bevel te voeren over het eerste schip dat ooit in contact gekomen was met buitenaardsen … ‘Laten we gewoon maar eens kijken waar ze vandaan komen, oké?’

Whitbread begaf zich naar de computer-console die naast Blaines schrijftafel stond. Het beeldscherm flikkerde wild en begon toen rijen getallen te vertonen.

‘De duivel hale je, Whitbread, ik ben geen rekenkundige! Maak er een grafiek van!’

‘Neem me niet kwalijk, meneer.’ Whitbread speelde opnieuw met de invoerknoppen. Het beeldscherm veranderde in een zwarte ruimte vol klodders en lijnen van gekleurd licht. Grote klodders waren sterren in verschillende kleuren gecodeerd naar type, snelheidsvectors waren dunne groene strepen, acceleratievectors waren lila, terwijl geprojecteerde banen weergegeven werden door zwak verlichte rode curven. En die lange groene lijn —

Ongelovig keek Blaine naar het beeldscherm en legde toen zijn vinger tegen de knobbel in zijn neus. ‘Die komen van de Splinter. Wel allemachtig. Van de Splinter, en door de normale ruimte nog wel.’ Voor zover bekend bestond er geen tramlijn naar de ster van de indringers. Afgelegen hing die ster daar, een gele stip in de nabijheid van de superreus Murchesons Oog. Visioenen van octopussen dansten door zijn hoofd.

Stel je voor dat ze vijandig waren? dacht hij opeens. Als de Ouwe Mac het zou moeten opnemen tegen een buitenaards schip, dan zouden er toch eerst wat meer reparatiewerkzaamheden verricht moeten worden.

Werkzaamheden die ze uitgesteld hadden, omdat die in een baan rond een planeet of op de grond verricht dienden te worden, en nu zouden ze die onder meer dan twee gee moeten uitvoeren. Maar de MacArthur had haar opdracht — en hij ook. Op de een of andere manier zouden ze het wel klaarspelen.

5. Het gezicht van God

Blaine begaf zich snel naar de brug en gespte zich in in zijn commandostoel. Zodra hij geïnstalleerd was stak hij zijn hand uit naar de intercom. Op het beeldscherm keek een verraste cadet Whitbread hem aan vanuit de kapiteinskajuit.

Blaine besloot een gokje te wagen. ‘Lees ze me maar voor, meneer.’

‘Uh — pardon, meneer?’

‘U heeft het reglement toch immers openliggen bij de algemene richtlijnen voor het gedrag in geval van contact met buitenaardsen? Lees me die voor, alstublieft.’ Blaine herinnerde zich ze zelf ook eens lang geleden opgezocht te hebben, zomaar voor de lol en uit nieuwsgierigheid. Dat deden de meeste cadetten.

‘Jawel, meneer.’ Het was duidelijk te zien dat Whitbread zich afvroeg of de kapitein soms zijn gedachten gelezen had en toen tot de slotsom kwam dat dat tot de voorrechten van een kapitein behoorde. Dit voorval zou legendarisch worden. ‘ “Artikel 4500: Betreffende een eerste contact met niet-menselijke verstandelijke wezens. Let wel: Verstandelijke wezens worden gedefinieerd als schepselen die gebruik maken van gereedschappen en van communicatie als onderdeel van een doelbewust gedrag. Voetnoot: Het wordt de officieren geraden bij het toepassen van deze definitie voorzichtig te werk te gaan. De korfrat van Makassar, bijvoorbeeld, bedient zich van gereedschappen en communicatie om zijn nest in stand te houden, maar toch is het geen verstandelijk wezen.

Paragraaf Een: Bij een ontmoeting met verstandelijke, niet-menselijke wezens dienen officieren het bestaan van dergelijke buitenaardsen aan het dichtstbijzijnde hoofdkwartier van de Vloot te melden. Alle andere doelen dienen beschouwd te worden als van secundair belang zijnde. Paragraaf Twee: Nadat de in paragraaf één beschreven opdracht uitgevoerd is, dienen officieren te trachten contact met de buitenaardsen tot stand te brengen, echter met dien verstande dat het hun niet toegestaan is daarbij de aan hun commando toevertrouwde schepen en bemanningen in gevaar te brengen, tenzij hun dit door hogere autoriteiten opgedragen wordt. Hoewel het officieren niet veroorloofd is vijandelijkheden te openen, moet ervan uitgegaan worden dat niet-menselijke verstandelijke wezens vijandig gezind kunnen zijn. Paragraaf Drie —” ’

Whitbread werd onderbroken door het laatste waarschuwingssignaal voordat de acceleratie opgevoerd zou worden. Blaine knikte de adelborst toe ten teken dat het zo wel goed was en liet zich achterover-zakken in zijn ligstoel. Het reglement zou hen waarschijnlijk toch niet veel helpen. Het behandelde hoofdzakelijk de te volgen procedure bij een eerste contact zonder voorafgaande waarschuwing, en in dit geval wist het hoofdkwartier van de Vloot heel goed dat de MacArthur er op uit zou gaan om een buitenaards ruimtevaartuig te onderscheppen. De zwaartekracht in het schip begon toe te nemen, langzaam genoeg om de bemanning de tijd te geven zich eraan aan te passen, zodat het een volle minuut duurde voordat een versnelling van drie gees bereikt was. Blaine voelde hoe hij met een gewicht van tweehonderdzestig kilo in zijn acceleratiestoel neergedrukt werd. Door het hele schip zouden de mannen zich nu bewegen met die behoedzame aandacht die men aan het heffen van gewichten pleegt te geven, maar het was geen acceleratie die alle beweging onmogelijk maakte. Tenminste, niet voor een jonge man. Bury zou het er moeilijker mee hebben, maar als de Handelsman in zijn gee-bed bleef, zou hij het wel klaren. Blaine voelde zich volkomen op zijn gemak in zijn zich aan zijn vormen aanpassende leunstoel. De stoel was in de hoofdsteun en bij zijn vingertoppen voorzien van bedieningsschakelaars, een draaibaar plankje boven zijn schoot, en kon elektrisch bestuurd ronddraaien, zodat hij zonder inspanning de hele brug kon overzien. Er was zelfs een afvoerbuis in aangebracht voor zijn behoeften. Oorlogsschepen zijn berekend op lange perioden onder hoge zwaartekracht. Blaine draaide wat aan de knoppen van het zich boven zijn hoofd bevindende beeldscherm, zodat er een driedimensionale grafiek op verscheen. Hij drukte de privacy-knop in om zijn gekrabbel voor de rest van de bemanning verborgen te houden. Om hem heen kweten de officieren die de brug bemanden zich van hun taken: Cargill en eerste stuurman Renner hadden de koppen bij elkaar gestoken bij de astrogatiepost en cadet Staley lag naast de roerganger, klaar om hem bij te staan wanneer dat nodig mocht zijn, maar hoofdzakelijk was hij daar om de besturing van het schip te leren. Blaines lange vingers gleden over de bedieningsknoppen van het beeldscherm. Eerst een lange groene snelheidslijn en vervolgens een korte lila vector die in tegengestelde richting liep — met een klein wit balletje er tussenin. Zo, dat was dat. De indringer was in rechte lijn vanuit de richting van de Splinter gekomen en kwam thans al afremmend regelrecht het Nieuw-Caledonië-stelsel binnen… en hij was groter dan de Maan van de Aarde. Een voorwerp ter grootte van een schip zou een stip zonder dimensies geweest zijn.

Maar goed dat dat Whitbread niet opgevallen was. Dan kreeg je allerlei geruchten onder de bemanning en paniek onder de nieuwelingen… Blaine kon zélf de metaalachtige smaak van de angst proeven. Mijn God, wat was dat ding groot.

‘Maar zo iets groots zouden ze wel móéten hebben,’ mompelde Rod in zichzelf. Vijfendertig lichtjaren door de normale ruimte! Er was nog nooit een menselijke beschaving geweest die zo’n ding voortgebracht had. Maar — hoe stelde de Admiraliteit zich voor dat hij dat ding ‘onderzoeken’ zou? Laat staan ‘onderscheppen’? Moest hij er soms een landing op uitvoeren met Mariniers?

En wat in de naam van Hannigans Hel was een lichtzeil?

‘Hier is de koers naar Brigit, meneer,’ kondigde eerste stuurman Kenner aan.

Blaine ontwaakte met een schok uit zijn gemijmer en raakte de bedieningsknoppen van zijn beeldscherm weer aan. De koers van het schip verscheen op het scherm in de vorm van een schets met cijfertabellen erboven. Met moeite zei Rod, ‘Goedgekeurd.’ Vervolgens keerde hij weer terug naar dat onmogelijk grote voorwerp op zijn beeldscherm. Plotseling haalde hij zijn zakcomputer te voorschijn en begon als een razende op het invoerschermpje te schrijven. Woorden en getallen vloeiden over het oppervlak, en toen knikte hij bij zichzelf… Natuurlijk kon je lichtdruk voor voortstuwing gebruiken. Eigenlijk was dat precies wat de MacArthur ook deed, het gebruik maken van waterstoffusie om fotonen op te wekken en die weer uit te stralen in een reusachtige, uitwaaierende lichtkegel. Met een weerspiegelend oppervlak zou je licht van buitenaf op een tweemaal zo efficiënte manier voor voortstuwing kunnen gebruiken. Natuurlijk diende die spiegel daarvoor zo groot en zo licht mogelijk te zijn en in zijn ideale vorm zou hij al het licht moeten kunnen weerspiegelen dat erop viel. Blaine grinnikte bij zichzelf. Hij had zichzelf moed zitten inpraten om met zijn maar half gerepareerde slagkruiser een ruimtevaartuig ter grootte van een planeet aan te vallen! Natuurlijk had de computer een voorwerp van die afmetingen als een bol afgebeeld. In werkelijkheid was het waarschijnlijk een lap van een of ander met een reflecterende substantie besmeerd materiaal met een doorsnee van duizenden kilometers, door middel van een verstelbare tuigage bevestigd aan de massa van het eigenlijke schip.

En inderdaad, bij een albedo ter waarde van één — vlug maakte Blaine een schets. Ja, dan zou dat lichtzeil een oppervlakte v;m ongeveer acht miljoen vierkante kilometer moeten hebben. Als hel rond was, zou het een straal van drieduizend kilometer hebben… Het werd aangedreven door licht, en dus… Blaine riep de decclcratie-factor van de indringer op zijn beeldscherm op, bracht die in overeenstemming met de totale hoeveelheid weerkaatst licht, maakte een deel-sommetje … ziedaar. Zeil en nuttige lading bij elkaar hadden dan een massa van ongeveer vierhonderdvijftigduizend kilo. Ja, eigenlijk klonk dat niet eens als een functioneel ruimtevaartuig, tenminste niet eentje om vijfendertig lichtjaren mee af te leggen door de normale ruimte. Die buitenaardse piloten moesten krankzinnig worden bij zo weinig ruimte — tenzij ze heel klein waren, of van enge ruimten hielden, of die verscheidene honderden jaren die ze al onderweg waren doorgebracht hadden in opgeblazen ballonnen met papierdunne wanden van een materiaal dat bijna niets woog… maar nee. Hij beschikte over te weinig gegevens en er was te veel ruimte voor veronderstellingen. Hoewel, hij had niets beters te doen. Peinzend voelde hij aan de knobbel in zijn neus.

Blaine stond op het punt de beeldschermen schoon te vegen, maar dacht toen nog eens na en voerde de vergroting van het beeld op. Een hele poos zat hij naar het resultaat daarvan te staren en toen vloekte hij zachtjes.

Want de indringer koerste regelrecht op de zon aan.

Met bijna drie gees decelereerde de MacArthur rechtstreeks in een baan rond Brigit om vervolgens te dalen in het beschermende Lang-ston-krachtveld van de zich op het maantje bevindende Marinebasis; een klein zwart werpspeertje dat omlaag zakte naar een reusachtig zwart kussen met elkaar verbonden door een draad van intens wit licht. Zonder dat krachtveld, dat de energie van de stuwstraal absorbeerde, zou de hoofdaandrijving van het schip enorme kraters in het oppervlak van dat op een sneeuwbal lijkende maantje gebrand hebben. Het personeel van het brandstofdepot kwam aanrennen en kweet zich met spoed van zijn taak. Vloeibare waterstof, langs elektrolytische weg verkregen uit het papperige ijs van Brigit en vervolgens vloeibaar gemaakt en gedestilleerd, stroomde de brandstoftanks van de MacArthur binnen. Tegelijkertijd joeg Sinclair zijn mannen naar buiten. Bemanningsleden zwermden uit over de romp van het schip, bij hun werk dankbaar gebruik makend van de lage zwaartekracht die hier heerste, en van het feit dat het schip aan de grond was. Bootslieden schreeuwden tegen magazijnmeesters, terwijl Brigit kaalgeplukt werd op het gebied van onderdelen.

‘Luitenant Frenzi vraagt toestemming om aan boord te komen, meneer,’ riep de officier van de wacht.

Rod trok een lelijk gezicht. ‘Stuur hem maar naar boven.’ Hij draaide zich weer om naar Sally Fowler, die zedig in de stoel van de cadet van de wacht zat. ‘Maar snap je dat dan niet, we zullen van nu af aan voortdurend accelereren onder hoge zwaartekracht tot we het punt van onderschepping bereikt hebben. Je hebt nu gevoeld wat dat zeggen wil. En trouwens, het is een gevaarlijke opdracht!’

‘Poeh. Jouw opdracht luidde mij naar Nieuw-Schotland te brengen,’ zei ze, in haar wiek geschoten. ‘Er werd met geen woord in gezegd dat je me op zo’n sneeuwbal aan de grond moest zetten.’

‘Dat was maar een algemene opdracht. Als Cziller geweten had dat we misschien zouden moeten vechten ,zou hij je nooit aan boord hebben laten gaan. Als gezagvoerder van dit schip heb ik de beslissing te nemen, en ik zeg je dat ik er niet over pieker senator Fowlers nicht mee te nemen naar een mogelijk ruimtegevecht.’

‘O.’ Ze dacht een ogenblik na. De rechtstreekse methode van aanpakken had haar niets opgeleverd. ‘Rod, luister nou eens naar me. Alsjeblieft. Jij ziet dit als een geweldig avontuur, niet waar? Hoe denk je dat ik me voel? Of die lui daarginds nu buitenaardsen zijn, of verdwaalde kolonisten die proberen het Keizerrijk weer terug te vinden, dit is mijn terrein. Ik ben hiervoor opgeleid en ik ben de enige antropologe aan boord. Je hebt me nodig.’

‘We kunnen best zonder. Het is te gevaarlijk.’

‘Je laat meneer Bury anders wél aan boord blijven.’

‘Er is geen sprake van laten. De Admiraliteit heeft me uitdrukkelijk bevolen hem aan boord van mijn schip te houden. Met betrekking tot hem heb ik geen vrijheid van handelen, maar wél met betrekking tot jou en je bedienden —’

‘Als je je soms zorgen maakt over Adam en Annie, nou, dan laten we die hier. Ze zouden trouwens toch niet tegen een dergelijke acceleratie kunnen. Maar ik kan net zoveel verdragen als jij, Kapitein Heer Roderick Blaine. Ik heb gezien hoe je na een Sprong door de hyperruimte volkomen versuft om je heen zat te staren en niet wist wat je doen moest, terwijl ik bij machte was mijn kajuit te verlaten en de trap naar de brug hier te beklimmen! Dus kom me nou niet vertellen dat ik zo hulpeloos ben! Nou? Laat je me aan boord blijven, of…’

‘Of wat?’

‘Of niks, natuurlijk. Ik weet best, dat ik je nergens mee dreigen kan. Ilè toe, Rod?’ Ze probeerde van alles en knipperde zelfs met haar ogen, waarop Rod in lachen uitbarstte.

‘Luitenant Frenzi is hier, meneer,’ kondigde de Marinier die buiten de ingang van de brug op wacht stond aan.

‘Kom binnen, Romeo, kom binnen,’ zei Rod hartelijker dan hij zich voelde. Frenzi was vijfendertig, een flinke tien jaar ouder dan Blaine, en de drie maanden die Rod onder hem gediend had waren de miserabelste maanden van zijn hele diensttijd geweest. Op het administratieve vlak was de man bekwaam, maar hij was volmaakt ongeschikt om als officier dienst te doen aan boord van een schip. Frenzi tuurde de brug rond met een vooruitgestoken onderkaak. ‘Hallo, Blaine. Waar is kapitein Cziller?’

‘Op Nieuw-Chicago,’ zei Rod minzaam. ‘Ik ben nu gezagvoerder van dc MacArthur.’ Hij liet zijn stoel ronddraaien zodat Frenzi de vier strepen rond elk van zijn beide mouwen zien kon. Frenzi’s gezicht nam een nog stroevere uitdrukking aan. Zijn mond zakte onderuit. ‘Wel gefeliciteerd.’ Een lange pauze. Toen: ‘Meneer.’

‘Dank je, Romeo. Ik moet er zelf ook nog aan wennen.’

‘Nou, dan zal ik maar eens teruggaan naar buiten en tegen dc soldaten zeggen dat ze niet zo’n haast hoeven te maken met het tanken, hè?’ zei Frenzi. Hij draaide zich om om de daad bij het woord te gaan voegen. ‘Wat bedoel je, verdomme, met geen haast maken? Ik heb prioriteit dubbel A Eén. Wil je het radiobericht soms zien?’

‘Heb ik al gezien. Ze hebben er een kopie van naar mijn depot gestuurd, Blaine — uh, kapitein. Maar uit dat bericht blijkt duidelijk dat admiraal Cranston denkt dat Cziller nog steeds gezagvoerder van de MacArthur is. Met alle respect durf ik veronderstellen, meneer, dat hij dit schip er niet op uitgestuurd zou hebben om een mogelijk buitenaards vaartuig te onderscheppen als hij geweten had dat haar gezagvoerder een — een jonge officier was die voor het eerst het commando voerde. Meneer.’

Voordat Blaine antwoorden kon, deed Sally haar mond open. ‘Ik heb dat bericht gezien, luitenant, en het was gericht aan de MacArthur, en niet aan Cziller. En daarin wordt aan het schip prioriteit verleend voor het innemen van brandstof…’

Frenzi wierp haar een koude blik toe. ‘De Lermontov is uitstekend geschikt voor deze onderschepping, zou ik denken. U wilt me zeker wel verontschuldigen, kapitein, want ik moet weer terug naar mijn post.’ Hij wierp Sally weer een vernietigende blik toe. ‘Ik wist niet dat ze tegenwoordig ongeüniformeerde vrouwen als adelborsten meenamen aan boord.’

‘Toevallig ben ik senator Fowlers nicht en ik bevind me aan boord van dit schip op last van de Admiraliteit, luitenant,’ voegde ze hem op strenge toon toe. ‘Ik sta verbluft over uw gebrek aan manieren. Mijn familie is een dergelijke behandeling niet gewend en ik ben er zeker van dat mijn vrienden aan het Hof ontsteld zullen zijn te horen dat een keizerlijk officier zich zo lomp kan gedragen.’ Frenzi werd rood en keek verwilderd om zich heen. ‘Mijn excuses, vrouwe. Ik verzeker u dat ik het niet als een belediging bedoelde… Ik was alleen maar verrast. We zien niet vaak meisjes aan boord van oorlogsschepen en zeker niet jongedames die zo aantrekkelijk zijn als u, neemt u mij niet kwalijk…’ Zijn stem stierf weg, nog altijd zonder punctuatie, toen hij haastig de brug verliet.

‘Waarom kon jij nou niet zo reageren?’ vroeg Sally zich hardop af. Rod grijnsde tegen haar en sprong toen uit zijn stoel op. ‘Die gaat Cranston seinen dat ik hier gezagvoerder ben! Een bericht doet er — wat, ongeveer een uur over om Nieuw-Schotland te bereiken, en dan hebben we nog eens een uur voordat het antwoord terugkomt.’ Haastig schoten Rods vingers naar de knoppen van de intercom:

‘ALLE HENS.

HIER SPREEKT DE KAPITEIN. OVER HONDERDVIJFENTWINTIG MINUTEN GAAN WE VAN DE GROND. OVER HONDERD VIJFENTWINTIG MINUTEN GAAN WE VAN DE GROND. IEDEREEN DIE DAN NIET AAN BOORD IS, WORDT ACHTERGELATEN.’

‘Goed zo,’ riep Sally bij wijze van aanmoediging. ‘Laat-ie nou z’n radioberichten maar versturen.’ En terwijl Blaine zich omdraaide om zijn bemanning tot meer spoed aan te zetten, verliet ze stilletjes de brug om zich in haar kajuit te gaan verstoppen. Rod sprak opnieuw door de intercom. ‘Luitenant Sinclair, laat me weten als er zich daarbuiten enige vertraging mocht voordoen.’ Als Frenzi probeerde hem te vertragen, wie weet zou Blaine hem dan wel voor een vuurpeloton kunnen laten brengen. Hij zou er in ieder geval zijn best voor doen… lang geleden al had hij ervan gedroomd, Frenzi nog eens te laten fusilleren.

De meldingen begonnen binnen te komen. Cargill verscheen op de brug met een stapel overplaatsingsbevelen in zijn hand en een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. De bootslieden van de MacArthur waren met afschriften van dat prioriteitsbericht in de hand op zoek gegaan naar de beste mannen die er op Brigit te vinden waren. Nieuwelingen en oudgedienden zwermden door het hele schip, overal beschadigde apparatuur verwijderend en er haastig nieuwe onderdelen uit Brigits magazijnen voor in de plaats stoppend, waarna ze even keken of alles werkte om vervolgens ijlings naar het volgende karwei te gaan. Weer andere vervangingsonderdelen werden weggeborgen zodra ze aan boord kwamen. Die zouden ze later kunnen gebruiken om er Sinclairs gesmolten uitziende noodoplossingen mee te vervangen… als iemand tenminste kon uitkienen hóé ze dat zouden moeten doen. Het was al moeilijk genoeg te weten wat er in een van die gestandaardiseerde zwarte kastjes zat. Rod kreeg een microgolf-verhitter in het oog die hij regelrecht doorstuurde naar de officierskantine; daar zou Cargill wel blij mee zijn.

Toen het tanken bijna klaar was trok Rod zijn ruimtepak aan en ging naar buiten. Een door hem persoonlijk uitgevoerde inspectie was overbodig, maar het was goed voor het moreel van de bemanning te weten dal de Ouwe bij iedereen over de schouder keek. Terwijl hij daar builen was, keek Rod omhoog of hij de indringer soms zien kon. Vanuit de ruimte staarde het Gezicht van God hem aan. De Kolenzak was een nevelachtige wolk van stof en gas, die tamelijk klein was voor haar soort — vierentwintig tot dertig lichtjaren dik — maar erg dicht, en die zich dicht genoeg bij Nieuw-Caledonië bevond om een kwart van de hemel te beslaan. De Aarde en de Keizerlijke Hoofdplaneet, Sparta, bleven voortdurend zichtbaar aan de andere kunt ervan. De zich gestadig uitbreidende zwarte vlek onttrok het grootste deel van het Keizerrijk aan het oog, maar ze vormde een mooie, fluwelen achtergrond voor twee dichterbij gelegen, helder schitterende sterren.

Ook zonder die achtergrond was Murchesons Oog de helderste ster aan de hemel — een grote rode reus, vijfendertig lichtjaren ver. De witte vlek aan de rand ervan was een metgezel, een gele dwerg die kleiner en zwakker was, en minder interessant: de Splinter. De Kolenzak had hier de vorm van hoofd en schouders van een man die een kap over zijn hoofd had; en zo bezien veranderde die uit het midden gelegen rode superreus in een waakzaam, boosaardig oog. Het Gezicht van God. Het was een door het hele Keizerrijk beroemde bezienswaardigheid, dit zeldzame uitzicht dat je vanuit Nieuw-Caledonië op de Kolenzak had. Maar nu hij hier zo in de koude ruimte stond zag het er anders uit. Op een foto was het alleen maar de Kolenzak. Maar hier was het werkelijkheid.

In vanuit de Splinter in Gods Oog was er iets onderweg naar hem toe, dat hij niet zien kon.

6. Het lichtzeil

Hun acceleratie bedroeg op dit moment slechts één gee, maar dit ging gepaard met een draaierig gevoel in de maag, terwijl de MacArthur een zwenkende manoeuvre maakte om op de juiste onderscheppingskoers te komen. Gedurende de weinige ogenblikken die deze koersveranderingen in beslag namen werd Rod door elastische banden op zijn plaats gehouden in zijn acceleratiestoel, maar Rod vermoedde dat het minuten waren waarnaar hij spoedig terug zou verlangen. Kevin Renner was, voordat hij Eerste Stuurman van de MacArthur geworden was, een tijd stuurman geweest van een interstellair handelsvaartuig. Hij was een magere man met een smal gezicht, en hij was tien jaar ouder dan Blaine. Toen Rod zijn acceleratiestoel naar hem toe bewoog en achter hem kwam zitten, was Renner bezig curven op een beeldscherm met elkaar in overeenstemming te brengen en de zelfvoldane grijns op zijn gezicht was niet de gelaatsuitdrukking van een Marineman.

‘Heeft u onze koers al, luitenant Renner?’

‘Jawel meneer,’ zei Kevin Renner vergenoegd. ‘Pal de zon in met vier gees!’

Blaine gaf toe aan het verlangen de man op de proef te stellen om te zien of hij soms blufte. ‘Goed, accelereren maar.’ Waarschuwingssignalen weerklonken door het hele schip en de MacArthur begon te accelereren. Bemanning en passagiers voelden hun gewicht geleidelijk aan dieper wegzakken in bedden, stoelen en ligstoelen, en bereidden er zich gelaten op voor gedurende verscheidene dagen veel te veel te zullen wegen. ‘U maakte toch zeker een grapje, hè?’ vroeg Blaine. De eerste stuurman keek hem schalks aan. ‘U weet dat we hier met een lichtzeilaandrijving te maken hebben, meneer?’

‘Natuurlijk.’

‘Kijkt u dan maar eens hier.’ Renners vaardige vingers produceerden een groene curve op het beeldscherm, een parabool die aan de rechterkant steil omhoog ging. ‘Het zonlicht dat per vierkante centimeter op een lichtzeil valt, neemt af met een factor die gelijk is aan het kwadraat van de afstand tot die ster. En de acceleratie varieert recht evenredig aan de hoeveelheid zonlicht die door zo’n zeil gereflecteerd wordt.’

‘Natuurlijk, meneer Renner. Kom voor de dag met wat u zeggen wilt.’ Renner bracht een tweede parabool op het beeldscherm, die veel van de eerste weghad, maar ditmaal in het blauw. ‘Ook de stellaire wind kan een lichtzeil aandrijven. De daardoor uitgeoefende druk op het zeil varieert op ongeveer dezelfde manier, maar een belangrijk verschil is dat de stellaire wind uit atoomkernen bestaat. Die komen niet verder dan het zeil — ze blijven plakken zonder er doorheen te gaan — en die uitstraling vormt overal een rechte hoek met de zon.’

‘Je kunt er niet tegenin laveren,’ besefte Blaine plotseling. ‘Je kunt tegen het licht in laveren door de hoek van het zeil te veranderen, maar door de stellaire wind word je altijd rechtstreeks van de zon weggeduwd.’

‘Precies. En dus, kapitein, stelt u zich nu eens voor dat u een zonnestelsel binnenkwam met een snelheid van zeven procent van die van het licht — moge God het verhoeden — en dat u zou willen stoppen. Wat zou u dan doen?’

‘Al het gewicht overboord gooien dat ik maar kon,’ zei Blaine peinzend. ‘Hmm. Ik zie niet in waarom dat een probleem zou moeten zijn. Toen ze van huis weggingen, moeten ze op dezelfde manier gelanceerd zijn.’

‘Dat geloof ik niet. Daarvoor gaan ze te snel. Maar laten we dat even buiten beschouwing laten. Waar het om gaat is dat ze te hard gaan om te kunnen stoppen, tenzij ze erg dicht bij een zon komen, maar dan ook wel héél erg dicht erbij. De indringer is in feite bezig pardoes in de zon te vallen. Waarschijnlijk zal hij hard overstag gaan, nadat het zonlicht hem voldoende afgeremd heeft… als het schip intussen ten1 minste niet gesmolten is en de tuigage niet losgelaten heeft, of het zeil niet gescheurd is. Maar hun situatie is zo kiele-kiele dat ze zich wel naar die zon toe moeten laten vallen; ze hebben eenvoudig geen keus.’

‘Ach zo,’ zei Blaine.

‘En ik behoef u nauwelijks te vertellen,’ voegde Renner eraan toe, ‘dat wanneer we straks bij hen langszij komen, ook wij bezig zullen zijn, pal op de zon af te gaan…’

‘Met een snelheid van zeven procent van die van het licht?’

‘Nee, met zes procent. De indringer zal tegen die tijd inmiddels al wat vaart geminderd hebben. We zullen er honderdvijfentwintig uur voor nodig hebben om hem te bereiken, en het grootste deel van die afstand zullen we onder vier gees moeten afleggen. Alleen tegen het eind zullen wc wat langzamer kunnen gaan.’

‘Dan zal iedereen het zwaar te verduren krijgen,’ zei Blaine. En een beetje laat vroeg hij zich eensklaps af of Sally Fowler eigenlijk inderdaad van boord gegaan was. ‘Speciaal de passagiers. Kunt u me geen gemakkelijkere koers voorstellen?’

‘Jazeker, meneer,’ zei Renner prompt. ‘Ik zou ook over honderdzeventig uur langszij kunnen zijn zonder ooit sneller te hoeven gaan dan twee en een halve gee — en dat zou ons brandstof besparen ook, want de indringer zal dan inmiddels meer tijd gehad hebben om wat vaart te verliezen. Bij de koers die we momenteel volgen zullen de brandstoftanks net leeg zijn wanneer we op Nieuw-Ierland aankomen, aangenomen dat we de indringer op sleeptouw zullen nemen.’

‘Lege brandstoftanks, hmm. Maar deze koers stond u méér aan.’ Rod begon een hekel te krijgen aan de eerste stuurman en aan die grijns van hem, die voortdurend impliceerde dat de kapitein iets heel belangrijks en voor de handliggends over het hoofd gezien had. ‘Vertelt u me maar eens, waarom,’ stelde hij voor.

‘Het kwam bij me op dat de indringer wel eens vijandig gezind zou kunnen zijn.’

‘Ja. En?’

‘Als we langszij zouden komen en hij zou dan kans zien onze motoren onklaar te maken…’

‘Dan zouden we de zon induiken met een snelheid van zes procent van die van het licht. Inderdaad, ja. En daarom brengt u ons dus zo ver mogelijk van Cal langszij, opdat we eventueel de lijd zullen hebben daar iets aan te doen.’

‘Precies, meneer. Zo is het.’

‘Goed. U geniet hiervan, hè, meneer Renner?’

‘Ik zou dit voor geen geld hebben willen missen, meneer. En u?’

‘Gaat u maar verder met uw werk, meneer Renner.’ Blaine manoeuvreerde zijn acceleratiestoel naar een ander beeldscherm en begon de door de eerste stuurman uitgezette koers te controleren. Enige tijd later wees hij de eerste stuurman erop dat ze vlak voor het tijdstip van onderschepping bijna een uur lang hun acceleratie zouden kunnen verminderen tot één gee om iedereen de kans te geven een beetje bij te komen. Renner was het overdreven geestdriftig met hem eens en toog aan het werk om de nodige veranderingen aan te brengen. ‘Goede vrienden kan ik best gebruiken aan boord van mijn schip,’ had kapitein Cziller altijd tegen zijn cadetten gezegd, ‘maar ik zou ze allemaal inruilen voor één bekwame eerste stuurman.’ En Renner was bekwaam. Renner was tevens een wijsneus, maar dat hinderde niet.

Rod was best tevreden met zo’n bekwame wijsneus.

Bij vier gees verzette niemand een voet en probeerde niemand iets op te tillen. De zwarte kastjes die andere onderdelen moesten vervangen bleven rustig in het ruim liggen, terwijl de MacArthur voorlopig nog bleef functioneren met de dingen die door Sinclair geïmproviseerd waren. De meeste bemanningsleden verrichtten hun werkzaamheden vanuit hun bedden, of vanuit verplaatsbare stoelen, of ze werkten helemaal niet.

In de bemanningsverblijven speelden ze ingewikkelde woordspelletjes, of ze hielden zich bezig met gissingen over de ophanden zijnde ontmoeting, of ze vertelden elkaar verhalen. De helft van de beeldschermen aan boord vertoonden allemaal hetzelfde: een schijf die op de zon leek, met daarachter Murchesons Oog, en de Kolenzak als achtergrond.

De verklikkerlichtjes op het instrumentenbord toonden aan dat er in Sally’s kajuit zuurstof verbruikt werd. Rod sprak binnensmonds een aantal kernachtige vloeken uit. Bijna had hij haar toen meteen opgeroepen via de intercom, maar hij bedacht zich en besloot te wachten. In plaats daarvan riep hij Bury op.

Bury lag in zijn gee-bad: vloeistof met een dun laagje zeer elastisch mylar eromheen. Alleen zijn gezicht en zijn handen waren boven het gebogen oppervlak te zien. Zijn gezicht zag er oud uit — het verried bijna zijn werkelijke leeftijd.

‘Kapitein, u hebt verkozen mij niet op Brigit achter te laten. In plaats daarvan neemt u nu een burger mee op een reis die de mogelijkheid van gevechtshandelingen inhoudt. Mag ik vragen waarom?’

‘Natuurlijk, meneer Bury. Ik nam aan dat het voor u erg inconveniënt zou zijn op een ijsbal aan land gezet te worden met vrijwel geen kans op verder vervoer in het vooruitzicht. Misschien heb ik daar verkeerd aan gedaan.’

Bury glimlachte — of liever gezegd, hij probeerde dat te doen. Iedereen aan boord zag er twee keer zo oud uit, nu hun gezichtshuid door viermaal de normale zwaartekracht omlaag getrokken werd. Bury’s poging tot glimlachen had iets weg van gewichtheffen. ‘Nee, kapitein, daar heeft u niet verkeerd aan gedaan. In de officierskantine heb ik uw orders gezien, die daar op het bord geprikt hangen. Goed. We zijn dus op weg om een niet-menselijk ruimtevaartuig te ontmoeten.’

‘Daar ziet het inderdaad naar uit, ja.’

‘Misschien hebben ze wel ruilwaar aan boord. Vooral als ze van een niet-terrestriale planeet afkomstig zijn, zou zo’n ruilhandel me wel interesseren. Laten we het hopen. Kapitein, zou u me op de hoogte willen houden van wat er gebeurt?’

‘Daar zal ik waarschijnlijk geen tijd voor hebben,’ zei Blaine, het beleefdste van verscheidene antwoorden uitkiezend die in hem opkwamen.

‘Ja, natuurlijk, maar ik bedoelde ook niet dat u dat persoonlijk zou moeten doen. Ik wil alleen maar op de hoogte blijven van onze vorderingen. Met het oog op mijn leeftijd durf ik gedurende deze hele reis beslist geen voet buiten deze rubberen badkuip te zetten. Hoe lang handhaven wc deze acceleratie van vier gees?’

‘Gedurende honderdvijfentwintig uur. We hebben er nu nog honderd-vierentwintig voor de boeg.’

‘Dank u wel, kapitein.’ Bury verdween van het beeldscherm. Rod wreef nadenkend langs de knobbel op zijn neus. Wist Bury wat zijn status aan boord van de MacArthur was? Maar het deed er eigenlijk niet toe. Hij verbond zich met Sally’s kajuit. Ze zag eruit alsof ze een week lang niet geslapen, of in geen jaren geglimlacht had. ‘Hallo, Sally,’ zei Blaine. ‘Spijt dat je meegekomen bent?’

‘Ik heb je toch al gezegd dat ik net zoveel verdragen kan als jij,’ zei Sally kalmpjes. Ze greep de armleuningen van haar stoel beet en stond op. Ze liet de leuningen los en spreidde haar armen uit om te laten zien hoe flink ze was.

‘Wees voorzichtig,’ zei Blaine, trachtend zijn stem in bedwang te houden. ‘Maak geen plotselinge bewegingen. Houd je knieën recht. Alleen al door te gaan zitten zou je je rug kunnen breken. Blijf nu rechtop staan, maar reik achter je. Zorg ervoor dat je allebei de armleuningen van je stoel beet hebt, voordat je je bovenlichaam probeert te buigen —’ Sally geloofde niet dat er gevaar bestond; ze zag dit pas in toen ze aanstalten maakte om te gaan zitten. Toen gingen haar armspieren in de knoop, kwam er plotseling een uitdrukking van paniek in haar ogen, en kwam ze veel te hard in haar stoel neer; het was alsof de zwaartekracht van de MacArthur haar naar beneden gezogen had. ‘Heb je je bezeerd?’

‘Nee,’ zei ze. ‘Alleen maar mijn trots.’

‘Blijf dan ook in die stoel, verdomme! Zie je mij soms overeind staan? Nee. En dat zul je me ook niet zien doen ook!’

‘Oké.’ Ze bewoog haar hoofd heen en weer. Ze was kennelijk duizelig van de smak.

‘Heb je je bedienden nog aan land gezet?’

‘Ja. Ik heb ze voor de gek moeten houden — zonder mijn bagage zouden ze nooit van boord gegaan zijn.’ Ze lachte, en het klonk als de lach van een oude vrouw. ‘Totdat we Nieuw-Caledonië bereiken zijn dit de enige kleren die ik bezit.’

‘Je hebt ze dus voor de gek gehouden, hè? Precies zoals je mij voor de gek gehouden hebt. Ik had je door Kelley van boord moeten laten zétten.’ Rods stem klonk verbitterd. Hij wist dat hij er tweemaal zo oud uitzag als hij was en als een kreupele in een rolstoel. ‘Goed, je bent nu eenmaal aan boord. Ik kan je nu niet meer aan land zetten.’

‘Maar ik zal misschien kunnen helpen. Ik ben antropologe.’ Ze trok een wrang gezicht bij de gedachte opnieuw te proberen op te staan. ‘Kan ik je via de intercom bereiken?’

‘Dan krijg je de cadet van de wacht. Als je me soms werkelijk dringend moet spreken, moet je dat maar tegen hem zeggen. Maar — dit is een oorlogsschip, Sally. Die buitenaardsen koesteren misschien geen vriendschappelijke bedoelingen. Onthoud dat in godsnaam; mijn officieren van de wacht zullen geen tijd hebben voor wetenschappelijke discussies als we midden in een ruimtegevecht zitten!’

‘Dat weet ik ook wel. Ik had gehoopt dat je me voor verstandiger hield.’ Ze probeerde te lachen. ‘Ook al heb ik dan niet het benul niet overeind te gaan staan bij vier gees.’

‘Ja. En doe me nou nóg een plezier. Stap in je gee-bad.’

‘Moet ik daarvoor mijn kleren uittrekken?’

Blaine kon niet blozen; er stroomde niet genoeg bloed naar zijn hoofd. ‘Dat is een goed idee vooral als je soms kleren met gespen aanhebt. Je kunt het visuele gedeelte van de intercom uitschakelen.’

‘Goed.’

‘En wees voorzichtig. Ik zou een van de getrouwde bemanningsleden naar je toe kunnen sturen om je te helpen —’

‘Nee, dank je.’

‘Wacht er dan nog maar even mee. Er komen straks af en toe korte perioden van een lagere versnelling. Probeer onder geen beding onder hoge zwaartekracht uit die stoel op te staan zonder hulp!’ Zo te zien zou ze zelfs niet meer in de verleiding komen daartoe. Eén zo’n ervaring was genoeg geweest.

‘We worden weer opgeroepen door de Lermontov,’ kondigde Whit-bread aan.

‘Rustig laten oproepen. Niet bevestigen.’

‘Tot uw orders, meneer. Niet bevestigen.’

Rod kon wel raden wat de kruiser wenste. De Lermontov wilde hem de onderschepping van de indringer voor de neus wegkapen — maar het zou het zusterschip van de MacArthur niet lukken zelfs maar in de nabijheid van de buitenaardsen te komen voordat de afstand tot de zon eenvoudig te klein werd. Het was veel beter hen een heel eind verderop te onderscheppen, waar ze tenminste ruimte hadden om te manoeuvreren.

Maar dat hield Rod voor zich. Hij kon op Whitbread en het verbindingspersoneel vertrouwen; van de seinen van de Lermontov zou geen melding gemaakt worden in het logboek.

Drie en een halve dag achtereen stormden ze zo door de ruimte. Om de vier uur werd de acceleratie gedurende twee minuten verminderd tot anderhalve gee om de mensen de gelegenheid te geven elkaar af te lossen, vergeten artikelen bij elkaar te graaien en van houding te veranderen; dan klonken de waarschuwingssignalen weer, sloegen de naalden van de schokmeters weer uit, en keerde dat drukkende, te grote gewicht weer terug.

Eerst was de neus van de MacArthur gericht geweest op een punt dat zestig graden naast Cal lag, want ze hadden zich moeten aanpassen aan de koers van de indringer. Toen dat eenmaal gebeurd was, was de MacArthur opnieuw van richting veranderd, zodat haar neus nu gericht was op de helderste ster in de ruimte.

Cal begon steeds grotere vormen aan te nemen. Ook veranderde hij van kleur, maar slechts een heel klein beetje. Niemand zou die verschuiving van het blauw in het spectrum met het blote oog kunnen waarnemen. Maar wat de mannen wél zagen op de beeldschermen, was dat de helderste ster een ronde schijf geworden was en met het uur groeide.

Zij werd niet helderder, want de lichtsterkte werd door de beeldschermen constant gehouden; maar die kleine zonneschijf groeide onheilspellend, en zij lag recht voor hen uit. Achter hen bevond zich een andere schijf van dezelfde kleur, het wit van een F8 ster. Ook die werd met het uur groter. Als het broodbeleg tussen een sandwich werd de MacArthur ingesloten door twee op elkaar afstormende zonnen. Op de tweede dag bracht Staley een nieuwe cadet mee naar de brug; samen kwamen ze aangegleden in hun door elektromotoren voortbewogen acceleratiestoelen. Afgezien van een kort onderhoud op Brigit had Rod hem nog niet ontmoet; hij heette Gavin Potter en was een zestienjarige jongen van Nieuw-Schotland. Potter was lang voor zijn leeftijd; hij scheen zich met opzet kleiner te maken, alsof hij bang was om op te vallen.

Blaine dacht dat Potter alleen maar rondgeleid werd door het hele schip. Hij vond dat een goed idee, want als de indringer vijandig mocht blijken te zijn, zou de jongen zich wellicht in het donker en onder wisselende zwaartekracht door het schip moeten kunnen bewegen en daarvoor diende hij volkomen vertrouwd met de MacArthur te zijn. Maar Staley had kennelijk meer in gedachten. Het drong tot Blaine door, dat ze zijn aandacht probeerden te trekken. ‘Ja, meneer Staley?’

‘Dit is cadet Gavin Potter, meneer,’ zei Staley. ‘Hij heeft me iets verteld dat voor u van belang is om te horen, vind ik.’

‘Goed, voor de dag ermee.’ Iedere afleiding van die hoge zwaartekracht was welkom.

‘Er was een kerk bij ons in de straat, meneer, in het boerendorp op Nieuw-Schotland waar ik vandaan kom.’ Potter had een zachte, lage stem, en hij sprak zorgvuldig, zodat er bij hem slechts een zweempje te bespeuren viel van die zware Schotse tongval waardoor bijvoorbeeld Sinclairs spraak zich zo onderscheidde.

‘Een kerk, juist ja,’ zei Blaine bemoedigend. ‘Geen orthodoxe kerk, neem ik aan —’

‘Nee, meneer. Een Kerk van Hem. Het lidmaatschap is niet groot. Een vriend en ik zijn eens voor de grap naar binnen geslopen.’

‘Hebben ze jullie gesnapt?’

‘Ik weet dat ik dit nogal stuntelig vertel, meneer. Maar waar het om gaat is — Er was daar een hele grote vergroting van een oude holo van Murchesons Oog met de Kolenzak op de achtergrond. Het Gezicht van God, precies als op de ansichtkaarten. Alleen zag het er op deze afbeelding heel anders uit. Het Oog was daarop veel helderder dan het nu is, en het was blauwgroen in plaats van rood. Met een rode stip aan de rand.’

‘Het zou oorspronkelijk een schilderij geweest kunnen zijn,’ opperde Blaine. Hij haalde zijn zakcomputer te voorschijn, krabbelde ‘Kerk van Hem’ op het schrijfraam, en drukte toen de knop voor informatie in. Er kwam een verbinding tot stand tussen het doosje in zijn hand en de bibliotheek in het geheugen van de scheepscomputer, en de ene regel inlichtingen na de andere begon over het kleine beeldschermpje te glijden. ‘Hier staat dat volgens het geloof van de Kerk van Hem de Kolenzak, met dat ene rode oog, werkelijk het Gezicht van God is. Zouden ze het misschien geretoucheerd hebben om het oog er indrukwekkender te laten uitzien?’ Rod liet zijn stem nog steeds geïnteresseerd klinken; wanneer de cadetten straks klaar waren met hun verhaal kon hij ze altijd nog de les lezen over het verspillen van zijn tijd. Als ze zijn tijd inderdaad verspilden … ‘Maar —’ zei Potter.

‘Meneer —’ zei Staley, te ver naar voren leunend in zijn stoel. ‘Een tegelijk. Meneer Staley?’

‘Ik heb het niet alleen maar aan Potter gevraagd, meneer. Ik heb navraag gedaan bij luitenant Sinclair. Hij zegt dat zijn grootvader hem verteld heeft dat de Splinter eens helderder geweest was dan Murchesons Oog, en dat hij toen heldergroen van kleur was. En zoals Gavin die holo beschrijft — nou, meneer, sterren stralen nou eenmaal niet alleen maar één enkele kleur uit. En dus —’

‘Des te meer reden om aan te nemen dat ze die holo geretoucheerd hadden. Maar vreemd is het wel met die indringer die rechtstreeks vanuit de Splinter op ons afkomt…’

‘Licht,’ zei Potter op gedecideerde toon.

‘Het lichtzeil!’ riep Rod uit, plotseling iets beseffend. ‘Bravo! Goed gedacht.’ De hele bemanning van de brug draaide zich om, om naar de kapitein te kijken. ‘Renner! Zei je daarnet niet dat die indringer sneller gaat dan eigenlijk het geval zou moeten zijn?’

‘Jawel, meneer,’ antwoordde Renner vanaf zijn post aan de andere kant van de brug. ‘Als hij tenminste gelanceerd werd vanaf een bewoonbare planeet in een kringloop rond de Splinter.’

‘Zouden ze daarvoor een batterij laserkanonnen gebruikt kunnen hebben?’

‘Jazeker, waarom niet?’ Renner liet zijn stoel naar hen toe rollen. ‘In feite zou je kunnen lanceren met behulp van een kleine batterij en er daarna steeds meer kanonnen aan toevoegen, naarmate het schip zich verder en verder van je verwijderde. Dat levert je een enorm voordeel op. Als een van je kanonnen defect raakt, heb je hem bij de hand om hem thuis op je eigen planeet te repareren.’

Dat is zoiets als wanneer je je motor thuis zou laten,’ riep Potter uit, ‘terwijl je hem toch kunt gebruiken.’

‘Tja, er zijn natuurlijk wel problemen met de efficiëntie ervan. Het hangt ervan af, hoe strak je de straal gebundeld kunt houden,’ antwoordde Renner. ‘Jammer dat je hem niet kunt gebruiken om er ook mee af te remmen. Hebben jullie enige reden om aan te nemen —’ Ze begonnen de eerste stuurman van die variaties in de kleur van de Splinter te vertellen, en Rod liet hen aan elkaar over. Hemzelf kon dat niet veel schelen. Zijn probleem was wat de indringer nu zou gaan doen?

Ze waren nog maar twintig uur van het ontmoetingspunt verwijderd, toen Renner naar Blaine toe kwam en hem vroeg of hij de beeldschermen van de gezagvoerder mocht gebruiken. De man kon blijkbaar niet praten zonder via een beeldscherm met een computer in verbinding te staan. Als hij alleen maar zijn stem had om zich van te bedienen, zou hij geen woord kunnen uitbrengen. ‘Moet u eens kijken, kapitein,’ zei hij, een overzichtskaart van het plaatselijke sterrengebied op het beeldscherm te voorschijn toverend. ‘Hier is de indringer vandaan gekomen. Degenen die hem hebben gelanceerd, hebben daarvoor een laserkanon afgevuurd, of verscheidene laserkanonnen — waarschijnlijk een heel stel van die dingen, geplaatst op asteroïden, met spiegels om het brandpunt in te stellen — en dat hebben ze ongeveer vijfenveertig jaar lang volgehouden, zodat die indringer een straal had om zich op voort te bewegen. Die straal was rechtstreeks van de Splinter afkomstig, en dat is deze indringer ook.’

‘Maar dan zou dat toch ergens officieel opgetekend moeten staan,’ zei Blaine. ‘Iemand zou dan toch gezien moeten hebben dat de Splinter gebundeld licht uitzond.’

Renner haalde zijn schouders op. ‘Hoe betrouwbaar zijn meldingen van Nieuw-Schotland?’

‘Laten we maar eens kijken.’ Het nam slechts een paar seconden in beslag om te vernemen dat van Nieuw-Schotland afkomstige astronomische gegevens niet betrouwbaar geacht werden en dat dergelijke aantekeningen om die reden niet opgenomen waren in het computerarchief van de MacArthur. ‘Nou ja, niets aan te doen. Laten we maar aannemen dat u gelijk hebt.’

‘Maar dat is het hem nou juist: er deugt niets van, kapitein,’ wierp Renner tegen. ‘Want ziet u, het is mogelijk van richting te veranderen in de interstellaire ruimte. Wat ze hadden moeten doen, is —’ De nieuwe baan verliet de Splinter onder een geringe hoek ten opzichte van de oude. ‘Ook nu weer zweven ze het grootste deel van de afstand vrij door de ruimte. Maar op dit punt’ — waarop de indringer zich al een flink stuk voorbij Nieuw-Caledonië bevonden zou hebben —’laden we het schip op tot tien miljoen volt. Het magnetische achtergrondveld van de Melkweg doet het schip een halve slag draaien en nu nadert het het Nieuw-Caledonië-stelsel van achteren. En ondertussen heeft degene die de straal bediende die honderdvijftig jaar geleden uitgeschakeld. Maar nu schakelt hij hem weer in, en de sonde bedient zich van de straal om af te remmen.’

‘Weet u zeker dat dat magnetische veld die uitwerking zou hebben?’

‘Maar dat is toch natuurkunde van de middelbare school! En de interstellaire magnetische velden zijn terdege in kaart gebracht, kapitein.’

‘Tja, waarom hebben ze zich er dan niet van bediend?’

‘Ik wou dat ik het wist,’ riep Renner gefrustreerd uit. ‘Misschien hebben ze er gewoon niet aan gedacht. Misschien waren ze bang dat ze het uitzenden van die laserstralen niet lang genoeg zouden kunnen volhouden. Of misschien vertrouwden ze degenen niet, die ze achter moesten laten om ze te bedienen. Kapitein, we weten domweg niet genoeg van ze af.’

‘Alsof ik dat niet weet, Renner. Maar waarom zou je je er zo over opwinden? Als we geluk hebben, zullen we het ze eenvoudig zelf vragen.’ Er verscheen een langzame, onwillige glimlach op Renners gezicht. ‘Maar dat is net zo iets als spieken.’

‘Och man, ga wat slapen.’

Rod werd wakker van het geschetter van de luidsprekers:

‘VERANDERING VAN ZWAARTEKRACHT OVER TIEN MINUTEN. MAAKT U GEREED VOOR EEN OVERGANG NAAR ÉÉN STANDAARD ZWAARTEKRACHT OVER TIEN MINUTEN.’

Blaine glimlachte — stel je voor, maar één gee! — en voelde zijn glimlach verstrakken. Dat betekende dat ze over één uur parallel met de indringer zouden komen te liggen. Hij stelde zijn uitkijkschermen in werking om geconfronteerd te worden met een fel lichtschijnsel, zowel voor als achter het schip. De MacArthur zat tussen twee zonnen in. Cal was nu even groot als Sol, gezien vanaf de planeet Venus, maar helderder; Cal was een hetere ster. De indringer was een kleinere ronde schijf, maar nóg helderder. Het zeil was concaaf. Alleen al het gebruiken van de intercom kostte hem inspanning. ‘Sinclair?’

‘Machinekamer meldt zich, kap’tein.’

Het deed Rod genoegen te zien dat Sinclair zich in een hydraulisch bed bevond. ‘Hoe houdt het Veld het uit, Sandy?’

‘Heel goed, kap’tein. De temperratuurr blijft mooi constant.’

‘Dank je.’ Rod was blij dat te horen. Het Langston-veld absorbeerde energie; dat was de fundamentele functie ervan. Het absorbeerde zelfs de kinetische energie van exploderende gassen of stralingsdeeltjes, en wel met een doelmatigheid die evenredig was aan de derde macht van de snelheid waarmee die binnenkwamen. Tijdens een ruimtegevecht zouden de helse furie van waterstoftorpedo’s en de geconcentreerde foton-energieën van laserstralen op het Veld stuiten en daardoor verstrooid, geabsorbeerd en bedwongen worden. Naarmate de hoeveelheden energie groter werden, zou het Veld beginnen te gloeien waarbij het absolute zwart ervan eerst rood, dan oranje en dan geel zou worden, om vervolgens op te klimmen door het spectrum naar het violet. Dat was het fundamentele probleem dat aan het Langston-veld verbonden was. De opgevangen energie moest weer uitgestraald worden; als het Veld overbelast raakte, ontlaadde het al de geaccumuleerde energie in één verblindend witte flits die zowel naar binnen als naar buiten sloeg. Om dat te verhinderen moest je de energie van het schip zelf gebruiken — en die energie moest nog eens opgeteld worden bij de door het Veld geaccumuleerde energieën. Wanneer zijn Veld te heet werd, was het met zo’n schip gedaan. En wel in luttele seconden. Normaal gesproken kon een oorlogsschip zich beangstigend dicht bij een zon wagen zonder in levensgevaar te verkeren, zolang zijn Veld nooit heter werd dan de temperatuur van die zon plus de hoeveelheden energie die benodigd waren om het Veld in stand te houden. Maar nu, nu ze één zon voor zich en nog een andere zon pal achter zich hadden, kon het Veld alleen maar naar de zijkanten uitstralen — en dat moest binnen de perken gehouden worden, want anders zou de MacArthur zijdelingse acceleraties gaan ondervinden. De zijkanten van het schip werden smaller, en de zonnen werden groter, en het Veld werd voortdurend heter. Rods beeldschermen begonnen een zweempje van een rode tint te vertonen. Er stond nog geen ramp voor de deur, maar het diende wel in de gaten gehouden te worden. De normale zwaartekracht keerde terug. Rod begaf zich snel naar de brug en knikte tegen de cadet van de wacht. ‘Alle hens aan dek. Iedereen op zijn gevechtsposten.’ Alarmclaxons toeterden door het hele schip.

Honderdvierentwintig uur lang had de indringer geen enkel teken gegeven dat hij zich van de nadering van de MacArthur bewust was. Hij deed dat ook nu niet en gestadig kwam hij dichterbij. Op de beeldschermen in het achterschip tekende het lichtzeil zich af als een onmetelijk uitspansel van een uniform witte kleur, totdat Renner een kleine zwarte stip opmerkte. Hij speelde ermee totdat hij er een grote zwarte stip van had weten te maken met scherpe omtrekken, en waarvan de echo op het radarscherm verried dat hij zich vierduizend kilometer dichter bij de MacArthur bevond dan het zeil dat erachter hing.

‘Daar heb je ons doel, meneer,’ kondigde Renner aan. ‘Waarschijnlijk hebben ze alles in één capsule gestopt, alles wat geen deel uitmaakte van het zeil, tenminste. Eén gewicht aan het uiteinde van de tuigage om het zeil strak te houden.’

‘Precies. Breng ons langszij, meneer Renner. Meneer Whitbread! Mijn complimenten aan de hoofdmarconist en zeg hem dat ik ongecodeerde boodschappen uitzenden wil. Op zoveel golflengtes als hij maar bestrijken kan en op een lage frequentie.’

‘Jawel, meneer. Ik neem op.’

‘ “Hallo, lichtzeilschip. Hier spreekt het Keizerlijke Schip MacArthur.” Dan geven we onze herkenningstekens. En verder: “Welkom in Nieuw-Caledonië en het Keizerrijk van de Mensheid. Wij wensen langszij te komen. Antwoord, alstublieft.” Zend dat uit in het Anglisch, Russisch, Frans, Chinees, en alle andere talen die je bedenken kunt. Als het soms menselijke wezens mochten zijn, kunnen ze wel God weet waarvandaan komen.’

Nog vijftien minuten, en ze zouden langszij zijn. De zwaartekracht van het schip veranderde en veranderde nog eens toen Renner hun snelheid en positie in overeenstemming begon te brengen met de capsule van de indringer, in plaats van met het zeil. Rod gunde zich één kort ogenblik de tijd om een oproep van Sally te beantwoorden. ‘Zeg vlug wat je op je hart hebt, Sally. Alsjeblieft. We kunnen ons ieder ogenblik in gevechtsomstandigheden bevinden.’

‘Ja, Rod, dat weet ik. Mag ik op de brug komen?’

‘Ik vrees van niet. Alle stoelen zijn bezet.’

‘Dat verbaast me niets. Rod, ik wil je alleen maar iets op het hart drukken. Verwacht niet dat je met onnozelen te maken zult krijgen.’

‘Neem me niet kwalijk?’

‘Alleen al omdat ze geen Alderson-aandrijving gebruiken, verwacht jij natuurlijk dat ze primitief zullen zijn. Doe dat niet. En zelfs al zijn ze primitief, dan behoeven ze nog niet onnozel te zijn. Hun technieken en manier van denken zouden wel eens héél ingewikkeld kunnen zijn.’

‘Ik zal het in gedachten houden. Anders nog iets? Oké, hou je taai, Sally. Whitbread, als je af en toe niets anders te doen hebt, houd juffrouw Fowler dan op de hoogte van wat er gebeurt.’ Hij zette de intercom uit zijn gedachten en wendde zich tot het scherm dat het beeld vanuit het achterschip te zien gaf, op hetzelfde ogenblik dat Staley een uitroep slaakte.

Het lichtzeil van de indringer golfde. Gereflecteerd licht stroomde er overheen in grote, logge, golvende lijnen. Rod knipperde met zijn ogen, maar het hielp niet; het is bijzonder moeilijk de vorm van een verwrongen spiegel waar te nemen. ‘Dat zou ons bericht wel eens kunnen zijn,’ zei Rod. ‘Ze gebruiken de spiegel om terug te —’ Het lichtschijnsel werd verblindend en alle beeldschermen aan die kant werden donker.

De tastapparatuur in het voorschip werkte nog en gaf beelden weer. De schermen vertoonden een grote witte schijf: de ster Nieuw-Caleonië, die al heel dichtbij was en zeer snel naderde met een snelheid van zes procent van die van het licht; en ze vertoonden die nadat het grootste deel van het licht uit het beeld weggefiltreerd was. Gedurende een ogenblik vertoonden ze ook verscheidene eigenaardige zwarte silhouetten tegen die witte achtergrond. Niemand zag ze in dat afschuwelijke ogenblik toen de MacArthur blindgebrand werd; en het volgende ogenblik waren de beelden al verdwenen. De verblufte stilte werd verbroken door de stem van Kevin Renner: ‘Nou, ze hoefden toch niet te schrééuwen?’ mopperde hij. ‘Dank u, meneer Renner,’ zei Rod ijzig. ‘Heeft u nog andere, misschien concretere voorstellen?’

De MacArthur bewoog zich doelloos en schoksgewijs door de ruimte, maar het lichtzeil wist iedere beweging perfect te volgen. ‘Zeker, meneer,’ zei Renner. ‘We zouden er goed aan doen uit het brandpunt van die spiegel weg te komen.’

‘Schaderapport, kapitein,’ meldde Cargill vanuit zijn post in het achterschip. ‘Er komt een hoop energie het Veld binnen. Veei te veel, en het hoopt zich verdomd snel op zonder dat er iets van afvloeit ergens naartoe. Als het geconcentreerd was zou het gaten in ons branden, maar gezien de manier waarop het momenteel over ons heenspoelt kunnen we het misschien nog wel tien minuten uithouden.’

‘Kapitein, laat ik een boog maken, zodat we achter het zeil uitkomen,’ zei Renner. ‘Onze tastapparatuur aan de zonkant werkt tenminste nog en ik kan onthouden waar die capsule zich bevond —’

‘Laat maar. Stuur ons regelrecht door het zeil heen,’ beval Rod. ‘Maar we weten niet —’

‘Dat was een bevel, meneer Renner. En mag ik u eraan herinneren dat u zich in een Marineschip bevindt.’

‘Tot uw orders, meneer.’

Het Veld vertoonde een steenrode kleur en begon steeds roder te worden; maar rood was niet gevaarlijk. Voorlopig nog niet, tenminste. Terwijl Renner het schip manoeuvreerde zei Rod terloops: ‘Misschien neemt u aan dat de buitenaardsen gebruik gemaakt hebben van een onwaarschijnlijk sterk materiaal. Is dat zo?’

‘Dat behoort tot de mogelijkheden, meneer.’ De MacArthur kwam met een schok in beweging; ze konden nu niet meer terug. Renner scheen zich schrap te zetten, alsof hij een schok verwachtte. ‘Maar hoe sterker dat materiaal is, meneer Renner, des te dunner zullen ze het verspreid hebben om een maximum hoeveelheid zonlicht te kunnen opvangen in verhouding tot het gewicht ervan. Als ze over een bijzonder sterk soort garen beschikken, dan zullen ze het dun geweven hebben om meer vierkante kilometers per kilo eruit te halen, nietwaar? En zelfs als ze later een paar vierkante kilometer zeil moch-len verliezen door meteoorstenen, zouden ze nog altijd in het voordeel zijn, waar of niet? En dus zullen ze het net sterk genoeg gemaakt hebben.’

‘Ja, meneer,’ riep Renner verheugd uit. Hij liet het schip met een acceleratie van vier gees naar voren springen, Cal pal achter hen houdend; hij grijnsde vervaarlijk en hij zette zich niet langer schrap tegen de botsing die komen ging.

Nou, die heb ik tenminste overtuigd, dacht Rod; en hij zette zich schrap tegen de botsing die komen ging. Het Langston-veld was nu geel van de hitte.

En toen vertoonden de schermen aan de zonkant plotseling alleen nog maar zwart, op de groen-hete rand van MacArthurs eigen Veld na, en een rafelig, verblindend wit silhouet, daar waar de MacArthur zich door het zeil van de indringer heengescheurd had. ‘Verrek, we hebben er niks van gevoeld!’ lachte Rod. ‘Meneer Renner. Hoeveel tijd hebben we nog, voordat we in de zon terechtkomen?’

‘Vijfenveertig minuten, meneer. Tenzij we er iets aan doen.’

‘Alles op zijn tijd, meneer Renner. Houd u ons maar in de positie waarin we nu zijn, en op gelijke afstand.’ Rod drukte op een andere knop van de intercom om zich in verbinding te stellen met de Vuurleidingsofficier. ‘Crawford! Mik eens wat licht op dat zeil en probeer de kabels te vinden waarmee het aan de capsule bevestigd zit. Ik wil de capsule van die parachute losgesneden hebben voor ze ons opnieuw onder vuur kunnen nemen!’

‘Tot uw orders, meneer.’ Crawford scheen in zijn nopjes bij dit vooruitzicht.

Er waren alles bij elkaar tweeëndertig kabels: vierentwintig langs de rand van dat ronde spiegelweefsel en nog eens een ring van acht dichter bij het midden. Konisch verlopende vervormingen in het weefsel verrieden waar ze zich bevonden. De achterkant van het zeil was zwart; onder de geconcentreerde aanval van de laserbatterijen in het voorschip spatte het in damp en stofdeeltjes uit elkaar. En toen was het zeil los; golvend en rimpelend kwam het naar de MacArthur toe zweven. Opnieuw joeg het schip er dwars doorheen, alsof het lichtzeil slechts uit vierkante kilometers vloeipapier bestond…

En de capsule van de indringer vloog nu stuurloos verder in vrije val, recht op een F8 zon af.

‘Nog vijfendertig minuten tot de botsing met de zon,’ zei Renner ongevraagd.

‘Dank u, meneer Renner. Luitenant Cargill, neem de besturing over. U gaat die capsule op sleeptouw nemen.’

En Rod voelde een wilde innerlijke blijdschap toen hij Renners verbijsterde gezicht zag.

7. De Gekke Eddie-verkenner

‘Maar —’ zei Renner, naar de groeiende omvang van Cal wijzend, die zich aftekende op de beeldschermen van de brug. Maar voordat hij verder nog iets zeggen kon sprong de MacArthur vooruit onder een acceleratie van zes gees; ditmaal was er geen sprake van een geleidelijke overgang. De naalden van de schokmeters sloegen wild uit, terwijl het schip recht op de dreigende, gigantisch voor hen opdoemende zon af schoot.

‘Kapitein?’ Boven het oorverdovende geruis uit dat het bloed in zijn oren maakte, hoorde Blaine de stem van zijn Eerste Officier, die hem opriep van de brug in het achterschip. ‘Kapitein, hoeveel schade kunnen we verdragen?’

Het kostte hem grote inspanning te spreken. ‘Kan niet schelen hoeveel, mits we het halen naar huis,’ hijgde Rod.

‘Akkoord.’ Cargills bevelen klonken door de intercom. ‘Meneer Potter! Is het hangardek klaar voor het luchtledige? Zijn alle sloepen geborgen en verzekerd?’

‘Ja, meneer.’ Gezien het feit dat ze zich nog altijd in staat van gevechtsbereidheid bevonden was dit een overbodige vraag, maar Cargill was een man die geen risico’s nam.

‘Open de hangardeuren,’ beval Cargill. ‘Kapitein, we zouden de luiken van het hangardek wel eens kunnen verspelen.’

‘Kan me niet verdommen.’

‘Ik zal de capsule met de nodige haast aan boord moeten brengen; er is geen tijd om onze snelheid eraan aan te passen. We zullen schade oplopen —’

‘U heeft de leiding over de besturing, luitenant. Voer uw orders uit.’ Er hing een rode nevel om hem heen op de brug. Rod knipperde met zijn ogen, maar het waas was er nog steeds; het zat niet in de lucht, maar op zijn netvlies. Zes gees was te veel om lang te verdragen. Als iemand soms flauwviel — nou, die zou dan de spannendste ogenblikken mislopen.

‘Kelley!’ blafte Rod. ‘Wanneer we straks het schip omdraaien, ga dan met je Mariniers naar het achterschip en hou je gereed om alles te onderscheppen wat er uit die capsule te voorschijn mocht komen! En zodra het zover is, zou ik maar meteen in beweging komen als ik jou was. Cargill zal niet op je wachten met accelereren.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Zes gees, en Kelleys ruwe, raspende stem klonk nog precies als altijd.

De capsule zweefde drieduizend kilometer voor hen uit, onzichtbaar voor zelfs het scherpste stel ogen, maar gestadig groter wordend op de beeldschermen van de brug, gestadig maar langzaam, veel te langzaam, precies zoals Cal veel te snel scheen te groeien. Zes gees, vier minuten lang. Vier minuten van een folterende kwelling en toen toeterden de waarschuwingssignalen weer door het schip. Ze kregen enkele gezegende ogenblikken respijt. Kelleys Mariniers klauterden door het schip, vallend en duikend in de lage, veranderende zwaartekracht terwijl de MacArthur honderdtachtig graden kantelde. Er zouden zich geen acceleratiebedden bevinden daar in het achterschip, waar de Mariniers hun posten zouden betrekken rond het hangardek. Er hingen vlechtwerken van geweven banden in de gangen waarin de mannen konden gaan hangen om zich op hun plaats te houden, en in de hangarruimte zelf hingen nog weer andere mannen als vliegen in een spinneweb, met hun wapens in de aanslag — klaar voor wat?

De waarschuwingssignalen klonken weer, en de schokmeters sloegen weer uit toen de MacArthur al afremmend op de capsule aanstuurde. Met grote inspanning draaide Rod aan de knoppen van zijn beeldscherm. Daar had je het hangardek, koud en duister, en de binnenzijde van het beschermende krachtveld van het schip tekende zich wazig af als een oppervlak van een onwaarschijnlijk zwarte kleur. Mooi zo, dacht hij. Er is dus geen hitte-accumulatie van betekenis. Meer dan voldoende capaciteit om de door de eventuele rotatie van de capsule veroorzaakte energie op te vangen en de klap van de botsing te verzachten tot iets dat de MacArthur zou kunnen doorstaan. Zes gees gedurende acht minuten, het maximum dat de bemanning zou kunnen verdragen. En toen bevond de indringer zich niet langer vóór hen, toen de MacArthur een bocht maakte en er zijwaarts naartoe viel. De verpletterende acceleratie hield op en nu was er alleen nog maar een lage zijdelingse acceleratie voelbaar, nu Cargill de stuw-motoren aan bakboord inschakelde om hun onstuimige duik naar de capsule af te remmen.

De capsule was cilindervormig en aan een kant rond, en wentelde langzaam door de ruimte. Toen het andere uiteinde al draaiend in het gezicht kwam zag Rod dat zich daaraan een menigte uitsteeksels bevond — tweeëndertig uitsteeksels misschien? Maar dan zouden er losse stukken van het doorgesneden tuig aan hebben moeten hangen en daarvan was niets te zien.

Het ding kwam veel te snel op de MacArthur af en het was te groot om in zijn geheel in de hangarruimte te passen. Het ding was te groot, veel te groot, verdomme! En behalve de bakboordmotoren hadden ze niets om mee af te remmen!

Daar kwam hij. De televisiecamera op het hangardek liet zien hoe het afgeronde uiteinde van de indringer zich dof metaalachtig glanzend door het Langston-veld heendrong; hij werd erdoor afgeremd en de rotatie hield op, maar toch bewoog hij zich nog altijd ten opzichte van de MacArthur. De slagkruiser maakte een angstaanjagende zijwaartse duik, zo hard dat de bemanningsleden met kracht tegen de riemen van hun harnassen aangeworpen werden, terwijl het ronde uiteinde van de capsule groter werd, en nóg groter, en: BAMM! Rod schudde zijn hoofd om het van dat rode waas te bevrijden, dat zich weer voor zijn ogen gevormd had. ‘En nu als de weerlicht hiervandaan. Meneer Renner, neem de besturing over!’ De schokmeters sloegen al uit nog vóór de waarschuwingssignalen gingen; Renner moest de koers al van tevoren uitgezet hebben en de toetsen ingedrukt hebben op hetzelfde moment dat de leiding aan hem overgedragen werd. Door de rode nevel heen tuurde Blaine naar de wijzers op het instrumentenbord. Mooi zo, Renner probeerde geen buitensporige stunts uit te halen; alleen maar een zijwaartse duik, weg van de koers waarop de MacArthur zich nu bevond, om het schip vervolgens om te laten draaien door de aantrekkingskracht van de zon. Hopelijk accelereerden ze niet binnen het vlak van Cals planeten? Het zou een moeilijke opgave zijn een ontmoeting met de Lermontov te bewerkstelligen om waterstof van haar over te nemen. Als ze de Mac niet in één keer op deze koers binnen zouden kunnen brengen, zouden de tanks droog komen te staan… duizelig draaide Blaine aan de knoppen van het beeldscherm en keek naar de uitgezette koers die de hoofdcomputer daarop deed verschijnen. Ja. Renner had het goed voor elkaar en hij had het snel voor elkaar weten te krijgen ook. Laat hem zijn gang maar gaan, dacht Rod. Renner is bekwaam en hij is een betere astrogator dan ik. Het wordt tijd dat ik het schip eens inspecteer. Wat is ermee gebeurd toen we dat ding aan boord brachten? Maar alle beeldschermen die dat deel van het schip besloegen waren buiten werking; de camera’s waren of weggebrand, of verbrijzeld. En aan de buitenkant van het schip was de toestand al niet veel beter. ‘Vlieg maar blind, meneer Renner,’ beval Blaine. ‘Camera’s zouden toch maar wegbranden, als u ze nu naar buiten stak. Wacht daar maar mee tot we ons van Cal afwenden.’

‘Ik heb een schaderapport voor u, schipper.’

‘Ga uw gang, luitenant Cargill.’

‘We hebben de indringer vastgeklemd tussen de hangardeuren. Hij zit er muurvast tussen en bij een normale acceleratie geloof ik niet dat hij rammelen kan. Het volledige schaderapport heb ik nog niet binnen, maar dat hangardek wordt nooit meer zoals het geweest is, meneer.’

‘Iets ernstigs, Nummer Een?’

‘Nee, meneer. Ik zou u de hele lijst kunnen opdreunen — problemen van ondergeschikt belang, zoals dingen die losgeschoten zijn, apparatuur die het begeven heeft door de schok — maar waar het allemaal op neerkomt is dit: als we niet hoeven te vechten redden we het wel.’

‘Mooi zo. Laat u nu maar eens zien wat u voor me te weten kunt komen van de Mariniers. De verbinding met Kelleys gevechtspost schijnt uitgevallen te zijn.’

‘Tot uw orders, meneer.’

Om die opdracht uit te voeren zou iemand zich door het schip moeten bewegen onder een druk van zes gees, bedacht Blaine. Ik hoop in godsnaam dat hij dat in een verplaatsbare stoel kan doen. Onder die druk zou een man misschien net kans zien zich plat op zijn buik voort te bewegen, maar daarna zou je niet veel meer aan hem hebben. Was het dat wel waard? Om informatie op te doen die waarschijnlijk toch negatief was? Maar stel je eens voor dat het niét negatief was… ‘Korporaal der Mariniers Pietrov maakt melding aan Kapitein, meneer.’ Hij sprak met het zware accent van de planeet St.-Ekaterina. ‘Geen activiteit aan boord van indringer, meneer.’

‘Hier Cargill, kapitein,’ mengde een andere stem zich in het gesprek. ‘Ja?’

‘Wilt u Kelley beslist spreken? Meneer Potter heeft kans gezien een kabel tot aan Pietrov te leggen zonder zijn scooter te verlaten, maar als hij nog verder moet, wordt het moeilijk.’

‘Nee, ik kan het best met Pietrov af, Nummer Een. Goed gedaan, Potter. Korporaal, kunt u van daaruit meneer Kelley zien? Is hij in orde?’

‘De sergeant stond daarnet naar mij te wuiven, meneer. Hij op post in luchtsluis nummer twee.’

‘Mooi. Rapporteer ieder teken van activiteit aan boord van de indringer onmiddellijk, korporaal.’ Blaine verbrak de verbinding, en net op dat moment gingen de waarschuwingssignalen weer. De acceleratie van het schip verminderde en er werd een gewicht van vijftig kilo van zijn borst afgenomen. Riskante onderneming is dit, dacht hij. Je moet het midden zien te houden tussen te dicht bij Cal te komen en de bemanning gaar te laten koken, en ze domweg allemaal om zeep te brengen door de gee-druk.

Op zijn post in het voorschip liet een van de roergangers zich afgemat achterover zakken tegen de gecapitonneerde rugleuning van zijn ligstoel. Zijn maat leunde naar hem over totdat hun helmen elkaar raakten. Ze schakelden hun microfoons even uit en toen zei bootsmaat eerste klas Orontez tegen zijn maat: ‘Me broer wou dat ik hem kwam helpen met z’n waterboerderij op Aphrodite, maar dat leek me te verdomd gevaarlijk. Dus toen ben ik bij die kleremarine gegaan.’

‘Luitenant Sinclair, hebben we genoeg energie voor een radiobericht naar het Hoofdkwartier?’

‘Jawel, schipperr, de motoorr’n hou’en zich uitstekend. Dat ding is lang nie zo zwaarr als we dachten en wc hebben nog waterrstof zat.’

‘Mooi.’ Blaine stelde zich in verbinding met de radiokamer om zijn rapport uit te zenden. Indringer aan boord. Cilindervormig, lengteas verhoudt zich tot breedteas als vier staat tot één. Uiterlijk uniform metaalachtig, maar nadere inspectie onmogelijk totdat acceleratie vermindert. Stel voor de Lermontov te laten proberen het zeil te bergen, dat snel vaart verliezen zou, nu er geen capsule meer aan vastzat. Geraamd tijdstip van aankomst bij Nieuw-Schotland … stel voor, de MacArthur in baan rond onbewoonde maan van Nieuw-Schotland te brengen. Geen tekenen van leven of activiteit aan boord buitenaards schip, maar…

Dat was wel een erg grote ‘maar’, dacht Rod. Wat was het eigenlijk voor een ding? Had het hem opzettelijk onder vuur genomen? Werd het bestuurd door een levend wezen, of wat voor soort robot zou het moeten zijn, om het ding lichtjaren ver door de normale ruimte te kunnen loodsen? En wie of wat er ook het bevel over mocht voeren, wat zou hij of het er wel van denken van zijn zeil losgesneden en in de hangarruimte van een slagkruiser gepropt te worden… ? Een verdomd roemloos einde na een reis van vijfendertig lichtjaren. En er was niets wat hij doen kon om daarachter te komen. Helemaal niets. De toestand waarin de MacArthur verkeerde was niet al te kritiek en Renner was de situatie goed meester, maar noch Blaine, noch Cargill kon zijn post verlaten, en hij peinsde er niet over er jongere officieren op af te sturen om dat ding te onderzoeken. ‘Is het achter de rug?’ Sally’s stem klonk klaaglijk. ‘Is alles in orde?’

‘Ja.’ Rod huiverde onwillekeurig toen hij eraan dacht wat er had kunnen gebeuren. ‘Ja, we hebben hem aan boord en behalve zijn afmetingen hebben we er nog niets van te zien gekregen. Het ding reageert niet op signalen.’ Waarom voelde hij nou ineens iets van voldoening, omdat ze domweg zou moeten wachten net als alle anderen? De MacArthur vloog verder door de ruimte, zo dicht om Cal heen dat het vertragende effect van de corona meetbaar was; maar Renners astrogatie was volmaakt en het Veld hield zich uitstekend. Het wachten duurde voort.

Toen de acceleratie eindelijk gereduceerd werd tot twee gees kon Rod de brug verlaten. Moeizaam kwam hij overeind, stapte over op een scooter, en begaf zich naar het achterschip. De liften brachten hem ‘naar beneden’ op zijn tocht door het schip en hij stopte op ieder dek, waar hij overal nog steeds waakzame bemanningsleden op hun posten zag zitten, ondanks het feit dat ze al veel te lang in een toestand van paraatheid hadden moeten doorbrengen. De MacArthur was beslist het beste schip van de hele Marine… en hij zou ervoor zorgen dat ze dat bleef!

Toen hij bij Kelley kwam, die op zijn post zat bij de luchtsluis die toegang gaf tot het hangardek, bleek dat er nog steeds niets nieuws te melden viel.

‘Daar zitten luiken, of luchtsluizen, of zo iets, dat kun je duidelijk zien, meneer,’ zei Kelley. Hij wees ernaar met een zaklantaren. Toen het licht over de romp van het buitenaardse vaartuig gleed, zag Rod de wrakken van zijn landingssloepen die verpletterd waren tegen de stalen dekken.

‘En al die tijd geen teken van leven?’

‘Geen enkel, kapitein. Dat ding kwam naar binnen en knalde tegen de dekken aan. Bats! Het scheelde geen haar of ik was tegen een van de rompspanten aangekwakt; dat ding had wel niet veel vaart, maar het kwam wel hard aan. En sinds die tijd is er niks meer gebeurd. M’n mannen, ikzelf en al die cadetten die hier voortdurend rond komen hangen, geen van allen hebben we ook maar iets gezien, kaptein.’

‘Eigenlijk wel zo goed,’ mompelde Rod. Hij haalde zijn eigen zaklantaren te voorschijn en liet het licht over die reusachtige cilinder spelen. De bovenste helft ervan verdween in het uniforme zwart van het Veld.

Het schijnsel van zijn zaklantaren gleed langs een rij konische knobbels, die elk één meter in doorsnee en drie meter lang waren. Hij zocht, maar er viel verder niets aan op te merken — geen stompjes kabel zoals daaraan zouden hebben moeten hangen, en ook geen zichtbare openingen in de knobbels waardoor de kabels gevierd of strakker aangetrokken zouden hebben kunnen worden. Niets. ‘Blijf dat ding in de gaten houden, Kelley. Ik wil dat het voortdurend bewaakt wordt.’ Kapitein Rod Blaine keerde naar de brug terug zonder over meer inlichtingen te beschikken dan hij tevoren al gehad had en ging naar zijn beeldschermen zitten staren. Onbewust wreef hij met zijn hand over de rug van zijn neus.

Wat was dat in hemelsnaam voor een ding, wat hij daar gevangen had?

8. Het buitenaardse wezen

Blaine stond stram in de houding voor het kolossale schrijfbureau. Vlootadmiraal Howland Cranston, Opperbevelhebber van Zijner Majesteits Strijdkrachten aan Gene Zijde van de Kolenzak, keek hem streng aan van achter een rozehouten schrijftafel waarvan het voortreffelijke houtsnijwerk Rod gefascineerd zou hebben als hij het op zijn gemak had kunnen bekijken. De Admiraal liet zijn duim langs een dikke stapel papieren ritselen. ‘Weet u wat dit zijn, kapitein?’

‘Nee, meneer.’

‘Petities voor uw ontslag uit de dienst. Van de halve faculteit van de Keizerlijke Universiteit. Van een aantal vlootaalmoezeniers en van een bisschop van de Kerk. Van de secretaris van de Liga voor Menselijkheid. Alle teerhartige zielen aan deze zijde van de Kolenzak wensen uw hoofd te zien rollen.’

‘Ja, meneer.’ Hij wist niet wat hij anders zeggen moest. Stram stond Rod in de houding en wachtte gelaten tot het allemaal achter de rug zou zijn. Wat zou zijn vader ervan denken? Zou wel iemand het begrijpen?

Cranston keek hem weer strak aan. In zijn ogen stond geen enkele uitdrukking te lezen. Zijn klein tenue hing vormeloos om hem heen. Miniaturen van wel een dozijn verschillende decoraties vertelden het verhaal van een commandant die zichzelf en zijn ondergeschikten meedogenloos had voortgedreven zonder acht te slaan op hun overlevingskansen.

‘De man die het vuur geopend heeft op het eerste buitenaardse schip waarmee het menselijk ras ooit in aanraking gekomen is,’ zei Cranston op kille toon. ‘Die hun verkennningsvaartuig kapotgemaakt heeft. Weet u dat we er slechts één passagier in hebben aangetroffen en dat die dóód is? Mogelijk door een falen van de apparatuur die hij nodig had om in leven te blijven.’ Cranston ging weer met zijn duim langs de stapel papieren en schoof ze toen met een woest gebaar van zich af. ‘Die verdomde burgers, uiteindelijk weten ze altijd druk op de Marine uit te oefenen. Ze laten me geen keus.

Maar goed. Kapitein Blaine, als Vlootadmiraal van deze sector bevestig ik hierbij uw promotie tot Kapitein, en geef ik u het bevel over Zijne Majesteits slagkruiser MacArthur. En gaat u nu maar zitten.’ Terwijl Rod versuft om zich heen keek naar een stoel, gromde Cranston: ‘Dat zal ze leren, die rotzakken. Ze dachten zeker dat ik me door hen liet voorschrijven hoe ik mijn sector beheren moet? Blaine, je bent de grootste bofkont van alle officieren in de hele Marine. Een commissie ?ou je bevordering toch wel bekrachtigd hebben, maar zonder dit voorval zouden ze je dat schip nooit hebben laten houden.’

‘Ja, meneer.’ Het was waar genoeg, maar Rod slaagde er niet in de trots in zijn stem te onderdrukken. En de MacArthur was zijn schip —’Meneer? Zijn ze al iets te weten gekomen over die verkenner? Sinds we dat ding daarboven in een baan achtergelaten hebben, ben ik druk in de weer geweest op de scheepswerven om toe te zien op de herstelwerkzaamheden aan de MacArthur.’

‘We hebben het ding opengemaakt, kapitein. Ik ben er niet zeker van of ik alles wel geloven kan wat we erin aangetroffen hebben, maar in elk geval hebben we kans gezien het open te krijgen. En dit is wat we gevonden hebben.’ Hij haalde een vergrote foto te voorschijn. Het schepsel lag uitgestrekt op een laboratoriumtafel. De ernaast afgebeelde schaal toonde aan dat het een klein wezen was, dat slechts een meter vierentwintig mat vanaf de top van zijn hoofd tot aan datgene waarvan Rod eerst dacht dat het schoenen waren, maar toen besloot dat het voeten waren. Er zaten geen tenen aan, maar langs de rand aan de voorkant zat een verdikking die een hoornlaag zou kunnen zijn.

De rest was een anatomische nachtmerrie. Aan de rechterkant zaten twee slanke armen die in fijngevormde handen eindigden met elk vier vingers en twee tegenovergestelde duimen. Aan de linkerkant zat één enkele, zwaar en massief uitziende arm die je bijna een knuppel van vlees zou kunnen noemen, en die stukken groter was dan beide rechterarmen te zamen. De zich daaraan bevindende hand bestond uit drie dikke vingers, die stijf gesloten waren als een bankschroef. Een gebrekkige? Een mutatie misschien? Onder de plek waar je zijn middel verwacht zou hebben, was het schepsel symmetrisch, maar boven het middel was het — anders.

De romp was bultig en knobbelig. Het spierstelsel was ingewikkelder dan dat van een mens. Van de onderliggende fundamentele beender-structuur kon Rod niets onderscheiden.

En die armen — tja, daar zat wel een griezelig soort logica in. De ellebogen van de beide rechterarmen pasten te mooi in elkaar, als een nest plastic bekertjes. Dat was door evolutie gekomen. Het schepsel was dus niet mismaakt. Maar het hoofd was het ergste van alles. Het had geen hals. De zware spierenbundels van de linkerschouder gingen in één gladde welving rechtstreeks omhoog naar de top van het hoofd van het buitenaardse wezen. De linkerkant van de schedel ging over in de linkerschouder en was veel groter dan de rechterkant. Er zat geen linkeroor aan en daar was trouwens ook geen plaats voor. Een groot, vliesachtig kabouteroor sierde de rechterkant boven een smalle schouder die er bijna menselijk uitgezien zou hebben als er zich daaronder en ietsje naar achteren niet een tweede soortgelijke schouder bevonden had.

Het gezicht was met niets te vergelijken wat hij ooit gezien had. Bij een dergelijk hoofd zou eigenlijk niet eens sprake mogen zijn van een gezicht. Maar er waren twee symmetrische, scheefstaande ogen die wijd open stonden in de dood en die iets erg menselijks hadden en ergens aan die van een oosterling deden denken. En ook was er een uitdrukkingsloze mond waarvan de lippen ietsje vaneen geweken waren, zodat er puntige tanden te zien waren. ‘Nou, wat vind je van hem?’

‘Het spijt me dat hij dood is,’ antwoordde Rod. ‘Ik kan wel een miljoen vragen bedenken die ik hem zou willen stellen — En er was alleen maar deze ene?’

‘Ja. Hij was de enige die we in het schip gevonden hebben. Maar kijk nu eens even hiernaar.’

Cranston raakte een hoek van zijn schrijfbureau aan en er werd een verborgen bedieningspaneel zichtbaar. Aan de wand links van Rod schoof een stel gordijnen vaneen en de kamerverlichting werd lager gedraaid. Een beeldscherm lichtte op en gaf een uniform wit beeld te zien.

Plotseling schoten er vanuit de randen van het beeld schaduwen te voorschijn die snel kleiner wordend bijeenkwamen in het midden en toen verdwenen. Dit alles nam slechts enkele seconden in beslag. ‘Deze beelden werden door je camera’s aan de zonzijde geregistreerd, tenminste door die camera’s die niet weggebrand waren. En nu zal ik ze eens vertraagd projecteren.’

Schaduwen bewogen zich met rukjes naar het midden van het beeld tegen een witte achtergrond. Toen er een half dozijn zichtbaar waren, zette de Admiraal de projector stop. ‘Nou?’

‘Ze zien er net zo uit als — als dat daar,’ zei Rod. ‘Blij dat je dat ook vindt. En let nu goed op.’ De projector draaide weer verder. De vreemdsoortige vormen werden kleiner, kwamen bij elkaar, en verdwenen toen, en het was niet alsof ze kleiner geworden waren om ten slotte in het oneindige te verdwijnen, maar alsof ze plotseling verdampt waren.

‘Maar wat we daar zien zijn passagiers die uit de verkenner naar buiten gesmeten worden om vervolgens verbrand te worden door het licht-zeil! Wat heeft dat voor zin?’

‘Ik begrijp er ook niets van. En ginds op de universiteit kunnen ze je er wel veertig verschillende verklaringen voor geven, Het beeld is trouwens niet al te duidelijk. Heb je gezien hoe verwrongen ze eruitzagen? Verschillende afmetingen, verschillende vormen. Onmogelijk vast te stellen of het levende wezen waren. Een van die grappenmakers van antropologen denkt dat het beeldjes van goden waren, die naar buiten gegooid werden om ze voor ontheiliging te bewaren. Hij is er al zowat in geslaagd ook de rest van dat stelletje van die theorie te overtuigen, met uitzondering van degenen die beweren dat die foto’s van een beschadigd stuk film afkomstig zijn, of /het gevolg van door het Langston-veld veroorzaakte vertekeningen in het beeld, of dat ze gewoon bedrog zijn.’

‘Ja, meneer.’ Commentaar was hier overbodig en Blaine onthield zich er dan ook van. Hij keerde terug naar zijn stoel en bekeek de foto opnieuw. Wel een miljoen vragen… was die piloot nu maar niet dood…

Na een lange pauze bromde de Admiraal, ‘Tja. Hier is een kopie van het rapport waarin alles beschreven staat wat we in de verkenner gevonden hebben. Neem het maar mee om te bestuderen; je hebt morgenmiddag een afspraak bij de Onderkoning en die zal verwachten dat je van een en ander afweet. Die antropologe van jou heeft aan de opstelling van dat rapport meegewerkt, dus als je wilt kun je het met haar bespreken. En daarna kun je de verkenner gaan bekijken; we halen hem vandaag naar beneden.’ Cranston grinnikte toen hij de verbaasde uitdrukking op Blaines gezicht zag. ‘Verbaasd dat je dat allemaal te zien krijgt? Je zult wel merken, waarom. Zijne Koninklijke Hoogheid heeft plannen en jij komt daar ook in voor. We brengen je nog wel op de hoogte.’

Rod saleerde en verliet in grote verwarring het vertrek met het rapport, waarop STRIKT GEHEIM te lezen stond, onder zijn arm geklemd.

Het rapport bestond voornamelijk uit vraagtekens. Het grootste deel van de inwendige apparatuur van de verkenner was één puinhoop: met elkaar versmolten brokken plastic, restanten van geïntegreerde circuits, vreemdsoortige stroken van geleidende en half-geleidende materialen die door elkaar gesmeten lagen zonder dat er enige orde of logica in te onderscheiden viel. Van de kabels waarmee het zeil bediend was, viel geen spoor te bekennen; er was ook geen bedieningsapparatuur om ze te vieren of aan te trekken en er zaten geen openingen in de tweeëndertig uitsteeksels die zich aan het ene uiteinde van de verkenner bevonden. Als de kabels allemaal een en dezelfde molecule geweest waren, dan zou te verklaren zijn waarom ze ontbraken, want dan zouden ze uit elkaar zijn gevallen en een chemische verandering ondergaan hebben toen ze door Blaines laserkanonnen doorgesneden werden. Maar hoe hadden ze het zeil bediend? Konden die kabels zich op de een of andere manier spannen en ontspannen als een spier?

Dat was een vreemd denkbeeld, maar sommige van de nog intact zijnde mechanismen waren minstens even vreemd. Er zaten geen gestandaardiseerde onderdelen in de verkenner. Apparaatjes die bijna dezelfde functie hadden, verschilden in het ene geval op een subtiele manier van elkaar, maar liepen in het andere geval opvallend sterk uiteen. Ribspanten en scheepsbeslag leken wel met de hand uitgesneden te zijn. De verkenner was evenzeer een stuk beeldhouwwerk als dat het een machine was.

Blaine las dit alles, schudde verbijsterd het hoofd, en riep Sally op. Even later voegde ze zich bij hem in zijn kajuit. ‘Ja, dat heb ik geschreven,’ zei ze. ‘Het schijnt zo te zijn. Iedere bout en moer in die verkenner werd afzonderlijk ontworpen. Het zou minder verbazingwekkend zijn, als je aan die verkenner een of ander godsdienstig doel zou toeschrijven. Maar dat is nog niet alles. Je kent het principe waarop een fail-safe herhaling berust?’

‘Bij machines? Ja, twee dingsigheidjes voor het verrichten van dezelfde taak. Voor het geval er één defect raakt.’

‘Nou, de Splinters schijnen dat principe van twee kanten toe te passen.’

‘Splinters?’

Ze haalde haar schouders op. ‘We moesten immers een naam voor ze bedenken. Hun ingenieurs hebben inderdaad steeds twee apparaatjes gebouwd voor het verrichten van een en dezelfde taak, maar dat tweede apparaatje verricht daarnaast nog twee andere taken en bij sommige van de apparaten fungeren de onderstukken tegelijk als bi-metallische thermostaten en thermo-elektrische generators. Rod, ik begrijp die technische termen zelf maar half. Bouweenheden bijvoorbeeld: onze menselijke ingenieurs werken met gestandaardiseerde bouweenheden, nietwaar, die gemakkelijk vervangen kunnen worden en een afzonderlijk geheel vormen?’

‘Voor het verrichten van ingewikkelde taken natuurlijk wel, ja.’

‘Nou, de Splinters doen dat niet. Alles is uit één stuk gemaakt en alles grijpt in elkaar en oefent zijn werking uit op de rest. Rod, er bestaat een goede kans dat de Splinters pienterder zijn dan wij.’ Rod floot tussen zijn tanden. ‘Dat is… beangstigend. Maar, hé, wacht eens even. Dan zouden ze toch ook de Alderson-aandrijving moeten hebben, nietwaar?’

‘Dat zou ik niet weten. Maar wel beschikken ze over een aantal dingen die wij niet hebben. Zo zijn er bijvoorbeeld biotemperatuur-supergeleiders,’ zei ze, de woorden in één adem uitsprekend alsof ze ze uit het hoofd geleerd had, ‘die uit strepen verf bestaan.’

‘En dan hebben we nog dit.’ Ze reikte langs hem heen om een aantal bladzijden om te draaien. ‘Hier, kijk maar eens naar deze foto, naar al die kleine meteoorgaatjes die eruitzien alsof ze door kiezelsteentjes gemaakt zijn.’

‘Micrometeorieten. Dat was te verwachten.’

‘Nou, hun afweer tegen meteoren heeft niets doorgelaten dat groter was dan vierduizend mikron. Alleen heeft niemand een afweer tegen meteoren kunnen ontdekken. En ook hebben ze geen Langston-veld, of iets van dien aard.’

‘Maar —’

‘Dat zeil moet als zodanig gefunctioneerd hebben. Begrijp je wat dat zeggen wil? Dat de automatische piloot ons aanviel, omdat het ding dacht dat de MacArthur een meteoor was.’

‘Maar de piloot dan? Waarom heeft die niet —’

‘Nee. Voor zover we te weten hebben kunnen komen was die bevroren in een soort kunstmatige winterslaap. En de apparatuur die ervoor diende om hem in leven te houden, is onklaar geraakt op ongeveer het tijdstip waarop we het schip aan boord namen. Zijn dood werd door ons veroorzaakt.’

‘Staat dat vast?’

Sally knikte.

‘Verdomme. En hij was al dat hele eind gekomen, allemaal voor niets. De Liga voor Menselijkheid wil mijn hoofd op een schaal hebben met een appel in mijn mond, en ik kan het ze niet kwalijk nemen. Aghhhh…’ Hij maakte een geluid alsof hij pijn had.

‘Hou daarmee op, je hebt er niets aan,’ zei Sally zachtjes.

‘Sorry. En hoe gaat het verhaal verder?’

‘De lijkschouwing. Die neemt het halve rapport in beslag.’ Ze sloeg bladzijden om en Rod trok een vies gezicht. Sally Fowler beschikte over een sterkere maag dan de meeste andere dames aan het Hof. Het vlees van het Splinterwezen was bleek van kleur, zijn bloed was roze en leek op een mengsel van boomsap en mensenbloed. De chirurgen hadden een diepe incisie gemaakt in de rug van het wezen, zodat de beenderen bloot waren komen te liggen vanaf de achterkant van de schedel tot aan het punt waar bij een mens het stuitbeentje gezeten zou hebben.

‘Ik begrijp er niks van. Waar is de ruggegraat?’

Er is er geen,’ deelde Sally hem mee. ‘De evolutie schijnt op de thuisplaneet van de Splinterwezens nooit wervels uitgevonden te hebben.’ De rug bestond uit drie beenderen, die stuk voor stuk zo massief en solide waren als een dijbeen bij een mens. Het bovenste ervan was een verlengstuk van de schedel, zodat het was alsof er een handvat van twintig centimeter aan de schedel zat. Het gewricht aan het onderste uiteinde ervan zat op schouderhoogte; het kon het hoofd laten knikken, maar het kon het niet doen draaien.

Het middelste en voornaamste rugbeen was langer en dikker. Het eindigde in een omvangrijke en ingewikkelde verbinding die gedeeltelijk uit een kogelgewricht bestond en zich ongeveer ter hoogte van de lendestreek bevond. Het onderste rugbeen verbreedde zich tot heupbeenderen en kommen voor de dijbeenderen.

Er was ook een soort ruggemerg, een zenuwstreng die een hoofdverbinding vormde, maar die liep aan de buikzijde langs de rugbeenderen in plaats van erdoorheen.

‘Het kan zijn hoofd niet draaien,’ zei Rod hardop denkend. ‘Als het om wil kijken moet het zijn hele bovenlichaam draaien. Daarom zit dat grote gewricht zo ingewikkeld in elkaar. Klopt dat?’

‘Ja, dat klopt. Ik was erbij toen ze dat gewricht uitprobeerden. Het kan het hele bovenlichaam rond laten draaien, totdat hij recht naar achteren kijkt. Ben je onder de indruk?’

Rod knikte en sloeg de bladzij om. In het volgende beeld hadden de chirurgen de schedel blootgelegd.

Geen wonder dat het hoofd uit zijn evenwicht was. Niet alleen was de linkerkant van het brein groter om de gevoelige, van een ingewikkeld zenuwstelsel voorziene rechterarmen te besturen, maar ook zaten de dikke pezen van de linkerschouder verbonden aan uitsteeksels aan de linkerkant van de schedel om hefkracht ervan te vergroten. ‘Alles draait om de armen,’ zei Sally. ‘Stel je de Splinters als gereedschapmakers voor, dan zul je begrijpen wat ik bedoel. De rechterarmen dienen voor het fijne precisiewerk, zoals het repareren van een horloge. De linkerarm dient om er dingen mee op te tillen en vast te houden. Hij zou waarschijnlijk met zijn linkerhand een luchtwagen op kunnen tillen, terwijl hij zijn rechterarmen gebruikt om aan de motoren te prutsen. En die idioot van een Horowitz dacht nog wel dat het een mutatie was!’ Ze sloeg nog meer bladzijden om. ‘Moet je zien.’

‘Ja, dat is mij ook al opgevallen. De armen passen te goed bij elkaar voor een mutatie.’ De foto’s lieten de rechterarmen in diverse posities zien en ze konden elkaar op geen enkele manier in de weg zitten. In uitgestrekte toestand waren beide armen ongeveer even lang, maar de onderste arm had een lange onderarm en een korte bovenarm, terwijl deze bij de bovenste arm van ongeveer gelijke lengte waren. Wanneer de armen langs de zijkant van het lichaam neerhingen, reikten de vingertoppen van de bovenste arm tot net iets onder de pols van de onderste arm.

Hij las verder. De lichaamsscheikunde van het buitenaardse wezen verschilde op een subtiele, maar niet al te opzienbarende manier van die van de mens, zoals trouwens op grond van de in het verleden opgedane ervaringen met buitenaardse biologieën te verwachten was geweest. Al het tot dusverre bekende leven vertoonde voldoende overeenkomst met elkaar om sommige theoretici aanleiding te geven tot de opvatting dat alle leven overal haar ontstaan te danken had aan een verspreiding van sporen door de interstellaire ruimte. Deze theorie had geen grote aanhang, maar er viel wel wat voor te zeggen, en dit buitenaardse wezen zou daar geen verandering in brengen. Lang nadat Sally alweer was weggegaan, zat Rod nog steeds het rapport te bestuderen. Toen hij ermee klaar was, waren er drie feiten die hem maar niet los wilden laten: De Splinter was een intelligente gereedschapmaker. Het was van vijfendertig lichtjaren ver door de ruimte komen reizen om contact te maken met de menselijke beschaving. En Rod Blaine had zijn dood op zijn geweten.

9. Zijne Hoogheid heeft besloten

Het Onderkoninklijk Paleis stak boven Nieuw-Schotlands enige grote stad uit. Bewonderend staarde Sally naar het reusachtige bouwwerk en opgewonden wees ze naar de rimpelende kleuren, die met iedere beweging van hun vliegtoestel veranderden.

‘Waar komt dat effect vandaan?’ vroeg ze. ‘Het lijkt me geen olicfilm.’

‘Tis uitgehakt uit goed Nieuwschotlan’s gesteente,’ antwoordde Sinclair. ‘Zulk gesteente hebt ge vast nog nie eerrderr gezien. Totdat ’t Eerrste Keizerrrijk vrruchtbaarre grrond op deze planeet liet aan-brrengen was d’rr totaal geen leven hierr; ginds paleis bestaat uit gesteente dat compleet met al gindse kleurr’n prrecies zo uit ’t inwendige van de planeet omhoog is komen borrrelen.’

‘Het is prachtig,’ zei ze tegen hem. Het Paleis was het enige gebouw met open ruimte eromheen. De Nieuwschotlanders hokten bijeen in kleine woonhuizen en vanuit de lucht kon je gemakkelijk cirkelvormige patronen onderscheiden die op de jaarringen van een boom leken, waarbij elke ring de constructie aangaf van nieuwe en grotere veldgeneratoren voor de bescherming van de stad. ‘Zou het nu niet eenvoudiger zijn een stadsplan te ontwerpen, waarbij gebruik werd gemaakt van rechte hoeken?’ vroeg Sally.

‘Eenvoudigerr wel, ja,’ antwoordde Sinclair. ‘Maarr we hebben twee-honderrd jaarr oorrlog achterr de rrug, meiske. D’rr benne d’rr nie veel die d’rvoorr voelen om buiten de bescherrming van ’n Veld te leven — nie dat we geen fiducie hebben in de Marrine en ’t Keizerrrijk,’ voegde hij er haastig aan toe. ‘Maarr tis nie gemakkelijk afstand te doen van oude gewoonten. We blijven lieverr dicht op elkand’rr zitten in de wetenschap dat we ons verrdedigen kunnen, als ’t nodig is.’ Het vliegtoestel cirkelde rond, daalde en landde op het lavastenen dak van het Paleis. In de smalle straatjes beneden hen verdrongen de mensen elkaar in een bonte mengeling van kleurige tartans en plaids. Sally zag verbaasd hoe klein de keizerlijke sectorhoofdstad was.

Rod liet Sally en zijn officieren in een geriefelijke lounge achter en liet zich toen voorgaan door een paar stijf geüniformeerde Mariniers. De Raadzaal was een mengeling van eenvoud en luister tegelijk, waarvan de uit onbewerkte steen gehouwen wanden contrasteerden met wollen vloerkleden en wandtapijten in kleurrijke patronen. Van de hoge dakbinten hingen strijdbanieren terneer.

De Mariniers wezen Rod een zitplaats aan. Recht voor hem bevond zich een podium voor de leden van de Raad en hun gevolg, en daarboven verhief zich de troon van de Onderkoning die de hele zaal domineerde; maar die troon werd op zijn beurt weer overschaduwd door een reusachtig solido van Zijne Allerkoninklijkste en Keizerlijke Hoogheid en Majesteit Leonidas IX, Keizer der Mensheid bij de Gratie Gods. Wanneer er een Keizerlijke boodschap van de Troonwereld ontvangen werd kwam dat beeld tot leven. Nu liet het alleen maar een nog geen veertig jaar oude man zien, die gekleed was in het middernachtelijk zwart van een Vlootadmiraal, zonder decoraties of medailles. Donkere ogen staarden iedere aanwezige in de zaal aan en keken door hem heen.

De zaal begon snel vol te lopen. Daar waren leden van het Sector-parlement, leger- en marineofficieren, en zich gehaast voortspoedende burgerlijke functionarissen met opgejaagde klerken in hun gevolg. Rod had er geen idee van wat hem te wachten stond, maar wel ving hij jaloerse blikken op van degenen die achter hem zaten. Hij was verreweg de jongste officier die op de eerste rij van voor de gasten gereserveerde stoelen zat. Admiraal Cranston kwam binnen, nam twee stoelen links van Blaine plaats en groette zijn mindere met een korte hoofdknik.

Er klonk een gongslag. De majordomus van het Paleis, een gitzwarte neger met de symbolische zweep in de riem van zijn witte uniform gestoken, beklom het boven hen liggende podium en stampte op de vloer met zijn ambtelijke staf. Nu kwam er een rij mannen de zaal binnen, die hun plaatsen innamen op het podium. De leden van de Keizerlijke Raad zagen er minder indrukwekkend uit dan hun titels deden veronderstellen, vond Rod. Voor het merendeel zagen ze er moe en opgejaagd uit, maar velen van hen hadden diezelfde blik in hun ogen als dat portret van de Keizer; dat vermogen langs de aanwezigen in de zaal heen in de verte te kijken naar iets dat zich slechts raden liet. Onbewogen zaten ze daar totdat er opnieuw een gongslag weerklonk.

De majordomus nam een officiële houding aan, liet zijn staf driemaal achtereen op het podium neerkomen, en kondigde aan:

‘ZIJNE DOORLUCHTIGSTE HOOGHEID STEFAN YURI ALEXANDROVITCH MERRILL, ONDERKONING VAN ZIJNE KEIZERLIJKE MAJESTEIT VOOR DE GEBIEDSDELEN AAN GENE ZIJDE VAN DE KOLENZAK. MOGE GOD ZIJNE MAJESTEIT EN HOOGHEID WIJSHEID VERLENEN.’

Iedereen ging staan. Terwijl Rod overeind kwam dacht hij na over wat er zich hier eigenlijk afspeelde. Het zou gemakkelijk zijn een en ander nogal cynisch te bekijken. Merrill was per slot van rekening een man als ieder ander en dat zelfde gold ook voor Zijne Keizerlijke Majesteit. Ze trokken hun broeken precies eender aan als alle anderen: met één pijp tegelijk. Maar in hun handen berustte de verantwoordelijkheid voor het lot van het menselijk ras. De Raad kon hen adviseren. De Senaat kon debatten houden. De Volksvergadering kon schreeuwen en eisen stellen. Maar toch, wanneer al die tegenstrijdige eisen aangehoord en al de adviezen overwogen waren, moest iemand handelend optreden in naam van de hele mensheid… Nee, die ceremoniële binnenkomst was eigenlijk niet overdreven. Mannen die over zoveel macht beschikten, dienden er voortdurend aan herinnerd te worden. Zijne Hoogheid was een lange magere man met borstelige wenkbrauwen. Hij droeg het gala-uniform van de Marine, met een aantal stralende zonnen en kometen op zijn borst, decoraties die hij gedurende talloze jaren van trouwe dienst aan het Rijk verworven had. Toen hij zijn troon bereikte bleef hij staan, wendde zich tot het solido dat daarboven hing, en boog. De majordomus ging voor in het afleggen van de eed van trouw aan de Kroon, waarna Merrill plaatsnam en knikte naar de Raad.

Hertog Bonin, de bejaarde Heer Voorzitter van de Raad, stond van zijn plaats aan het midden van de grote tafel op en nam het woord. ‘Mijne heren. Op last van Zijne Hoogheid is de Raad thans in vergadering bijeen om de kwestie van het van de Splinter tot ons gekomen buitenaardse ruimtevaartuig te behandelen. Dit zou wel eens een lange zitting kunnen worden,’ voegde hij eraan toe, zonder een spoor van sarcasme.

‘U allen heeft de rapporten van ons onderzoek van het buitenaardse vaartuig voor u liggen. Ik kan die samenvatten in twee belangrijke punten: de buitenaardsen beschikken noch over de Alderson-aandrijving, noch over het Langston-veld. Daar staat echter tegenover dat zij blijkbaar over andere technologieën beschikken, die aanzienlijk geavanceerder zijn dan alles waarover het Keizerrijk ooit de beschikking heeft gehad — en daarmee bedoel ik met inbegrip van het Eerste Keizerrijk.’

Er klonken uitroepen van verbazing in de zaal. Een groot aantal Keizerlijke gouverneurs en het merendeel van hun onderdanen koesterde een bijna mystieke eerbied voor alles wat met het Eerste Keizerrijk te maken had. Bonin knikte veelbetekenend. ‘Wij moeten thans overwegen wat ons te doen staat. Ik geef het woord aan Zijne Excellentie Sir Traffin Geary, Sectorminister van Externe Zaken.’ Sir Traffin was bijna net zo lang als de Onderkoning, maar daar hield de overeenkomst mee op. In tegenstelling tot het slanke, atletische figuur van Zijne Hoogheid had Sir Traffin de vorm van een bierton. ‘Uwe Hoogheid, mijne heren. Wij hebben inmiddels een koerier naar Sparta gezonden en binnen een week zullen wij een tweede zenden. Dit verkenningsvaartuig bewoog zich langzamer voort dan het licht en werd meer dan honderd jaar geleden gelanceerd. We hebben dus wel een paar maanden de tijd om erop te reageren. Ik stel voor dat wij voorbereidingen treffen voor een expeditie naar de Splinter, maar verder op instructies van Zijne Majesteit wachten.’ Geary stak zijn onderlip vechtlustig naar voren en keek de raadzaal rond. ‘Ik vermoed dat dit velen onder u die mijn temperament kennen verbazen zal, maar het lijkt me verstandig ons eerst uitvoerig over deze kwestie te buigen.’

Er klonk een gemompel van goedkeuring. De voorzitter knikte de man die links van hem zat toe. ‘Ik geef thans het woord aan Heer Richard MacDonald Armstrong, Sectorminister van Oorlog.’ Vergeleken bij de omvang van Sir Traffin was de Minister van Oorlog bijna een onbeduidend klein mannetje. Ook zijn gelaatstrekken waren klein en niet fijn besneden, zodat zijn gezicht een weke indruk maakte. Alleen de ogen hadden een harde uitdrukking, net zo hard als die van het portret dat boven hem hing.

‘Ik kan me het standpunt van Sir Traffin heel goed indenken,’ begon Armstrong. ‘Deze verantwoordelijkheid lokt me niet aan. Het is voor ons een grote troost te weten dat op Sparta de wijste mannen van ons ras zetelen, die onze gebreken er. fouten corrigeren zullen.’ Er zat niet veel Nieuw-Schots in zijn accent, vond Rod. Slechts een zweempje, maar de man was kennelijk een ingeborene. Ik vraag me af of ze allemaal net zo kunnen praten als de rest van ons, wanneer het nodig is?

‘Maar het is mogelijk dat het ons aan voldoende tijd ontbreken zal,’ zei Armstrong zachtjes. ‘Want we dienen het volgende in aanmerking te nemen. Voor zover uit onze oude aantekeningen op te maken valt, verspreidde de Splinter honderddertien jaren geleden zo’n helder lichtschijnsel, dat dat van Murchesons Oog erdoor overtroffen werd. Maar toen op een dag ging dat licht uit. Dat was ongetwijfeld op het tijdstip waarop het verkenningsvaartuig op het punt stond een halve slag om te draaien en aan zijn deceleratie naar ons zonnestelsel te beginnen. De laserstralen waarmee dat ding gelanceerd was hadden toen al heel lang gebrand. De constructeurs ervan hebben inmiddels zeker honderdvijftig jaar de tijd gehad om een nieuwe en verbeterde technologie te ontwikkelen. Denkt u zich dat eens in, mijne heren. In een zelfde periode van honderdvijftig jaar is de mens op Aarde destijds gevorderd van door wind aangedreven oorlogsschepen tot een landing op de Maan van de Aarde. En van buskruit tot waterstoffusie. Tot een technologisch niveau dat hem in staat gesteld zou hebben, zelf een dergelijk verkenningsvaartuig te bouwen — en nog geen honderdvijftig jaar daarna had de mens de Alderson-aandrijving, het Veld, tien interstellaire koloniën, en het Co-Dominium. Nog weer vijftig jaar later verliet de Vloot de Aarde om het Eerste Keizerrijk te stichten. Dat is wat honderdvijftig jaren voor een zich in opkomst bevindend ras betekenen kunnen, mijne heren. En dat is waarmee wij ons thans geconfronteerd zien, want anders zouden ze hier al eerder geweest zijn. ‘Ik zeg dat we het ons niet kunnen permitteren te wachten!’ De stem van de oude man striemde door de hele zaal. ‘Op instructies van Sparta wachten? Met alle respect voor de adviseurs van Zijne Majesteit, maar wat kunnen zij ons vertellen dat wij niet beter weten dan zij? Tegen de tijd dat ze ons kunnen antwoorden, zullen wij inmiddels weer nieuwe rapporten verzonden hebben. Of misschien is de toestand hier dan intussen veranderd, zodat hun instructies zinloos zijn. Bij de tanden van God, ik zeg u dat we beter onze eigen fouten kunnen maken!’

‘Wat is uw recommandatie?’ vroeg de voorzitter van de Raad droogjes. ‘Ik heb admiraal Cranston reeds bevel gegeven alle oorlogsschepen te verzamelen die gemist kunnen worden van bezettings- en patrouille-taken. Ik heb Zijne Majesteit een zeer dringend verzoek om toewijzing van extra strijdkrachten aan deze sector doen toekomen. En nu stel ik voor een expeditie van de Marine naar de Splinter te sturen om uit te vinden wat daar aan de hand is, en onze scheepswerven inmiddels voldoende schepen te laten ombouwen om er zeker van te kunnen zijn dat wij de thuiswerelden van de buitenaardsen zullen kunnen vernietigen, als dat nodig mocht blijken.’

Er klonken uitroepen in de zaal. Een van de andere raadsleden stond haastig op om het woord te vragen.

‘Het woord is aan dr. Anthony Horvath, de Minister van Wetenschappen,’ kondigde de Voorzitter aan.

‘Uwe Hoogheid, mijne heren, ik ben eenvoudig sprakeloos,’ begon Horvath.

‘Ik wou bij God dat je dat inderdaad was,’ mompelde de links van Rod gezeten admiraal Cranston.

Horvath was een zorgvuldig geklede man van middelbare leeftijd met overdreven precieze gebaren, die ieder woord weloverwogen en op afgemeten toon uitsprak, alsof hij precies datgene wilde zeggen en verder niets. Hij sprak kalm, maar ieder woord was overal in de zaal uitstekend verstaanbaar. ‘Mijne heren, deze verkenner vertegenwoordigt geen enkele dreiging. Hij bevatte slechts één opvarende en die is niet in de gelegenheid geweest verslag uit te brengen bij degenen die hem gezonden hebben.’ Horvath wierp admiraal Cranston een veelzeggende blik toe. ‘We hebben er absoluut geen tekenen van aangetroffen dat de buitenaardsen over een op meer dan lichtsnelheid gebaseerde technologie beschikken, en ook geen tekenen dat er ook maar enig gevaar dreigt, maar toch spreekt de heer Armstrong over het verzamelen van de Vloot. Hij handelt alsof één dood buitenaards wezen en een lichtzeil een dreiging voor de hele mensheid zouden betekenen! Ik vraag u, is dat nu redelijk?’

‘Wat is uw voorstel, dr. Horvath?’ vroeg de voorzitter. ‘We moeten een expeditie sturen, dat wel, ja. Ik ben het met minister Armstrong eens, dat het zinloos zou zijn van de Troon over een zo grote afstand in tijd gedetailleerde instructies te verwachten. Laten we een oorlogsschip sturen, als iedereen zich daar geruster bij voelt. Maar laten we het bemannen met geleerden, met mensen van Externe Zaken, en met vertegenwoordigers van het Handelswezen. Laten we in vrede daarheen gaan, zoals zij ook in vrede hierheen gekomen zijn en laten we deze buitenaardsen niet behandelen als piraten van de buitenwerelden! Een gelegenheid zoals deze zal zich nooit meer voordoen, mijne heren. Het eerste contact tussen mensen en intelligente buitenaardse wezens. O zeker, we zullen in de toekomst nog wel andere verstandelijke wezens ontmoeten, maar een eerste ontmoeting doet zich maar eenmaal voor. Hoe wij ons thans gedragen, zal voor eeuwig in onze geschiedenis opgetekend blijven staan. Laten wij er zorg voor dragen die bladzijde niet te bezoedelen!’

‘Dank u, dr. Horvath,’ zei de voorzitter. ‘Zijn er nog anderen die iets op te merken hebben?’

Ja, die waren er. Iedereen sprak tegelijk, maar eindelijk was de orde weer hersteld. ‘Mijne heren, we moeten tot een besluit komen,’ zei hertog Bonin. ‘Wat is het advies, dat u Zijne Hoogheid wenst voor te leggen? Zullen wij een expeditie naar de Splinter zenden, of niet?’ Dat was al gauw geregeld. De militairen en de wetenschappers overtroffen de aanhangers van Sir Traffin ruimschoots in aantal. Er zouden zo spoedig mogelijk schepen gezonden worden. ‘Uitstekend.’ Bonin knikte. ‘En nu voor wat de aard van de expeditie betreft? Moet het een Marine-expeditie worden of een burgerlijke?’ De majordomus liet zijn staf op het podium neerkomen. Aller ogen richtten zich op de hoge troon, waarop Merrill gedurende het hele debat onbewogen had zitten luisteren. ‘Ik dank de Raad, maar voor wat deze laatste aangelegenheid betreft zal ik geen advies nodig hebben,’ zei de onderkoning. ‘Aangezien met dit vraagstuk de veiligheid van het hele Rijk gemoeid is, kan daarbij geen sprake zijn van problemen in verband met zekere prerogatieven binnen deze sector.’ Merrill bedierf deze plechtige toespraak door met zijn vingers door zijn haar te strijken. Toen hij besefte wat hij deed, liet hij zijn hand haastig weer in zijn schoot terugvallen. Er verscheen een flauwe glimlach op zijn gezicht. ‘Hoewel ik vermoed dat het advies van de Raad wellicht met mijn eigen inzichten overeenstemmen zal. Sir Traffin, zou uw groep een zuiver wetenschappelijke expeditie voorstaan?’

‘Nee, Uwe Hoogheid.’

‘En ik geloof niet, dat we mijn Minister van Oorlog naar zijn opinie behoeven te vragen. In ieder geval zou de groep van dr. Horvath bij een stemming in de minderheid zijn. Aangezien voor het formuleren van plannen voor een expeditie van deze aard volstaan kan worden met minder dan de voltallige Raad, roep ik thans dr. Horvath, Sir Traffin, Heer Armstrong en admiraal Cranston bij mij op mijn kantoor voor een onmiddellijke bespreking. Admiraal, is de officier van wie u mij vertelde hier aanwezig?’

‘Ja, Uwe Hoogheid.’

‘Brengt u hem dan mee.’ Merrill stond op en schreed zo snel van de troon vandaan, dat de majordomus niet de kans kreeg zijn ceremoniële taak te vervullen. Te laat bonkte hij op het podium met zijn staf en draaide hij zich om naar het Keizerlijk portret:

‘HET BEHAAGT ZIJNE HOOGHEID DEZE RAADSZITTING OP TE HEFFEN. MOGE GOD ZIJNE HOOGHEID WIJSHEID VERLENEN. GOD BEHOEDE. DE KEIZER.’

Terwijl de anderen de zaal verlieten, nam admiraal Cranston Rod bij de arm en leidde hem door een kleine deur naast het podium. ‘Wat dacht je van dit alles?’ vroeg Cranston.

‘Het ging ordelijk toe. Ik heb op Sparta wel eens Raadsvergaderingen meegemaakt waarbij ik dacht dat ze elkaar in de haren zouden vliegen. Die ouwe Bonin weet hoe je een vergadering leiden moet.’

‘Ja. Jij hebt verstand van al dit politieke gedoe, hè? Meer dan ik in elk geval. Misschien ben je ’n zelfs nog betere keus dan ik al dacht.’

‘Een keus voor wat, meneer?’

‘Is het je dan nog niet duidelijk, kapitein? Zijne Hemelhoogheid en ik zijn gisteravond al tot een beslissing gekomen. Jij gaat met de MacArthur naar de Splinter.’

10. De planetendoder

Onderkoning Merrill hield er twee kantoren op na. Het ene was groot, stijlvol gemeubileerd, en gedecoreerd met geschenken en huldeblijken van wel twintig verschillende werelden. Een solido van de Keizer beheerste de wand achter een van Samualitisch teakhout vervaardigd en met ivoor en goud ingelegd schrijfbureau, van Tafelblad geïmporteerde en met bloeiende bloemen doorschoten levende grastapijten zorgden voor een zachte ondergrond onder de voeten en een gezuiverde atmosfeer, terwijl in de uit het rotsgesteente van Nieuw-Schotland uitgehouwen wanden onzichtbare driedimensionale televisiecamera’s aangebracht waren voor het gemak van verslaggevers die ceremoniële gebeurtenissen bijwoonden.

Rod had slechts tijd voor een korte blik op dit luisterrijke vertrek van Zijne Hoogheid, voordat hij meegenomen werd erdoorheen naar een veel kleiner vertrek van bijna kloosterlijke eenvoud. De onderkoning zat achter een reusachtige schrijftafel van duroplast. Zijn haren zaten verward. Hij had de kraag van zijn uniformtuniek losgeknoopt en zijn gala-laarzen stonden tegen de muur.

‘Aha, komt u binnen, admiraal. Ik zie dat u de jonge Blaine meegebracht hebt. Hoe gaat het ermee, jongen? Je zult je mij wel niet meer kunnen herinneren. De enige keer dat wc elkaar ontmoet hebben was toen je, eens even kijken, twee jaar oud was? Of drie? Ik laat me hangen als ik het nog weet. Hoe maakt de Markies het?’

‘Heel goed, Uwe Hoogheid. Ik ben er zeker van dat hij mij u zijn —’

‘Tuurlijk, tuurlijk. Beste man, die vader van je. De bar is aan de overkant.’ Merrill nam een stapel papieren ter hand en keek ze snel door, waarbij hij de afzonderlijke bladen sneller omsloeg dan het oog ze volgen kon. ‘Hmm, het is zo ongeveer zoals ik al dacht.’ Hij krabbelde een handtekening onderaan het laatste vel papier; de met ‘UIT’ gemerkte bak maakte een hoestend geluid en de papieren verdwenen. ‘Misschien is het goed als ik kapitein Blaine even voorstel aan…’ begon admiraal Cranston.

‘Tuurlijk, tuurlijk. Nalatig van me. Dr. Horvath, minister Armstrong, Sir Traffin: dit is kapitein Blaine van de MacArthur. Een zoon van de Markies van Crucis, weet u.’

‘Van de MacArthur,’ zei dr. Horvath op een toon vol verachting. ‘Zo. Juist. Met uw welnemen, Uwe Hoogheid, maar ik kan er geen reden voor bedenken, waarom u hém hier bij wil hebben?’

‘Zo, zo, kunt u dat niet?’ vroeg Merrill. ‘Gebruik uw logische verstand, doctor. U kent toch het doel van deze vergadering, nietwaar?’

‘Ik kan niet zeggen dat ik ingenomen ben met wat ik hieruit opmaken moet, Uwe Hoogheid. En ik zie nog steeds niet in waarom deze — militaristische fanaticus deel zou moeten hebben aan de voorbereidingen voor een expeditie, waarbij zo geweldig veel op het spel staat.’

‘Betekent dit soms een aanklacht tegen een van mijn officieren, meneer?’ beet admiraal Cranston hem toe. ‘Zo ja, dan zou ik u willen verzoeken —’

‘Zo is het wel genoeg,’ zei Merrill op lijzige toon. Hij wierp een nieuwe dikke stapel papieren in de ‘UIT’-bak en keek ze nadenkend na toen ze verdwenen. ‘Dr. Horvath, ik stel voor dat u uw bezwaren eens en voor al kenbaar maakt.’ Het viel onmogelijk vast te stellen voor wie Merrills flauwe glimlach bestemd was.

‘Mijn bezwaren liggen voor de hand, zou ik zeggen. Door toedoen van deze jongeman zou het menselijk ras wel eens verwikkeld geraakt kunnen zijn in een oorlog met de eerste intelligente buitenaardse wezens die we ooit ontmoet hebben. De Admiraliteit heeft het nog niet nodig geoordeeld hem te schorsen, maar ik moet er met kracht tegen protesteren dat hij op welke manier dan ook verder in aanraking met deze buitenaardse wezens komt. Meneer, ziet u het afschuwelijke van wat hij gedaan heeft dan niet in?’

‘Nee, meneerr, dat zie ik nie in,’ wierp Minister van Oorlog Armstrong ertussen.

‘Maar dat schip kwam van vijfendertig lichtjaren ver! Door de normale ruimte! Een vlucht van meer dan honderdvijftig jaar! Een prestatie die zelfs door het Eerste Keizerrijk nooit geëvenaard is. En waarvoor allemaal? Om bij aankomst op zijn bestemming onklaar gemaakt, beschoten, en in het ruim van een slagschip gepropt te worden, en vervolgens op een smadelijke manier overgebracht te worden naar —’ De Minister van Wetenschappen raakte buiten adem. ‘Blaine, heb je op die verkenner geschoten?’ vroeg Merrill. ‘Nee, Uwe Hoogheid. Hij schoot op óns. Mijn opdracht luidde hem te onderscheppen en te inspecteren. Nadat het buitenaardse vaartuig mijn schip aangevallen had, heb ik het losgesneden van het lichtzeil waarvan het zich als wapen bediende.’

‘Zodat je geen andere keus had dan het aan boord te nemen of het te laten verbranden,’ voegde Sir Traffin eraan toe. ‘Uitstekend werk, zou ik zeggen.’

‘Maar het zou onnodig geweest zijn als de verkenner niet onklaar gemaakt was,’ hield Horvath vol. ‘Waarom bent u, toen het op u gevuurd had, niet zo verstandig geweest een positie achter het zeil in te nemen en het te volgen? U had dat zeil toch als schild kunnen gebruiken? Het was beslist niet nodig dat buitenaardse wezen te doden.’

‘Dat ding opende het vuur op een keizerlijk oorlogsschip,’ ontplofte Cranston. ‘En denkt u soms dat een van mijn officieren dan —’ Merrill stak bezwerend zijn hand op. ‘Dat interesseert me, kapitein. Waarom heeft u niet gedaan wat dr. Horvath daar opperde?’

‘Ik —’ Gedurende een ogenblik zat Blaine als verstijfd, terwijl er allerlei gedachten door zijn hoofd tolden. ‘Tja, ziet u meneer, we hadden niet veel brandstof meer en we waren al aardig dicht bij Cal geraakt. Als ik achter die verkenner aan zou zijn blijven vliegen, zou ik uiteindelijk de controle over het schip verloren hebben en überhaupt niet meer in staat geweest zijn op gelijke afstand met hem mee te blijven vliegen, nog afgezien van het feit dat de aandrijving van de MacArthur het zeil waarschijnlijk toch verbrand zou hebben. We hadden al onze snelheid nodig om weer buiten de greep van Cals aantrekkingskracht te kunnen komen, en mijn opdracht was het ding te onderscheppen.’ Hij zweeg een ogenblik en voelde aan zijn gebroken neus.

Merrill knikte. ‘Nog één vraag, Blaine. Wat waren je gedachten, toen je de opdracht kreeg een buitenaards ruimtevaartuig te gaan onderzoeken?’

‘Ik was opgewonden bij het vooruitzicht hen te kunnen ontmoeten, meneer.’

‘Mijne heren, als u het mij vraagt klinkt hij niet als een onberedeneerd handelende vreemdelingenhater. Maar toen zijn schip aangevallen werd, heeft hij haar verdedigd. Dr. Horvath, als hij op de capsule zélf gevuurd zou hebben — wat toch zeker de gemakkelijkste manier zou zijn geweest om te verhinderen dat ze zijn schip zouden beschadigen — dan zou ik er persoonlijk voor zorgen dat hij ontslagen zou worden als zijnde ongeschikt om Zijne Majesteit te dienen in welke bevoegdheid dan ook. Maar in plaats daarvan heeft hij de capsule zorgvuldig losgesneden van zijn wapen en hem met groot risico voor zijn eigen schip aan boord genomen. Die combinatie bevalt me, heren.’ Hij wendde zich tot Armstrong. ‘Dickie, wil jij ze even vertellen wat we met betrekking tot die expeditie besloten hebben?’

‘Zeker, Uwe Hoogheid.’ De Minister van Oorlog schraapte zijn keel. ‘De expeditie zal uit twee schepen bestaan. Het Keizerlijke slagschip Lenin, en de slagkruiser MacArthur. De MacArthur zal aangepast worden aan de behoeften van dr. Horvath en zal de burgerlijke deelnemers aan deze expeditie vervoeren. En die zullen bestaan uit wetenschapsmensen, handelslieden, mensen van Externe Zaken, en het contingent zendelingen dat Zijne Eerwaarde verlangt. Verder zal het schip een normale Marinebemanning hebben. Alle contacten niet deze buitenaardse beschaving dienen uitsluitend door de MacArthur tot stand gebracht en onderhouden te worden.’

Merrill knikte nadrukkelijk. ‘Onder geen enkele omstandigheid zal de Lenin buitenaardsen aan boord toelaten, of zich blootstellen aan overmeestering. Ik wil er zeker van kunnen zijn, dat we van deze expeditie de nodige informatie zullen terugkrijgen.’

‘Is dat niet een beetje extreem?’ vroeg Horvath. ‘Nee, meneer,’ zei Sir Traffin met klem. ‘Richard is er in de eerste plaats op bedacht ervoor te zorgen dat de buitenaardsen noch het Langston-veld, noch de Alderson-aandrijving in handen zullen krijgen, en daar ben ik het volledig mee eens.’

‘Maar als ze — laten we nu eens aannemen dat ze de MacArthur overmeesteren?’ vroeg Horvath.

Admiraal Cranston blies een lange sliert blauwe pijprook uit. ‘Dan zal de Lenin de MacArthur wegvagen uit de ruimte.’ Blaine knikte. Zo iets had hij al vermoed.

‘Er zal een goeie officier voor nodig zijn om een dergelijke beslissing te nemen,’ merkte Sir Traffin op. ‘Wie had u gedacht het bevel over de Lenin te geven?’

‘Admiraal Lavrenti Kutuzov. We hebben gisteren een schip met een koerier uitgezonden om hem te gaan halen.’

‘De Slager!’ Met een klap zette Horvath zijn glas op de tafel en woedend wendde hij zich tot de onderkoning. ‘Uwe Hoogheid, ik protesteer! Van alle mannen in het Keizerrijk is hij wel de slechtste keus! U weet toch zeker, dat Kutuzov de man was die — die destijds de planeet Istvan gesteriliseerd heeft. Van alle geestelijk gestoorde schepsels is de — Meneer, ik smeek u deze beslissing ongedaan te maken. Een man zoals die zou — Begrijpt u het dan niet? Deze buitenaardse wezens zijn intelligent! Dit zou het grootste moment van onze hele geschiedenis kunnen zijn en nu wilt u een expeditie uitzenden onder bevel van een beestmens die alleen maar met zijn reflexen denkt! Het is eenvoudig waanzinnig.’

’ ’t Zou nog veel waanzinnigerr zijn, ’n expeditie uit te zenden onderr bevel van iemand als gij,’ antwoordde Armstrong. ’k Bedoel dat nie als ’n belediging, doctorr. Maarr ge ziet deze buitenaarrdse wezens als vrrinden; ge bekijkt de mogelijkheden alleen maarr van de gunstige kant. De gevaarr’n ziet ge nie. Tis mogelijk dat m’n vrrinden en ik d’rr te veel zien, maarr ’k heb lieverr dat ik ongelijk krrijg dan gij.’

‘Maar de Raad…’ protesteerde Horvath zwakjes. ‘Dit is geen geval voor de Raad,’ verklaarde Merrill. ‘Het beteft hier de Territoriale Defensie van het Imperium, zoals dat heet. Een kwestie van de Veiligheid van het Rijk en wat dies meer zij, weet u. Het zal interessant zijn te zien wat het Keizerlijk Parlement op Sparta daarover te zeggen heeft. Maar als vertegenwoordiger van Zijne Majesteit in deze sector heb ik al een besluit genomen.’

‘O, juist.’ Een ogenblik zat Horvath er terneergeslagen bij, maar toen klaarde hij weer op. ‘Maar u heeft gezegd dat de MacArthur aangepast zou worden aan de behoeften van de wetenschapsmensen, en dat we een complete wetenschappelijke expeditie mochten uitrusten.’ Merrill knikte. ‘Ja. Laten we hopen dat Kutuzov niets te doen krijgt. Het is aan jullie ervoor te zorgen dat hij niet hoeft in te grijpen. Hij gaat alleen maar mee als voorzorgsmaatregel.’ Blaine schraapte voorzichtig zijn keel.

‘Zeg ’t maarr, jong,’ zei Armstrong.

‘Ik vroeg me af wat er met mijn passagiers diende te gebeuren, meneer.’

‘Tuurlijk, dat is waar ook,’ antwoordde Merrill. ‘Die nicht van senator Fowler, en die Handelsvent. Denk je dat ze mee zouden willen?’

‘Van Sally — uh, juffrouw Fowler weet ik dat wel zeker,’ antwoordde Rod. ‘Ze heeft al twee kansen voorbij laten gaan om door te reizen naar Sparta en ze heeft tot dusverre dagelijks de deur platgelopen bij het hoofdkwartier van de Admiraliteit.’

‘ ’n Studente in de antropologie,’ mompelde Merrill. ‘Als ze wil, laat haar dan maar meegaan. Het zal geen kwaad kunnen de Liga voor Menselijkheid te laten zien dat het geen strafexpeditie is die we uitsturen, en ik kan me geen betere manier bedenken om hun dat duidelijk te maken. Vanuit ’n politiek standpunt bezien een goeie zet. En wat doen we met die Bury?’

‘Ik zou het niet weten, meneer.’

‘Kijk maar eens of hij mee wil,’ zei Merrill. ‘Admiraal, u heeft zeker geen passend schip beschikbaar dat toevallig naar de Hoofdplaneet gaat, hè?’

‘Geen schip waaraan ik die man zou willen toevertrouwen,’ antwoordde Cranston. ‘U heeft immers zelf gelezen wat er in Plechanovs rapport stond.’

‘Ja, dat is zo. Nou, dr. Horvath wilde immers Handelslieden meenemen. Ik denk zo, dat Zijne Excellentie de kans om erbij te zijn wel verwelkomen zal… zeg hem maar dat anders de mogelijkheid bestaat dat een van zijn concurrenten uitgenodigd wordt. Dat zal wel voldoende zijn, hè? Ik heb nog nooit een koopman ontmoet die niet bereid was door de hel te gaan om een voorsprong op de concurrentie te krijgen.’

‘Wanneer vertrekken we, meneer?’ vroeg Rod.

Merrill haalde de schouders op. ‘Dat hangt van Horvaths mensen af. Er zal nog een hoop gedaan moeten worden, neem ik aan. De Lenin zou over ongeveer een maand hier moeten zijn. Ze pikken Kutuzov onderweg op. Ik zou niet weten waarom je daarna niet zou kunnen vertrekken zodra je van mening bent dat de MacArthur klaar is voor de reis.’

11. De Kerk van Hem

Bij een snelheid van honderdvijftig kilometer per uur viel er in de monorailcabine slechts een onderdrukt sissend geluid te horen. Het gedrag van Kevin Renner vertoonde veel overeenkomst met dat van een toerist. Hij zat naar opzij geleund met zijn hoofd tegen het venster van doorzichtig plastic aan om deze voor hem vreemde wereld beter te kunnen zien. Op zijn magere gezicht lag een ongecompliceerde glimlach.

Staley zat aan het middenpad en het was alsof hij in de houding zat. Potter zat tussen hen in.

Het drietal was niet met verlof; ze hadden momenteel geen dienst maar konden ieder ogenblik teruggeroepen worden door middel van hun zakcomputers. Op de scheepswerven van Nieuw-Schotland waren arbeiders op dat moment bezig de restanten van de landingssloepen van de wanden van het hangardek van de MacArthur te schrapen en onder Sinclairs toezicht nog andere, meer uitgebreide reparatiewerkzaamheden te verrichten. Sinclair zou speciaal Potter ieder ogenblik nodig kunnen hebben en Potter fungeerde als hun inheemse gids. Het was mogelijk dat Staley daaraan dacht, maar zijn stramme houding was geen teken van ongemak. Hij had het best naar zijn zin. Het was nu eenmaal de manier waarop hij altijd zat.

Het landschap werd doorsneden door vreemde, scherpe lijnen. Je zag nu eens de typische groene lappendeken van bebouwde akkers en dan weer een levenloos landschap dat je bijna een maanlandschap zou hebben kunnen noemen, behalve dan dat het hier verzacht en afgeplat was door erosie. Het was vreemd een brede rivier zich onbezorgd te zien slingeren door een landschap dat van bebouwde akkers ineens in een woestijn overging. Nergens was enig onkruid te zien. Niets groeide in het wilde weg. Het stukje bos dat ze op dat moment passeerden had dezelfde scherp omlijnde begrenzing en ordelijke indeling als de brede stroken met bloembedden die ze even tevoren gepasseerd waren. ‘Nieuw-Schotland wordt nu al driehonderd jaar door jullie bewoond,’ zei Renner. ‘Waarom verkeert het dan nog steeds in deze toestand? Je zou verwachten dat er zich inmiddels een laag bovengrond gevormd zou hebben en dat het zaad zich naar alle windstreken verspreid zou hebben. En dat er hier en daar een wildernis ontstaan zou zijn.’

‘Hoe vaak ziet ge ’t gebeurren dat bebouwde grrond op ’n gekoloniseerrde planeet in ’n wilderrnis veranderrt? Doorr onze ganse geschiedenis heen hebben de mensen zich altijd snellerr uitgebrreid dan de bovengrrond.’ Plotseling ging Potter recht overeind zitten. ‘Zie, daarr voorr ons. We komen Quentins Patch binnen.’

De capsule minderde bijna ongemerkt vaart en kwam tot stilstand. Deuren klapten omhoog en een handjevol reizigers stapte uit. Het jonge drietal van de Marine toog op pad met Potter voorop. Potter huppelde bijna. Dit was zijn geboortedorp.

Renner bleef eensklaps staan. ‘Kijk, je kunt Murchesons Oog zelfs bij daglicht zien!’

Dat was zo. De ster stond hoog in het oosten; een rode vonk die maar net zichtbaar was tegen de blauwe hemel.

‘Maar het Gezicht van God valt niet te onderscheiden.’

Hoofden draaiden om en keken naar de Marinemannen. Op zachte toon zei Potter, ‘Meneerr Rrennerr, op deze planeet kunt ge ’t maarr beterr nie ’t Gezicht van God noemen.’

‘Huh? Waarom niet?’

‘De Hemmisten noemen het ’t Gezicht van Hem. Ze noemen hun God nooit rrechtstrreeks bij z’n naam. Maarr de leden van de waarre Kerrk zien d’rr niks anderrs in als de Kolenzaknevel.’

‘Overal elders noemen ze het anders het Gezicht van God. Of het nu leden van de ware Kerk zijn of niet.’

‘Maarr elderrs in ’t Keizerrrijk trreft ge ook geen Hemmisten aan. Als ge nu meekomt deze kant uit, kunnen we nog voorr donkerr bij de Kerrk van Hem zijn.’

‘Hoe is die sekte van de Hemmisten ontstaan?’ vroeg Renner. ‘Volgens de legende,’ begon Potter, maar toen aarzelde hij. ‘Och, tis best mogelijk dat ’t nie allemaal legende is. Maarr de Hemmisten zeggen dat ’t Gezicht van God op ’n dag ontwaakte.’

‘Hm?’

‘Ja. Hij dee Z’n ene oog open.’

‘Dat zou precies kloppen, als de Splinters zich inderdaad van laserkanonnen bedienden om een lichtzeil mee voort te stuwen. Bestaan daar gegevens over?’

‘Jèh.’ Potter dacht even na. ‘ ’t Gebeurrde tijdens de Afscheidings-oorrlogen. Die oorrlogen hebben ons geweldig veel schade berrok-kend, weet ge. Nieuw-Schotland bleef trrouw aan ’t Keizerrrijk, maarr Nieuw-Ierrland nie. We waarr’n allebei even sterrk. Ongeveerr vijftig jaarr lang bevochten we elkand’rr, totdat d’rr geen interrstellairrre schepen meerr overr waarr’n en we helemaal geen contact mee de sterr’n meer hadden. En toen, in 2870, kwam d’rr ’n schip ons stelsel binnenvallen, ’t Was de Ley Crraterr, ’n handelsschip dat ze omgebouwd hadden voorr de oorrlog. Ze was beschadigd, maarr d’rr Lang-ston-vcld was nog intact en ze had ’n rruim vol torrpedo’s. Zo beschadigd als ze was, was ze toch nog ’t sterrkste schip in ’t hele Nieuw—’Caledoniëstelsel; zo laag waarr’n we toen inmiddels al gezonken. En met haarr hulp hebben we toen die verraderrs van Nieuw-Ierrland verrnietigd.’

‘Dat is anders al honderd vijf tig jaar geleden; maar jij vertelt het alsof je het zelf allemaal meegemaakt hebt.’

Potter glimlachte. ‘We vatten onze geschiedenis hierr errg perrsoonlijk op.’

‘Vanzelf,’ zei Staley.

‘Ge vrroeg om gegevens,’ zei Potter. ‘In de arrchieven van de Univerrsiteit staat d’rr niks overr opgetekend. Sommige van de computerr-gegevens zijn uitgewist doorr oorrlogsschade, moet ge weten. D’rr is iets met ’t Oog gebeurrd, dat staat vast, maarr ’t moet tegen ’t eind van de oorrlog gebeurrd zijn. ’t Zal destijds nie zoveel indrruk gemaakt hebben, snapt u.’

‘Waarom niet? Het Gezicht van — uh, het Oog is beslist het grootste en helderste ding dat aan jullie hemel zichtbaar is.’ Potter glimlachte weer, maar het was een vreugdeloze glimlach. ‘Nie tijdens de oorrlog. Ik heb dagboeken gelezen. De mensen hielden zich toen schuil onderr ’t Langston-veld van de Univerrsiteit. En wanneerr ze buiten kwamen, zagen ze de hemel als ’n slagveld, vol vrreemde lichten en de uitstrralingen van ontploffende schepen. Pas toen de oorrlog afgelopen was, begonnen de mensen wcerr naarr de hemel te kijken. Toen prrobeerrden de astrronomen ’n studie te maken van wat err met ’t Oog gebeurrd was. En toen is ’t gebeurrd dat Howarrd Grrote Littlemead z’n goddelijke inspirratie krreeg.’

‘Hij besloot zeker dat het Gezicht van God precies datgene was waar het ook op leek.’

‘Jèh, dat deed-ie. En hij heeft ’n heleboel mensen weten te overrtui-gen. We zijn d’rr, heerr’n.’

De Kerk van Hem zag er imposant uit, maar tegelijk ook haveloos en armoedig. Ze was gebouwd van uitgehouwen steenblokken en erop berekend om de eeuwen te trotseren. Dit laatste had ze inderdaad gedaan, maar het steen was verweerd en gezandstraald door talloze stormen; in de bovendrempel en de kroonlijsten en ook op andere plekken zaten scheuren; in de muren waren initialen en vieze woorden gekerfd door middel van laserstralen en andere werktuigen. De priester was een lange maar mollige man met een zacht en verslagen uiterlijk. Maar hij spreidde een onverwachte vastberadenheid tentoon in zijn gedecideerde weigering hen binnen te laten. Ook Potters onthulling dat hij een dorpsgenoot was bracht hier geen verandering in. De Kerk van Hem en haar priesters hadden veel te lijden gehad van zulke dorpsgenoten.

‘Kom, laten we redelijk met elkaar praten,’ zei Renner tegen hem. ‘U gelooft toch niet echt dat we van plan zijn iets te ontwijden, is ’t wel?’

‘Ge zijt geen geloverrs. Wat hebt ge hierr te zoeken?’

‘We zijn alleen maar gekomen om dat beeld van de Ko — uh, van het Gezicht van Hem in al zijn glorie te zien. Zodra we het gezien hebben, vertrekken we weer. Als u ons niet wilt binnenlaten, zullen we u waarschijnlijk langs officiële weg daartoe kunnen dwingen. Dit is een zaak die de Marine aangaat.’

De priester keek minachtend. ‘Dit is Nieuw-Schotland en nie een van die prrimitieve koloniën van jullie, waarr de rregeerring alleen maarr uit godslasterrende Marrinierrs bestaat. Ge zoudt ‘rr ’n bevel van de Onderrkoning voorr nodig hebben om hierr binnen te drringen. En ge zijt trrouwens maarr toerristen.’

‘Heeft u al van dat buitenaardse verkenningsschip gehoord?’ De priester verloor wat van zijn zelfverzekerdheid. ‘Jèh.’

‘We geloven dat het gelanceerd werd door middel van laserkanonnen en dat het afkomstig is van de Splinter.’

De priester stond een ogenblik perplex. Maar toen kreeg hij een lange en luidruchtige lachbui. Nog altijd lachend liet hij hen binnen. Hij zei verder geen woord tegen hen, maar ging hen voor over de gebarsten tegels, door een soort voorportaal, en bracht hen het voornaamste heiligdom binnen. Toen ging hij opzij staan om hun gezichten gade te slaan.

Het Gezicht van Hem nam de halve muur in beslag. Het zag eruit als een reusachtig groot hologram. Langs de rand waren de sterren enigszins vervaagd, zoals bij een heel oud hologram inderdaad het geval zou zijn. En ook kreeg je de zich bij hologrammen altijd voordoende indruk dat je in het oneindige keek.

Het Oog in dat Gezicht straalde met een beangstigende intensiteit heldergroen. Fel groen met een rood vlekje erin. ‘Mijn God’ zei Staley en voegde er toen haastig aan toe, ‘Ik bedoel dat niet zoals het klinkt. Maar — wat een kracht! Je zou er het industriële potentieel van een ver gevorderde wereld voor nodig hebben om zoveel licht uit te stralen over een afstand van vijfendertig lichtjaren!’

‘En ik dacht nog wel dat ik ’t me grroterr herrinnerrd had dan ’t eigenlijk was,’ fluisterde Potter.

‘Ziet ge wel!’ kraaide de priester triomfantelijk. ‘En gelooft ge nu soms nog, dat ’t ’n natuurrverrschijnsel geweest zou kunnen zijn? Welaan, hebt ge genoeg gezien?’

‘Ja,’ zei Renner, en ze vertrokken.

Buiten gekomen bleven ze in het snel wegstervende daglicht staan. Renner schudde verwonderd het hoofd. ‘Ik kan het die Littlemead niet kwalijk nemen,’ zei hij. ‘Het is eigenlijk een wonder dat hij er niet in geslaagd is iederéén op deze planeet te overtuigen.’

‘We zijn ’n koppig volkje,’ zei Potter. ‘Dat gluurrende silhouet aan gindse nachtelijke hemel is ze misschien wat al te opdrringerrig voorr-gekomen, en wat al te…’

‘Zo van: Hier ben ik, stommelingen; zien jullie me niet?’ opperde Renner.

‘Jèh. Nieuwschotlanderrs houen ’r nie van als sufferrds behandeld te worrden, zelfs nie doorr Hem.’

Zich dat vervallen gebouw met zijn armoedig interieur herinnerend zei Renner: ‘De Kerk van Hem schijnt slechte tijden door te maken en aardig in verval geraakt te zijn sinds Littlemead zijn inspiratie kreeg.’

‘Jeh. In 2902 is ’t licht uitgegaan. Da’s honderrd vijftien jaarr geleden. Die gebeurrtenis is uitvoerrig gedocumenteerrd. Daarrmee was ’t mee de astrronomische wetenschap gedaan hierr, totdat ’t Keizerrrijk trrugkeerrde.’

‘Ging dat licht van de Splinter zomaar ineens uit?’

Potter haalde zijn schouders op. ‘Niemand weet ‘t. ’t Moet aan de andrre kant van de planeet gebeurrd zijn, ziet ge. Ge zult wel gemerrkt hebben dat de beschaving hierr slechts ’n zich langzaam uitbrreidende vlek op ’n dorrre planeet is, meneerr Rrennerr. Toen de Kolenzak die avond aan ’t firrmament verrscheen, kwam hij op als ’n man mee ’n blind gezicht. De Hemmisten moet dat toegeschenen hebben alsof God weerr was gaan slapen.’

‘Ze zaten daar zeker nogal over in?’

‘Howarrd Grrote Litlemead nam ’n te grrote dosis slaaptabletten in. De Hemmisten zeggen dat ie zich gehaast heeft om z’n God te ontmoeten.’

‘Misschien wel om een verklaring te gaan eisen,’ zei Renner.

‘U bent nogal stil, meneer Staley.’

Horst keek op en zijn gezicht stond grimmig. ‘Die lui kunnen laserkanonnen bouwen die de hele hemel verlichten. En wij gaan straks daarheen met een militaire expeditie.’

12. Afdaling in de hel

Er was maar net genoeg ruimte om iedereen te verzamelen op het hangardek. De gesloten luiken van het lanceerruim — die thans gerepareerd waren, wat maar al te duidelijk was te zien — vormden de enige open ruimte die groot genoeg was om de hele bemanning van het schip en de wetenschapsmensen op één plek bijeen te brengen, en zelfs daar nog had dit een gedrang van jewelste ten gevolge. De hangarruimte was volgepropt met uitrustingsstukken en allerlei andere zaken: extra landingsvaartuigen, de grote reddingsboot en de kapiteinssloep, kratten met wetenschappelijke apparatuur, scheepsvoorraden, en nog andere kisten waarvan zelfs Blaine de bedoeling niet wist. Dr. Horvaths mensen stonden erop bijna ieder instrument waarvan in hun verschillende specialiteiten wel eens gebruik gemaakt werd mee te nemen, ervan uitgaand dat je nooit weten kon of het misschien niet van pas zou kunnen komen. De Marine kon hun dit onmogelijk betwisten, aangezien er nog nooit eerder een expeditie van deze aard had plaatsgevonden.

Het was nu stampvol in die enorme ruimte. Onderkoning Merrill, minister Armstrong, admiraal Cranston, kardinaal Randolph en nog een menigte lagere functionarissen stonden ietwat verward rond te hangen, terwijl Rod hoopte dat zijn officieren erin geslaagd zouden zijn met hun voorbereidingen voor het vertrek van het schip klaar te komen. De laatste paar dagen waren één eindeloze opeenvolging van onvermijdelijke activiteiten geweest die zich hoofdzakelijk op het sociale vlak afgespeeld hadden, en hij had maar weinig tijd gekregen om zich bezig te houden met het belangrijke werk zijn schip in gereedheid te brengen. En nu, terwijl hij stond te wachten totdat ook de laatste ceremonies achter de rug zouden zijn, wenste Rod dat hij zich aan het societyleven van de hoofdstad had kunnen onttrekken om als een kluizenaar aan boord van zijn schip te blijven. Gedurende het komende jaar of nog langer zou hij onder het bevel van admiraal Kutuzov staan, en hij vermoedde dat de Admiraal niet al te ingenomen was met de gezagvoerder van het aan hem toegevoegde schip. Het was opvallend dat de Rus weggebleven was en deze ceremonies op de hangarluiken van de MacArthur niet bijwoonde.

Niet dat iemand zijn afwezigheid betreurde. Kutuzov was een grote, zwaargebouwde man met een moeilijk te begrijpen gevoel voor humor. Hij zag eruit als iets uit een studieboek over de Russische geschiedenis, en ook zijn spraak was daarmee in overeenstemming. Dit was ten dele een gevolg van het feit dat hij op St.-Ekaterina opgegroeid was, maar hoofdzakelijk was het zijn eigen vrije verkiezing. Kutuzov bracht vele uren zoek met het bestuderen van eeuwenoude Russische gebruiken en vele daarvan nam hij over, ze tot een deel makend van het imago dat hij aan zijn omgeving wenste te vertonen. Op de brug van zijn vlaggeschip prijkten ikonen, in zijn kajuit stond altijd een samovaar met thee te pruttelen, en zijn Mariniers waren getraind in wat, naar Kutuzov hoopte, redelijke imitaties van kozakkendansen waren. Bij de Marine was iedereen het erover eens: de man was uitermate bekwaam, hij volgde alle bevelen die men hem gaf tot op de letter op, en het ontbrak hem zodanig aan menselijk medegevoel dat iedereen die in zijn buurt kwam een onbehaaglijk gevoel kreeg. Aangezien de Marine en het Parlement Kutuzovs optreden, waarbij hij het bevel gegeven had een opstandige planeet plat te branden, officieel goedgekeurd hadden — de Keizerlijke Raad had vastgesteld dat deze drastische maatregel de opstand van een hele sector verijdeld had — werd Kutuzov op alle plechtigheden en feesten uitgenodigd; maar niemand was teleurgesteld wanneer hij dergelijke uitnodigingen afsloeg, ‘ ’t Voorrnaamste prrobleem is die dwaze Rrussische gewoontes van hem,’ had Sinclair als zijn mening te kennen gegeven, toen de officieren van de MacArthur hun nieuwe admiraal bespraken. ‘Ik zie anders geen verschil met de Schotten,’ had eerste luitenant Cargill opgemerkt. ‘Alleen verlangt hij tenminste niet van ons dat we allemaal Russisch zullen verstaan. Hij spreekt het Anglisch goed genoeg.’

‘Wilt ge daarrmee soms zeggen dat wij Schotten geen Anglisch sprre-ken?’ wilde Sinclair weten.

‘Je mag driemaal raden.’ Maar toen bedacht Cargill zich. ‘Natuurlijk niet, Sandy. Soms, wanneer je opgewonden raakt, kan ik je wel eens niet verstaan, maar… hier, neem nog een borrel van me.’ Onderkoning Merrill zei iets. Rod ontwaakte met een schok uit zijn overpeinzingen en spande zich in om te midden van dat verwarde geroezemoes van stemmen te kunnen horen wat hij zei. ‘Ik zei dat ik het nut van dit alles eigenlijk niet inzie, kapitein. Deze hele ceremonie had ook op de grond plaats kunnen vinden — met uitzondering van uw zegening dan, Eerwaarde.’

‘Er zijn wel eens eerder schepen van Nieuw-Schotland vertrokken zonder mijn goede zorgen,’ zei de Kardinaal peinzend. ‘Hoewel misschien niet met een opdracht die de Kerk voor zoveel problemen stelt als deze. Maar goed, daar mag de jonge Hardy zich nu verder zorgen over gaan maken.’ Hij wees naar de aalmoezenier die aan de expeditie toegevoegd was. David Hardy was bijna tweemaal zo oud als Blaine en in naam zijn gelijke in rang, zodat de opmerking van de kardinaal blijkbaar in de juiste verhouding gezien moest worden. ‘Welnu, zijn we zover?’

‘Jawel, Eminentie.’ Blaine knikte naar Kelley.

‘BEMANNING, ATTENTIE!’ Het geroezemoes verstomde, zij het dan geleidelijk in plaats van op slag, zoals het geval zou zijn geweest als er geen burgers aan boord waren.

De Kardinaal haalde een smalle stola uit zijn zak, kuste de zoom ervan, en hing hem om zijn hals. Aalmoezenier Hardy reikte hem het zilveren emmertje en de wijwaterkwast aan, een stafje met een holle bal aan het uiteinde. Kardinaal Randolph doopte het stafje in het emmertje en schudde er waterdruppels uit in de richting van de verzamelde officieren en minderen. ‘Gij zult mij louteren, en ik zal schoon zijn. Gij zult mij wassen, en ik zal witter zijn dan sneeuw. Ere zij de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest.’

‘Zoals het in den beginne was, nu is, en eeuwig blijven zal, op werelden zonder einde, amen,’ merkte Rod dat hij automatisch antwoordde. Geloofde hij werkelijk in dat alles? Of was het alleen maar goed voor de discipline? Hij wist het niet, maar toch was hij blij dat de Kardinaal gekomen was. De MacArthur zou wel eens alle voorspoed nodig kunnen hebben die ze maar krijgen kon…

Het officiële gezelschap stapte aan boord van een atmosfeertoestel, terwijl achter hen de waarschuwingssignalen al door het schip galmden. De bemanning van de MacArthur verliet haastig het hangardek en Rod stapte een luchtsluis in. Met een gierend geluid zogen pompen alle lucht uit de hangarruimte weg. Toen gingen de grote dubbele luiken open. Ondertussen zorgden de rondwentelende centrale vliegwielen ervoor dat de MacArthur haar rotatie verloor. Met uitsluitend Marinepersoneel aan boord zou je zo’n atmosfeervaartuig onder rotatie door de open luiken kunnen lanceren, zodat het naar buiten viel in de — ten opzichte van de MacArthur, tenminste — kromme baan die teweeggebracht werd door het Coriolis-effect, maar met de Onderkoning en de Kardinaal aan boord viel daaraan niet te denken. Met honderdvijftig centimeter per seconde rees het landingsvaartuig voorzichtig omhoog, totdat het vrij van de hangarluiken in de ruimte hing. ‘Sluiten en luchtdicht maken,’ beval Rod kort maar krachtig. ‘Maakt u gereed voor acceleratie.’ Hij draaide zich om en zette zich af om in de ontbrekende zwaartekracht in de richting van zijn brug te zweven. Achter hem schoven telescopische spanten van wand tot wand uit over de hele ruimte van het hangardek — stagen, en stutten, kortom, allerlei soorten kabels en steunbinten — totdat de holle ruimte er gedeeltelijk door gevuld werd. Het ontwerpen van hangarruimtes voor oorlogs-op hen. Whitbread zag het, maar deed net alsof hij niets merkte. Potter draaide zich nu helemaal om, en knipperde met zijn ogen. ‘Ja, meneerr Whitbrread. Dat klopt.’

‘Tja, iemand moet ’t je toch eens vertellen, en ik geloof niet dat iemand anders er al aan gedacht heeft dat te doen. De eerste de beste keer dat je dienst deed aan boord van een schip, dook dat schip recht op een F8 zon af. Ik hoop dat je geen slechte indruk van de Dienst daarvan overgehouden hebt.’

‘Helemaal niet. Ik vond het opwindend,’ zei Potter beleefd.

‘Wat ik zeggen wil, is dit: recht op een zon af duiken is iets, wat in de Marine maar zelden voorkomt. Zo iets gebeurt niet iedere reis. Ik dacht zo, dat iemand je dat maar behoorde te vertellen.’

‘Maarr, meneerr Whitbrread, staan we dan nie op ’t punt prrecies datzelfde wéérr te doen?’

‘Huh?’ Dat antwoord had Whitbread niet verwacht. ‘Geen enkel schip van ’t Eerrste Keizerrrijk heeft ooit ’n overrgangspunt van Murrchesons Oog naarr de Splinterr weten te vinden. Misschien zaten ze d’r nie errg om vcrrlegen, maarr we mogen toch aannemen dat ze ’t wel ’n keerr of wat geprrobeerrd hebben,’ zei Potter op ernstige toon. ‘Nu heb ik errg weinig errvaarring in de rruimte, maarr ongeletterrd ben ik nu ook weer nie, meneerr Whitbrread. Murrchesons Oog is ’n rrode superrreus, ’n grrote, holle sterr zo grroot als de krringloop van Saturrnus in ’t stelsel van Sol. ’t Lijkt me rredelijk aan te nemen dat als d’rr ’n Alderrson-punt naarr de Splinterr bestaat, ’t zich binnenin gindse sterr bevindt. Vindt ge ook niet?’ Horst Staley verhief zich op een elleboog. ‘Als je het mij vraagt heeft hij gelijk. Dat zou verklaren waarom niemand dat overgangspunt ooit in kaart gebracht heeft. Iedereen wist waar het was —’

‘Maar niemand wilde gaan kijken om zich ervan te overtuigen. Ja, natuurlijk heeft hij gelijk,’ zei Whitbread verbolgen. ‘En laat dat nou net zijn waar we naartoe gaan. Hopla! Daar gaan we weer. Leuk hoor.’

‘Prrecies,’ zei Potter; en met een vriendelijke glimlach draaide hij zich weer om op zijn buik.

‘Het is anders hoogst ongebruikelijk,’ protesteerde Whitbread. ‘Je hoeft me niet te geloven, hoor, maar ik verzeker je dat we niet de gewoonte hebben aan de lopende band door sterren heen te duiken; zo iets komt hoogstens tweemaal op iedere drie reizen voor.’ Hij zweeg even. ‘En zelfs dat is me nog te vaak.’

De-vloot minderde vaart en kwam ten slotte tot stilstand even buiten de vage, nevelige omtrek van Murchesons Oog. De schepen in een baan eromheen te laten cirkelen was uitgesloten. Op deze afstand was de aantrekkingskracht van de superreus zo gering, dat een schip er jaren voor nodig zou hebben gehad om erin te vallen. De tankschepen werden aangekoppeld en begonnen brandstof over te pompen.

Er was een eigenaardig, vaag soort vriendschap ontstaan tussen Horace Bury en Buckman, de astrofysicus. Bury had zich daarover af en toe al het een en ander afgevraagd. Wat zou Buckman van Bury willen?

Buckman was een magere, knokige man met dunne botjes die aan die van een vogel deden denken. Naar zijn magere, vervallen uiterlijk te oordelen vergat hij soms dagenlang te eten. Buckman scheen om niets en niemand te geven in datgene wat Bury als de werkelijke kosmos beschouwde. Mensen, tijd, macht en geld waren slechts middelen waarvan Buckman zich bediende om de innerlijke mechanismen van de sterren te onderzoeken. Waarom zou hij dan behoefte voelen aan liet gezelschap van een Handelsman?

Maar Buckman hield van praten en Bury had tenminste tijd om naar hem te luisteren. Of, speculeerde Bury cynisch, misschien was het wel Bury’s koffie die hij lekker vond. Bury had wel een dozijn verschillende soorten koffiebonen bij zich, plus zijn eigen koffiemolen en de nodige filtreertrechtertjes. Hij was er zich heel goed van bewust, hoe de vergelijking uitviel tussen zijn koffie en die, welke uit de overal in het schip opgestelde reusachtige koffieketels kwam. Nabil serveerde hun koffie, terwijl ze op Bury’s beeldscherm naar het aan boord pompen van de brandstof zaten te kijken. De tanker die de MacArthur van brandstof voorzag hing buiten het gezichtsveld, maar de Lenin en de andere tanker waren zichtbaar als twee ruimtezwarte, door een zilveren navelstreng met elkaar verbonden langgerekte ovalen, die zich aftekenden tegen een achtergrond van wazig scharlakenrood.

‘Erg gevaarlijk zou het niet moeten zijn,’ zei dr. Buckman. ‘Jij bekijkt het als een afdaling in het hart van een zon, Bury. En vanuit een technisch standpunt bezien is het dat ook. Maar dat hele onmetelijke volume is niet veel massiever dan Cal, of welke andere gele dwerg dan ook. Denk maar aan een roodgloeiend luchtledige. Behalve de kern, natuurlijk; die is waarschijnlijk heel klein en van een zeer hoge dichtheid.

‘We zullen een hoop kennis opdoen door daarin te duiken,’ zei hij. Zijn ogen schitterden en waren gericht op de oneindige ruimte. Bury, die van opzij naar hem keek, werd gefascineerd door die uitdrukking op zijn gezicht. Hij had zo’n uitdrukking wel eens eerder gezien, het was het kenmerk van mannen die voor geen enkele muntsoort waarover Horace Bury de beschikking had, te koop waren. Buckman was voor Bury van even weinig praktisch nut als Bury voor Buckman. Maar in gezelschap van Buckman kon Bury zich ontspannen, voor zover hij zich tenminste überhaupt in iemands gezelschap kon ontspannen. En dat vond hij een aangenaam gevoel. ‘Ik dacht dat jullie inmiddels wel alles van het Oog afwisten,’ zei hij. ‘Door de ontdekkingsreizen van Murcheson, bedoel je zeker? Nee, er zijn te veel aantekeningen verloren gegaan, en wat er nog over is is niet allemaal even betrouwbaar. Mijn instrumenten zijn al sinds de Sprong bezig alles te registreren. Wist je dat de zonnewind naar verhouding verbazingwekkend veel zwaardere deeltjes bevat, Bury? En helium — geweldig veel helium. Maar voor zover we weten zijn de schepen van Murcheson nooit het Oog zélf binnengegaan. En daar zullen we pas goed het een en ander te weten komen.’ Er kwam een bezorgde frons op Buckmans gezicht. ‘Ik hoop maar dat onze instrumenten ertegen kunnen. We moeten ze natuurlijk door het Langstonveld naar buiten steken. En we zullen ons vermoedelijk vrij lang in die gloeiendhete nevel bevinden. Als het Veld nu maar niet instort; dat zou alles bederven.’

Bury staarde hem aan en barstte toen in lachen uit. ‘Ja doctor, dat zou het zeker!’

Buckman keek niet-begrijpend. Toen zei hij: ‘Ah, juist. Ik begrijp wat u bedoelt. Dat zou tegelijk ook onze dood ten gevolge hebben, niet waar? Daar had ik niet aan gedacht.’

Het acceleratie-alarm weerklonk door het schip. De MacArthur stond op het punt het Oog binnen te gaan.

Sinclairs zware brouwstem klonk in Rods oor. ‘Machinekamerr meldt zich, kap’tein. Alles staat op grroen. ’t Veld houdt zich prrima, ‘tis nie zo warrm als we vrreesden.’

‘Mooi,’ antwoordde Blaine. ‘Bedankt, Sandy.’ Rod keek naar de langzaam tegen de achtergrond van sterren vervagende tankers. Reeds waren ze duizenden kilometers van hen vandaan en nu waren ze alleen nog maar als fel schitterende lichtpuntjes door de telescopen te zien. Het beeldscherm ernaast vertoonde een witte vlek omgeven door een rode mist: de Lenin, die hen voorging, de alles omhullende rode gloed binnen. De Lenin ging proberen het Alderson-punt te vinden — als zo’n punt daar inderdaad tenminste bestond.

‘Toch staat ’t vast dat ’t Veld vrroeg of laat zal gaan lekken naarr binnen toe,’ ging Sinclairs stem verder. ‘De hitte kan nerrgens heen; ze zal opgezameld moeten worrden. ’t Is anderrs dan bij ’n rruimtegevecht, kap’tein. Maarr we kunnen ’t minstens tweeënzeventig uurr lang uithou’en en zonderr de geaccumuleerrde enerrgie kwijt te moeten. Wat err daarrna gebeurrt — daarr hebben we geen gegevens overr. Nog niemand heeft deze dwaze stunt ooit eerrderr geprrobeerrd.’

‘Tja.’

‘Iemand zou het toch hebben moeten proberen,’ zei Renner opgewekt. Hij had meegeluisterd vanaf zijn post op de brug. De MacArthur handhaafde een constante versnelling van één gee, maar er diende wel opgelet te worden: de dunne fotosfeer bood meer weerstand dan ze verwacht hadden. ‘Je zou verwachten dat Murcheson dat geprobeerd zou hebben. Het Eerste Keizerrijk had betere schepen dan wij.’

‘Misschien hééft hij het ook wel geprobeerd,’ zei Rod afwezig. Hij keek de Lenin na, die voor de MacArthur de kastanjes uit het vuur ging halen, en hij voelde een onredelijk gevoel van ergernis in zich opkomen. Het had de MacArthur moeten zijn, die vooropging… De hogere officieren bleven voortdurend op hun posten en sliepen er zelfs. Als het Veld te veel energie zou absorberen zou niemand er veel aan kunnen doen, maar toch voelde Rod zich prettiger in zijn commandostoel. Na verloop van tijd werd het echter duidelijk dat ze hem niet nodig hadden.

Er kwam een sein van de Lenin, en de motoren van de MacArthur werden stopgezet. Waarschuwende claxonsignalen weerklonken door het schip; ze werd in rotatie gebracht totdat weer andere signalen de onplezierige veranderingen van zwaartekracht beëindigden. Bemanningsleden en passagiers klauterden uit hun veiligheidsnetten.

‘Een ogenblik nog, alstublieft.’ Horvath scheen tot een besluit te komen. ‘Meneer Renner, u was toch ook aan boord toen de MacArthur die buitenaardse verkenner overrompelde, niet waar?’

‘Tjonge, nou, reken maar.’

‘Ik zou u graag even willen spreken.’

‘Nu meteen? Maar doctor, ik kan ieder moment teruggeroepen worden naar de brug —’

‘Ik beschouw het als zeer dringend.’

‘Maar we kruisen momenteel rond door de fotosfeer van een ster, zoals u misschien gemerkt zult hebben.’ En ik heb in geen drie dagen een hete douche kunnen nemen, zoals u misschien ook niet ontgaan zal zijn… Maar toen Renner nog eens naar Horvaths gezicht keek, gaf hij zich gewonnen. ‘Vooruit dan maar, doctor. Maar laten we dan wel uit deze gang weggaan.’

In Horvaths kajuit kon je je al even slecht roeren als overal elders aan boord, maar hij bezat wanden. Meer dan de helft van de bemanning van de MacArthur zou die wanden als een onverdiende luxe hebben beschouwd.

Hij liet de kooi in de wand omhoogklappen en trok uit de tegenoverliggende wand twee zitplaatsen omlaag. ‘Gaat u zitten, Renner. Er zijn bepaalde dingen met betrekking tot die onderschepping, die me maar niet met rust willen laten. En ik hoop van u een onbevooroordeelde lezing van het geval te kunnen krijgen. U bent immers niet als beroepsofficier bij de Marine.’

De eerste stuurman deed geen moeite dit te ontkennen. Hij was voorheen stuurman op een handelsschip geweest en wanneer hij straks zijn ontslag bij de Marine nam, zou de ruimere ervaring die hij in dienst daarvan opgedaan had hem in staat stellen een aanstelling als schipper op zo’n handelsschip te bemachtigen. Hij kon zijn ongeduld maar nauwelijks bedwingen totdat hij weer naar de koopvaardij terug zou kunnen keren.

‘Zo,’ zei Horvath, terwijl hij op het uiterste randje van zijn uitklap-stoel ging zitten. ‘Renner, was het nu absoluut noodzakelijk die verkenner aan te vallen?’ Renner begon te lachen.

Horvath liet hem begaan, maar hij keek alsof hij een bedorven oester gegeten had.

‘Goed, goed,’ zei Renner. ‘Ik had niet mogen lachen. U bent er immers niet bij geweest. Wist u dat die verkenner bezig was regelrecht op Cal af te duiken om een maximale deceleratie te verkrijgen?’

‘Zeker, en ik besef dat jullie je in dezelfde omstandigheden bevonden. Maar was dat nu werkelijk zo gevaarlijk?’

‘Doctor Horvath, de Kapitein heeft me tweemaal verbluft doen staan. En wel volkomen. Toen die verkenner ons aanviel, probeerde ik ons om de rand van dat zeil héén te manoeuvreren voordat we allemaal levend gekookt zouden worden. Misschien zou dat me nog net op tijd gelukt zijn, misschien ook niet. Maar de Kapitein liet ons pardoes dóór het zeil vliegen. Dat was briljant, het was iets waaraan ik zélf had moeten denken, en voor mij is die man toevallig een genie. En een maniakale zelfmoordenaar is hij óók.’

‘Wat?’

De terugblik op het gebeurde bracht weer een uitdrukking van angst op Renners gezicht. ‘Hij had nooit mogen proberen die verkenner aan boord te nemen. We hadden al veel te veel tijd verloren. We stonden op het punt een ster te rammen. Ik zou eenvoudig nooit gelóófd hebben dat we dat verdomde ding zó snel aan boord zouden kunnen nemen…’

‘Deed Blaine dat zelf?’

‘Nee. Dat karwei liet hij aan Cargill over. Die is beter in het uitvoeren van gewaagde manoeuvres onder hoge zwaartekracht dan wie dan ook hier aan boord. Dat is het hem nou juist, doctor. De Kapitein koos de bekwaamste man voor dat karwei uit en stapte toen zelf opzij.’

‘En als het aan u gelegen had zou u gemaakt hebben dat u wegkwam?’

‘Onmiddellijk, en zonder me ervoor te schamen.’

‘Maar hij blééf, en bracht het ding aan boord. Tja.’ Horvath keek alsof hij iets vies proefde. ‘Maar hij heeft er toch ook op geschoten. Het eerste —’

‘Nee. Dat ding schoot het eerst.’

‘Dat was hun automatische afweer tegen meteorieten!’

‘Nou, en? Wat maakt dat uit?’

Horvath klemde zijn lippen op elkaar.

‘Goed dan, doctor, probeert u het dan eens zó te bekijken. Stel u eens voor dat u uw wagen op een helling achterlaat zonder de handrem aan te trekken en met de wielen de verkeerde kant uitgedraaid, en dat hij vervolgens de helling afrolt en vier mensen verplettert. Hoe staat u daar in ethisch opzicht tegenover?’

‘Afschuwelijk. Ik moet er niet aan denken. Maar zeg waar het om gaat, Renner.’

‘De Splinters zijn minstens even intelligent als wij. Akkoord? Goed. Ze hebben een automatische afweer tegen meteorieten geconstrueerd. Maar dus hadden ze ook de verplichting ervoor te zorgen dat die geen neutrale ruimtevaartuigen onder vuur kon nemen.’ Horvath zat enkele ogenblikken roerloos voor zich uit Ie staren, maar het leek wel een eeuwigheid te duren; ondertussen dacht Kevin Renner aan de beperkte capaciteit van de heetwatertanks in de officiers-verblijven. Die trek om zijn mond alsof hij iets vies proefde was Horvaths natuurlijke gelaatsuitdrukking, zag Renner; de lijnen in zijn gezicht vielen als vanzelf in die plooi. Eindelijk zei de Minister van Wetenschappen, ‘Dank u, meneer Renner.’

‘Graag gedaan.’ Renner stond op. Er klonk een alarmsignaal door het schip. ‘Och Heer. Dat is voor mij.’ Renner draafde weg naar de brug.

Ze bevonden zich diep in het Oog; diep genoeg om de dunne sterre-materie om hen heen op het beeldscherm een gele tint te doen aannemen. De monitors van het Veld vertoonden ook een gele kleur, maar dan iets meer aan de groene kant.

Renner nam dit alles in zich op toen hij, op de brug gekomen, snelle blikken om zich heen wierp op een half dozijn beeldschermen. Vervolgens keek hij naar wat zich op zijn eigen beeldschermen aftekende, en toen zag hij dat het slagschip verdwenen was. ‘De Lenin heeft dus een Sprong gemaakt?’

‘Precies,’ zei cadet Whitbread. ‘En nu zijn wij aan de beurt, meneer.’ De roodharige adelborst grijnsde van oor tot oor. Blaine kwam de brug op gevlogen zonder de leuningen van het trapje zelfs maar aan te raken. ‘Neem de besturing over, meneer Renner. De juiste koers dient inmiddels op uw beeldscherm te zien te zijn.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Renner draaide zich om naar Whitbread. ‘Ik los u nu af.’ Zijn vingers dansten over de invoertoetsen en vervolgens drukte hij, zelfs nog voordat alle nieuwe gegevens op zijn scherm verschenen waren, een rij knoppen in. In snelle opeenvolging weerklonken er verschillende waarschuwingssignalen door het schip:

NEEMT UW PLAATSEN IN VOOR DE SPRONG, BEMANT DE GEVECHTSPOSTEN, EN MAAKT U GEREED VOOR HOGE ACCELERATIE.

De MacArthur bereidde zich voor op het onbekende.

Deel II

Het Gekke Gerrit-punt

13. Een kijkje in het rond

Ze was de eerste die de indringers opmerkte.

Ze was bezig geweest de vormeloze steenmassa van een asteroïde te onderzoeken, die voornamelijk uit lege ruimte bleek te bestaan. Een of andere vroegere beschaving had er kamers en inhammen, en tankcomplexen en voorraadruimten in uitgehouwen, en het puin vervolgens met elkaar versmolten tot nog meer kamers en vertrekken, totdat de steenklomp in één grote bijenkorf veranderd was. Dat was allemaal al lang geleden gebeurd, maar het boezemde haar geen belangstelling in.

In latere tijden hadden meteoorstenen dozijnen gaten in het bouwsel geslagen. Dikke wanden waren geleidelijk aan dunner gemaakt om langs chemische weg lucht aan het gesteente te kunnen onttrekken. Er was nu geen lucht meer aanwezig. En ook nergens een spoor van metaal. Verdroogde mummies, steen en nog eens steen, en slechts weinig anders. Voor een Constructeur viel hier beslist niets te halen. Ze klom weer naar buiten door een meteoorgat, want alle luchtsluizen waren al lang geleden dichtgesmolten door middel van vacuümlasapparaten. En nog weer een hele tijd later had iemand alle metalen onderdelen eruit gesloopt.

Toen ze weer buiten was had ze hen in het oog gekregen, heel ver weg, een kleine glinstering van goudkleurig licht tegen de achtergrond van de Kolenzaknevel. Het was de moeite van een onderzoek waard. Alles was de moeite van een onderzoek waard. De Constructeur keerde terug naar haar schip. De telescoop en de spectrometer waren aanvankelijk te kort geschoten. Er bleken twee van die gouden splinters te zijn en elk daarvan bezat een zekere hoeveelheid massa, maar iets verhinderde naar een blik te werpen op de zich daarbinnen bevindende brokken vaste materie. Geduldig ging de Constructeur aan het werk om haar instrumenten te veranderen door nieuwe ontwerpen te maken, nieuwe kalibraties te verrichten en ze geheel om te bouwen, terwijl haar handen werkten met een oogverblindende snelheid, geleid door instincten die zich in de loop van wel duizend Cyclussen ontwikkeld hadden.

Er waren krachtvelden, die gepenetreerd moesten worden. Weldra had ze iets ontworpen wat haar daartoe in de gelegenheid stelde. Het werkte wel niet feilloos, maar ze kon grote voorwerpen onderscheiden.

Ze keek nog eens.

Metaal. Eindeloze, eindeloze hoeveelheden metaal. Ze ging onmiddellijk op weg. De lokroep van mogelijke schatten was onweerstaanbaar. Een Constructeur bezat slechts weinig vrije wil.

Door een rode mist keek Blaine naar de plotselinge bedrijvigheid om hem heen, toen ze weer in de normale ruimte teruggekeerd waren, terwijl hij worstelde om zijn verraderlijke lichaam weer onder controle te krijgen. Van de Lenin kwam een sein dat alles veilig was, en Rod herademde. Er dreigden geen gevaren en dus kon hij op zijn gemak van het uitzicht genieten.

Wat hij het eerst zag, was het Oog. Murchesons Oog was nu een reusachtige robijn, helderder dan honderd volle manen, die zich geheel alleen aftekende tegen het zwarte fluweel van de Kolenzak. Aan de andere kant van de hemel wa,s de Splinter de helderste in een zee van sterren. Alle stelsels zagen er hetzelfde uit bij de terugkeer in de normale ruimte: een heleboel sterren en één zich dichterbij bevindende zon. Aan stuurboord was een lichtvlek: de Lenin, die bezig was haar Langston-veld te ontlasten door het teveel aan energie uit te stralen dat het in het Oog had opgeladen.

Admiraal Kutuzov controleerde alles nog eens grondig en verzond toen een tweede radiobericht naar Blaine. Zolang er geen gevaar dreigde, berustte de leiding van de expeditie thans bij de wetenschappers aan boord van de MacArthur. Rod liet koffie komen en wachtte op informatie.

Eerst was er maar bedroevend weinig bij wat hij nog niet wist. De Splinter was slechts vijfendertig lichtjaren van Nieuw-Schotland verwijderd en er hadden al de nodige observaties plaatsgehad, waarvan er sommige door Jasper Murcheson zelf destijds verricht waren. Het was een ster van het type G2, minder krachtig dan Sol, minder heet, kleiner, en ook ietwat geringer van massa. Hij gaf op dit moment nagenoeg geen zonnevlekkenactiviteit te zien, en de astrofysici vonden het maar een saaie zon.

Met het bestaan van de gasreus was Rod al op de hoogte geweest voordat ze vertrokken. Vroegere astronomen hadden het bestaan ervan afgeleid van afwijkingen in de baan die de Splinter rond het Oog beschreef. Ze kenden de massa van deze reusachtige gasplaneet en ze vonden hem bijna precies waar ze hem verwacht hadden, namelijk zeventig graden van hun huidige positie vandaan. Hij was zwaarder dan Jupiter, maar kleiner en van een veel grotere dichtheid, met een kern die uit gedegenereerde materie bestond. Terwijl de wetenschapsmensen druk in de weer waren met hun instrumenten, hielden de marineofficieren zich bezig met het uitzetten van koersen naar de gasreus voor het geval een van beide oorlogsschepen met brandstofgebrek te kampen zou krijgen. Het opscheppen van waterstof door in een hyperbolische baan door de atmosfeer van een gasreus heen te rammen vergde het nodige van schip en bemanning, maar het was nog altijd beter dan gestrand te zijn in een niet door mensen bewoond zonnestelsel.

‘We zijn nu op zoek naar de Trojaanse punten, kapitein,’ deelde Buckman Rod mee, twee uur nadat ze uit de hyperruimte gearriveerd waren.

‘Al iets gezien van de thuisplaneet van de Splinterwezens?’

‘Nog niet,’ zei Buckman en hing weer op.

Wat wilde Buckman met Trojaanse punten? Zestig graden ervóór en zestig graden erachter zouden er zich in de baan van de reuzenplaneet twee punten van stabiel evenwicht bevinden, die Trojaanse punten genoemd werden, naar de Trojaanse asteroïden die zich op overeenkomstige punten in de baan van Jupiter bevinden. In de loop van miljoenen jaren zouden die verzamelpunten geworden moeten zijn voor stofnevels en zwermen van asteroïden. Maar waarom zou Buckman daar tijd aan besteden?

Buckman riep hem opnieuw op, toen hij de Trojaanse punten gevonden had. ‘Ze zitten stampvol!’ smulde Buckman. ‘Of dit hele stelsel wemelt van voor tot achter van asteroïden, of anders doet zich hier een nieuw principe voor. Er zit méér puin in de Trojanen van Splinter-Bêta dan ooit in enig ander stelsel aangetroffen is. Het is een wonder dat het zich niet allemaal verzameld heeft om een tweetal manen te vormen.

‘Heeft u de bewoonbare planeet al gevonden?’

‘Nog niet,’ zei Buckman en verdween van het beeldscherm. Dat was inmiddels drie uur nadat ze in de normale ruimte gearriveerd waren. Een halfuur later was hij weer terug. ‘Die asteroïden op de Trojaanse punten hebben bijzonder hoge albedo’s, kapitein. Ze moeten met een dikke laag stof bedekt zijn. Dat zou kunnen verklaren hoe zovele van de grotere deeltjes erdoor vastgehouden zijn. Ze worden afgeremd door de stofnevels en er vervolgens door gladgepolijst —’

‘Doctor Buckman! Er bevindt zich een bewoonde planeet in dit stelsel en het is van vitaal belang dat wc die vinden. Dit zijn de eerste intelligente buitenaardse wezens —’

‘Verdomme, kapitein, er wordt naar gezocht! Er wordt naar gezocht!’ Buckman wierp een blik naar opzij en verdween toen uit het gezichtsveld. Het beeldscherm bleef een ogenblik leeg en gaf alleen maar een onscherp beeld te zien van een technicus die op de achtergrond ergens mee bezig was.

Even later zag Blaine zich geconfronteerd met Minister van Wetenschappen Horvath die tegen hem zei: ‘Mijn excuses voor de onderbreking, kapitein. Als ik het goed heb, bent u niet tevreden met onze zoekmethoden?’

‘Doctor Horvath, ik koester geen enkel verlangen inbreuk op uw rechten te maken, maar uw mensen hebben al mijn instrumenten in gebruik, en alles wat ik te horen krijg gaat over asteroïden. Ik vraag me af of we wel allemaal hetzelfde doel voor ogen hebben?’ Horvaths antwoord klonk vergevensgezind. ‘Dit is geen ruimtegevecht, kapitein.’ Hij zweeg even. ‘In een oorlogssituatie zou uw doel u tevoren bekend zijn. Waarschijnlijk zou u over de astronomische gegevens beschikken van de planeten in het stelsel waar het om ging —’

‘Verdraaid nog toe, inspectieteams hebben er immers ook geen moeite mee nieuwe planeten te vinden.’

‘Wel eens met zo’n team meegeweest, kapitein?’

‘Nee.’

‘Nou, denkt u zich het probleem dan eens in, waarvoor wij ons hier geplaatst zien. Totdat we de positie van de gasreus en de Trojaanse asteroïden vastgesteld hadden, waren we er niet zeker van in welk vlak we naar planeten moesten zoeken. Uit ons onderzoek van de instrumenten aan boord van de verkenner hebben we kunnen afleiden welke temperatuur de Splinterwezens comfortabel vinden, en daaruit kunnen we weer afleiden hoe ver van hun zon vandaan hun thuis-planeet zich zou moeten bevinden — maar dat betekent nog altijd dat we een cirkel met een straal van honderdtwintig miljoen kilometer moeten afzoeken. Kunt u mij volgen?’ Blaine knikte.

‘We zullen dat hele gebied moeten doorzoeken. We weten al dat de planeet niet achter de zon verborgen zit, want we bevinden ons boven het baanvlak van het stelsel. Maar pas als we straks klaar zijn met het stelsel te fotograferen, zullen we dit gigantische veld vol sterren kunnen gaan afgrazen om dat ene kleine lichtstipje te vinden, dat we zoeken.’

‘Misschien heb ik mijn verwachtingen te hoog gesteld.’

‘Misschien wel, ja. Wc wachten allemaal met de grootst mogelijke spoed.’ Hij grijnsde een stuiptrekking waardoor zijn hele gezicht gedurende een onderdeel van een seconde omhoog getrokken werd — en verdween van het beeldscherm.

Zes uur na hun aankomst in het stelsel meldde Horvath zich opnieuw. Buckman was nergens te zien. ‘Nee kapitein, we hebben de bewoonde planeet nog niet gevonden. Maar dank zij dr. Buckmans tijdverspillende waarnemingen hebben we een beschaving van Splinterwezens kunnen identificeren. En wel in de Trojaanse punten.’

‘Zijn die dan bewóónd?’

‘Wis en zeker. Allebei de Trojaanse punten zijn heksenketels van microgolffrequenties. Gezien de hoge albedo’s van de grotere hemellichamen hadden we dat eigenlijk kunnen verwachten. Gladgepolijste oppervlakken zijn een natuurlijk voortbrengsel van beschavingen — ik vrees dat dr. Buckman en zijn mensen in hun denken te veel van een levenloze kosmos uitgaan.’

‘Dank u, doctor. En wat al dat radioverkeer betreft, is er misschien ook iets bij dat voor ons bestemd is?’

‘Volgens mij niet, kapitein. Maar het dichtstbijzijnde Trojaanse punt bevindt zich beneden ons in het baanvlak van dit stelsel — ongeveer drie miljoen kilometer hiervandaan. Ik zou willen voorstellen daarheen te gaan. Naar de schijnbare bevolkingsdichtheid in de Trojaanse punten te oordelen zou het wel eens kunnen zijn, dat de bewoonde planeet niet het werkelijke centrum van de beschaving van de Splinterwezens is. Misschien is het zo iets als de Aarde. Of nog erger.’ Daar schrok Rod van. Van de Aarde zelf was hij ook nog niet zoveel jaren geleden geschrokken. De Marine-Academie van Nieuw-Annapolis bleef met opzet op de ‘Bakermat der Mensheid’ gehuisvest om de toekomstige keizerlijke officieren eraan te herinneren van welk een vitaal belang de grote taak wel was, waarvoor het Keizerrijk zich gesteld zag.

En als de mensheid niet over de Alderson-aandrijving beschikt had, voordat hij ten onder gegaan zou zijn in de laatste oorlogen op Aarde, en als de dichtstbijzijnde ster eens vijfendertig lichtjaren ver was geweest in plaats van vier — ‘Dat is een afschuwelijke gedachte.’

‘Mijn idee. Het is tevens maar een vermoeden, kapitein. Maar in ieder geval bevindt er zich hier niet ver vandaan een levensvatbare beschaving, en ik ben van mening dat we daarheen moeten gaan.’

‘Ik — een ogenblik.’ Hoofdmarconist Lud Shattuck stond bovenaan het trapje dat toegang gaf tot de brug, en gebaarde verwoed naar Rods beeldscherm Nummer Vier.

‘We hebben de radiotelescopische peilingsapparatuur gebruikt, schipper,’ schreeuwde Shattuck over de hele brug. ‘Kijk, meneer, daar.’ Het beeldscherm liet de zwarte ruimte zien met overal de lichtende speldeknoppen van sterren erin en één blauwgroen gekleurde stip die omgeven was door een verlichte indicatorring. Terwijl Rod ernaar keek knipperde die lichtstip tweemaal achtereen. ‘We hebben de bewoonde planeet gevonden,’ zei Rod voldaan. En hij kon het niet laten eraan toe te voegen, ‘We zijn jullie vóór geweest, doctor.’

Na al dat wachten was het net alsof nu alles tegelijk gebeurde. Eerst was daar dat lichtpuntje. Er zou een Aardeachtige planeet achter kunnen schuilen; waarschijnlijk was dit het geval, want het bevond zich binnen het ronde meetkundige vlak dat Horvath bezig was te doorzoeken. Maar het licht verborg datgene wat er achter zat, en het was niet verwonderlijk dat de mensen van de verbindingsdienst het het eerst gevonden hadden. Het speuren naar licht- en radiosignalen was hun dagelijks werk.

In samenwerking met Horvaths team gaf Cargill antwoord op de licht-impulsen. Een, twee, drie, vier, knipperde het licht, en Cargill bediende zich van de voorste laserbatterijen om vijf, zes, zeven te seinen. Twintig minuten later seinde het licht drie een acht vier elf, en herhaalde dit, en het brein van de scheepscomputer ontcijferde dit als: Pi, grondtal twaalf. Cargill gebruikte de computer om in dat zelfde twaalftallige stelsel de waarde van e te vinden en antwoordde daarmee. Maar de werkelijke boodschap die daarachter stak luidde: We willen met jullie praten. En het antwoord van de MacArthur was: Graag. Verdere plichtplegingen zouden moeten wachten. En inmiddels had zich al een nieuwe ontwikkeling voorgedaan: de tweede vondst.

‘Dat licht is van fusie afkomstig,’ zei eerste stuurman Renner. Hij boog zich laag over zijn beeldscherm. Zijn vingers speelden een vreemde, geluidloze muziek op zijn bedieningspaneel. ‘Geen Langstonveld. Natuurlijk. Ze persen de waterstof gewoon in een afgesloten ruimte, passen fusie toe, en schieten het dan de ruimte in. Zo iets als een plasmafles. Het is niet zo heet als de uitstraling van onze aandrijvingen, wat wil zeggen dat het een lager rendement heeft. Spectrale verschuiving naar het rood, als ik de onzuiverheden tenminste goed aflees… het moet op een punt ergens van ons vandaan gericht zijn.’

‘Denkt u dat het van een schip afkomstig is dat ons tegemoet komt?’

‘Ja, meneer. Een klein schip. Geef ons een paar minuten de tijd, dan zal ik u haar acceleratie kunnen vertellen. Ondertussen zullen we zolang van een acceleratie van één gee uitgaan…’ Renners vingers hadden al die tijd de toetsen bespeeld ‘… en dat levert een massa van dertig ton op. Straks zullen we dat herzien.’

‘Te groot voor een afweerraket,’ zei Blaine nadenkend. ‘Wat denkt u, zullen we hem tot halverwege tegemoet gaan, meneer Renner?’ Renner fronste zijn voorhoofd. ‘Tja, daar zitten we met ’n probleem. Hij heeft koers gezet naar het punt waar we ons momenteel bevinden. We weten niet hoeveel brandstof hij heeft, en ook niet hoe pienter hij is.’

‘Laten we het toch maar vragen. Communicatieafdeling! Verbind me met admiraal Kutuzov.’

De Admiraal bevond zich op zijn brug. Wazige bewegingen achter hem gaven een onscherp beeld van de nodige activiteit aan boord van de Lenin. ‘Ik heb het gezien, kapitein,’ zei Kutuzov. ‘Wat ben u van plan eraan te gaan doen?’

‘Ik wil dat schip tegemoet gaan. Maar als het soms niet van koers kan veranderen of als wij hem mis mochten lopen, dan zal hij hier komen opdagen, meneer. De Lenin zou hier kunnen blijven om hem op te vangen.’

‘En wat dan, kapitein? Mijn instrructies zijn duidelijk. Geen contact tussen Lenin en vreemde wezens.’

‘Maar u zou een boot cropaf kunnen sturen, meneer. Een sloep, die wij dan later aan boord zouden kunnen nemen met inbegrip van uw manschappen. Meneer.’

‘Hoeveel boten denkt u dat ik heb, Blaine? Laat ik even instrructies herhalen. Lenin is hier om geheim van Alderson-aandrijving en Langston-veld te bescherrmen. Om taak uit te voeren zullen we niet alleen niet in contact treden met vreemde wezens, maar ook niet met u wanneer gevaar bestaat dat bericht onderschept wordt.’

‘Ja, meneer.’ Blaine staarde de grote logge man op het beeldscherm aan. Had hij dan geen greintje nieuwsgierigheid in zich? Geen mens kon zoveel van een machine weghebben… of wel, misschien? ‘We zullen het buitenaardse schip tegemoet gaan, meneer. Dat is trouwens toch wat dr. Horvath wil.’

‘Heel goed, kapitein. Gaat uw gang.’

‘Ja, meneer.’ Met een gevoel van opluchting verbrak Rod de verbinding en draaide zich toen om naar Renner. ‘Nou, laten we dan maar eens een eerste ontmoeting met een buitenaards wezen gaan hebben, meneer Renner.’

‘Als u het mij vraagt hebt u die zojuist al gehad,’ zei Renner. Nerveus keek hij gauw om zich heen op de beeldschermen om zich ervan te vergewissen dat de Admiraal inderdaad verdwenen was.

Horace Bury kwam net zijn kajuit uit — in de veronderstelling dat hij zich ergens anders misschien minder vervelen zou — toen Buckmans hoofd uit een trapgat opdook.

Onmiddellijk veranderde Bury van gedachten. ‘Doctor Buckman! Mag ik u een kop koffie aanbieden?’

Uitpuilende ogen draaiden zijn kant uit, knipperden, en stelden zich op hem in. ‘Wat? O. Ja, graag, Bury. Daar word ik misschien wakker van. Er is zoveel te doen geweest — ik kan maar een ogenblik blijven —’ Buckman plofte in Bury’s voor gasten bestemde stoel neer, zo slap als zo’n skelet dat ze bij de anatomieles gebruiken. Zijn ogen waren bloeddoorlopen; zijn oogleden hingen halfstok. Zijn ademhaling klonk te luid en gejaagd. Het draderige spierweefsel hing slap langs zijn magere blote arm terneer. Bury vroeg zich af wat een lijkschouwing aan het licht zou brengen als Buckman op dit moment dood neer zou vallen: uitputting, ondervoeding, of allebei?

Bury nam een moeilijk besluit. ‘Nabil, breng koffie. Met melk, suiker, en cognac voor dr. Buckman.’

‘Hee, wacht even, Bury, ik vrees dat ik gedurende mijn diensturen — nou ja. Dank je wel, Nabil.’ Buckman nipte van zijn koffie, slikte krampachtig, en slaakte toen een diepe zucht. ‘Ah! Daar knap je van op. Dank je wel, Bury, als dat me niet wakker maakt, helpt niets.’

‘U had dat hard nodig, leek me. Onder normale omstandigheden zou ik goede koffie nooit met sterke drank aanlengen. Doctor Buckman, hebt u de laatste tijd eigenlijk gegeten?’

‘Ik kan het me niet herinneren.’

‘Dus niet. Nabil, voedsel voor onze gast. En vlug.’

‘Bury, we hebben het zo druk dat ik daar werkelijk geen tijd voor heb.

Er moet een heel zonnestelsel verkend worden om nog te zwijgen van de karweitjes die we voor de Marine moeten doen — het opsporen van neutrino-emissies, het volgen van dat verdomde licht —’

‘Doctor, als u op dit moment dood zou blijven, zouden een heleboel van uw aantekeningen nooit op papier gezet worden, is dat niet zo?’

Buckman glimlachte. ‘Doe niet zo theatraal, Bury. Maar een paar minuten kunnen er wel af, denk ik. Alles wat we op het ogenblik doen, is wachten tot ze dat lichtsignaal uitdraaien.’

‘Een lichtsignaal van de Splinterplaneet?’

‘Van Splinter-Alpha, ja. Tenminste, het komt van de plaats waar je die verwachten zou. Maar we kunnen de planeet niet zien totdat ze dat laserlicht uitdraaien, en daar maken ze nog steeds geen aanstalten toe. Ze praten maar en praten maar, en wat schieten we d’rmee op? Wat kunnen ze ons vertellen zolang we niet dezelfde taal spreken?’

‘Ja maar, doctor, hoe kunnen ze ons überhaupt iets vertellen totdat ze ons hun taal geleerd hebben? Ik neem aan dat dat het is, wat ze nu proberen te doen. Houdt niemand zich met die mogelijkheid bezig?’ Buckman stootte een dierlijk gegrauw uit. ‘Horvath heeft alle instrumenten in gebruik voor het verschaffen van gegevens aan Hardy en de taalkundigen. Ik kan niet eens de Kolenzak naar behoren observeren — en dat terwijl niemand er nog ooit zo dicht bij geweest is!’ Zijn gezicht nam een wat zachtere uitdrukking aan. ‘Maar we kunnen tenminste de Trojaanse asteroïden nog bestuderen.’ In Buckmans ogen verscheen weer die blik, gericht op iets in de oneindige verte. ‘Er zijn er te veel. En niet genoeg stof. Ik had het mis, Bury; er is niet genoeg stof om zoveel steenklompen af te remmen en vast te houden, en ook niet om ze te polijsten. Dat polijsten hebben de Splinterwezens waarschijnlijk gedaan; die moeten overal in die steenklompen wonen, want de neutrino-emissies zijn eenvoudig niet te gelóven. Maar hoe hebben zoveel steenklompen op die ene punt verzeild kunnen raken?’

‘Neutrino-emissies, zegt u. Dat betekent een op fusie gebaseerde technologie.’

Buckman glimlachte. ‘En wel een die op een hoog peil staat. Zit u aan handelsmogelijkheden te denken?’

‘Natuurlijk. Waarom zou ik anders hier zijn?’ En ik zou hier ook nog zijn als de Marine me niet duidelijk had laten doorschemeren dat het alternatief een formele arrestatie was… maar dat kon Buckman niet weten. Alleen Blaine wist dat. ‘Hoe hoger hun beschaving, des te meer zullen ze te verhandelen hebben.’ En des te moeilijker zou het zijn ze te bedonderen; maar voor dat soort dingen zou Buckman zich niet interesseren.

‘We zouden zoveel sneller kunnen werken als de Marine onze telescopen niet in gebruik had,’ klaagde Buckman. ‘En Horvath staat het toe! Ah, kijk eens aan.’ Nabil kwam binnen, een serveerwagentje voor zich uit duwend.

Buckman at als een uitgehongerde rat. Tussen de happen door zei hij: ‘Niet dat de dingen waar de Marine zich mee bezighoudt allemaal even oninteressant zijn. Dat buitenaardse schip ‘Schip?’

‘Er komt een schip naar ons toe. Wist u dat dan niet?’

‘Nee.’

‘Nou, het punt van vertrek daarvan ligt op een grote asteroïde die een en al steen is en zich een flink stuk buiten de hoofdzwerm bevindt. Maar wat ik zeggen wou, is dat die asteroïde naar verhouding erg licht is. Zij moet heel eigenaardig gevormd zijn, tenzij er zich overal in het gesteente gasbellen bevinden en dat zou betekenen —’ Bury lachte hardop. ‘Doctor, een buitenaards ruimtevaartuig is toch zeker heel wat interessanter dan zo’n klomp meteoorsteen?’

Buckman keek verbaasd. ‘Waarom?’

De splintervormige voorwerpen veranderden van kleur; ze werden eerst rood en vervolgens zwart. Het was duidelijk dat die dingen aan het afkoelen waren, maar hoe waren ze heet geworden om te beginnen?

Toen een van de voorwerpen zich in beweging zette en haar kant uitkwam, vroeg de Constructeur zich dat niet langer af. Er zaten krachtbronnen in die metalen massa’s.

En ze hielden er een eigen motivatie op na. Wat konden het zijn? Constructeurs, of Meesters, of levenloze brokken machinerie? Een Bemiddelaar misschien, bezig met het verrichten van een of andere onbegrijpelijke taak? Ze had een hekel aan de Bemiddelaars, die zo gemakkelijk en op zo’n onredelijke manier tussenbeide konden komen als je met belangrijk werk bezig was.

Misschien waren het wel Instrumentmakers; maar het was waarschijnlijker dat die dingen een Meester bevatten. De Constructeur overwoog ervandoor te gaan, maar die naderende massa beschikte over te veel vermogen. Het ding accelereerde met 1,14 gee, wat bijna het uiterste was wat haar eigen schip kon halen. Er zat voor een Constructeur niets anders op dan zich in een ontmoeting te schikken. Trouwens… al dat metaal! En in bruikbare vorm nog wel, voor zover ze vaststellen kon. De Zwermen zaten vol met metalen voortbrengselen van vroegere beschavingen, maar die bestonden allemaal uit legeringen die te hard waren om te converteren. Al dat metaal.

Maar het moest haar ontmoeten, en niet andersom. Zijzelf beschikte niet over voldoende brandstof en ook niet over voldoende acceleratievermogen. In haar hoofd werkte ze de draaipunten uit. Die ander zou natuurlijk hetzelfde doen. Gelukkig was er maar één oplossing mogelijk, als je tenminste van een constante acceleratie uitging. Communicatie zou niet nodig zijn.

Communicatie was iets waar Constructeurs niet goed in waren.

14. De Constructeur

Het buitenaardse schip was een compacte massa, onregelmatig van vorm en dofgrijs van kleur; het leek op een met de hand gevormde klomp boetseerklei. Er zaten overal uitsteeksels aan, ogenschijnlijk in het wilde weg: een ring van haken rond het gedeelte dat Whitbread voor het achterschip hield; een helder glanzende zilveren draad die als een ceintuur rond het middengedeelte zat; transparante uitstulpingen voor en achter; antennes die fantasievolle bogen beschreven; en helemaal achterin een soort angel: een stekel die vele malen zo lang was als de romp, heel lang en recht en dun. Whitbread liet zich er langzaam naartoe zweven. Hij zat in een ‘ruimtetaxi’, een klein vaartuigje waarvan men zich bediende om in de ruimte van het ene schip naar het andere te vliegen en waarvan de cabine slechts uit een soort luchtbel van gepolariseerd plastic bestond, terwijl de korte romp bezaaid was met ‘stuwtrossen’ — groepen van straalpijpen voor het manoeuvreren. In een dergelijk vaartuig was Whitbread voor de ruimte opgeleid. Het had een geweldig breed gezichtsveld; het was met kinderlijk gemak te besturen; en verder was het goedkoop, onbewapend, en gemakkelijk te vervangen. Bovendien kon het buitenaardse wezen hem daarbinnen zien zitten. Wij komen in vrede, en houden niets voor u verborgen — aangenomen dan nog altijd, dat die buitenaardse ogen door transparant gevechtsplastic heen konden kijken.

‘Die stekel levert de plasmakrachtveldcn voor de aandrijving,’ hoorde hij zijn communicatieapparaat zeggen. Er zat geen beeldscherm aan, maar hij herkende de stem als die van Cargill. ‘We hebben erop gelet tijdens de deceleratie. Dat ding dat op een kraantje lijkt daar onder die stekel, zorgt er waarschijnlijk voor dat de krachtvelden waterstof toegevoerd krijgen.’

‘Daar kan ik dan maar beter uit de buurt blijven,’ zei Whitbread. ‘Inderdaad. De intensiteit van dat krachtveld zou waarschijnlijk je instrumenten onklaar maken. En misschien je zenuwstelsel schaden.’ Het buitenaardse vaartuig was nu heel dichtbij. Whitbread remde met korte stoten van zijn manoeuvreerjets af. Het klonk als maïskorrels die gepoft werden.

‘Ergens iets van een luchtsluis te bekennen?’

‘Nee, meneer.’

‘Open je eigen luchtsluis maar. Misschien brengt dat ze op een idee.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Door het transparante materiaal van de voorste uitstulping kon Whitbread thans het buitenaardse wezen zien. Het zat hem roerloos gade te slaan en het leek erg veel op dat dode exemplaar in de verkenner, dat hij op foto’s gezien had. Jonathon Whitbread zag een asymmetrisch hoofd zonder hals, een gladde bruine pels, een zwaargebouwde linkerarm die iets omklemd hield, en twee slanke rechterarmen die razendsnel bezig waren met het een of ander dat net buiten zijn gezichtsveld lag. Whitbread opende zijn luchtsluis. En wachtte af. Het Splinterwezen had tenminste nog niet het vuur op hem geopend.

De Constructeur was een en al verrukking. Ze schonk nauwelijks aandacht aan dat kleine vaartuig dat zich vlakbij bevond. Daarin waren geen nieuwe principes belichaamd. Maar dat gróte schip! Het werd omringd door een vreemdsoortig krachtveld, iets wat de Constructeur nooit voor mogelijk gehouden had. Wel een half dozijn van haar instrumenten reageerden erop. Nog weer andere instrumenten waren in staat gedeeltelijk door dat omhullende krachtveld heen te zien. De Constructeur wist al genoeg van het oorlogsschip af om kapitein Blaine de stuipen op het lijf te jagen, als hij ervan geweten had. Maar het was nog altijd niet genoeg om een Constructeur te bevredigen. Al die apparatuur! En al dat metaal!

De gebogen deur in dat kleine vaartuig ging nu telkens open en dicht. Het knipperde met lichten. Aan en uit. Beide vaartuigen straalden electromagnetische krachtpatronen uit. Maar signalen zeiden een Constructeur niets.

Het was de apparatuur van het schip, die haar aandacht gevangen hield. Het Veld zelf met zijn intrigerende en raadselachtige eigenschappen, en waarvan de principes die eraan ten grondslag lagen zich slechts lieten raden. De Constructeur was bereid er de rest van haar leven aan op te offeren om te proberen die te doorgronden. Ze zou haar leven ervoor gegeven hebben als ze slechts één blik op de krachtbron ervan had mogen werpen. De aandrijving van dat grote schip was anders dan iedere fusie-installatie waarvan de Constructeur nog ooit gehoord had; en de werking ervan scheen gebaseerd te zijn op dezelfde eigenschappen als die van dat mysterieuze krachtveldomhulsel.

Hoe zou ze aan boord kunnen komen? Hoe zou ze door dat omhulsel heen kunnen komen?

De ingeving die ze toen kreeg was iets zeldzaams voor een Constructeur. Dat kleine vaartuig… Probeerde het haar soms iets te vertellen? Het was uit het grotere vaartuig gekomen. Dus… Het kleine vaartuig vormde een schakel met het grotere vaartuig, met dat krachtveldomhulsel en de technologie die erachter stak, en met het raadsel van zijn plotselinge verschijning. Ze dacht nu niet meer aan gevaar. In haar brandende verlangen meer te weten te komen omtrent dat krachtveld, dacht ze nergens anders meer aan. De Constructeur opende de deur van haar lucht-sluis en wachtte af om te zien wat er zou gebeuren.

‘Meneer Whitbread, dat buitenaardse wezen van u probeert de MacArthur af te tasten met röntgenstralen,’ hoorde hij kapitein Blaine zeggen. ‘Luitenant Cargill zegt dat hij ze heeft weten te blokkeren. Mocht onze vreemdeling daar soms argwanend door worden, dan kan ik er ook niets aan doen. Heeft hij u soms ook op de een of andere manier proberen door te lichten?’

‘Nee, meneer.’

Rod trok een frons, en wreef over de rug van zijn neus. ‘Bent u er zeker van?’

‘Ik heb al die tijd mijn instrumenten in de gaten gehouden, meneer.’

‘Vreemd. U bent een kleiner voorwerp, maar u bent veel dichterbij. Je zou toch verwachten dat hij —’

‘De luchtsluis!’ riep Whitbread plotseling uit. ‘Meneer, het Splinterwezen heeft zojuist zijn luchtsluis geopend.’

‘Ik kan het zien. Er is een soort mond in de romp opengegaan. Is dat wat u bedoelt?’

‘Ja meneer. Maar er komt niets naar buiten. Door die opening kan ik de hele cabine zien. Het Splinterwezen zit in een aparte bestuurderscabine — heb ik uw toestemming om naar binnen te gaan, meneer?’

‘Hmm. Vooruit dan maar. Maar wees voorzichtig. En blijf in verbinding. Veel succes, Whitbread.’

Jonathon Whitbread bleef nog een ogenblik zittenen om moed te verzamelen. Hij had half en half gehoopt dat de Kapitein het verbieden zou omdat hij het te gevaarlijk vond. Maar ja, cadetten zijn nu eenmaal gemakkelijk te vervangen…

Whitbread zette zich schrap in de open luchtsluis. liet buitenaardse schip was nu heel dichtbij. Gadegeslagen door de hele bemanning van zijn schip zette hij zich af en lanceerde zichzelf de ruimte in. Een gedeelte van de romp van het buitenaardse vaartuig had zich uitgerekt alsof het een soort huid was, zodat er een trechtervormige opening ontstaan was. Rare manier om een luchtsluis te construeren, dacht Whitbread. Hij gebruikte de kleine, in een draagframe op zijn rug gebonden jets om zich mee af te remmen terwijl hij regelrecht de trechter binnen zweefde, recht op het Splinterwezen af dat hem stond op te wachten.

De enige kleding die het buitenaardse wezen droeg bestond uit zijn zachte bruine pels en vier dikke kussentjes zwart haar: één in iedere oksel en één op het kruis. ‘Ik kan niet zien wat het is dat de lucht verhindert te ontsnappen, maar er móét zich daarbinnen lucht bevinden,’ zei Whitbread tegen zijn microfoon. Een ogenblik later wist hij het wél, want toen was hij tegen een onzichtbare wand van honing opgebotst.

Achter hem sloot zich de luchtsluis.

Het scheelde niet veel of hij was in paniek geraakt. Hij zat gevangen als een vlieg in amber, en hij kon noch voor-, noch achteruit. Hij bevond zich in een cel van honderddertig centimeter hoog, berekend op.

de hoogte van het buitenaardse wezen. Het stond daar voor hem aan de andere kant van die onzichtbare wand en bekeek hem van top tot teen met een gezicht waarop geen enkele uitdrukking te lezen stond. Het Splinterwezen was korter van stuk dan dat andere, dat dode wezen dat ze in de verkenner gevonden hadden. Ook was het anders gekleurd: bij dit wezen liepen er geen witte strepen door die bruine vacht. En ook was er nog een ander, meer subtiel en moeilijk te definiëren verschil… misschien was dat domweg het verschil tussen een levend en een dood wezen, of misschien dat het iets anders was. Het Splinterwezen zag er niet angstaanjagend uit. Zijn gladde vacht deed Whitbread denken aan die van de Dobermann-Pinschers die zijn moeder placht te fokken, maar het buitenaardse wezen had niets boosaardigs over zich en ook niets van een ontzagwekkende kracht. Whitbread zou het best over zijn vacht hebben willen aaien. Het gezicht was niet veel meer dan een schets zonder uitdrukking, behalve dat de zachte opwaartse welving van de liploze mond het gezicht vertrok tot een soort sardonische halve grijns. Met dat kleine lichaam, die platte voeten, die gladharige pels en dat bijna nietszeggende en onbeduidende uiterlijk zag het eruit als een figuur uit een stripverhaal, vond Whitbread. En hoe kon hij nu bang zijn voor een figuur uit een stripverhaal?

Maar dat nam niet weg dat Jonathon Whitbread voorovergebogen stond in een ruimte die veel te klein voor hem was, zonder dat het buitenaardse wezen aanstalten maakte daar verandering in te brengen. De cabine was een enge ruimte vol panelen en duistere hoekjes en vanuit de schaduwen gluurden kleine gezichtjes naar hem. Ongedierte! Het schip wemelde van ongedierte. Ratten, misschien? Of een levende voedselvoorraad? Het Splinterwezen scheen er zich niet aan te storen toen er eentje te voorschijn kwam, gevolgd door nóg een, en toen steeds meer, die van schuilplaats naar schuilplaats schoten en zich verdrongen om de indringer te bekijken.

Die dingen waren gróót. Veel groter dan ratten, maar veel kleiner dan mensen. Vanuit hun schuilhoeken gluurden ze nieuwsgierig maar schuchter naar hem. Eentje kwam wat dichterbij, zodat Whitbread hem goed in zich op kon nemen. Wat hij zag ontlokte hem een uitroep van verbazing. Het was een Splinterwezentje in miniatuur!

Het waren moeilijke ogenblikken voor de Constructeur. Het binnenkomen van de indringer zou haar het antwoord hebben moeten verschaffen op de nodige vragen, maar in plaats daarvan had het haar alleen maar voor nóg meer vraagstukken geplaatst. Wat was het voor iets? Het was groot, met een groot hoofd, en symmetrisch als een dier, maar het was uitgerust met een eigen vervoermiddel, net als een Constructeur, of een Meester. Er had nog nooit een categorie bestaan die hierop leek. Zou het gehoorzamen, of bevelen geven? En konden die handen werkelijk zo grof en onbeholpen zijn als ze eruitzagen? Was het een mutatie, een monster, of zomaar gefokt voor de sport? Waar diénde het voor? Nu bewoog de mond van het wezen. Waarschijnlijk sprak het in een of ander communicatietoestel. Daarmee schoot ze ook al niets op.

Zelfs Koeriers bedienden zich van een gesproken taal. Constructeurs bezaten er de capaciteiten eigenlijk niet voor dit soort conclusies te trekken; maar je kon altijd wachten totdat je over meer gegevens beschikte.

Constructeurs bezaten een onuitputtelijk geduld.

‘Er is hier lucht aanwezig,’ meldde Whitbread. Hij sloeg de verklikkerlampjes gade die hij in een spiegeltje dat zich net boven ooghoogte bevond, kon zien. ‘Of heb ik dat al gezegd? Ik zou anders niet graag willen proberen het in te ademen. De druk is normaal, zuurstof ongeveer achttien procent, CO2 ongeveer twee procent, genoeg helium om een reactie op te leveren, en —’

‘Helium? Dat is vreemd. Hoeveel precies?’

Whitbread schakelde over op een meetschaal van grotere gevoeligheid en wachtte totdat het analyseapparaat klaar was met zijn taak. ‘Iets minder dan één procent.’

‘Verder nog iets?’

‘Schadelijke stoffen, ja. SO2, koolmonoxyde, lachgassen, ketonen, alcoholen, en nog wat ander goedje waar de apparatuur in dit pak geen raad mee weet. Het lampje knippert geel.’

‘Dan zou je er niet zo gauw dood aan gaan. Je zou het een tijdje kunnen inademen en nog altijd op tijd geholpen kunnen worden om je longen te redden.’

‘Dat dacht ik al,’ zei Whitbread, niets op zijn gemak. Hij begon de bevestigingen van zijn vizier los te maken. ‘Wat bedoel je daarmee, Whitbread?’

‘Niets, meneer.’ Jonathon had al veel te lang dubbel gebogen gestaan. Al zijn gewrichten en spieren schreeuwden om verlossing. Er viel niets meer te beschrijven in die buitenaardse cabine. En dat driewerf verdomde Splinterschepsel stónd daar maar met zijn sandalen aan en die vage grijns op zijn gezicht, en keek, en keek… ‘Whitbread?’

Whitbread zoog zijn longen vol en hield zijn adem in. Hij opende zijn vizier tegen een geringe druk van buitenaf, keek het buitenaardse wezen recht in de ogen, en brulde toen in één adem: ‘Wil je nou in godsnaam eindelijk eens dat verdomde krachtveld afzetten!’ waarna hij zijn vizier weer dicht liet klappen.

Het buitenaardse wezen draaide zich om naar zijn schakelbord en verrichtte daar een handeling. De zachte barrière die zich voor Whitbread had bevonden hield op te bestaan.

Whitbread deed twee stappen naar voren. Centimeter voor centimeter richtte hij zich op, en terwijl hij dat deed voelde hij de pijn en hoorde hij het gekraak van gewrichten die te lang niet gebruikt waren. Anderhalf uur lang had hij voorover gebogen gestaan in die enge ruimte, terwijl een half dozijn wanstaltige Bruinen en een minzaam kijkend buitenaards wezen hem op hun gemak bekeken hadden. Zijn hele lichaam deed pijn!

Er was wat lucht uit de cabine achter zijn vizier blijven hangen. De stank snoerde hem de keel dicht, zodat hij de adem inhield; maar vervolgens snoof hij er voorzichtig wat van op voor het geval iemand zou willen weten wat het was.

Hij rook beesten en machines, ozon, benzine, hete olie, bedorven adem, het verbranden van oude zweetsokken, lijm, en dingen die hij nog nooit eerder geroken had. Het was een ongelofelijke stank — en God zij dank was zijn ruimtepak bezig zich ervan te ontdoen. ‘Heeft u me horen schreeuwen?’ vroeg hij.

‘Ja, en dat geldt ook voor alle anderen aan boord van dit schip,’ zei de stem van Cargill. ‘Ik geloof niet dat er iemand aan boord is die je belevenissen niet op de voet volgt, of het zou Buckman moeten zijn. Heeft het resultaat opgeleverd?’

‘Hij heeft dat krachtveld afgezet. Op slag. Ik hoefde hem er alleen maar aan te herinneren.

‘En ik ben nu in de cabine. Heb ik u al van de inrichting verteld? Het is één en al huisvlijt, alles met de hand gemaakt, zelfs de bedieningspanelen. Maar het is allemaal goed uitgedacht en er zit niets in de weg, tenminste niet voor een Splinterwezen. Ik ben te groot. Ik durf me nauwelijk te verroeren.

Die kleintjes zijn nu allemaal verdwenen. Nee, toch niet, daar gluurt er weer een om een hoekje. Die grote wacht af om te zien wat ik nu ga doen. Ik wou dat hij daar maar eens mee ophield.’

‘Kijk maar eens of hij bereid is met je mee terug te komen naar het schip —’

‘Ik zal het proberen, meneer.’

Tevoren had het buitenaardse wezen hem begrepen, ogenschijnlijk althans. Maar ditmaal begreep het niet wat hij bedoelde. Whitbread dacht koortsachtig na. Gebarentaal dan maar? Toen viel zijn oog op iets dat eenvoudig een ruimtepak voor een Splinterwezen móést zijn. Hij trok het uit het rek omlaag, en het viel hem op hoe licht het was: geen wapens, geen bepantsering. Hij reikte het het buitenaardse wezen aan en wees toen naar de MacArthur, die daar buiten door de doorzichtige uitstulping in het vaartuig zichtbaar was. Het buitenaardse wezen begon het kostuum onmiddellijk aan te trekken. In luttele seconden stond het daar in volledige uitrusting met een ruimtepak aan dat er in opgeblazen toestand uitzag als tien aan elkaar gelijmde strandballen. Alleen de handschoenen waren meer dan zo maar een stel opgeblazen ballonnen.

Het nam een doorschijnende plastic zak van de wand en maakte toen een plotselinge beweging om een van de dertig centimeter hoge miniatuurwezentjes te vangen. Hij stopte het ondersteboven in de zak terwijl het wezentje spartelde, draaide zich toen weer om naar Whitbread en schoot bliksemsnel op de cadet af. Pas toen het al met twee rechterhanden naar iets achter Whitbread gegraaid had en zich alweer van hem afgewend had reageerde Whitbread, en wel met een schelle en onwillekeurige uitroep van schrik.

‘Whitbread? Wat gebeurt er? Antwoord!’ En op de achtergrond hoorde Whitbread een andere stem in zijn ruimtepak, die op commandotoon zei, ‘Mariniers, houdt u gereed.’

‘Niets, luitenant Cargill. Alles is in orde. Hij heeft me niet aangevallen, bedoel ik. Ik geloof dat hij nu zover is, dat we gaan kunnen — nee, toch nog niet. Hij heeft twee van die parasieten in een plastic zak gestopt en nu blaast hij de zak op aan een luchtkraantje. Een van die beestjes zat op mijn rug. Ik had er niets van gemerkt.

Nu is hij weer iets aan het fixen. Ik snap niet waar hij nog op wacht.

Hij wéét dat ik hem mee wil nemen naar de MacArthur — hij heeft een ruimtepak aangetrokken.’

‘Wat voert hij uit?’

‘Hij heeft de dekplaat van het bedieningspaneel afgehaald. Hij is bezig veranderingen aan te brengen in de bedrading van het een of ander. Een moment geleden kneep hij zilveren tandpasta uit een tube langs de gedrukte circuits. Ik kan u alleen maar vertellen waar het me aan doet dénken, natuurlijk. Hééé!’

‘Whitbread?’

De cadet werd meegezogen door een orkaan. Met wild om zich heen maaiende armen en benen zocht hij wanhopig naar iets om zich aan vast te houden, kon niet schelen wat, als het maar houvast bood. Hij schuurde langs de wand van de luchtsluis, stak een hand uit, maar vond niets om zich aan vast te grijpen. En toen bevond hij zich in de zwarte nacht van de ruimte en wentelden er sterren langs hem heen. ‘Dat Splinterwezen heeft de luchtsluis geopend,’ meldde hij. ‘Zonder enige waarschuwing. Ik ben nu buiten in de ruimte.’ Zijn handen bedienden de manoeuvreerjets om een eind te maken aan zijn tollende beweging. ‘Ik geloof dat hij alle lucht om te ademen uit het schip heeft laten ontsnappen. Er zweeft een grote wolk van ijskristallen om me heen, en — Och Heer, daar heb je het Splinterwezen! Nee, toch niet, deze heeft geen ruimtepak aan. En daar gaat er nog een.’

‘Dat moeten die kleintjes zijn,’ zei Cargill.

‘Klopt, ja. Hij heeft alle parasieten opgeruimd. Waarschijnlijk moet hij dat zo nu en dan doen om zijn schip ervan te zuiveren. Hij weet natuurlijk niet hoe lang hij aan boord van de MacArthur zal zijn en hij wil ze niet ongehinderd rond laten rennen. En dus heeft hij het schip ontruimd.’

‘Hij had je anders wel eens mogen waarschuwen.’

‘Dat had-ie zéker, verdomme! Uh, neem me niet kwalijk, meneer.’

‘Ben je in orde, Whitbread?’ Een nieuwe stem. Die van de kapitein. ‘Jawel, meneer. Ik nader nu opnieuw het buitenaardse schip. Aha, daar komt hij net naar buiten. Hij doet een sprong naar de taxi.’ Whitbread bracht zichzelf tot stilstand en draaide zich om om het Splinterwezen gade te slaan. Als een tros strandballen zeilde het buitenaardse wezen door de ruimte, maar het deed dat op een bijzonder gracieuze manier. Binnenin een doorzichtige ballon die aan zijn bovenlijf vastgebonden zat, kon hij twee kleine, spichtige figuurtjes wild zien gebaren. Het buitenaardse wezen schonk er geen aandacht aan. ‘Een volmaakte sprong,’ mompelde Whitbread. ‘Hoewel — hij heeft zijn sprong wel wat erg scherp berekend. Jezus!’ Het buitenaardse wezen was nog bezig te decelereren toen het al precies in het midden door de deuropening van de taxi naar binnen vloog, zodat het zelfs de randen niet raakte. ‘Hij moet wel erg zeker van zijn evenwicht zijn.’

‘Whitbread, bevindt dat buitenaardse wezen zich in jouw vaartuig? Zonder dat jij erbij bent?’

Whitbread trok een grimas toen hij de bijtende klank in de stem van de kapitein hoorde. ‘Ja, meneer. Ik ga achter hem aan.’

‘Zorg ervoor dat je dat ook dóét, meneer.’

Het buitenaardse wezen zat op de plaats voor de piloot en bestudeerde aandachtig de bediening. Plotseling schoten zijn handen uit en begon het de vleugelmoeren aan de rand van het paneel los te draaien. Whitbread slaakte een uitroep, stormde op hem af en greep hem bij de schouder. Het buitenaardse wezen schonk er geen aandacht aan. Whitbread bracht zijn helm in aanraking met die van het buitenaardse wezen. ‘Blijf daar af, verdomme!’ schreeuwde hij. Vervolgens gebaarde hij naar de zadelvormige passagierszitplaats. Het buitenaardse wezen richtte zich langzaam en met tegenzin op, draaide zich om, en ging schrijlings op het zadel zitten. Het paste er niet op. Whitbread nam opgelucht plaats achter de stuurknuppel en begon de taxi naar de MacArthur te manoeuvreren.

Hij bracht de taxi even buiten het keurige ronde gat dat Sinclair in het Veld van de MacArthur had doen ontstaan, tot stilstand. Het buitenaardse vaartuig was door de reusachtige romp van het oorlogsschip aan het gezicht onttrokken. Beneden hem bevond zich het hangardek, en de cadet had zijn sloep dolgraag op eigen kracht door de opening naar binnen willen brengen om het toekijkende buitenaardse wezen een staaltje van zijn kunnen te laten zien, maar hij wist wel beter. Ze wachtten.

In drukpakken gestoken ruimtematrozen kwamen van het hangardek omhoog. Ze sleepten kabels achter zich aan. De matrozen wuifden. Whitbread wuifde terug en enkele seconden later bracht Sinclair de lieren op gang om de sloep omlaag te trekken, de MacArthur binnen. Toen ze door de hangardeuren kwamen, werden er nog weer andere kabels aan de bovenkant van de sloep bevestigd. Deze werden aangetrokken totdat ze strak stonden, zodat de daling van de taxi erdoor afgeremd werd, en op hetzelfde ogenblik begonnen de grote hangardeuren zich boven hen te sluiten.

Het Splinterwezen keek toe, terwijl zijn hele lichaam van de ene kant naar de andere meedraaide, zodat hij Whitbread aan een uil deed denken die hij eens in een dierentuin op Sparta had gezien. Tot zijn verbazing zag hij dat de kleine schepseltjes die het buitenaardse wezen in de zak met zich meedroeg ook alles gadesloegen; ze aapten het grotere wezen in alles na. Eindelijk lagen ze stil en Whitbread maakte een gebaar naar de luchtsluis. Door het dikke glas kon hij sergeant Kelley en een dozijn gewapende Mariniers zien staan.

Voor Rod Blaine bevonden zich twintig beeldschermen in een halve boog en het gevolg was dat iedere wetenschapper aan boord van de MacArthur dicht bij hem wilde komen zitten. Aangezien dit de enige manier was om een eind aan het gekibbel te maken, liet Rod het schip in een staat van verhoogde paraatheid brengen en de brug ontruimen door al het burgerpersoneel. En nu zat hij op zijn scherm toe te kijken terwijl Whitbread weer aan boord van de ruimtetaxi klom. Door het op Whitbreads helm gemonteerde oog van de camera kon Blaine het buitenaardse wezen in de stoel van de piloot zien zitten, schijnbaar steeds groter wordend op het scherm, toen de cadet ijlings op hem af sprong. Blaine draaide zich om naar Renner. ‘Heeft u gezien wat het daar deed?’

‘Ja. Meneer, dat wezen was bezig — Kap’tein, ik zou zweren dat het aan de stuurinrichting van de sloep wilde gaan prutsen.’

‘Ik ook.’ Met een gevoel van machteloos ongeduld keken ze toe terwijl Whitbread de sloep terug naar de MacArthur bestuurde. Blaine kon het de jongen niet kwalijk nemen dat hij niet naar zijn passagier omzag terwijl hij bezig was de boot te besturen, maar… toch was het maar het beste niet tussenbeide te komen. Ze wachtten, terwijl de kabels aan de sloep bevestigd werden en hij neergetakeld werd in het inwendige van de MacArthur.

‘Kap’tein!’ Het was Staley, die op dat ogenblik dienst had als cadet van de wacht, maar Rod had het zelf ook al gezien. Verscheidene camera’s en een paar van de secundaire batterijen waren op de sloep gericht, maar alle zware batterijen waren op het buitenaardse schip gericht; en dat was plotseling tot leven gekomen. Aan de achtersteven van het buitenaardse vaartuig gloeide een straal blauw licht op. Het had de kleur van een Cherenkov-uitstraling en vloeide evenwijdig met de slanke zilveren angel uit de staart naar buiten. Plotseling vertoonde zich ernaast een straal intens wit licht. ‘Gindse boot komt op gang, kap’tein,’ meldde Sinclair. ‘Godverdomme!’Zijn eigen beeldschermen vertoonden hetzelfde beeld, en ook dat de scheepsbatterijen het buitenaardse vaartuig volgden. ‘Heb ik toestemming tot vuren?’ vroeg de artillerieofficier. ‘Nee!’ Maar wat ging dat ding doen? vroeg Rod zich af. Tijd genoeg om daar achter te komen wanneer Whitbread weer aan boord terug was, veronderstelde hij. Het buitenaardse schip kon niet ontkomen. En het buitenaardse wezen zelf ook niet.

‘Kelley!’

‘Meneer?’

‘Posteer je met een sectie bij de luchtsluis. Escorteer Whitbread en dat ding naar de ontvangkamer. Op een beleefde manier, sergeant. Blijf beleefd, maar zorg ervoor dat het nergens anders naartoe gaat.’

‘Tot uw orders, kapitein.’

‘Nummer Een?’ riep Blaine.

‘Ja, meneer?’ antwoordde Cargill.

‘U heeft Whitbreads helmcamera de hele tijd dat hij zich in dat schip bevond op de voet gevolgd?’

‘Ja, meneer.’

‘Is het mogelijk dat er zich nog een ander buitenaards wezen aan boord bevond?’

‘Nee, meneer. Daarvoor was er geen ruimte genoeg. Ben je het met me eens, Sandy?’

‘Jèh, kap’tein,’ antwoordde Sinclair. Blaine had een communicatiecircuit in werking gesteld dat hem tegelijk met de brug in het achterschip en met de machinekamer verbond. ‘Tenminste nie als dat beessie ook nog brrandstof bij zich wilde hebben. En we hebben geen deurr’n gezien.’

‘Ja, maar er was ook nergens een luchtsluis te zien totdat hij openging,’ bracht Rod hem in herinnering. ‘Was er misschien iets dat een toilet zou hebben kunnen zijn?’

‘Kap’tein, was dat dan nie de w.c., wat we gezien hebben? Ik heb tenminste aangenomen dat dat voorrwerrp aan bakboorrdzijde bij de luchtsluis iets derrgelijks was.’

‘Ja. Dan wordt dat ding dus door een automatische piloot bestuurd, denken jullie ook niet? Maar we hebben hem die niet zien programmeren.’

‘Maar wel hebben we gezien dat hij de stuurinrichting praktisch van de grond af opnieuw opbouwde, kapitein,’ zei Cargill. ‘Grote God! Denkt u dat dat de manier is, waarop ze…’

‘Lijkt me errg onprraktisch, maarr we hebben ’t beessie niks anderrs zien doen dat op ’t prrogrrammeerr’n van ’n automatische piloot leek,’ zei Sinclair peinzend. ‘En ’t deed dat verrdomd snel ook, meneerr. Kap’tein, denkt u dat ’t ’n automatische piloot gebouwd heeft?’ Er was een plotselinge lichtflits op een van Rods beeldschermen. ‘Zagen jullie dat? Een blauwe lichtgloed in de luchtsluis van het buitenaardse schip. Wat zou daar nou weer de bedoeling van zijn?’

‘Om dat ongedierte te doden?’ opperde Sinclair. ‘Bepaald niet. Daarvoor is dat vacuüm al voldoende,’ antwoordde Cargill.

Whitbread verscheen op de brug, en kwam stram in de houding staan voor Blaines commandostoel. ‘Ik meld me bij de Kapitein, meneer.’

‘Goed werk, meneer Whitbread,’ zei Rod. ‘Uh — houdt u er enige ideeën op na omtrent die twee parasieten die hij meegebracht heeft aan boord? Waaróm hij ze meegebracht heeft, bijvoorbeeld?’

‘Nee, meneer — uit beleefdheid misschien? Voor het geval we er eentje zouden willen ontleden?’

‘Het is mogelijk. Wisten we maar wat het waren. En nou dat weer.’ Blaine gebaarde naar zijn beeldschermen.

Het buitenaardse schip maakte een bocht en het witte licht van zijn aandrijving beschreef een boog aan de hemel. Het scheen een kant uit te gaan die het terug zou brengen naar de Trojaanse punten. En Jonathon Whitbread was de enige man die het ooit van binnen gezien had. En terwijl Blaine de bemanning liet inrukken van hun gevechtsposten scheen die roodharige cadet te denken dat hij zijn beproeving al achter de rug had.

15. Werk aan de winkel

De Constructeur had een brede, liploze mond, die bij de mondhoeken omhoog krulde. Het leek op een halve grijns van vriendelijke blijmoedigheid, maar dat was het niet. Het was gewoon een gelaatstrek die permanent deel uitmaakte van haar kinderlijke stripverhaalgezicht.

Toch was de Constructeur wel degelijk blij.

Haar blijdschap was voortdurend groter geworden. Haar binnenkomst door het Langston-veld was een nieuwe ervaring voor haar geweest, zo iets als het binnendringen in een zwarte ballon van vertraagde tijd. Zelfs zonder de beschikking te hebben over haar instrumenten had dat haar al enig inzicht in het Veld gegeven. Ze was nu nog verlangender dan ooit, die generator eens te zien te krijgen. Het schip binnen die ballon kwam haar onnodig primitief voor, maar wat was het rijk aan schatten! Het hangardek bevatte onderdelen die nergens anders mee verbonden schenen te zijn, en er waren mechanismen in zo’n overvloed dat ze niet eens gebruikt behoefden te worden! En nog een heleboel andere dingen, die ze zo op het eerste gezicht niet doorgronden kon.

Sommige daarvan waren ongetwijfeld structurele aanpassingen aan dat krachtveld, of aan die mysterieuze aandrijving waarvan de werking eveneens op dat krachtveld gebaseerd was. Weer andere waren onmiskenbaar nieuwe vindingen voor het verrichten van vertrouwde bezigheden, nieuwe circuits, tenminste, nieuw voor een onontwikkelde Constructeur-mineralenvergaarder. Ze onderscheidde wapens, zowel op het grote schip als op de kleinere boten in de hangarruimte, en persoonlijke wapens in de handen van de vreemde wezens die aan de andere kant van de luchtsluis in een groep bijeenstonden. Dit verbaasde haar niet. Ze had wel geweten dat deze nieuwe kaste gevers van bevelen waren, en niet aannemers van bevelen. Natuurlijk beschikten ze dan ook over wapens. Misschien hadden ze ook wel Krijgers.

Die van dubbele deuren voorziene luchtsluis was veel te ingewikkeld, kon maar al te gemakkelijk onklaar raken doordat er een deur vast bleef zitten, en bovendien was er op een verkwistende manier met metalen en andere materialen omgesprongen. Ze was hier nodig, dat was duidelijk. De nieuwe kaste moest hierheen gekomen zijn om haar op te halen; er konden zich onmogelijk Constructeurs aan boord van dit schip bevinden als ze zich met dit soort dingen behielpen. Ze was begonnen het mechanisme uit elkaar te halen, maar toen had die vreemdeling aan haar arm getrokken en had ze het idee maar opgegeven. Ze beschikte trouwens toch nog niet over het juiste gereedschap daarvoor en ook wist ze nog niét wat het haar toegestaan zou zijn voor het vervaardigen van dat gereedschap te gebruiken. Dat alles kwam straks nog wel… Een heleboel anderen, die er vrijwel hetzelfde uitzagen als die eerste, verdrongen zich om haar heen. Ze droegen vreemdsoortige bedekkingen die bijna allemaal eender waren, en ook droegen ze wapens, maar toch gaven ze geen bevelen. En die eerste vreemdeling bleef aldoor trachten met haar te praten.

Konden ze dan niet zien dat ze geen Bemiddelaar was? Ze waren niet al te pienter, de leden van deze primitieve nieuwe kaste. Maar toch waren het gevers van bevelen. Die eerste had een duidelijk en onmiskenbaar bevel geschreeuwd. En ook konden ze de Taal niet spreken.

Het opvallende aan deze situatie was, dat er geen besluiten genomen werden. Een Constructeur behoefde slechts te gaan waarheen men haar leidde, te repareren en nieuwe ontwerpen te maken waar de gelegenheid zich voordeed, en de komst van een Bemiddelaar af te wachten. Of van een Meester. En er was zóveel te doen hier, zóveel te doen…

De onderofficierskantine was omgebouwd tot ontvangkamer voor buitenaardse bezoekers. De onderofficieren hadden zich genoodzaakt gezien een van de beide kantines van de Mariniers over te nemen, zodat het in de overgebleven kantine nu tweemaal zo vol was als anders. Overal in het schip moest men zich aanpassen om aan de zwermen burgers en hun behoeften tegemoet te komen.

Als laboratorium liet de kantine wellicht te wensen over, maar ze was veilig en bood meer dan voldoende stromend water, wandstopcontacten, kookplaten, en faciliteiten voor verversingen. Ze bevatte tenminste niets wat aan een ontleedtafel kon doen denken. Na de nodige debatten hadden ze besloten geen pogingen te ondernemen om aan de buitenaardse wezens aangepast meubilair te vervaardigen. Alles wat ze hadden kunnen bouwen, zou alleen maar aangepast zijn geweest aan de dode passagier aan boord van de verkenner, en dat had de plannenmakers al te absurd geleken. Er waren meer dan voldoende televisiecamera’s geïnstalleerd, zodat, hoewel slechts een aantal sleutelpersonen toegang tot de kantine had, toch bijna iedereen aan boord de gebeurtenissen daar zou kunnen volgen. Daarbinnen stond Sally Fowler klaar samen met de andere wetenschappers, en ze was vastbesloten het vertrouwen van het Splinterwezen te winnen. Het kon haar niet schelen wie haar gadesloeg of wat ze daarvoor zou moeten doen.

Het vertrouwen van het Splinterwezen bleek echter gemakkelijk te winnen. Ze was even goed van vertrouwen als een kind. Haar eerste handeling nadat ze uit de luchtsluis was komen stappen was geweest, de plastic zak die de miniatuurwezentjes bevatte open te scheuren en die te overhandigen aan de eerste de beste die er een hand naar uitstak. En daarna had ze er niet meer naar omgekeken. Gewillig liet ze zich door de Mariniers meevoeren totdat Sally haar bij de deur van de ontvangkamer bij de hand nam, en onderweg keek ze voortdurend om zich heen, waarbij haar hele romp van de ene kant naar de andere draaide als de kop van een uil. Toen Sally haar hand losliet bleef het Splinterwezen eenvoudig staan waar ze stond en wachtte op verdere instructies, ondertussen iedereen aankijkend met diezelfde vriendelijke grijns.

Gebarentaal scheen ze niet te begrijpen. Sally, Horvath en ook anderen probeerden met haar te praten, maar zonder resultaat. Doctor Hardy, de aalmoezenier, die tevens taalkundige was, schetste mathematische diagrammen voor haar, maar er gebeurde niets. Het Splinterwezen begreep ze niet, en toonde er geen belangstelling voor. Maar voor werktuigen toonde ze wel belangstelling. Ze was nog niet binnen, of ze stak al een hand uit naar het vuurwapen van sergeant Kelley. Op een bevel van dr. Horvath ontlaadde de Marinier met tegenzin zijn wapen en liet hij haar een van de patronen betasten, alvorens het wapen aan haar af te staan. Tot Kelleys ergernis en tot vermaak van alle anderen haalde het Splinterwezen het wapen volledig uit elkaar, maar vervolgens zette ze het weer in elkaar, en tot Kelleys stomme verbazing nog goed ook. Daarna onderzocht ze de hand van de Marinier, waarbij ze de vingers zo ver achteroverboog als ze maar gaan konden en de gewrichten ervan liet bewegen om vervolgens haar eigen vingers te gebruiken om de spieren en de ingewikkelde botjes van de pols te bevoelen. Bij wijze van vergelijking onderzocht ze Sally Fowlers hand op dezelfde manier. Het Splinterwezen haalde gereedschappen uit haar gordel en begon aan de greep van het pistool te werken, die ze begon op te hogen met behulp van plastiek dat ze uit een tube kneep.

‘Die kleintjes zijn allebei vrouwtjes,’ kondigde een van de biologen aan. ‘Net als die grote.’

‘Een vrouwelijke mijnwerker, die mineralen delft op asteroïden,’ zei Sally. Er kwam een dromerige uitdrukking in haar ogen. ‘Als ze voor gevaarlijk werk, zoals dat, vrouwen gebruiken, moet hun beschaving wel totaal anders zijn dan die van het Keizerrijk.’ Ze keek het Splinterwezen onderzoekend aan. Vriendelijk grijnsde het terug. ‘We kunnen onze tijd er beter aan besteden erachter te komen wat het eet,’ zei Horvath peinzend. ‘Het schijnt geen proviand meegebracht te hebben, en van kapitein Blaine heb ik vernomen dat zijn schip met onbekende bestemming vertrokken is.’ Hij keek naar de miniatuur-Splinterwezentjes, die thans rondscharrelden op de grote tafel die oorspronkelijk gediend had voor het spelen van spatbal. ‘Tenzij dié daar als proviand bedoeld zijn.’

‘We kunnen maar beter nog even wachten voordat wc proberen ze te koken,’ kondigde Renner van ergens bij de deuropening aan. ‘Het zouden wel eens kindertjes kunnen zijn. Kleine, onvolwassen Splintertjes.’

Sally draaide zich met een ruk om en wist een uitroep te onderdrukken, voordat ze haar wetenschappelijke objectiviteit weer terughad. Niet dat ze er deel aan zou willen hebben, wat dan ook te koken, zolang ze niet wist wat het was.

Horvath kwam tussenbeide. ‘Meneer Renner, wat brengt de Eerste Stuurman van de MacArthur ertoe, zich met een onderzoek op het terrein van de buitenaardse anatomie te bemoeien?’

‘Het schip ligt stil, de Kapitein heeft de gevechtstoestand ingetrokken, en ik heb momenteel geen dienst,’ zei Renner. Gemakshalve verzuimde hij melding te maken van de algemene instructies die de Kapitein uitgevaardigd had met betrekking tot het voor de voeten lopen van de wetenschapsmensen door bemanningsleden. ‘Gelast u me te vertrekken?’

Horvath dacht erover dat inderdaad te doen. Op de brug dacht Rod Blaine er ook over, maar hij was toch al niet erg op Horvath gesteld. De Minister van Wetenschappen schudde echter het hoofd. ‘Nee. Maar wel moet ik u zeggen dat ik uw suggestie met betrekking tot die kleine buitenaardse wezentjes wel wat frivool vind.’

‘Helemaal niet. Ze zouden die tweede linkerarm kunnen verliezen op. precies dezelfde manier waarop wij ons melkgebit kwijtraken.’ Een van de biologen knikte instemmend. ‘Wat zijn er nog meer voor verschillen? Alleen de afmetingen?’

‘De ontogenie is altijd een recapitulatie van de fylogenie,’ zei iemand. Iemand anders zei: ‘Ach, hou je mond.’

Het buitenaardse wezen gaf Kelley zijn vuurwapen terug en keek om zich heen. Renner was de enige marineofficier in het vertrek, en het wezen ging op hem af en stak haar hand uit naar zijn pistool. Renner ontlaadde het wapen en overhandigde het haar, en onderwierp zich vervolgens aan een al even nauwgezet onderzoek van zijn hand. Ditmaal ging het Splinterwezen veel sneller te werk, en haar handen bewogen zich met een bijna verblindende snelheid. ‘Als u het mij vraagt zijn het aapjes,’ zei Renner. ‘Voorouders van de intelligente Spinterwezens. Wat zou kunnen betekenen dat u evengoed gelijk had. Op wel een dozijn verschillende planeten tref je mensen aan die apevlees eten. Maar wij kunnen zo iets bepaald nog niet riskeren.’ Het Splinterwezen werkte aan Renners wapen en legde het toen op tafel. Renner nam het op. Er kwam een frons op zijn gezicht, want de platte kolf was verdikt tot een aantal gewelfde, ribbelige randen, die nu even hard waren als het oorspronkelijke plastic. Zelfs de trekker was van vorm veranderd. Renner verlegde het wapen in zijn hand, en plotseling voelde het volmaakt aan. Alsof het deel van zijn hand uitmaakte en het richtte zichzelf.

Gedurende een ogenblik genoot hij ervan, en hij zag dat Kelley, na een verbaasd gezicht getrokken te hebben, zijn eigen wapen alweer herladen en in de holster gestoken had. Het pistool lag perfect in de hand, en Renner zou er niet graag afstand van doen; geen wonder dat de Marinier geen woord gezegd had. De eerste stuurman reikte Horvath het wapen aan.

De bejaarde Minister van Wetenschappen nam het pistool in de hand. ‘Onze bezoeker schijnt met gereedschappen te kunnen omgaan,’ zei hij. ‘Zelf heb ik geen verstand van wapens, natuurlijk, maar dit vuurwapen lijkt me goed aangepast aan de menselijke hand.’ Renner nam het terug. Iets aan Horvaths commentaar was hem opgevallen. Er zat geen spoor van geestdrift in. Zou dat pistool beter in zijn eigen hand passen dan in die van Horvath? Het Splinterwezen keek de kantine rond, draaiend vanuit haar middel, de wetenschappers een voor een aanstarend, om vervolgens om te zien naar andere uitrustingsstukken, kijkend en wachtend, aldoor wachtend. Een van de miniatuurwezentjes zat met gekruiste beentjes voor Renner, eveneens toekijkend en wachtend. Het scheen totaal niet bang te zijn. Renner stak een hand uit om het achter het oor te krieuwelen, het rechteroor, wel te verstaan. Evenals het grote Splinterwezen bezat het geen linkeroor; de schouderspieren die de linker bovenarm bedienden waren rechtstreeks opgehangen aan de bovenkant van het hoofd. Maar het scheen het gekriebel wel prettig te vinden. Renner vermeed zorgvuldig het oor zelf, dat groot en teer was, aan te raken. Sally keek toe en vroeg zich af wat ze nu moest doen, en ook vroeg ze zich af wat het was, dat haar niet beviel aan wat Renner daar deed. Het was niet de ongerijmdheid van een scheepsofficier die achter het oor krabbelde van iets dat op een buitenaards aapje leek, maar iets anders, iets aan het oor zelf…

16. Een geleerde idioot

Doctor Buckman had toevallig net dienst in de observatiekamer, toen dat verblindende lasersignaal daar ergens binnen dat zonnestelsel eensklaps uitfloepte.

Er bleek zich daar inderdaad een planeet te bevinden ongeveer zo groot als de Aarde, en waarvan de omtrekken vervormd werden door de aanwezigheid van een atmosfeer. Hij knikte tevreden; de afstand in aanmerking genomen was dat een heleboel detail, wat hij daar te zien kreeg. De Marine beschikte over goede spullen en ze werden goed benut ook. Sommigen van die onderoffieren zouden goede astronomische assistenten hebben kunnen zijn; jammer dat hun talenten hier verspild waren…

Wat er nog van zijn astronomieafdeling over was ging nu aan het werk om de door observaties van de planeet verkregen gegevens te analyseren, terwijl Buckman kapitein Blaine opriep via de intercom. ‘Ik zou graag willen dat u me ’n aantal van mijn mensen terug kon bezorgen,’ beklaagde hij zich. ‘Ze hangen allemaal in de kantine rond om dat Splinterwezen te bekijken.’

Blaine haalde zijn schouders op. Hij kon de wetenschappers beslist geen bevelen geven. Hoe Buckman zijn afdeling beheerde was zijn zaak. ‘U zult u zo goed mogelijk moeten behelpen, doctor. Iedereen is nieuwsgierig naar dat buitenaardse wezen. Zelfs mijn Eerste Stuurman, die daar helemaal niets te zoeken heeft. Wal zijn uw bevindingen tot dusverre? Is het een Aardeachtige planeet?’

‘In zekere zin wel, ja. Een tikkeltje kleiner dan de Aarde, met een water-en-zuurstof-atmosfeer. Maar het spectrum vertoont sporen die me nogal raadselachtig voorkomen. De heliumlijn is veel te sterk, véél te sterk. Ik vertrouw de gegevens niet.’

‘Een sterke heliumlijn? Van zo ongeveer één procent, misschien?’

‘Dat zou het inderdaad zijn als de meting correct was, maar eerlijk gezegd — Waarom vroeg u dat eigenlijk?’

‘De atmosfeer in dat Splintervaartuig bestond voor één procent uit helium, en nog wat tamelijk vreemde andere bestanddelen; als u het mij vraagt zijn uw gegevens accuraat.’

‘Maar, kapitein, een Aardeachtige planeet kan onmógelijk zoveel helium bevatten! Die gegevens móéten eenvoudig onjuist zijn. Sommige van de andere lijnen zijn zelfs nog erger.’

‘Ketonen, soms? En koolwaterstof-samenstellingen?’

‘Ja!’

‘Doctor Buckman, ik geloof dat u er goed aan zou doen eens een blik te werpen op meneer Whitbreads verslag over de atmosfeer in dat Splintervaartuig. Het zit in de computer opgeslagen. En verricht u ook een neutrino-meting, alstublieft.’

‘Dat komt me nu niet gelegen, kapitein.’

‘Doe het toch maar,’ zei Rod tegen dat koppige, benige gezicht op het beeldscherm van de intercom. ‘We moeten weten hoever ze in industrieel opzicht zijn.’

‘Wilt u soms oorlog tegen ze gaan voeren?’ kefte Buckman.

‘Nog niet,’ antwoordde Blaine; en hij liet het daarbij. ‘En als u de instrumenten toch opgesteld heeft staan, verricht dan meteen ook een neutrino-meting van de asteroïde waar dat Splintervaartuig vandaan kwam. Die ligt een heel eind buiten die zwerm op het Trojaanse punt, dus u zult geen last hebben van emissies op de achtergrond.’

‘Kapitein, daardoor zal mijn andere werk in het gedrang komen!’

‘Ik zal u een van mijn officieren sturen om u erbij te helpen.’ Rod dacht snel na. ‘Potter. Ik stuur u meneer Potter als assistent.’

Potter zou dat wel prettig vinden. ‘Dit werk is noodzakelijk, doctor Buckman. Hoe meer we van ze afweten, des te beter zullen we met ze kunnen praten. En hoe eerder we met ze kunnen praten, des te eerder zullen we inzicht kunnen krijgen in hun eigen astronomische waarnemingen.’ Als dat niet de doorslag gaf…

Buckman fronste het voorhoofd. ‘Waarachtig, dat is zo. Daar had ik nog helemaal niet aan gedacht.’

‘Uitstekend, doctor.’ Rod verbrak de verbinding vóór Buckman uiting kon geven aan verdere tegenwerpingen. Vervolgens draaide hij zich om naar cadet Whitbread, die in de deuropening stond. ‘Kom binnen en ga zitten, meneer Whitbread.’

‘Dank u, meneer.’ Whitbread ging zitten. De stoelen in het dagverblijf van de Kapitein bestonden uit vlechtwerk over een stalen frame; ze waren licht van gewicht, maar comfortabel. Whitbread zat op het uiterste randje van een ervan. Cargill reikte hem een kop koffie aan, die hij met beide handen vasthield. Hij zag er pijnlijk op zijn hoede uit. ‘Kom, ontspan je eens, jongen,’ zei Cargill. Geen reactie.

‘Laat ik je eens iets vertellen, Whitbread,’ zei Rod. ‘Iedereen aan boord van dit schip verlangt ernaar jouw geheugen uit te scheppen, en niet straks, maar nu metéén. Ik mag eerst, omdat ik de Kapitein ben. Wanneer we daarmee klaar zijn, lever ik je over aan Horvath en zijn mensen. En wanneer die met je klaar zijn, als dat tenminste ooit gebeurt, mag je inrukken. Dan zul je misschien denken dat je nu eindelijk wat kunt gaan slapen, maar vergeet het maar. De wapenkamer zal het hele verhaal ook willen horen. En die lui hebben om beurten dienst, dus je zult alles wel een half dozijn keer van voren af aan moeten vertellen. Kun je ’t je al een beetje voorstellen?’

Whitbreads gezicht drukte ontzetting uit — hoe kon het ook anders? ‘Goed zo. Zet je koffie maar neer in die uitholling. Mooi. Schuif nu naar achteren, totdat je ruggegraat de stoelleuning raakt. En nou ontspannen, verdomme nog aan toe! Doe je ogen dicht.’ Wonder boven wonder deed Whitbread alles wat hem opgedragen was. Een ogenblik later verscheen er zelfs een gelukzalige glimlach op zijn gezicht.

‘Ik heb de recorder af staan,’ zei Blaine tegen hem, maar dat was niet waar. ‘Je formele rapport komt later wel. Wat ik nu wil hebben zijn feiten, indrukken, alles wat je maar voor de mond komt. Mijn onmiddellijke probleem is, of ik dat Splinterschip al dan niet moet tegenhouden.’

‘Kunnen we dat dan nog? Meneer?’

Blaine keek naar Cargill. De eerste officier knikte. ‘Het is pas een halfuur ver. Zelfs binnen de komende paar dagen zouden we het nog ieder moment kunnen achterhalen. En het heeft geen beschermend Veld, moet je bedenken. En door jouw helmcamera zag die romp er dun genoeg uit. Twee minuten vuur van onze voorste batterijen zouden voldoende zijn om het hele schip te doen verdampen. Een peuleschil.’

‘Of anders’, zei Blaine, ‘zouden we het ding kunnen inhalen, zijn aandrijving uit kunnen schakelen, en het op sleeptouw nemen. De hoofdmachinist zou er een jaar salaris voor overhebben om dat elektromagnetische fusiesysteem uit elkaar te mogen halen. En hetzelfde geldt voor het Keizerlijk Genootschap van Handelslieden; dat ding is eenvoudig volmaakt voor het delven van mineralen op asteroïden.’

‘Ik zou tégenstemmen,’ zei Whitbread, die zijn ogen nog steeds dicht had. ‘Als dit een democratie was, tenminste. Meneer.’

‘Maar dat is het niet, en de Admiraal voelt er veel voor, dat Splinterschip te gaan pakken. Sommigen van de wetenschapsmensen denken er net zo over, maar Horvath is ertegen. Waarom ben jij erop tegen?’

‘Omdat dat de eerste vijandige daad zou zijn, meneer. En die zou ik net zolang willen vermijden totdat de Splinterwezens zouden proberen de MacArthur te vernietigen.’ Whitbread deed zijn ogen open. ‘Trouwens, zelfs dan nog, want zouden ze niet afgeschrikt worden door het Veld? We zijn hier in hun thuisstelsel, kapitein, en per slot van rekening zijn we gekomen om te zien of we met hen zouden kunnen opschieten — tenminste, dat dacht ik, meneer.’

Cargill grinnikte. ‘Nou klinkt-ie precies als dr. Horvath, vindt u ook niet, schipper?’

‘Trouwens, meneer, wat doet dat Splinterschip dat voor ons nadelig zou kunnen zijn?’

‘Het is onbemand op weg naar huis, waarschijnlijk met een boodschap.’

‘Ik geloof niet dat er een boodschap was, meneer. Hij deed niets dat ook maar enigszins op schrijven leek en gesproken heeft hij helemaal niet.’

‘Zij,’ verbeterde Blaine hem. ‘De biologen zeggen dat ons Splinterwezen een vrouwtje is. En de beide kleintjes ook, en één daarvan is zwanger.’

‘Zwanger? Zou me dat opgevallen moeten zijn, meneer?’ Blaine grinnikte. ‘Waar zou je naar gezocht hebben? En waar? Het is je niet eens opgevallen dat die kleintjes allemaal vier armen hebben.’

Vier —?’

‘Laat maar, meneer Whitbread. U hebt dus geen boodschappen gezien, maar ja, totdat dat schip ervandoor ging, wist u ook niet dat ons Splinterwezen een automatische piloot geprogrammeerd — of gebouwd — had. En een leeg schip vormt op zichzelf al een boodschap. Zijn we voorbereid op het ontvangen van bezoekers, Jack?’ Cargill knikte. ‘En zelfs al zouden we dat niet zijn, kunt u er donder op zeggen dat de Lenin erop voorbereid is.’

‘Reken maar niet te veel op hulp van de Lenin, Nummer Een. Kutuzov is van mening dat het misschien wel interessant zou zijn eens te zien in hoeverre de MacArthur haar mannetje zou weten te staan tegen de Splinterwezens. Hij zou misschien alleen maar toekijken, en er dan full-speed vandoor gaan naar huis.’

‘Is dat — dat lijkt me niets voor de Admiraal, meneer,’ protesteerde Cargill.

‘Het is wel degelijk wat voor hem, als je de ruzie gehoord had die hij met dr. Horvath gehad heeft. Onze Minister van Wetenschappen zegt voortdurend tegen de Admiraal dat hij uit de buurt moet blijven en straks geeft de Admiraal hem nog zijn zin ook.’ Blaine wendde zich weer tot de cadet. ‘Je hoeft dit niet verder te vertellen in de wapenkamer, Whitbread.’

‘Nee, meneer.’

‘En laten we nu, zolang we er toch de tijd voor hebben, eens kijken wat je je kunt herinneren omtrent dat Splinterschip.’ Blaine drukte een paar knoppen in en op de beeldschermen aan de wand werden verscheidene beelden van het buitenaardse vaartuig zichtbaar. ‘Dit is alles waarover de computer tot dusverre beschikt,’ legde Rod uit. ‘Een gedeelte van het interieur hebben we al in kaart gebracht. Onze tast-apparatuur is op geen enkele afscherming of hindernis gestuit, dus ze hadden niets te verbergen, maar zo gemakkelijk te begrijpen is het toch ook weer niet.’

Blaine nam een lichtgevende aanwijsstok ter hand. ‘Deze ruimten hier bevatten vloeibare waterstof. En déze ruimte bevatte zware machinerie; heb je daar iets van te zien gekregen?’

‘Nee, meneer, maar dat paneel daar achterin zag eruit alsof het omhooggeschoven kon worden.’

‘Mooi.’ Blaine knikte naar Cargill, en die schetste de aanvulling op het beeldscherm met de daarvoor bedoelde schrijfstift. ‘Zo?’ vroeg de eerste officier. ‘Prachtig.’ Hij drukte de registratieknop in. ‘Nu weten we dat er zich een heleboel brandstof in de vorm van waterstof ergens aan boord bevond. En die aandrijving van ze ioniseert, verhit, en verrijkt die waterstof met hete koolstofdampen. Daar heb je een heleboel machinerie voor nodig. Waar zat die dan allemaal?’

‘Meneer, zou het niet beter zijn als de Hoofdmachinist hier ook was?’

‘Dat zou het inderdaad, meneer Whitbread. Maar jammer genoeg gebeuren er aan boord van dit schip zowat tien dingen tegelijk en hebben ze luitenant Sinclair elders nodig. Hij komt heus gauw genoeg aan de beurt om je uit te horen — zeg Jack, laten we niet de filosofie uit het oog verliezen, die achter alle ontwerpen van de Splinterwezens steekt. We zoeken telkens weer naar aparte mechanismen voor iedere functie, maar aan boord van die verkenner verrichtte alles vier of vijf gedeeltelijk in elkaar grijpende functies tegelijk, om het zo maar eens uit te drukken. Het zou wel eens kunnen zijn dat we naar te véél machinerie zoeken.’

‘Ja, meneer — maar, kapitein, hoe je het ook bekijkt, dat schip had toch een minimum aantal functies te verrichten. Dat kan gewoon niet anders. En voor de helft daarvan kunnen we niet voldoende apparatuur vinden.’

‘Tenminste niet aan de hand van ónze technologie,’ zei Blaine nadenkend. Toen grijnsde hij, en het was de brede en onbeschaamde grijns die je van een jonge kerel verwachten kon. ‘Wat we zoeken ziet er misschien uit als een combinatie van een elektronische oven, een brandstof-ionisator en een saunabad. Goed, en nu voor wat het buitenaardse wezen zelf betreft. Wat zijn je indrukken, Whitbread. Is het wérkelijk zo intelligent?’

‘Ze begreep niets van wat ik zei. Behalve die ene keer, toen ik schreeuwde: “Zet dat krachtveld af!” Dat begreep ze meteen. Maar verder geen snars.’

‘Je hebt een paar woorden weggelaten, knul,’ zei Cargill. ‘Maar dat hindert niet. Wat denk je, jongen? Verstaat dat buitenaardse wezen Anglisch? Doet ze misschien maar alsóf ze het niet verstaat?’

‘Dat zou ik u niet kunnen zeggen. Zelfs mijn gebaren begreep ze niet, behalve één keer. Dat was toen ik haar haar eigen ruimtepak aanreikte — en dat is een wenk die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, meneer.’

‘Misschien is ze gewoon dom,’ zei Rod.

‘Ze delft mineralen op asteroïden, kapitein,’ zei Cargill. ‘Zoveel staat wel vast. Dat schip wijst daar tenminste op. Die haken en klemmen bij de achtersteven dienen beslist om er een duurzame lading aan op te hangen, zoals stukken erts en luchtbevattend gesteente.’

‘Nou?’ spoorde Blaine hem aan.

‘Ik heb een aantal asteroïdendelvers gekend, schipper. Ze zijn doorgaans koppig, eigengereid, zelfstandig op het excentrieke af, en zwijgzaam. Ze zullen hun levens aan elkaar toevertrouwen, maar nooit hun vrouwen of hun bezittingen. En ze verleren het praten daar in die eenzaamheid; zo schijnt het tenminste.’

Hoopvol keken ze allebei Whitbread aan, maar die zei: ‘Ik weet het niet, meneer. Ik weet het gewoon niet. Maar dom is ze niet. U had moeten zien hoe haar handen rondscharrelden in het inwendige van dat instrumentenbord — ze maakte nieuwe verbindingen, legde nieuwe circuits aan, en verrichtte nieuwe kalibraties — het leek wel alsof ze een half dozijn verschillende dingen tegelijk deed. Misschien — misschien is onze gebarentaal gewoon ontoereikend. Ik weet niet waarom.’ Rod wreef met zijn vinger langs de knobbel op zijn neus. ‘Het zou misschien verwonderlijk zijn als ze die wél begreep,’ zei hij nadenkend. ‘En dit is nog maar één voorbeeld van een ras dat volkomen anders is dan het onze. Als wij buitenaardse wezens waren en een asteroïden-delver oppikten, tot wat voor gevolgtrekkingen zouden we dan komen met betrekking tot het Keizerrijk?’ Blaine schonk zijn koffiekopje nog eens vol en vervolgens ook dat van Whitbread. ‘Tja, ik denk dat Horvaths mensen eerder iets aan de weet zullen komen dan wij. Die hebben dat Splinterwezen om mee te werken.’

Sally Fowler sloeg het Splinterwezen gade met een gevoel van machteloze ergernis. ‘Ik kan maar niet besluiten of zij nu dom is, of dat ik dat ben. Heeft u gezien wat er gebeurde toen ik een diagram van de stelling van Pythagoras voor haar tekende?’

‘Uh huh.’ Renners grijns maakte het er niet beter op. ‘Toen heeft ze uw zakcomputer uit elkaar gehaald en weer in elkaar gezet. Maar getekend heeft ze niets. Toch is ze in sommige opzichten wel degelijk dom,’ zei hij, en zijn stem klonk nu ernstiger. ‘Zonder iets ten nadele van onze eigen volmaakt betrouwbare persoontjes te willen zeggen, vind ik toch dat ze veel te goed van vertrouwen is. Misschien is haar instinct tot zelfbehoud niet erg sterk ontwikkeld.’

Sally knikte en keek naar het Splinterwezen, dat weer aan het werk was.

‘Ze is een genie in het construeren van dingen,’ zei Renner. ‘Maar ze begrijpt noch taal, noch gebaren, noch beelden. Zou dat verdraaide buitenaardse wezen ’n genie en een zwakzinnige tegelijk kunnen zijn?’

‘Een geleerde idioot,’ mompelde Sally. ‘Onder mensen komt dat wel eens voor, maar het is tamelijk zeldzaam. Imbeciele kinderen, die uit het hoofd derdemachtswortels kunnen trekken en met logaritmen kunnen werken. Wiskundekeien, die nog geen knoop in een schoenveter kunnen leggen.’

‘Het berust op een verschil in waarnemingsvermogen.’ Horvath had zich beziggehouden met een meer diepgaande studie van de kleine Splintertjes. ‘Men moet eerst léren dat een beeld een beeld is. Uw tekeningen — Goeie God, wat doet het nu weer?’

Bij de deur had iemand een kreet geslaakt.

Zogenaamd was Cargill daar om Whitbread bij de wetenschappers af te leveren. In werkelijkheid twijfelde hij er niet aan dat Whitbread zelf de weg wel zou hebben kunnen vinden naar de officierskantine, waar ze de Splinterwezens zolang heengebracht hadden terwijl mannen van de technische dienst in de onderofficierskantine een kooi voor de miniatuurtjes construeerden. Maar Jack Cargill was nieuwsgierig. Halverwege het trapje kreeg hij het buitenaardse wezen voor het eerst in het oog. Ze was bezig de koffiemachine van de officierskantine te slopen — een boosaardige daad, die des te duivelser werd gemaakt door de onschuld van haar grijns.

Ze deinsde achteruit en kromp in elkaar, toen ze Cargills kreet hoorde — maar het was al te laat, zag de eerste officier. Kleine schroefjes en onderdeeltjes lagen overal over de tafel verspreid. Het buitenaardse wezen had de buis van de percolator doormidden gebroken, mogelijk om de gebruikte soldeertechniek te analyseren. Onderdelen van het tijdmechanisme lagen netjes op een rij. Verder had het Splinterwezen het cilindervormige omhulsel opengetrokken langs de lasnaad. Cargill kwam tot de ontdekking dat de Minister van Wetenschappen hem bij zijn arm vastgegrepen had. ‘U maakt het buitenaardse wezen bang,’ zei Horvath op zachte, maar dreigende toon. ‘Gaat u alstublieft weg.’

‘Doctor, zou u misschien zo goed willen zijn, me te vertellen —’

‘Niet hier.’ Horvath duwde hem voor zich uit naar de andere kant van het vertrek. In het voorbijgaan kreeg Cargill vluchtig iets te zien van de buitenaardse miniatuurwezentjes, die op hun hurken op de wedstrijdtafel zaten, omringd door leden van de groep biologische wetenschappen en door voedselmonsters uit de kombuis: graankorrels, brood, peentjes en selderij, ontdooid rauw vlees en gekookt vlees. ‘Welnu dan,’ zei Horvath. ‘Wat heeft dat te betekenen, dat u hier zomaar binnen komt stormen en —’

‘Dat monster heeft de koffiemachine van de officierskantine vernield!’

‘We hebben nog geluk gehad,’ zei cadet Whitbread oneerbiedig. ‘Ik kon nog net verhinderen dat ze het mechanisme van luchtsluis nummer vier uit elkaar haalde.’

‘Het enige waar ze belangstelling voor heeft is werktuigen,’ zei Horvath, Cargills geagiteerdheid opzettelijk negerend. ‘Op één punt ben ik het bij wijze van uitzondering zelfs met admiraal Kutuzov eens: het buitenaardse wezen mag onder geen beding de Alderson-aandrijving of de generatoren van het Veld te zien krijgen. Ze schijnt over het vermogen te beschikken te deduceren waar iets voor dient en hoe het werkt, bijna zonder het aan te raken.’

‘Daar hebben we het nu niet over!’ zei Cargill. ‘Had u dat Splinterwezen niet iets anders kunnen geven om mee te spelen? Die koffiemachine bestaat toch al voor de helft uit geïmproviseerde onderdelen. Sinds Sandy Sinclair ermee klaar is, heeft niemand kunnen uitkienen hoe het ding in elkaar zit. En nu heeft juffrouw Splinter sommige van de onderdelen gebroken.’

‘Als ze zo gemakkelijk te breken waren, kunnen ze waarschijnlijk wel hersteld worden,’ zei Horvath op sussende toon. ‘Weet u wat, we kunnen u een van de koffiemachines uit de laboratoria afstaan, of anders kan een van onze technici — Aha, juffrouw Fowler. Is het buitenaardse wezen al een beetje gekalmeerd? En nu, meneer — uh, Whitbread? We zijn blij dat u hier bent; we hebben al op u gewacht, want u bent de enige die daadwerkelijk met het buitenaardse wezen in communicatie heeft gestaan. Hé, luitenant Cargill, blijft u alstublieft uit de buurt van het Splinterwezen —’

Maar Cargill was al halverwege het vertrek. Het buitenaardse wezen keek een beetje schichtig, maar Cargill bleef een eind van haar vandaan. Wel keek hij woedend naar haar, terwijl hij zijn koffiemachine bekeek. Die was inmiddels weer helemaal in elkaar gezet. Het Splinterwezen maakte zich los van Sally Fowler. Ze vond een spits toelopende plastic beker, vulde die onder een kraan met water en gebruikte dat vervolgens om er de koffiemachine mee te vullen. Een van de hofmeesters grinnikte vol leedvermaak.

Het Splinterwezen goot er twee bekers water in, deed het filterbakje op zijn plaats, en nam een afwachtende houding aan. De hofmeester keek geamuseerd naar Cargill, die toestemmend knikte. De bediende haalde het blik gemalen koffie te voorschijn, hanteerde de maatlepel en bracht het apparaat op gang. Het buitenaardse wezen sloeg een en ander al die tijd nauwlettend gade. Een van de miniatuurtjes deed dat ook en liet zich daarbij niet afleiden door een van de biologen die met een peentje voor haar gezicht heen en weer zwaaide. ‘Een poosje geleden zat ze ook al zo te kijken, toen ik bezig was koffie te maken, meneer,’ zei de hofmeester. ‘Ik dacht toen dat ze er misschien wel wat van hebben wilde, maar die wetenschapslui hebben het haar niet aangeboden.’

‘Over enkele ogenblikken zitten we hier misschien met een afschuwelijke janboel, Ernie. Hou je gereed om de boel op te dweilen.’ Cargill wendde zich tot Sally. ‘Hoe goed is dat monster erin dingen weer in elkaar te zetten?’

‘Heel goed, zelfs,’ zei Sally. ‘Ze heeft mijn zakcomputer gerepareerd.’

De percolator borrelde en het water in het peilglas werd bruin. Aarzelend schonk Cargill zich een bekertje in en proefde ervan. ‘Nee maar, dat smaakt niet gek,’ zei hij. Hij stak het Splinterwezen het bekertje toe.

Ze proefde van het zwarte, bittere brouwsel, krijste, en smeet het bekertje tegen de wand.

Sally nam Whitbread mee naar de provisiekamer naast de kantine. ‘Jij hebt weten te bereiken dat de Splinter je begreep. Hoe heb je daar kans toe gezien?’

‘Dat was alleen maar die ene keer,’ zei Whitbread. ‘Ik heb me al afgevraagd of ik me soms vergist heb. Is het niet mogelijk dat ze toevallig net besloten had me vrij te laten, toen ik mijn helm opendeed en schreeuwde?’

Sally keek nijdig en teleurgesteld. ‘Ze stáát daar maar. Het schijnt niet eens tot haar door te dringen dat wc proberen met haar te praten. En van haar kant doet ze ook geen enkele poging om iets terug te zeggen…’ Ze liet haar stem dalen tot een hoofdzakelijk tot zichzelf gericht gemopper. ‘Een van de fundamentele kenmerken van intelligente rassen is, dat ze pogingen tot communicatie doen. Whitbread, wat is je voornaam?’

Whitbread keek onthutst. ‘Jonathon, vrouwe.’

‘Oké, Jonathon. Ik heet Sally. En als man tegen vrouw moet je me nu eens vertellen, Jonathon, wat is het verdorie dat ik verkeerd doe? Waarom wil ze niet eens proberen tegen me te praten?’

‘Tja, Sally,’ zei Whitbread, aarzelend haar naam proevend. De smaak beviel hem wel. En ze was maar een paar jaar ouder dan hij — ‘Sally, daarvoor zou ik wel een half dozijn redenen kunnen bedenken. Misschien kan ze alleen maar gedachten lezen.’

‘Wat zou dat te maken kunnen hebben met —’

‘Dan zou ze immers geen benul van spreektalen hebben? En wat jij haar probeert te leren, zou dan ook onbegrijpelijk voor haar zijn. En misschien kan ze ónze gedachten alleen maar lezen wanneer we woedend schreeuwen, zoals ik toen deed.’

‘Of zoals luitenant Cargill deed,’ zei Sally nadenkend. ‘Ze deinsde inderdaad achteruit van die koffiemachine. Maar niet voor lang. Nee, ik geloof er niet in.’

‘Ik ook niet. Ik geloof dat ze liegt.’

‘Dat ze liegt?’

‘Dat ze zich van den domme houdt. Ze weet niet wat ze tegen ons zeggen moet en dus zegt ze helemaal niets tegen ons. Ze probeert tijd te winnen. Ze stelt belang in onze apparatuur en dit geeft haar de tijd om er meer van te weten te komen.’

Sally knikte langzaam. ‘Een van de biologen is op hetzelfde idee gekomen. Dat ze op instructies wacht, en zoveel leert als ze maar kan, totdat ze komen — Jonathon, hoe zouden we haar daarop kunnen betrappen?’

‘Ik geloof niet dat we dat kunnen,’ zei Whitbread peinzend. ‘Hoe zou je een intelligente muis erap willen betrappen dat hij zich dom voordoet, als je nog nooit een muis gezien had en iemand anders ook niet?’

‘Wat een rottoestand. Maar ja, er zit niets anders op dan dat we het blijven proberen.’ Er verscheen een frons op haar gezicht toen ze weer dacht aan wat het Splintertje met die koffiemachine gepresteerd had, en toen keek ze Whitbread lang en nadenkend aan. ‘Je bent uitgeput. Ga wat slapen, er is toch niets wat je ons beslist nu meteen moet vertellen, is ’t wel?’

‘Nee.’ Whitbread geeuwde. Achter hem klonk een scharrelend, ritselend geluid, en vlug draaiden ze zich allebei om, maar er was niets te zien. ‘Over muizen gesproken,’ zei Whitbread.

‘Hoe kunnen die leven in een schip dat helemaal van staal is?’ vroeg Sally.

Whitbread haalde de schouders op. ‘Ze komen aan boord met de voedselvoorraden en zelfs ook in persoonlijke bagage. Zo nu en dan ontruimen we delen van het schip, brengen de bemanning die daar huist zolang naar ergens anders over, en stellen zo’n gedeelte dan bloot aan het luchtledige van de ruimte om hun aantal binnen de perken te houden, maar we krijgen ze nooit allemaal te pakken. En vanwege al die extra mensen aan boord hebben we zelfs dat niet kunnen doen, deze reis.’

‘Interessant.’ Sally knikte. ‘Muizen kunnen bijna overal leven, waar mensen dat ook kunnen — weet je dat er waarschijnlijk evenveel muizen in het Melkwegstelsel zijn als mensen? We hebben ze naar bijna alle planeten overgebracht. Jonathon, zouden die miniatuurtjes een soort muizen zijn?’

Whitbread haalde zijn schouders op. ‘In ieder geval gaf ze er niet om, dat staat vast. Op twee na heeft ze ze allemaal om zeep gebracht — maar waarom zou ze er überhaupt twee hebben willen meebrengen aan boord? En nog wel twee, die ze in het wilde weg uitzocht.’ Sally knikte weer. ‘We hebben gezien hoe ze ze ving.’ Plotseling moest ze lachen. ‘En meneer Renner vroeg zich af of het misschien Splinter-babytjes konden zijn! Ga slapen, Jonathon. Over een uur of tien zien we je wel weer terug!

17. Meneer Crawford raakt zijn hut kwijt

En zo kwam het dat cadet Jonathon Whitbread zijn hangmat veel eerder bereikte dan hij verwacht had. Gelukzalig liet hij zich wegzakken in het vlechtwerk en hij deed zijn ogen dicht… om er vervolgens weer één open te doen, toen hij andere ogen op zich gericht voelde. ‘Ja, meneer Potter,’ zei hij met een zucht.

‘Meneer Whitbread, u zou me een groot genoegen doen als u eens met meneer Staley wilde praten.’

Dit was niet wat Whitbread verwacht had. Hij deed nu ook zijn andere oog open. ‘Huh?’

‘Iets heeft hem van streek gemaakt. En u weet hoe hij is, hij zou nog liever doodgaan dan zich te beklagen. Maar hij loopt rond als een robot en hij praat tegen bijna niemand, behalve dan uit beleefdheid. Hij eet in z’n eentje… U kent hem al langer dan ik en ik dacht dat u er misschien wel achter zou kunnen komen waarom hij zo doet.’

‘Goed, Potter. Ik zal het proberen. Wanneer ik wakker word.’ Hij deed zijn ogen weer dicht. Maar Potter bleef nog steeds staan. ‘Over acht uur, Potter. Zó urgent kan het nou ook weer niet zijn.’

In een ander gedeelte van de MacArthur gooide eerste stuurman Renner zich onrustig van de ene zij op de andere in een kajuit die niet veel groter was dan zijn kooi. Het was de hut van de Derde Officier, maar Renners eigen kajuit was aan twee wetenschappers toegewezen, en de Derde had zijn intrek genomen bij een officier van de Mariniers. Plotseling zat Renner recht overeind in het duister, terwijl zijn brein worstelde om zich iets te binnen te brengen dat misschien alleen maar een droom geweest was. Vervolgens knipte hij het licht aan en tastte naar de juiste knop op het voor hem onvertrouwde schakelbord van de intercom. De matroos die antwoordde gaf blijk van een opmerkelijke zelfbeheersing: hij gaf niet eens een schreeuw of zo iets. ‘Verbind me met juffrouw Sally Fowler,’ zei Renner.

De matroos deed dit zonder commentaar. Vast en zeker een robot, dacht Renner. Hij wist hoe hij eruitzag.

Sally sliep nog niet. Zij en dr. Horvath hadden zojuist de Splinter in de kajuit van de Artillerieofficier geïnstalleerd. Het gezicht dat ze trok en de toon waarop ze ‘Ja, meneer Renner?’ zei, speelden het op de een of andere manier klaar Renner de boodschap te geven dat hij eruitzag als een kruising tussen een man en een mol — een opmerkelijk staaltje van gedachtenoverbrenging zonder woorden.

Renner ging eraan voorbij. ‘Er schoot me net iets te binnen. Heeft u uw zakcomputer bij de hand?’

‘Jazeker.’ Ze haalde hem te voorschijn en liet hem zien. ‘Doet u me een plezier, en probeert u dat ding eens.’ Met een verbaasde uitdrukking op haar gezicht schreef Sally een aantal letters op het schrijfraam van het platte doosje, veegde die weer uit, schreef toen een eenvoudig vraagstuk neer, en vervolgens een ingewikkeld vraagstuk, dat de hulp van de scheepscomputer vereiste. Tot slot riep ze willekeurige persoonlijke gegevens op uit het archief in het geheugen van de scheepscomputer. ‘Het ding werkt normaal.’ Renners stem klonk doezelig van de slaap. ‘Ben ik nou gek, of hebben we met eigen ogen gezien dat dat Splinterwezen dat ding uit elkaar haalde en toen weer in elkaar zette?’

‘Jazeker. En hetzelfde deed ze met uw pistool.’

‘Maar een zakcomputer?’ Renner staarde haar aan. ‘U weet toch dat dat onmogelijk is, niet waar?’

Ze dacht dat hij een grapje maakte. ‘Nee, dat wist ik niet.

‘Nou, het is toch heus zo. Vraagt u het doctor Horvath maar.’ Renner hing op en legde zich weer te slapen.

Sally kreeg dr. Horvath te pakken toen deze net zijn kajuit binnen wilde gaan. Ze vertelde hem van de computer.

‘Maar die dingen bestaan uit één groot geïntegreerd circuit. We proberen zelfs nooit ze te repareren…’ Horvath mopelde nog wat andere dingen in zichzelf.

Terwijl Renner sliep, schudden Horvath en Sally de mensen van de afdeling natuurwetenschappen wakker. Geen van allen kregen ze veel nachtrust die nacht.

‘Ochtend’ in een oorlogsschip is maar een betrekkelijk iets. De ochtendwacht is van vier tot acht uur voormiddag; een tijd gedurende welke het menselijk ras doorgaans pleegt te slapen. Maar daar houdt de ruimte geen rekening mee. De brug en de machinekamers dienen altijd volledig bemand te zijn, ongeacht hoe laat het is. Van iedere drie wachtperiodes had Whitbread er één dienst, maar het anders zo ordelijke dienstrooster van de MacArthur was hopeloos in de war geraakt. Hij was zowel gedurende de ochtend- als de voormiddagwacht vrij van dienst en beschikte dus over acht zalige uren om te slapen. Toch werd hij op de een of andere manier wakker en zat hij om negen uur al in de onderofficierskantine.

‘Ik mankeer niets,’ protesteerde Horst Staley. ‘Ik snap niet hoe je aan dat idee komt. Zet het uit je hoofd.’

‘Oké,’ zei Whitbread gemoedelijk. Hij koos vruchtesap en ontbijtvlokken en plaatste die op zijn dienblad. Hij stond vlak achter Staley in de rij voor het zelfbedieningsbuffet; dat sprak vanzelf, want hij was Staley naar binnen gevolgd.

‘Wat niet wegneemt dat ik je bezorgdheid op prijs stel,’ zei Staley tegen hem. Zijn stem verried geen spoor van emotie. Whitbread knikte toegeeflijk. Hij pakte zijn dienblad op en liep achter Staleys onnatuurlijk rechte rug aan. Zoals hij verwacht had, koos Staley een leeg tafeltje uit. Whitbread voegde zich bij hem. Er waren in het Keizerrijk talrijke planeten waarop het Kaukasisch blanke ras overheerste. Op zulke planeten zagen de afbeeldingen op de wervende aanplakbiljetten van de Marine er altijd uit als Horst Staley. Zijn kaak was vierkant, zijn ogen ijsblauw. Zijn gezicht was een en al vlakken en rechte hoeken, volkomen symmetrisch, en zonder enige uitdrukking. Zijn rug was kaarsrecht, zijn schouders waren breed, en zijn buik was plat en hard van de spieren. Hij contrasteerde scherp met Whitbread, die zijn hele leven met een gewichtsprobleem te kampen zou hebben, en overal op zijn minst lichtelijke rondingen bezat.

Ze aten zwijgend; het was een lang ontbijt. Eindelijk, wat al te terloops, stelde Staley de vraag waarvan Whitbread al die tijd geweten had dat hij zou komen: ‘Hoe is je opdracht verlopen?’

Whitbread had zijn antwoord klaar. ‘Het was behoorlijk zwaar. Anderhalf uur lang heeft dat Splinterwezen me aangestaard. Het waren de ergste uren van m’n leven. Moet je kijken.’ Whitbread stond op. Hij wrong zijn hoofd naar opzij en liet zijn knieën en zijn schouders doorzakken, zich inpassend in een onzichtbare doodkist van honderddertig centimeter hoogte. ‘Zo heb ik gestaan, anderhalf uur lang.’ Hij ging weer zitten. ‘Een marteling, dat kan ik je wel vertellen. Ik wenste aldoor dat ze jou ervoor genomen hadden.’

Staley liep rood aan. ‘Ik heb me wel degelijk als vrijwilliger gemeld.’ Midden in de roos. ‘Ja, maar het was mijn beurt. Jij had destijds al de overgave van de Defiant geaccepteerd, ginds bij Nieuw-Chicago.’

‘Ja, en me die bom af laten pakken door die maniak!’ Whitbread legde zijn vork neer. ‘O?’

‘Wist je dat dan niet?’

‘Natuurlijk niet. Denk je soms dat Blaine dat door het hele schip zou rondbazuinen? Je zag er inderdaad nogal geschokt uit toen je van die opdracht terugkwam. We vroegen ons af wat de reden was.’

‘Nou, dan weet je het nu. Een of andere idioot probeerde de overgave ongedaan te maken. De kapitein van de Defiant wist er een stokje voor te steken, maar het was hem bijna gelukt.’ Staley perste zijn handen tegen elkaar, zo hard dat het pijn deed. ‘Hij griste die bom uit mijn handen. En ik liet het toe! Ik zou er alles voor over gehad hebben als ik een kans gekregen had om —’ Staley stond met een ruk op, maar Whitbread wist hem nog net bij zijn arm te grijpen. ‘Blijf zitten,’ zei hij. ‘Ik kan je vertéllen waarom jij niet gekozen werd.’

‘O, je kunt dc gedachten van de kapitein lezen, zeker?’ Alsof dit stilzwijgend afgesproken was, hielden ze hun stemmen gedempt. De tussenschotten in het inwendige van de MacArthur waren weliswaar allemaal met geluidabsorberend materiaal bekleed, maar hoewel ze zachtjes spraken, waren hun stemmen toch erg duidelijk. ‘Een cadet doet er goed aan achteraf naar de beweegredenen van officieren te leren gissen,’ zei Whitbread. ‘Nou, waarom dan? Was het vanwege die bom?’

‘Indirect wel, ja. Je zou in de verleiding gekomen zijn je te rehabiliteren. Maar afgezien daarvan ben je veel te veel de held, Horst. Lichamelijk in volmaakte conditie, goeie longen — heb je ooit een admiraal ontmoet die een zachte stem had? — uiterste toewijding, en geen gevoel voor humor.’

‘Ik heb wel degelijk gevoel voor humor.’

‘Nee, dat heb je niét.’

‘Nee?’

‘Geen greintje. Deze situatie vroeg niet om een held, Horst. Hij vroeg om iemand die het niet erg vond zich belachelijk te laten maken voor een goed doel.’

‘Je houdt me voor de gek. Verdomme, bij jou weet je nooit wanneer je iemand voor de gek houdt en wanneer niet.’

‘Dit zou er een slecht moment voor zijn. Ik steek echt niet de draak met je, Horst. Hoor eens, het zou niet eens nódig moeten zijn, dat ik je dit allemaal uitleg. Je hebt het toch allemaal zelf gezien, nietwaar? Sally heeft me verteld dat ik op alle beeldschermen te zien was, live, in kleuren, en driedimensionaal.’

‘Ja.’ Staley glimlachte even. ‘Alleen jammer dat we je gezicht niet konden zien. Vooral toen je begon te vloeken. Zo maar, zonder enige waarschuwing. Het beeld sprong een beetje op en neer, en toen schreeuwde je tegen dat buitenaardse wezen, en iedereen lag krom van het lachen.’

‘Wat zou jij gedaan hebben?’

‘Dat in elk geval niet. Ik weet niet. Ik zou me strikt aan mijn opdracht gehouden hebben, denk ik.’ De ijsblauwe ogen vernauwden zich. ‘Ik zou in elke geval niet geprobeerd hebben me al schietend een weg naar buiten te banen, als je dat soms denkt.’

‘Ook niet een snijstraal van één seconde met je laserpistool door dat schakelbord heen? Om het krachtveld buiten werking te stellen?’

‘Niet zonder bevel daartoe gekregen te hebben.’

‘En wat dacht je van gebarentaal? Ik heb een hele tijd gebaren staan maken in de hoop dat dat buitenaardse wezen me begrijpen zou, maar het was een complete mislukking.’

‘Dat konden we niet zien. Wat wil je ermee zeggen?’

‘Dat heb ik je toch al gezegd,’ zei Whitbread. ‘Deze opdracht vroeg om iemand die bereid was zich aan te stellen voor de goede zaak. Denk maar eens terug aan hoe vaak je de mensen om me hebt horen lachen, terwijl ik bezig was de Splinter mee te tronen hierheen.’

Staley knikte.

‘En vergeet dan die mensen en denk nu eens aan de Splinter. Hoe zit het met haar gevoel voor humor? Zou jij het leuk vinden als een Splinter je uitlachte, Horst? Je zou er nooit zeker van kunnen zijn of ze dat nu echt deed of niet; je weet niet hoe zo iets eruitziet, of hoe het zou moeten klinken —’

‘Nou praat je onzin.’

‘Het enige wat iemand ook maar wist, was dat de situatie om iemand vroeg die kon gaan uitvinden of de buitenaardsen bereid waren om met ons te praten. De situatie vroeg niet om het verdedigen van de keizerlijke eer. Daar is nog tijd genoeg voor, als we eenmaal weten wat we tegenover ons hebben. Er zal plaats genoeg zijn voor helden, Horst. Dat is er altijd.’

‘Dat klinkt geruststellend,’ zei Staley. Hij was klaar met zijn ontbijt. Hij stond op en met kaarsrechte rug verliet hij met grote stappen de kantine, Whitbread in lichtelijk gepeins verzonken achterlatend. Nou ja, dacht Whitbread. Ik heb mijn best gedaan. En je weet nooit, misschien…

Ook luxe is betrekkelijk aan boord van een oorlogsschip. De kajuit van artillerieofficier Crawford had dezelfde afmetingen als zijn bed. Wanneer het bed omhooggeklapt was, had hij ruimte om zich te verkleden en om zijn tanden te poetsen boven het kleine wasbakje. Om het bed omlaag te klappen voor het slapen gaan, moest hij eerst de gang in stappen. Aangezien hij lang was voor een marineman, had Crawford in opgerolde toestand leren slapen.

Een bed en een deur met een slot erop, in plaats van een hangmat of een kooi of meer boven elkaar: het was een luxe. En nu sliep hij in een van de sloepen van de MacArthur, terwijl een buitenaards monster zijn hut betrokken had.

‘Ze is maar ietsje langer dan ’n meter, dus natuurlijk past ze erin,’ zei Sally Fowler oordeelkundig. ‘Maar het is wel een erg klein kamertje. Denk je dat ze ertegen kan? Anders zullen we haar in de kantine moeten laten blijven.’

‘Ik heb de cabine in haar eigen schip gezien. Die was bepaald niet groter. Ze kan ertegen,’ zei Whitbread. ‘Ik neem aan dat je ervoor gezorgd hebt dat iemand haar in de gaten houdt via de intercom?’ Ze knikte. Whitbread volgde haar naar de kantine die door de wetenschappers overgenomen was. Een gedeelte van het vertrek was thans afgeschoten met kippegaas en daarin bevonden zich de beide miniatuurtjes. Eentje zat op een koolstronk te knagen, gebruikmakend van alle vier haar armen om het ding tegen haar borst gedrukt te houden. Het andere, dat een door zwangerschap opgezwollen buik had, zat met een zaklantaren te spelen.

Precies een aapje, dacht Whitbread. Het was de eerste keer dat hij de kans kreeg de miniatuurtjes eens goed te bekijken. Hun vacht was dikker, en terwijl die van het grotere wezen een uniforme zachtbruine kleur had, was die van hen bruin en geel gespikkeld. De vier armen waren bijna precies gelijk, behalve dat de linkerhanden ieder vijf en de rechterhanden ieder zes vingers telden; maar de armen en de vingers waren allemaal even slank en op dezelfde manier geleed. Toch waren de spieren van de bovenste linkerschouder verankerd aan de top van de schedel. Als dat niet voor meer kracht en hefvermogen diende, waarvoor diende het dan?

Hij was verrukt toen Sally hem meenam naar een klein hoektafeltje een eind van de biologen vandaan, die op hun hoofden stonden te krabben en luide debatten met elkaar voerden. Hij haalde koffie voor hen beiden en stelde haar een vraag over het eigenaardige spierstelsel van de miniatuurtjes; dat was wel niet waarover hij werkelijk met haar zou willen praten, maar het was tenminste een begin… ‘We denken dat het rudimentair is,’ zei ze. ‘Ze hebben het kennelijk niet nodig; trouwens, de linkerarmen zijn toch niet op zwaar werk berekend.’

‘Dan zijn die kleintjes dus geen aapjes, maar een zijtak van die grotere wezens!’

‘Of anders zijn het allebei zijtakken van iets anders. Jonathon, we hebben nu al méér dan twee classificaties opgemerkt. Moet je zien.’ Ze wendde zich tot de intercom en de hut waarin het Splinterwezen zich bevond werd op het beeldscherm zichtbaar.

‘Ze schijnt zich best te vermaken,’ zei Whitbread. Hij grinnikte toen hij zag wat de Splinter uitgevoerd had. ‘Meneer Crawford zal niet erg in z’n sas zijn, als hij ziet wat ze met zijn kooi gedaan heeft.’

‘Doctor Horvath wilde het haar niet verbieden. Ze mag overal aan prutsen, zolang het maar niet de intercom is.’

Crawfords kooi was korter gemaakt en had andere vormen gekregen. En die vormgeving was buitengewoon vreemd, niet alleen vanwege de ingewikkelde samenstelling van de gewrichten in de rug van het Splintertje, maar ook omdat ze blijkbaar gewoon was op haar zij te slapen. De matras was opengesneden en in een andere vorm opnieuw dichtgenaaid, en de staalconstructie daaronder was verbogen en verwrongen. Er waren nu twee gleuven, aangepast aan twee rechterarmen, een kuil voor een uitstekend heupbeen, en een hoge richel die tot hoofdkussen moest dienen.

‘Waarom zou ze alleen maar op haar rechterzij slapen?’ vroeg Whitbread.

‘Misschien geeft ze er de voorkeur aan zich met haar linkerarmen te verdedigen, als ze in haar slaap overvallen mocht worden. Die linkerkant is zoveel sterker.’

‘Dat zou kunnen. Arme Crawford. Misschien verwacht ze dat hij proberen zal haar op een nacht de keel door te snijden.’ Hij sloeg het buitenaardse wezen gade, dat nu met de plafondverlichting bezig was. ‘Het is anders wel een monomaan, hè? Maar misschien komt er voor ons wel iets goeds uit voort. Best mogelijk dat ze iets verbetert.’

‘Misschien. Jonathon, heb je die schetsen van dat ontlede buitenaardse wezen al eens bestudeerd?’

Ze klonk als een schooljuffrouw. Ze was oud genoeg om er een te kunnen zijn ook; maar veel te mooi, vond Whitbread. Hardop zei hij, ‘Ja, juf.’

‘En zie je verschillen?’

‘De kleur van de vacht is anders. Maar dat zegt niets. Dat andere wezen heeft honderden jaren in een kunstmatige winterslaap doorgebracht.’

‘En verder?’

‘Dat andere wezen was langer, geloof ik. Maar ik zou er geen eed op durven doen.’

‘Kijk eens naar haar hoofd.’

Whitbread fronste de wenkbrauwen. ‘Ik zie het niet.’ Sally bediende zich van haar zakcomputer. Het ding maakte een zacht zoemend geluid, wat aangaf dat het in verbinding stond met het centrale geheugen van de scheepscomputer. Ergens in de MacArthur tastte een straal laserlicht holografische lijnen af. Het geheugen van de scheepscomputer bevatte alles wat de mensheid van Splinterwezens afwist — tot dusverre dan nog altijd. Het vond de informatie die Sally opgevraagd had en zond die naar haar zakcomputer; op het schermpje van het platte doosje verscheen een schets.

Whitbread bestudeerde de schets en keek toen naar de Splinter op het andere beeldscherm. ‘Haar voorhoofd. Het loopt schuin af!’

‘Dat dachten wij ook, dr. Horvath en ik.’

‘Het valt anders niet erg op. Haar hoofd is tóch al zo verdraaid scheef.’

‘Ik weet het. Maar het verschil is er wel degelijk. We geloven ook dat de handen van elkaar verschillen, maar dat verschil is heel klein.’ Sally trok een frons en er verschenen drie korte rimpeltjes tussen haar bruine ogen. Ze had haar haar kort laten knippen voor de ruimte, en die frons en dat korte haar gaven haar een heel deskundig en energiek voorkomen. Whitbread vond het haar helemaal niet staan. ‘Dat zijn dus al drie verschillende soorten,’ zei ze. ‘Op een totaal van slechts vier Splintertjes. Dat is wel ’n erg hoog mutatiecijfer, vind je ook niet?’

‘Dat… zou me niet verbazen.’ Whitbread herinnerde zich weer de geschiedenislessen die aalmoezenier Hardy de cadetten tijdens de reis hierheen gegeven had. ‘Ze zitten gevangen in dit zonnestelsel. Opgesloten. In geval van een atoomoorlog zouden ze naderhand met de gevolgen moeten leven, nietwaar?’ Hij dacht aan de Aarde, en huiverde. ‘We hebben anders geen sporen van atoomoorlogen kunnen ontdekken.’

‘Behalve dat mutatiecijfer.’

Sally lachte. ‘Je redeneert in kringetjes. Trouwens, die redenatie houdt geen stand. Geen van deze drie typen is lichamelijk gebrekkig, Jonathon. Ze zijn allemaal heel goed aangepast en allemaal gezond — behalve die dode, natuurlijk, en die telt nauwelijks mee. Ze zouden er geen lichamelijk gebrekkige voor uitgezocht hebben om die verkenner te besturen.’

‘Nee. Dus wat denk jij?’

‘Jij hebt ze ’t eerst gezien, Jonathon. Laten we die van de verkenner type A noemen. Welke verhouding bestond er tussen de typen B en C?’

‘Ik weet het niet.’

‘Maar je hebt ze toch samen gezien.’

‘Er viel geen touw aan vast te knopen. In het begin bleven de kleintjes die grotere uit de weg en werden ze door die grotere met rust gelaten. Toen beduidde ik die grote dat ik wilde dat ze met me mee zou gaan naar de MacArthur. Prompt greep ze de eerste twee kleintjes die binnen haar bereik kwamen en borg die veilig op, en vervolgens doodde ze de rest zonder enige waarschuwing!’

Whitbread zweeg even en dacht weer terug aan die wervelwind die hem door de luchtsluis van het Splintervaartuig naar buiten had geblazen. ‘Dus zeg jij het maar. Wat zijn die kleintjes? Huisdieren? Kinderen? Maar ze heeft ze gedóód. Ongedierte dan? Waarom dan twee ervan gered? Voedsel, misschien? Heb je daar al eens aan gedacht?’ Sally trok een lelijk gezicht. Het was bijna een woeste grimas, die helemaal niet bij haar mooie gezichtje paste; een uitdrukking die ze zich in een meer select gezelschap nooit gepermitteerd zou hebben. ‘Aan wat? Van een van die kleine beestjes hachee te maken en het die grotere voor te zetten, soms? Blijf nou redelijk.’

Het buitenaardse wezen in Crawfords hut bediende zich inmiddels van een handvol — het leken wel zaadjes — en at die op. ‘Gepofte maïs,’ zei Sally. ‘We hebben het eerst op die kleintjes geprobeerd. Misschien is dat het waar ze voor moesten dienen, als voorproevers van voedsel.’

‘Misschien.’

‘Kool eet ze ook. Nou, verhongeren zal ze tenminste niet, maar wel zou ze dood kunnen gaan aan vitaminegebrek. Alles wat we kunnen doen, is toezien en afwachten — ik neem aan dat we nu wel spoedig een bezoek zullen gaan brengen aan hun thuisplaneet. Maar tot zolang, Jonathon, ben jij de enige die dat vaartuig van de Splintertjes van binnen gezien heeft. Was de stuurstoel van de piloot ook zo eigenaardig gevormd? Door je helmcamera heb ik er maar vluchtig een blik op kunnen werpen.’

‘Ja, die was ook speciaal gevormd. Nu je het zegt, hij zat haar als gegoten. En er is me nog iets anders opgevallen. Het bedieningspaneel liep langs de rechterkant van de stuurstoel. Uitsluitend voor rechterhanden bedoeld…’

Hij bleek zich nog een heleboel andere dingen omtrent het schip van de mineralendelver te herinneren. Een en ander stelde hem in staat, van Vrouwe Sally’s aangename gezelschap te blijven genieten totdat hij weer op wacht moest. Maar geen van zijn inlichtingen was erg bruikbaar.

Nauwelijks had Whitbread zijn plaats op de brug ingenomen, of dr. Buckman riep de Kapitein op.

‘Een schip, Blaine,’ zei Buckman. ‘Afkomstig van de bewoonbare planeet, Splinter Alpha. We hebben het niet eerder kunnen ontdekken, omdat het verborgen bleef door dat verdomde lasersignaal.’ Blaine knikte. Zijn eigen beeldschermen hadden dat Splintervaartuig al negen minuten eerder te zien gegeven. De mannen van hoofdmarconist Shattuck waren niet van plan iemand de gelegenheid te geven te zeggen dat burgers beter opletten dan de uitkijkposten van de Marine.

‘Het zal ons over ongeveer eenentachtig uur bereiken,’ zei Buckman. ‘Het accelereert met nul komma zevenentachtig gee, wat door een eigenaardige samenloop van omstandigheden precies gelijk is aan de zwaartekrachtversnelling aan het oppervlak van Splinter Alpha. Het spuwt aan alle kanten neutrino’s uit. Over het algemeen gedraagt het zich precies zoals het eerste schip, alleen heeft het veel meer massa. Als we nog meer ontdekken zal ik het u laten weten.’

‘Mooi. Hou het in de gaten, doctor.’ Blaine knikte, en Whitbread verbrak de verbinding. De kapitein draaide zich om naar zijn Eerste Officier. ‘Laten we onze gegevens eens vergelijken met die van Buckman, Nummer Een.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Gedurende enkele minuten speelde Cargill met de bediening van de computer. ‘Kap’tein?’

‘Ja?’

‘Kijkt u eens naar die vertrektijd. Dat buitenaardse schip is niet veel later dan een uur nadat wij in de normale ruimte arriveerden, op weg gegaan.’

Blaine floot zachtjes voor zich heen. ‘Weet u dat zeker? Dat komt neer op tien minuten voor hen om ons te ontdekken, nog eens tien minuten voor ons om hén te ontdekken, en veertig minuten om alles klaar te maken en het schip te lanceren. Jack, wat voor soort schip is binnen veertig minuten klaar om op te stijgen?’

Cargill trok rimpels. ‘Geen schip waar ik ooit van gehoord heb. De Marine zou het wel kunnen, als het moest, door een schip volledig bemand, paraat en startklaar te houden…’

‘Precies. Als u het mij vraagt is dat een oorlogsschip, dat daar op ons afkomt, Nummer Een. Stel de Admiraal ervan in kennis en daarna Horvath. Whitbread, verbind me met Buckman.’

‘Ja?’ De astrofysicus zag er opgejaagd uit.

‘Doctor, ik wil alles weten wat uw mensen me over dat Splinterschip kunnen vertellen. En wel nu meteen. En wilt u uw gedachten ook nog eens laten gaan over die nogal eigenaardige acceleratiefactor?’ Buckman bestudeerde de getallen die Blaine naar zijn beeldscherm dirigeerde. ‘Dit lijkt me anders eenvoudig genoeg. Ze zijn veertig minuten na onze aankomst van Splinter Alpha of van een zich in een nauwe baan daaromheen bewegende maan opgestegen. Wat is het probleem?’

‘Als ze zo snel konden opstijgen, is het zo goed als zeker een oorlogsschip. We zouden graag iets anders willen geloven.’ Buckman klonk geërgerd. ‘Geloof wat u wilt, maar dan blijft er niets van die berekeningen over, kapitein. Of ze zijn binnen veertig minuten vertrokken, óf… tja, je zou er ook van uit kunnen gaan dat dat Splintervaartuig van een punt op iets meer dan twee miljoen kilometer dichter bij ons vertrokken is, gerekend vanaf Splinter Alpha; dan zouden ze meer tijd gehad hebben… maar daar geloof ik niet in.’

‘Ik al evenmin. Ik wil dat u zich hieromtrent zekerheid verschaft, dr. Buckman. Van welke veronderstelling zouden we kunnen uitgaan om hun meer tijd te geven voor het lanceren?’

‘Eens kijken… Ik ben niet gewend in mijn denken van raketaandrijvingen uit te gaan, weet u. Mijn terrein is eerder zwaartekrachtversnellingen, als u mij deze woordspeling niet kwalijk wilt nemen. Hmmm.’ Buckmans ogen namen een eigenaardige, nietsziende uitdrukking aan. Gedurende een ogenblik had hij iets van een zwakzinnige weg. ‘Je zou ervan uit moeten gaan dat ze een gedeelte van de reis zwevend in vrije val doorbrachten. En ook van een veel hogere acceleratie bij de start. Véél hoger.’

‘Hoeveel tijd voor het zweven?’

‘Verscheidene uren voor ieder uur dat u hen nodig gehad wilt laten hebben om tot een besluit tc komen. Maar, kapitein, ik begrijp niet waar u over inzit. Waarom zouden ze niet in veertig minuten tijds een wetenschappelijk observatieschip hebben kunnen lanceren? Waarom wilt u per se een oorlogsschip veronderstellen? De MacArthur is per slot van rekening beide, en zelf had u een onredelijk lange tijd nodig voor u klaar was om te vertrekken. Ik stond al dagen éérder klaar.’ Blaine zette hem af. Ik breek hem z’n magere kippenek nog eens, zei hij bij zichzelf. Dan zullen ze me weliswaar voor de krijgsraad sleuren, maar ik zal me op het plegen van een gerechtvaardigde moord beroepen. Ik zal iedereen laten dagvaarden die hem gekend heeft. Dan moéten ze me wel vrijspreken. Hij raakte enkele toetsen aan. ‘Nummer Een, wat maakt u ervan?’

‘Dat ze dat schip in veertig minuten tijd gelanceerd hebben.’

‘Zodat het dus een oorlogsschip moet zijn.’

‘Volgens de admiraal in elk geval wel, meneer. Dr. Horvath was daar niet van overtuigd.’

‘Ik ook niet, maar toch zullen we op alles voorbereid moeten zijn. En ook zullen we meer omtrent Splinterwezens te weten moeten zien te komen dan Horvaths mensen tot dusverre van onze passagier geleerd hebben. Nummer Een, ik wil dat u een van de sloepen neemt en een kijkje gaat nemen op die asteroïde waar onze gast vandaan kwam. Er zijn daar geen tekenen van activiteit te bespeuren, en het zou dus veilig genoeg moeten zijn. En verder wil ik precies weten wat dat Splinterwezen daar dééd. Misschien dat dat ons een aanwijzing oplevert.’

18. De stenen bijenkorf

Horace Bury keek naar de-dertig centimeter hoge Splintertjes, die achter het kippegaas aan het spelen waren. ‘Bijten ze soms?’ vroeg hij. ‘Tot dusverre hebben ze dat nog niet gedaan,’ antwoordde Horvath. ‘Zelfs niet toen de biotechnici bloedproeven van ze namen.’ Hij kon van Bury geen hoogte krijgen. Minister van Wetenschappen Horvath beschouwde zichzelf als een goed mensenkenner — toen hij van het beoefenen van de wetenschap overgestapt was naar de politiek had hij zich dat snel moeten aanleren — maar wat er in Bury’s hoofd omging kon hij niet doorgronden. Die vlotte glimlach was slechts het gezicht dat de Handelsman aan het publiek vertoonde; van daarachter sloeg hij de Splintertjes gereserveerd en zonder enige emotie gade, als God die een twijfelachtige creatie beoordeelde.

Allemachtig, wat zijn ze lelijk, dacht Bury. Wat jammer. Voor huisdier zouden ze niet deugen, tenzij — Hij onderdrukte die gedachte en deed een paar stappen naar voren om zijn hand door een opening in het kippegaas te steken, die net groot genoeg was voor een arm, maar niet voor een Splintertje. ‘Achter het oor,’ raadde Horvath aan.

‘Dank u.’ Bury vroeg zich af of er eentje op hem af zou komen om zijn hand te onderzoeken. De magerste van de twee deed dat inderdaad en Bury krieuwelde haar achter het oor, heel voorzichtig, want dat oor zag er teer en kwetsbaar uit. Maar ze scheen het prettig te vinden. Het zouden belabberde huisdieren zijn, dacht Bury weer, maar ze zouden duizenden per stuk opbrengen. Gedurende een poosje, tenminste. Totdat het nieuwtje eraf was. Het beste zou zijn ze op alle planeten tegelijk op de markt te brengen. Als ze zich in gevangenschap voortplanten, en als we ze van voedsel kunnen blijven voorzien, en als ik ze allemaal kwijtraak voor men ermee ophoudt ze te kopen ‘Allah zij ge —! Ze heeft m’n horloge te pakken!’

‘Ze zijn dol op werktuigen. Wellicht is u die zaklantaren opgevallen die we ze gegeven hebben.’

‘Dat interesseert me niet, Horvath. Hoe krijg ik mijn horloge terug? In Allah’s — Hoe kan dat bandje losgeraakt zijn?’

‘Steek uw hand naar binnen en pak het terug. Of nee, laat mij het maar proberen.’ Horvath probeerde het. Maar de afgeschoten ruimte was te groot, en het Splintertje was niet bereid het horloge weer af te staan. Horvath aarzelde. ‘Ik wil ze niet te veel verontrusten.’

‘Horvath, dat horloge is achthonderd kronen waard! Het geeft niet alleen de tijd en de datum aan, maar —’Bury zweeg even. ‘Nu ik eraan denk, het is ook schokbestendig. We adverteren dat, om een Chronos stil te laten staan, de schok groot genoeg zou moeten zijn om ook de eigenaar te doden. Ze kan er waarschijnlijk niet veel aan beschadigen. Het Splintertje zat het polshorloge met een ernstig en leergierig gezicht te bestuderen. Bury vroeg zich af of anderen haar manier van doen bekoorlijk zouden vinden. Geen huisdier dat zich zo gedroeg. Zelfs katten niet.

‘Heeft u televisiecamera’s op ze gericht?’

‘Vanzelfsprekend,’ zei Horvath.

‘Mijn firma zal dit stukje misschien willen kopen. Voor reclamedoeleinden.’ Dat is alvast één stap in de goede richting, dacht Bury. En nu was er een Splinterschip op weg hierheen, en Cargill ging ergens naartoe met een van de sloepen. Hij hoefde er niet op te rekenen dat hij Cargill zou kunnen uithoren, maar Buckman ging met hem mee. Misschien dat al die koffie die de astrofysicus dronk toch nog een tegenprestatie zou opleveren…

Om de een of andere vreemde reden bedroefde die gedachte hem.

De kapiteinssloep was het grootste van de vaartuigen die zich in de hangarruimte bevonden. Ze was erop ingericht om meer personen te vervoeren en in opgeborgen toestand paste haar platte bovenkant precies tegen een van de vlakke wanden van het hangardek. Ze had haar eigen toegangsluiken door middel waarvan de luchtsluizen van de sloep rechtstreeks verbonden konden worden met de bewoonbare gedeelten van de MacArthur, want het hangardek werd doorgaans luchtledig gehouden.

De kapiteinssloep bezat geen Langston-veldgenerator en ook geen Alderson-aandrijving. Maar haar aandrijving was doelmatig en krachtig, en ze had een aanzienlijke brandstofcapaciteit, zelfs zonder extra tanks buiten aan de romp. Het hitteschild langs haar neus was goed voor één (1) terugkeer binnen een met die van de Aarde vergelijkbare atmosfeer, bij snelheden tot twintig kilometer per seconde, of voor meer van zulke landingen, mits die wat langzamer uitgevoerd werden. Ze was berekend op een bemanning van zes koppen, maar als het moest konden er meer in. Ze kon van planeet naar planeet vliegen, maar was niet geschikt voor interstellaire reizen. Telkens weer opnieuw hadden ruimtevaartuigen die zelfs nog kleiner waren dan de kapiteinssloep van de MacArthur geschiedenis gemaakt.

Zes mannen gebruikten haar momenteel als slaapvertrek. Een van hen was er inmiddels alweer uitgegooid om plaats te maken voor Crawford, toen Crawford uit zijn hut geschopt was om plaats te maken voor een driearmig buitenaards wezen.

Cargill grijnsde toen hij dat zag. ‘Ik neem Crawford mee,’ besloot hij. ‘Het zou ’n schande zijn hem wéér te laten verhuizen. En Lafferty als stuurman. En drie Mariniers…’ Hij boog zich over zijn bemanningslijstje. ‘En van de cadetten neem ik Staley mee.’ Die zou blij zijn met de kans te laten zien wat hij waard was, en raakte nooit zijn evenwichtige kalmte kwijt wanneer je hem iets opdroeg.

Het inwendige van de sloep was schoon en keurig gepoetst, maar de wand aan bakboordzijde vertoonde sporen van Sinclairs geïmproviseerde reparaties, daar waar de laserkanonnen van de Defiant het hitteschild hadden weten te penetreren; zelfs op de grote afstanden waarop de sloep de strijd placht aan te binden, was de schade aanzienlijk geweest.

Cargill spreidde zijn hebben en houden uit in de enige afgezonderde ruimte die de sloep rijk was, en liet de verschillende mogelijkheden die zijn vliegplan toeliet de revue passeren. Gezien de afstand zouden ze de hele reis onder een acceleratie van drie gees kunnen doen. In de praktijk zou het waarschijnlijk eerder één gee heen, en vijf gees terug worden. Dat er op die rotsklomp geen fusie-installatie was, wilde nog niet zeggen dat hij onbewoond was.

Jack Cargill herinnerde zich de snelheid waarmee het Splinterwezen zijn grote koffiemachine uit elkaar had gehaald en weer in elkaar had gezet. En zonder zelfs meer te weten hoe koffie behoorde te smaken! Zouden ze soms al verder dan fusie zijn? Hij liet zijn spullen voor wat ze waren en trok een drukpak aan; een nauwsluitend, geweven kledingstuk dat net poreus genoeg was om het uitwasemen van transpiratie mogelijk te maken. Het had een zelfregelende temperatuurbewaking, en dit, gevoegd bij dat strak geweven weefsel, stelde zijn huid in staat, weerstand te bieden aan de ruimte. De helm werd bevestigd op een ringvormige kraag, die hermetisch afsloot. Bij gevechtshandelingen kwam er nog eens een zwaar pantser over die hele troep heen, maar voor inspecties was dit goed genoeg.

Van buitenaf viel er niets van schade of van reparaties te zien. Een deel van het hitteschild hing onder de neus van de sloep omlaag als een reusachtige schep, waarboven de doorzichtige koepel van de cockpit, enkele vensters en ook de tuitvormige opening van het laserkanon zichtbaar waren, dat de hoofdbewapening van de sloep vormde. Tijdens gevechtshandelingen bestond de voornaamste taak van de sloep uit het verrichten van waarnemingen en het uitbrengen van rapporten. Soms probeerde zo’n sloep ook wel eens een verblind vijandelijk oorlogsschip te besluiten voor een torpedoaanval. Maar tegen de niet door een Veld beschermde Splinterschepen zou dat kanon meer dan toereikend zijn.

Cargill inspecteerde de bewapening van de sloep met meer grondigheid dan gewoonlijk. Hij was al zover dat hij de Splinterwczens vreesde. Daarin stond hij nagenoeg alleen, maar dat zou niet al te lang meer zo blijven.

Het tweede buitenaardse schip was groter dan het eerste, maar schattingen van de massa ervan lieten een hoge mate van speelruimte toe, aangezien die afhingen van de acceleratie (bekend), het brandstofverbruik (af te leiden van de temperatuur van de aandrijving), de arbeidstemperatuur (af te leiden van het uitstralingsspcctrum waarvan het hoogste punt zich in het gebied van de zachtere röntgenstralen bevond) en het nuttig vermogen (zuiver een kwestie van gissingen). Wanneer je het allemaal bij elkaar voegde kreeg je een massa die veel te klein leek: ongeveer groot genoeg voor een slechts door drie personen bemand vaartuig.

‘Maar het zijn geen mensen,’ bracht Renner te berde. ‘Vier Splinters wegen evenveel als als twee mensen, maar ze hebben minder ruimte nodig. En we weten niet wat voor apparatuur ze aan boord hebben, of bewapening, of bepantsering. Ze schijnen niet bang te zijn voor dunne wanden, en dat stelt hen in de gelegenheid, grotere cabines te bouwen—’

‘Oké,’ onderbrak Rod hem. ‘Als u het niet weet, zeg dat dan gewoon.’

‘Ik weet het niet.’

‘Dank u,’ zei Rod geduldig. ‘Is er misschien ook iets, waar u wél zeker van bent?’

‘Ja, vreemd genoeg wel, meneer. Die acceleratie van ze. Die is tot op drie decimalen constant gebleven sinds we het schip voor het eerst gezien hebben. En dat is vreemd,’ zei Renner. ‘Normaal gesproken scharrel je met de aandrijving om er steeds het beste rendement uit te halen, je corrigeert kleine afwijkingen in je koers… en als je dat niet doet, zijn er toch nog altijd schommelingen. Om die acceleratie dermate constant te houden, moeten ze er voortdurend aan zitten te prutsen. Rod wreef over de rug van zijn neus. ‘Het is een teken. Ze laten ons precies weten waar ze naartoe gaan.’

‘Ja, meneer. Hier naartoe. Ze beduiden ons op ze te wachten.’ Renner had weer zo’n vreemde, woeste grijns op zijn gezicht. ‘O, en we weten ook nog iets anders, kap’tein. Het profiel van de dwarsdoorsnede van het schip is geslonken sinds we het voor het eerst zagen. Waarschijnlijk hebben ze een aantal reservetanks afgeworpen.’

‘Hoe hebt u dat kunnen zien? Moet het object daarvoor niet voor de zon langs gaan?’

‘Doorgaans wel, ja. Maar hier zit de Kolenzak op de achtergrond. En er weerkaatst genoeg licht van de Kolenzak om ons een goede indruk te geven van de omvang van dat schip in dwarsdoorsnee. Zijn de kleuren van de Kolenzak u dan niet opgevallen, kap’tein?’

‘Nee.’ Blaine wreef weer langs zijn neus. ‘Ballasttanks doen niet bepaald aan een oorlogsschip denken, vindt u wel? Maar het biedt niet voldoende houvast. Het zegt ons alleen maar dat ze haast hebben.’

Staley en Buckman hadden achterin de driehoekige cockpit van de sloep plaats genomen. Toen de sloep zich onder een acceleratie van één gee losmaakte van het moederschip keek Staley om en zag hoe het Veld van de MacArthur zich achter hen sloot. Tegen de zwarte achtergrond van de Kolenzak was het net alsof de slagkruiser plotseling onzichtbaar werd; nu was er niets anders meer om naar te kijken dan de hemel.

De helft van die hemel werd beslagen door de Kolenzak, waarin zich geen sterren bevonden met uitzondering van één enkele hete roze stip, enkele graden binnenwaarts van de rand. Het was alsof het heelal daar ophield. Net een muur, dacht Horst.

‘Moet je dat nou eens zien,’ zei Buckman, en Horst schrok op. ‘Er zijn mensen op Nieuw-Schotland die dat het Gezicht van God noemen. De bijgelovige idioten!’

‘Zo is het,’ zei Horst. Bijgeloof was dwaasheid.

‘Van hier ziet het er helemaal niet uit als een man en is het zelfs tienmaal mooier! Ik wou dat de man van m’n zuster dit eens kon zien. Die is lid van de Kerk van Hem.’ Horst knikte in het halfduister.

De Kolenzak was, bezien vanaf onverschillig welke van de bekende menselijke werelden, een zwart gat in de hemel. Je zou verwachten dat hij ook hier zwart zou zijn. Maar nu Horsts ogen zich begonnen aan te passen, zag hij hier en daar sporen van rood binnenin de Kolenzak gloeien. Nu leek het materiaal waaruit de nevel bestond eerder op een serie achter elkaar hangende gordijnen van doorzichtig gaas, of op een bloedvlek die zich verspreidt in water. Hoe langer hij ernaar keek, des te dieper kon hij erin zien. Draaikolken en spiraalvormen en allerlei uitvloeiingspatronen waren lichtjaren ver weg zichtbaar in het vacuüm-dunne stof en gas.

‘Dat ik nou juist opgescheept moet zitten met een zwager die Hemmist is! Kunnen jullie het je voorstellen? Ik heb geprobeerd de dwaas een en ander bij te brengen,’ zei Buckman kernachtig, ‘maar hij wil eenvoudig niet naar me luisteren.’

‘Ik geloof niet dat ik ooit een mooiere hemel gezien heb. Doctor Buckman, is al dat licht van Murchesons Oog afkomstig?’

‘Je zou het niet voor mogelijk houden, hè? We hebben geprobeerd er andere bronnen voor te vinden, zoals fluorescentie, of ultraviolette sterren die ergens diep in het stof verborgen zouden moeten zijn, of iets in die geest. Maar als er zich daarbinnen iets van massa bevonden had, zouden we het gevonden hebben met onze massa-indicators. Maar zó onwaarschijnlijk is het nou ook weer niet, Staley. Het Oog is niet zo erg ver van de Kolenzak.’

‘Nog altijd een paar lichtjaren.’

‘Nou, en wat dan nog? Licht kan nog wel grotere afstanden afleggen, zolang het maar niet belemmerd wordt!’ Buckmans tanden glinsterden in het zwakke, veelkleurige licht van het instrumentenbord. ‘Murcheson heeft destijds een gouden kans voorbij laten gaan door de Kolen-zak niet te bestuderen toen hij daartoe in de gelegenheid was. Natuurlijk zat hij aan de verkeerde kant van het Oog, en waarschijnlijk heeft hij zich niet erg ver van het doorbraakpunt in de normale ruimte durven wagen… maar voor ons is dat een geluk, Staley! Zo’n kans als dit heeft zich nog nooit voorgedaan! Een dikke interstellaire massa, met een rode superreus precies aan de rand ervan om voor de nodige belichting te zorgen! Kijk, kijk eens langs mijn arm, Staley, naar waar die stromingen in de richting van die spiraal vloeien. Net een draaikolk, hè? Als jullie kapitein eens ophield met z’n duimen te draaien, en als hij me toegang verschafte tot de scheepscomputer, zou ik kunnen bewijzen dat die draaikolk een protoster is, die bezig is te condenseren!

Of dat-ie dat niet is.’

Buckman mocht dan een tijdelijke rang hebben die hoger was dan die van Staley, hij was toch nog altijd een burger. En in ieder geval behoorde hij zich niet zo over de Kapitein uit te laten. ‘We hebben de computer voor andere dingen nodig, dr. Buckman.’

Buckman liet Staleys arm los. ‘Voor veel te veel dingen, verdomme.’ Zijn ogen schenen zich in de verte te verliezen; zijn ziel ging helemaal op in die onmetelijke sluier van roodverlichte duisternis. ‘Maar misschien hebben we dat ding niet nodig. Die Splinterwezens moeten de Kolenzak al gedurende hun hele bestaansgeschiedenis geobserveerd hebben; honderden jaren lang, misschien wel duizenden. En speciaal als ze een of andere pseudo-wetenschap als astrologie ontwikkeld hebben. Als we met hen zouden kunnen praten…’ Zijn stem stierf weg. Staley zei: ‘We vroegen ons af waarom u zo graag met ons mee wilde.’

‘Wat? Om een pleziertochtje te maken naar zo’n rotsklomp zeker? Staley, het interesseert me niet waarvoor die Splinter dat ding gebruikte. Ik wil alleen maar weten waarom die Trojaanse punten zo volgepakt zitten.’

‘Denkt u dat we daar aanwijzingen voor zullen vinden?’

‘Misschien wel ja, in de samenstelling van het gesteente. Laten we het hopen.’

‘Wat dat betreft kan ik u misschien wel behulpzaam zijn,’ zei Staley peinzend. ‘Sauron — mijn thuisplaneet — heeft een asteroïdengordel en een mijnbouwindustrie. Van mijn ooms heb ik wat van het delven van gesteenten geleerd. Ik dacht er destijds over zelf nog eens mijnwerker te worden.’ Hij zweeg plotseling, want hij verwachtte dat Buckman daarin aanleiding zou zien een onaangenaam onderwerp ter sprake te brengen.

Maar alles wat Buckman zei was: ‘Ik vraag me af wat de Kapitein daar denkt te vinden?’

‘Dat heeft hij me verteld. We weten eigenlijk maar één ding van die rotsklomp af,’ zei Staley. ‘Namelijk dat een Splinterwezen er belang in stelde. Als we eenmaal weten waarom, zullen we ook iets van Splinterwezens begrijpen.’

‘Niet al te veel,’ gromde Buckman.

Staley ontspande zich. Of Buckman wist niet waarom Sauron berucht was, óf… maar nee. Buckman tactvol? Vergeet het maar.

Vijf uur nadat de sloep van de MacArthur naar de asteroïde vertrokken was, werd het Splinterjong geboren. De bevalling had opvallend veel weg van die van een hond, de wel zeer oppervlakkige overeenkomst van de moeder met een hond in aanmerking genomen. Er was alleen maar dat ene jong, dat ongeveer de afmetingen van een rat had. De kantine was die dag bijzonder in trek, naarmate steeds meer bemanningsleden, officieren, wetenschappers, en zelfs de aalmoezenier de een na de ander een excuus wisten te vinden om even een kijkje te komen nemen.

‘Moet je zien hoeveel kleiner de onderste linkerarm is,’ zei Sally. ‘We hebben het bij het rechte eind gehad, Jonathon. Die kleintjes stammen van de grotere Splinterwezens af.’

Iemand kwam op het idee het grote Splinterwezen mee te tronen naar de kantine. Het nieuwe miniatuur-Splintertje scheen haar niet de geringste belangstelling in te boezemen, maar wel maakte ze geluiden tegen de anderen. Een van hen groef Horace Bury’s horloge op van onder een hoofdkussen en gaf het haar.

Rod sloeg de drukte rond het Splinter jong gade, telkens wanneer hij daar even tijd voor had. Voor een pasgeborene scheen het in hoge mate ontwikkeld te zijn; binnen enkele uren na zijn geboorte zat het al aan koolstronken te knabbelen en ook scheen het al te kunnen lopen, hoewel de moeder het doorgaans op één stel armen met zich meedroeg, waarbij ze zich snel voortbewoog en er nauwelijks door belemmerd werd.

Inmiddels kwam het Splinterschip steeds dichterbij; en als er al enige verandering in zijn acceleratie was gekomen, dan was die toch te klein om door de instrumenten van de MacArthur geregistreerd te kunnen worden.

‘Over zeventig uur zijn ze hier,’ deelde Rod Cargill per laserbericht mee. ‘En over zestig uur wil ik jullie hier terug hebben. Laat Buckman nergens aan beginnen wat hij niet binnen die tijdlimiet klaar kan krijgen. Als je soms buitenaardse wezens ontmoet, laat het me dan snel weten — en probeer niet met ze te praten, tenzij het niet anders kan.’

‘Tot uw orders, schipper.’

‘Dat zijn niet mijn orders, Jack. Ze zijn van Kutuzov afkomstig. Hij is niet erg blij met deze excursie. Bekijk die steenklomp en kom dan meteen terug.’

Die steenklomp bevond zich op dertig miljoen kilometer afstand van de MacArthur, wat bij een acceleratie van één gee een reis van vijfentwintig uur heen en vijfentwintig uur terug betekende. ‘We zouden de versnelling kunnen opvoeren tot anderhalve gee, meneer,’ stelde hij Cargill voor. ‘Niet alleen zou de reis korter duren, maar ook zouden we sneller vermoeid raken en minder bewegen, waardoor het hier in de sloep minder benauwd en vol zou lijken.’

‘Magnifiek,’ zei Cargill enthousiast. ‘Een briljant voorstel, meneer Staley.’

‘Dus dat doen we dan?’

‘Nee, dat doen we niet.’

‘Maar — waarom niet, meneer?’

‘Omdat ik niet van extra gees houd. En omdat het veel brandstof kost en de MacArthur als we te veel gebruiken misschien een duik in die gasreus zal moeten nemen om ons weer heelhuids thuis te krijgen. Verspil nóóit brandstof, meneer Staley. Je zou die nog wel eens nodig kunnen hebben. En bovendien is het een onzinnig idee.’

‘Ja, meneer.’

‘Onzinnige ideeën zijn goed voor noodsituaties. Die gebruik je alleen maar als er geen andere uitweg meer overblijft. Als ze slagen, komen ze in het Handboek te staan. Maar in alle andere gevallen hóu je je aan het Handboek, dat hoofdzakelijk uit een verzameling onzinnige ideeën bestaat die succes opgeleverd hebben.’

Van een afstand zag de asteroïde er donker, ruw, en poreus uit. Zij had een omwentelingstijd van eenendertig uur, wat volgens Buckman vreemd traag was. Er viel geen teken van enige activiteit te bespeuren: niets bewoog zich, er waren geen uitstralingen en ook geen afwijkingen in de neutrinostroom. Horst Staley zocht naar variaties in de temperatuur, maar die waren er niet.

‘Daarmee staat voor mij vast, dat dat ding onbewoond is,’ rapporteerde hij. ‘Een levensvorm die op Splinter Alpha geëvolueerd was zou warmte nodig hebben, nietwaar, meneer?’Ja.’

De sloep daalde. Stippels die de steenklomp van een afstand poreus hadden doen lijken, veranderden in pokken en toen in gapende openingen van willekeurige afmetingen. Kennelijk meteoorkraters. Maar zo veel?

‘Ik zei jullie toch al, dat die Trojaanse punten volgepakt zaten,’ zei Buckman opgetogen. ‘Waarschijnlijk gaat deze asteroïde regelmatig door het dichtste gedeelte van die Trojaanse zwerm heen… maar haal die grote put daar eens wat dichterbij, Cargill.’

Een tweemaal sterkere vergroting had ten gevolge dat het beeldscherm thans voor de helft in beslag genomen werd door een reusachtig zwart gat. Eromheen waren kleinere gaten zichtbaar. ‘Geen teken van een kraterrand te bekennen,’ zei Cargill.

‘Dat is u dus ook opgevallen, hè? Dat verdomde ding is hol. Daarom had het zo weinig massa. Nou, het is momenteel in elk geval niet bewoond, maar eens moet het dat wel geweest zijn. Ze hebben zich zelfs de moeite getroost het ding een comfortabele rotatie te geven.’ Buckman draaide zich om. ‘Cargill, we zullen dat ding eens gaan onderzoeken.’

‘Ja, maar u niet. Ik laat alleen een ploeg van marinemensen aan boord van dat rotsblok gaan.’

‘Maar dit behoort tot mijn arbeidsterrein, verdomme!’

‘En uw veiligheid behoort tot het mijne, doctor. Lafferty, breng ons naar de andere kant van deze steenklomp.’

De achterkant van de asteroïde was één reusachtige, komvormige krater.

‘En bezaaid met kleinere kratertjes… maar dat zijn wel degelijk kraters en geen gaten,’ zei Cargill. ‘Doctor, wat maakt u daaruit op?’

‘Geen flauw idee. Tenminste, niet als het een natuurlijke formatie is —’

‘Ze hebben het hierheen gebracht!’ riep Staley uit. ‘Vreemd genoeg is dat precies wat ik ook net zat te denken,’ zei Cargill. ‘Ze hebben die asteroïde verplaatst met behulp van atoombommen die ze achtereenvolgens in de zelfde krater tot ontsteking hebben gebracht om de explosies in bepaalde banen te kunnen leiden. Dat is al eerder vertoond. Cadet, meet de uitstraling eens op.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Hij verdween en een minuut later was hij weer terug. ‘Niets, meneer. Volkomen koud.’

‘Is ’t waarachtig?’ Cargill liep weg om zich er zelf van te gaan overtuigen. Toen hij daarmee klaar was, keek hij met een frons op zijn gezicht naar zijn instrumenten. ‘Zo koud als het hart van een piraat. Als ze er bommen voor gebruikt hebben, moeten die verdomd „schoon” geweest zijn. Maar eigenlijk zou me dat niets verbazen.’ De sloep cirkelde verder om de vliegende berg heen. ‘Dat zou wel eens een luchtsluis kunnen zijn. Daar.’ Staley wees naar een boven het oppervlak uitstekend stenen deksel dat zich in het middelpunt van een soort boogschuttersdoelwit bevond, waarvan de oranje verfringen al niet erg duidelijk meer te zien waren. ‘Ja, maar ik betwijfel of het ons lukken zou het open te krijgen. We zullen door een van de meteoorkraters naar binnen gaan. Maar… we zullen het ding toch eens bekijken. Landen maar, Lafferty.’

In hun rapporten zouden ze het de Bijenkorf-asteroïde noemen. De rotsklomp was van binnen een en al veelkantige vertrekken zonder vloeren, onderling verbonden door tunnels die te klein waren om een man door te laten. Overal troffen ze uitgedroogde asymmetrische mummies aan. Welke wonderen de bouwers ervan ook verricht mochten hebben, het scheppen van een kunstmatige zwaartekracht had daar niet toe behoord. De gangen gingen alle kanten uit. De grotere vertrekken en opslagruimten vertoonden overal uitsteeksels die voor houvast moesten dienen, bevestigingspunten voor touwen of kabels, en nissen om dingen in op te bergen.

De mummies zweefden overal rond, uitgeteerd en verdroogd, en met wijd opengesperde monden. Ze varieerden in lengte van één tot anderhalve meter. Staley koos er verscheidene van uit en liet die aan boord van de sloep brengen.

Er bevonden zich ook machines, die voor Staley en zijn mannen allemaal even onbegrijpelijk waren, en die allemaal verankerd zaten in vacuiimbeton. Staley liet een van de kleinere machines uit de wand breken. Bij zijn keuze daarvan liet hij zich leiden door de eigenaardigheid ervan en niet door de eventuele bruikbaarheid; geen enkele van de machines was compleet. ‘Geen stukje metaal,’ rapporteerde Staley. ‘Stenen vliegwielen en dingen die eruitzien alsof het geïntegreerde circuits zouden kunnen zijn — porselein met onzuiverheden en meer van dat soort dingen. Maar praktisch geen metaal, meneer.’ Op goed geluk gingen ze verder. Ten slotte bereikten ze een centraal vertrek. Het was gigantisch van afmetingen en hetzelfde gold voor de machine die hier een overheersende plaats innam. Uit de ravage ervan liepen kabels ergens heen, die eruitzagen alsof het supergeleiders geweest konden zijn. Dit gaf Staley de overtuiging dat dit de centrale krachtbron voor de asteroïde was geweest, maar het ding vertoonde geen enkel residu van uitstraling.

Ze wurmden zich door nauwe gangetjes heen en tussen onbegrijpelijke blokken steen door, en stuitten op een grote, metaalachtige kist. ‘Snij daar eens in,’ beval Staley.

Lafferty gebruikte zijn snijlaserapparaat. Ze stonden eromheen en zagen hoe de smalle groene straal geen kans zag door het zilverachtige omhulsel heen te dringen. Waar bleef die energie? vroeg Staley zich af. Zou die soms door dat ding geabsorbeerd worden? Een gevoel van warmte op zijn gezicht deed hem het antwoord vermoeden. Hij haalde er een thermometer bij en mat de temperatuur. Het gehele omhulsel was overal heet genoeg om nog net niet roodgloeiend te zijn. Toen Lafferty het laserapparaat uitschakelde koelde het omhulsel snel af; maar tijdens het afkoelen bleef de temperatuur op alle punten gelijk.

Een supergeleider van warmte dus. Staley floot bedenkelijk in de microfoon van zijn ruimtepak en vroeg zich af of hij ergens een kleiner monster zou kunnen vinden om mee te nemen. Toen probeerde hij het omhulsel met een buigtang — en het boog even gemakkelijk om als blik. Toen hij er met de tang aan trok, liet een stuk ervan los. Vervolgens scheurden ze er met hun gehandschoende handen hele lappen van los.

Het was onmogelijk de Bijenkorf met zijn nauwe, bochtige gangen in kaart te brengen. Het was moeilijk uit te maken waar ze zich bevonden; maar onder het gaan lieten ze een spoor van merktekens achter, en ze bedienden zich van proton-straalinstrumenten om de dikte van de wanden te meten.

De wanden van de gangen waren door het hele binnenste van de asteroïde overal zo dun als eierschalen. En de buitenwanden waren al niet veel dikker. De Bijenkorf-asteroïde kon bepaald geen veilig oord geweest zijn om in te wonen.

Maar de wand onder de grote krater was vele meters dik.

Het stralingsgevaar, dacht Staley. Er moest een residu van nucleaire uitstraling geweest zijn. Anders zouden ze deze wand net zo diep uitgehouwen hebben als ze met alle andere wanden gedaan hadden om zich ruimte te verschaffen.

Er moest hier een niet te stuiten bevolkingsexplosie plaatsgehad hebben.

En toen had iets ze allemaal uitgeroeid.

En nu viel er geen enkele uitstraling meer te bespeuren. Hoe lang geleden zou dat alles gebeurd zijn? De asteroïde was doorzeefd met kleine meteoorgaten; ook de wanden zaten vol gaten. Hoe lang geleden?

Staley keek peinzend naar het kleine, zware voortbrengsel van de Splinterbeschaving dat Lafferty en Sohl op dat ogenblik bezig waren door de gangen naar buiten te sleuren. Een methode om beton te storten in een vacuüm — en het zich verplaatsen van elementaire deeltjes van de ene kant van een oppervlak naar de andere. Daaruit zouden de wetenschappers aan boord van de MacArthur misschien kunnen afleiden hoe lang de Bijenkorf-asteroïde al verlaten was; maar één ding wist hij nu al. Dit ding was oud.

19. De populariteit van Kanaal Twee

Aalmoezenier David Hardy sloeg de miniatuurtjes uitsluitend via de intercom gade, want op die manier kon hij zich onttrekken aan het eindeloze gespeculeer over wat de Splintertjes nu eigenlijk waren. Voor Horvath en zijn mensen was dit een kwestie van wetenschappelijk belang; maar voor aalmoezenier Hardy stond er meer dan intellectuele nieuwsgierigheid op het spel. Zijn opgave was vast te stellen of Splinterwezens menselijk waren. Horvaths wetenschapsmensen vroegen zich alleen maar af of ze intelligent waren.

De laatste vraag ging natuurlijk aan de eerste vooraf. Het was onwaarschijnlijk dat God wezens geschapen zou hebben die wel een ziel bezaten, maar geen intelligentie; maar het was wel degelijk mogelijk dat Hij intelligente wezens geschapen had, die geen ziel bezaten, of wezens, wier verlossing alleen maar bewerkstelligd kon worden op manieren die totaal verschilden van die, welke voor de mensheid golden. Ze zouden zelfs een vorm van engelen kunnen zijn, hoewel je je moeilijk een onwaarschijnlijker stel engelen zou kunnen voorstellen. Hardy grinnikte bij die gedachte en keerde weer terug tot zijn studie van de miniatuurtjes. Het grotere Splinterwezen sliep.

De miniatuurtjes deden momenteel ook al niet veel interessants. Het was trouwens niet nodig dat Hardy ze voortdurend gadesloeg. Alles werd toch geholografeerd en aangezien hij de taalkundige van de MacArthur was, zouden ze Hardy er wel van in kennis stellen als er iets gebeurde. Hij was er inmiddels al van overtuigd geraakt dat de miniatuurtjes noch intelligent, noch menselijk waren. Hij slaakte een diepe zucht. Wat is de mens, dat Gij hem indachtig zijt, o Heer? En waarom zit ik met het probleem vast te stellen welke plaats Splinters innemen in Uw bestel? Tja, dat laatste was tenminste gemakkelijk te beantwoorden. Het gissen naar de beweegredenen van God is een spel dat al zeer, zeer lang gespeeld wordt. Op papier was hij de beste man voor dit karweitje, tenminste zeer zeker voor wat de Trans-Kolenzak-Sector betrof.

Hardy was vijftien jaar priester geweest en sedertdien was hij nu al twaalf jaar aalmoezenier bij de Marine, maar pas nu begon hij dit zo langzamerhand als zijn eigenlijke roeping te beschouwen. Op vijfendertigjarige leeftijd was hij een volledig bevoegd hoogleraar aan de Keizerlijke Universiteit op Sparta, een expert op het gebied van de oude en moderne menselijke talen, en de esoterische kunst die men taalkundige archeologie pleegt te noemen. Doctor David Hardy was er gelukkig mee geweest de bakermat van onlangs herontdekte koloniën die eeuwenlang geïsoleerd waren gebleven, vast te stellen. Door hun talen en de woorden die ze voor alledaagse voorwerpen gebruikten te bestuderen, kon hij vaststellen uit welk deel van de ruimte de oorspronkelijke kolonisten afkomstig waren geweest. Doorgaans kon hij daarvan de planeet, en zelfs de stad bepalen.

Alles aan de Universiteit was hem bevallen, behalve de studenten. Hij was nooit bepaald godsdienstig geweest, totdat zijn vrouw de dood gevonden had bij het neerstorten van een landingsvaartuig; toen, en hij was er zelfs nu nog niet zeker van hoe dat eigenlijk in zijn werk gegaan was, was de Bisschop hem komen opzoeken, en had hij een lange en onderzoekende blik op zijn leven geworpen — om vervolgens in het seminarie te gaan. Zijn eerste aanstelling na zijn inwijding was een rampzalige periode als zielenherder voor studenten geweest. Het was een fiasco geworden. De Marine had aalmoezeniers nodig, en kon altijd taalkundigen gebruiken…

En nu, op tweeënvijftigjarige leeftijd, zat hij voor het beeldscherm van een intercom naar vierarmige monsters te kijken, die met koolstronken speelden. Onder zijn linkerhand lag een Latijns kruiswoordraadsel op zijn schrijftafel en loom liet hij zijn gedachten daarover gaan. Domine, non — sum…

‘Dignis, natuurlijk.’ Hardy grinnikte bij zichzelf. Precies wat hij tegen de kardinaal gezegd had, toen die hem de opdracht gegeven had de expeditie naar de Splinter te vergezellen. ‘Heer, ik ben het niet waardig…

‘Dat zijn we geen van allen, Hardy,’ had de kardinaal gezegd. ‘Maar ja, we zijn het priesterschap ook niet waardig, en daar steekt meer verwaandheid in dan erop uit te gaan om een stel buitenaardse wezens te bekijken.’

‘Ja, Eminentie.’ Hij wierp weer een blik op het kruiswoordraadsel. Dat was op het ogenblik interessanter dan die buitenaardse wezens.

Rod Blaine zou het daar niet mee eens geweest zijn, maar de kapitein was nu eenmaal niet zo vaak in de gelegenheid om die speelse kleine schepseltjes gade te slaan als de aalmoezenier. Hij had werk te doen, maar voor het ogenblik kon dat nog wel even blijven liggen. Hardnekkig en aanhoudend klonk het oproepsignaal van de intercom in zijn kajuit, en de miniatuurtjes verdwenen om plaats te maken voor het gladde, ronde gezicht van zijn schrijver. ‘Doctor Horvath staat erop u te spreken.’

‘Verbind hem maar door,’ zei Rod.

Zoals gewoonlijk was Horvaths manier van doen een en al formele jovialiteit. ‘Goede morgen, kapitein. We beschikken thans over onze eerste opnamen van het buitenaardse schip. Ik dacht dat dat u wel interesseren zou.’

Het beeld deelde zich in tweeën met Horvaths gezicht in de ene helft en een wazige schaduw in de andere. Die schaduw was lang en smal, aan het ene uiteinde breder dan aan het andere, en hij scheen doorschijnend te zijn. Het smalle uiteinde eindigde in een dunne angel. ‘We hebben deze opname weten te maken toen het buitenaardse schip halverwege de reis om zijn breedteas draaide. Vergroting en storingseliminatie hebben dit resultaat opgeleverd, en met iets beters zullen we niet voor de dag kunnen komen totdat ze langszij zijn.’ Natuurlijk niet, dacht Rod. Het schip zou nu met zijn aandrijving naar de MacArthur toegekeerd zijn.

‘Die angel is waarschijnlijk de fusieaandrijving van de Splinterwezens.’ Er verscheen plotseling een lichtende pijl in het beeld. ‘En deze groeperingen aan de voorkant — Wacht, ik zal u even een dichtheidspatroon laten zien.’

Het dichtheidspatroon gaf een potloodvormige schaduw te zien, omringd door een rij veel bredere, bijna onzichtbare, bolronde halve cirkels. ‘Ziet u? Een harde binnenste kern, gebruikt voor de lancering. We kunnen wel ongeveer raden wat zich daarbinnen bevindt: de fusiemotor, en het lucht- en water-verversingscompartiment voor de bemanning. We nemen aan dat dat gedeelte onder een hoge versnelling gelanceerd is door middel van een lineaire accelerator.’

‘En die ringen?’

‘Opzwelbare brandstoftanks, denken we. Sommige ervan zijn nu leeg, zoals u zien kunt. Misschien hebben ze die behouden om ze als extra leefruimte te gebruiken. Er zijn er ongetwijfeld nog meer geweest, die ze geloosd hebben.’

‘Uh huh.’ Rod bestudeerde het silhouet, terwijl Horvath hem vanuit de andere helft van het beeldscherm gadesloeg. Ten slotte zei Rod: ‘Doctor, die brandstoftanks kunnen zich onmogelijk aan het schip bevonden hebben toen het gelanceerd werd.’

‘Inderdaad. Wellicht hebben ze die afzonderlijk gelanceerd om ze naderhand aan dat kerngedeelte te koppelen. Door het ontbreken van passagiers zouden ze die een veel hogere acceleratie gegeven kunnen hebben.’

‘In een lineaire accelerator? Die tanks zien er anders niet metaalachtig uit.’

‘Uh — nee. Ze schijnen inderdaad geen metaal te bevatten.’

‘En die brandstof móét wel waterstof zijn, nietwaar? Dus hoe zouden ze die hebben moeten lanceren?’

‘We… weten het niet.’ Horvath aarzelde weer. Misschien hadden ze een metalen kern. En hebben ze die ook geloosd.’

‘Hmm. Goed. Dank u wel.’

Na enig denken liet Rod de foto’s via de intercom op alle beeldschermen van het schip verschijnen. Bijna alles aan boord gebeurde via de intercom, die de MacArthur tot bibliotheek, vermaakscentrum en communicatiemiddel diende. Er was één kanaal op de intercom waarop je tussen alarmtoestanden in, of tijdens een gevechtspauze van alles te zien kon krijgen. Amusementsprogramma’s in blik. Schaaktoernooien. Spatbalwedstrijden tussen de kampioenen van iedere wacht. Of zelfs een toneelopvoering, als de bemanning tenminste zó weinig om handen had dat ze daar tijd voor hadden, en dat gebeurde wel eens, bijvoorbeeld als ze dienst deden als blokkadeschip. In de kantine was het buitenaardse schip natuurlijk het voornaamste onderwerp van gesprek.

‘D’rr zijn schaduwen te zien in gindse holle rringen,’ stelde Sinclair vast. ‘En ze bewegen.’

‘Passagiers. Of meubilair, misschien,’ zei Renner. ‘Dat betekent dat op z’n minst de voorste vier compartimenten als leefruimte gebruikt worden. En dat betekent dat er wel eens een massa Splinters in zouden kunnen zitten.’

‘En vooral’, zei Rod, die net binnen kwam, ‘als alles zo dicht op elkaar gepakt zit als in dat schip van die mineralenzoekster. Gaat u maar zitten, heren. Laat u door mij niet storen.’ Hij wenkte een hofmeester om koffie.

‘Eentje voor iedere man aan boord van de MacArthur,’ zei Renner.

‘Maar goed dat we al die extra ruimte hebben, hè?’

Blaines gezicht vertrok even. Sinclair keek alsof de volgende attractie op de intercom wel eens een bokswedstrijd tussen de hoofdmachinist en de eerste stuurman zou kunnen worden, vijftien ronden…

‘Sandy, wat vind jij van Horvaths idee?’ vroeg Renner. ‘Zijn theorie over het lanceren van brandstofballonnen met metalen kernen spreekt me niet zo aan. Zouden metalen omhulsels rond de tanks niet veel beter zijn? Dat is structureel veel sterker. Tenzij…’

‘Jèh, en?’ drong Sinclair aan. Maar Renner bleef zwijgen.

‘Wat wilde je zeggen, Renner?’ wilde Blaine weten.

‘Laat maar zitten, meneer. Ik dacht zo maar in het wilde weg. Ik moet eens leren mijn hersens te disciplineren.’

‘Voor de dag ermee, meneer Renner.’

Renner was nog niet lang bij de Marine, maar die toon begon hij al te leren kennen. ‘Ja, meneer. Het viel me in dat waterstof bij de juiste temperatuur en onder de juiste druk de eigenschappen van metaal krijgt. Als die tanks wérkelijk goed onder druk stonden, zou die waterstof een elektrische stroom geleiden — maar daarvoor zou je het soort druk nodig hebben, dat je alleen maar in de kern van een reuzengas-planeet aantreft.’

‘Renner, je denkt toch niet wérkelijk —’

‘Nee, natuurlijk niet, kap’tein. Het was zo maar een gedachte.’

Renners krankzinnige idee bleef Sandy Sinclair nog dwars zitten toen de volgende wachtperiode alweer een heel eind gevorderd was. Machinekamer-officieren zijn doorgaans vrijgesteld van wachtdienst op de brug, maar Sinclairs mecaniciens waren zojuist gereedgekomen met een grondige revisie van de levensonderhoudssystemen op de brug, en thans wilde Sinclair die testen. Liever dan een andere officier ertoe te verplichten pantserkleding te dragen terwijl de brug blootgesteld was aan het luchtledige van de ruimte, had Sandy zelf de wacht betrokken. Zijn reparaties hadden zoals altijd perfect gefunctioneerd. En na zich van zijn gepantserde ruimtekleding ontdaan te hebben zat Sinclair nu ontspannen in de commandostoel naar de Splinters te kijken. De Splintertjes-show was door het hele schip geweldig populair, en men verdeelde zijn aandacht tussen het grote Splinterwezen in Crawfords hut en de miniatuurtjes. De grote Splinter was net klaargekomen met het opnieuw in elkaar zetten van de plafondlamp in haar woonverblijf. Die verspreidde nu een roder en meer verstrooid licht, en ze was nu bezig een stuk van de lengte van Crawfords kooi af te snijden om zich een werkruimte ter grootte van ongeveer een vierkante meter te verschaffen. Sinclair bewonderde het werk van de Splinter; ze was vlug en handig, en zo zeker van zichzelf als de besten die Sinclair ooit gezien had. Laat die wetenschappers maar met elkaar debatteren, dacht Sandy; dit beestje was beslist intelligent.

Op Kanaal Twee speelden de miniatuurtjes met elkaar. Ze hadden zelfs nog meer bekijks dan het grotere Splinterwezen, en Bury glimlachte voor zich heen toen hij zag hoe iedereen de kleine Splintertjes gadesloeg.

Kanaal Twee trok even Sinclairs aandacht; zijn ogen dwaalden af van het grotere Splintertje, en toen ging hij plotseling met een ruk rechtop zitten. De miniatuurtjes hadden geslachtsgemeenschap met elkaar. ‘Haal dat onmiddellijk van de interrcom!’ beval Sinclair. De matroos van de verbindingsdienst keek pijnlijk getroffen, maar schakelde het beeld uit zodat er op Kanaal Twee nu alleen nog maar een leeg beeldscherm te zien was. Slechts enkele ogenblikken later verscheen Renner op de brug.

‘Wat is er met de intercom aan de hand, Sandy?’ vroeg hij.

‘D’rr is niks aan de hand mee de interrcom,’ zei Sinclair stijfjes.

‘Nou, en of. Kanaal Twee is dood.’

‘Klopt, meneerr Rrennerr. Tis dood op mijn bevel.’ Sinclair keek alsof hij niet erg op zijn gemak was.

Renner grinnikte. ‘En wie denk je dat er bezwaar zou hebben tegen dit — eh, programma?’ vroeg hij.

‘Man, d’rr worrden aan boorrd van dit schip geen vieze films verrtoond — en zekerr nie met ’n aalmoezenierr aan boorrd! Om van de dame nog maarr te zwijgen.’

De dame in kwestie had ook naar Kanaal Twee zitten kijken en toen het beeld verdween legde Sally Fowler haar vork neer en verliet de eetzaal. Eenmaal buiten de deur zette ze het op een lopen, de verbaasde blikken negerend van degenen die ze tegenkwam. Ze was buiten adem toen ze de kantine bereikte — waar de miniatuurtjes nog steeds in flagrante delicto waren. Ze ging naast de kooi staan en sloeg ze bijna een minuut lang gade. Toen zei ze, tegen niemand in het bijzonder: ‘De laatste keer dat iemand daar acht op sloeg waren het nog allebei vrouwtjes.’ Niemand zei iets.

‘Ze veranderen van geslacht!’ riep ze uit. ‘Ik durf wedden dat die verandering op gang gebracht wordt door zwangerschap. Doctor Horvath, wat denkt u ervan?’

‘Dat lijkt aannemelijk genoeg,’ zei Horvath aarzelend. ‘Inderdaad… ben ik er bijna zeker van dat de bovenste van de twee de moeder van dat jong is geweest.’ Hij scheen moeite te hebben om niet te stotteren. En hij bloosde zowaar. ‘Och, lieve help,’ zei Sally.

Het was nu pas tot haar doorgedrongen wat ze van haar moesten denken, zoals ze haastig de eetzaal verlaten had op hetzelfde ogenblik dat het tafereel van het beeldscherm van de intercom verdwenen was. En zoals ze hier buiten adem was komen binnenhollen. De beschavingen in de Trans-Kolenzak-Sector hadden bijna zonder uitzondering normen van een intense preutsheid ontwikkeld…

En zij was een dame van keizerlijke adel, die zich gehaast had om twee buitenaardse wezens de liefde te kunnen zien bedrijven, om het zo maar eens uit te drukken.

Ze wilde het wel uitschreeuwen, het ze uitleggen. Dit is van het grootste belang! Deze verandering van geslacht moet voor alle Splinterwezens gelden. Het zal invloed uitoefenen op hun manier van leven, op hun persoonlijkheden, op hun geschiedenis. Er wordt door aangetoond dat jonge Splintertjes al op een fantastisch jonge leeftijd nagenoeg zelfstandig worden … Was het jong al gespeend, of zou de ‘moeder’, die thans een mannetje was, zelfs na de geslachtsverandering nog melk blijven afscheiden? Dit is van invloed op alles wat maar met Splintertjes te maken heeft, op alles. Het is beslissend. Daarom heb ik me gehaast —

Maar in plaats van dit alles te zeggen verliet ze het vertrek. En wel even plotseling als ze gekomen was.

20. Hondewacht

Wonder boven wonder was het stil in de wapenkamer. Nu de cadetten, die toch al met hun zessen waren, ook nog ruimte hadden moeten maken voor de bij hen ingekwartierde drie jeugdige luitenants, was het hier doorgaans een grote chaos. Potter slaakte een dankbare zucht toen hij zag dat iedereen sliep met uitzondering van Jonathon Whitbread. Ondanks zijn gebabbel behoorde Whitbread tot Potters vrienden aan boord van de MacArthur.

‘Hoe gaat ’t met je astronomie?’ vroeg Whitbread zachtjes. De oudere cadet lag lui uitgestrekt in zijn hangmat. ‘Reik me eens een ballonnetje bier aan, wil je, Gavin?’

Potter nam er zelf ook een. ‘Het is daar beneden een gekkenhuis, Jonathon. Ik had gedacht dat het wat rustiger zou worden als ze Splinter Alpha eenmaal gevonden hadden, maar niks hoor.’

‘Hmm. Het in kaart brengen van een planeet is anders niet meer dan routinewerk voor de Marine,’ zei Whitbread.

‘Voor de Marine mag het dan al routinewerk zijn, maar dit is mijn eerste vaart in de diepe ruimte. Ze laten mij het meeste werk doen, terwijl zij discussiëren over nieuwe theorieën waar ik geen bal van begrijp. Maar je zult wel zeggen dat het ’n goeie oefening voor me is, neem ik aan.’

‘Ja, het is ’n goeie oefening.’

‘Je wordt bedankt.’ Potter nam een paar grote slokken van zijn bier. ‘En je hoeft ook niet te verwachten dat het leuker zal worden dan het nu is. Wat zijn jullie tot dusverre te weten gekomen?’

‘Een heleboel. Er is maar één maan, moet je weten, dus het registreren van de massa was ’n koud kunstje. De zwaartekrachtsversnelling aan het oppervlak bedraagt ongeveer achthonderdzeventig centimeter per seconde in ’t kwadraat.’

‘Nul komma zevenentachtig maal de Aardnorm dus. Komt precies overeen met de acceleratie van dat verkenningsvaartuig dat op ons afkomt. Tot zover geen verrassingen.’

‘Maar in de dampkring wel,’ zei Potter geestdriftig. ‘En we hebben hun beschavingscentra in kaart gebracht. Neutrino’s, luchtwervelingen boven fusie-installaties, elektromagnetisme — overal, op ieder continent, en zelfs daarbuiten, op zee. Die planeet is wat je noemt overbevolkt.’ Potters stem was vol ontzag. Hij was aan het dun bevolkte Nieuw-Schotland gewend. ‘We hebben er ook een wereldbol van gemaakt. Ze waren net bezig er de laatste hand aan te leggen toen ik wegging. Wil je hem komen zien?’

‘Tuurlijk.’ Whitbread gespte zich uit zijn hangmat los. Ze klauterden twee dekken naar omlaag, naar het gebied waar de wetenschapsmensen verbleven. Het grootste deel van het burgerpersoneel werkte in dat deel van het schip waar de zwaartekracht betrekkelijk hoog was, namelijk dicht bij de buitenwand van de MacArthur, maar sliep dichter bij de kern van het schip.

De globe, die een doorsnee van een meter twintig had, stond opgesteld in een kleine rooksalon die door de groep astronomen gebruikt werd. Met uitzondering van de zuidpool was de planeet geheel in kaart gebracht, en ook gaf de globe de stand van de planetaire as aan. De lichtversterkende telescopen van de MacArthur hadden een beeld opgeleverd dat grotendeels hetzelfde was als dat van iedere Aarde-achtige planeet: gevarieerde donkerblauwe tinten, hier en daar bedekt met witte vlekken, rode woestijnen en witte bergtoppen. De films waren op verschillende tijdstippen en op een groot aantal uiteenlopende golflengten gemaakt om te verhinderen dat al te veel van het oppervlak door wolkenlagen aan het oog onttrokken zou worden. De planeet was overdekt met gouden stippen, die industriecentra voorstelden. Whitbread nam een en ander zorgvuldig in zich op, terwijl Potter koffie inschonk uit de thermosfles van dr. Buckman. Om de een of andere reden beschikte Buckman altijd over de beste koffie aan boord — tenminste, de beste koffie die binnen het bereik van cadetten kwam. ‘Meneer Potter, waarom heb ik aldoor het gevoel dat het op Mars lijkt?’

‘Ik zou het niet weten, meneer Whitbread. Wat is een Mars voor ’n ding?’

‘Sol Vier. Ben je dan nog nooit op Nieuw-Annapolis geweest?’

‘Ik kom uit de Trans-Kolenzak-Sector, herinner je je dat dan niet?’ Whitbread knikte. ‘Je zult er nog wel eens komen. Maar ik neem aan dat ze voor koloniale recruten een gedeelte van de opleiding overslaan. Zonde en jammer. Misschien kan de kapitein het wel voor je regelen. Het leuke is juist die laatste opdracht die je tijdens je opleiding daar krijgt, waarbij ze je de minimaal benodigde brandstof laten uitrekenen voor een noodlanding op Mars en je die dan laten uitvoeren óók, en wel met verzegelde brandstoftanks. Daarbij moet je gebruik maken van de atmosfeer, en aangezien daar maar verdomd weinig van is, moet je vrijwel over de grond schrapen om er iets aan te hebben.’

‘Dat lijkt me leuk, meneer Whitbread. Jammer dat ik die dag net een afspraak bij de tandarts heb —’

Whitbread bleef aldoor naar de globe staren terwijl ze van hun koffie dronken. ‘Het zit me dwars, Gavin. Werkelijk waar. Laten we het iemand gaan vragen.’

‘Luitenant Cargill is nog steeds daarbuiten, ginds op de Bijenkorf.’ Als Eerste Officier had Cargill officieel de leiding over de opleiding van cadetten. En ook had hij geduld met de jonge leerlingen, iets wat je van een heleboel andere officieren niet kon zeggen. ‘Misschien is er ergens nog iemand op,’ opperde Whitbread. Ze begaven zich naar het voorschip in de richting van de brug, en onderweg zagen ze Renner met klodders scheerzeep op zijn gezicht in een van de openbare wasruimten staan. Ze hoorden hem niet vloeken over het feit dat hij nu een wasgelegenheid met negen andere officieren moest delen, want dat deed hij binnensmonds.

Whitbread kwam met zijn problemen voor de dag. ‘En het doet me aan Mars denken, meneer Renner. Maar ik weet niet waarom.’

‘Ik zou het ook niet weten,’ zei Renner. ‘Ik ben nog nooit zelfs maar in de buurt van Sol geweest.’

Er was namelijk geen enkele reden voor handelsschepen om dichter bij Sol te komen dan de baan van Neptunus, hoewel Sol als de oorspronkelijke bakermat van de mensheid centraal gelegen was als oversteekpunt naar andere en meer waardevolle zonnestelsels. ‘En ik kan ook niet zeggen dat ik ooit veel goeds over Mars gehoord heb. Waarom is het zo belangrijk?’

‘Ik weet het niet. Waarschijnlijk is het helemaal niet belangrijk.’

‘Maar toch schijn je te denken van wel.’

Whitbread gaf geen antwoord.

‘Toch is er iets vreemds aan Splinter Alpha, dat wel. Het ziet eruit als iedere willekeurige planeet in het Keizerrijk, behalve — Of komt het alleen maar omdat ik weet dat die planeet bedekt is met buitenaardse monsters? Weet je wat? Over vijf minuten word ik bij de kapitein verwacht voor een glas wijn. Als jullie even wachten, haal ik mijn tuniek, en dan gaan jullie met me mee. We zullen ’t hém eens vragen.’ Renner schoot zijn kajuit in voordat Whitbread en Potter tijd hadden om tegen te stribbelen. Potter keek zijn metgezel beschuldigend aan. Wat voor moeilijkheden had hij hun nu weer op de hals gehaald? Renner ging hen voor een aantal ladders af en het hogezwaartekracht-segment binnen, waarin de Kapitein zijn patrouillekajuit had. Buiten de deur van Blaines verblijf zat een Marinier, die zich kennelijk verveelde. Whitbread herkende hem — er werd beweerd dat sergeant Maloneys clandestiene vacuüm-destilleerinrichting, die zich ergens bij de bakboord-torpedokamer in het voorschip moest bevinden, de beste Ierse Mist in de hele vloot produceerde. Maloney streefde naar kwaliteit en niet naar kwantiteit.

‘Goed hoor, laat de cadetten ook maar binnenkomen,’ zei Blaine. ‘Er is toch niet veel te doen tot de sloep terugkomt. Komt u binnen, heren. Wijn, koffie, of iets sterkers?’

Whitbread en Potter namen genoegen met sherry, hoewel Potter de voorkeur aan Schotse whisky gegeven zou hebben. Die dronk hij al sinds zijn elfde jaar. Ze zaten op kleine vouwstoeltjes die in klemmen pasten die overal verspreid zaten in de vloer van Blaines patrouillekajuit. De luiken voor de patrijspoorten waren open en het Veld van het schip was momenteel uitgeschakeld, zodat ze de reusachtige omvang van de MacArthur boven zich zagen hangen. Blaine merkte de nerveuze blikken van de cadetten op, en glimlachte. In het begin had iedereen daar last van.

‘Wat is het probleem?’ vroeg Blaine. Whitbread legde het hem uit. ‘Juist, ja. Meneer Potter, wilt u die globe even op mijn intercom brengen? Dank u.’ Rod bestudeerde het beeld dat op zijn scherm verschenen was. ‘Hm. Een normaal uitziende planeet. Alleen de kleuren zijn een beetje onnatuurlijk. De wolken zien er — tja, vies uit. Maar dat is niet verbazingwekkend. Het wemelt in die atmosfeer van allerei soorten rotzooi. Dat weet u ook wel, meneer Whitbread.’

‘Ja, meneer.’ Whitbread trok zijn neus op. ‘Smerige rommel.’

‘Zo is het. Maar wat Buckman met z’n kop tegen de wand doet rennen is het helium. Ik vraag me af of hij dat al uitgeknobbeld heeft? Hij heeft er verscheidene dagen de tijd voor gehad… Verdomme. Whitbread, het heeft inderdaad veel van Mars weg. Maar waarom?’ Whitbread haalde zijn schouders op. Hij kreeg er zo langzamerhand spijt van dat hij het onderwerp ooit ter sprake gebracht had. ‘De contouren zijn moeilijk te onderscheiden. Maar dat zijn ze altijd.’ Afwezig nam Rod zijn koffie met Ierse Mist mee naar het beeldscherm. Officieel wist hij niet waar die Ierse Mist vandaan kwam. Kelley en zijn Mariniers zorgden er echter Voor dat de kapitein er altijd plenty van in voorraad had. Cziller had van slivovitz gehouden, en dat had Maloneys vindingrijkheid tot het uitsterste op de proef gesteld. Blaine volgde met zijn vinger de omtrekken van een kleine zee. ‘Je kunt nauwelijks land van zee onderscheiden, maar de wolken zien er altijd uit alsof het permanente formaties zijn…’ Weer ging hij er met zijn vinger langs. ‘Die zee is bijna cirkelvormig.’

‘Ja. En deze hier ook.’ Met zijn vinger volgde Renner een vaag zichtbare ring van eilanden, die veel groter waren dan de zee die Blaine zojuist bestudeerd had. ‘En die, hier — hiervan is slechts een deel van de boog te zien.’ Ditmaal was het op het landgedeelte, een boog van lage heuvels.

‘Het zijn allemaal cirkels,’ stelde Blaine vast. ‘Net als op Mars. Dat is het. Mars komt in zijn baan al vier miljard jaar lang telkens door Sols asteroïdengordel. Maar dit stelsel télt niet zoveel asteroïden, en die er zijn, bevinden zich allemaal op de Trojaanse punten.’

‘Meneer, zijn de meeste van die cirkels daar trouwens niet een beetje te klein voor?’ vroeg Potter.

‘Dat zijn ze inderdaad, meneer Potter. Dat zijn ze inderdaad.’

‘Maar wat kan dat te betekenen hebben?’ zei Whitbread hardop. De woorden waren hoofdzakelijk voor hemzelf bedoeld. ‘Alweer een raadsel voor Buckman om op te lossen,’ zei Blaine. ‘Hij zal er dolgelukkig mee zijn. Maar laten we nu onze tijd wat constructiever gaan benutten. Ik ben blij dat u de jonge heren meegebracht hebt, meneer Renner. Ik neem aan dat u allebei kunt bridgen?’ Toevallig konden ze dat wel, maar Whitbread had aan een stuk door pech. Hij verloor bijna een hele dag van zijn gage.

Ze waren net uitgespeeld toen de sloep terugkeerde. Cargill kwam onmiddellijk naar de kajuit van de kapitein om verslag uit te brengen over de expeditie. Hij had de nodige informatie mee teruggebracht, een tweetal onbegrijpelijke mechanismen van de Splinterwezens die momenteel uitgeladen werden op het hangardek, plus een gescheurde, dunne reep van een of ander goudkleurig, metaalachtig spul, dat hijzelf meegebracht had en nu in zijn dik gehandschoende handen hield. Blaine bedankte Renner en de cadetten voor hun spel. Ze namen deze stille wenk ter harte, hoewel Whitbread graag nog wat langer gebleven zou zijn.

‘Ik ga naar m’n kooi,’ kondigde Potter aan. ‘Tenzij —’

‘Ja?’ drong Whitbread aan.

‘Zou ’t nie ’n grrappig gezicht zijn, meneerr Crrawforrd z’n hut nu eens te laten zien?’ vroeg Potter ondeugend.

Een langzame grijns verspreidde zich over Jonathon Whitbrcads mollige gelaatstrekken. ‘Dat zou het zeker, meneer Potter. Dat zou het zeker. Laten we voortmaken!’

Het was de moeite waard om te zien. De cadetten bevonden zich dan ook niet alleen in de rapporteerkamer naast het hangardek toen een matroos van de verbindingsdienst op een wenk van Whitbread ’s mans hut op het beeldscherm deed verschijnen.

Crawford stelde hen niet te teleur. Hij zou een moord op een buitenaards wezen begaan hebben, de eerste misdaad van dien aard in de menselijke geschiedenis, als zijn vrienden hem niet vastgehouden hadden. Hij ging zó tekeer, dat het de Kapitein ter ore kwam, met als resultaat dat Crawford regelrecht na zijn terugkeer de volgende wacht mocht betrekken.

Buckman kwam Potter ophalen en haastte zich met hem naar het astronomie-lab, er vast van overtuigd dat de jonge cadet daar wel een complete chaos aangericht zou hebben. Hij was aangenaam verrast toen hij het werk zag dat er verricht was. Ook was hij blij met de koffie die daar op hem stond te wachten. Die thermosfles was eenvoudig altijd vol, en Buckman was er al op gaan rekenen. Hij wist dat Horace Bury daar op de een of andere manier de hand in had. Binnen een halfuur na de aankomst van de sloep wist Bury al van het bestaan van die reep goudkleurig metaal af. Dat was beslist eigenaardig — en het zou wel eens heel waardevol kunnen blijken te zijn. En dat gold misschien ook voor die eeuwenoud uitziende machines van de Splinterwezens — Kon hij zich maar toegang verschaffen tot de computer aan boord van de sloep! Maar dat trucje behoorde helaas niet tot Nabils vaardigheden.

Beneden op het hangardek werd Whitbread samen met alle anderen die daar een kijkje waren komen nemen aan het werk gezet. Cargill had een aantal voorwerpen mee teruggebracht van de Stenen Bijenkorf, en die moesten uitgeladen en uit de kisten gehaald worden. Whitbread was vindingrijk genoeg om vrijwillig zijn diensten aan te bieden aan Sally, voordat Cargill hem een andere opdracht kon geven. Ze laadden skeletten en mummies uit, die voor het antropologie-lab bestemd waren. Er waren miniatuurtjes bij, zo klein als poppen en erg broos, die precies overeenkwamen met de levende miniatuurtjes in de onderofficierskantine. Weer andere skeletten waarvan Staley zei dat ze in groten getale in de Bijenkorf aanwezig waren, kwamen overeen met het mineralenzoekende Splinterwezen dat thans haar slaapverblijf in Crawfords hut had.

‘Aha!’ riep Sally uit. Ze waren net bezig alweer een mummie uit te pakken.

‘Huh?’ vroeg Whitbread.

‘Kijk deze eens, Jonathon. Deze lijkt precies op die, welke we in die verkenner gevonden hebben. Of toch niet, misschien? De glooiing van het voorhoofd klopt niet helemaal… maar ze hebben natuurlijk de intelligentste persoon ervoor uitgezocht die ze maar konden vinden, om als afgezant naar Nieuw-Caledonië te sturen. Ook voor hén is dit een eerste contact met vreemde wezens.’

Er was ook een kleine, ongeveer één meter lange mummie bij, met een klein hoofdje en grote, teer uitziende handen. Van alle drie de handen waren de lange vingers gebroken. Vervolgens kwamen ze een uitgedroogde hand tegen die Cargill los rondzwevend aangetroffen had, en die er anders uitzag dan al het andere dat ze tot dusverre gevonden hadden: de botten waren sterk, kaarsrecht en dik, met grote gewrichten. ‘Artritis, misschien?’ vroeg Sally zich af. Ze borgen het zorgvuldig weg en wijdden hun aandacht aan de volgende doos, die de overblijfselen van een voet bevatte die eveneens vrij rondzwevend aangetroffen was. Aan de hiel ervan zat een klein, scherp, doornachtig uitsteeksel en de voorkant van de voet was zo hard als een paardehoef, en heel scherp en puntig. Hij vertoonde geen enkele overeenkomst met de structuur van andere voeten van Splinterwezens. ‘Mutaties?’ zei Sally. Ze wendde zich tot cadet Staley, die ook al aangewezen was om bij het wegbergen van de lading te helpen. ‘Van uitstraling viel niets meer te merken, zeg je?’

‘Het was volkomen afgekoeld, uh — Sally,’ zei Staley. ‘Maar ééns moet het daar een ware stralingshei geweest zijn.’

Sally huiverde. ‘Ik vraag me af om hoeveel tijd het hier precies gaat. Duizenden jaren misschien? Het zou ervan afhangen, hoe „schoon” die bommen geweest zijn, die ze voor het voortstuwen van de asteroïde gebruikt hebben.’

‘Dat was op geen enkele manier vast te stellen,’ antwoordde Staley. ‘Maar je kon de ouderdom daar gewoon vóélen, Sally. Onvoorstelbaar.

oud. Het oudste ding waarmee ik het zou kunnen vergelijken is de Grote Piramide op Aarde. En het voelde zelfs nog ouder aan dan dat.’

‘Hmmm,’ zei ze. ‘Maar dat is nog geen bewijs, Horst.’

‘Nee. Maar het is verschrikkelijk oud. Dat wéét ik gewoon.’

Het analyseren van de vondsten zou nog even moeten wachten. Alleen al met het uitladen en opbergen ervan waren ze tot een flink eind in de hondewacht bezig. Het was al halftwee, het begin van het derde halfuur van de hondewacht, toen Sally eindelijk naar haar kajuit kon gaan en Staley naar de wapenkamer. Jonathon Whitbread bleef alleen achter.

Hij had te veel koffie gedronken toen hij bij de Kapitein op bezoek was, en hij voelde zich niet moe. Slapen kon hij altijd straks nog. Trouwens, hij zou wel moeten, want ergens tijdens de voormiddagwacht werd dat Splinterschip langszij de MacArthur verwacht; maar dat was pas over een uur of negen, en Whitbread was nog jong. In de gangen brandde nu slechts de helft van de lampen die de MacArthur ‘overdag’ inwendig verlichtten. De gangen waren nagenoeg uitgestorven en de deuren van de hutten waren allemaal gesloten. De alomtegenwoordige stemmen die ‘overdag’ door alle gangen weerklonken en zich met elkaar vermengden totdat er geen enkele afzonderlijke stem in te onderscheiden viel, hadden nu plaats gemaakt voor — stilte. Maar de spanningen van overdag waren blijven hangen. Zolang ze zich in het zonnestelsel van de buitenaardse wezens bevonden, zou er geen rust heersen aan boord van de MacArthur. En daar buiten, een eind verderop, onzichtbaar, met al haar hitteschilden in positie en een verdubbelde wacht, bevond zich de reusachtige, cilindervormige omvang van de Lenin. Whitbread dacht aan de grote laserkanonnen van het slagschip: vele daarvan zouden nu op de MacArthur gericht zijn. Whitbread hield ervan ’s nachts de wacht te hebben. Toen Whitbread het kanaal van de Splintertjes koos bleef het beeldscherm echter leeg. Whitbread trok even een lelijk gezicht, maar grinnikte toen en slenterde toen weg in de richting van de onderofficierskantine.

Laten we eerlijk zijn: Whitbread verwachtte twee miniatuurwezentjes bezig te zullen zien met het verrichten van de geslachtsdaad. Per slot van rekening moest een cadet voor zijn eigen vermaak zorgen. Hij opende de deur — en er schoot iets tussen zijn voeten door naar buiten — een flits van geel en bruin. Ze hadden bij Whitbread thuis altijd honden gehad en daar had hij bepaalde geoefende reflexbewegingen van overgehouden. Hij sprong snel achteruit, sloeg de deur met een klap dicht om te verhinderen dat er nog méér zouden ontsnappen, en keek toen de gang af.

Eén moment kon hij het nog duidelijk zien; het volgende ogenblik was het al verdwenen in de keukens van de bemanning. Het was een van-de miniatuurtjes en die gedaante die op haar schouders zat, moest het jong zijn geweest.

Het andere volwassen wezen moest zich nog in de onderofficierskantine bevinden. Eén ogenblik aarzelde Whitbread. Honden had hij altijd weten te vangen door er onmiddellijk achteraan te gaan. Het zat nu in de kombuis — maar het kende hem niet, was niet afgericht om op zijn stem te reageren — en het was geen hond, verdomme. Whitbread trok een lelijk gezicht. Dit werd allesbehalve vermakelijk. Hij ging naar de dichtstbijzijnde intercom en riep de officier van de wacht op.

‘Jéézus Christus,’ zei Crawford. ‘Oké, één van die vervloekte dingen is dus nog steeds in de kantine? Ben je daar zeker van?’

‘Nee, meneer. Feitelijk heb ik niet naar binnen gekeken, maar ik heb er maar één gezien.’

‘Niet naar binnen kijken,’ beval Crawford. ‘Blijf bij die deur en laat niemand naar binnen gaan. Ik zal dit aan de Kap’tein moeten melden.’ Crawford trok een lelijk gezicht. Hij liep de kans dat de Kapitein woedend op hem zou zijn als hij hem uit zijn bed haalde omdat er een huisdier ontsnapt was, maar de algemene orders luidden dat alle activiteiten van de buitenaardse wezens onmiddellijk aan de Kapitein gemeld moesten worden.

Blaine was een van die fortuinlijke lieden die ogenblikkelijk klaar wakker zijn zonder enige overgang. Zwijgend hoorde hij Crawfords rapport aan.

‘Oké, Crawford, laat Whitbread door een paar Mariniers aflossen, en zeg tegen de cadet dat hij zich beschikbaar houdt. Ik wil horen wat hij te zeggen heeft. En laat dan nóg een sectie Mariniers aantreden en de koks wekken. Ze moeten de kombuis grondig doorzoeken.’ Hij sloot even zijn ogen om na te denken. ‘En houd de kantine hermetisch gesloten totdat dr. Horvath komt.’ Hij verbrak de verbinding. Ik zal Horvath op de hoogte moeten stellen, dacht Rod.

En ook zou hij het de Admiraal moeten melden. Maar dat kon hij maar beter nog even uitstellen totdat hij precies wist wat er was gebeurd. Al te lang kon hij daar echter niet mee wachten. Hij trok zijn tuniek aan en riep toen de Minister van Wetenschappen op. ‘Ze zijn ontsnapt? Hoe is dat mogelijk?’ wilde Horvath weten. ‘Dat weten we niet,’ legde Rod geduldig uit. ‘De camera was buiten werking en toen is een van mijn officieren op onderzoek uitgegaan.’ Meer hoefden die wetenschappers niet te weten. Hij mocht hangen als hij een stelletje burgers die jongen ervan langs liet geven. Als hij een uitbrander verdiend had, zou hij die zelf wel uitdelen. ‘Doctor, het zou tijd besparen als u nu onmiddellijk naar die kantine ging.’ In de gang bij de kantine was het stampvol. Horvath was daar in een gekreukelde ochtendjas van rode zijde; vier Mariniers, Leyton, de jongste officier van de wacht, Whitbread, en Sally Fowler, gekleed in een omvangrijke kamerjas maar met een glimmend geboend gezicht en een halsdoek om haar haar geknoopt. In de kombuis waren twee koks en één sergeant-kok onder veel gemopper en gerammel van pannen en potten bezig naar het Splinterwezentje te zoeken in gezelschap van nog weer andere Mariniers, die hulpeloos om zich heen stonden te kijken. Whitbread stond net te vertellen: ‘Toen heb ik de deur dichtgeslagen en de gang af gekeken. Die andere zóu misschien óók weggeglipt kunnen zijn, de andere kant op —’

‘Maar volgens jou is hij nog steeds binnen.’

‘Jawel, meneer.’

‘Goed, laten we dan maar eens kijken of we erin kunnen zonder hem te laten ontsnappen.’

‘Uh — bijten die dingen, kap’tein?’ vroeg een korporaal der Mariniers. ‘We zouden de mannen handschoenen kunnen laten uitreiken.’

‘Dat zal niet nodig zijn,’ verzekerde Horvath hem. ‘Ze hebben nog nooit iemand gebeten.’

‘Zeker, meneer,’ zei de korporaal. Een van zijn mannen mompelde: ‘Dat hebben ze destijds van die korfratten óók gezegd,’ maar niemand schonk daar enige aandacht aan. Zes mannen en één vrouw vormden een halve cirkel rond Horvath, terwijl deze laatste aanstalten maakte om de deur open te doen. Ze waren gespannen, hun gezichten stonden grimmig, en de gewapende Mariniers waren op alles voorbereid. Rod voelde voor het eerst een opwelling in zich opkomen om luidkeels te schateren. Hij bedwong zich echter. Maar dat arme kleine beestje— Horvath glipte snel naar binnen. Er kwam niets naar buiten stuiven. Ze wachtten.

‘In orde,’ riep de Minister van Wetenschappen door de gesloten deur. ‘Ik zie hem. Komen jullie maar binnen, een voor een. Hij zit onder de tafel.’

Het miniatuurtje sloeg hen gade terwijl ze een voor een zijdelings door de deur naar binnen schoven en het omringden. Als het soms op een opening wachtte om er doorheen te glippen, kon het dat wel vergeten. Toen de deur weer gesloten was en zeven mannen en een vrouw zijn schuilplaats omringden, gaf het zich over. Sally wiegde het in haar armen.

‘Arm klein ding,’ zei ze sussend. Het Splintertje keek om zich heen, kennelijk doodsbenauwd.

Whitbread onderzocht hetgeen er van de camera overgebleven was. Er was op de een of andere manier kortsluiting ontstaan, en die kortsluiting had lang genoeg geduurd om metaal en plastic met elkaar te doen versmelten en omlaag te laten druipen, een stank nalatend die nog niet helemaal door het luchtverversingssysteem van de MacArthur verwijderd was. Het kippegaas dat zich vlak achter de camera bevond was eveneens gesmolten, een groot gat achterlatend. Blaine kwam aanlopen om de aangerichte schade te bekijken.

‘Sally,’ vroeg Rod. ‘Zouden ze intelligent genoeg kunnen zijn om dit beraamd te hebben?’

‘Nee!’ zeiden Sally en Horvath met grote nadruk in koor. ‘Daar is het brein te klein voor,’ verduidelijkte dr. Horvath.

‘Ach zo,’ zei Whitbread bij zichzelf. Maar hij verloor niet uit het oog dat die camera zich binnen de afrastering had bevonden. Twee mecaniciens van de verbindingsafdeling werden erbij gehaald om het gat te sluiten. Ze lasten er een nieuw stuk kippegaas overheen, en Sally zette het miniatuurtje weer terug in zijn kooi. De mecaniciens haalden vervolgens een nieuwe videocamera, die ze buiten de afrastering aanbrachten. Niemand zei er iets van.

Het zoeken werd gedurende de rest van die wacht voortgezet. Niemand slaagde erin het vrouwtje en het jong te vinden. Ze probeerden het grote Splinterwezen ertoe te brengen hen erbij te helpen, maar die begreep kennelijk niet wat ze wilden, of was niet geïnteresseerd. Uiteindelijk ging Blaine naar zijn kajuit terug om nog een paar uur te slapen. Toen hij opstond waren de miniatuurtjes nog steeds niet terecht. ‘We zouden de fretten op ze los kunnen laten,’ opperde Cargill aan het ontbijt. Een van de torpedisten eerste klas hield er een paar van die knaagdieren op na, die ongeveer het formaat van katten hadden, en die hij gebruikte om het vooronder vrij van muizen en ratten te houden. En daar waren die fretten buitengewoon goed in. ‘Ze zouden die Splintertjes doden,’ protesteerde Sally. ‘En ze zijn ongevaarlijk. Beslist niet gevaarlijker dan ratten. We mogen ze niet doodmaken!’

‘Als we ze niet spoedig genoeg vinden zal de Admiraal mij doodmaken,’ gromde Rod, maar hij gaf zich gewonnen. Het zoeken werd voortgezet, en Blaine begaf zich naar de brug. ‘Verbind me met de Admiraal,’ zei hij tegen Staley. ‘Tot uw orders, meneer.’ De cadet sprak enkele woorden in een microfoon.

Enkele ogenblikken later verschenen de stroeve, baardige gelaatstrekken van admiraal Kutuzov op het beeldscherm. De Admiraal zat op zijn brug en dronk thee uit een glas. Nu Rod eraan dacht had hij nog nooit met Kutuzov gesproken wanneer deze zich niet op zijn brug bevond. Wanneer sliep hij ooit? Blaine bracht verslag uit over het verdwijnen van de Splintertjes.

‘En u heeft nog steeds geen idee van wat die miniatuurtjes zijn, Kapitein?’ informeerde Kutuzov.

‘Nee, meneer. Daar zijn verscheidene theorieën over. De populairste daarvan is dat ze aan de Splinterwezens verwant zijn op dezelfde manier als apen verwant zijn aan de mens.’

‘Dat is interessant, kapitein. En die theorieën verklaren zeker ook waarom daar apen zijn aan boord van mineralendelversschip? En waarom mineralenzoeker twee apen meegebracht heeft aan boord van uw oorlogsschip? Mij is nog nooit opgevallen dat wij apen aan boord van onze schepen hebben, kapitein Blaine.’

‘Nee, meneer.’

‘Splinterverkenningsvaartuig arriveert over drie uur,’ mompelde Kutuzov. ‘En miniatuurtjes ontsnapten afgelopen nacht. Kiezen van dat tijdstip interessant, kapitein. Mijn mening is dat die miniatuurtjes spionnen zijn.’

‘Spionnen, meneer?’

‘Spionnen. Men vertelt u dat ze niet intelligent zijn. Misschien waar, maar kunnen zij misschien dingen onthouden? Komt mij niet onmogelijk voor. U heeft mij verteld van mechanische vaardigheden van groot buitenaards wezen. En het beval miniatuurtjes Handelsman horloge terug te geven. Kapitein, onder geen voorwaarde mag volwassen buitenaards wezen in contact komen met ontsnapte miniatuurtjes. Geldt ook voor ieder ander groot buitenaards wezen. Goed begrepen?’

‘Ja, meneer…’

‘U verlangt reden, misschien?’ wilde de admiraal weten. ‘Als ook maar enige kans bestaat dat die beesten geheimen van Aandrijving en Veld te weten komen, kapitein…’

‘Ja, meneer. Ik zal ervoor zorgen.’

‘Doe dat, kapitein.’

Een ogenblik bleef Blaine naar het lege beeldscherm zitten staren; toen draaide hij zich om en keek Cargill aan. ‘Jack, jij hebt destijds ook eens onder de admiraal gediend, is ’t niet? Wat voor man steekt er in werkelijkheid achter al die legendarische schijn?’ Cargill kwam een aantal stoelen dichterbij zitten. ‘Toen hij Kap’tein was, was ik nog maar een Cadet, schipper. Geen al te intieme verstandhouding dus. Eén ding kan ik u wel zeggen: we hadden allemaal respect voor hem. Hij is de hardste en meest doorgewinterde officier van de hele Marine, en hij verschoont niemand, in de eerste plaats zichzelf niet. Maar als er slag geleverd moet worden heb je een betere kans om levend terug te komen als de tsaar het bevel voert.’

‘Dat heb ik gehoord, ja. Hij heeft meer algemene vlootacties gewonnen dan enig andere officier, maar Jezus nog toe, wat is hij moeilijk om mee om te gaan.’

‘Ja, meneer.’ Cargill keek zijn gezagvoerder onderzoekend aan. Nog niet zo lang geleden waren ze allebei Luitenants geweest, samen, en met Blaine kon hij makkelijker praten dan met een oudere gezagvoerder het geval zou zijn geweest. ‘U bent nog nooit op St.-Ekaterina geweest, is ’t wel, schipper?’

‘Nee.’

‘Verscheidene van onze bemanningsleden komen daarvandaan. Aan boord van de Lenin zijn er meer natuurlijk. Er is een allemachtig hoog percentage Katerina’s in de Marine, schipper. En weet u hoe dat komt?’

‘Zo half en half.’

‘De oorspronkelijke kolonisten van die planeet waren de Russische elementen van de voormalige Co-Dominiale Marine,’ zei Cargill. ‘Toen de cd-vloot destijds uit het Sol-stelsel wegtrok, hebben de Russen hun vrouwen en kinderen naar Ekaterina overgebracht. Tijdens dc Formatieoorlogen hebben ze het zwaar te verduren gehad. En weer een tijd later werd St.-Ekaterina zonder enige waarschuwing door Sauron aangevallen, wat het begin was van de Afscheidingsoorlogen. Ze zijn trouw gebleven, maar…’

‘Net als op Nieuw-Schotland,’ zei Rod.

Cargill knikte geestdriftig. ‘Precies, meneer. Het zijn fanatieke keizerlijke loyalisten. En met het oog op hun geschiedenis hebben ze daar goede reden voor. De enige vrede die ze ooit gekend hebben, is geweest in tijden toen het Keizerrijk sterk was, zoals ook nu.’ Rod knikte begrijpend en draaide zich toen weer om naar zijn beeldschermen. Er was één manier waarop hij de Admiraal gelukkig kon maken. ‘Staley,’ snauwde hij. ‘Laat sergeant Kelley alle Mariniers inzetten om naar die ontsnapte Splintertjes te zoeken. En ze dienen op het eerste gezicht gebruik te maken van hun vuurwapens. Als het even kan alleen maar schieten om ze buiten gevecht te stellen, maar wel degelijk schieten. En geef opdracht die fretten los te laten in de keukenruimten.’

21. De ambassadeurs

Terwijl het schip van de Splinterwezens naderbij kwam, bleven alle details van zijn constructie voor het oog verborgen door het felle lichtschijnsel van zijn aandrijving. Met alle hitteschilden geladen en in positie sloeg de MacArthur zijn nadering gade. Honderd kilometer verderop deed de Lenin hetzelfde.

‘Gevechtsposten, meneer Staley,’ beval Blaine zachtjes. Staley greep de grote rode handel beet, die tot dusverre op Conditie Twee gestaan had, en duwde die helemaal rond met de wijzers van de klok mee. Alarmsignalen gingen, gevolgd door een bandopname van een trompet die ‘Te Wapen!’ schetterde, en waarvan de elkaar snel opvolgende tonen door de stalen gangen weergalmden. ‘ATTENTIE IEDEREEN, ATTENTIE IEDEREEN, BEMANT UW GEVECHTSPOSTEN. BEMANT UW GEVECHTSPOSTEN. CONDITIE ROOD ÉÉN.’

Officieren en bemanning haastten zich naar hun gevechtsposten — kanonniers, melders, torpedisten, Mariniers. Monteurs, koks en magazijnmeesters veranderden in schadeherstellingsploegen. Verplegers bemanden eerstehulpposten door het hele schip — alles even snel en zonder een woord te zeggen. Rod kreeg een geweldig trots gevoel. Cziller had hem een puik schip en een puike bemanning overgedragen, en bij God, daar was nog niets aan veranderd.

‘RADIOKAMER MELDT CONDITIE ROOD ÉÉN,’ kondigde de brugmelder aan. Deze, een Bootsmaat Derde Klasse, gaf door wat anderen tegen hem zeiden, en door het hele schip haastte iedereen zich om hem te gehoorzamen, hoewel de orders nooit van hemzelf afkomstig waren. Hij papegaaide woorden die ten gevolge hadden dat de MacArthur sprongen nam door de ruimte, laserkanonnen afvuurde en torpedo’s lanceerde, aanviel of zich terugtrok, en hij meldde resultaten die Blaine waarschijnlijk zelf al op zijn beeldschermen en instrumenten had gezien. Hij ontplooide geen enkel initiatief en dat zou hij ook nooit, maar via hem werd het schip geregeerd. Hij was een oppermachtige, maar hersenloze robot.

‘STUKSCOMMANDANTEN MELDEN CONDITIE ROOD ÉÉN.’

‘DE COMMANDANT DER MARINIEBS MELDT CONDITIE ROOD ÉÉN.’

‘Staley, laat alle Mariniers die geen wachtdienst hebben doorgaan met naar de vermiste buitenaardse wezens te zoeken,’ beval Blaine.

‘Tot uw orders, meneer.’

‘SCHADECONTRDLE MELDT CONDITIE ROOD ÉÉN.’

Het schip van de Splinterwezens decelereerde naar de MacArthur toe, en de vlammen van haar fusieaandrijving vormden een heldere gloed op de beeldschermen van de slagkruiser. Nerveus sloeg Rod dit gade. ‘Sandy, hoeveel van de uitstraling van die aandrijving kunnen we verdragen?’

‘Tis nie al te heet, kap’tein,’ meldde Sinclair door de intercom, ’t Veld kan d’rr wel twintig minuten tegen, of nog langerr. En tis nie op één punt geconcentrreerrd, schipperr, dus d’rr is geen kans op overrverrhitte plekken.’

Blaine knikte. Hij was zelf ook al tot die conclusie gekomen, maar het was altijd verstandig het in de gaten te blijven houden. Hij keek toe terwijl het lichtschijnsel gestadig dichterbij kwam.

‘Lijkt me vreedzaam genoeg,’ zei Rod tegen Renner. ‘Ook al is het een oorlogsschip.’

‘Ik ben er niet zo zeker van dat het een oorlogsschip is, kap’tein.’ Renner scheen erg op zijn gemak. Zelfs al zou het Splinterschip hen aanvallen, zou hij eerder een toeschouwer zijn dan een deelnemer. ‘De vlam van hun aandrijving is tenminste zó gericht dat hij ons niet raakt. Beleefdheid speelt ook een belangrijke rol.’

‘Vergeet dat maar rustig. Die vlam heeft spreiding. Een deel ervan raakt ons Langston-veld en ze kunnen de uitwerking daarvan observeren.’

‘Daar had ik niet aan gedacht.’

‘MELDING VAN DE MARINIERS: BURGERS IN GANGEN, DEK B, COMPARTIMENT TWINTIG.’

‘Godverdomme!’ brulde Blaine. ‘Dat is de astronomie-afdeling. Ontruim die gangen onmiddellijk!’

‘Dat zal Buckman wel weer zijn,’ grinnikte Renner. ‘En ze zullen er hun handen aan vol hebben hem weer in zijn kajuit terug te krijgen…’

‘Ja. Meneer Staley, zeg tegen de Mariniers dat ze Buckman naar zijn kajuit brengen, ook al moeten ze hem er in de houdgreep naartoe sleuren.’

Whitbread grinnikte in zichzelf. De MacArthur bevond zich in vrije val; de kunstmatige zwaartekracht was weggevallen. Hoe zouden de Mariniers de astrofysicus onder die omstandigheden in de houdgreep voort kunnen slepen?

‘TORPEDOKAMERS MELDEN CONDITIE ROOD ÉÉN. TORPEDO’S OP SCHERP EN KLAAR TOT VUREN.’

‘Een van de sergeant-koks gelooft dat hij een miniatuurtje gezien heeft,’ meldde Staley. ‘De Mariniers zijn al onderweg erheen.’ Het buitenaardse schip kwam nog steeds dichterbij en zijn aandrijving verspreidde een gestadige witte gloed. Ze lieten het er anders wel op aankomen en namen het niet erg nauw met veiligheidsmarges, dacht Blaine. Hun deceleratie was nog altijd dezelfde. Ze hadden kennelijk het volste vertrouwen in alles — hun aandrijvingn, hun computers, hun sensors…

‘MACHINEKAMER MELDT CONDITIE ROOD ÉÉN. VELD OP MAXIMALE SPANNING.’

‘De Mariniers hebben dr. Buckman in zijn kajuit weten te krijgen,’ meldde Staley. En dr. Horvath is op de intercom. Hij wil een klacht indienen.’

‘Hoor hem maar even aan, Staley. Maar niet al te lang.’

‘VUURLEIDING MELDT ALLE BATTERIJEN BLIJVEND GERICHT OP BUITENAARDS VAARTUIG.’

De MacArthur was thans in volledige staat van paraatheid. Door het hele schip zaten de bemanningsleden op hun gevechtsposten en wachtten af. Behalve het hoogst noodzakelijke waren alle uitrustingsstukken en apparatuur die zich dicht bij de buitenwand van het schip bevonden hadden, naar elders overgebracht.

Het segment dat Blaines patrouillekajuit bevatte stak uit de romp van de slagkruiser naar buiten alsof ze daar bij de bouw pas op het laatste nippertje aan gedacht hadden. Uit een oogpunt van kunstmatige zwaartekracht was die kajuit geriefelijk ver van de as van het schip gelegen, maar in een ruimtegevecht zou hij het eerste weggeschoten worden. Blaines kajuit was nu een lege ruimte, want zijn schrijfbureau en de belangrijkste apparatuur waren allang automatisch omhooggeheven naar een van de zich in zero gee bevindende recreatieverblijven. Alle niet voor andere doeleinden benodigde compartimenten in het centrale gedeelte van het schip waren thans overvol, terwijl de buitenste dekken leeg waren, ontruimd om schadeherstellingsploegen vrije en onbelemmerde doorgang te bieden.

En het schip van de Splinterwezens naderde nu snel, hoewel het nog altijd niet veel meer dan een steeds helderder wordend licht was, een uitwaaierende fusiestraal die aan het Langston-veld van de MacArthur likte.

‘VUURLEIDING MEI.DT: DECELERATIE BUITENAARDS SCHIP NUL KOMMA ACHT ZEVEN GEE.’

‘Geen verrassingen,’ zei Renner sotto voce.

Het lichtschijnsel werd groter totdat het het hele beeldscherm vulde — en toen werd het ineens zwakker. Het volgende ogenblik zweefde het buitenaardse schip precies evenwijdig aan de slagkruiser, terwijl de vlam van zijn aandrijving al gedoofd was.

Het was alsof het vaartuig een onzichtbaar dok binnengevaren was waarvan de ligging zes dagen geleden al vastgestaan had. Ten opzichte van de MacArthur lag het ding volkomen stil. In de opgeblazen ringen aan de voorkant ervan zag Rod schaduwen bewegen. Renner maakte een lelijk, kwaadaardig grommend geluid. Zijn gezicht was verwrongen. ‘Verdomde opscheppers!’

‘Beheers u, meneer Renner.’

‘Sorry, meneer. Maar dat is het verbluffendste staaltje van astrogatie waar ik ooit van gehoord heb. Als iemand me ervan verteld zou hebben, zou ik hem een leugenaar genoemd hebben. Wat verbeelden ze zich eigenlijk wel?’ Renner was oprecht kwaad. ‘Iedere leerling-astrogator die een dergelijke stunt probeerde uit te halen zou zó uit de opleiding geschopt worden, als hij de botsing overleefde, tenminste.’ Blaine knikte. De piloot van dat Splintervaartuig had geen enkele veiligheidsmarge in acht genomen. En — ‘Ik heb het bij het verkeerde eind gehad. Dat kan onmogelijk een oorlogsschip zijn. Moet je dat nou eens zien.’

‘Ja. Het is zo teer als een vlinder. Ik zou het met één hand stuk kunnen knijpen.’

Rod bleef een ogenblik in gepeins verzonken en beval toen: ‘Roep vrijwilligers op om een eerste contact met dat schip te gaan leggen, geheel alleen en gebruik makend van een onbewapende taxi. En… handhaaf Conditie Rood Eén.’

Er meldde zich een flink aantal vrijwilligers.

Natuurlijk was cadet Whitbread daar één van. En ook had Whitbread dit soort karwei al eerder bij de hand gehad.

Nu zat hij in de taxi te wachten. Door zijn helmvizier van gepolariseerd plastic zag hij de hangardeuren langzaam opengaan. Hij had dit al eerder bij de hand gehad, ja. En die mineralenzoekster had hem immers óók niet om zeep gebracht, waar of niet? Er kwam een golvende beweging in het zwart boven hem. Door de plotseling in het Langston-veld ontstane opening werden sterren zichtbaar. ‘De opening is zo groot genoeg,’ zei Cargills stem in zijn rechteroor. ‘U kunt vertrekken, meneer Whitbread. Starten maar — en veel succes.’ Whitbread stelde een aantal stuwtrossen in werking. De taxi verhief zich en zweefde door de opening de met sterren bezaaide ruimte in, waarin in de verte de gloed van Murchesons Oog zichtbaar was. Achter hem sloot zich het Langston-veld. Whitbread was buitengesloten. De MacArthur was nu een scherp omrand voorwerp van bovennatuurlijke zwartheid. Whitbread cirkelde er op zijn gemak omheen. Met een heldere flits kwam de Splinter boven de rand uitkijken, gevolgd door het buitenaardse schip.

Whitbread gunde zich de tijd. Het schip werd langzaam groter. De kern ervan was zo slank als een speer. Langs de zijkanten ervan vertoonde zich een aantal functionele uitsteeksels: luiken, openingen voor instrumenten, antennes of wat dan ook; het was onmogelijk vast te stellen. Eén enkele, zwarte, vierkante vin stak ergens vanuit het midden omhoog: wellicht een radiateurvlak.

Binnen de brede, doorschijnende ringen die het voorstuk omgaven kon hij gedaanten zien bewegen. Ze waren duidelijk genoeg zichtbaar om afschrikwekkend te zijn: schaduwen die vaag op mensen leken, maar onnatuurlijk verwrongen waren.

Er waren vier van die halfcirkelvormige ringen en in elk daarvan waren schaduwen zichtbaar. ‘Al hun brandstoftanks zijn in gebruik als leeftuimte,’ meldde Whitbread. ‘Ze kunnen er niet op rekenen ooit naar huis terug te komen zonder onze hulp.’

De stem van de kapitein: ‘Ben je daar zeker van?’

‘Ja, meneer. Ze zouden nog een tank binnenboord kunnen hebben, maar die zou nooit erg groot kunnen zijn.’

Hij was nu bijna bij het buitenaardse vaartuig. Whitbread remde af, zodat hij keurig langszij de bewoonde brandstoftanks tot stilstand kwam. Hij opende de deur van zijn luchtsluis.

Onmiddellijk ging er bij het voorstuk van het metalen kerngedeelte ook een deur open. In de ovalen opening stond een Splinterwezen; het droeg een doorzichtig omhulsel. Het buitenaardse wezen wachtte. Whitbread zei: ‘Mag ik toestemming voor het verlaten van —’

‘Toegestaan. Rapporteer telkens wanneer je daartoe in de gelegenheid bent. Ga verder op je eigen indrukken af. De Mariniers staan gereed, Whitbread, dus roep niet om hulp tenzij je het werkelijk méént, maar dan komen ze ook metéén. En nu: veel succes.’

Cargills stem was nog niet weggestorven of die van de Kapitein klonk alweer in zijn oor. ‘Neem geen grote risico’s, Whitbread. Denk eraan dat we je hier terug willen hebben om verslag uit te brengen.’

‘Tot uw orders, meneer.’

Het Splinterwezen stapte met een gracieus gebaar opzij toen Whitbread de luchtsluis naderde. Daardoor stond het nu op een komische manier in het luchtledige, terwijl het zich met zijn grote linkerhand vasthield aan een ring die uit de romp stak. ‘Dit ding zit overal vol met uitsteeksels,’ zei Whitbread in zijn microfoon. ‘Ze kunnen het onmogelijk van ergens binnen een dampkring gelanceerd hebben.’ Hij bracht zichzelf tot stilstand in de ovalen opening en knikte het vriendelijk glimlachende buitenaardse wezen toe. Het was maar voor de helft spottend bedoeld, toen hij formeel vroeg: ‘Toestemming om aan boord te komen?’

Het buitenaardse wezen maakte een buiging — of was het misschien een overdreven nadrukkelijke hoofdknik? Dat ruggewricht zat immers beneden de schouders. Met de beide rechterarmen gebaarde het naar het schip.

De luchtsluis was op Splintertjes-formaat, en dus klein en bekrompen. Whitbread vond drie in de wand inspringende knoppen tegenover zich, die deel uitmaakten van een web van zilverachtige confetti. Circuits. Het Splinterwezen zag zijn aarzeling en reikte toen langs hem heen om eerst één, en toen nog een andere knop in te drukken. De luchtsluis sloot zich achter hem.

De Bemiddelaar stond in de ruimte en wachtte tot het mechanisme van de luchtsluis zijn kringloop voltooid zou hebben. Ze was verbaasd over de eigenaardige structuur van de indringer; over de symmetrie en de vreemde geleding van zijn botten. Het was duidelijk dat dit ding niet verwant was aan enige bekende levensvorm. En zijn thuisschip was plotseling verschenen in wat in het denken van de Bemiddelaar het Gekke Eddie-punt heette.

Maar wat haar nog veel meer verbaasd had was dat het vreemde wezen niet bij machte was zonder hulp de werking van de circuits van de luchtsluis te doorgronden.

Het moest hier gekomen zijn in de hoedanigheid van Bemiddelaar. Het kon niet anders dan intelligent zijn. Of niet, soms? Zouden ze eerst een dier gezonden hebben? Nee, beslist niet. Zó anders konden ze toch zeker niet zijn; een dergelijke daad zou in iedere beschaving als een dodelijke belediging gelden.

De luchtsluis opende zich weer. Ze stapte naar binnen en stelde de kringloop opnieuw in werking. De indringer stond in het gangetje te wachten, dat hij vulde als een kurk de hals van een fles. De Bemiddelaar nam even de tijd om zich van haar drukomhulsel te ontdoen, zodat ze nu naakt voor hem stond. Anders zou het wezen, vreemd als het was, haar wel eens voor een Krijger kunnen houden. Ze moest het schepsel ervan overtuigen dat ze ongewapend was. Ze ging voor en leidde het naar de opgeblazen compartimenten, die meer ruimte boden. Het grote, onhandige schepsel had moeite met zich voort te bewegen. Het wist zich niet goed aan te passen aan een toestand van vrije val. Het bleef af en toe stilstaan om door vensterluiken naar binnen te turen in andere gedeelten van het schip, en het onderzocht mechanismen die door de Bruinen in de gang geïnstalleerd waren… waarom zou een intelligent wezen zo iets doen? De Bemiddelaar zou het schepsel wel mee hebben willen trekken, maar het zou dat wel eens als een aanval kunnen opvatten en dat diende ze tot elke prijs te vermijden.

Voorlopig zou ze het maar behandelen alsof het een Meester was.

Er was een acceleratiekamer: zesentwintig scheve, verwrongen kooien, de een boven de ander in drie stapels naast elkaar, en allemaal van dezelfde vorm als die omgebouwde kooi van Crawford; maar toch waren ze niet allemaal identiek. De Splinter ging voor hem uit, zich zo sierlijk bewegend als een dolfijn. Haar kortharige vacht vertoonde een onregelmatig patroon van bochtige bruine en witte strepen, onderbroken door vier dikke witte haarkussentjes in de liesstreek en onder de oksels. Whitbread betrapte zich erop dat hij het wezen buitengewoon mooi vond. Nu was het blijven staan om op hem te wachten — ietwat ongeduldig, dacht Whitbread.

Hij probeerde er niet aan te denken hoe grondig hij eigenlijk in de val zat. De gang was onverlicht en zo nauw, dat je er claustrofobisch van zou worden. Hij zag een rij tanks die onderling verbonden waren door pompen; het zou een koelsysteem voor de waterstof kunnen zijn, die ze als brandstof gebruikten. Het geheel zou wel in verbinding staan met die ene zwarte vin buiten op de romp.

Plotseling viel er van boven licht op de Splinter.

Het was een grote opening, groot genoeg voor Whitbread zelfs. En daarachter: zonlicht, dat aan het licht onder een onweersbui deed denken. Whitbread volgde de Splinter naar binnen in wat niet anders dan een van de halfcirkelvormige ringen kon zijn. Onmiddellijk was hij omringd door buitenaardse wezens.

Ze zagen er allemaal precies hetzelfde uit. Stuk voor stuk vertoonden ze dat zelfde, schijnbaar willekeurige patroon van bruine en witte strepen. Hij zag zich omringd door zeker een dozijn van die grijnzende scheve gezichten, maar toch bleven ze beleefd op een afstand. Ze kwetterden tegen elkaar met vlugge, schelle geluidjes. Plotseling verstomde het gekwetter. Een van de Splinters kwam op Whitbread toe en sprak een aantal korte zinnetjes uit in wat wellicht verschillende talen waren, maar voor Whitbread waren ze volkomen onbegrijpelijk.

Whitbread haalde met een theatraal gebaar zijn schouders op met zijn handpalmen naar boven gekeerd.

Het Splinterwezen deed dit gebaar ogenblikkelijk na en met een ongelofelijke nauwkeurigheid. Whitbread gilde van het lachen. Hulpeloos hing hij daar in vrije val, met zijn armen om zijn middel geslagen en kakelend als een kip.

Onverwachts klonk Blaines stem in zijn oor, met een nuchtere en metaalachtige klank. ‘Oké, Whitbread, hier lacht ook iedereen. Maar de vraag is —’

‘O, nee! Meneer, ben ik soms weer op de intercom?’

‘De vraag is, hoe zullen de Splinters je gedrag opvatten?’

‘Ia, meneer. Het kwam door die derde arm.’ Whitbread was zich weer meester. ‘Het is nu tijd voor mijn striptease-show, kap’tein. Schakelt u alstublieft die intercom uit…’

Het verklikkerlichtje bij zijn kin brandde geel, zoals hij al verwacht had. Langzaam vergif; maar ditmaal was hij niet van plan het in te ademen. Hij haalde diep adem, maakte zijn helm los, en tilde die van zijn hoofd. Nog altijd de adem inhoudend trok hij een zuurstofmasker uit een buitenzak van zijn ruimtepak te voorschijn, en stak het mondstuk tussen zijn tanden. Hij opende het luchtkraantje; een en ander functioneerde prima.

Op zijn gemak begon hij zich uit te kleden. Eerst kwam de flodderige, vormeloze overall, die het elektronische gedeelte van het ruimtepak bevatte en de aparatuur die diende om hem in leven te houden. Vervolgens trok hij de stroken los die de ritssluitingen beschermden en opende hij het strakke weefsel van het eigenlijke drukpak. De ritssluitingen liepen langs elk van zijn ledematen en omhoog over zijn borst. Zonder die dingen zou je er uren voor nodig hebben om in of uit zo’n ruimtepak te klimmen, dat veel weg had van een kous die het hele lichaam omsloot, of van een maillot. De elastische fibers pasten zich aan bij iedere welving van zijn spierstelsel, zoals ze ook wel moesten doen om te verhinderen dat hij in een luchtledige ruimte exploderen zou; met steun daarvan was zijn eigen huid in zekere zin een drukpak, en zijn zweetklieren vormden het systeem dat de temperatuur regelde. De zuurstoftanks zweefden voor zijn neus, terwijl hij zich uit het pak worstelde. De Splintertjes bewogen zich langzaam om hem heen, en een van hen — een Bruine zonder strepen en indentiek aan de mineralenzoekster aan boord van de MacArthur — kwam naar hem toe om hem te helpen.

Hij bediende zich van de kleefpasta-voor-alle-doeleinden die hij in zijn gereedschapstas bij zich droeg, om zijn helm tegen de doorschijnende plastic wand aan te plakken. Tot zijn verbazing werkte het spul niet. Het bruine Splintertje had zijn probleem ogenblikkelijk door. Hij (zij, of het) haalde een tube van het een of ander te voorschijn en kneep daar iets uit op Whitbreads helm; nu bleef hij goed zitten. Jonathon draaide hem zo, dat de helmcamera op hemzelf gericht was, en plakte de rest van zijn ruimtepak ernaast tegen de wand. Menselijke wezens zouden zich zo opgesteld hebben dat hun hoofden allemaal aan dezelfde kant zaten, alsof ze eerst moesten bepalen wat ‘boven’ was, voordat ze geriefelijk met elkaar konden praten. Maar de Splintertjes hingen in de onmogelijkste houdingen om hem heen onder de vreemdste hoeken; sommigen hingen ondersteboven. Het was duidelijk dat het hun geen bal kon schelen. Grijnzend wachtten ze af. Whitbread wurmde zich uit het laatste deel van zijn ruimtepak en had nu helemaal niets meer aan.

De Splintertjes drongen om hem heen om hem te bekijken. Te midden van al die patronen van bruin en wit viel de Bruine sterk op. Hij was kleiner van stuk dan de anderen, had ietwat grotere handen, en ook was het hoofd enigszins anders; voor zover Whitbread vaststellen kon was hij identiek aan de mineralenzoekster. De anderen leken op het dode wezen in de lichtzeilverkenner.

Het bruine wezen was bezig zijn ruimtepak te onderzoeken en scheen iets met zijn gereedschapstas te doen; maar de anderen prikten in hem met hun vingers, zoekend naar de musculatuur en de geledingen van zijn lichaam teneinde plekken te vinden waar hun geprik reflexbewegingen en andere onwillekeurige spierreacties zou veroorzaken.

Twee van hen onderzochten zijn tanden, die op elkaar geklemd zaten. Weer anderen volgden zijn botten met hun vingers: zijn ribben, zijn ruggegraat, de vorm van zijn hoofd, zijn bekken, de botjes van zijn voeten. Ze beklopten zijn handen en bogen zijn vingers in standen waarop ze niet berekend waren. Hoewel ze voorzichtig en zachtaardig genoeg te werk gingen, was het allemaal hoogst onaangenaam. Het gekwetter zwol aan tot een crescendo. Sommige van die geluiden waren zó schel dat het bijna onhoorbare gil- en fluittonen waren, maar daarachter gingen melodieuze tonen schuil, die in het middenregister lagen. Eén zinnetje scheen voortdurend herhaald te worden met een hoog tenorgeluid. En toen waren ze ineens allemaal achter hem en lieten elkaar zijn ruggegraat zien. Whitbreads ruggegraat bracht hen in een staat van grote opwinding. Een van de Splintertjes gaf hem een wenk door eerst zijn aandacht te trekken en vervolgens zijn schouders naar voren en naar achteren te bewegen. De gewrichten staken uit alsof het zijn rug op twee plaatsen gebroken had. Whitbread werd er beroerd van ernaar te kijken, maar hij begreep wat er van hem verlangd werd. Hij rolde zich op in de houding van een foetus, richtte zich op om zich vervolgens opnieuw op te rollen. Wel een dozijn kleine buitenaardse handjes betastte zijn rug.

Na verloop van tijd gingen ze een eindje achteruit. Een van hen kwam weer op hem toe en scheen Whitbread uit te nodigen zijn (haar?) anatomie te onderzoeken. Whitbread schudde het hoofd en keek opzettelijk een andere kant uit. Dat was iets voor de wetenschappers om zich mee bezig te houden.

Hij maakte zich weer meester van zijn helm en sprak in de microfoon. ‘Klaar om verslag uit te brengen, meneer. Ik weet niet goed, wat ik nu doen zal. Zal ik proberen, een van hen ertoe te bewegen met me mee terug te gaan naar de MacArthur?’

De stem van kapitein Blaine klonk gespannen. ‘Onder geen beding. Zie je kans buiten hun schip te komen?’

‘Ja, meneer, als het moet wel, denk ik.’

‘We zouden er de voorkeur aan geven als je dat deed. En breng dan je verslag uit over een veilige lijn, Whitbread.’

‘Uh — ja, meneer.’ Jonathon gebaarde naar de Splinters, wees eerst naar zijn helm, en toen naar de luchtsluis. Het wezen dat hem hierheen gebracht had knikte. Hij klom weer in zijn ruimtepak daarbij geholpen door de bruine Splinter, maakte alles vast en dicht, en zette zijn helm op. Een van de Bruin-en-wit-gestreepten leidde hem naar de luchtsluis.

Buiten kon hij geen geschikte plek vinden om zijn veiligheidskabel aan te bevestigen, maar na hem even aangekeken te hebben lijmde de Splinter die hem vergezelde een haak aan de romp van het schip vast. Zag er niet erg solide uit, die haak. Eén kort ogenblik maakte Jonathon er zich zorgen over. Toen fronste hij de wenkbrauwen. Waar was die ring gebleven, waaraan dat Splintertje zich vastgehouden had toen Whitbread het schip voor het eerst genaderd was? Die was er niet meer. Waarom niet?

Och, wat zou het. De MacArthur was vlakbij. Als die haak afbrak zouden ze hem wel komen oppikken. Voorzichtig zette hij zich af van de romp van het Splinterschip totdat hij in de lege ruimte hing. Hij gebruikte de vizierringen van zijn helm om zichzelf precies op een lijn te brengen met de antenne die uit het volkomen zwarte oppervlak van de MacArthur naar buiten stak. Vervolgens raakte hij de speciale knop voor geheime communicaties met zijn tong aan. Een dunne straal geconcentreerd licht flitste vanuit zijn helm de ruimte in. Een tweede straal ontmoette die vanuit de MacArthur, en volgde zijn eigen straal naar binnen, naar een klein ontvangertje dat in zijn helm ingebouwd zat. Rond dat ontvangertje zat een ring die donker bleef; als er iets van de transmissie uitlekte naar buiten toe, zou dat door het richtingbepalende systeem aan boord van de MacArthur automatisch gecorrigeerd worden, of als de verstrooiing van dien aard was dat er een derde ring rond Whitbreads ontvangantenne door aangeraakt werd, zou de verbinding automatisch geheel en al verbroken worden.

‘Veilig, meneer,’ meldde hij. Hij permitteerde zich een geërgerde en tegelijk verbaasde klank in zijn stem te leggen. Per slot van rekening, dacht hij, heb ik toch wel een klein beetje recht op het uiten van een eigen mening. Of niet soms?

Blaine antwoordde onmiddellijk. ‘Meneer Whitbread, deze veiligheidsmaatregel is niet zo maar bedoeld om u ongemak te bezorgen. Momenteel begrijpen ze onze taal nog niet, maar ze kunnen er bandopnamen van maken en na een poosje zullen ze dan wél Anglisch kunnen verstaan. Kunt u me volgen?’

‘Maar — natuurlijk, meneer.’

Grote goden nog aan toe, dacht die Ouwe even een eind vooruit.

‘Welnu dan, meneer Whitbread, we kunnen geen enkel Splinterwezen aan boord van de MacArthur toelaten totdat we met dat probleem van die miniatuurtjes afgerekend hebben, en ondertussen zullen we niets ondernemen waaruit die Splintertjes zouden kunnen opmaken dat er bij ons überhaupt sprake is van een dergelijk probleem. Goed begrepen?’

‘Ja, meneer.’

‘Mooi zo. Ik stuur nu een boot vol wetenschappers jouw kant op — nu jij de eerste spade in de grond gestoken hebt, om het zo maar eens uit te drukken. Tussen haakjes, goed gedaan. Heb je verder nog opmerkingen voordat ik die anderen op weg stuur?’

‘Umm — ja, meneer. Ten eerste zijn er twee kinderen aan boord, heb ik gezien. Ze klampten zich vast aan de ruggen van een paar volwassenen. Ze zijn groter dan miniatuurtjes en precies eender gekleurd als de volwassenen.’

‘Ook al een bewijs van vreedzame bedoelingen,’ zei Blaine. ‘Wat nog meer?’

‘Nou, ik heb geen kans gehad ze te tellen, maar zo te zien zijn er drieëntwintig van die Bruin-en-wit-gestreepten aan boord en twee Bruinen van hetzelfde type als onze mineralenzoekster. En die kinderen hoorden allebei bij die Bruinen. Ik heb me al afgevraagd waarom.’

‘Uiteindelijk zullen we het ze zelf kunnen vragen. Oké, Whitbread, we zullen nu die wetenschappers op weg sturen in de kapiteinssloep. Renner, ben jij ook aan de lijn?’

‘Ja, meneer.’

‘Zet een koers uit. Ik wil de MacArthur vijftig kilometer van dat Splinterschip vandaan hebben. Ik weet niet wat die Splintertjes zullen doen wanneer we ineens weggaan, maar in ieder geval wachten we tot de sloep aan de overkant gearriveerd is.’

‘U wilt het schip verplaatsen, meneer?’ vroeg Renner op een toon alsof hij zijn oren niet kon geloven. Whitbread kon wel juichen, maar hij hield zich in. ‘Ja.’

Gedurende een lang ogenblik zei er niemand iets. ‘Goed dan,’ gaf Blaine zich gewonnen. ‘Ik zal het jullie uitleggen. De Admiraal maakt zich grote zorgen over die miniatuurtjes. Hij denkt dat ze misschien kans zullen zien die anderen over ons schip te vertellen. We hebben de opdracht ervoor te zorgen dat die ontsnapte miniatuurtjes geen kans krijgen in contact te komen met een van de volwassen Splinterwezens, en een afstand van één kilometer is wel wat erg weinig.’ Opnieuw stilte.

‘Nou, dat is alles voor het ogenblik, heren. Dank u, meneer Whitbread,’ zei Rod. ‘Meneer Staley, zeg tegen dr. Hardy dat hij zich in kan schepen aan boord van de sloep, als hij zover is.’

‘Nou, daar ga je dan,’ dacht aalmoezenier Hardy bij zichzelf. Hij was een mollige, vage figuur met dromerige ogen en rood haar, dat net grijs begon te worden. Met uitzondering van het leiden van de zondagse kerkdiensten was hij het grootste deel van de expeditie opzettelijk in zijn kajuit gebleven.

Niet dat David Hardy onvriendelijk was. Iedereen was altijd welkom in zijn kajuit voor een kop koffie, een borrel, een spelletje schaak of een lang gesprek, en velen maakten daar ook gebruik van. Het was alleen maar dat hij niet van mensen in grote aantallen hield. In een menigte kon hij niemand goed leren kennen.

Ook bleef hij vasthouden aan zijn professionele neiging zijn werk niet met amateurs te bespreken en geen resultaten wereldkundig te maken totdat hij over voldoende bewijzen beschikte. Maar dat, zei hij bij zichzelf, zou nu onmogelijk blijken. En wat waren die buitenaardsen eigenlijk voor wezens? Het stond vast dat ze intelligent waren. Het stond vast dat ze gevoelens hadden. En ze namen beslist ook een plaats in in het goddelijke plan van de kosmos. Maar welke plaats? Bemanningsleden brachten Hardy’s benodigdheden aan boord van de sloep. Een kleine bibliotheek die uit geluidsbanden bestond, verscheidene stapels kinderboeken en een aantal naslagwerken (niet veel, want de computer aan boord van de sloep zou via de centrale computer over de inhoud van de in het geheugen daarvan opgeslagen scheepsbibliotheek kunnen beschikken; maar David hield nu eenmaal nog steeds van echte boeken, al waren die ook nog zo onpraktisch). Er waren ook nog andere benodigdheden: twee demonstratieschermen met geluidsoverbrengers, toonschaalborden, en elektronische filters waarmee je een toon kan verhogen of verlagen en het timbre en de fase kon veranderen. Hij had alles zelf aan boord willen brengen en opbergen, maar eerste officier Cargill had het hem uit het hoofd weten te praten. De Mariniers waren uitermate bekwaam in dat soort dingen, en de zorgen die Hardy zich over eventuele beschadigingen maakte waren niets vergeleken bij de hunne; als er iets brak zouden ze zich tegenover Kelley moeten verantwoorden.

In de luchtsluis kwam Hardy Sally tegen. Ook zij nam een heleboel dingen mee. Als het aan haar gelegen had zou ze alles meegenomen hebben, zelfs de botten en de mummies uit de Stenen Bijenkorf; maar de Kapitein had haar alleen maar toegestaan hologrammen daarvan mee te nemen, en zelfs die dienden verborgen te blijven totdat ze een kans gehad zou hebben om er achter te komen hoe de Splinters over grafschennis dachten. Naar Cargills beschrijving van de Bijenkorf te oordelen hielden de Splinters er geen begrafenisgebruiken op na, maar dat zou toch al te dwaas zijn. Iederéén hield er begrafenisgebruiken op na, zelfs de meest primitieve menselijke wezens.

Ook mocht ze noch de mineralenzoekster, noch het overgebleven miniatuurtje meenemen, dat inmiddels weer een vrouwtje geworden was. En de fretten en de Mariniers zochten nog steeds naar dat andere miniatuurtje en dat jong (waarom zou het er toch samen met dat andere miniatuurtje vandoor gegaan zijn, dat niet zijn moeder was?). Ze vroeg zich af of het gemak waarmee ze zich een plaatsje in de sloep had weten te veroveren misschien te danken was aan al die deining die ze gemaakt had over de orders die Rod de Mariniers gegeven had. Ze wist dat ze Rod eigenlijk onrechtvaardig behandeld had. Hij had nu eenmaal orders van de Admiraal. Maar het was verkeerd wat ze deden! De miniatuurtjes zouden beslist niemand kwaad doen. Je moest wel aan vervolgingswaanzin lijden om bang voor ze te zijn.

Ze volgde aalmoezenier Hardy de salon van de kapiteinssloep binnen. Dr. Horvath was daar ook al. Zij drieën zouden de eerste wetenschapsmensen zijn die aan boord van het buitenaardse schip gingen, en ze voelde een golf van opwinding door zich heengaan. Er viel zóveel kennis op te doen!

Een antropologe — ze beschouwde zichzelf thans als volledig bevoegd en er was beslist niemand om haar dit te betwisten — een taalkundige, en Horvath, die een bekwaam natuurkundige was voordat hij in de politiek gegaan was. Horvath was de enige van het groepje die overbodig was, maar door zijn rang kon hij aanspraak maken op een plaats in de sloep. Ze vond niet dat die beschrijving ook op haarzelf van toepassing was, hoewel de helft van de wetenschappers er wel degelijk zo over dacht.

Drie wetenschappers, een stuurman, twee volslagen ruimtematrozen, en Jonathon Whitbread. Dat was alles. Geen Mariniers, en ook geen wapens. Haar opwinding was bijna, maar net niet groot genoeg om de angst te overschaduwen, die ze ergens in haar binnenste voelde opwellen. Ze moesten er wel ongewapend heengaan natuurlijk, maar toch zou ze zich prettiger gevoeld hebben als Rod Blaine ook aan boord was geweest. En dat was nu eenmaal onmogelijk.

Bij volgende gelegenheden zouden er meer mensen de reis met de sloep maken. Buckman, die een miljoen vragen te stellen zou hebben, als Hardy het communicatieprobleem eenmaal opgelost zou hebben. En een horde biologen. Een Marineofficier, waarschijnlijk Crawford om de wapens van de Splinterwezens te bestuderen. En een officier van het machinekamerpersoneel. Iedereen behalve de Kapitein. Het was hoogst onwaarschijnlijk dat Kutuzov Rod Blaine zou toestaan zijn schip te verlaten, ongeacht hoe vredelievend de Splinters mochten blijken te zijn.

Ze kreeg plotseling een gevoel van heimwee. Op Sparta had ze een tehuis, het landgoed Charing Close, en de hoofdstad van het Keizerrijk lag op slechts enkele minuten afstand. Sparta was het centrum van de beschaving, maar het kwam haar voor dat zij de laatste tijd alleen maar in een reeks ruimtevaartuigen van steeds kleiner wordende afmetingen gewoond had, voor de variatie onderbroken door haar verblijf in dat gevangenenkamp.

Aan de ene kant van de salon van de sloep bevond zich een speciale, met schuimplastic gecapitonneerde ligstoel voor noodlandingen en een boogvormig instrumentenbord. Dat was de brug voor de vuurleiding — en dat noemden ze een salon! Maar er waren ook zitbanken en weg-klapbare tafels voor spelletjes en het gebruiken van maaltijden. ‘Heeft u deze boot al eens van voor tot achter nader bekeken?’ hoorde ze Horvath tegen haar zeggen. ‘Pardon?’ antwoordde Sally.

‘Ik zei: “Heeft u deze boot al eens grondig bekeken?” Er zitten overal opstellingen voor kanonnen. De kanonnen hebben ze eruitgehaald, maar ze hebben genoeg overgelaten zodat je kunt zien dat daar kanonnen gezeten hebben. En hetzelfde geldt voor de torpedo’s. Die zijn ook weggehaald, maar de lanceerbuizen zitten er nog. Noemen ze dit een vaartuig om ambassadeurs in te sturen?’

Hardy keek op; hij had zitten mijmeren. ‘Wat zou jij gedaan hebben als je in de kapitein z’n schoenen stond?’

‘Ik zou een onbewapende boot genomen hebben.’

‘Die zijn er niet,’ antwoordde Hardy op zachte toon. ‘Tenminste geen waarin je zou kunnen leven, zoals je zou kunnen weten als je ooit op het hangardek geweest was.’ De godsdienstoefeningen werden op het hangardek gehouden en Horvath had er niet aan deelgenomen. Dat was zijn zaak, maar het kon geen kwaad hem daar even aan te herinneren.

‘Maar het ligt er zo dik bovenop dat dit een oorlogsschip is waarvan de bewapening verwijderd is!’

Hardy knikte. ‘De Splinters zouden dat vreselijke geheim van ons vroeg of laat toch wel te weten gekomen zijn. We zijn nu eenmaal een oorlogvoerend ras, Anthony. Het ligt in onze aard. Maar het is toch maar een feit, dat we in een volledig ontwapend oorlogsschip bij de Splinters op bezoek komen. Lijkt je dat geen veelzeggende boodschap voor ze?’

‘Maar er hangt voor het Keizerrijk zoveel van af!’ David Hardy knikte instemmend. De Minister van Wetenschappen had gelijk, hoewel de aalmoezenier vermoedde dat hij zich daarbij op de verkeerde redenen baseerde.

Een lichte schok en de sloep was onderweg. Op de brug van de MacArthur keek Rod het vaartuig na op zijn beeldschermen en hij had een machteloos, gefrustreerd gevoel. Vanaf het moment dat de sloep straks langszij het Splinterschip kwam, zou een van Crawfords batterijen erop gericht zijn — en Sally Fowler was een van degenen die zich aan boord van dat kwetsbare, ongewapende vaartuig bevonden. Het oorspronkelijke plan was geweest de Splinter aan boord van de MacArthur te laten komen, maar zolang de miniatuurtjes niet gevonden waren was dat onmogelijk. Rod was eigenlijk blij dat de buitenaardse wezens niet in zijn schip te gast zouden zijn. Ik begin al aan vervolgingswaan te lijden, dacht hij. Net als de admiraal. Ondertussen was er nog altijd geen spoor van de miniatuurtjes te bekennen, keurde Sally hem geen woord meer waardig, en was iedereen even zenuwachtig en prikkelbaar.

‘Klaar om over te nemen, kap’tein,’ zei Renner. ‘Ik los u of, meneer.’

‘In orde. Gaat uw gang, stuurman.’

Alarmsignalen waarschuwden voor de op handen zijnde acceleratie, en toen gleed de MacArthur geluidloos weg van het buitenaardse vaartuig — en ook weg van de sloep, en van Sally.

22. Woordenspelletjes

De douche: een plastic zak vol zeepwater, waarvan de hals strak rond de hals van de jonge man die zich daarin bevindt, gesloten zit. Whitbread bediende zich van een borstel met lange steel om zich overal te krabben waar hij jeuk had en dat was letterlijk overal. Het was een genot je spieren te kunnen rekken en strekken. Alles was zo afschuwelijk klein in dat Splinterschip! Zo claustrofobisch eng en benauwend! Toen hij schoon was, voegde hij zich bij de anderen in de salon. De aalmoezenier en Horvath en Sally Fowler droegen allemaal vrijeval-pantoffels met zelfklevende zolen, en ze hadden zich evenwijdig aan elkaar opgesteld in de denkbeeldige overeind-houding. Vroeger zou Whitbread zo iets nooit opgevallen zijn. ‘Minister Horvath,’ zei hij, ‘ik heb opdracht mezelf voorlopig onder uw bevel te plaatsen.’

‘Uitstekend, meneer… Whitbread.’ Horvaths stem stierf weg. Hij maakte een bezorgde en verstrooide indruk. De anderen ook trouwens. Het spreken scheen de aalmoezenier moeite te kosten. ‘Ziet u,’ zei hij, ‘we weten eigenlijk geen van allen wat ons nu te doen staat. We zijn nog nooit met buitenaardse wezens in aanraking geweest.’

‘Ze gedragen zich vriendschappelijk. En ze wilden met ons praten,’ zei Whitbread.

‘Prachtig, prachtig, maar dat doet aan mijn probleem niets af.’ Het lachje van de aalmoezenier was een en al zenuwen. ‘Hoe was het daar aan boord, Whitbread?’

Hij probeerde het hun te vertellen. Eng en benauwd, totdat je in halfcirkelvormige compartimenten van plastic kwam… alles zag er even teer en kwetsbaar uit… je hoefde niet te proberen de Splinter uit elkaar te houden, behalve dan dat die Bruinen op de een of andere manier verschilden van die Bruin-en-wit-gestreepten… ‘Ze zijn ongewapend,’ vertelde hij hun. ‘Ik heb drie uur lang de tijd gehad om dat schip van binnen te bekijken. Er is nergens voldoende ruimte aan boord waarin ze grote wapens verborgen zouden kunnen houden.’

‘Kreeg u de indruk dat ze u ergens vandaan probeerden te houden?’

‘N-n-e-e…’

‘U klinkt niet erg overtuigd,’ zei Horvath op scherpe toon.

‘O, dat is het ’m niet, meneer. Alleen schoot me net die gereedschapskamer te binnen. We kwamen uiteindelijk terecht in een ruimte waarvan de wanden, de vloer en het plafond zo ongeveer een en al gereedschap waren. Aan een paar van de wanden hingen eenvoudige dingen: handboren, schulpzagen met eigenaardig gevormde handvaten, schroeven, en een schroevedraaier. Dingen die ik tenminste thuisbrengen kon. Ook zag ik daar spijkers en iets dat volgens mij een hamer was met een grote platte kop. Het geheel zag eruit als een knutselwerkplaats bij iemand thuis in de kelder. Maar er waren daar ook een stuk of wat heel ingewikkeld uitziende dingen, waar ik niets van begreep.’ Door het venster aan de voorkant konden ze nu het buitenaardse schip in de ruimte zien hangen. Er bewogen zich daarbinnen schaduwen van niet-menselijke wezens. Sally keek er ook naar, maar Horvath zei droogjes: ‘Ik dacht dat u zei dat ze u niet gedwongen hadden een bepaalde kant op te gaan.’

‘Dat zei ik niet. Ik geloof alleen niet dat ze me ergens vandaan geleid hebben. Maar ik weet zeker dat ze me naar die gereedschapskamer tóe geleid hebben. Waarom weet ik niet, maar ik heb zo’n idee dat het een intelligentietest was. Als dat zo is, dan ben ik gezakt.’ Aalmoezenier Hardy zei: ‘Het enige Splinterwezen dat wc tot dusverre ondervraagd hebben, kan zelfs de simpelste gebaren niet begrijpen. En nu kom jij me vertellen dat die Splintertjes intelligentietests afgenomen hebben —’

‘En dat ze mijn gebaren konden interpreteren. Daar waren ze inderdaad verbazend snel in. Ja, meneer, ze zijn anders, reken maar. U heeft ze immers zelf op het beeldscherm gezien.’

Hardy wond een plukje van zijn rode haar, dat al tamelijk dun begon te worden, om een knokige vinger heen, en trok er zachtjes aan. ‘Die beelden die via je helmcamera uitgezonden werden, bedoel je? Ja, Jonathon. Ik geloof dat we met twee verschillende soorten Splintertjes te maken hebben. Het ene type is dat van een geleerde idioot en zegt geen woord. En het andere… kan praten,’ eindigde hij mat. Hij betrapte zichzelf erop dat hij met zijn haar zat te spelen en duwde het weer op zijn plaats. ‘Ik hoop maar dat ik leren kan terug te praten.’ Ze zijn er allemaal bang voor, besefte Whitbread. Vooral Sally. En zelfs aalmoezenier Hardy, die anders door niets van de wijs te brengen is. Allemaal bang voor die eerste stap.

‘Heeft u nog andere indrukken opgedaan?’ vroeg Horvath.

‘Ik kan me niet aan de gedachte onttrekken dat dat schip speciaal voor een toestand van vrije val ingericht was. Overal stroken van een of ander kleverig materiaal. En ook opblaasbaar meubilair. En die halfcirkelvormige compartimenten zijn door korte gangetjes met elkaar verbonden, die even wijd zijn als die compartimenten zelf. Onder acceleratie zouden die in open valluiken veranderen waar je onmogelijk omheen zou kunnen.’

‘Dat is vreemd,’ zei Horvath peinzend. ‘Tot vier uur geleden was dat schip anders onder acceleratie.’

‘Precies, meneer. Die verbindingsgangetjes moeten nieuw zijn.’ Plotseling drong het tot Whitbread door wat hij daar zei. Die verbindingsgangetjes moesten nieuw zijn…

‘Maar dat maakt ons weer wat wijzer,’ zei aalmoezenier Hardy zachtjes. ‘En je zegt dat dat meubilair onder de gekste hoeken tegen de wanden geplakt zit. We hebben allemaal gezien dat het de Splintertjes niets kon schelen hoe ze ten opzichte van jou georiënteerd waren, toen ze met je spraken. Alsof vrije val voor hen een natuurlijke omstandigheid was. Alsof ze erin geëvoluéérd waren…’

‘Maar dat is toch onmogelijk,’ wierp Sally tegen. ‘Het is onmogelijk, maar toch… u hebt gelijk, doctor Hardy! Mensen oriënteren zich altijd. Zelfs oudere Mariniers die hun hele leven in de ruimte hebben doorgebracht! Maar niemand zou in vrije val kunnen evolueren.’

‘Een ras dat oud genoeg was wel,’ zei Hardy. ‘En daar is die kwestie van die asymmetrische armen. Een evolutionaire vooruitgang misschien? We zouden er goed aan doen die theorie in gedachten te houden, als we straks met de Splinters praten.’ Als we met hen kunnen praten tenminste, voegde hij daar voor zichzelf aan toe. ‘Ze raakten in vervoering over mijn ruggegraat,’ zei Whitbread. ‘Alsof ze er nog nooit een gezien hadden.’ Hij zweeg even. ‘Ik weet niet of ze het u verteld hebben, maar ik heb me voor hen uitgekleed. We vonden het niet meer dan billijk hen… te laten weten hoe we eruitzien.’ Hij kon het niet opbrengen Sally aan te kijken.

‘Ik lach je heus niet uit,’ zei ze. ‘Ik zal straks hetzelfde moeten doen.’ Whitbreads hoofd kwam met een ruk omhoog. ‘Wat?’ Sally koos haar woorden met zorg; denk aan die provinciale zeden, zei ze tegen zichzelf. Ze keek niet op van het dek onder haar voeten. ‘Wat het ook zijn mag dat kapitein Blaine en admiraal Kutuzov voor de Splinters verborgen wensen te houden, het bestaan van twee verschillende menselijke geslachten maakt daar geen deel van uit. Ze hebben er recht op te weten hoe we gebouwd zijn, en ik ben de enige vrouw aan boord van de MacArthur.’

‘Maar je bent de nicht van senator Fowler!’

Om die woorden moest ze toch wel even glimlachen. ‘We zullen het ze niet verklappen.’ Meteen stond ze op. ‘Stuurman Lafferty, ik ben zover. Laten we gaan.’ Ze draaide zich nog even naar hem om, op en top een dame van het Keizerlijk hof tot aan haar houding toe, die door niets verried dat ze zich in vrije val bevond. ‘Jonathon, ik dank je voor je bezorgdheid. Aalmoezenier, u mag u bij me voegen zodra ik u roep.’ En daar ging ze.

Na een lange stilte zei Whitbread: ‘Ik vroeg me al af waarom iedereen zo nerveus was.’

En recht voor zich uit kijkend zei Horvath: ‘Ze stond erop.’

Sally stelde zich weer in verbinding met de sloep toen zij bij het buitenaardse schip gearriveerd was. Dezelfde Splinter die Whitbread verwelkomd had, of anders eentje die er precies eender uitzag, verwelkomde haar aan boord met een hoffelijke buiging. Dit werd gefilmd door een camera aan boord van de ruimtetaxi, en toen de aalmoezenier het beeld te zien kreeg boog hij zich plotseling met een ruk naar het beeldscherm toe. ‘Die halve hoofdknik is precies zoals jij dat doet, Whitbread. Hij is een uitstekende naaper.’

Enkele minuten later stelde Sally zich opnieuw in verbinding met de sloep, ditmaal alleen geluid en geen beeld. Ze bevond zich in een van de halfcirkelvormige compartimenten. ‘Ik ben aan alle kanten omringd door Splinters. Een heleboel ervan hebben instrumenten bij zich. Voor handgebruik. Jonathon, hadden die —’

‘De meesten van hen hadden niets in hun handen. Hoe zien die instrumenten eruit?’

‘Nou, een van die dingen ziet eruit als een camera die half uit elkaar gehaald is, en weer een andere heeft een scherm bij zich, dat aan het scherm van een oscilloscoop doet denken.’ Het bleef even stil. ‘Nou, daar gaan we dan. Fowler uit.’ Klik.

Twintig minuten lang wisten ze niet hoe Sally Fowler het maakte. Drie mannen zaten onrustig in hun stoelen heen en weer te schuiven met hun ogen strak op een leeg intercomscherm gericht. Toen ze de sloep eindelijk weer opriep klonk haar stem monter. ‘Oké, heren, komt u maar.’

‘Mijn beurt.’ Hardy gespte zich los en zweefde in een langzame boog naar de luchtsluis van de sloep. Ook zijn stem klonk opgewekt van opluchting. Het wachten was achter de rug.

Rod was omringd door de gebruikelijke bedrijvigheid op de brug. Wetenschappers zaten te kijken naar wat er op de voornaamste beeldschermen te zien viel, en kwartiermeesters waren bezig alles weer op orde te brengen nu de MacArthur haar korte vlucht beëindigd had en vijftig kilometer verderop weer stil was komen te liggen in de ruimte. Om iets te doen te hebben liet Rod cadet Staley een gesimuleerde aanval met Mariniers uitvoeren op het Splinterschip. Alles zuiver theoretisch natuurlijk; maar het hielp Rod tegen zich van alles in zijn hoofd te halen over wat er zich daarginds wel mocht afspelen. Toen Horvaths oproep doorkwam was dat een welkome afleiding, en Rods stem was een en al uitbundige hartelijkheid toen hij antwoordde. ‘Hallo, doctor! Hoe staan de zaken daarginds?’

Horvath glimlachte bijna, zowaar. ‘Dank u, kapitein, heel goed. Doctor Hardy is zojuist vertrokken om zich bij vrouwe Sally te gaan voegen. Ik heb uw man Whitbread met hem meegestuurd.’

‘Mooi.’ Rod voelde de pijn die zijn gespannen houding tussen en onder zijn schouderbladen achtergelaten had. Dus Sally had het volbracht…

‘Kapitein, meneer Whitbread maakte melding van een gereedschapskamer aan boord van het buitenaardse schip. Hij vermoedt dat hij getest werd op zijn vaardigheid om met gereedschappen om te gaan. Het is zojuist bij me opgekomen dat de Splinterwezens misschien ons allemaal op grond van een dergelijke vaardigheid zullen beoordelen.’

‘Dat is heel goed mogelijk. Het vervaardigen en gebruiken van gereed schappen is een fundamenteel —’

‘Goed, goed, kapitein, maar wij zijn geen van allen gereedschapsmakers! Ons groepje bestaat uit een taalkundige, een antropologe, een regeringsfunctionaris — mijn persoon — en een stelletje krijgslieden van de Marine. We staan voor schut, kapitein. We hebben al onze tijd eraan besteed zoveel mogelijk te weten te komen omtrent de Splinters. En we hebben er totaal geen aandacht aan besteed hoe we hen zouden kunnen doordringen van onze eigen intelligentie.’ Blaine dacht hier even over na. ‘Onze schepen zelf zouden tot voorbeeld daarvoor kunnen dienen… maar er valt wat voor te zeggen, doctor. Ik zal u iemand sturen. We hebben onherroepelijk wel iemand aan boord die hoge cijfers kan halen bij zo’n test.’

Toen Horvath weer van het beeldscherm verdwenen was, drukte Rod opnieuw een aantal knoppen van de intercom in. ‘Kelley, je kunt de helft van je Mariniers nu wel laten inrukken.’

‘Tot uw orders, kap’tein.’ Het gezicht van de sergeant vertoonde geen spoor van emotie, maar Rod wist maar al te goed hoe oncomfortabel die gevechtspantserkleding was. De Mariniers van de MacArthur, die zich tot op de laatste man en in een toestand van volledige paraatheid op het hangardek bevonden, hadden die kleding allemaal aan. Nadenkend stelde Blaine zich vervolgens in verbinding met Sinclair. ‘Ik zit met ’n ietwat ongebruikelijk probleem, Sandy. We hebben iemand nodig die over het algemeen goed met gereedschappen kan omgaan, en bereid is aan boord van het Splinterschip te gaan. Als jij een aantal van je mannen voor me zou willen uitkiezen, zal ik om vrijwilligers vragen.’

‘Nie nodig, kap’tein. Ik ga zelf wel.’

Blaine was stomverbaasd. ‘Jij, Sandy?’

‘Jae, en waarrom nie, kap’tein? Ben ’k soms nie bedrreven in ’t ge-brruiken van gerreedschap? Is err soms iets, wat ik nie rrepaarreerren kan? M’n jongens kunnen alles ’t hoofd bieden wat maarr verrkeerrd kan gaan mee de MacArthur, ’k Heb ze goed getrraind. Jullie kunnen ’t best zonderr me doen…’

‘Hola, niet zo haastig, Sandy.’

‘Kap’tein?’

‘Oké. Iemand die zo’n test met goed gevolg zou doorstaan zou onherroepelijk ook op de hoogte zijn met de werking van het Veld en de Aandrijving, dus het doet er eigenlijk niet toe wie we sturen. Toch loop je de kans dat de Admiraal je niet zal willen laten gaan.’

‘D’rr is niemand anderrs aan boorrd, die alles, maarr dan ook alles omtrrent dat schip van gindse beestjes te weten zou kunnen komen, kap’tein.’

‘Ja. Vooruit dan maar, ga maar kijken of de scheepsarts je wil goedkeuren. En geef me een naam op. Wie moet ik sturen als jij geen toestemming krijgt?’

‘Stuurrt u dan Jacks maarr. Of Leigh Battson, of geeft nie wie van m’n jongens, zolang ’t Thumbs Menchikov nie is.’

‘Menchikov. Is dat niet die mecanicien die tijdens dat gevecht met de Defiant zes man bevrijd heeft, die opgesloten waren komen te zitten in de achterste torpedokamer?’

‘Jawel, kap’tein. En tis ook de knul die twee weken vóórr dat gevecht uw douche gefikst heeft.’

‘O. Nou, wel bedankt, Sandy.’ Hij verbrak de verbinding en keek de brug rond. Er was eigenlijk maar erg weinig voor hem te doen. De beeldschermen gaven het Splinterschip te zien, dat gecentreerd lag in liet vuurpatroon van de hoofdbatterij van de MacArthur; zijn schip was veilig genoeg voor alles wat het buitenaardse vaartuig ondernemen kon. Maar nu was niet alleen Sally daar aan boord, maar ook Hardy en Whitbread… Hij draaide zich om naar Staley. ‘Die laatste oefening heb je er heel goed afgebracht. Werk nu maar eens een reddingsplan uit, uitgaande van de veronderstelling dat slechts de helft van de Mariniers zich in staat van paraatheid bevindt.’

Sally hoorde de bedrijvigheid achter zich toen Hardy en Whitbread werden binnengebracht aan boord van het Splinterschip, maar toen ze verschenen keek ze nauwelijks om. Ze had er even de tijd voor genomen om zich weer behoorlijk aan te kleden, met tegenzin, maar het moest nu eenmaal. Nu was ze bezig in het zwakke en gefilterde Splinterlicht haar handen over het lichaam van een Bruin-en-wit-gestreepte te laten glijden, zijn (haar) elleboog- en schoudergewrichten bewegend en het verloop van de spieren volgend, terwijl ze een ononderbroken stroom bevindingen in haar keelmicrofoon dicteerde. ‘Mijn conclusie is dat het ook hier een ondergeschikt ras betreft, dat echter nauw verwant is aan de Bruinen, misschien nauw genoeg om zich rasecht voort te kunnen planten. Dit zullen wc straks op Nieuw-Schotland, waar we over de juiste apparatuur daarvoor kunnen beschikken, kunnen vaststellen aan de hand van de genetische codering. Misschien zouden de Splinters hier zelf het antwoord op kunnen geven, maar we dienen voorzichtig te zijn met het stellen van vragen, totdat we hebben kunnen vaststellen welke taboes er in hun beschaving gelden.

‘Er is kennelijk geen sprake van een sexuele discriminatie zoals wij die in het Keizerrijk kennen; het overheersende aantal vrouwelijke wezens is zelfs opvallend. Eén van de beide Bruinen is van het mannelijk geslacht, en zorgt voor de twee jongen. De jongen zijn gespeend; tenminste, voor zover ik zien kan is er geen zogend vrouwtje — of mannetje — aan boord.

‘Mijn hypothese is dat ze, in tegenstelling tot de mensheid na de Afscheidingsoorlogen, geen gebrek aan moeders of andere kinderdragen-de wezens hebben, zodat er geen cultureel mechanisme van een overmatige bescherming bestaat zoals dat in het Keizerrijk nog tot op heden het geval is. Ik heb er geen theorie over, waarom de Bruin-en-wit-gestreepten geen jongen hebben, hoewel het mogelijk is dat de onvolwassen Splintertjes die ik hier zie, telgen van Bruin-en-wit-gestreepten zijn en de Bruinen als kinderopvoeders optreden. Er is in ieder geval wel een duidelijke neiging de Bruinen al het technische werk te laten verrichten.

Hoewel niet dramatisch, is er toch een duidelijk verschil tussen de beide typen. Bij de Bruinen zijn de handen groter en beter ontwikkeld en hun voorhoofd helt in sterkere mate achterover. Ook zijn de Bruinen kleiner van stuk. Vraag: Welk van beide typen is door zijn ontwikkeling beter toegerust om met gereedschappen om te gaan? Het Bruin-en-wit-gestreepte heeft een ietwat grotere hersencapaciteit, terwijl het Bruine over betere handen beschikt. Alle Bruin-en-wit-gestreepten die ik tot dusverre gezien heb zijn van het vrouwelijk geslacht, terwijl bij de Bruinen beide geslachten vertegenwoordigd zijn: is dit een toevallige omstandigheid, vormt het een aanwijzing met betrekking tot hun beschaving, of is het van zuiver biologische aard? Einde van dit dictaat. Welkom aan boord, heren.’

‘Nog moeilijkheden gehad?’ vroeg Whitbread.

Haar hoofd zat in een plastic kap die rond haar hals sloot, net als die douchezakken van de Marine; ze was kennelijk niet gewend aan het gebruiken van neusademhalingsmaskers. Door de zak klonk haar stem eniszins gedempt. ‘Helemaal niet. Ik heb van die, uh, orgie beslist evenveel geleerd als zij. Wat staat er nu op het programma?’

Taallessen.

Daar was bijvoorbeeld het woord Fyunch(klik). Toen de aalmoezenier naar zichzelf wees en ‘David’ zei, boog het Splintertje dat hij op dat moment aankeek haar onderste rechterarm in dezelfde stand en zei ‘Fyunch(klik),’ het geluid van dat ‘klik’ met haar tong voortbrengend. Prachtig. Maar: ‘Ik geloof dat mijn Splinter precies zo heette,’ zei Sally.

‘Bedoelt u dat ik me toevallig tot hetzelfde buitenaardse wezen gericht heb?’

‘Nee, dat geloof ik niet. En ik weet zéker dat Fyunch(klik)’ — ze sprak het zorgvuldig uit, maakte ook netjes dat klikgeluid met haar tong, maar bedierf toen het effect ervan door te giechelen — ‘niet het woord voor Splinter is. Dat heb ik al geprobeerd.’

De aalmoezenier fronste het voorhoofd. ‘Misschien dat al hun eigennamen voor ons eender klinken. Of misschien hebben we wel hun woord voor „arm” te pakken,’ zei hij doodernstig. Daarover bestond een klassieke anekdote, die al zó oud was dat hij waarschijnlijk van vóór het atoomtijdperk dateerde. Hij wendde zich tot een andere Splinter, wees weer naar zichzelf, en vroeg, ‘Fyunch(klik)?’ Zijn accent was nagenoeg volmaakt en ook liet hij het giechelen achterwege.

‘Nee,’ zei het Splintertje. ‘Dat hebben ze vlug geleerd,’ zei Sally.

Whitbread wilde het ook eens proberen. Met zwemmende bewegingen begaf hij zich tussen de Splintertjes, telkens op zichzelf wijzend met de vraag, ‘Fyunch(klik)?’ Viermaal achtereen kreeg hij een onberispelijk uitgesproken ‘Nee’ ten antwoord, maar toen tikte een ondersteboven hangend Splintertje hem op zijn knieschijf en zei, ‘Fyunch(klik)? Ja.’

Dus: er waren drie Splintertjes die een mens met ‘Fyunch(klik)’ aanspraken. En elk van hen zei dat tegen één afzonderlijk mens en niet tegen de anderen. Nou, en?

‘Misschien betekent het wel zo iets als “Ik ben aan u toegewezen”,’ opperde Whitbread.

‘Dat is alvast één veronderstelling,’ beaamde Hardy. En een tamelijk goede ook, maar er waren onvoldoende bewijzen voor — zou die jon-gen toevallig goed geraden hebben?

Splinters zweefden bedrijvig om hen heen. Sommige van de instrumenten die ze bij zich droegen zouden camera’s of recorders hebben kunnen zijn. Sommige instrumenten brachten geluiden voort wanneer de mensen spraken; weer andere persten stroken (geluidsband?) naar buiten, of produceerden kronkelige oranje lijnen op kleine beeldschermpjes. De Splinters schonken ook enige aandacht aan Hardy’s eigen instrumenten. Vooral die zwijgende Bruine die een mannetje was deed dat; hij haalde Hardy’s oscilloscoop uit elkaar en zette hem weer in elkaar voor Hardy’s ogen. Het ding leek nu een helderder beeld te geven en ook werkte de regelaar nu veel beter, vond hij. Interessant was dat. En dat soort dingen deden alleen de Bruinen. Met de spraakles hielden ze zich thans alle drie bezig. Het was nu tot een soort spel geworden de Splinters Anglisch te leren. Ze hoefden maar te wijzen en het woord te zeggen, en meestal wisten de Splinters het te onthouden. David Hardy zond een dankgebedje op. De Splinters prutsten voortdurend aan het inwendige van hun instrumenten; ze veranderden telkens de afstelling ervan en soms overhandigden ze ze ook wel eens aan een van de Bruinen onder het uitbrengen van een levendige reeks fluittonen, die op vogelgezang leken. Het toon-bereik van hun stemmetjes was verbijsterend. Wanneer ze hun eigen Splintertaai spraken, konden ze in een fractie van een seconde van een diepe bas op een schelle sopraan overgaan. De toonhoogte maakte deel uit van de boodschap, vermoedde Hardy.

Hij was er zich van bewust dat er inmiddels de nodige tijd verstreken was. Zijn maag was een grote, holle ruimte, waarvan hij het gcprotesteer met een soort afwezige minachting negeerde. Rond zijn neus begonnen pijnlijke ruwe plekken te ontstaan, daar waar het ademhalingsmasker aansloot. Zijn ogen traanden van de Splintertjes-atmosfeer die onder de randen van zijn stofbril naar binnen drong, en hij wenste dat hij maar voor een helm gekozen had, of voor zo’n plastic zak als Sally droeg. De Splinter zelf was een heldere vlek verstrooid licht, die zich langzaam over de doorschijnende gebogen wand bewoog. De kurkdroge lucht die uit zijn ademhalingsmasker kwam was bezig hem langzaam maar zeker uit te drogen.

Hij ervoer al deze dingen als een verstrijken van de tijd en hij negeerde ze. Hij was vervuld van een soort vreugde. David Hardy was bezig met het vervullen van zijn levenstaak.

Ondanks het unieke van de situatie besloot Hardy niet van de traditionele taalwetenschap af te wijken. Met begrippen zoals hand, gezicht, oren, vingers deden zich problemen voor, waarvoor geen enkel precedent bestond. Voor de twaalf vingers van de rechterhanden bleek één verzamelnaam te bestaan en voor de drie dikke vingers van de linkerhand een andere. Voor het oor hadden ze een naam wanneer het plat lag en een andere naam wanneer het overeind stond. Voor gezicht hadden ze geen naam, hoewel ze zich het Anglische woord ervoor onmiddellijk eigen maakten en het een waardevolle aanwinst schenen te vinden.

Hij had gedacht dat zijn spieren inmiddels wel aan vrije val gewend zouden zijn, maar nu begon hij er toch last van te krijgen. Hij schreef dat niet toe aan oververmoeidheid. Hij wist niet waar Sally gebleven was, en dat feit verontrustte hem niet. Dit was een bewijs dat hij zowel Sally als de Splintertjes als collega’s was gaan aanvaarden; maar het bewees ook hoe vermoeid hij was. Hardy beschouwde zichzelf als een onbevooroordeeld man, maar wat Sally een ‘overdreven beschermende houding ten opzichte van vrouwen’ genoemd zou hebben, zat diep ingeworteld in de keizerlijke beschaving — en nergens was dit meer het geval dan bij de Marine, met haar kloosterlijke instelling. Pas toen zijn voorraad zuurstof op was, slaagden de anderen erin Hardy ertoe over te halen mee terug naar de sloep te gaan.

Hun avondmaal was eenvoudig en ze haastten zich erdoorheen om hun bevindingen met elkaar te kunnen gaan vergelijken. De anderen lieten hem genadig met rust totdat hij klaar was met eten, Horvath voorop, die iedereen tot stilte maande, hoewel hijzelf kennelijk de nieuwsgierigste van het hele stel was. Hoewel het eetgerei speciaal voor het eten in een toestand van vrije val ontworpen was, waren de anderen geen van allen aan lange perioden van zero gee gewend en het eten vergde nieuwe gewoonten die je slechts kon aanleren door je erop te concentreren. Eindelijk liet Hardy een van de bemanningsleden het dienblad van zijn schoot weghalen en stond hij op. Drie gretige gezichten zonden telepathisch wel een miljoen vragen naar hem op. ‘Ze leren het Anglisch vlot genoeg,’ zei David. ‘Ik wou dat ik hetzelfde kon zeggen voor wat mijn eigen vorderingen betreft.’

‘Ze leggen zich er helemaal op toe,’ zei Whitbread met iets van verbazing in zijn stem. ‘Wanneer je ze een nieuw woord opgeeft blijven ze het aan één stuk door gebruiken en het voortdurend herhalen; ze proberen het uit in zinnetjes en op alles wat zich in de buurt bevindt van hetgeen je ze aangewezen hebt — zó iets heb ik nog nóóit gezien.’

‘Dat komt doordat je niet lang genoeg naar dr. Hardy gekeken hebt,’ zei Sally. ‘Ze hebben ons die techniek destijds ook geleerd op school, maar ik ben er niet erg goed in.’

‘Dat zijn jonge mensen maar zelden.’ Hardy rekte zich uit om zich te ontspannen. In die leemte was inmiddels voorzien. Maar het was gênant — de Splinters waren bekwamere taalkundigen dan hijzelf. ‘Jonge mensen hebben doorgaans geen geduld voor taalwetenschappen. Maar jullie geestdrift helpt in dit geval, want de Splinters weten jullie pogingen heel deskundig te regisseren. Tussen haakjes, Jonathon, waar was jij ineens gebleven?’

‘Ik heb mijn Fyunch(klik) mee naar buiten genomen om hem de taxi te laten bezichtigen. De voorraad dingen die we hun in hun eigen schip konden aanwijzen begon uitgeput te raken, en ik wilde ze niet meenemen hierheen. Zouden we dat mogen, denkt u?’

‘Jazeker.’ Horvath glimlachte. ‘Ik heb met kapitein Blaine gesproken en hij laat het aan ons inzicht over. Zoals hij ook al zei, bevat de sloep inderdaad geen geheimen. Toch zou ik er graag een speciale gelegenheid van willen maken — een soort ceremonie, vinden jullie ook niet? Per slot van rekening hebben de Splinters, met uitzondering van die mineralenzoekster, nog nooit voet aan boord van een menselijk schip gezet.’

Hardy haalde zijn schouders op. ‘Zij hebben anders ook niet veel poeha gemaakt over onze komst aan boord van hun schip. Maar u moet wel bedenken dat, tenzij het hele ras van de Splinters begaafd is met een fantastisch talent voor talen — een hypothese die ik verwerp — ze hun speciale ceremonie al gehouden hebben voordat ze van hun planeet vertrokken. Ze hebben talenspecialisten meegenomen. Het zou me niet verbazen als onze Fyunch(klik)ken de Splinter-equivalenten van volslagen professoren zouden blijken te zijn.’ Whitbread schudde het hoofd. De anderen keken hem aan, en na even gewacht te hebben nam hij het woord. Hij was er aardig trots op een techniek bedacht te hebben die het een jong officiertje mogelijk maakte anderen te onderbreken. ‘Meneer, dat schip is van de Splinterplaneet vertrokken, slechts enkele uren — misschien zelfs minder dan één uur — nadat de MacArthur in hun zonnestelsel verschenen was. Hoe zouden ze dan tijd gehad kunnen hebben om specialisten bijeen te brengen?’

‘Dat heb ik niet geweten,’ zei Hardy langzaam. ‘Maar dit móeten wel specialisten van een of andere aard zijn. Wat voor nut zouden zulke fantastische taalkundige begaafdheden onder de algemene bevolking hebben? En fantastisch is niet te sterk uitgedrukt. Maar toch hebben we kans gezien ze lichtelijk in verwarring te brengen, of is dat jullie niet opgevallen?’

‘Bedoelt u soms die gereedschapskamer?’ vroeg Sally. ‘Zo zou je het tenminste moeten noemen, veronderstel ik, hoewel ik niet geloof dat ik er wijs uit had kunnen worden als Jonathon me er niet tevoren van verteld had. Ze brachten me daar naartoe vlak nadat ik bij u weggegaan was, doctor Hardy, en ik kan niet zeggen dat ze zich verbaasd gedroegen. Maar wel is me opgevallen dat u daar veel langer gebleven bent dan ik.’

‘Wat heeft u daar gedaan?’ vroeg David.

‘Nou, niets eigenlijk. Ik heb al die spullen bekeken. Dat hele vertrek was overdekt met allerlei rommel — tussen haakjes, die klemmen waaraan alles opgehangen was waren niet solide genoeg om tegen echte zwaartekracht bestand te zijn, daar ben ik zeker van. Ze móeten dat vertrek ingericht hebben nadat ze hier aangekomen waren. Maar hoe dan ook, aangezien er toch niets bij was dat ik begrijpen kon, heb ik niet al te veel aandacht aan dat vertrek besteed.’ Hardy vouwde zijn handen in elkaar alsof hij wilde gaan bidden en keek toen lichtelijk verlegen op. Die gewoonte had hij al gehad, lang voordat hij ooit priester geworden was, en om de een of andere reden zag hij geen kans het af te leren; maar het was een teken van concentratie en niet van vroomheid. ‘U hebt dus niets gedaan en ze toonden daar geen verbazing over.’ Secondenlang dacht hij ingespannen na. ‘En toch, hoewel ik naar de namen van al die dingen vroeg en een hele tijd daar gebleven ben, scheen mijn Fyunch(klik) daar erg verbaasd over te zijn. Het is natuurlijk mogelijk dat ik die gevoelsuiting verkeerd geïnterpreteerd heb, maar ik geloof werkelijk dat mijn belangstelling voor die gereedschappen ze in de war bracht.’

‘Heeft u ook geprobeerd een van die dingen te gebruiken?’ vroeg Whitbread.

‘Nee. Jij wel?’

‘Tja, ik heb een paar van die dingen betast en er een beetje aan gefrommeld…’

‘En toonden ze zich daar verrast of bevreemd over?’ Jonathon haalde zijn schouders op. ‘Ze sloegen me voortdurend gade. Er is me geen verandering in hun houding opgevallen.’

‘Juist, ja.’ Hardy vouwde zijn handen weer, maar ditmaal merkte hij zelf niet dat hij dat deed. ‘Volgens mij steekt er iets eigenaardigs achter dat vertrek en achter de belangstelling die ze getoond hebben voor ónze belangstelling daarvoor. Maar ik betwijfel of we er achter zullen komen waarom dat is, totdat kapitein Blaine zijn expert hierheen stuurt. Weet u al wie hij stuurt?’ Horvath knikte. ‘Hoofdmachinist Sinclair.’

‘Hmmm.’ Het geluid was Jonathon Whitbread ontsnapt zonder dat hij er erg in had. De anderen keken allemaal naar hem en er verscheen een langzame grijns op zijn gezicht. ‘Als de Splintertjes door ü al van hun stuk gebracht werden, meneer, moet u zich eens indenken wat er straks door hun hoofden moet gaan, als ze luitenant Sinclair horen praten.’

Aan boord van een oorlogsschip van de Marine blijft een man niet op een gemiddeld gewicht staan. Gedurende de lange perioden van nietsdoen amuseren diegenen die van eten houden zich door te eten. En dan worden ze dik. Maar mannen die het in zich hebben hun leven aan een taak te wijden — en daartoe behoort een flink percentage van degenen die bij de Marine blijven om er carrière te maken — raken geneigd maaltijden over te slaan. Voedsel vermag hun aandacht niet gevangen te houden.

Sandy Sinclair keek strak voor zich uit, terwijl hij stijf rechtop zat op de rand van de onderzoektafel. Zo was Sinclair nu eenmaal: hij kon iemand niet in de ogen kijken wanneer hij naakt was. Hij was groot en mager, en zijn spieren waren veel sterker dan ze eruitzagen. Je zou hem een doorsnee man hebben kunnen noemen als hij niet een skelet had meegekregen dat drie maten te groot was.

Eén derde van zijn totale oppervlakte werd in beslag genomen door roze littekenweefsel. Scherpe stukken metaal die uit een explosie waren komen vliegen, hadden die roze richel achtergelaten, die over zijn valse ribben liep. De rest van de littekens was voor het merendeel in hem gebrand door plotseling uitschietende vlammen of druppels gesmolten metaal. Een ruimtegevecht liet brandwonden na als het een man al überhaupt in leven liet.

De dokter was drieëntwintig jaar oud en van het joviale type. ‘Al vierentwintig jaar in dienst, hè? Ooit een ruimtegevecht meegemaakt?’

‘Als ge lang genoeg bij de Marrine blijft, zult ge strraks uw eigen voorrrraad littekens hebben,’ zei Sinclair bits.

‘Om de een of andere reden geloof ik u wel. Nou, luitenant, voor ’n man van in de veertig verkeert u nog in een verwonderlijk goede staat. Volgens mij zou u wel een maand lang vrije val kunnen verdragen, maar veiligheidshalve zullen we u tweemaal in de week naar de MacArthur terugsleuren. En ik zal u wel niet hoeven te vertellen regelmatig uw vrije-valoefeningen te blijven doen.’

De volgende dag riep Rod Blaine de sloep verscheidene malen op, maar pas toen het al avond was slaagde hij er eindelijk in iemand anders te spreken te krijgen dan de piloot. Zelfs Horvath was aan boord van het Splinterschip gegaan.

Aalmoezenier Hardy was uitgeput maar opgetogen, met een grijns die van oor tot oor liep en met grote donkere kringen onder zijn ogen. ‘Ik beschouw het maar als een les in nederigheid, kapitein. Ze zijn veel bekwamer in mijn werk — nou ja, in de taalwetenschappen tenminste — dan ikzelf. Ik ben tot de conclusie gekomen dat de snelste manier om hun taal te leren zal zijn, hun Anglisch te leren. Geen menselijk strottehoofd zal ooit hun taal — of talen? — kunnen spreken zonder hulp van een computer.’

‘Dat ben ik met u eens. Je zou er een compleet orkest voor nodig hebben. Ik heb enkele van uw geluidsbanden afgespeeld. Ik had feitelijk niet veel anders te doen, doctor.’

Hardy glimlachte. ‘Sorry. We zullen proberen wat vaker verslag uit te brengen. Tussen haakjes, doctor Horvath is momenteel bezig een groep Splinters een rondleiding door de sloep te geven. Vooral de aandrijving schijnt hun veel belangstelling in te boezemen. Die Bruine wil alles uit elkaar halen, maar de piloot steekt er telkens een stokje voor. U heeft anders wel gezegd dat deze boot geen geheimen bevatte.’

‘Jazeker heb ik dat gezegd, maar het zou wel eens een beetje voorbarig kunnen zijn ze aan uw energiebron te laten knoeien. Wat vond Sinclair ervan?’

‘Dat weet ik niet, kapitein.’ Hardy’s gezicht drukte verwondering uit. ‘Ze zijn al de hele dag met hem in die gereedschapskamer. Daar is hij nu nog steeds.’

Blaine betastte de knobbel op zijn neus. Hij kreeg weliswaar de inlichtingen te horen waar het om te doen was geweest, maar aalmoezenier Hardy was niet precies degene die hij had willen spreken. ‘Uh, hoeveel Splinters zijn er momenteel aan boord van uw sloep?’

‘Vier. Eén voor ieder van ons: ikzelf, dr. Horvath, vrouwe Sally, en meneer Whitbread. Ze schijnen ons toegewezen te zijn als wederkerige gidsen.’

‘Vier van hen dus.’ Rod probeerde aan het idee te wennen. De sloep was weliswaar geen officieel in dienst gesteld vaartuig, maar niettemin was het een van Zijner Majesteits oorlogsbodems, en het aan boord hebben van een stelletje buitenaardse wezens was ergens… waanzin. Horvath wist toch zeker wat voor risico’s hij nam. ‘Maar vier? Heeft Sinclair dan geen gids?’

‘Vreemd genoeg niet, nee. Hij wordt door een heel stel tegelijk gadegeslagen terwijl hij daar in die gereedschapskamer bezig is, maar ze hebben hem geen speciale gids toegewezen.’

‘En er zijn ook geen gidsen voor de stuurman en de ruimtematrozen aan boord van de sloep?’

‘Nee.’ Hardy dacht een ogenblik daarover na. ‘Dat is inderdaad vreemd, hè? Het is alsof ze luitenant Sinclair tot de onbelangrijke bemanningsleden rekenen.’

‘Misschien hebben ze gewoon wat tegen de Marine.’ David Hardy haalde zijn schouders op. Toen zei hij voorzichtig: ‘Kapitein, vroeg of laat zullen we ze aan boord van de MacArthur moeten uitnodigen.’

‘Daar komt niets van in, vrees ik.’

Hardy zuchtte. ‘Tja, dat is juist de reden waarom ik het nu ter sprake breng, opdat we erover kunnen praten. Ze hebben getoond dat ze ons vertrouwen, kapitein. Er is geen kubieke centimeter van hun schip die we niet te zien gekregen hebben, of op zijn minst afgetast hebben met onze instrumenten. Whitbread kan getuigen dat er aan boord geen spoor van wapens te bekennen is. Na verloop van tijd zullen ze zich beginnen af te vragen wat voor misdadige geheimen we aan boord verborgen houden.’

‘Dan zal ik het u vertellen. Zijn er Splinters binnen gehoorsafstand?’

‘Nee. En zó goed hebben ze onze taal nog niet geleerd, trouwens.’

‘Vergeet u niet dat dat straks wél het geval zal zijn, en vergeet ook niet dat ze recorders hebben. Maar waar het om gaat is dit, aalmoezenier. Uw probleem is het verband tussen de Splinters en de Schepping. Het Keizerrijk ziet zich met een ander probleem geconfronteerd. Er is nu al heel lang over gespeculeerd wat er gebeuren zou als op een dag een ras van Grote Wijze Galactische Tovenaars zou komen opdagen en er zich over zou beraden of de mensheid al dan niet geschikt was om mee te mogen doen, nietwaar? Alleen is het nu andersom, hè? Thans dienen wij te besluiten of we de Splinters zullen toestaan zich buiten hun zonnestelsel te begeven, en totdat we dat besluit genomen hebben willen we niet dat ze ons Langston-veld te zien krijgen, of onze Alderson-aandrijving, of onze wapens… of zelfs maar hoeveel van de MacArthur in beslag genomen wordt door leefruimte, aalmoezenier. Dat zou te veel verraden omtrent onze bekwaamheden. We hebben een heleboel te verbergen en dat zullen we ook doen!

‘U doet alsof het vijanden zijn,’ zei David Hardy op zachtaardige, lichtelijk verwijtende toon.

‘En dat is noch voor u, noch voor mij om te besluiten, doctor. Trouwens, er is een aantal vragen waarop ik eerst een antwoord wil hebben voordat ik concludeer dat de Splinters trouwe vrienden zijn, en meer niet.’ Rod liet zijn blik langs de aalmoezenier heen glijden en zijn ogen richtten zich op een punt ergens heel ver weg. Ik ben er niet rouwig om dat het niet aan mij is om te beslissen, dacht hij. Maar uiteindelijk zullen ze me naar mijn mening komen vragen. Al was het alleen maar omdat ik de toekomstige Markies van Crucis ben. Hij had geweten dat dit onderwerp ter sprake gebracht zou worden, en dat dit niet de laatste keer zou zijn ook; hij was erop voorbereid geweest. ‘Ten eerste, waarom hebben ze een schip naar ons toegestuurd vanaf Splinter Alpha? Waarom niet vanuit de Trojaanse asteroïden-zwerm? Dat is immers veel dichterbij.’

‘Zodra ik kan, zal ik het ze vragen.’

‘En ten tweede, waarom viér Splinters? Het is misschien helemaal niet belangrijk, maar ik zou graag willen weten waarom ze jullie wetenschapsmensen en Whitbread er elk één toegewezen hebben, maar géén aan een van de bemanningsleden.’

‘Maar daarmee hadden ze het bij het rechte eind, waar of niet? Ze hebben gidsen toegewezen aan juist die vier personen, die er het meeste belang in stelden hun het een en ander bij te brengen —’

‘Precies. Hoe wisten ze dat? Om eens een voorbeeld te noemen, hoe hadden ze kunnen weten dat doctor Horvath zich aan boord zou bevinden? En mijn derde vraag is, wat zijn ze momentéél bezig te bouwen?’

‘Goed, kapitein.’ Hardy keek sip, en niet kwaad. Het was moeilijker hem iets te weigeren dan Horvath… niet alleen nu, maar ook in de toekomst, en dat kwam deels door het feit dat hij Rods biechtvader was. En dat onderwerp zou nog wel meer ter sprake komen. Daar was Rod zeker van.

23. Eliza’s vlucht over het ijs

Gedurende de eerstvolgende weken was de MacArthur een en al bedrijvigheid. Na iedere transmissie van nieuwe gegevens door de sloep maakten alle wetenschappers overuren, en allemaal wilden ze daarbij geholpen worden door de Marine, en wel nu metéén. Ook was daar het probleem van de ontsnapte miniatuurtjes, maar dit was langzamerhand tot een soort spel geworden, waarbij de MacArthur de verliezende partij was. In de kantine werden weddenschappen afgesloten waarbij de kans dat ze allebei dood waren op vijftig procent werd gesteld, maar er waren nog altijd geen lijken gevonden. Het baarde Rod Blaine zorgen, maar hij kon er niets aan veranderen.

Ook stond hij de Mariniers toe op wacht te staan in hun normale uniformen. De sloep verkeerde niet in gevaar en het was belachelijk een twaalftal mannen in die oncomfortabele gevechtspantserkleding te houden. In plaats daarvan verdubbelde hij de wachten die patrouille-dienst hadden door hele schip, maar geen enkel levend wezen — of ding — probeerde te naderen, te ontsnappen, of berichten uit te zenden. Intussen raakten de biologen in vervoering over aanwijzingen die hun inzicht verschaften in de psychologie en de fysiologie van de Splinters, ging de astronomie-afdeling ermee door Splinter Alpha in kaart te brengen, ging Buckman tekeer wanneer anderen gebruik wilden maken van de astronomische apparatuur, en trachtte Blaine zijn overvolle schip vlot te laten blijven functioneren. Telkens wanneer hij in een geschil tussen wetenschappers moest bemiddelen, groeide zijn waardering voor Horvath weer een beetje meer.

Ook aan boord van de sloep heerste bedrijvigheid. Luitenant Sinclair was inmiddels daarheen verhuisd en onmiddellijk aan boord van het Splinterschip gebracht. Het duurde drie dagen voordat een Bruin-en-wit-gestreepte Sinclair overal begon te volgen, en deze Splinter was vreemd stil en zwijgzaam. In tegenstelling tot de anderen die zich als gids aan een menselijk wezen toegevoegd hadden, scheen het zich te interesseren voor de machinerie aan boord van de sloep. Urenlang bleven Sinclair en zijn Fyunch(klik) aan boord van het buitenaardse schip, in hoekjes rondscharrelend en alles onderzoekend.

‘Die jongen heeft gelijk gehad met wat hij overr die gerreedschapskamerr zei,’ zei Sinclair tijdens een van zijn dagelijkse rapporten. ‘Tis zo iets als die intelligentietests zonderr woorrden, die de Afdeling Perrsoneel voorr nieuwe recrruten bedacht heeft. D’rr mankeerrt wat aan sommige van die gerreedschappen, en mijn taak is de fout te vinden en te verrbeteren.’

‘Wat mankeert er zoal aan?’

Sinclair grinnikte toen hij eraan terugdacht. Het kostte hem enige moeite Blaine het grappige ervan te doen inzien. Die hamer met die grote platte kop bijvoorbeeld, was zo gemaakt dat je er onherroepelijk telkens mee op je duim moest slaan. Hij had hem kleiner moeten maken. En dat laserapparaat was te snel heet geworden… en dat was een moeilijk klusje geweest. Het ding had de verkeerde lichtfrequentie opgewekt. Sinclair had dit verholpen door de frequentie te verdubbelen — op de een of andere manier. Maar tegelijk had hij daardoor meer van compacte laserapparatuur geleerd dan hij ooit geweten had. Er waren nog andere, soortgelijke tests geweest. ‘Ze zijn verrnuftig, kap’tein. Bij sommige van die testspullen moet d’rr heel wat vindingrrijk-heid aan te pas gekomen zijn om ze zo in elkaarr te zetten dat ze nie méérr verrklapten omtrrent waarr ’m de fout zat, dan nu ’t geval was. Maarr ze kunnen nie verrhinderen dat ik ’t een en anderr omtrrent hun schip te weten kom… Kap’tein, ’k weet nu al genoeg om onze sloepen zó te kunnen verranderren dat ze bedrrijfszekerrderr worrden. Of om miljoenen krronen te kunnen verrdienen met ’t ontwerrpen van minerralendelverrsvaartuigen.’

‘Dus je gaat de Marine verlaten als we straks weer thuis zijn, Sandy?’ vroeg Rod, maar hij liet die vraag vergezeld gaan van een brede grijns om aan te tonen dat hij het niet meende.

In de tweede week kreeg ook Rod Blaine een eigen Fyunch(klik) toegewezen.

Hij was er zowel onthutst als gevleid door. Het wezen zag er net uit als alle andere: bruine en witte strepen en een vriendelijke grijns op een scheef gezicht, dat net ver genoeg boven de vloer was, zodat Rod haar een klopje op haar hoofd zou kunnen geven — als hij het Splintertje tenminste ooit van aangezicht tot aangezicht zou ontmoeten, en dat zou hij nooit.

Telkens wanneer hij de sloep opriep verscheen zij op het beeldscherm, altijd blij Blaine te zien en verlangend om met hem te praten. En telkens wanneer hij de sloep opriep was haar Anglisch weer een stukje beter. Ze plachten een paar woorden met elkaar te wisselen en daar bleef het bij. Hij had geen tijd voor een Fyunch(klik), en hij had er trouwens ook geen nodig. Het was zijn taak niet de taal van de Splinters te leren — naar de tot dusverre daarmee behaalde resultaten te oordelen was dat eigenlijk niemands taak — en hij kreeg haar alleen maar te zien via de intercom. Wat moest hij met een gids die hij nooit ontmoeten zou?

‘Ze schijnen van mening te zijn dat u een belangrijk iemand bent,’ had Hardy daarop met een uitgestreken gezicht geantwoord.

Het gaf hem iets om over na te denken terwijl hij de scepter zwaaide over zijn gekkenhuis van een schip. En het buitenaardse wezen beklaagde zich nergens over.

Al dat bedrijvige gedoe van die maand raakte Horace Bury nauwelijks. Hij ontving in het geheel geen nieuws van de sloep en ook kon hij geen enkele bijdrage leveren aan het wetenschappelijke werk, dat aan boord verricht werd. Zijn oren gespitst houdend voor geruchten die altijd van pas kwamen, wachtte hij tot er nieuwtjes tot hem zouden doordringen via de bemanning, maar ook langs die weg kwam hij niet veel te weten. De verbinding met de sloep scheen op te houden bij de brug en buiten Buckman had hij geen echte vrienden onder de wetenschapsmensen. Blaine was ermee opgehouden alles via de intercom bekend te maken. Voor het eerst sedert hij Nieuw-Chicago verlaten had begon Bury zich een gevangene te voelen.

Dit zat hem meer dwars dan het geval zou hebben moeten zijn, hoewel hij van nature voldoende zelfkennis had om de reden daarvan te kennen. Zijn hele leven lang had hij ernaar gestreefd zijn omgeving te beheersen zover hij maar reiken kon: tot aan de andere kant van een planeet, lichtjaren ver door de ruimte en over een tijdspanne van tientallen jaren — of tot in de verste uithoeken van een slagkruiser van de Marine. De bemanning behandelde hem weliswaar als een gast, maar niet als een meester; en overal waar hij geen meester kon zijn, was hij een gevangene.

Ook ging er het nodige geld zijn neus voorbij. Ergens in de niet voor iedereen toegankelijke compartimenten van de MacArthur, buiten ieders bereik behalve dat van de hoogsten in rang onder de wetenschappers, waren natuurkundigen bezig die rijke vondsten uit de Stenen Bijenkorf te bestuderen. Het had hem weken van inspanning gekost voordat hem eindelijk het gerucht ter ore was gekomen dat het een supergeleider van warmte betrof.

Dat spul zou van onschatbare waarde zijn, en hij wist dat hij eenvoudig móest proberen er een monstertje van te pakken te krijgen. Hij wist zelfs hoe hij het zou kunnen aanleggen, maar dwong zichzelf ermee te wachten. Nog niet! Het juiste tijdstip om dat monster te stelen zou zijn vlak voordat de MacArthur op Nieuw-Schotland landde. Er zouden daar schepen wachten zonder er acht op te slaan wat dat lange wachten kostte; niet alleen een schip aan boord waarvan hij openlijk erkend zou worden als de eigenaar, maar nog minstens één ander schip. En in die tussentijd zou hij zijn oor te luisteren leggen, en aan de weet zien te komen wat hij nog meer in zijn bezit diende te hebben wanneer hij de MacArthur vaarwel zei.

Hij beschikte over verscheidene rapporten over de Stenen Bijenkorf, die hij met elkaar vergelijken kon. Hij had zelfs geprobeerd inlichtingen in te winnen bij Buckman; maar het resultaat was eerder amusant dan winstgevend geweest.

‘O, die Stenen Bijenkorf kun je wel vergeten,’ had Buckman uitgeroepen. ‘Dat ding was daarheen verhuisd. Het is volkomen waardeloos. Die Bijenkorf heeft niets uitstaande met de vorming van die zwermen op de Trojaanse punten, en de Splinterwezens hebben in het inwendige zo’n chaos aangericht en de structuur zodanig overhoop gehaald dat er omtrent de oorspronkelijke steenklomp eenvoudig niets meer vast te stellen valt…’

Goed. De Splinters beschikten dus over een techniek om supergeleiders van warmte te maken en maakten die dingen ook. En verder waren die kleine Splintertjes er ook altijd nog. Hij genoot van al dat gezoek naar die ontsnapte miniatuurtjes. Natuurlijk koos het merendeel van het Marinepersoneel partij voor de verdrukten; dat vluchtende miniatuurtje en haar kind, zo iets als Eliza’s vlucht over het ijs. En het miniatuurtje was aan de winnende hand. Er verdween voedsel van de meest uiteenlopende plekken: kajuiten, salons, overal vandaan behalve uit de keuken zelf. En de fretten slaagden er niet in de lucht van ze te krijgen. Hoe hadden die miniatuurtjes het klaargespeeld een wapenstilstand met de fretten te sluiten? vroeg Bury zich af. Goed, het waren buitenaardse wezens, maar toch hadden de fretten er de eerste avond geen moeite mee gehad hun lucht in hun neusgaten te krijgen. Bury genoot van de jacht, maar hij nam zich de les ter harte: een miniatuurtje was moeilijker te vangen dan vast te houden. Als hij er veel van hoopte te verkopen als huisdieren, zou hij er goed aan doen ze in kooien te verkopen waaruit ze niet ontsnappen konden. En dan was daar nog het probleem hoe aan een stelletje te komen om ze te kunnen gaan fokken. Hoe langer die miniatuurtjes in vrijheid bleven, des te minder werden Bury’s kansen om de Marine ervan te overtuigen dat het slechts onschuldige, vriendelijke huisdiertjes waren. Maar het was plezierig de Marine voor schut te zien staan. Bury koos voor beide partijen en oefende geduld; en de weken gingen voorbij.

Terwijl er zes als Fyunch(klik)ken hun intrek genomen hadden aan boord van de sloep, werkte de rest van de Splinters onvermoeibaar door. Het inwendige van het buitenaardse schip veranderde als het decor in een droom: telkens wanneer een van de mensen aan boord ging was het weer veranderd. Sinclair en Whitbread maakten er een gewoonte van het vaartuig periodiek te inspecteren om er zich van te vergewissen dat er geen wapens geconstrueerd waren; misschien dat ze daar iets van gemerkt zouden hebben, misschien ook niet. Op een dag kwamen Hardy en Horvath de Kapitein opzoeken in zijn wachtkajuit, na een uur in de gymnastiekruimte van de MacArthur doorgebracht te hebben.

‘Er is een brandstoftank naar de Splintertjes onderweg,’ vertelde Horvath aan Rod. ‘Het ding werd ongeveer tegelijkertijd met hun eigen schip gelanceerd door middel van een lineaire accelerator, maar in een brandstofbesparende baan. Over twee weken zou het hier moeten zijn.’

‘Zo, is het dat.’ Blaine en zijn officieren hadden zich al een poosje zorgen gemaakt over dat stille voorwerp, dat ongehaast naar hun positie toe kwam zweven.

‘Wist u er dan van? Dat had u ons wel mogen vertellen.’

‘Ze zullen dat ding op de een of andere manier moeten oppikken en binnenhalen,’ mijmerde Blaine. ‘Hmm. Ik vraag me af of een van mijn boten het hierheen zou kunnen loodsen voor ze. Zouden ze ons dat laten doen?’

‘Ik zou het niet weten waarom niet. We zullen het hen vragen,’ zei David Hardy. ‘O ja, er is nóg iets, kapitein.’

Rod wist dat hij nu met een of andere netelige kwestie op de proppen zou komen. Als het om iets ging dat Rod wel eens zou kunnen weigeren, liet Horvath het hem altijd door dr. Hardy vragen. ‘De Splintertjes willen de sloep en hun ambassadeursschip door een brug met luchtsluizen erin met elkaar verbinden,’ besloot Hardy. ‘Het is maar een tijdelijk bouwsel en we hebben dat ding nodig.’ Horvath zweeg even. ‘Het is maar een veronderstelling, begrijpt u, maar, kapitein, we zijn thans van mening dat ieder bouwsel voor hen slechts tijdelijk is. Toen ze vertrokken, moeten ze speciale ligstoelen voor hoge zwaartekracht aan boord gehad hebben, maar die zijn nu verdwenen. Ze zijn hier gearriveerd zonder voldoende brandstof om naar huis terug te keren. En het is zo goed als zeker dat ze gedurende die drie uren na hun aankomst hun levensinstandhoudingssysteem omgebouwd hebben voor een toestand van vrije val.’

‘ “En ook dit zal heengaan”,’ voegde Hardy er hulpvaardig aan toe. ‘Maar dat denkbeeld schijnt hen niet te hinderen. Ze schijnen het zelfs prettig te vinden.’

‘Daarin wijken ze in belangrijke mate af van de menselijke psychologie,’ zei Horvath ernstig. ‘Misschien zal een Splinter überhaupt nooit proberen iets blijvends te ontwerpen. Dan hebben ze geen Sfinx, geen piramiden, geen Washington Monument, en ook geen Tombe van Lenin.’

‘Doctor, dat idee van die twee schepen met elkaar te verbinden staat me helemaal niet aan.’

‘Maar kapitein, iets dergelijks is voor ons onontbéérlijk. Kr gaan voortdurend mensen en Splinters over en weer bij elkaar op bezoek en nu moeten ze daarvoor iedere keer de taxi gebruiken. En trouwens, de Splinters zijn al met het werk begonnen —’

‘Mag ik u erop wijzen dat, als ze die twee schepen met elkaar verbinden, u en alle anderen aan boord vanaf dat ogenblik afhankelijk zullen zijn van de welwillendheid van de Splinterwezens?’ Horvaths veren gingen overeind staan. ‘Ik ben ervan overtuigd dat we de buitenaardse wezens vertrouwen kunnen, kapitein. We maken zeer goede vorderingen met ze.’

‘En trouwens,’ voegde aalmoezenier Hardy er gelijkmoedig aan toe, ‘we zijn nü al aan hen overgeleverd. Die situatie is van het begin af aan onvermijdelijk geweest. De MacArthur en de Lenin zijn onze bescherming, als we tenminste bescherming nodig hebben. Als ze zich zelfs door twee slagschepen niet zouden laten afschrikken — hoe dan ook, we wisten wat de situatie was, toen we ons aan boord van de sloep begaven.’

Blaine knarste met zijn tanden. De sloep mocht dan vervangbaar zijn, maar het personeel aan boord van de sloep was dat niet. Sinclair, Sally Fowler, dr. Horvath, de aalmoezenier — de meest waardevolle personen van de MacArthur woonden momenteel aan boord van de sloep. Toch had de aalmoezenier ontegenzeggelijk gelijk. Ze liepen ieder moment het risico allemaal vermoord te worden, zij het dan op straffe van de wraak van de MacArthur.

‘Laat ze hun gang dan maar gaan,’ zei Rod. Die brug met luchtsluizen kon het gevaar op geen enkele manier groter maken. Met de bouw van de luchtsluis werd begonnen zodra Rod zijn toestemming gegeven had. Er kwam een buis van dun metaal, van soepele, buigzame geledingen voorzien, vanuit de romp van het Splinterschip naar hen toegekronkeld alsof het een levend schepsel was. Er zwermden Splinters omheen, gekleed in teer en kwetsbaar aandoende ruimtepakken. Vanuit het grote observatieraam van de sloep gezien, zouden het bijna mensen hebben kunnen zijn — bijna. Sally’s ogen begonnen haar parten te spelen terwijl ze ernaar keek. De belichting was onnatuurlijk — dat vage schijnsel van de Splinter en die ruimtezwarte schaduwen met af en toe opflikkerend kunstlicht, terwijl dit alles weerkaatst werd door dat helder glanzende, gebogen metalen oppervlak. Het perspectief deugde niet, en bezorgde haar hoofdpijn. ‘Ik vraag me nog steeds af waar ze het metaal vandaan halen,’ zei Whitbread. Hij kwam bij haar zitten, zoals hij meestal deed wanneer ze allebei even niets te doen hadden. ‘Tijdens mijn eerste bezoek aan dat schip heb ik niets van enige overtollige massa aan boord kunnen bespeuren, en die hebben ze ook nu niet. Ze moeten bezig zijn hun schip hiervoor te slopen.’

‘Dat zou in hun lijn liggen,’ zei Horvath.

Met ballonnetjes thee en koffie in de hand hadden ze zich na het avondmaal om het grote observatieraam geschaard. De Splinters waren liefhebbers van thee en chocolademelk geworden; koffie konden ze niet verdragen. Mens, Splinter, mens, Splinter, zo zaten ze om en om op de hoefijzervormige vrije-valbank rond het venster. De Fyunch(klik)ken hadden zich de menselijke hebbelijkheid aangeleerd zich allemaal met hun hoofden in dezelfde richting op te stellen. ‘Moeten jullie zien hoe snel ze te werk gaan,’ zei Sally. ‘Het is net alsof je die brug gewoon voor je ogen ziet groeien.’ Opnieuw probeerden haar ogen scheel te gaan staan. Het was alsof een groot aantal van de Splinters verder weg, een heel stuk achter de anderen aan het werk waren. ‘Die met die oranje onderscheidingstekens moet een Bruine zijn. Zij schijnt de leiding te hebben; komt het jullie ook niet zo voor?’

‘Maarr ook verrricht ze ’t meeste werrk,’ zei Sinclair. ‘Daar schuilt een eigenaardig soort logica in,’ zei Hardy. ‘Als ze genoeg kennis bezit om de lakens uit te delen, moet ze ook in staat zijn het werk beter te doen dan een van de anderen, dunkt u ook niet?’ Hij wreef in zijn ogen. ‘Ben ik nu gek, of zijn sommige van die Splinters kleiner dan de anderen?’

‘Daar ziet het inderdaad naar uit,’ zei Sally.

Whitbread tuurde naar de bruggebouwers. Het scheen hem toe dat een heleboel Splinters een heel eind achter het ambassadeursschip aan het werk waren — totdat drie van hen zich aan de voorkant erlangs bewogen. Voorzichtig zei hij: ‘Heeft iemand al geprobeerd er door de scoop naar te kijken? Lafferty, schakel hem eens in voor ons, wil je?’ Op het beeldscherm van de telescoop werd het hun maar al te duidelijk. Sommige van de werklieden waren heel klein, klein genoeg om in ieder spleetje weg te kunnen kruipen. En ook hadden ze stuk voor stuk vier armen.

‘Ge — gebruiken jullie die wezens wel vaker als werklieden?’ vroeg Sally aan haar Fyunch(klik).

‘Ja. We vinden ze erg nuttig. Zijn er niet — gelijke — wezens in jullie schepen?’ Het buitenaardse wezen scheen verbaasd. Van al de Splinters gaf dat van Sally de indruk zich het vaakst over de mensen te verbazen. ‘Denk je dat het Rod verontrusten zal?’

‘Maar wat zijn het voor wezentjes?’ wilde Sally weten. Ze negeerde de vraag die de Splinter haar gesteld had.

‘Het zijn — werklieden,’ antwoordde de Splinter. ‘Nuttige — dieren. Je bent verbaasd omdat ze klein zijn? Die van jullie zijn groot, dus?’

‘Uh, ja,’ antwoordde Sally afwezig. Ze keek de anderen aan. ‘Ik denk dat ik die — dieren — eens van dichtbij ga bekijken. Heeft er iemand zin om mee te gaan?’ Maar Whitbread was al bezig zijn ruimtepak aan te trekken en de anderen ook.

‘Fyunch(klik),’ zei het buitenaardse wezen.

‘Godallemachtig!’ ontplofte Blaine. ‘Laten ze jullie nu al de intercom-gesprekken aannemen ook?’

Het buitenaardse wezen sprak langzaam en lette zorgvuldig op haar uitspraak. Haar grammatica was niet volmaakt, maar haar beheersing van idioom en stembuiging verbaasde hem telkens weer opnieuw. ‘Waarom niet? Ik spreek goed genoeg. Ik kan een boodschap onthouden. Ik kan de recorder bedienen. Ik heb weinig te doen wanneer jij niet beschikbaar bent.’

‘Daar is niets aan te doen.’

‘Dat weet ik.’ Ietwat zelfvoldaan voegde het buitenaardse wezen eraan toe: ‘Ik heb een matroos laten schrikken.’

‘God nog toe, je hebt mij zelfs laten schrikken. Is daar niemand aanwezig?’

‘Stuurman Lafferty. Alle andere menswezens zijn afwezig. Zij zijn naar de — tunnel gaan kijken. Wanneer hij klaar is zullen de matrozen niet met hen mee hoeven te gaan wanneer zij het andere schip willen bezoeken. Kan ik een boodschap doorgeven?’

‘Nee, dank je, ik neem straks wel weer contact op.’

‘Sally zal wel spoedig weer terug zijn,’ zei Blaines Splinter. ‘Hoe gaat het met je? En hoe maakt het schip het?’

‘Redelijk wel.’

‘Je klinkt altijd zo voorzichtig wanneer je over het schip spreekt. Trap ik misschien op geheimen van de Marine? Het is niet het schip waarvoor ik mij interesseer, Rod. Ik ben jóuw Fyunch(klik). En dat betekent aanzienlijk meer dan alleen maar gids.’ Het Splintertje maakte een eigenaardig gebaar. Rod had haar dat al eerder zien doen wanneer ze onthutst of geërgerd was.

‘Wat betekent Fyunch(klik) eigenlijk precies?’

‘Ik ben aan jou toegewezen. Jij bent een project, een meesterstuk. Ik moet zoveel omtrent jou leren als er maar te leren valt. Ik moet expert worden op het gebied van jou, Heer Roderick Blaine, en jij moet mijn studieterrein worden. Het is-s niet jouw reusachtige, stijve, slecht ontworpen schip dat mij interes-s-seert, het is-s jouw houding ten opzichte van dat schip en de menswezens aan boord, de mate van gezag die je over hen hebt, je belang-s-stelling voor hun welzijn, etcetera.’ Hoe zou Kutuzov op zo iets reageren? Door de verbinding te verbreken? Verdomme. ‘Niemand houdt ervan gadegeslagen te worden. Iederéén zou zich minder op zijn gemak voelen als hij zo bestudeerd werd.’

‘We vermoedden al dat je het zo zou opvatten. Maar, Rod, jullie zijn immers hier om ons te bestuderen, nietwaar? Dan hebben wij toch zeker het recht jullie ook te bestuderen.’

‘Dat recht hebben jullie.’ Rod kon niet verhinderen dat zijn stem stroef klonk. ‘Maar als iemand in verlegenheid raakt terwijl je met hem praat, dan zal dat waarschijnlijk de reden zijn.’

‘Godverdomme nog aan toe,’ zei Blaines Splinter. ‘Jullie zijn de eerste intelligente wezens die wij ooit ontmoet hebben, die geen verwanten van ons-s zijn. Hoe zouden jullie kunnen verwachten je bij ons op je gemak te voelen?’ Met de wijsvinger van haar bovenste rechterhand wreef ze over het platte middengedeelte van haar gezicht, maar liet haar hand toen snel vallen alsof ze zich daarvoor geneerde. Het was hetzelfde gebaar dat ze even tevoren ook al gemaakt had. Er klonken geluiden van ergens buiten het beeld. ‘Wacht een moment,’ zei Blaines Splintertje. Toen: ‘Oké, het is-s Sally, en Whitbread.’ Ze verhief haar stem. ‘Sally? De Kapitein is op het beeldscherm.’ Ze liet zich uit de stoel glijden. Sally Fowler gleed erin. Haar glimlach had iets geforceerds toen ze zei: ‘Hallo, kap’tein. Wat is er voor nieuws?’

‘Hier gaat alles zijn gewone gang. Hoe gaat het daar bij jullie?’

‘Rod, je ziet er geagiteerd uit. Het is een vreemde gewaarwording, hè? Maak je geen zorgen, ze kan ons momenteel niet horen.’

‘Gelukkig maar. Ik denk niet dat ik het leuk zou vinden als een buitenaards wezen op die manier mijn gedachten las. Maar ik veronderstel dat ze niet écht gedachten kunnen lezen.’

‘Ze beweren van niet. En af en toe raden ze verkeerd.’ Ze streek met een hand door haar haar, dat er verwilderd uitzag, waarschijnlijk doordat ze zojuist haar drukhelm afgezet had. ‘Op de meest dwaze manier, zelfs. De Fyunch(klik) van luitenant Sinclair wilde eerst geen woord tegen hem zeggen. Ze dachten dat hij een Bruine was; je weet wel, zo eentje van het idiote timmermantype. Hoe staat het met de miniatuurtjes?’

Dat was een onderwerp dat ze allebei hadden leren vermijden. Rod vroeg zich af waarom ze het ter sprake gebracht had. ‘De vluchtelingen zijn nog steeds op vrije voeten. Geen spoor van ze te vinden. Het is zelfs mogelijk dat ze ergens doodgegaan zijn waar we ze nooit zouden kunnen vinden. Die ene die achtergebleven is, is er nog altijd. Je moest maar eens naar haar kijken, Sally, de volgende keer dat je hier bent. Ze zou wel eens ziek kunnen zijn, dunkt ons.’ Sally knikte. ‘Goed, ik kom morgen. Rod, heb je die werkploeg van de Splinters al eens gadegeslagen?’

‘Niet bepaald, nee. Ik heb alleen gezien dat die luchtsluis blijkbaar al zo goed als klaar is.’

‘Ja… Rod, voor een deel van het werk hebben ze getrainde miniatuurtjes gebruikt.’

Met stomheid geslagen staarde Rod haar aan.

Sally voelde zich niet op haar gemak en vermeed hem aan te kijken. ‘Ja, getrainde miniatuurtjes. Met ruimtepakken aan. We wisten niet dat ze die ook aan boord hadden. Ik neem aan dat ze schuw zijn; ze houden zich zeker verborgen wanneer er mensen aan boord zijn. Maar het zijn per slot van rekening maar dieren. We hebben het ze gevraagd.’

‘Dieren.’ O, mijn God. Wat zou Kutuzov hierover te zeggen hebben? ‘Sally, dit is belangrijk. Kun je vanavond nog overkomen om me er alles over te vertellen? Jij, en diegenen die hier nog meer iets over kunnen vertellen.’

‘Goed. Momenteel zit luitenant Sinclair ze te observeren. Rod, het is werkelijk fantastisch zo goed als die kleine beestjes getraind zijn. En ze zien kans op plaatsen te komen, waarvoor wij gereedschappen met kniegewrichten en ogen op steeltjes nodig zouden hebben.’

‘Ik twijfel er geen moment aan. Sally, zeg me de waarheid. Bestaat er ook maar de geringste kans dat de miniatuurtjes intelligent zijn?’

‘Nee. Ze zijn alleen maar getraind.’

‘Alleen maar getraind.’ En als die aan boord van de MacArthur nog leefden, zouden ze het schip inmiddels van voor tot achter verkend hebben. ‘Sally, is er ook maar de geringste kans dat een van die buitenaardse wezens horen kan wat ik nu zeg?’

‘Nee. Ik gebruik het oorapparaatje, en we hebben ze niet toegestaan aan onze apparatuur te komen.’

‘Je dénkt enminste dat ze dat niet gedaan hebben. Maar luister nu goed naar wat ik te zeggen heb, en daarna wil ik al de anderen aan boord van de sloep ook nog even privé spreken, een voor een. Heeft iemand van jullie ook maar iets uit zijn mond laten vallen over het feit dat er aan boord van de MacArthur ontsnapte miniatuurtjes vrij rondscharrelen?’

‘Nee, niet dat ik weet. Je hebt het ons immers verboden? Rod, wat is er aan de hand?’

Wat is er aan de hand, vraagt ze nog. ‘In godsnaam, rep met geen wóórd over die ontsnapte miniatuurtjes. Ik zal het de anderen ook zeggen, zo meteen. En ik wil jullie allemaal vanavond nog hier zien, iedereen behalve de normale bemanning van de sloep. Het wordt tijd dat we alles wat we van de Splintertjes afweten eens op een rijtje zetten, want ik zal morgenochtend verslag moeten uitbrengen bij de Admiraal.’ Hij zag bijna bleek. ‘Tot zolang kan ik nog wel wachten, neem ik aan.’

‘Wel ja, natuurlijk kun je dat,’ zei ze. Ze schonk hem een betoverende glimlach, maar het ging haar niet al te best af. Ze geloofde niet Rod nog ooit zo verontrust gezien te hebben, en het maakte haar van streek. ‘Met een uurtje komen we over. Hier is meneer Whitbread nu, en Rod, wil je je nou alsjeblieft niet zoveel zorgen maken?’

24. Kaboutertjes

De salon van de MacArthur was stampvol. Alle stoelen aan de grote tafel waren bezet met officieren en wetenschappers en langs de kanten stonden er ook nog een heleboel. Aan een van de wanden had de verbindingsdienst een groot beeldscherm geïnstalleerd, daarbij in de weg gezeten door hofmeesters van de kantine die de verzamelde aanwezigen koffie serveerden. Iedereen snaterde er onbezorgd op los, behalve Sally. Ze herinnerde zich het gekwelde gezicht van Rod Blaine, en het blije weerzien werd er voor haar door bedorven. Alle officieren en manschappen stonden op toen Rod de salon binnenkwam. Sommige burgers stonden eveneens op; weer anderen deden net alsof ze de Kapitein niet zagen; en er waren er ook een paar die naar hem keken om vervolgens een andere kant op te kijken, hun status van burgers uitbuitend. Terwijl Rod zijn plaats aan het hoofd van de tafel innam mompelde hij: ‘Op de plaats rust,’ en ging toen zorgvuldig zitten. Sally vond dat hij er nu nog bezorgder uitzag dan daarstraks.

‘Kelley.’

‘Meneer!’

‘Is dit vertrek beveiligd?’

‘Zo goed als maar mogelijk is, meneer. Buiten heb ik vier paar wachtposten geplaatst en ook heb ik de tunnels van het buizenstelsel geïnspecteerd.’

‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg Horvath op hoge toon. ‘Tegen wie denkt u eigenlijk te moeten waken?’

‘Tegen iedereen — en alles — buiten dit vertrek, doctor.’ Rod keek de Minister van Wetenschappen aan met ogen waarin zowel gezag als een verzoek om begrip te lezen stond. ‘Om te beginnen moet ik u mededelen dat alles wat hier besproken zal worden als Strikt Geheim zal worden geklassificeerd. Ziet iedereen af van een voorlezing van de Keizerlijke Voorschriften met betrekking tot het onthullen van vertrouwelijke informatie?’

Er werd instemmend gemompeld. De opgeruimde stemming van het gezelschap was plotseling verdwenen.

‘Niemand tegen? Laat het aldus opgetekend worden in de officiële stukken. Doctor Horvath, men heeft mij te verstaan gegeven dat u drie uur geleden tot ontdekking gekomen bent dat de miniatuurtjes in hoge mate getrainde dieren zijn, die in staat zijn onder supervisie technische werkzaamheden te verrichten. Is dat juist?’

‘Ja. Zeer zeker. En het was een hele verrassing, dat kan ik u wel vertellen! De implicaties zijn niet te overzien — als we zouden kunnen leren daar richting aan te geven, zouden ze een fantastische aanvulling voor onze eigen vaardigheden kunnen betekenen.’ Rod knikte afwezig. ‘Bestaat er enige mogelijkheid dat we dat eerder te weten hadden kunnen komen? Wist iemand hiervan af? Wie dan ook?’ Een verward geroezemoes, maar niemand antwoordde. Nadrukkelijk en duidelijk sprekend zei Rod: ‘Laat in de officiële stukken opgetekend worden dat niemand hiervan afwist.’

‘Wat zijn dat voor officiële stukken, waar u het aldoor over hebt?’ wilde Horvath weten. ‘En waarom maakt u zich daar druk over?’

‘Doctor Horvath, deze conversatie wordt opgenomen, en na afloop van getuigenverklaringen voorzien, aangezien zij wellicht als bewijsmateriaal zal moeten dienen in een zaak voor de krijgsraad, waarvoor ikzelf waarschijnlijk als gedaagde zal moeten verschijnen. Is dat duidelijk genoeg?’

‘Wat — Grote hemel! hijgde Sally. ‘Een krijgsraad? Jij? Waarom?’

‘De aanklacht zal waarschijnlijk hoogverraad luiden,’ zei Rod. ‘Ik zie dat dit de meesten van mijn Officieren geen verbazing inboezemt. Vrouwe, mijne heren, van de Onderkoning in eigen persoon hebben wij de strikte opdracht ontvangen niets te ondernemen waardoor enig onderdeel van de keizerlijke militaire technologie in gevaar gebracht zou kunnen worden, en in het bijzonder ervoor te zorgen dat het Langston-veld en de Alderson-aandrijving gevrijwaard blijven tegen een inspectie door Splinterwezens. Gedurende de afgelopen weken hebben dieren die het vermogen bezitten die technologie te doorgronden, en die waarschijnlijk ook in staat zijn de aldus opgedane kennis aan andere Splinterwezens door te geven, naar believen door mijn schip kunnen rondzwerven. Begrijpt u het nü?’

‘Ik begrijp het.’ Horvath vertoonde geen tekenen van ongerustheid, maar wel verscheen er een peinzende trek op zijn gezicht. ‘En u heeft dit vertrek extra beveiligd om — Gelooft u werkelijk dat de miniatuurtjes kunnen begrijpen wat wij hier tegen elkaar zeggen?’ Rod haalde zijn schouders op. ‘Ik acht het mogelijk dat ze conversaties kunnen onthouden en naderhand herhalen. Maar of de miniatuurtjes nog in leven zijn? Kelley?’

‘Meneer, er is al wekenlang geen spoor van ze te bekennen geweest. Van onze voedselvoorraden is niets geroofd. En buiten een allejezus groot aantal muizen zijn de fretten nergens mee voor de dag gekomen. Als u het mij vraagt zijn die beesten dood, kap’tein.’ Blaine wreef langs zijn neus, maar haalde toen gauw zijn hand weg.

‘Sergeant, hebt u ooit van „kaboutertjes” aan boord van dit schip gehoord?’

Kelleys gezicht verried geen enkele verbazing. Het verried in feite helemaal niets. ‘Kaboutertjes, kap’tein?’

‘Rod, heb je je verstand verloren?’ flapte Sally eruit. Iedereen keek haar aan en sommigen keken bepaald niet vriendelijk. O jee, dacht ze, nou heb ik me vergaloppeerd. Sommigen van die lui wéten waar hij het over heeft. O jee.

‘Ja, sergeant, ik zei kaboutertjes. Heeft u daar ooit van gehoord?’

‘Nou nee, officieel niet, kap’tein. Maar wel kan ik u zeggen dat sommigen van de ruimtematrozen de laatste tijd in elfjes schijnen te geloven. Zelf kan ik daar geen kwaad in zien.’ Niettemin keek Kelley onthutst. Hij had ervan gehoord, maar verzuimd het te rapporteren, en nu was de Kapitein, zijn Kapitein, daardoor wellicht in moeilijkheden geraakt…

‘Verder nog iemand?’ wilde Rod weten. ‘Uh — meneer?’

Rod moest zich uitrekken om te zien wie daar gesproken had. Cadet Potter stond bij de tegenoverliggende wand en ging bijna geheel schuil achter twee biologen. ‘Ja, meneer Potter?’

‘Sommigen van de mannen van mijn wacht, kap’tein — die zeggen dat als je wat eten — graankorrels, overschotjes uit de kantine, kan niet schelen wat — in de gangen of onder je kooi neerlegt samen met iets dat gerepareerd moet worden, ’t ook inderdaad gerepareerd wordt.’ Potter keek niet erg op zijn gemak. Hij vond kennelijk dat het maar een hoop onzin was, wat hij daar rapporteerde. ‘Een van de mannen noemde het “kaboutertjes”. Ik dacht toen dat hij maar een grapje maakte.’

Nu Potter eenmaal zijn mond opengedaan had, kwam plotseling wel een dozijn anderen met verhalen voor de dag. Zelfs sommigen van de wetenschappers. Verhalen over microscopen waarvan de brandpuntsinstelling nu veel soepeler werkte dan die van de beste produkten die ooit door Leica Optische Industrieën gemaakt waren. Over een met de hand vervaardigde lamp in de biologie-afdeling. Over laarzen en schoenen die precies aangepast waren aan iemands voeten. Toen hij dat hoorde keek Rod eensklaps op.

‘Kelley. Hoeveel van jouw manschappen zijn in het bezit van handvuurwapens die net zo geïndividualiseerd zijn als die van jou en meneer Renner?’

‘Uh — ik weet het niet, meneer.’

‘Ik kan er hiervandaan een zien. Jij daar, Polizawsky, hoe ben je aan dat wapen gekomen?’

De Marinier hakkelde. Hij was niet gewend met officieren te spreken, zeker niet met de Kapitein, en zéér zeker niet met de Kapitein als die een kwaaie bui had. ‘Uh, nou, meneer, dat ging zo: ik laat me wapen en ’n zak maïskorrels naast me kooi liggen, en de volgende ochtend is ’t voor de bakker, meneer. Precies zoals de anderen al zeiden, kap’tein.’

‘En je vond dat niet ongebruikelijk genoeg om aan sergeant Kelley te rapporteren?’

‘Uh — meneer — uh, sommigen van de anderen, we dachten misschien dat, uh, nou ja, de dokter heeft laatst iets gezegd over hallusienaasies in de ruimte, kap’tein, enne, wij, uh —’

‘Bovendien zou ik er waarschijnlijk een eind aan gemaakt hebben als je het gerapporteerd had,’ maakte Rod de zin voor hem af. O, godverdomme! Hoe moest hij dit alles in hemelsnaam verantwoorden? Hij had het druk gehad en veel te veel tijd moeten besteden aan het bemiddelen bij kiftpartijen met de wetenschappers. Maar het feit bleef bestaan: hij had zijn plichten als Marineman verzaakt, en wat voor gevolgen zou dit nog hebben?

‘Vat u dit alles niet veel te ernstig op?’ vroeg Horvath. ‘Per slot van rekening, kapitein, wisten we nog niet veel van Splinterwezens af toen de Onderkoning die orders gaf. Maar inmiddels hebben we toch zeker kunnen vaststellen dat ze niet gevaarlijk zijn en dat ze ons beslist niet vijandig gezind zijn.’

‘Doet u ons soms het voorstel aan de hand dat we ons het recht aanmatigen een Keizerlijk Bevel nietig te verklaren, doctor?’ Horvath keek geamuseerd. Er verspreidde zich een langzame grijns over zijn hele gezicht. ‘O nee,’ zei hij. ‘Ik zou het zelfs niet willen impliceren. Ik wil alleen maar zeggen dat, als en wanneer — het is eigenlijk alleen maar een kwestie van wannéér, want het is onvermijdelijk — dat beleid straks veranderd wordt, dit alles een lichtelijk dwaze vertoning zal lijken, kapitein Blaine. Kinderachtig, zelfs.’

‘Verrdomme!’ vloog Sinclair op. ‘Da’s geen manierr om tegen de Kap’tein te sprreken, man!’

‘Blijf rustig, Sandy,’ kwam eerste luitenant Cargill tussenbeide. ‘Doctor Horvath, ik veronderstel dat u nog nooit iets met militair inlichtingenwerk te maken hebt gehad? Nee, dat dacht ik al. Maar ziet u, de inlichtingendienst gaat bij haar werk van iemands potentieel uit en niet van zijn bedoelingen. Als een potentiële vijand het vermógen bezit je iets aan te doen, dan dien je je daarop voor te bereiden, zonder erop te letten wat je denkt dat hij wil doen.’

‘Precies,’ zei Rod. Hij was blij met deze onderbreking. ‘En dus dienen we in de eerste plaats te weten te komen over welke vermogens die miniatuurtjes beschikken. Te oordelen naar wat ik zo van die luchtsluisconstructie gezien heb, plus datgene wat we uit die verhalen over die “kaboutertjes” hebben kunnen opmaken, is dat heel wat, zou ik zeggen.’

‘Maar het zijn maar dieren,’ bleef Sally volhouden. Ze keek beurtelings naar de ziedende Sinclair, de smalend grijnzende Horvath, en Rods verontruste gezicht. ‘Jullie begrijpen het niet. Wat die kwestie van die gereedschappen betreft — zeker, ze zijn goed in het met gereedschap omgaan, maar dat is nog geen intelligentie. Daar zijn hun hoofden te klein voor. Hoe meer hersenweefsel ze moeten gebruiken voor dat instinct om werktuigen te laten functioneren, des te minder blijft er over voor andere dingen. Ze bezitten zo goed als geen reuk- of smaakzintuigen. Ze zijn erg bijziende. Ze hebben nog minder taalgevoel dan een chimpansee. Hun ruimtezin is goed ontwikkeld, en ze zijn te trainen, maar ze kunnen geen gereedschappen zelf ontwerpen. Ze kunnen alleen maar dingen repareren of veranderen. Intelligentie!’ barstte ze uit. ‘Welk intelligent wezen zou er tijd aan verknoeid hebben de steel van meneer Battsons tandenborstel op maat te veranderen, bijvoorbeeld?

‘En wat ons bespioneren betreft, hoe zouden ze dat kunnen? Niemand kan ze daarvoor opgeleid hebben. Om te beginnen werden ze zo maar op goed geluk uitgezocht en meegenomen hierheen.’ Ze keek hen een voor ee’n aan om te zien of haar woorden tot hen doordrongen. ‘Bent u er eigenlijk wel zeker van dat die ontsnapte miniatuurtjes nog leven?’ Een krachtige, joviale stem met een zweem van een Nieuw-schotlands accent erin. Rod richtte zijn blik op de spreker, dr. Blevins, een koloniale dierenarts die ze bij de expeditie ingelijfd hadden. ‘Mijn eigen miniatuurtje is stervende, kap’tein. Er is niets tegen te doen. Interne vergiftiging, aftakeling van de klieren — de symptomen lijken veel op die van de oude dag.’

Blaine schudde langzaam het hoofd. ‘Ik wou dat ik het wist, dokter, maar er doen te veel kabouterverhaaltjes de ronde in dit schip. Vóór deze bijeenkomst heb ik nog even met een aantal van de andere sectiecommandanten gesproken, en op de benedendekken is het al niet anders. Niemand wilde het rapporteren. Ten eerste omdat we dan zouden denken dat ze niet goed wijs waren, en ten tweede omdat ze die kaboutertjes veel te nuttig vonden om het risico te willen lopen ze te verliezen. Maar alle Ierse volksverhaaltjes van sergeant Kelley ten spijt zijn er nog nooit elfjes aan boord van Marineschepen aangetroffen — het kan niet anders of het zijn de miniatuurtjes.’ Er viel een lange stilte. ‘Maar wat doen ze eigenlijk voor kwaad?’ vroeg Horvath. ‘Een stelletje kaboutertjes is juist een aanwinst, zou ik zo denken, kapitein.’

‘Hah.’ Commentaar daarop leek Rod overbodig. ‘Kwaad of goed, onmiddellijk na afloop van deze bijeenkomst wordt dit schip gesteriliseerd. Sinclair, heb je de nodige maatregelen getroffen om het hangar-dek te ontruimen?’

‘Jawel, kap’tein.’

‘Ga dan je gang maar. Stel het bloot aan de ruimte en zorg ervoor dat alle compartimenten daar luchtledig gemaakt worden. Ik wil dat han-gardek volkomen dóód hebben. Luitenant Cargill, zie erop toe dat de bemanningsleden die wachtdiensl hebben zich in gevechtspantserkle-ding steken. En dat er geen medebewoners in die pantserkleding zitten, Nummer Een. En wat de overige aanwezigen betreft: laat uw gedachten erover gaan welke van uw uitrustingsstukken en apparatuur niet tegen een vacuümtoestand bestand zijn. Wanneer we met het hangar-dek klaar zijn, zullen Kelley’s Mariniers u helpen die spullen over te brengen naar het hangardek; en vervolgens zullen we de rest van het schip steriliseren. We gaan voor eens en voor altijd een eind aan die kaboutertjes maken.’

‘Maar’ — ‘Hee, dat is toch al te dwaas’ — ‘Maar dan gaan m’n cultuurtjes dood!’ — ‘Die godvergeten rotzakken van beroepsofficieren moeten ook altijd’ — ‘Kan hij dat zo maar?’ — Tot uw orders, kap’tein’ — ‘Wat denkt hij verdomme wel dat hij —’

‘Attentié!’ sneed Kelley’s brulstem dwars door het gekakel heen. ‘Kapitein, vindt u het nou werkelijk nodig om zo gemeen te zijn?’ vroeg Sally.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik vind het óók lollige diertjes. Maar wat zou het? Als ik er geen bevel toe geef, zal de Admiraal het doen. Is iedereen het er dus over eens dat de miniatuurtjes geen spionnen zijn?’

‘Geen opzettelijke spionnen, tenminste,’ zei Renner. ‘Maar, kap’tein, heeft u van dat voorval met die zakcomputer gehoord?’

‘Nee.’

‘Dat grote Splinterwezen heeft de zakcomputer van juffrouw Fowler uit elkaar gehaald. En weer in elkaar gezet. En het ding werkt nog steeds prima.’

‘Uh.’ Rod trok een zuur gezicht. ‘Maar dat was die grote bruine.’

‘Ja, maar ze weet hoe ze met die kleintjes praten moet. Ze heeft de miniatuurtjes meneer Bury’s horloge terug laten geven,’ zei Renner. ‘Ik heb de bemanning opgetrommeld, kap’tein,’ meldde Cargill. Hij stond bij de intercom. ‘En ik heb niemand verteld waar het om gaat. De bemanning denkt dat het een oefening is.’

‘Goed bedacht, Jack.’ Hij richtte zich weer tot de rest van het gezelschap. ‘Ik vraag u in alle ernst: wat is er voor bezwaar tegen dit ongedierte uit te roeien? Dat grote Splinterwezen heeft precies hetzelfde gedaan en als het, zoals u zegt, slechts dieren zijn, dan moeten er nog een heleboel méér van zijn. De grotere Splinterwezens zullen ons er beslist niet op aankijken. Of wel, soms?’

‘Nou, n-é-é,’ zei Sally. ‘Maar —’

Rod schudde met een beslist gebaar het hoofd. ‘Er zijn een heleboel redenen om ze te doden, en ik heb nog geen enkele goede reden gehoord waarom we ze in leven zouden moeten houden. We kunnen dat dus als afgehandeld beschouwen.’

Horvath schudde het hoofd. ‘Maar het is allemaal zo drastisch, kapitein. Wat denken we daar eigenlijk mee te beschermen?’

‘In directe zin, de Alderson-aandrijving. En indirect het hele Keizerrijk, maar hoofdzakelijk de Aandrijving,’ zei Cargill ernstig. ‘En vraagt u me niet, waaróm ik van mening ben dat het Keizerrijk een bescherming tegen Splinterwezens behoeft. Ik heb er geen bewijzen voor, maar ik ben ervan overtuigd dat dat zo is.’

‘De Aandrijving hoef je niet meer te beschermen. Die hébben ze al,’ kondigde Renner aan. Hij keek met een scheve grijns in het rond, terwijl iedereen in het vertrek zich met een ruk naar hem omkeerde. ‘Wat?!’ bracht Rod uit. ‘Hoe is dat mogelijk?’

‘Wie is die vuile verraderr?’ wilde Sinclair weten. ‘Noem me de naam van dat stuk smeerrlap!’

‘Ho! Wacht even! Stop!’ riep Renner haastig. ‘Ze hadden de Aandrijving al, kap’tein. Ik ben het pas een uur geleden te weten gekomen. Het is allemaal opgenomen, hier, ik zal het u laten zien.’ Hij stond op en liep naar het grote beeldscherm. Er flitste een aantal beelden voorbij totdat Renner de plaats gevonden had die hij zocht. Hij draaide zich weer om naar het in gespannen aandacht toekijkende gezelschap. ‘Het is plezierig in het middelpunt van de belangstelling te staan —’ Haastig onderbrak Renner zichzelf toen hij Rods woedende blik in de gaten kreeg. ‘Dit is een conversatie tussen, uh, mijn Splinter en mij. Ik zal het beeld splitsen om u er beide kanten van te laten zien.’ Hij raakte een paar knoppen aan, en het scherm kwam tot leven: aan de ene kant zag je Renner op de brug van de MacArthur zitten, en aan de andere kant zijn Fyunch(klik) in het ambassadeursschip. Renner liet de film met hoge snelheid doordraaien, totdat hij precies datgene te pakken had waar het hem om te doen was.

‘Jullie zouden overal vandaan gekomen kunnen zijn,’ zei Renners Splinter. ‘Hoewel het waarschijnlijker lijkt dat jullie van een dichtbij gelegen ster gekomen zijn, zoals — tja, ik zal hem aanwijzen.’ Er verscheen een sterrenbeeld op een beeldscherm achter de Splinter; het ene beeldscherm binnen het andere. Ze wees met haar bovenste rechterarm. De ster die ze aanwees was Nieuw-Caledonië. ‘Aan de hand van de plek waar jullie verschenen zijn weten we, dat jullie over een aandrijving beschikken waarmee je je ogenblikkelijk kunt verplaatsen.’ Renners beeld leunde naar voren. ‘De plek waar ze verschenen zijn?’

‘Ja. Jullie verschenen precies in het…’ Renners Splinter scheen naar het juiste woord te zoeken. Toen gaf ze het op, dat was duidelijk te zien. ‘Renner, ik moet je eerst iets over een fictieve figuur vertellen.’

‘Vertel maar op.’ Renner op het beeldscherm bediende zich van koffie. Koffie en verhaaltjes, dat hoorde bij elkaar.

‘We zullen hem Gekke Gerrit noemen, als je wilt. Hij is een… soms is hij zoals ik, en soms is hij een Bruine, een geleerde idioot die goed is in het knutselen. Altijd doet hij de verkeerde dingen, maar hij heeft er altijd uitstekende redenen voor. Hij doet telkens weer het zelfde, altijd met dezelfde rampzalige resultaten, en hij leert er nooit iets van.’ Er klonk een zacht gefluister door de salon van de MacArthur. ‘Wat bijvoorbeeld?’ vroeg Renners beeld.

Het beeld van Renners Splintertje zweeg even en dacht na. Toen zei het: ‘Wanneer een stad zó onhandelbaar groot en overbevolkt geworden is dat het onmiddellijke gevaar van een totale ineenstorting dreigt… wanneer voedsel en schoon water slechts aangevoerd kunnen worden in hoeveelheden die maar net toereikend zijn om alle monden te voeden, en alle handen er voortdurend aan moeten werken om te zorgen dat dat zo blijft… wanneer alle transportmiddelen in gebruik zijn om voor het levensonderhoud noodzakelijke voorraden te vervoeren, en er geen vervoermiddelen over zijn om inwoners naar elders buiten de stad over te brengen als dat nodig mocht zijn… dan is dat het moment waarop Gekke Gerrit het personeel van de vuilnisophaaldienst aanvoert in een staking voor betere werkomstandigheden.’

Overal in de salon klonk gelach. Renners beeld op het scherm grinnikte en zei: ‘Ik geloof wel dat ik dat heerschap ken. Maar ga verder.’

‘En zo hebben we ook de Gekke Gerrit-Aandrijving. Die laat schepen verdwijnen.’

‘Prettig is dat.’

‘Theoretisch zou het een aandrijving moeten zijn waarmee je ogenblikkelijk van het ene punt naar het andere kunt gaan, een sleutel die de hele kosmos voor ons ontsluiten zou. Maar in de praktijk laat zij schepen voor altijd verdwijnen. Die aandrijving is al vele malen opnieuw uitgevonden en gebouwd en getest, maar altijd doet zij onze schepen en allen die zich aan boord bevinden voorgoed verdwijnen, maar let wel, alleen maar als je haar op de juiste manier gebruikt. Daarvoor moet het schip zich op precies de juiste plek bevinden, een plek die moeilijk nauwkeurig te bepalen valt, en moeten de machines precies datgene doen wat de theoretici gepostuleerd hebben dat ze doen moeten, want anders gebeurt er helemaal niets.’ De twee Renners lachten nu allebei. ‘Ik snap het. En wij zijn in dat punt verschenen, in dat Gekke Gerrit-punt. Waaruit jullie afgeleid hebben dat wij het geheim van de Gekke Gerrit-Aandrijving ontdekt hebben.’

‘Dat hébben jullie ook.’

‘En dat maakt ons tot… wat?’

Het buitenaardse wezen trok zijn lippen van elkaar in een grijns die op een verontrustende manier aan die van een haai deed denken, en op een al even verontrustende manier aan die van een mens… Renner liet alle aanwezigen die grijns op hun gemak bekijken voordat hij de intercom uitschakelde.

Het bleef een hele tijd stil totdat Sinclair die stilte verbrak. ‘Nou, tis duidelijk genoeg, nie waarr? Ze kennen ’t geheim van de Alderson-aandrijving, maarr nie dat van ’t Langston-veld.’

‘Waar maakt u dat uit op, luitenant Sinclair?’ vroeg Horvath. Allemaal tegelijk probeerden ze het hem uit te leggen, maar het brouwende stemgeluid van de hoofdmachinist kwam gemakkelijk boven het gekakel uit.

‘De schepen van gindse beestjes verrdwijnen, maarr alleen maarr van de juiste plek, nie waarr? Goed, ze kennen dus ’t geheim van de Aan-drrijving. Maarr ze zien hun schepen nooit meerr trrug, omdat ze de norrmale rruimte binnenkomen midden in gindse rrode sterr. Tis zo duidelijk als wat.’

‘O.’ Horvath knikte droevig voor zich heen. ‘En zonder iets om hen daartegen te beschermen — Het is per slot van rekening het inwendige van een ster, nietwaar?’

Sally huiverde. ‘En uw Splinter zei dat ze het al een heleboel keer geprobeerd hadden.’ Ze huiverde opnieuw. Toen zei ze: ‘Maar, meneer Renner — geen van de andere Splinters praat ooit over astrogatie of dat soort dingen. Mijn Splinter vertelde me van Gekke Gerrit, alsof die alleen maar in lang vervlogen primitieve tijden bestaan had — een soort vergeten legende.’

‘En die van mij sprrak van Gekke Gerrit als ’n constrructeurr die altijd ’t kapitaal van morrgen gebrruikte om d’rr de prroblemen van vandaag mee op te lossen,’ zei Sinclair ietwat verlegen. ‘Verder nog iemand?’ drong Rod aan.

‘Tja —’ Aalmoezenier David Hardy keek ook al verlegen. Zijn ronde gezicht was bijna rood als een biet. ‘Mijn Splinter zegt dat Gekke Gerrit godsdiensten opricht. Vreemde, zeer logisch opgebouwde maar uitzonderlijk onbruikbare godsdiensten.’

‘Genoeg,’ protesteerde Rod. ‘Ik schijn de enige te zijn wiens Splinter met geen woord over Gekke Gerrit gesproken heeft.’ Hij keek nadenkend. ‘We kunnen het er dus allemaal over eens zijn dat de Splinters inderdaad de Aandrijving bezitten, maar niet het Veld?’ Allen knikten. Horvath krabbelde even aan zijn oor en zei toen: ‘Nu ik me de geschiedenis van Langstons uitvinding weer voor de geest haal is het eigenlijk niet verwonderlijk dat de Splinters niet over het Veld beschikken. Het verbaast me eigenlijk dat ze de Aandrijving uitgevonden hebben, hoewel de principes ervan desnoods af te leiden zijn van de resultaten van het nodige ruimtewetenschappelijke onderzoek. Het Veld was echter een puur toevallige uitvinding.’ Aangenomen dat ze weten dat het bestaat, wat dan?’ vroeg Rod. ‘Dan — ik weet het niet,’ zei Horvath.

Het was volmaakt stil in het vertrek. Een onheilszwangere stilte. Eindelijk verjoeg Sally deze beklemmende atmosfeer door te lachen. ‘Jullie kijken allemaal zo doodernstig,’ protesteerde ze. ‘En als ze nu eens zowel de Aandrijving als het Veld bezaten, wat dan nog? Alles wat er is, is die ene planeet vol Splinters. Ze zijn ons niet vijandig gezind, maar zelfs al waren ze dat wel, denken jullie dan heus dat ze een bedreiging voor het Keizerrijk zouden vormen? Kapitein, wat zou de Lenin alleen al nu op ditzelfde ogenblik met de planeet van de Splinters kunnen doen, als admiraal Kutuzov daar het bevel toe gaf?’ De spanning was verbroken. Iedereen glimlachte. Ze had gelijk, natuurlijk. De Splinters bezaten niet eens oorlogsschepen. En ook hadden ze het Veld niet, en zelfs al vonden ze het uit, hoe zouden ze dan de tactiek van het oorlogvoeren in de ruimte zo gauw moeten leren? Hoe zouden die arme, vredelievende Splinters ooit een uitdaging voor het Keizerrijk van de Mensheid kunnen betekenen?

Iedereen glimlachte, behalve Cargill. Die glimlachte helemaal niet toen hij op hoogst ernstige toon zei: ‘Ik weet nog zo net niet, vrouwe, maar. ik wou dat ik het wist.’

Ze hadden Horace Bury niet uitgenodigd op de bespreking, hoewel hij er wel van af wist. En nu, terwijl die bijeenkomst nog steeds aan de gang was, kwam er een Marinier naar zijn kajuit die hem, beleefd maar onvermurwbaar, daaruit weg kwam halen. De Marinier wilde niet zeggen waar hij Bury naar toe bracht, en na een poosje werd het duidelijk dat hij dat zelf niet wist.

‘De Sergeant heeft gezegd bij u te blijven en klaar te staan om u te brengen waar de anderen zijn, meneer Bury.’

Heimelijk keek Bury de man onderzoekend aan. Wat zou deze knaap ervoor overhebben honderdduizend kronen te verdienen? Maar och, het was niet nodig. Nog niet, tenminste. Blaine zou hem toch zeker niet voor een vuurpeloton brengen. Even voelde Bury een gevoel van angst in zich opkomen. Zouden ze Stone aan het praten gekregen hebben daarginds op Nieuw-Chicago?

Bij Allah, niemand was veilig — Maar nee, dat was absurd. Zelfs als Stone alles verraden had, zou de MacArthur nog altijd geen berichten uit het Keizerrijk kunnen ontvangen, en dat zou voorlopig zo blijven ook. Ze waren op een even afdoende manier van de buitenwereld afgesneden als de Splinters.

‘U moet dus bij me blijven. Goed. Heeft die officier van u ook gezegd waar ik heen moet?’

‘Nog niet, meneer Bury.’

‘Nou, breng me dan maar naar het laboratorium van dr. Buckman.

Waarom niet? Het is daar voor ons allebei comfortabeler.’ De soldaat dacht er even over na. ‘Oké, komt u maar mee.’ Bury trof zijn vriend in een slecht humeur aan. ‘Alles inpakken wat niet tegen een vacuüm bestand is,’ mopperde Buckman. ‘En alles wat er wél tegen kan ervoor in gereedheid brengen. Zomaar, zonder reden. Gewoon maar doen, meer niet.’ Hij porde met zijn vinger tegen wat apparatuur. Hij had al een heleboel dingen in dozen en grote plastic zakken verpakt.

De spanning die Bury voelde stond misschien ook op zijn gezicht te lezen. Zinloze orders, een wachtpost voor de deur… hij voelde zich weer als een gevangene. Hij had er een hele poos voor nodig om Buckman wat te kalmeren. Eindelijk plofte de astrofysicus in een stoel neer en nam hij een kop koffie ter hand. ‘Heb je de laatste tijd niet veel gezien,’ zei hij. ‘Druk gehad?’

‘Er is eigenlijk maar heel weinig wat ik doen kan aan boord van dit schip. Bijna niemand vertelt me iets,’ zei Bury gelijkmoedig — en dat kostte hem de nodige zelbeheersing. ‘Waarom moet jij je hier voorbereiden op een vacuümtoestand?’

‘Hah! Ik weet het niet. Gewoon maar doen, zeggen ze. Ik heb geprobeerd de Kapitein te bereiken, maar die is in een bespreking. Ik heb geprobeerd me bij Horvath te beklagen, maar die is óók al in een bespreking. Als je ze niet te pakken kan krijgen wanneer je ze nodig hebt, wat héb je dan aan zulke mensen?’

Van de gang buiten drongen geluiden tot Bury door: zware voorwerpen die verplaatst werden. Wat kon dat te betekenen hebben? Soms werden schepen wel eens ontruimd om ze van ratten te zuiveren… Dat was het! Ze waren bezig de miniatuurtjes uit te roeien! Allah zij geprezen dat hij bijtijds gehandeld had. Bury vertrok zijn gezicht in een brede grijns van opluchting. Hij had een beter inzicht in de waarde van de miniatuurtjes gekregen sinds die nacht, dat hij een doos bhakla-vah naast het open helmvizier van zijn persoonlijke ruimtepak had laten liggen. Bijna was hij de heleboel kwijt geweest. Tegen Buckman zei hij: ‘Hoe is het afgelopen met je uitstapje naar die asteroïden op dat Trojaanse punt?’

Buckman keek verbaasd op. Toen lachte hij. ‘Bury, aan dat probleem heb ik al in geen maanden meer gedacht. We zijn al die tijd bezig geweest met het bestuderen van de Kolenzak.’

‘Ach.’

‘We hebben een massa daarin aangetroffen… waarschijnlijk een pro-toster. En ook een infrarode stralingsbron. De stromingspatronen in de Kolenzak zijn eenvoudig fantastisch. Het leek alsof die gassen en dat stof een zekere mate van viscositeit bezaten… maar het zijn natuurlijk de magnetische krachtvelden waardoor ze zich zo gedragen. We doen een fantastische kennis op omtrent de dynamica van een stofnevel. Als ik aan al die tijd denk, die ik aan die rotsblokken op de Trojaanse punten verspild heb… en dat terwijl dat hele probleem eigenlijk niets voorstelde!’

‘Nou, vertel verder, Buckman. Laat me niet in de lucht hangen.’

‘Huh? O, wacht maar even, dan zal ik het je laten zien.’ Buckman liep naar de intercom en sprak een reeks cijfers in een microfoon. Er gebeurde niets.

‘Hee, dat is vreemd. De een of andere idioot moet die informatie als “VERTROUWELIJK” geclassificeerd hebben.’ Buckman deed even zijn ogen dicht en reciteerde toen een andere reeks cijfers. Nu verschenen er foto’s op het scherm. ‘Aha! Daar heb je ze!’

Er buitelden een heleboel asteroïden over het scherm, maar de beelden waren onduidelijk, en het was alsof de camera bewogen had. Sommige waren onregelmatig van vorm, sommige waren bijna volmaakt rond, en een heleboel ervan waren overdekt met kraters… ‘Mijn excuses voor de kwaliteit. De dichtstbijzijnde Trojanen zijn nog altijd een heel eind hiervandaan… maar het enige dat ervoor nodig was, was wat tijd en de telescopen van de MacArthur. Zie je wat we gevonden hebben?’

‘Nee, niet precies. Tenzij…’ Allemaal hadden ze kraters. Minstens één krater elk. Er trokken achter elkaar drie lange, smalle asteroïden op het beeldscherm voorbij… en stuk voor stuk hadden ze aan de ene kant een diepe krater. Eén steenklomp was verwrongen tot hij bijna de vorm van een sikkel had; en de krater bevond zich aan de binnenzijde van die sikkel. In iedere asteroïde die voorbijtrok zat een grote, diepe krater; en bij elk daarvan zou een denkbeeldige, door het middelpunt getrokken lijn ook door het centrum van de massa gelopen hebben.

Bury voelde zowel angst als een lachbui in zich opwellen. ‘Ja, nu zie ik het. Jullie kwamen tot de ontdekking dat die asteroïden stuk voor stuk langs kunstmatige weg daarheen gebracht waren. En daardoor verloren jullie je belangstelling ervoor.’

‘Nogal logisch. Als ik eraan denk, dat ik nota bene verwachtte een of ander nieuw kosmisch principe te zullen ontdekken —’ Buckman haalde zijn schouders op en nam een paar slokken koffie. ‘Ik veronderstel dat je het aan niemand verteld hebt?’

‘Alleen aan dr. Horvath. Waarom, denk je soms dat hij dat materiaal als “VERTROUWELIJK” geclassificeerd heeft?’

‘Het zou kunnen. Buckman, hoeveel energie denk je dat ervoor nodig zou zijn om zo’n massa steenklompen van de ene plek naar de andere te verhuizen?’

‘Tja, dat weet ik niet. Een hele hoop zou ik zo denken. In feite…’ Buckmans ogen lichtten op. ‘Eigenlijk best een interessant vraagstuk. Ik zal het je wel laten weten zodra deze waanzin achter de rug is.’ Hij ging weer verder met het inpakken van zijn spullen. Bury bleef zitten waar hij was en staarde nietsziend voor zich uit. Na een poosje ging er een rilling door hem heen.

25. De Splinter van de Kapitein

‘Ik begrijp uw bezorgdheid voor de veiligheid van het Keizerrijk, admiraal,’ zei Horvath, met een ernstig gezicht knikkend tegen de dreigend kijkende figuur, die zich op het beeldscherm op de brug van de MacArthur aftekende. ‘Dat doe ik werkelijk. Maar het feit blijft bestaan dat als we de uitnodiging van de Splinters niet aannemen, we net zo goed naar huis kunnen gaan. Er valt hierbuiten niets meer voor ons te leren.’

‘En, Blaine? Bent u het daarmee eens?’ Admiraal Kutuzovs gelaatsuitdrukking bleef onveranderd.

Rod haalde zijn schouders op. ‘Meneer, ik heb slechts de raad van de wetenschapsmensen op te volgen. En die zeggen dat we zo ongeveer alles te weten zijn gekomen wat er op deze afstand maar te weten te komen valt.’

‘U wilt dus MacArthur in baan rond Splinterplaneet brengen? Dit is uw officiële recommandatie?’

‘Jawel, meneer. Het is óf dat, óf we moeten terugkeren naar huis, en ik geloof niet dat we al genoeg van de Splinterwezens afweten om zo maar weg te kunnen gaan.’

Kutuzov haalde langzaam en diep adem. Zijn mond verstrakte. ‘Admiraal, u heeft uw taak, en ik heb de mijne,’ bracht Horvath hem in herinnering. ‘Het is allemaal goed en wel het Keizerrijk te beschermen tegen wat voor onwaarschijnlijke bedreiging de Splinters dan ook mogen vormen, maar ik moet iedere gelegenheid benutten om zoveel mogelijk te weten te komen omtrent hun wetenschappen en hun technologie. En ik verzeker u dat dat geen klein beetje is. In sommige opzichten zijn ze ons zó ver vooruit dat ik — nou, dat ik het eenvoudig met geen woorden beschrijven kan, dat is alles.’

‘Precies.’ Kutuzov zette dit woord kracht bij door zijn gebalde vuisten op de armleuningen van zijn commandostoel te laten neerkomen. ‘Zij hebben technologie die de onze vooruit is. Ze spreken onze taal, en u zegt dat wij de hunne nooit zullen kunnen spreken. Ze kennen Alderson-effect, en nu weten ze ook al dat Langston-velden bestaan. Misschien maar beter wij gaan naar huis, dr. Horvath. Nu meteen.’

‘Maar —’ begon Horvath.

‘En toch,’ ging Kutuzov verder, ‘zou ik niet graag oorlog voeren tegen deze Splinterwezens zonder meer van ze af te weten. Wat zijn planetaire verdedigingswerken? Wie regeert over Splinters? Het valt mij op dat u ondanks al uw werk geen antwoord weet op deze vraag. U weet zelfs niet wie het bevel voert over dat schip van ze.’

‘Dat geef ik toe.’ Horvath knikte ijverig. ‘Het is een zeer vreemde situatie. Soms denk ik echt wel eens dat ze er helemaal geen commandant op nahouden, maar aan de andere kant heb ik de indruk dat ze af en toe ruggespraak houden met hun schip voor verdere instructies… en dan is daar ook nog die kwestie van de seksuele verhoudingen.’

‘Houdt u mij voor de gek, doctor?’

‘Nee, nee,’ zei Horvath geïrriteerd. ‘Er valt niets te verbergen. Sinds hun komst hier zijn alle Bruin-en-wit-gestreepten van het vrouwelijk geslacht. En verder is dat bruine vrouwtje zwanger geworden en heeft ze een bruin en wit gestreept jong ter wereld gebracht. En nu is ze in een mannetje veranderd.’

‘Ik heb van geslachtsveranderingen bij buitenaardse wezens gehoord. Misschien was een van Bruin-en-wit-gestreepten mannetje tot vlak voor ambassadeursschip hier aankwam?’

‘Daar hebben wij ook al aan gedacht. Maar het lijkt waarschijnlijker dat de Bruin-en-wit-gestreepten zich niet voortgeplant hebben om overbevolking te vermijden. Het blijven allemaal vrouwtjes — gezien het feit dat een van hen een Bruine tot moeder heeft, zijn ze misschien zelfs wel steriel. Of zou dat een kruising zijn tussen die Bruine en iets anders? Dat zou op de aanwezigheid van “iets anders” aan boord van dat ambassadeursschip wijzen.’

‘Ze hebben natuurlijk een admiraal aan boord van hun schip,’ zei Kutuzov op besliste toon. ‘Net als wij. Ik wist het wel. Wat vertelt u ze wanneer ze naar mij vragen?’

Rod hoorde een snuivend geluid achter zich en vermoedde dat Kevin Renner de grootste moeite had om het niet uit te proesten. ‘Zo min mogelijk, meneer,’ zei Rod. ‘Alleen maar dat we afhankelijk zijn van bevelen van de Lenin. Ik geloof niet dat ze uw naam weten, en of er zich één man bij u aan boord bevindt of een hele krijgsraad.’

‘Juist.’ De Admiraal glimlachte bijna, zowaar. ‘Wat weet u eigenlijk van hun bevelvoering af, hè? Let op mijn woorden, die hebben een admiraal aan boord van dat schip, en die heeft besloten dat hij jullie dichter bij hun planeet wil hebben. Mijn probleem is nu, kom ik meer te weten door jullie te laten gaan dan hij te weten komt door jullie daarheen te halen?’

Horvath wendde zich af van het beeldscherm en zond een smekende.

blik omhoog naar de Hemel, Zijn Wonderen en Al Zijn Heiligen. Wat moest hij met zo’n man beginnnen, vroeg die blik. ‘Enig teken van kleine Splinterwezens?’ vroeg Kutuzov. ‘Heeft u nog altijd kaboutertjes aan boord van Zijner Majesteits slagkruiser der Generaalsklasse MacArthur?’

Met een rilling nam Rod dit zware sarcasme in ontvangst. ‘Nee, meneer. We hebben het hangardek ontruimd en alles wat zich daarop bevond aan de ruimte blootgesteld. Vervolgens heb ik alle passagiers en bemanningsleden van de MacArthur naar het hangardek overgebracht en de rest van het schip gezuiverd. We hebben alle machineruimten gefumigeerd met cifogeen, koolmonoxyde door alle luchtgaten naar binnen gepompt en de zaak vervolgens opnieuw luchtledig gemaakt. Nadat we het hangardek weer ontruimd hadden hebben we daar hetzelfde gedaan. De miniatuurtjes zijn dood, admiraal. We hebben de lijken om het te bewijzen. Vierentwintig stuks om precies te zijn, hoewel we eentje daarvan pas gisteren gevonden hebben. Het was al in verregaande staat van ontbinding, na drie weken…’

‘En er is nu geen spoor van kaboutertjes? Of van muizen?’

‘Nee, meneer. Ratten, muizen, Splintertjes — alles is dood. Dat andere miniatuurtje, dat we in een kooi opgesloten hielden — dat is nu ook dood, meneer. De dierenarts denkt dat het van ouderdom gestorven is.’

Kutuzov knikte. ‘Dat probleem is dus opgelost. En dat volwassen buitenaardse wezen dat u aan boord heeft?’

‘Dat is ziek,’ zei Blaine. ‘Dezelfde symptomen als dat miniatuurtje vertoonde.’

‘Ja, daar wilde ik het ook over hebben,’ zei Horvath vlug. ‘Ik wil de Splinters vragen wat we voor die zieke mineralenzoekster doen kunnen, maar zonder uw permissie wil Blaine me dat niet toestaan.’ De Admiraal reikte naar iets dat zich buiten het beeldscherm bevond. Toen hij zich weer naar hen toekeerde, had hij een glas thee in zijn hand, waar hij luidruchtig in blies. ‘Weten de anderen ervan dat u die mineralenzoekster aan boord hebt?’

‘Ja,’ zei Horvath. Toen Kutuzov hem woedend aankeek, vervolgde de Minister van Wetenschappen haastig: ‘Daar schijnen ze al die tijd reeds van geweten te hebben. Maar het is hen door niemand van ons verteld, dat weet ik zeker.’

‘Ze weten het dus. Hebben ze naar haar gevraagd? Of om haar te zien?’

‘Nee.’ Horvath trok weer diepe rimpels. Zijn stem klonk verwonderd. ‘Nee, dat hebben ze niet. Feitelijk hebben ze zich niet in het minst om haar bekommerd, al evenmin als ze zich om de miniatuurtjes bekommerd hebben — u heeft die beelden zeker wel gezien van hoe de Splinters hun schip gezuiverd hebben, admiraal? Zelf moeten ze af en toe ook opruiming houden onder die kleine beestjes. Ze moeten zich voortplanten als korfratten.’ Horvath zweeg even en de rimpels op zijn voorhoofd werden zelfs nog dieper. Toen zei hij op gedecideerde toon: ‘Maar hoe dan ook, ik wil de anderen vragen wat we aan die zieke mineralenzoekster doen kunnen. We kunnen haar niet zo maar dood laten gaan.’

‘Dat zou anders voor iedereen misschien nog het beste zijn,’ zei Kutuzov peinzend. ‘Nou goed dan, doctor. Vraagt u het ze maar. Door ze te vertellen dat we het juiste dieet voor Splinters niet kennen geven we bepaald geen belangrijke inlichtingen omtrent Keizerrijk prijs. Maar als ze er soms op mochten staan die mineralenzoekster te zien, Blaine, dan weigert u dat. Indien nodig zal mineralenzoekster sterven — heel tragisch en heel plotseling, door een ongeval misschien, maar niettemin sterven. Onherroepelijk. Is dat goed begrepen? Ze zal niet met andere Splinters spreken, nu niet en nooit.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Onbewogen zat Rod in zijn commandostoel. Ben ik het daar werkelijk mee eens? vroeg hij zich af. Ik zou eigenlijk ontzet moeten zijn, maar —

‘Wilt u het onder die omstandigheden nog altijd vragen, doctor?’ vroeg Kutuzov.

‘Ja. Ik had van u tóch niet anders verwacht.’ Horvaths lippen waren strak tegen zijn tanden aangedrukt. ‘Nu komen we aan het voornaamste punt: de Splinters hebben ons uitgenodigd ons schip in een baan rond hun planeet te brengen. Waaróm ze dat gedaan hebben, is voor verschillende uitleg vatbaar. Mijn persoonlijke mening is dat ze er oprecht naar verlangen commerciële en diplomatieke betrekkingen met ons aan te knopen, en dat dit de logische manier is om daarbij te werk te gaan. Er zijn geen bewijzen voorhanden die een andere uitleg zouden kunnen rechtvaardigen. U houdt er natuurlijk uw eigen theorieën op na…’

Kutuzov lachte. Het was een zware, hartelijke lach. ‘In werkelijkheid, doctor, zou ik wel een zelfde mening toegedaan kunnen zijn als u. Maar wat doet dat ertoe? Mijn taak is Keizerrijk te beschermen. Wat ik vind is onbelangrijk.’ De Admiraal keek hen vanaf de beeldschermen met een ijskoude blik aan. ‘Goed dan. Kapitein, ik geef u toestemming om in deze situatie naar eigen inzicht te handelen. Maar eerst zult u torpedo’s gereedmaken voor zelfvernietiging van uw schip. U begrijpt wel dat MacArthur niet in handen mag vallen van Splinterwezens?’

‘Jawel, meneer.’

‘Uitstekend. Gaat u maar, kapitein. Wij volgen u met Lenin. U zult alle inlichtingen die u verzamelt ieder uur aan mij rapporteren — en u begrijpt wel dat als uw schip bedreigd wordt, ik geen poging zal ondernemen u te redden als ook maar geringste kans op gevaar voor Lenin bestaat? Dat mijn eerste plicht is, terug te keren met informatie, zo nodig met inbegrip van informatie over manier waarop u dood gevonden heeft?’ De Admiraal draaide zich naar opzij, zodat hij nu rechtstreeks Horvath aankeek. ‘Welnu, doctor, wilt u nog steeds naar Splinter Alpha?’

‘Vanzelfsprekend.’

Kutuzov haalde zijn schouders op. ‘Gaat uw gang, kapitein Blaine. Gaat uw gang.’

De als sleepboten fungerende sloepen van de MacArthur waren een op een groot olievat lijkende cilinder uit de ruimte gaan ophalen, die half zo groot was als het ambassadeursschip van de Splinters. Het was een heel eenvoudig geconstrueerd ding: een hard, dik omhulsel van een of ander schuimachtig materiaal, gevuld met vloeibare waterstof, zwaar en log, dat langzaam door de ruimte wentelde. Aan de lengteas bevond zich een aftapkraantje. Thans hing het vastgebonden aan het ambassadeursschip, achter de halfcirkelvormige leefruimten. De slanke angel die voor de toevoer van plasma naar de fusieaandrijving moest dienen was inmiddels veranderd: hij was ver naar opzij gebogen om de buitenwaarts gerichte druk van de aandrijving door het nieuwe middelpunt van de massa te laten gaan. Het ambassadeursschip hing ver naar achteren geleund op zijn aandrijving, als een kleine maar hoogzwangere vrouw die probeerde te lopen. Splinters — Bruin-en-wit-gestreepten, geleid door een van de Bruinen — waren bezig de luchtsluisbrug te demonteren en tot kleine brokken te versmelten, waarna ze het materiaal opnieuw vervormden tot ringvormige ondersteuningsplatforms voor de halfcirkelvormige ruimten. Anderen waren binnen in het schip aan het werk, en drie kleine, bruin met wit gestreepte figuurtjes dartelden om hen heen. Opnieuw veranderde het interieur als achtergronden in een droom. Het vrije-val-meubilair kreeg een andere vorm. Dekken werden in een schuine stand gebracht, verticaal op de nieuwe lijn waarlangs het schip straks voortgestuwd zou worden.

Er waren nu geen Splinters meer aan boord van de sloep; ze waren allemaal aan het werk, maar toch bleef het contact gehandhaafd. Sommige van de cadetten wisselden elkaar af bij het verrichten van eenvoudige lichamelijke arbeid aan boord van het ambassadeursschip. Whitbread en Potter waren in de acceleratieruimte bezig met het verplaatsen van de kooien om plaats te maken voor drie kleinere slaapplaatsen. Het was een eenvoudig karwei van losbranden en opnieuw lassen, maar er kwam spierkracht aan te pas. Het zweet verzamelde zich in druppels in hun filterhelmen en doorweekte hun oksels. ‘Ik vrraag me af hoe ’n man rruikt, doorr de neus van ’n Splipterr gerroken?’ zei Potter. ‘Je hoeft nie te antwoorrden als je die vrraag aanstootgevend vindt,’ voegde hij eraan toe.

‘Tis ietwat moeilijk te zeggen,’ antwoordde Potters Splinter. ‘Tis mijn taak, meneerr Potterr, alles omtrrent mijn Fyunch(klik) te begrrijpen. Misschien heb ik me al te goed in die rrol ingeleefd. Zelfs als ge nie in ons belang aan ’t werrk zou zijn, zou ’k nog geen aanstoot nemen aan de geurr van eerrlijk zweet. Wat vindt ge zo grrappig, meneerr Whitbread?’

‘Sorry. Het is dat accent.’

‘Wat voor accent?’ vroeg Potter zich af.

Whitbread en Whitbreads Splinter barstten allebei in lachen uit. ‘Nou, het is ook grappig,’ zei Whitbreads Splinter. ‘Vroeger hadden jullie er moeite mee ons uit elkaar te houden.’

‘Maar nu is het andersom,’ zei Jonathon Whitbread. ‘Nu moet ik aldoor handen tellen om te weten of ik tegen Renner praat, of tegen Renners Splinter. Help me hier eens een handje, wil je, Gavin?… En hetzelfde probleem heb ik met de Splinter van kap’tein Blaine. Ik betrap mezelf er aldoor op dat ik in de houding sta, en dan zegt ze iets, en dan sta ik zowaar alwéér in de houding. Of ze geeft orders alsof ze de Commandant van de sloep is, en dan maken we aanstalten om die op te gaan volgen, en dan zegt ze ineens: “Wacht even, meneer,” en gelast ons het haar te vergeven. Het is erg verwarrend.’

‘Toch,’ zei Whitbreads Splinter, ‘vraag ik me wel eens af of we jullie werkelijk doorhebben. Dat ik je imiteren kan wil nog niet zeggen dat ik je ook begrijp…’

‘Tis anders onze standaardtechniek, zo oud als de heuvels, ja zo oud als sommige bergketens zelfs. En hij voldoet. Wat kunnen we anders doen, Jonathon Whitbreads Fyunch(klik)?’

‘Ik vroeg het me alleen maar af, dat is alles. Jullie menswezens zijn zo veelzijdig. We kunnen al die gaven van jullie niet evenaren, Whitbread. Jullie hebben er geen moeite mee bevelen te geven, en jullie hebben er ook geen moeite mee te gehoorzamen; hoe kunnen jullie in hemelsnaam beide doen? Jullie kunnen goed met gereedschappen omgaan —’

‘Jullie ook,’ zei Whitbread, wetend dat dat wel een zeer gematigde uitdrukking was.

‘Maar we raken gauw vermoeid. Jullie kunnen zo nog wel een hele tijd doorwerken, hè? Wij niet.’

‘Hmm.’

‘En we zijn ook niet goed in het vechten… Nou ja, genoeg daarover. Wij spelen jullie rol om jullie te leren begrijpen, maar jullie schijnen ieder wel duizend verschillende rollen te spelen. En dat maakt het moeilijk voor een eerlijk, hard werkend monster met uitpuilende ogen.’

‘Wie heeft jou over monsters met uitpuilende ogen verteld?’ riep Whitbread uit.

‘Meneer Renner, wie anders? Ik heb het als een compliment opgevat — dat hij op mijn gevoel voor humor vertrouwde, bedoel ik.’

‘Doctor Horvath zou hem vermoorden als hij het wist. Er wordt van ons een uiterste voorzichtigheid verwacht in de omgang met buitenaardse wezens. We mogen geen taboes schenden en dat soort dingen.’

‘Nu we het toch overr doctorr Horrvath hebben,’ zei Potter, ‘schiet me opeens te binnen dat we iets voorr hem aan jullie moesten vrragen. Ge weet dat we ’n Brruine aan boorrd van de MacArthurr hebben?’

‘Jazeker. Een mineralenzoekster. Haar schip had de MacArthur ontmoet en kwam toen leeg terug naar huis. Het was duidelijk dat ze bij jullie gebleven was.’

‘Ze is ziek,’ zei Potter. ‘En haarr toestand worrdt steeds slechterr. Doctorr Blevins zegt dat alles op ’n ziekte wijst die met de voeding te maken heeft, maarr hij heeft niets voorr d’rr kunnen doen. Hebben jullie d’rr enig idee van waarraan ’t haarr misschien ontbrreekt?’ Whitbread meende wel te weten waarom Horvath die vraag niet aan zijn eigen Splinter gesteld had; als de Splinters de Bruine soms wensten te zien, zou hun dit geweigerd moeten worden op bevel van de Admiraal. Doctor Horvath vond het een dom en onzinnig bevel; hij zou het nooit goed kunnen praten. Maar van Whitbread en Potter werd niet verwacht dat ze dat zelfs maar zouden proberen, want een bevel was een bevel.

Toen de Splinters niet meteen antwoordden zei Jonathon: ‘De biologen hebben van alles geprobeerd. Ander voedsel, een analyse van haar spijsverteringsenzymen, röntgenfoto’s om te kijken of ze soms een tumor had. Ze hebben zelfs de atmosfeer in haar kajuit veranderd totdat die precies gelijk waf, aan dit van jullie planeet. Maar niets helpt. Ze is ongelukkig, ze jankt en komt nauwelijks meer overeind. Ze wordt steeds magerder en haar haar valt uit.’

De stem van Whitbreads Splinter klonk eensklaps vreemd dof en toonloos. ‘Jullie hebben er dus geen idee van wat haar mankeert?’

‘Nee,’ zei Whitbread.

Het was vreemd en verontrustend, zoals’ de Splinters hen aankeken. Ineens waren ze weer volkomen aan elkaar gelijk, zoals ze daar zweefden in een half gehurkte houding, zich vasthoudend aan voor dat doel aan de wanden bevestigde uitsteeksels: diezelfde houding, diezelfde tekening in hun vacht eri diezelfde flauwe glimlachjes. Van hun individuele identiteit viel nu niets te bespeuren. Maar misschien hadden ze zich die inderdaad alleen maar aangemeten.

‘We zullen jullie wat voedsel meegeven,’ zei Potters Splinter eensklaps, ’t Kan zijn dat ge ’t bij ’t rrechte eind hebt, en dat ’t inderdaad aan ’n verrkeerrd dieet ligt.’ De beide Splinters lieten hen even alleen. Na enkele ogenblikken keerde Whitbreads Splinter terug met een drukzak die graankorrels, wat vruchten ter grootte van pruimen, en een stuk rauw vlees bevatte. ‘Kook het vlees, week de graankorrels, en geef haar de vruchten rauw,’ zei ze. ‘En controleer de ionisatie van de atmosfeer in haar kajuit.’ En met die woorden duwde ze hen naar de luchtsluis.

De jongens klommen op een open scooter en aanvaardden de terugreis naar de sloep. Na enkele ogenblikken zei Potter: ‘Wat gedrroegen ze zich ineens vreemd. Ik kan d’rr niks aan doen, maarr ’k geloof dat d’rr zojuist iets belangrrijks voorrgevallen is.’

‘Ja.’

‘Wat zou ’t zijn?’

‘Misschien denken ze wel dat we die Bruine slecht behandeld hebben. Of misschien vragen ze zich af waarom we haar niet bij hen brengen. Of misschien is het precies andersom, en zijn ze onthutst omdat we ons zoveel moeite geven voor zo iets onbeduidends als een Bruine.’

‘En misschien waarr’n ze alleen maarr moe, en hebben we ’t ons verrbeeld.’ Potter stelde de stuwtrossen in werking om de sloep af te remmen.

‘Gavin. Kijk eens achter ons.’

‘Niet nu. Als gezagvoerrder van dit vehikel heb ik de verrantwoorrding ons veilig thuis te brrengen.’ Op zijn gemak bracht Potter de scooter langszij van de sloep en keek toen om.

Meer dan een dozijn Splinters was zoeven nog buiten hun schip aan het werk geweest. Dat de ondersteuning voor de transparante ruimten nog niet klaar was, was duidelijk te zien… maar toch stroomden de Splinters nu allemaal de luchtsluis van hun schip binnen.

De Bemiddelaars kwamen de doorzichtige leefruimte binnengestroomd, zachtjes tegen de wanden botsend in hun haast om voor elkaar opzij te gaan. Aan de meesten van hen was het op de een of andere manier te zien dat ze als Fyunch(klik)ken voor menswezens dienden. Ze hadden de neiging minder gebruik te maken van hun onderste rechterarmen. En ook hadden ze de neiging zich allemaal met hun hoofden in dezelfde richting te oriënteren.

De Meester had wit haar. De plukjes in haar oksels en in haar liesstreek waren lang en zijdeachtig, als de vacht van een angorakat. Toen ze allemaal verzameld waren wendde de Meester zich tot Whitbreads Splinter en zei: ‘Spreek.’

Whitbreads Splinter vertelde van het voorval met de cadetten. ‘En ik weet zeker dat ze het allemaal meenden,’ besloot ze haar verhaal. Tegen Potters Splinter zei de Meester: ‘Is dat ook jouw mening?’

‘Ja, absoluut.’

Er klonk wat paniekerig gefluister gedeeltelijk in diverse Splintertalen en gedeeltelijk in het Anglisch. Er kwam abrupt een eind aan toen de Meester vroeg: ‘En wat hebben jullie tegen hen gezegd?’

‘We hebben gezegd dat het heel goed mogelijk was dat de ziekte aan gebrekkige voeding te wijten was —’ Onder de Bemiddelaars ging een gechoqueerd, menselijk klinkend gelach op; alleen diegenen die nog geen Fyunch(klik)ken toegewezen hadden gekregen lachten niet. ‘- en we hebben ze voedsel meegegeven voor de Constructeur. Het zal niet helpen natuurlijk.’

‘En hadden ze niets door?’

‘Dat is moeilijk te zeggen. Wij zijn niet goed in rechtstreekse leugens. Dat is onze specialiteit niet,’ zei Potters Splinter.

Er verhief zich een geroezemoes van stemmen in de woonruimte. De Meester stond dit even toe. Toen nam ze opnieuw het woord. ‘Wat kan dit beduiden? Spreek daarover.’

Een van hen antwoordde. ‘Ze kunnen niet zo veel van ons verschillen. Ze voeren oorlogen. We hebben toespelingen opgevangen op het onbewoonbaar maken van hele planeten —’

Een van de anderen viel haar in de rede. Er was iets gracieus, iets menselijk-vrouwelijks, aan de manier waarop ze zich bewoog. Op de Meester maakte dit een nogal potsierlijke indruk. ‘We menen te weten, waarom menswezens vechten. Op onze planeet, en ook op de hunne houden de meeste dieren er een overgave-reflex op na, die een lid van een bepaalde soort ervan weerhoudt een ander lid te doden. Maar menswezens maken instinctief gebruik van wapens. Het heeft ten gevolge dat de overgave-reflex te langzaam werkt.’

‘Maar bij ons is dat ook eens het geval geweest,’ zei een derde. ‘De evolutie van de steriele Bemiddelaars heeft daar een eind aan gemaakt. Wil je soms zeggen dat menswezens geen Bemiddelaars hebben?’

‘Ze hebben niets,’ zei Sally Fowlers Splinter weer, ‘dat er speciaal voor gefokt is bemiddelend en onderhandelend op te treden tussen potentiële vijanden. Ze zijn overal amateurs in; tweederangs in alles wat ze doen. Ze laten amateurs voor zich onderhandelen. En wanneer de onderhandelingen mislukken, grijpen ze naar de wapens.’

‘Ook in het Meester spelen zijn het amateurs,’ zei er een. Nerveus wreef ze over het middengedeelte van haar gezicht. ‘Ze spelen om beurten Meester. In hun oorlogsschepen posteren ze “Mariniers” tussen het voorschip en het achterschip, voor het geval de menswezens in de achterste compartimenten zich meester zouden wensen te maken van het schip. En toch, wanneer Lenin spreekt gehoorzaamt kapitein Blaine alsof hij een Bruine was. Het is erg moeilijk,’ zei ze, ‘Fyunch(klik) voor iemand te zijn die nu eens wel, en dan weer niet een Meester is.’

‘Dat ben ik met je eens,’ zei Whitbreads Splinter. ‘De mijne is weliswaar geen Meester, maar ééns zal hij er een zijn.’

‘Onze Constructeur heeft geconstateerd dat er aan hun gereedschappen veel te verbeteren valt,’ zei een ander. ‘Verder is er momenteel geen categorie waarin dr. Hardy past —’

‘Ophouden daarmee,’ zei de Meester, en het rumoer verstomde. ‘Onze belangstelling gaat naar meer specifieke aangelegenheden uit. Wat zijn jullie te weten gekomen omtrent hun voortplantingsgewoonten?’

‘Daarover spreken ze niet met ons. Het zal moeilijk zijn daarachter te komen. En er schijnt slechts één vrouwelijk wezen aan boord te zijn.’

‘Eén vrouwelijk wezen?’

‘Voor zover wij hebben kunnen vaststellen.’

‘Zijn de anderen allemaal geslachtloos, of zijn de meesten van hen geslachtloos?’

‘Nee, dat zijn ze schijnbaar niet. Maar toch is het vrouwelijke wezen niet zwanger en ook is ze dat sinds onze aankomst hier nog geen enkele keer geweest.’

‘We moeten het weten’ zei de Meester. ‘Maar tegelijk mogen jullie niets laten merken. Een terloopse vraag, zeer behoedzaam gesteld, teneinde zo min mogelijk te onthullen. Als wat wij vermoeden waar is — kan het waar zijn?’

‘Dat zou tegen alle principes van de evolutie indruisen,’ zei de nerveuze Splinter. ‘Een voor de voortplanting alleen overgebleven individu móét zich altijd voortplanten; het draagt immers de genen voor de volgende generatie bij zich. Hoe kan dat dan?’

‘Het zijn vreemde wezens. Vergeet niet dat het vreemde wezens zijn,’ zei Whitbreads Splinter.

‘We moeten erachter zien te komen. Kies een van jullie uit, formuleer jullie vraag, en kies dan het menswezen uit aan wie je die vraag wilt stellen. En de rest van jullie dient dit onderwerp te vermijden, tenzij een van de vreemde wezens het zelf ter sprake brengt.’

‘Ik vind dat we niets voor hen verborgen moeten houden.’ De zenuwachtige Splinter wreef weer over het midden van haar gezicht, alsof ze daaruit geruststelling meende te kunnen putten. ‘Ze zijn anders dan wij. Misschien zijn ze de beste kans die we ooit gehad hebben. Met hun hulp zullen we er misschien in kunnen slagen het eeuwenoude patroon van de Cyclussen te verbreken.’

De Meester gaf blijk van verbazing. ‘Je zult dit uitermate belangrijke verschil tussen de menswezens en onszelf voor hen verborgen houden. Ze zullen het niet te weten komen.’

‘En ik zeg dat het verkeerd is!’ riep de andere Splinter uit. ‘Luister naar me! Ze houden er hun eigen methoden op na — ze weten altijd alle problemen op te lossen —’ De anderen kwamen op haar af. ‘Nee, luister! Luisteren jullie toch naar me!’

‘Gekke Gerrit is weer aan het werk,’ zei de Meester met iets van verbazing in haar stem. ‘Sluit haar op, maar verschaf haar het nodige comfort. We zullen haar kennis nog nodig hebben. En er dient geen opvolgster aan haar Fyunch(klik) toegewezen te worden, want de inspanning heeft haar krankzinnig gemaakt.’

Blaine liet de sloep de MacArthur voorgaan naar Splinter Alpha, met een acceleratie van nul komma achtenzeventig gee. Hij was er zich intens van bewust dat de MacArthur een vreemd oorlogsschip was dat het vermogen bezat de halve Splinterplaneet te verwoesten, en hij wilde er maar liever niet aan denken wat voor wapens er op dit moment misschien allemaal op haar gericht werden door zich niet op hun gemak voelende Splinters. Hij wilde het ambassadeursschip eerst laten aankomen — niet dat het veel uitmaken zou, maar je kon nooit weten. De sloep was nu nagenoeg onbewoond. Het wetenschappelijk personeel was terug aan boord van de MacArthur, bezig met het invoeren van eindeloze hoeveelheden gegevens in de computer, met verifiëren en coderen en met verslag uit te brengen over hun bevindingen aan de Kapitein, die een en ander vervolgens weer doorgaf aan de Lenin. Ze hadden natuurlijk ook rechtstreeks verslag kunnen uitbrengen, maar het bekleden van de hogere rangen brengt nu eenmaal vele voorrechten met zich mee. De dineetjes en bridgeavondjes aan boord van de MacArthur kregen weldra het karakter van groepsdiscussies.

Iedereen maakte zich zorgen over de bruine mineralenzoekster. Ze ging steeds meer achteruit en van het door de Splinters verstrekte voedsel at ze al even weinig als ze van de levensmiddelen uit de voorraden van de MacArthur gedaan had. Het was frustrerend, en dokter Blevins nam een eindeloze reeks proeven, maar allemaal zonder resultaat. Toch waren de miniatuurtjes dik en vruchtbaar geworden gedurende de tijd dat ze aan boord van de MacArthur vrij spel hadden gehad, en dus vroeg Blevins zich af of ze misschien onvermoede stoffen als voedsel tot zich genomen hadden, zoals de brandstof van raketten of het isolerende omhulsel van kabels. Hij zette haar een verscheidenheid van de gekste substanties voor, maar het gezichtsvermogen van de Bruine nam af, haar vacht viel bij plukken tegelijk uit en ze jankte maar. Op een dag hield ze helemaal op met eten. En de volgende dag was ze dood.

Horvath was buiten zichzelf van woede.

Het leek Blaine gepast het ambassadeursschip op te roepen. De vriendelijk grijnzende Bruin-en-wit-gestreepte die op het beeldscherm verscheen kon alleen maar Horvaths Splinter zijn, hoewel Blaine niet zou hebben kunnen zeggen hoe hij dat wist. ‘Is mijn Fyunch(klik) beschikbaar?’ vroeg Rod. Horvaths Splinter gaf hem een onbehaaglijk gevoel. ‘Ik vrees van niet, kapitein.’

‘Ook goed. Ik wilde alleen maar even berichten dat de Bruine die bij ons aan boord verbleef gestorven is. Ik weet niet hoeveel dit voor jullie betekent, maar we hebben ons best gedaan. De hele wetenschappelijke staf van de MacArthur heeft zich alle moeite getroost om te trachten haar te genezen.’

‘Daarvan ben ik overtuigd, kapitein. Maar het hindert niet. Mogen wij het lijk hebben?’

Rod dacht een ogenblik na. ‘Ik vrees van niet.’ Hij had er geen idee van wat voor informatie de Splinters zouden kunnen opdoen van het lijk van een buitenaards wezen dat zich van alle communicatie onthouden had toen ze nog leefde; maar misschien begon hij al iets van Kutu-zov te leren. Minuscule tatoeëringen onder de vacht misschien…? En waarom waren de Splinters zo weinig begaan met het lot van die Bruine? Maar dat was iets dat hij hun beslist niet kon vragen. Het beste was maar er dankbaar voor te zijn dat het hun zo weinig kon schelen. ‘Doe maar de groeten aan mijn Fyunch(klik).’

‘Ook ik heb slecht nieuws,’ zei Horvaths Splinter. ‘Kapitein, u hébt geen Fyunch(klik) meer. Ze is krankzinnig geworden.’

‘Wat?’ Rod was hierdoor meer getroffen dan hij voor mogelijk gehouden zou hebben. ‘Krankzinnig? Waaróm? Hoe komt dat?’

‘Kapitein, ik denk niet dat u zich voor kunt stellen wat een inspanning het voor haar geweest is. Er zijn Splinters die bevelen geven, en er zijn Splinters die gereedschappen vervaardigen en repareren. Wij zijn geen van beide: wij hebben slechts een communicerende taak. Het is geen inspanning voor ons, ons te vereenzelvigen met een gever van bevelen, maar met een gever van bevelen die van een vreemd ras is? Dat was te veel voor haar. Ze — Hoe zal ik het zeggen? Muiterij. Jullie woord daarvoor is muiterij. Wij hebben er geen woord voor. Ze is veilig opgeborgen onder toezicht en ze maakt het verder goed, maar het is beter voor haar dat ze nooit meer met vreemde wezens spreekt.’

‘Dank je,’ zei Rod. Het vriendelijk grijnzende beeld vervaagde, en toen het van het beeldscherm verdwenen was bleef hij nog wel vijf minuten lang roerloos zitten. Ten slotte zuchtte hij en begon een aantal rapporten te dicteren, bestemd voor de Lenin. Hij werkte geheel alleen en het was alsof hij een stuk van hemzelf verloren had en erop wachtte dat het terugkeren zou.

Deel III

Kennismaking met Gekke Gerrit

26. Splinter Alpha

SPLINTER ALPHA: In begrensde mate bewoonbare planeet in de Trans-Kolenzak-Sector. De primaire zon is een gele dwergster van het type G2, die zich op ongeveer 10 parsecs afstand van de hoofdplaneet van deze sector, Nieuw-Caledonië, bevindt. Wordt gewoonlijk de Splinter in Murchesons Oog genoemd (zie aldaar), of ook de Splinter. Massa: 0,91 maal Sol. Helderheid: 0,78 maal Sol.

Splinter Alpha bezit een giftige atmosfeer, die geademd kan worden met behulp van commerciële filters, of de standaardfilters zoals die door de Marine verstrekt worden. Beslist niet geschikt voor hartpatiënten of mensen met emfyseem. Zuurstof: 16 procent. Stikstof: 79,4 procent. Kooldioxyde: 2,9 procent. Helium: 1 procent. Koolwaterstofverbindingen, met inbegrip van ketonen: 0,7 procent. Zwaartekracht aan de oppervlakte: 0,780 maal standaard. De planetaire straal is 0,84 maal en de massa 0,57 maal de Aardstandaard; een planeet van normale dichtheid. Omlooptijd: 0,937 stand aard jaren, ofte wel 8750,005 uren.

De planeet heeft een inclinatie van 18 graden bij een halve hoofdas van 0,93 AE (137 miljoen kilometer). Er heersen lage temperaturen; de polen zijn onbewoonbaar en met ijs bedekt. De equatoriale en tropische zones variëren van gematigd tot heet. De plaatselijke dag is gelijk aan 27,33 uren.

Er is één kleine maan, die zich op slechts geringe afstand van de planeet bevindt. Zij is van asteroïdale oorsprong en de achterzijde vertoont de karakteristieke kratervormige uitholling die typerend is voor alle planetoïden in het Splinterstelsel. De zich op deze maan bevindende fusiegeneratot en energietransmissiecentrale zijn krachtbronnen die voor de op Splinter Alpha gevestigde beschaving van levensbelang zijn. Topografie: bestaat voor 50 procent uit oceaan, de uitgestrekte ijskappen niet meegerekend. Het landgebied is overwegend vlak. De bergketens zijn laag en sterk door erosie afgesleten. Bossen komen bijna niet voor. De aanwezige landbouwgrond wordt intensief gecultiveerd.

De meest in het oog springende kenmerken zijn de overal zichtbare cirkelvormige formaties. De kleinste ervan zijn afgesleten tot op de grens van het waarnemingsvermogen, terwijl de grootste slechts vanuit de ruimte zichtbaar zijn.

Hoewel de fysieke kenmerken van Splinter Alpha niet oninteressant zijn, vooral voor ecologen die belangstelling hebben voor de uitwerking van intelligent leven op de planetografie, is het belangwekkende van de Splinter toch in de eerste plaats haar bewoners…

Er kwamen twee scooters op de sloep af, en weldra klommen enkele in ruimtepakken gestoken figuren aan boord. Nadat zowel de menselijke wezens als de Splinters het schip geïnspecteerd hadden, waren de ruimtematrozen die het in een baan rond de planeet gebracht hadden blij het aan de cadetten over te kunnen dragen en naar de MacArthur terug te keren. Gretig namen de cadetten hun plaatsen in de besturingsruimte in en bestudeerden het landschap dat zich beneden hen uitstrekte.

‘We hebben opdracht jullie te vertellen dat alle contact met jullie door middel van dit schip onderhouden zal worden,’ zei Whitbread tegen zijn Splinter. ‘Het spijt me, maar we kunnen jullie niet uitnodigen om aan boord van de MacArthur te komen.’

Whitbreads Splinter gaf door een zeer menselijk aandoend schouderophalen te kennen wat ze van het opvolgen van bevelen dacht. Gehoorzaamheid bracht voor haar al even weinig problemen met zich als voor het menswezen aan wie ze toegewezen was. ‘Wat doen jullie met deze sloep wanneer jullie straks weggaan?’

‘Die is een geschenk voor jullie,’ zei Whitbread tegen haar. ‘Misschien zullen jullie haar in een museum willen plaatsen. Er zijn dingen die de Kapitein jullie graag wil laten weten omtrent ons — ’

Precies zoals er ook dingen zijn, die hij voor ons verborgen wil houden. Zeker.’

Vanuit de ruimte gezien was de planeet een en al cirkels: zeeën, meren, de boog van een bergketen, de loop van een rivier, een baai… Er was er een die door erosie vervaagd was en gemaskeerd werd door een bos. Hij zou niet voor het oog waarneembaar geweest zijn als hij niet precies over een bergketen heen gelegen had, de ruggegraat van een continent brekend zoals een mensenvoet de rug van een slang breekt. Daarachter vertoonde zich, precies in het midden van een zee die zo groot was als de Zwarte Zee, een plat uitziend eiland. ‘Op die plek waar die asteroïde de planeetkorst opengescheurd heeft moet het magma naar buiten zijn gekomen,’ zei Whitbread. ‘Kun je je voorstellen wat voor een geluid dat gemaakt moet hebben?’ Whitbreads Splinter knikte.

‘Geen wonder dat jullie alle asteroïden naar de Trojaanse punten verhuisd hebben. Dat was zeker de reden, hè?’

‘Ik weet het niet. Onze annalen zijn niet kompleet van zo lang geleden. Ik stel me zo voor dat het wel makkelijker zal zijn geweest delfstoffen uit die asteroïden te winnen en ook makkelijker om er een beschaving uit op te bouwen, toen ze eenmaal zo op een hoop gedreven waren.’

Whitbread herinnerde zich dat de Bijenkorf volkomen koud en dood geweest was zonder een spoor van uitstraling. ‘Hoe lang geleden is dit alles eigenlijk precies gebeurd?’

‘O, minstens tienduizend jaar geleden. Whitbread, hoe oud zijn jullie oudste geschriften?’

‘Ik weet het niet. Ik wil het wel eens aan iemand vragen.’ De cadet keek naar beneden. Ze passeerden net de scheidingslijn tussen licht en donker — die ook al uit een reeks bogen bestond. De nachtzijde was verlicht door de gloed van honderden steden. Zo had de Aarde er wellicht eens uitgezien tijdens het Co-Dominium; maar zo overbevolkt waren de werelden van het Keizerrijk nooit geweest.

‘Kijk, daar voor ons uit.’ Whitbreads Splinter wees naar een vlammend vlekje aan de horizon. ‘Dat is het verbindingsschip waarop we straks overstappen voor de landing. Nu kunnen we jullie onze wereld laten zien.’

‘Volgens mij moet jullie beschaving veel ouder zijn dan de onze,’ zei Whitbread.

Sally’s benodigdheden en persoonlijke bezittingen stonden kant en klaar gepakt in de salon van de sloep, en haar piepkleine kajuitje leek nu kaal en leeg. Ze stond bij de patrijspoort en sloeg de zilveren pijl gade, die op weg was naar de MacArthur. Haar Splinter keek niet naar buiten.

‘Ik, uh, heb je een nogal indelicate vraag te stellen,’ zei Sally’s Fyunch(klik).

Sally wendde zich af van de patrijspoort. Buiten was het Splinterschip inmiddels langszij gekomen en er naderde een klein bootje van de MacArthur. ‘Ga je gang.’

‘Wat doe je als je nog geen kinderen wilt hebben?’

Och hemeltje,’ zei Sally, en ze moest er een beetje om lachen. Ze bevond zich als enige vrouw te midden van bijna duizend mannen — en in een mannelijk georiënteerde samenleving. Ze had dat natuurlijk allemaal al geweten voordat ze meegegaan was, maar toch miste ze datgene wat ze als vrouwenpraat beschouwde. Gekeuvel over huwelijken en baby’s, over huishoudelijke aangelegenheden en schandaaltjes: dat maakte deel uit van het beschaafde leven. Ze had niet geweten hoezéér het er deel van uitmaakte totdat ze door die revolutie op Nieuw-Chicago overvallen was, en nu miste ze het zelfs nog meer. Uit nood had ze af en toe over recepten gepraat met de koks van de MacArthur, als een armzalig substituut daarvoor, maar de enige andere vrouwelijk georiënteerde geest binnen een afstand van lichtjaren was — haar Fyunch(klik).

‘Fyunch(klik),’ drong het buitenaardse wezen aan. ‘Ik zou dit onderwerp anders niet ter sprake brengen, maar ik vind dat ik er recht op heb dit te weten — heb je kinderen aan boord van de MacArthur?’

Wie ik? Nee, hoor!’ Sally lachte weer. ‘Ik ben niet eens getrouwd.’

Getrouwd?’

Sally vertelde de Splinter over de instelling van het huwelijk. Ze probeerde niets over te slaan, zelfs de meest voor de hand liggende en fundamentele punten niet. Het was soms moeilijk je te blijven herinneren dat de Splinter een buitenaards wezen was. ‘Het zal je allemaal wel een beetje vreemd in de oren geklonken hebben,’ besloot ze haar uiteenzetting.

‘Kom, laat ik niets voor je verborgen houden,’ zoals meneer Renner zeggen zou.’ De mimiek was volmaakt, met inbegrip van de ermee vergezeld gaande gebaren. ‘Ik vind dat jullie er rare gebruiken op na houden. Ik betwijfel of we er veel van zullen overnemen, gezien de fysiologische verschillen.’

‘Tja — natuurlijk.’

‘Maar jullie trouwen om kinderen groot te brengen. Wie brengt er kinderen groot die geboren zijn zonder een huwelijk?’

‘Er zijn liefdadige instellingen,’ zei Sally grimmig. Ze kon haar afkeer met geen mogelijkheid verbergen.

‘Ik neem aan dat jij nooit…’ De Splinter zweeg kies. ‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Hoe, niet? Ik bedoel niet waaróm niet, maar hóé?’

Nou — zoals je weet is er geslachtsverkeer tussen een man en een vrouw voor nodig om een baby te maken, net als bij jullie — ik heb jullie tamelijk grondig bestudeerd.’

‘Zodat, als jullie niet getrouwd zijn, jullie gewoon niet, uh, bij elkaar komen?’

‘Zo is het, ja. Maar er zijn natuurlijk wel pillen die een vrouw kan innemen als ze voor mannen voelt, maar de gevolgen daarvan niet wenst te aanvaarden.’

‘Pillen? Hoe werken die dan? Op basis van hormonen?’ De Splinter leek geïnteresseerd, zij het dan op een ietwat gereserveerde manier.

‘Inderdaad, ja.’ Ze hadden het al eerder over hormonen gehad. Ook de fysiologie van de Splinters bediende zich van chemische reagentia, alleen waren de chemicaliën bij hen heel anders.

‘Maar een fatsoenlijke vrouw gebruikt die zeker niet,’ opperde Sally’s Splinter.

‘Nee.’

‘Wanneer ga jij trouwen?’

‘Wanneer ik de juiste man gevonden heb.’ Ze dacht een ogenblik na, aarzelde even en voegde er toen aan toe: ‘Het kan zijn dat ik hem al gevonden heb.’ En het kan zijn dat de stomme idioot al met zijn schip getrouwd is, voegde ze er bij zichzelf aan toe. ‘Waarom trouw je dan niet met hem?’

Sally lachte. ‘Ik wil niets overhaast doen. “Trouw in haast, en berouw het op je gemak”, luidt het gezegde. Ik kan trouwen wanneer ik maar wil.’ Haar training in objectiviteit deed haar daaraan toevoegen: ‘Nou ja, binnen de komende vijf jaar dan. Als ik dan nog niet getrouwd ben, zal ik zo iets als een ouwe juffrouw zijn.’

Ouwe juffrouw?’

‘De mensen zouden het vreemd vinden,’ verduidelijkte ze. Nieuwsgierig geworden vroeg ze: ‘En als een Splinter nu eens geen kinderen wil, wat dan?’

‘Dan onthouden we ons eenvoudig van geslachtsverkeer,’ zei Sally’s Splinter preuts.

Met een bijna onhoorbare bons kwam het verbindingsvaartuig langszij.

Het landingsvaartuig was een stompe pijlpunt, bedekt met een laag hittewerend materiaal. De ruimte voor de piloot was een grote, transparante bol die naar alle kanten uitzicht bood; andere ramen waren er niet. Toen Sally en haar Splinter bij de ingang kwamen, zag ze tot haar verbazing Horace Bury vlak voor zich lopen. ‘Gaat u ook een bezoek aan de Splinterplaneet brengen, excellentie?’ vroeg Sally.

‘Jawel, vrouwe.’ Bury scheen zelf al even verbaasd als Sally. Hij ging de verbindingstunnel binnen en kwam tot de ontdekking dat de Splinters gebruik gemaakt hadden van een oud Marinefoefje — de druk in de tunnel was zo geregeld dat hij aan de overkant lager was, met als resultaat dat de passagiers als het ware erheen geblazen werden. Het inwendige van het vaartuig was verrassend groot en bood ruimte voor allemaal: Renner, Sally Fowler, aalmoezenier Hardy — Bury vroeg zich af of ze die iedere zondag terug zouden halen naar de MacArthur — dr. Horvath, de cadetten Whitbread en Staley, twee matrozen die Bury nog niet eerder gezien had — en buitenaardse tegenhangers voor alle menselijke passagiers op drie na. Hij nam de indeling van de stoelen in zich op met een geamuseerdheid die zijn angsten slechts gedeeltelijk vermocht te verdrijven: telkens vier naast elkaar, met naast iedere mens een Splinter. Toen ze zich ingespten had hij opnieuw reden om geamuseerd te zijn. Ze kwamen een stoel te kort. Maar dr. Horvath begaf zich naar voren en nam plaats naast de bruine piloot. Bury nam plaats op de voorste rij, die uit slechts twee stoelen bestond — en onmiddellijk nam een Splinter plaats op de stoel naast de zijne. Angst welde op in zijn keel. Allah is genadig, ik getuig dat Allah Eén en Ondeelbaar is — Nee! Er viel niets te vrezen en hij had zich niet schuldig gemaakt aan iets gevaarlijks.

En toch was hij hier en zat dit buitenaardse wezen naast hem, terwijl achter hem, aan boord van de MacArthur, het minste of geringste toeval met zich meebrengen kon dat de officieren van het schip zouden ontdekken wat hij met zijn ruimtepak gedaan had. Een ruimtepak is het meest identiteitsverbonden voorwerp dat een man van de ruimte bezitten kan. Het is nog veel persoonlijker dan een pijp of een tandenborstel. Toch hadden ook anderen hun ruimtepakken blootgesteld aan de attenties van de ongeziene Kaboutertjes. Tijdens de lange reis naar Splinter Alpha had luitenant Sinclair de door de Kaboutertjes uitgevoerde wijzigingen geïnspecteerd. Bury had afgewacht. Na een poosje was hij via Nabil te weten gekomen dat de Kaboutertjes de doeltreffendheid van de verversingssystemen verdubbeld hadden. Sinclair had de ruimtepakken aan hun eigenaars teruggegeven — en was begonnen de ruimtepakken van de officieren op een soortgelijke manier te laten veranderen. Een van de zuurstoftanks van Bury’s ruimtepak was dat nu nog slechts naar de schijn. Hij bevatte een halve liter onder druk staande atmosfeer en twee schijndode miniatuurtjes. De risico’s waren groot. Hij zou tegen de lamp kunnen lopen. Of de miniatuurtjes zouden dood kunnen gaan aan de drugs die hij hun toegediend had om hen in hun kunstmatige winterslaap te houden. Of misschien dat hij op een kwade dag zuurstof nodig zou hebben die er niet was. Maar Bury was altijd bereid geweest risico’s te lopen, als er maar voldoende winst op het spel stond. Toen de oproep kwam, was hij ervan overtuigd geweest dat ze erachter gekomen waren. Op het beeldscherm in zijn kajuit was een matroos verschenen die gezegd had: ‘Een oproep voor u, meneer Bury,’ om vervolgens, na gemeen tegen hem gegrijnsd te hebben de verbinding tot stand gebracht te hebben. Voordat hij de tijd had gehad om zich af te vragen wat er aan de hand was, had Bury oog in oog gestaan met een buitenaards wezen.

‘Fyunch(klik),’ had het buitenaardse wezen gezegd. Met scheefgehouden hoofd en schouders had het hem aangekeken. ‘Ie schijnt in verwarring gebracht te zijn. Je kent die uitdrukking toch zeker wel?’ Snel had Bury zich weer hersteld. ‘Natuurlijk. Ik was me er alleen niet van bewust dat ik door een Splinterwezen geobserveerd werd.’ Het idee stond hem helemaal niet aan.

‘Nee, meneer Bury, ik ben zojuist aan je toegewezen. Meneer Bury, heb je al eens overwogen een bezoek te brengen aan Splinter Alpha?’

‘Nee, ik betwijfel of men mij zou toestaan het schip te verlaten.’

Kapitein Blaine heeft zijn toestemming gegeven, voor het geval je er zin in hebt. Meneer Bury, we zouden het zeer op prijs stellen de mogelijkheden voor het aanknopen van handelsbetrekkingen tussen de Splinterplaneet en het Keizerrijk met je te bespreken. Het lijkt ons waarschijnlijk dat beide partijen daar voordeel bij zouden hebben.’ Ja! Bij de Baard van de Profeet, zó’n kans — Snel had Bury toegestemd. Nabil kon op de verborgen kaboutertjes passen terwijl hij weg was. Maar thans, nu hij zich aan boord van het landingsvaartuig bevond, had hij er moeite mee zijn angsten te bedwingen. Hij keek het naast hem zittende buitenaardse wezen aan.

‘Ik ben doctor Horvaths Fyunch(klik),’ zei de Splinter. ‘Je kunt je gerust ontspannen. Deze vaartuigen zijn goed geconstrueerd.’

‘Ah,’ zei Bury, en hij ontspande zich. Het ergste lag nog uren in het verschiet. Nabil zou die zogenaamde zuurstoftank inmiddels wel veilig overgebracht hebben naar de luchtsluis van de MacArthur en hem tussen de honderden andere die zich daar bevonden geplaatst hebben, zodat er niets te vrezen viel. En het buitenaardse schip was ongetwijfeld superieur aan soortgelijke vaartuigen van menselijke makelij, al was het alleen maar omdat de Splinters natuurlijk niet zouden wensen dat de menselijke ambassadeurs enig risico zouden lopen. Maar het was niet die afdaling naar de planeet, die hem de angst voortdurend naar de keel deed stijgen totdat hij hem proeven kon, scherp als de smaak van nieuw koper —

Er ging een lichte schok door het vaartuig. De afdaling was begonnen.

Tot ieders verbazing was het een saaie, door niets verstoorde reis. Er deden zich af en toe veranderingen van zwaartekracht voor, maar geen schokken of atmosferische turbulentie. Op drie afzonderlijke ogenblikken voelden ze bijna onderbewust een bons, als van een landingsgestel dat neergelaten werd — en toen was er alleen nog maar een gevoel alsof ze deinden. Het schip was aan de grond. Op een rijtje gingen ze naar buiten en een onder druk gebrachte ruimte binnen. De lucht was goed maar reukloos, en buiten die grote, opgepompte ballonstructuur om hen heen viel er niets te zien. Ze keken achterom naar het schip, en zonder zich ervoor te schamen bleven ze staan en staarden er met open monden naar.

Het had nu vleugels als die van een meeuw en had de vorm van een zweefvliegtuig. Uit de randen van die rare pijlpunt stak nu een verbijsterend assortiment van vleugels en ailerons naar buiten. ‘Was me dat even een rit,’ zei Horvath joviaal, terwijl hij zich bij hen voegde. ‘Dat hele vehikel verandert van vorm. Er zitten geen scharnieren aan de vleugels — die ailerons komen als vanzelf naar buiten, alsof ze met leven bezield zijn! En de openingen van de straalmotoren openen en sluiten zich alsof het monden zijn! Jullie hadden het eens moeten zien. Als luitenant Sinclair ooit naar beneden komt moeten we hem beslist op dat plaatsje bij het raam zetten,’ lachte hij. De woedende blikken ontgingen hem.

Aan de tegenoverliggende wand van het bouwsel ging een luchtsluis open en er kwamen drie bruin en wit gestreepte Splinters binnen. Opnieuw steeg de angst Bury naar de keel toen ze uiteengingen, waarbij twee van hen zich ieder bij een van de matrozen voegden, terwijl de derde regelrecht op Bury toe kwam. ‘Fyunch(klik),’ zei hij. Bury’s mond voelde erg droog aan.

‘Wees maar niet bang,’ zei de Splinter. ‘Ik kan je gedachten niet lezen.’ Als het de bedoeling van de Splinter was geweest Bury gerust te stellen, had hij zijn woorden bepaald niet ongelukkiger kunnen kiezen. ‘Ik heb anders gehoord dat het je beroep is.’

De Splinter lachte. ‘Het is mijn beroep, dat wel, maar dóén kan ik het niet. Het enige dat ik ooit van je te weten kom is wat jij me zelf laat zien.’ De stem van de Splinter kwam helemaal niet overeen met het idee dat Bury van zijn eigen stem had. Het wezen had waarschijnlijk een studie gemaakt van mensen in het algemeen, en meer niet. ‘Jij bent van het mannelijk geslacht,’ merkte hij op. ‘Ik ben nog jong. De anderen waren al vrouwelijk tegen de tijd dat ze de MacArthur bereikten. Meneer Bury, buiten staan vervoermiddelen te wachten en hier vlakbij hebben we een verblijf voor je ingericht. Kom mee en bezichtig onze stad en daarna kunnen we over zaken praten.’ Hij pakte zijn arm beet tussen twee kleine rechterarmpjes, en de aanraking daarvan was een bijzonder vreemde gewaarwording. Bury liet zich meetronen naar de luchtsluis.

‘Wees maar niet bang. Ik kan je gedachten niet lezen,’ had het wezen gezegd, zijn gedachten lezend. Op een groot aantal opnieuw ontdekte werelden van het Eerste Keizerrijk deden geruchten de ronde over mensen die gedachten zouden kunnen lezen, maar, de genade van Allah zij geloofd, ze hadden er tot dusverre nog nooit een gevonden. Dit wezen beweerde het niet te kunnen en het was van een totaal ander ras. Zijn aanraking was niet weerzinwekkend, hoewel de mensen van Bury’s cultuur er een grote hekel aan hadden aangeraakt te worden. Hij had al zoveel vreemde gebruiken en volkeren meegemaakt dat hij de vooroordelen van zijn jeugd allang van zich afgezet had. Maar deze Splinter legde zijn anders-zijn er zo dik bovenop dat hij erdoor gerustgesteld werd — en Bury had nog nooit gehoord dat er ook maar iemands Fyunch(klik) zich zo gedroeg. Strééfde hij er soms naar hem gerust te stellen?

Buiten de hoop op winst zou niets hem hierheen hebben kunnen lokken — een ongelimiteerde winst, het behalen van voordeel, alleen al door om zich heen te kijken. Zelfs de industriële krachtprestatie die het Eerste Keizerrijk tentoongespreid had bij het terraformeren van de werelden van het Nieuw-Caledonië-stelsel, viel in het niet bij wat ervoor nodig geweest moest zijn om die asteroïden naar de Trojaanse punten van Splinter Bèta over te brengen.

‘Een goed commercieel produkt,’ hoorde hij de Splinter zeggen, ‘dient noch omvangrijk, noch zwaar te zijn. Het moet mogelijk zijn de nodige artikelen te vinden die hier schaars zijn en in het Keizerrijk in overvloed aanwezig, of vice versa. Ik verwacht groot voordeel van je bezoek aan ons…’

Ze voegden zich bij de anderen in de luchtsluis. Grote vensters boden uitzicht op het vliegveld. ‘Verdomde opscheppers,’ mopperde Renner tegen Bury. Toen de Handelsman hem vragend aankeek, wees Renner naar buiten. ‘Het vliegveld is volkomen ingesloten door de stad, zonder ook maar één meter extra ruimte.’

Bury knikte. Het minuscule vliegveld was omringd door hoge en vierkant gebouwde wolkenkrabbers die dicht op elkaar gepakt stonden, met slechts één enkele groenstrook, die zich in oostelijke richting tot buiten de stad uitstrekte. Als er ooit een vliegtuig neerstortte zou het een catastrofe veroorzaken — maar de Splinters bouwden geen vliegtuigen die konden neerstorten.

Er stonden drie grondwagens te wachten, limousines, waarvan er twee voor de passagiers en een voor de bagage bestemd waren, en in elk daarvan namen de zitplaatsen voor de menselijke wezens twee derde van de beschikbare ruimte in beslag. Bury knikte bedachtzaam voor zich heen. Splinters vonden het niet erg dicht opeengepakt te zitten. Zodra ze plaats genomen hadden lieten de Bruinen die als chauffeur fungeerden, de wagens wegschieten. De vehikels liepen geluidloos, met een gevoel van soepele kracht en bewogen zich geheel zonder schokken. De motoren bevonden zich in de assen van de hoge ballonbanden, waarin ze veel overeenkomst vertoonden met die van de wagens op de werelden van het Keizerrijk.

Hoge, lelijke gebouwen verhieven zich aan alle kanten boven hen en benamen het uitzicht op de hemel. De zwarte straten waren breed maar stampvol, en de Splinters reden als maniakken. Kleine voertuigjes passeerden elkaar door het uitvoeren van ingewikkelde, zwenkende manoeuvres, met slechts centimeters tussenruimte. Het verkeer was niet helemaal geluidloos. Er was een gestadig, laag gegons hoorbaar, dat het geluid van honderden motoren tegelijk zou hebben kunnen zijn, en af en toe een stroom van schelle brabbelgeluiden, die voor scheldwoorden zouden kunnen doorgaan.

Toen de menselijke bezoekers er eenmaal in geslaagd waren zich niet langer in paniek schrap te zetten tegen iedere potentiële botsing, viel het hun op dat alle andere chauffeurs eveneens Bruinen waren. De meeste wagens vervoerden een passagier. Soms was dit een Bruin-en-wit-gestreepte, maar dikwijls een zuiver Witte. Deze Witten waren groter dan de Bruin-en-wit-gestreepten en hun vacht zag er erg schoon en zijdeachtig uit — en zij waren het die al die verwensingen uitten terwijl hun chauffeurs zwijgend doorreden.

Minister Horvath draaide zich om naar zijn menselijke metgezellen op de zetels achter hem. ‘Ik heb die gebouwen eens goed bekeken terwijl we landden — ze hebben allemaal zonder uitzondering daktuinen. En, meneer Renner, bent u blij dat u meegekomen bent? We hadden weliswaar verwacht dat er een marineofficier mee zou gaan, maar we hadden beslist niet gedacht dat ze u zouden sturen.’

Mij te sturen leek de meest redelijke oplossing,’ zei Kevin Renner. ‘Ik was de meest door en door beschikbare officier aan boord, om met de woorden van de Kapitein te spreken. Ze zullen me voorlopig niet nodig hebben voor het uitzetten van koersen.’

En is dat de reden dat ze u gestuurd hebben?’ vroeg Sally. ‘Nee, wat de Kapitein er volgens mij werkelijk toe heeft doen besluiten was de manier waarop ik krijste en huilde en dreigde mijn adem in te zullen houden. Op de een of andere manier heeft hij daaruit opgemaakt dat ik eigenlijk wel graag meewilde. En hier ben ik.’ De manier waarop de navigatieofficier naar voren leunde in zijn stoel deed Sally denken aan een hond die zijn kop uit een portierraam in de wind stak.

Zojuist waren hun de trottoirs opgevallen, die ter hoogte van de eerste verdiepingen langs de zijkanten van de gebouwen liepen, maar de voetgangers zelf konden ze niet goed zien. Er waren nog meer van die Witten tussen, en ook Bruin-en-wit-gestreepten, en… nog andere wezens. Er kwam iets langs en symmetrisch aangelopen, dat als een reus boven de Witten uittorende. Het moest wel drie meter lang zijn en het had een klein hoofd zonder oren, dat weggedoken scheen tussen de spier-welvingen van de schouders. Het droeg onder elk van zijn beide armen een reusachtig groot uitziend soort doos met zich mee. Het bewoog zich voort als een Jaggernaut, gestadig en onstuitbaar. ‘Wat is dat?’ vroeg Renner.

‘Een Arbeider,’ antwoordde Sally’s Splinter. ‘Een Kruier. Niet bijster intelligent…’

Er was nog een ander wezen, en Renner rekte zich uit om het beter te kunnen zien, want het had een vacht van een roestbruine kleur, die eruitzag alsof hij in bloed gedrenkt was. Het was van dezelfde afmetingen als zijn eigen Splinter, maar had een kleiner hoofd. Toen het een soepel gebaar maakte met een stel opgestoken rechterhanden zag Renner vingers die zo lang en fijngebouwd waren, dat ze hem aan de poten van amazonespinnen deden denken. Hij raakte de schouder van zijn Fyunch(klik) aan en wees. ‘En dat daar?’

‘Een Arts. Een Emm Dee,’ zei Renners Splinter. ‘We zijn een gedifferentieerd ras, zoals je inmiddels misschien wel begrepen hebt. Ze zijn zogezegd allemaal aan elkaar verwant…’

Ja. En die Witten?’

‘Dat zijn gevers van bevelen. Er was er ook een aan boord van ons schip zoals je vast wel zult weten.’

‘Ja, we vermoedden zo iets.’ Dat wil zeggen, de Tsaar had dat vermoed. Waar zou hij nog méér gelijk in krijgen? ‘Wat vind je van onze architectuur?’

‘Lelijk. Industrieel-afzichtelijk,’ zei Renner. ‘Ik wist dat jullie opvattingen over schoonheid anders zouden zijn dan die van ons, maar vertel me eens eerlijk. Houden jullie er überhaupt een gevoel voor schoonheid op na?’

‘Kom, laat ik niets voor je verborgen houden. Dat doen we wel degelijk maar op een andere manier dan jullie. En ik begrijp nog steeds niet wat jullie eigenlijk in die booggewelven en zuilen zien —’

‘Freudiaanse symboliek,’ zei Renner gedecideerd. Sally snoof. ‘Dat zegt Horvaths Fyunch(klik) ook steeds, maar ik heb er nog nooit een steekhoudende verklaring voor gehoord,’ zei Renners Splinter. ‘Maar wat vinden jullie inmiddels van jullie vervoermiddelen?’ De limousines verschilden radicaal van de tweezittertjes die langs hen heen zoefden. En ook waren die tweezittertjes geen van alle aan elkaar gelijk — blijkbaar hadden de Splinters de voordelen van standaardisatie nog niet ontdekt. Maar alle andere vehikels die ze gezien hadden waren heel klein, als een paar met elkaar verbonden motorfietsen, terwijl de menselijke bezoekers vervoerd werden in lage, gestroomlijnde voertuigen waarvan de zachte welvingen glanzend gepoetst waren. ‘Ze zijn prachtig,’ zei Sally. ‘Hebben jullie die speciaal voor ons ontworpen?’

‘Ja,’ antwoordde haar Splinter. ‘Hebben we een en ander goed geraden?’

‘Ze zijn eenvoudig volmaakt. We voelen ons erg gevleid,’ zei Sally. ‘Jullie moeten hier heel wat kosten aan besteed… hebben…’ Haar stem stierf weg. Renner draaide zich om om te zien waar ze naar keek, en de adem stokte hem in de keel.

Zulke kastelen hadden op Aarde wel bestaan in de Tiroolse Alpen. Ze waren er nog steeds trouwens, want er waren nooit bommen op gevallen, maar Renner had er uitsluitend imitaties van gezien op andere werelden. En nu stond daar te midden van de vierkante gebouwen van de Splinterstad een sierlijk sprookjeskasteel, compleet met ranke torens. Aan een van de hoeken reikte een minaret, omgeven door een klein balkon, naar de hemel.

‘Wat is dit in hemelsnaam voor een gebouw?’ vroeg Renner.

Het was Sally’s Splinter die hem antwoordde. ‘Hier logeren jullie. De luchtdruk in het gebouw is die waaraan jullie gewend zijn. Verder staat het gebouw geheel op zichzelf en voorziet het in al jullie behoeften, met inbegrip van een garage en wagens voor jullie gemak.’

Het was Horace Bury die de bewonderende stilte verbrak. ‘Jullie zijn buitengewoon indrukwekkende gastheren.’

Van het begin af aan noemden ze het ‘het Kasteel’. Het leed geen twijfel dat het speciaal voor hen ontworpen en gebouwd was. Het was groot genoeg voor een stuk of dertig mensen. De schoonheid en de luxe ervan waren in de traditie van Sparta — zij het met hier en daar een paar wanklanken.

Whitbread, Staley, Sally, dr. Hardy en dr. Horvath — stuk voor stuk kenden ze hun manieren. Ze hielden de lachbuien die ze in zich op voelden komen stevig in bedwang, toen hun Fyunch(klik)ken hun hun respectieve kamers lieten zien. De Ruimtematrozen Eerste Klasse, Jackson en Weiss, waren zo onder de indruk dat ze met stomheid geslagen waren, en ze wachtten zich er trouwens wel voor domme dingen te zeggen. Waar Horace Bury vandaan kwam hield men er strenge tradities van gastvrijheid op na; afgezien daarvan was hij trouwens gewend alle gebruiken vreemd te vinden, behalve die op Levant. Maar het volk waaruit Renner voortgekomen was stelde eerlijkheid op prijs, en eerlijkheid, had hij geleerd, maakte het leven gemakkelijker voor iedereen. Behalve bij de Marine. Bij de Marine had hij geleerd zijn mond te houden. Maar gelukkig hield zijn Fyunch(klik) er net zulke opvattingen op na als hij.

Hij keek het hem toegewezen appartement rond. Een dubbel bed, een toilettafel, een grote klerenkast, een sofa en een salontafeltje. Het geheel deed vaag denken aan de reisfilms, die hij de Splinters had laten zien. Het vertrek was vijfmaal zo groot als zijn kajuit aan boord van de MacArthur.

‘Armslag,’ zei hij met grote voldoening. Hij snoof eens. Er viel niets te ruiken. ‘Jullie weten de lucht van jullie planeet bijzonder goed te filtreren.’

‘Dank je. Maar wat die armslag betreft Renners Splinter bewoog al haar armen tegelijk op en neer, ‘die zouden wij harder nodig moeten hebben dan jullie, maar toch is dat niet het geval.’ Het grote venster reikte van de vloer tot aan het plafond, en van wand tot wand. Boven hem uit torende de stad; de meeste gebouwen binnen zijn gezichtsveld waren hoger dan het Kasteel. Renner kwam tot de ontdekking dat hij een lange straat uitkeek naar een schitterende zonsondergang, die alle schakeringen van de kleur rood bezat. Op het voetgangersniveau boven de straat spoedde zich een menigte gekleurde schimmen voort, hoofdzakelijk Roden en Bruinen, maar er waren ook veel Witten tussen. Hij keek er een poosje naar en wendde zich toen van het venster af.

Bij het hoofdeind van zijn bed zag hij een kleine nis. Hij keek naar binnen. De nis bevatte een soort toilettafel en twee vreemd uitziende stukken meubilair die Renner herkende. Ze leken op hetgeen die Bruine met het bed in Crawfords hut gedaan had. ‘Twee?’ vroeg hij.

‘We krijgen ook nog een Bruine toegewezen.’

‘Ik ga jou eens een nieuw woord leren. Het heet “privacy”. En het heeft betrekking op de menselijke behoefte —’

‘We wéten wat privacy betekent.’ Toen scheen er plotseling iets tot de Splinter door te dringen. ‘Je wilt toch zeker niet zeggen dat dat ook van toepassing dient te zijn tussen een man en zijn Fyunch(klik)!’ Renner knikte doodernstig.

‘Maar… maar… Renner, heb je dan geen respect voor tradities?’

Ik weet het niet. Wat vind jij?’

‘Nee, verdomme, dat heb je niet. Goed dan, Renner. We zullen daar een deur laten aanbrengen. Met een slot, soms?’

‘Ja. En ik zou eraan toe willen voegen dat de anderen er waarschijnlijk net zo over denken, ook al zeggen ze dat misschien niet.’ Het bed, de sofa en het tafeltje vertoonden geen van de bekende wijzigingen, die hij zo langzamerhand van Splinters was gaan verwachten. De matras was een beetje te hard, maar wat gaf dat. Renner wierp een blik in de badkamer, en prompt schaterde hij het uit. Het toilet was een vrije-valtoilet, dat behoudens enkele veranderingen veel aan die aan boord van de sloep deed denken; het had een gouden spoelknop, die besneden was tot iets dat op een hondekop leek. En de badkuip was… vreemd, op zijn zachtst gezegd. ‘Die badkuip moet ik beslist eens proberen,’ zei Renner. ‘Laat me weten wat je ervan denkt. We hebben weliswaar een aantal beelden van badkuipen in je reisfilms gezien, maar die zagen er belachelijk uit, jullie anatomie in aanmerking genomen.’

Dat klopt. Nog niemand heeft ooit een fatsoenlijke badkuip weten te ontwerpen. Er kwamen geen toiletten in die films voor, is ’t wel?’

‘Vreemd genoeg niet, nee.’

‘Hmm.’ Renner begon te schetsen. Toen hij klaar was vroeg de Splinter: ‘Hoeveel water gebruiken deze dingen precies?’

Een heleboel. Te veel voor ruimtevaartuigen.’

Nou, we zullen zien wat we doen kunnen.’

‘O, en je moest ook maar een deur laten aanbrengen tussen de badkamer en de huiskamer.’

‘Alwéér vanwege de privacy?’

Reken maar.’

Het diner die avond had veel weg van een formeel diner in Sally’s ouderlijk huis op Sparta, op een aantal grillige uitzonderingen na. De bedienden — zwijgend, attent, onderdanig en gedirigeerd door de gastheer, welke rol met een gepast gevoel voor verhoudingen gespeeld werd door dr. Horvaths Splinter — waren allemaal Arbeiders van anderhalve meter lengte. Het voedsel was afkomstig uit de voorraden van de MacArthur, met uitzondering van een voorgerecht, een meloenachtige vrucht met een zoete gele saus er overheen. ‘We garanderen dat hij niet schadelijk voor jullie is,’ zei Renners Splinter. ‘We hebben al enkele voedingsmiddelen gevonden waar we voor in kunnen staan en we proberen er nog meer te vinden. Maar voor de smaak kunnen we niet instaan; dat risico zullen jullie moeten lopen.’ De saus deed echter de zure smaak van de meloen teniet en maakte hem tot een heerlijk gerecht.

‘We kunnen dit als handelsartikel gebruiken,’ zei Bury. ‘Alleen zouden we bij voorkeur de zaden willen verschepen en niet de meloenen zelf. Zijn ze moeilijk te kweken?’

‘Helemaal niet, maar wel vereisen ze de nodige zorg,’ zei Bury’s Splinter. ‘We zullen jullie in de gelegenheid stellen de bodem te onderzoeken. Heb je misschien nog andere dingen gevonden die de moeite waard zouden zijn om zaken mee te doen?’

Bury trok zijn gezicht in een frons en keek neer op zijn bord. Niemand had op- of aanmerkingen gemaakt over die borden. Ze waren van goud en hetzelfde gold voor het bestek en zelfs voor de wijnbokalen, hoewel die gevormd waren alsof ze van fijn kristal waren. Toch kon het geen écht goud zijn, want het was niet warmtegeleidend; het waren allemaal eenvoudige imitaties van de voor vrije val gemaakte plastic tafelbenodigdheden aan boord van de sloep van de MacArthur, tot zelfs op de in de randen geperste handelsmerken toe. Allemaal zaten ze op zijn antwoord te wachten. Handelsmogelijkheden zouden van grote invloed zijn op de betrekkingen tussen de Splinterplaneet en het Keizerrijk. ‘Onderweg naar het Kasteel heb ik gekeken of ik ook tekenen van luxe om me heen zag. De enige luxeartikelen die ik gezien heb waren die, welke jullie speciaal voor ons ontworpen hebben. Maar misschien dat ik andere dingen niet als zodanig herkend heb.’

‘Het woord is me bekend, maar wij laten ons erg weinig gelegen liggen aan luxeartikelen. Wij — ik spreek natuurlijk namens de gevers van bevelen — leggen meer de nadruk op macht, territoriaal bezit en de instandhouding van een huishouden en een dynastie. Wij leggen ons erop toe onze kinderen een passende plaats in het leven te verschaffen.’ Bury borg die informatie zorgvuldig op voor later: ‘Wij spreken namens de gevers van bevelen.’ Hij had hier dus te maken met een bediende. Nee, met een tussenpersoon. Hij diende dat voor ogen te houden en zich af te vragen hoe bindend de beloften van zijn Fyunch(klik) wel waren. Hij glimlachte en zei: ‘Jammer. Luxeartikelen zijn goed bestand tegen vervoer. Jullie zullen mijn probleem met het vinden van geschikte handelsartikelen wellicht begrijpen, wanneer ik jullie vertel dat het nauwelijks winstgevend zou zijn goud van jullie te kopen.’

‘Zo iets had ik al gedacht. We moeten dus zien of we iets kunnen vinden dat meer waarde heeft.’

Kunstwerken, misschien?’

Kunst?’

‘Sta mij toe,’ zei Renners Splinter. Ze ging over op een soort vogeltaai vol schelle, tjilpende en kwinkelerende geluiden. Razendsnel sprak ze zo gedurende ongeveer twintig seconden; daarna keek ze om zich heen naar de verzamelde aanwezigen. ‘Sorry, maar zo ging het vlugger.’

‘Zo is het,’ zei Bury’s Splinter. ‘Ik neem aan dat jullie de originelen zouden wensen?’

‘Indien mogelijk wel, ja.’

‘Natuurlijk. Voor ons is een kopie even goed als het origineel. We bezitten vele musea; ik zal voor een aantal excursies zorgen.’ Iedereen bleek van de partij te willen zijn.

Toen ze van het diner terugkeerden moest Whitbread bijna lachen, toen hij zag dat de badkamer inmiddels een deur had gekregen. Zijn Splinter zag dit en zei: ‘Meneer Renner had het een en ander te zeggen omtrent privacy.’ Met een ruk van haar duim wees ze naar de deur die thans ook de nis van de rest van de kamer scheidde. ‘O, die deur was niet nodig geweest,’ zei Whitbread. Hij was er toch niet aan gewend alleen te slapen. Als hij soms midden in de nacht wakker mocht worden, tegen wie zou hij dan moeten praten totdat hij weer in slaap viel?

Er klopte iemand aan de deur. Het was de ruimtematroos eerste klasse Weiss — van de planeet Tafelblad, herinnerde Whitbread zich. ‘Meneer, zou ik u even onder vier ogen mogen spreken?’

Oké,’ zei Whitbreads Splinter en trok zich terug in de nis. Die Splinters hadden snel begrepen wat privacy was. Whitbread liet Weiss de kamer binnen.

‘Meneer, we zitten ’n beetje met ’n probleem,’ zei Weiss. ‘Dat wil zeggen, ik en Jackson. We zijn meegekomen om te helpen met het werk, weet u, zoals het sjouwen van bagage en schoonmaken en opruimen en dat soort dingen.’

‘Klopt, ja. Maar jullie zullen niets van dat alles hoeven te doen. We hebben allemaal zo’n Constructeur-type toegewezen gekregen.’

Ja, meneer, maar dat is het ’m niet alleen. Jackson en ik hebben ook allebei zo’n Bruine toegewezen gekregen. En, en —’

‘Fyunch(klik)ken, zeker.’

‘Precies, meneer.’

‘Nou, er zijn bepaalde dingen waarover jullie niet mogen praten.’ Beide matrozen waren op het hangardek gestationeerd en zouden dus toch niet veel van de technologie van het Veld af weten. ‘Ja, meneer, dat weten we. Geen oorlogsverhalen en niks wat met de bewapening of de aandrijving van het schip te maken heeft.’

Goed zo. Maar voor de rest zijn jullie met vakantie. Jullie reizen eersteklas, met een bediende en een inheemse gids. Geniet ervan. Zeg geen dingen waarvoor je op het matje geroepen zou kunnen worden bij de Tsaar, spaar je de moeite en vraag niet naar de plaatselijke rosse buurt, en maak je geen zorgen over de kosten. Amuseer je, en hoop maar dat ze je niet met de volgende boot terug naar boven zullen sturen.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Plotseling grinnikte Weiss. ‘Weet u? Dit is waarvoor ik bij de Marine gegaan ben. Vreemde werelden zien. Dit is wat die lui van dat wervingsbureau ons beloofd hebben.’

‘ “Gouden steden, heel ver weg…” Ja, mij ook.’ Toen de matroos vertrokken was, ging Whitbread weer bij het grote venster staan. De stad gloeide met wel een miljoen lichtjes. De kleine wagentjes waren voor het merendeel verdwenen, maar nu waren de straten vol reusachtige, geruisloze vrachtwagens. Het voetgangersverkeer was nu wat afgenomen. Whitbread zag iets langs en spichtigs tussen de Witten doorschieten, met zo’n vaart dat het was alsof deze laat-sten stilstonden. Het week uit voor zo’n kolossale Kruier en het volgende ogenblik was het verdwenen.

27. De rondleiding

Renner was al vóór het aanbreken van de dag op. De Splinters kozen kledingstukken voor hem uit en legden die klaar, terwijl hij zich baadde in die merkwaardige badkuip. Hij verzette zich niet tegen hun keuze. Hij zou hen maar laten begaan; ze zouden wel eens de laatste niet-militaire bedienden kunnen zijn die hij zich ooit zou kunnen permitteren. Tegelijk met zijn kleren hadden ze ook zijn handvuurwapen op discrete wijze klaargelegd, en na lang nadenken gespte Renner het ding om onder een burgerjasje dat van een soort prachtig glanzende fibers geweven was. Hij wilde dat wapen eigenlijk helemaal niet dragen, maar voorschriften waren voorschriften… De anderen zaten allemaal al aan het ontbijt, en onderwijl keken ze door het grote venster naar het opkomen van de zon. Die kwam op als een zonsondergang, in alle schakeringen van de kleur rood. De dag was op Splinter Alpha eigenlijk enkele uren te lang. Daardoor hadden ze de neiging, ’s avonds langer op te blijven, maar tegelijk konden ze ’s morgens langer uitslapen, en toch nog vóór zonsopgang op zijn. Het ontbijt bestond uit grote, opmerkelijk eivormige, gekookte eieren. Na het verwijderen van de schaal leken het wel tevoren kant en klaar gemaakte roereieren met een iets uit het midden daarin begraven maraskino-kers. Renner kreeg te horen dat de vrucht de moeite van het eten niet waard was en hij probeerde het dan ook niet. ‘Het Museum is slechts een paar blokken hiervandaan.’ Doctor Horvaths Splinter wreef zich krachtig de beide rechterhanden. ‘Laten we er te voet heen gaan. Wel zullen jullie je warm moeten kleden, denk ik.’ Met dat probleem hadden de Splinters allemaal te kampen: welk paar handen moesten ze gebruiken om menselijke gebaren te imiteren? Renner verwachtte ieder ogenblik dat Jacksons Splinter psychotische afwijkingen zou beginnen te vertonen, want Jackson was linkshandig. Ze gingen te voet. Koude windvlagen striemden hen bij het passeren van de hoeken van de gebouwen. De zon was groot en verspreidde een mat licht; je kon er zo vroeg in de ochtend rechtstreeks in kijken. Ongeveer twee meter beneden hen schoten zwermen kleine voertuigjes door de straten. Vaag drong de vieze lucht van Splinter Alpha’s atmosfeer door hun filterhelmen tot hen door, en ook het zachte gegons van de wagens en het snelle gebrabbel van Splinterstemmetjes. De groep menselijke wezens bewoog zich voort te midden van drommen Splinters van allerlei kleuren — die hen volkomen negeerden. Maar even later kwam er een groep witbehaarde voetgangers een hoek om, die de pas inhielden om hen te bekijken. Ze kwetterden muzikaal en staarden hen nieuwsgierig aan.

Bury scheen niet erg op zijn gemak; hij verschool zich zo veel mogelijk tussen de anderen in de groep. Die houdt er zeker niet van door zoveel ogen tegelijk bekeken te worden, dacht Renner. Zelf werd de Eerste Stuurman op dat moment van top tot teen bekeken door een hoogzwangere Witte, die de zwelling van haar kind hoog boven dat gecompliceerde grote gewricht in haar rug droeg. Renner grijnsde tegen haar, ging op zijn hurken zitten en draaide haar zijn rug toe. Zijn Fyunch(klik) bracht een aantal lage zangtonen voort. De Witte kwam dichterbij en eensklaps liet een half dozijn witte Splinters een dozijn kleine handjes langs zijn ruggewervels gaan.

‘Ja! ’n Beetje lager,’ zei Renner. ‘Daar ja, en nu krabben maar. Aahh.’ Toen de Witten weer doorgelopen waren, strekte Renner zijn lange benen en zette de pas erin om de anderen in te halen. Zijn Splinter draafde naast hem met hem mee.

‘Ik hoop maar dat ik die oneerbiedigheid niet van je overneem,’ zei zijn Fyunch(klik).

‘Waarom niet?’ vroeg Renner doodernstig.

‘Wanneer jullie er straks niet meer zijn, zullen wij weer andere dingen te doen krijgen. Nee, maak je maar geen zorgen. Als jij de Marine tevreden weet te stellen, kan het voor mij vast niet moeilijker zijn ervoor te zorgen dat de gevers van bevelen tevreden met mij blijven.’ Er lag een bijna weemoedige klank in haar stem, dacht Renner — maar hij was er niet zeker van. Als Splinters er al gelaatsuitdrukkingen op na hielden, had Renner ze in elk geval niet leren onderscheiden. Een flink stuk voor hen uit werd het Museum zichtbaar. Evenals alle andere gebouwen was het vierkant van constructie, maar de voorkant was van glas, of iets dat daarop leek. ‘Wij houden er veel gebouwen op na, waarop jullie woord “Museum” van toepassing zou zijn,’ vertelde Horvaths Splinter, ‘zowel in deze als in andere steden. Maar dit was het dichtst bij en het is gespecialiseerd op het gebied van schilderkunst en beeldhouwwerk.’

Er kwam hen weer een van die kolossen achterop, die drie meter hoog boven hen uit torende, en eigenlijk nog een meter hóger als je de vracht meetelde die het op zijn hoofd meedroeg. Het? Nee, het was een zij, zag Renner aan de langwerpige, afgeplatte zwelling hoog boven het onderlichaam, die haar zwangerschap verried. De ogen waren zachte diereogen zonder iets van besef of belangstelling erin; ze haalde hen in en liep door zonder ook maar even de pas in te houden. ‘Het dragen van een kind schijnt zo’n Splinter niet te vertragen,’ merkte Renner op.

Er keerden zich bruin met wit gestreepte schouders en hoofden naar hem om. ‘Nee, natuurlijk niet,’ zei Renners Splinter. ‘Waarom zou het ook?’

Sally Fowler ging daarop in. Zorgvuldig trachtte ze uit te leggen, hoe nutteloos en onbruikbaar vrouwelijke menswezens waren als ze zwanger waren. ‘Dat is een van de redenen waarom zich bij ons mannelijk georiënteerde samenlevingen plegen te ontwikkelen. En Ze was nog steeds bezig een lezing over de aan zwangerschap en bevallingen verbonden problemen te houden, toen ze het Museum bereikten.

De deuropening was zo laag, dat Renner met zijn neus tegen de bovendrempel opgelopen zou zijn als hij zich niet gebukt had. De plafonds waren iets hoger; daar streek hij met zijn haar langs. Doctor Horvath zag zich genoodzaakt zijn hoofd gebogen te houden. Ook was de verlichting een beetje te geel van kleur. En de schilderijen hingen te laag.

De omstandigheden waren voor een bezichtiging niet ideaal te noemen. En de kleuren leken ook al onecht. Er volgde een geanimeerde conversatie tussen dr. Horvath en zijn Splinter, nadat eerstgenoemde onthuld had dat blauw plus geel voor een menselijk oog gelijk staat aan groen. Het oog van een Splinter had dezelfde constructie als dat van een mens, of van een octopus, trouwens: een bol, een lichtgevoelige lens en een aantal zenuwuiteinden langs de achterzijde, die in verbinding stonden met het netvlies. Het verschil zat echter in het netvlies zelf dat bij de Splinters anders was.

Toch ging er wel iets van die schilderijen uit. In de hoofdzaal — die plafonds van drie meter hoogte had, en waarvan de wanden behangen waren met grotere schilderijen — bleef het gezelschap staan voor een straattafereel. Het gaf een Bruin-en-wit-gestreepte te zien die op een voertuig geklommen was en blijkbaar bezig was een menigte Bruinen en andere Bruin-en-wit-gestreepten toe te spreken, terwijl achter hem de hemel brandde met een rode gloed als van een zonsondergang. Bij wijze van gelaatsuitdrukking vertoonden ze allemaal die zelfde nietszeggende grijns, maar Renner kreeg een indruk van gewelddadigheid en bekeek het schilderij eens wat aandachtiger. Er waren er een heleboel in die menigte, die werktuigen bij zich hadden. Stuk voor stuk hielden ze die in hun linkerhanden, en sommige van die werktuigen waren gebroken. En het was de stad zelf die in brand stond.

‘Het heet “Hervat de Arbeid”. Jullie zullen wel merken dat het Gekke Gerrit-thema telkens weer terugkeert,’ zei Sally’s Splinter. Voordat iemand haar had kunnen vragen dit nader toe te lichten, was ze alweer doorgelopen.

Het schilderij dat ernaast hing gaf een half en half op een Splinter lijkend wezen te zien, lang en mager, met een klein hoofd en lange, dunne benen. Het kwam uit een bos vandaan gerend recht op de kijker af. Zijn adem hing als een witte rooksliert achter hem. ‘De Koerier’, was de naam die Hardy’s Splinter eraan gaf.

Het volgende schilderij was eveneens een tafereel in de open lucht: een twintigtal Bruinen en Witten, die rond een hoog oplaaiend kampvuur zaten te eten. Ze werden rondom bespied door fonkelende rode diere-ogen. Het hele landschap was donkerrood; en boven hen glinsterde Murchesons Oog tegen de achtergrond van de Kolenzak. ‘Jullie kunnen er niet uit opmaken wat ze denken en voelen, neem ik aan? Daar waren we al bang voor,’ zei Horvaths Splinter. ‘Het is een gedachtenoverbrenging zonder woorden. Wij bedienen ons van andere signalen.’

‘Dat zal wel zo zijn,’ zei Bury. ‘Deze schilderijen zouden wel verkoopbaar zijn, maar bij geen ervan is dat in bijzondere mate het geval. Het zouden slechts curiositeiten zijn… maar niettemin beslist waardevol als zodanig, gezien de enorme potentiële markt hiervoor en het beperkte aanbod. Maar voor ons gaat er geen boodschap van uit. Wie heeft ze geschilderd?’

‘Deze is al heel oud. Zoals jullie kunnen zien is het op de muur van het gebouw zelf geschilderd, en —’

‘Maar door wat voor type Splinter zijn ze geschilderd? Door Bruin-en-wit-gestreepten?’

Er ging een onbeleefd gelach op onder de Splinters. Toen zei Bury’s Splinter: ‘Jullie zullen nooit enig kunstwerk zien, dat niet door een Bruin-en-wit-gestreepte gemaakt werd. Communicatie is onze specialiteit. En kunst is communicatie.’

‘Heeft een Witte dan nooit een boodschap die hij overbrengen wil?’

Natuurlijk. Maar dan laat hij die door een Bemiddelaar overbrengen. Wij vertalen, wij brengen gedachten over. Een heleboel van deze schilderijen zijn argumenten, langs visuele weg naar voren gebracht.’ Het viel Renner op dat Weiss zich al die tijd afzijdig gehouden had en helemaal achteraan liep zonder iets te zeggen. Hij ging naast hem lopen en vroeg op gedempte toon: ‘Wat vind je ervan?’ Weiss krabde zich eens langs zijn kaak. ‘Meneer, sinds de lagere school ben ik niet meer in ’n museum geweest, maar… worden er niet ook wel es schilderijen zomaar voor de mooiigheid gemaakt?’

‘Hmm.’

In al die zalen vol schilderijen waren er maar twee portretten te vinden. Allebei van Bruin-en-wit-gestreepten, afgebeeld vanaf het middel. De Splinters drukten zich blijkbaar door middel van hun houding uit en niet door middel van hun gezicht. De portretten waren vreemd belicht, en hun armen waren op een eigenaardige manier verwrongen. Renner vond er iets boosaardigs van uitstralen.

‘Boosaardig? Helemaal niet!’ zei Renners Splinter. ‘Die daar heeft ervoor gezorgd dat de Gekke Gerrit-verkenner gebouwd werd. En die andere heeft lang geleden een universele taal ontworpen.’

‘Wordt die nog steeds gebruikt?’

‘Tot op zekere hoogte wel, ja. Maar hij is natuurlijk versnipperd. Zo gaat dat nu eenmaal met talen. Sinclair en Bury en Potter spreken bijvoorbeeld niet dezelfde taal als jij. De geluiden zijn soms dezelfde, maar de niet-verbale signalen zijn sterk verschillend.’ Renner sloot zich weer bij Weiss aan, toen ze op het punt stonden de zaal binnen te gaan die de beeldhouwwerken bevatte. ‘Je had gelijk. In het Keizerrijk hebben ze schilderijen die alleen maar de bedoeling hebben mooi te zijn. Maar hier niet. Is het verschil jou ook opgevallen? Er is geen landschap of er zijn Splinters in die bezig zijn het een of ander te-dóén. Bijna geen enkel portret, en die twee daarginds drukten een bepaalde tendens uit. In feite is alles hier tendentieus.’ Hij draaide zich om, om een beroep op zijn Splinter te’doen. ‘Is het niet zo? Die schilderijen die jullie ons hebt laten zien, die werden gemaakt voordat jullie beschaving de camera uitgevonden had. Dat waren óók geen van alle onbevooroordeelde afbeeldingen, waar of niet?’

Renner, weet je eigenlijk wel hoeveel werk er in zo’n schilderij gaat zitten?’

‘Ik heb het zelf nooit geprobeerd. Maar het laat zich raden.’

‘Kun je je dan voorstellen dat iemand zich zóveel moeite zou getroosten, als hij niets mee te delen had?’

Wat denk je van: “Bergen zijn mooi”?’ opperde Weiss. Renners Splinter haalde de schouders op.

De beeldhouwwerken waren beter dan de schilderijen. Hier werd de beoordeling niet gehinderd door verschillen van pigment en belichting. De meeste stelden Splinters voor; maar ze waren méér dan portretten. Wat zou die beeldengroep daar voorstellen, een keten van in grootte steeds kleiner wordende typen Splinters, variërend van een Kruier tot drie Witten, negen Bruinen en zevenentwintig miniatuurtjes? Nee, ze waren allemaal uitgevoerd in wit marmer en hadden de lichaamsvormen van nemers van besluiten. Met een ondoorgrondelijk gezicht keek Bury ernaar en zei toen: ‘Het komt me zo voor dat ik van deze beelden stuk voor stuk een interpretatie zou moeten hebben, voordat ik ze ergens te koop zou kunnen aanbieden. Of ze zelfs maar weg zou kunnen geven bij wijze van geschenken.’

‘Dat is onvermijdelijk,’ zei Bury’s Splinter. ‘Dit, bijvoorbeeld, illustreert een godsdienst uit de vorige eeuw. De ziel van de ouder deelt zich om de kinderen voort te brengen en opnieuw om de kleinkinderen voort te brengen, ad infinitum.’

Een andere groep toonde een aantal Splinters in rood zandsteen. Ze hadden lange, slanke vingers, te veel vingers aan de linkerhand, en hun linkerarm was betrekkelijk klein. Artsen, misschien? Ze werden gedood door een draad van groen glas, die hen neermaaide als een zeis: een laserwapen, gehanteerd door iets dat achter de coulissen verborgen bleef. De Splinters wilden er niet graag over praten. ‘Een onplezierige gebeurtenis in het verleden,’ zei Bury’s Splinter en daar bleef het bij. Weer een andere groep stelde een gevecht voor tussen enkele marmeren Witten en een groot aantal wezens van een onherkenbaar type, uitgevoerd in rood zandsteen. De Roden zagen er mager en dreigend uit en waren bewapend met een onredelijk groot aantal tanden en klauwen. Het verwarde gevecht speelde zich af rond een geheimzinnige, grillig uitziende machine. ‘Hier hebben we iets werkelijk interessants,’ zei Renners Splinter. ‘Volgens de traditie mag een Bemiddelaar — iemand van ons type — iedere vorm van transport dat hij nodig heeft verlangen van onverschillig welke nemer van besluiten. Lang geleden heeft een Bemiddelaar eens gebruik gemaakt van die bevoegdheid om opdracht te geven tot het bouwen van een tijdmachine. Ik kan je die machine laten zien als je zin hebt erheen te reizen; hij bevindt zich aan de andere kant van dit continent.’

‘Een functionerende tijdmachine?’ vroeg Whitbread. ‘Nee, functioneren doet hij niet, Jonathon. Hij is nooit voltooid. Zijn Meester is aan zijn pogingen het ding te voltooien failliet gegaan.’

‘O,’ zei Whitbread, duidelijk teleurgesteld.

‘Het ding is nooit uitgeprobeerd,’ zei de Splinter. ‘Het kan zijn dat de theorie die eraan ten grondslag ligt niet deugt.’

De machine zag eruit als een klein cyclotron met een cabine erin… hij zag er bijna logisch uit, precies zoals je dat ook van een Langston Veld-generator kon zeggen.

‘Ik weet niet waarom, maar jullie fascineren me,’ zei Renner tegen zijn Splinter. ‘Jullie kunnen dus ieder soort vervoermiddel opeisen wanneer je maar wilt?’

‘Dat klopt. Ons talent is communicatie, maar onze voornaamste taak is het verhinderen van strijd. Sally heeft ons een lezing gegeven over jullie, laten we zeggen jullie rassenproblemen, waaraan wapens te pas komen, en de overgavereflex. Uit een soortgelijke situatie zijn wij Bemiddelaars voortgekomen. Wij kunnen het standpunt van het ene wezen aan het andere uitleggen. Een gebrek aan communicatie kan soms uitgroeien tot gevaarlijke proporties — meestal vlak voor een oorlog door zo’n statistisch stom toeval waardoor je aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden zou gaan geloven. Zo lang een van ons maar kans ziet aan een vervoermiddel te komen, of zelfs maar bij een telefoon of een radiozender — is het niet waarschijnlijk dat er oorlogen zullen uitbreken.’

Op de gezichten van verscheidene menselijke bezoekers stond ontzag te lezen. ‘H-é-é-1 aardig,’ zei Renner. En vervolgens: ‘Ik vroeg me af of jullie ook de MacArthur zouden kunnen opeisen.’

Volgens de wet en de traditie wel, ja. Maar voor wat de praktijk betreft: praat geen onzin.’

‘Oké. En nu wat die wezens betreft, die daar aan het vechten zijn rond die tijdmachine —’

‘Legendarische demonen,’ legde Bury’s Splinter uit. ‘Ze verdedigen de structuur van de werkelijkheid.’

Renner herinnerde zich eeuwenoude Spaanse schilderijen, daterend uit de tijd toen de Zwarte Pest door Europa rondwaarde, schilderijen van levende mannen en vrouwen, die aangevallen werden door de opnieuw tot leven gekomen en boosaardige doden. Zo naast die witte Splinters gezien hadden ook deze rode gedrochten van zandsteen zo’n onwaar-achijnlijk mager, benig voorkomen, en er straalde een boosaardigheid van uit, die bijna voelbaar was. ‘En daarom die tijdmachine?’

‘De Bemiddelaar vond dat een bepaald incident in onze geschiedenis voorgevallen was door een gebrek aan communicatie. Hij besloot dit te corrigeren.’ Renners Splinter haalde haar schouders op — dat wil zeggen, haar armen; een Splinter kon haar schouders niet ophalen. ‘Een Gekke Gerrit-denkbeeld. De Gekke Gerrit-verkenner was ook zo iets. Ietwat uitvoerbaarder, misschien. Een observeerder van de hemel — jullie noemen zo iemand een meteoroloog, met nog wat andere specialiteiten erbij — vond er bewijzen voor, dat er leven bestond op een van de werelden van een nabijgelegen ster. Meteen wilde deze Gekke Gerrit ermee in contact treden. Hij legde daarvoor beslag op enorme hoeveelheden kapitaal en industriële capaciteit, op een zodanige schaal dat bijna iedereen in onze samenleving er de gevolgen van ondervond. Hij kreeg zijn verkenner klaar, aangedreven door een lichtzeil en uitgerust met een batterij laserkanonnen om —’

 ’Dit klinkt me allemaal bekend in de oren.’

‘Dat klopt. De Gekke Gerrit-verkenner werd inderdaad gelanceerd in de richting van Nieuw-Caledonië, maar pas veel later en met een andere piloot. We hebben al die tijd verondersteld dat jullie hem gevolgd waren, terug naar huis.’

‘Nou, die vlucht is dus gelukt. De bemanning was jammer genoeg dood, maar hij heeft ons bereikt. Dus waarom noemen jullie hem dan nog steeds de Gekke Gerrit-verkenner? Ach, laat maar,’ zei Renner. Zijn Splinter grinnikte van pret.

Buiten het Museum stonden twee limousines op hen te wachten, en ook was er een trap aangebracht, die omlaag voerde naar de begane grond. Kleine tweezittertjes zoefden om deze hindernis heen zonder vaart te minderen en zonder botsingen te veroorzaken.

Onder aan de trap gekomen bleef Staley plotseling staan. ‘Meneer Renner! Kijk daar eens!’

Renner keek. Bij een groot, vensterloos gebouw was een wagen komen voorrijden die pal voor het gebouw stilgehouden had, want stoepranden waren er niet. De bruine chauffeur en diens witbehaarde passagier stapten uit en de Witte verdween met ferme tred om de hoek. De Bruine haalde twee verborgen hefbomen over die aan de voorkant zaten en duwde vervolgens krachtig tegen de zijkant van de wagen. Deze zakte in elkaar als een accordeon, tot een voorwerp van slechts een halve meter breedte. Daarna draaide de Bruine zich om en liep achter de witte Splinter aan. ‘Ze zijn opvouwbaar!’ riep Staley uit.

‘Natuurlijk zijn ze dat,’ zei Renners Splinter. ‘Kun je je voorstellen wat een verkeersopstoppingen we zouden hebben als dat niet zo was? Kom, stap in.’

Ze stapten in. ‘Zelfs voor het geld in Bury’s kas voor kleine dagelijkse uitgaven zou ik nog niet in een van die kleine muizevallen willen rijden,’ zei Renner.

‘O, ze zijn heus veilig. Dat wil zeggen,’ zei Renners Splinter, ‘het is niet de wagen die veilig is, maar de chauffeur. Om te beginnen houden Bruinen er niet veel territoriaal instinct op na. En ook zitten ze voortdurend aan hun wagens te sleutelen, en dus kan er nooit iets fout gaan.’ De limousines reden weg. Achter hen dook een aantal Bruinen op, die de trap begonnen weg te halen.

De gebouwen om hen heen waren zpnder uitzondering vierkante blokken en ook het stratennet was een patroon van rechthoeken. Het was Horvath duidelijk dat dit een opzettelijk zo geschapen stad was, en niet iets dat langs natuurlijke weg zo gegroeid was. Iemand had dit ontworpen en vervolgens opdracht gegeven het van de grond af zo op te bouwen. Zouden al hun steden zo zijn? Nergens viel iets te bespeuren van die aandrang tot het toepassen van nieuwe ideeën, die de Bruinen anders altijd aan de dag plachten te leggen. En toch was dat niet helemaal waar, zag hij. Misschien niet in fundamentele dingen, maar wel in zulk soort zaken als straatverlichting. Op sommige plekken waren er brede, elektrisch lichtgevende stroken tegen de gebouwen aangebracht. Elders waren er dingen die op zwevende ballons leken, maar de wind had er geen vat op. Weer ergens anders liepen er buizen langs de zijkanten van de straten, of ook wel in het midden daarvan; of was er helemaal niets waarvan de aanwezigheid overdag zichtbaar was.

En dan die doosachtige wagens — stuk voor stuk vertoonden ze subtiele verschillen, in de vorm van de lampen, of de sporen van reparaties, of in de manier waarop de wagens bij het parkeren opgevouwen werden.

De limousines kwamen tot stilstand. ‘We zijn er,’ kondigde Horvaths Splinter aan. ‘De dierentuin. Het Reservaat voor Levensvormen om precies te zijn. Jullie zullen merken dat het eerder op het gemak van de bewoners dan op dat van de bezoekers ingericht is.’ Ietwat verwonderd keken Horvath en de anderen om zich heen. Ze werden omringd door hoge, rechthoekige gebouwen. Nergens was enige open ruimte te bekennen.

‘Links van ons. Ik bedoel het gebouw, heren, het gebouw! Is het soms verboden een dierentuin in een gebouw onder te brengen?’ De dierentuin bleek zes verdiepingen hoog te zijn, met plafonds die voor Splinters ongewoon hoog waren. Hoe hoog die plafonds precies waren viel moeilijk vast te stellen, want ze zagen eruit als stukken buitenlucht. Op de benedenverdieping was dit een stuk open blauwe hemel met overdrijvende wolken en een zon die even voorbij het zenit stond.

Ze wandelden door een dampend oerwoud, dat van karakter veranderde naarmate ze verder liepen. De dieren konden niet bij hen komen, maar het was moeilijk te zien waarom dat zo was. Ze schenen er zich niet van bewust te zijn dat ze opgesloten zaten. Er was een boom als een reusachtige ossezweep, waarvan de handgreep diep in de aarde geworteld zat, terwijl uit het eigenlijke zweepkoord trossen ronde bladeren ontsproten, daar waar het zich rond de stam kronkelde. Eronder stond een platvoetig dier dat iets van een reusachtige Splinter weg had, en staarde Whitbread aan. Aan zijn beide rechterhanden zaten lange, vlijmscherpe klauwen, en tussen zijn lippen waren slagtanden zichtbaar. ‘Dit was een variant op het Kruierstype,’ zei Horvaths Splinter, ‘maar ze zijn er nooit in geslaagd het te temmen en af te richten. Je kunt wel zien waarom.’

‘Deze kunstmatige omgevingen zijn eenvoudig verbluffend!’ riep Hor-vath uit. ‘Betere heb ik nog nooit gezien. Maar waarom niet een deel van de dierentuin in de open lucht gebouwd? Waarom zou je een omgeving kunstmatig nabootsen, wanneer die omgeving al tot je beschikking staat?’

‘Ik weet niet waarom ze dat gedaan hebben. Maar het schijnt best te voldoen, zo.’

Op de eerste verdieping was een woestijn van droog zand. De lucht was droog en zacht en de hemel was heel lichtblauw, naar de horizon toe donkerder wordend tot een soort geelbruin. Hier en daar staken vlezige planten zonder doornen uit het zand omhoog. Sommige ervan hadden de vorm van dikke plompeblaren. Een groot aantal droeg de sporen van knabbelende tanden. Het beest dat die sporen daarin achtergelaten had vonden ze ook: een ding dat op een naakte witte bever leek, met vierkante, uitstekende beitels van tanden. Tam sloeg het hen gade, toen ze voorbijliepen.

Op de tweede verdieping regende het gestadig. Bliksemschichten doorkliefden het zwerk, denkbeeldige kilometers ver weg. De menselijke bezoekers bedankten ervoor naar binnen te gaan, want ze hadden geen regenkleding bij zich. De Splinters waren half boos, half verontschuldigend. Het was niet bij hen opgekomen dat mensen regen hinderlijk zouden vinden; zelf hielden ze ervan.

‘En dit soort dingen zal nog wel vaker gebeuren ook,’ voorspelde Whitbreads Splinter. ‘We mogen jullie dan al bestuderen, maar kennen doen we jullie nog lang niet. Jammer, nu lopen jullie een aantal van de meest interessante plantevormen mis. Misschien op een andere dag, wanneer ze de regen afgezet hebben…’

Op de derde verdieping was helemaal geen wildernis te bekennen. Op nagebootste heuvels in de verte stonden zelfs kleine ronde huisjes. Aan kleine, parapluvormige bomen groeiden rode en lilakleurige vruchten onder een platte ronde schijf van groen gebladerte. Onder een ervan stoYid een paar proto-Splinters. Ze waren klein, rond en dik, en hun rechterarmen leken veel kleiner. Met droevige oogjes keken ze het gezelschap aan, en een van hen reikte naar omhoog om zo’n lilakleurige vrucht te grijpen. Zijn linkerarm was maar net lang genoeg. ‘Ook al een onbruikbaar lid van ons ras,’ zei Horvaths Splinter. ‘Behalve in reservaten voor levensvormen is het thans uitgestorven.’ Hij scheen hen voort te willen drijven. In een meloenenveldje zagen ze er nog een paar zitten. De meloenen waren van dezelfde soort als die, welke de menselijke gasten die avond voor het diner gekregen hadden, zoals Hardy opmerkte.

Op een wijde, grazige vlakte stond een familie wezens met hoeven en ruige vachten kalmpjes te grazen — behalve één die de wacht hield en voortdurend zo met de bezoekers meedraaide dat hij te allen tijde met zijn gezicht naar hen toe stond.

Achter Whitbread zei een stem: ‘Je bent teleurgesteld. Waarom?’ Verbaasd keek Whitbread om. ‘Teleurgesteld? Hoe kom je erbij? Nee, ik vind het bijzonder boeiend.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Whitbreads Splinter. ‘Dan moest ik maar eens met meneer Renner gaan praten, denk ik. Heb je zin om mee te lopen?’

Het gezelschap was enigszins uit elkaar geraakt. Kans op verdwalen bestond hier niet en ze genoten allemaal van het gevoel van gras onder hun voeten: lange, opgerolde groene halmen, veerkrachtiger dan een gewoon grasveld; ze deden aan de levende tapijten denken in de huizen van de aristocratie en de rijke handelslieden. Renner stond met een minzame uitdrukking op zijn gezicht om zich heen te kijken, toen hij opeens ogen op zich gericht voelde. ‘Ja? Zeg het eens?’

‘Meneer Renner, ik heb zo het gevoel dat onze dierentuin je een beetje tegenvalt.’

Whitbread vertrok zijn gezicht. Renner fronste zijn voorhoofd. ‘Ja, en ik probeer al een poosje erachter te komen waaróm. Ik zou me eigenlijk niet zo mogen voelen. Het is een complete buitenaardse wereld, speciaal gecondenseerd om het voor ons overzichtelijk te maken. Whitbread, krijg jij hetzelfde gevoel?’ Whitbread knikte met tegenzin.

‘Aha! Ik heb het. Ik zei het zelf al: een buitenaardse wereld, speciaal voor ons gecondenseerd, nietwaar? Hoeveel dierentuinen heb jij bezocht, en op hoeveel planeten?’

Whitbread telde ze in gedachten. ‘Zes, met inbegrip van die op Aarde.’

‘En allemaal waren ze precies als deze, behalve dat de illusie hier beter bewaard blijft. We hadden verwacht, iets te zien te zullen krijgen dat totaal anders was. Maar dat is het niet. Met uitzondering van de intelligente Splinters is het gewoon een vreemde planeet als alle andere.’

‘Daar is iets voor te zeggen,’ zei Whitbreads Splinter. Haar stem klonk een beetje weemoedig misschien, en het schoot de menselijke bezoekers te binnen dat de Splinters nog nooit een vreemde wereld gezien hadden. ‘Toch is het jammer,’ zei de Splinter. ‘Staley geniet, en Sally en doctor Hardy ook, maar dat zijn vakmensen.’ Op de volgende verdieping wachtte hen echter een schok. Doctor Horvath was de eerste die uit de lift stapte. Hij bleef stokstijf staan. Hij bevond zich in een straat van een of andere stad. ‘Ik geloof dat we op de verkeerde verdieping… uitgestapt… zijn…’ Zijn stem stierf weg. Gedurende een ogenblik dacht hij dat hij bezig was zijn verstand te verliezen.

De stad was uitgestorven. Er bevond zich weliswaar een aantal wagens in de straten, maar dat waren wrakken en sommige ervan vertoonden sporen van brand. Verscheidene gebouwen waren ingestort, de ervoor gelegen straat vullend met reusachtige puinhopen. Een krioelende massa zwarte dingen maakte kwetterende geluiden tegen hem en vluchtte toen weg in een zwerm, een goed heenkomen zoekend in een aantal donkere holen, die zich aftekenden in de schuine helling van een berg gebroken metselwerk. Weldra waren ze allemaal uit het gezicht verdwenen.

Horvath voelde zijn huid kriebelen. Toen een buitenaardse hand zijn elleboog aanraakte sprong hij met een gesmoorde kreet opzij. ‘Wat scheelt eraan, doctor? Jullie hebben toch zeker ook wel dieren die geëvolueerd zijn voor het leven in steden?’

‘Nee,’ zei Horvath.

‘Toch wel,’ zei Sally. ‘Ratten. En ook is er een soort luizen dat alleen maar op menselijke wezens voorkomt. Maar dat is zowat alles, geloof ik.’

‘Wij hebben er een heleboel,’ zei Horvaths Splinter. ‘Misschien dat we jullie er enkele van kunnen laten zien… hoewel ze erg schuw zijn.’ Van een afstand gezien waren de kleine zwarte beestjes niet van ratten te onderscheiden. Hardy nam snel een foto van een zwerm die overhaast dekking zocht. Hij hoopte er te zijner tijd een vergroting van te kunnen maken. Er was een groot, platgevormd beest, dat bijna onzichtbaar was totdat ze er pal voor stonden. Het had de kleur en het patroon van de bakstenen muur waaraan het zich vastklampte. ‘Precies een kameleon,’ zei Sally. En toen moest ze natuurlijk uitleggen wat een kameleon was.

‘Daar is er nóg een,’ zei Sally’s Splinter. Ze wees haar een beton-kleurig beest aan, dat zich aan een grijze muur vastgeklampt had. ‘Stoor het maar niet. Het heeft tanden.’

‘Waar halen ze hun voedsel vandaan?’

‘Daktuinen. Maar ze kunnen ook vlees eten. En daar heb je een insektivoor…’ Ze nam hen mee naar een ‘dak’ dat nu slechts twee meter boven de begane grond lag. Te midden van thans geheel verwilderde en uitbundig groeiende graanhalmen en fruitbomen zagen ze een kleine, armloze tweevoeter, die af en toe een opgerolde tong van meer dan een meter lengte liet uitschieten. Het schepsel zag eruit alsof het de wangen vol walnoten had.

Op de vijfde verdieping sloeg hen een bittere koude tegemoet. De hemel was loodgrijs. Sneeuwvlagen joegen over een onmetelijk grote, ijzige toendra. Hardy had nog wel wat willen blijven, want er bevond zich een aanzienlijke hoeveelheid leven in die hel van koude; struiken en kleine boompjes die door het ijs heen groeiden, een groot, stoïcijns uitziend ding dat hen negeerde, en een rondhuppelend sneeuwschoen-konijn met een dikke vacht, schotelvormige oren en geen voorpoten. Ze moesten bijna geweld gebruiken om Hardy mee naar buiten te krijgen, maar als ze dat niet gedaan hadden zou hij daarbinnen bevroren zijn.

Teruggekomen in het Kasteel stond het diner al op hen te wachten: scheepsproviand en plakken van een platte groene Splintercactus, vijfenzeventig centimeter in doorsnee en drie centimeter dik. De rode gelei die ze bevatten smaakte enigszins naar vlees. Renner vond het wel lekker, maar de anderen lustten het in het geheel niet. Op het overige voedsel stortten ze zich echter alsof ze uitgehongerd waren, tussen de happen door geanimeerd pratend. Het zou wel die extra lange dag geweest zijn, die hen zo hongerig gemaakt had.

Renners Splinter zei: ‘We hebben er wel enig idee van wat een toerist in een vreemde stad wenst te zien, dat wil zeggen, we weten wat jullie in je reisfilms plegen te vertonen. Musea. Het regeringsgebouw. Monumenten. Unieke architectuur. Verder misschien de winkels en nachtclubs. En bovenal: de manier van leven van de inheemse bevolking.’ Ze maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Een gedeelte daarvan hebben we moeten schrappen. We hebben bijvoorbeeld geen nachtclubs. Te weinig alcohol, en we merken er niets van. Te veel, en de uitwerking is dodelijk. Jullie zullen in de gelegenheid gesteld worden onze muziek te horen, maar om jullie eerlijk de waarheid te zeggen zullen jullie er niet op gesteld zijn.

‘Onze regering wil zeggen: Bemiddelaars die bij elkaar komen om te praten. Dit kan overal zijn. De nemers van besluiten wonen waar het hen het beste uitkomt, en over het algemeen achten ze zich gebonden aan de door hun Bemiddelaars gesloten overeenkomsten. Van onze monumenten zullen jullie er een aantal te zien krijgen. En wat onze manier van leven betreft, die bestuderen jullie al geruime tijd.’

En de manier van leven van een Witte?’ vroeg Hardy. Toen sperde hij zijn mond open in een geeuw, die zijn kaken bijna ontwrichtte. ‘Hij heeft gelijk,’ mengde Hardy’s Splinter zich in het gesprek. ‘Het zou mogelijk moeten zijn ze de bedrijvigheid in de familieresidentie van een gever van orders te laten zien. Misschien kunnen we toestemming krijgen —’ Het buitenaardse wezen schakelde over op een schel gesnater.

De Splinters beraadden zich. Toen zei Sally’s Splinter: ‘Het moet mogelijk zijn. We zullen zien. Maar ondertussen zou ik zeggen dat het voor vandaag genoeg geweest is.’

Want het tijdverschil begon zijn uitwerking op de menselijke bezoekers te doen gelden. Doctor Horvath en doctor Hardy geeuwden allebei, knipperden met hun ogen, keken verbaasd, verontschuldigden zich en vertrokken. Bury draaide nog altijd op volle toeren. Renner vroeg zich af welke omwentelingstijd zijn planeet van herkomst wel hebben mocht. Hijzelf had voldoende tijd in de ruimte doorgebracht om zich aan iedere dagindeling te kunnen aanpassen.

Maar het gezelschap begon op te breken. Sally wenste iedereen goedenacht en vertrok naar boven, merkbaar onvast ter been. Renner stelde voor volksliedjes te gaan zingen, kreeg geen reactie en gaf het toen maar op.

Een wenteltrap voerde omhoog in het inwendige van de toren. Boven gekomen gaf Renner zijn nieuwsgierigheid de vrije teugel en sloeg een zijgang in. Toen hij op een luchtsluis stootte, besefte hij dat die toegang moest geven tot dat balkon, die platte ring die de toren omcirkelde. Hij voelde er niets voor de atmosfeer van Splinter Alpha eens te proberen. Hij vroeg zich trouwens af of het eigenlijk de bedoeling was dat balkon te gebruiken… en toen dacht hij weer aan een ring die een slanke toren omcirkelde en vroeg hij zich af of de Splinters soms grapjes uithaalden met Freudiaanse symboliek. Waarschijnlijk deden ze dat inderdaad. Hij vervolgde zijn weg naar zijn kamer.

Eerst dacht Renner dat hij zich in de verkeerde kamer bevond. Het kleurenschema was frappant: oranje en zwart, geheel verschillend van de gedempte lichtbruine kleuren van die ochtend. Maar het ruimtepak dut uan de muur hing was wel degelijk het zijne met het kenmerkende patroon en zijn distinctieven op de borst. Hij keek om zich heen en probeerde tot een besluit te komen of die verandering hem beviel. Verder was er niets veranderd — ja, toch wel, het was warmer in het vertrek. De afgelopen nacht was het te koud geweest. Hij kreeg een ingeving, stak de kamer door en voelde hoe de temperatuur in die kleine nis was waarin de Splinters sliepen. Jawel, hier was het kil. Renners Splinter stond tegen de deurpost geleund en sloeg hem gade met zijn gebruikelijke flauwe glimlach. Renner grijnsde ietwat schaapachtig terug en ging vervolgens verder met zijn inspectie. De badkamer — dat toilet was anders. Precies zoals hij het geschetst had. Nee, toch niet; er zat geen water in. En ook kon je niet doortrekken.

Nou ja, er was maar één manier om een toilet op de proef te stellen. Toen hij klaar was en weer keek, bleek de pot blinkend schoon te zijn. Hij goot er een glas water in en zag hoe het wegliep zonder één druppel achter te laten. De pot had een wrijvingsloos oppervlak. Dat moet ik aan Bury vertellen, dacht hij. Goed voor bases op manen zonder atmosfeer, en werelden waar water of de benodigde energie voor het opnieuw bruikbaar maken ervan, schaars was. Morgen maar. Nu had hij te veel slaap daarvoor.

De omwentelingstijd van Levant was achtentwintig uren en veertig komma twee minuten. Aan de standaarddag van de MacArthur had Bury zich goed genoeg weten aan te passen, maar het is altijd makkelijker je aan een lange dag aan te passen dan aan een korte. Hij wachtte, terwijl zijn Fyunch(klik) hun Bruine om koffie stuurde. Dit deed hem het gemis van Nabil voelen… en zich afvragen of die Bruine soms nog meer van Nabils vaardigheden bezat. Hij besefte bijvoorbeeld dat hij de macht van die Bruin-en-wit-gestreepten al ernstig onderschat had. Blijkbaar kon zijn Splinter beslag leggen op ieder vervoermiddel van Splinter Alpha, ongeacht of dat al gebouwd was of nog niet; maar dat nam niet weg dat hij als tussenpersoon optrad voor iemand die Bury nog nooit ontmoet had. Een ingewikkelde situatie.

De Bruine kwam terug met koffie en nog een andere pot, waaruit hij een lichtbruine vloeistof goot waar geen stoom afkwam. ‘Of het schadelijk is? Hoogst waarschijnlijk wel,’ zei zijn Fyunch(klik). ‘De verontreiniging zou vergiftig voor je kunnen zijn, of anders de bacteriën die erin zitten. Het is water van buiten.’

Bury was niet gewoon het gesprek al te snel op zaken te brengen. Een al te gretige zakenman, vond hij, werd gemakkelijk beetgenomen. Hij was zich niet bewust van de duizenden jaren van traditie die er achter deze opvatting staken. Maar in overeenstemming daarmee spraken hij en zijn Splinter-verbindingsman eerst over vele andere dingen… ‘ “Over schoenen en schepen en zegellak, over koolstronken en koningen,” ’ citeerde hij, en vervolgens gaf hij een uitleg van al deze voorwerpen, waarbij zijn Splinter een duidelijke belangstelling aan de dag legde. Waar de Splinter vooral in geïnteresseerd was, waren de verschillende menselijke regeringsvormen.

‘Maar het lijkt me niet raadzaam het werk van deze Lewis Carroll te lezen,’ zei hij, ‘totdat ik heel wat meer van de menselijke beschaving af weet.’

Na verloop van tijd bracht Bury het onderwerp van luxeartikelen opnieuw ter sprake.

‘Luxeartikelen. Ja, in principe ben ik het met je eens,’ zei Bury’s Splinter. ‘Als een luxeartikel goed tegen vervoer bestand is, kan het zijn eigen onkosten derven alleen al door de verminderde brandstofkosten. Zelfs voor jullie Gekke Gerrit-aandrijving moet dat opgaan. Maar in de praktijk zijn er restricties tussen ons.’

Bury had er zelf ook al een paar bedacht. ‘Noem me er eens enkele,’ zei hij.

‘Koffie. Theesoorten. Wijnen. Ik neem aan dat je ook in wijnen handelt?’

‘Mijn godsdienst verbiedt wijn.’ Indirect hield Bury zich wel bezig met het vervoer van wijnen van wereld tot wereld, maar hij kon niet geloven dat de Splinters in wijnen zouden willen gaan handelen. ‘Het doet er ook eigenlijk niet toe. We kunnen niet tegen alcohol, en de smaak van koffie is ons onaangenaam. Hetzelfde zou waarschijnlijk ook voor jullie andere luxe voedingsmiddelen gelden, hoewel het misschien de moeite waard zal zijn ze te proberen.’

‘En zelf handelen jullie niet in luxeartikelen?’

‘Nee. Wel in macht over anderen, in veiligheid, in de duurzaamheid van gebruiken en dynastieën… zoals gewoonlijk spreek ik ook nu namens de gevers van bevelen. Ten gunste van hen handelen wij in dit alles, maar we handelen ook in diplomatie. Verder handelen we in duurzame goederen en noodzakelijke behoeften, en in vaardigheden — Wat vind je van onze kunstwerken?’

‘Die zouden tegen goede prijzen te verkopen zijn, totdat ze te algemeen werden. Maar ik denk dat onze handel er eerder een in ideeën zal zijn, en in ontwerpen.’

‘O?’

‘Dat wrijvingsloze toilet bijvoorbeeld, en het principe dat daarachter zit. En diverse supergeleiders, die jullie beter vervaardigen dan wij. Wij hebben daarvan een voorbeeld gevonden in een asteroïde. Kunnen jullie daar meer van maken?’

‘Ik weet zeker dat de Bruinen wel een manier zullen weten te bedenken,’ zei de Splinter met éen loom handgebaar. ‘Daarin voorzie ik geen enkel probleem. Jullie hebben beslist een heleboel te bieden. Land, bijvoorbeeld. We zullen stukken land willen kopen voor onze ambassades.’

Die zouden hun waarschijnlijk gratis aangeboden worden, dacht Bury. Maar voor dit ras moest land wel letterlijk van onschatbare waarde zijn; zonder menselijke tussenkomst zouden ze nooit meer land kunnen bezitten dan ze op dit moment hadden. En ze zouden ook land willen hebben voor het stichten van koloniën. Deze wereld was stampvol. Vanuit de ruimte had Bury de lichten van de steden gezien, één reusachtige zee van licht rond een aantal donkere oceanen. ‘Land, ja,’ beaamde hij, ‘en graan. Er zijn graansoorten die onder soortgelijke zonnen groeien als die van jullie. En we weten dat sommige daarvan voor jullie eetbaar zijn. Zouden die hier misschien voorspoediger gedijen dan jullie eigen soorten? In bulk zullen voedingsgewassen nooit op een winstgevende manier verscheept kunnen worden, maar de zaden ervan wellicht wel.’

‘Wellicht hebben jullie ook ideeën, die jullie aan ons kunnen verkopen.’

‘Dat lijkt me onwaarschijnlijk. Jullie vindingrijkheid is verbluffend en ontzagwekkend.’

De Splinter maakte een wuivend gebaar met zijn hand. ‘Dank je. Maar we hebben nog niet alles weten te vervaardigen. Zo hebben we bijvoorbeeld onze eigen versie van de Gekke Gerrit-aandrijving, maar de krachtveldgenerator die bescherming geeft tegen —’

‘Als ze mij terechtstellen, verliezen jullie daarmee de enige koopman in dit zonnestelsel.’

‘Bij Allahs — Ik bedoel, zijn jullie autoriteiten werkelijk zo vastbesloten hun geheimen te bewaren?’

‘Misschien dat ze te zijner tijd van gedachten veranderen als ze jullie beter hebben leren kennen. En trouwens, ik ben geen fysicus,’ zei Bury minzaam.

‘Ah, juist. Goed dan, Bury, laten we terugkeren tot het onderwerp van de kunst. Onze kunstenaars hebben de vrije hand, kunnen ongehinderd over de nodige materialen beschikken, en er wordt praktisch geen toezicht op hen uitgeoefend. In principe zou de wisseling van kunstwerken tussen de Splinter en het Keizerrijk de communicatie tussen ons bevorderen. We hebben nog nooit eerder getracht onze kunst op de smaak van een vreemde intelligentie te richten.’

‘De boeken en de instructieve films van doctor Hardy bevatten een groot aantal van dergelijke kunstwerken.’

‘Dan moeten we die eens bestuderen.’ Peinzend nam Bury’s Splinter een paar teugjes van zijn vuile water. ‘Maar om op koffiesoorten en wijnen terug te komen. Mijn collega’s is een — hoe moet ik het zeggen? — een sterke culturele belangstelling voor wijnsoorten opgevallen onder jullie wetenschapsmensen en marineofficieren.’

‘Klopt, ja. Plaatsen van herkomst, jaargangen, etiketten, of ze goed blijven in vrije val, en welke wijnen bij welke soorten voedsel horen.’ Bury trok een gezicht. ‘Ik heb het vaak moeten aanhoren, maar ik weet er niets van af. Ik vind het ergerlijk en verkwistend, dat sommige van mijn schepen onder voortdurende acceleratie moeten reizen, alleen maar om een fles wijn tegen zijn eigen bezinksel te beschermen. Waarom kunnen ze die na aankomst niet eenvoudig even centrifugeren?’

En koffiesoorten dan? Ze drinken ook allemaal koffie. Koffiesoorten verschillen genetisch van elkaar, en naar gelang van bodemgesteldheid, klimaat en de manier waarop ze gebrand worden. Ik weet dat dit zo is, want ik heb toevallig je voorraden gezien.’

‘Aan boord van de MacArthur heb ik een nog veel groter assortiment. Ja… en dan zijn er ook nog verschillende soorten koffiedrinkers. Het zijn culturele verschillen. Op een oorspronkelijk door Amerikanen gekoloniseerde wereld zoals Tafelblad zouden ze bijvoorbeeld met geen vinger het olieachtige brouwsel willen aanraken waaraan ze in Nieuw-Parijs de voorkeur geven, terwijl ze het brouwsel van Levant daarentegen weer veel te zoet en veel te sterk vinden.’

‘Ach.’

‘Heb je wel eens van Jamaica Blue Mountain gehoord? Die groeit op Aarde zelf, op een groot eiland; dat eiland heeft nooit bombardementen ondergaan, en gedurende de eeuwen die op de ineenstorting van het Co-Dominium volgden, hebben ze de mutaties er uitgewied. Het is niet te koop. Het wordt speciaal door Marineschepen naar het Keizerlijk Paleis op Sparta vervoerd.’

Hoe smaakt het?’

‘Ik heb je toch al gezegd dat het uitsluitend voor de Keizerlijke —’ Bury aarzelde even. ‘Nou goed dan. Je kent me zo langzamerhand wel. Ik zou een dergelijke prijs geen tweede keer willen betalen, maar ik heb er geen spijt van gehad.’

‘De Marine beoordeelt je verkeerd en weet je niet op de juiste waarde te schatten omdat je geen verstand van wijnen hebt.’ Bury’s Splinter glimlachte niet, al leek het misschien zo. Zijn minzame gelaatsuitdrukking was die van een Handelsman: hij kwam precies overeen met die van Bury zelf. ‘Heel dom van ze natuurlijk. Als ze wisten, hoeveel er omtrent koffie te leren viel —’

‘Waar stuur je op aan?’

‘Je hebt voorraden aan boord. Breng hun kennis van koffie bij. Gebruik je eigen voorraden voor dat doel.’

‘Weet je wel hoeveel officieren er aan boord van een slagkruiser zijn? Ik zou binnen een week door mijn voorraden heen zijn!’

‘Maar daarmee zou je hun kunnen tonen dat er een overeenkomst bestaat tussen jouw beschaving en die van hen. Of staat dat denkbeeld je tegen? Nee, Bury, ik ben niet bezig je gedachten te lezen. Je hebt een hekel aan de Marine; je hebt de neiging de verschillen die er tussen hen en jou bestaan te overdrijven. Misschien houden zij er een zelfde denkwijze op na?’

Ik ben niet bezig je gedachten te lezen. Bury onderdrukte de aanval van woede die hij in zich op voelde komen — en toen drong het ineens tot hem door. Hij begreep waarom het buitenaardse wezen dat zinnetje telkens opnieuw herhaalde. Om hem uit zijn evenwicht te houden. In een zakelijke gesprekssituatie.

Bury glimlachte breed. ‘Een week lang koffie schenken ter wille van het kweken van goede relaties dus. Goed, ik zal die suggestie van je eens op de proef stellen wanneer ik straks weer boven ben en aan boord van de MacArthur dineer. Zoals Allah weet, hebben ze op het gebied van koffie nog veel te leren. Wie weet, misschien kan ik hun zelfs ook nog het juiste gebruik van hun percolators bijbrengen.’

28. Koffiepraatje

Rod en Sally zaten alleen in de patrouillekajuit van de Kapitein. De beeldschermen van de intercom waren donker en het situatiebord boven Rods schrijftafel vertoonde een keurig patroon van groene lichtjes. Rod strekte zijn lange benen uit en nam een slokje uit zijn glas. ‘Weet je, dit is zo’n beetje de eerste keer dat we eens alleen kunnen zijn samen, sinds we van Nieuw-Caledonië vertrokken zijn. Het doet me echt genoegen.’

Ze glimlachte een beetje onzeker. ‘Maar we hebben niet veel tijd — de Splinters verwachten ons terug, en ik heb nog het een en ander te dicteren … Hoelang kunnen we nog in het Splinter-stelsel blijven, Rod?’

Blaine haalde zijn schouders op. ‘Hangt van de Admiraal af. Onderkoning Merrill wilde ons zo spoedig mogelijk terugzien, maar dr. Horvath wil nog meer inlichtingen verzamelen. Ik trouwens ook. Sally, we hebben nog stééds niets van betekenis te rapporteren! We weten nog altijd niet of de Splinters nu een gevaar voor het Keizerrijk betekenen of niet.’

‘Rod Blaine, wil je nou eens ophouden met je als een typische beroepsofficier van de Marine te gedragen en gewoon jezelf zijn? Niets wijst erop dat de Splinters ons vijandig gezind zijn. We hebben geen spoor van wapens, of oorlogen of dat soort dingen kunnen ontdekken — ’

Weet ik,’ zei Rod zuur. ‘En dat zit me dwars. Sally, heb je ooit van een menselijke beschaving zonder soldaten gehoord?’

Nee, maar Splinters zijn dan ook geen mensen.’

‘Mieren zijn dat ook niet, maar toch hebben die wel degelijk soldaten — Maar misschien heb je gelijk. Ik begin door Kutuzov besmet te worden. En nu ik het toch over hem heb, hij wil dat er vaker verslag uitgebracht wordt. Weet je dat ieder beetje gegevens binnen een uur na ontvangst onbewerkt doorgezonden wordt naar de Lenin? We hebben er zelfs monsters van door de Splinters vervaardigde voorwerpen heen-gestuurd, en een paar van die gewijzigde dingen waaraan de Kaboutertjes destijds geprutst hebben…’

Sally lachte. Een ogenblik keek Rod alsof hij op zijn tenen getrapt was, maar toen lachte hij mee. ‘Het spijt me, Rod. Ik weet dat het pijnlijk voor je geweest moet zijn de Tsaar te moeten vertellen dat je Kaboutertjes aan boord van je schip had — maar het was ook grappig!’

Ja. Reuze grappig. Hoe dan ook, we sturen alles wat we maar kunnen naar de Lenin — en als je soms denkt dat ik aan vervolgingswaanzin lijdt? Kutuzov laat alles buiten in de ruimte inspecteren en vervolgens laat hij een en ander in verzegelde, met cifogeen gevulde containers opsluiten en buiten zijn schip parkeren! Ik denk dat hij bang is voor besmetting.’ De zoemer van de intercom ging. ‘Hè, verdomme.’ Rod wendde zich tot het beeldscherm. ‘Kapitein hier.’

‘Aalmoezenier Hardy om u te spreken, kap’tein,’ kondigde de Marinier die buiten de wacht had aan. ‘Met meneer Renner en de wetenschapsmensen.’

Rod zuchtte en wierp Sally een blik van machteloosheid toe. ‘Stuur ze maar naar binnen en laat mijn hofmeester meteen meekomen. Ze zullen wel allemaal wat te drinken willen hebben, denk ik.’ Dat wilden ze inderdaad. Uiteindelijk hadden ze allemaal een zitplaats weten te vinden en was zijn kajuit tjokvol. Rod heette de leden van de expeditie naar de Splinterplaneet welkom en nam vervolgens een bundel papieren van zijn schrijftafel. ‘Eerste vraag: heeft u die ruimte-matrozen daar nodig? Ik heb begrepen dat ze niets te doen hebben.’

‘Och, hun aanwezigheid daar kan geen kwaad,’ zei dr. Horvath. ‘Maar wel nemen ze ruimte in beslag, die door het wetenschappelijk personeel gebruikt zou kunnen worden.’

‘Met andere woorden, nee dus,’ zei Rod. ‘Goed. Ik laat het aan u over te besluiten door wie u ze vervangen wilt, doctor Horvath. Volgende punt: heeft u Mariniers nodig?’

‘Goeie hemel, nee,’ protesteerde Sally. Ze wierp vlug een blik naar Horvath, die knikte. ‘Kapitein, de Splinters zijn ons zo weinig vijandig gezind dat ze zelfs dat kasteel voor ons gebouwd hebben. Het is geweldig mooi! Waarom komt u niet eens beneden om het te bekijken?’ Rod lachte bitter. ‘Orders van de Admiraal. Om diezelfde reden kan ik trouwens ook geen enkele officier die verstand heeft van de constructie van een Langston-Veld naar beneden laten gaan.’ Hij knikte voor zich heen. ‘Op één punt zijn de Admiraal en ik het eens: als u werkelijk hulp nodig mocht hebben, zou u aan twee mariniers niet veel hebben — en de Splinters een kans te geven, dat Fyunch(klik)-foefje op een paar krijgslieden te proberen lijkt ons geen al te best idee. Dat brengt ons op het volgende punt. Doctor Horvath, bent u tevreden met meneer Renner? Misschien is het beter dat ik hem vraag het vertrek te verlaten, voordat u antwoordt.’

‘Onzin. Meneer Renner is erg behulpzaam geweest. Maar, kapitein, zijn uw restricties ook van toepassing op mijn mensen? Is het mij verboden om, laten we zeggen, een fysicus mee te nemen naar Splinter Alpha?’

‘Ja.’

‘Maar dr. Buckman rekent erop met ons mee te gaan. De Splinters hebben Murchesons Oog en de Kolenzak al heel lang bestudeerd… hoe lang precies, meneer Potter?’

De cadet voelde zich kennelijk niet op zijn gemak en schoof wat op zijn stoel heen en weer alvorens te antwoorden. ‘Duizenden jaren, meneer,’ zei hij ten slotte. ‘Alleen…’

‘Alleen wat, meneer?’ drong Rod aan. Potter was een beetje verlegen, en daar zou hij overheen moeten. ‘Voor de dag ermee.’

Jawel, meneerr. D’rr zijn hiaten in hun obserrvaties, kap’tein. Zelf hebben de Splinters daarr nooit melding van gemaakt, maarr doc-torr Buckman zegt dat ’t duidelijk merrkbaar is. Ik zou gezegd hebben dat ze af en toe hun belangstelling voorr astrronomie verrliezen, maarr doctor Buckman kan dat nie begrrijpen.’

‘Kun je van hem ook niet verwachten,’ lachte Rod. ‘Hoe belangrijk zijn die observaties van hen precies, meneer Potter?’

‘Voorr de astrrofysica misschien wel heel belangrrijk, kap’tein. Ze hebben gindse superr-rreus al geduurr’nde hun hele geschiedenis gevolgd op z’n weg langs de Kolenzak. ’t Worrdt ’n superrnova, en daarrna ’n zwarrt gat — en de Splinterrs zeggen dat ze weten wannéérr.’ Cadet Whitbread lachte. Allen draaiden zich om en staarden hem aan. Whitbread kon zijn gezicht nauwelijks in bedwang houden. ‘Sorry, meneer — maar ik was erbij toen Gavin dat aan Buckman vertelde. Het Oog zal in het jaar 2 774 020 op zevenentwintig april tussen vier uur en vier uur dertig in de ochtend exploderen, zeggen ze. Ik dacht dat doctor Buckman stikken zou. Toen is hij het zelf gaan controleren. Hij licel’t er dertig uur voor nodig gehad —’

Sally grinnikte. ‘En daarmee heeft hij zijn Fyunch(klik) bijna de dood bezorgd. Toen die van uitputting bezweek, heeft hij de Splinter van dr. Horvath verder voor hem laten vertalen,’ voegde ze eraan toe. ‘Ja, maar hij kwam tot de ontdekking dat ze het bij het rechte eind hadden gehad,’ vertelde Whitbread. De cadet schraapte zijn keel en deed vervolgens Buckmans droge stemgeluid na. ‘Het komt er verdomd dichtbij, meneer Potter. Ik beschik over de berekeningen en het observatiemateriaal om het te kunnen bewijzen.’

‘Je begint een gave voor acteren aan de dag te leggen, meneer Whitbread,’ zei eerste luitenant Cargill. ‘Jammer dat je prestaties op het gebied van de astrogatie niet een soortgelijke vooruitgang vertonen. Kap’tein, het komt me zo voor dat dr. Buckman hier over alles beschikken kan wat hij nodig heeft. Er is geen reden waarom hij daarvoor naar de Splinterplaneet zou moeten gaan.’

‘Ik ben het met u eens. Doctor Horvath, het antwoord is nee. Trouwens — wilt u wérkelijk een week lang met Buckman opgescheept zitten? Nee, laat maar, u hoeft daar niet op te antwoorden,’ voegde hij er haastig aan toe. ‘Wie had u gedacht mee te nemen?’ Horvath fronste een ogenblik het voorhoofd. ‘De Vandalia, veronderstel ik.’

‘Ja, alstublieft,’ zei Sally haastig, ‘we hebben hard een geoloog nodig. Ik heb geprobeerd wat steenmonsters op te graven, maar ben geen cent wijzer geworden met betrekking tot de samenstelling van Splinter Alpha. Er zijn alleen maar ruïnes, die op hun beurt weer uit de restanten van nog oudere ruïnes bestaan.’

Bedoelt u dat er geen gesteenten zijn?’ vroeg Cargill. ‘O ja, er zijn wel degelijk gesteenten, luitenant,’ antwoordde ze. ‘Graniet’en lava en verschillende soorten basalt, maar nergens bevinden die zich op de plekken waar ze door het vormingsproces van de planeet oorspronkelijk gedeponeerd zijn. Ze zijn allemaal gebruikt, voor muren, of tegels, of daken, bijvoorbeeld. Wel heb ik een aantal boor-monsters in een museum aangetroffen, maar ik kan er niet goed wijs uit worden.’

‘Wacht eens even,’ zei Rod. ‘Wil je zeggen dat je eropuit gaat en ergens in het wildeweg begint te graven, en dat je, waar je ook graaft, de overblijfselen van een of andere stad aantreft? Zelfs in de landbouwgebieden?’

‘Nou, ik heb geen tijd gehad om veel opgravingen te doen. Maar als ik ergens groef, stuitte ik steeds op iets anders dat daaronder lag. Ik wist nooit wanneer ik moest ophouden! Kapitein, er was een stad, te vergelijken met het New York van het jaar 2000, die zich onder een groep adobehutten zonder sanitair bevond. Ik vermoed dat ze een beschaving hadden die ineengestort is, misschien tweeduizend jaar geleden.’

‘Dat zou die hiaten in hun observaties kunnen verklaren,’ zei Rod. ‘Maar — ik dacht dat ze pienterder waren. Waarom zouden ze een beschaving ineen laten storten?’ Hij keek Horvath aan, die zijn schouders ophaalde.

‘Ik kom op een idee,’ zei Sally. ‘Die vervuiling van de lucht — hebben ze op Aarde ten tijde van het Co-Dominium niet een probleem gehad met luchtvervuiling door verbrandingsmotoren? Laten we eens aannemen dat de Splinters een op minerale brandstoffen gebaseerde beschaving hadden en dat die brandstoffen uitgeput raakten? Zouden ze dan niet teruggevallen kunnen zijn in een IJzertijdperk, voordat ze opnieuw een op fusie gebaseerd.e krachtwinning en een op plasma gebaseerde fysica wisten te ontwikkelen? Ze schijnen een ontstellend gebrek aan radioactieve delfstoffen te hebben.’

Rod haalde zijn schouders op. ‘Een geoloog zou dus bijzonder nuttig kunnen zijn — en voor hem zou het veel belangrijker zijn ter plaatse aanwezig te zijn dan voor dr. Buckman. Ik neem aan dat dat dus geregeld is, doctor Horvath?’

De Minister van Wetenschappen knikte met een zuur gezicht. ‘Maar het bevalt me nog steeds niet dat de Marine ons zo hindert bij ons werk. Vertelt u het hem maar, doctor Hardy. Dit moet ophouden.’ De aalmoezenier-taalgeleerde keek verrast op. Hij had al die tijd achter in het vertrek gezeten en niets gezegd, maar aandachtig geluisterd. ‘Tja, ik moet toegeven dat een geoloog daar beneden van meer nut zal zijn dan een astrofysicus, Anthony. En — kapitein, ik bevind me in een unieke situatie. Als man van de wetenschap kan ik al deze restricties die ons contact met de Splinters in de weg gelegd worden, niet goedkeuren. Als vertegenwoordiger van de Kerk zie ik mij voor een onmogelijke opgave geplaatst. En als marineofficier — geloof ik dat ik de Admiraal gelijk moet geven.’

Alle aanwezigen draaiden zich verbaasd naar de gezette aalmoezenier om. ‘Ik ben eenvoudig verbluft, doctor Hardy,’ zei Horvath. ‘Heeft u op Splinter Alpha ook maar het geringste teken van oorlogszuchtige activiteiten waargenomen?’

Hardy vouwde zorgvuldig de handen en sprak over zijn vingertoppen heen. ‘Nee. En dat is nou juist wat me zorgen baart, Anthony. We weten dat de Splinters wel degelijk oorlogen kennen: die kaste van Bemiddelaars is geëvolueerd, en wellicht zelfs bewust geëvolueerd om die te verhinderen. En ik geloof niet dat ze daar altijd in slagen. Dus waarom houden de Splinters hun wapentuig voor ons verborgen? Om dezelfde reden waarom wij de onze voor hén verborgen houden, luidt het voor de hand liggende antwoord, maar let wel: wij houden niet het feit verborgen dat we er wel degelijk wapens op na houden, of zelfs maar van welke aard die over het algemeen zijn. Waarom doen zij dat dan wél?’

‘Waarschijnlijk schamen ze zich ervoor,’ antwoordde Sally. Er ging een lichte rilling door haar heen toen ze de blik zag, die Rod haar toewierp. ‘Nou ja, zo heb ik het nu ook weer niet bedoeld — maar wel is het een feit dat ze al veel langer beschaafd zijn dan wij, en dat ze zich wel eens zouden kunnen generen voor hun gewelddadige verleden.’

‘Mogelijk,’ gaf Hardy toe. Peinzend snoof hij aan zijn glaasje cognac. ‘En misschien ook niet, Sally. Ik heb de indruk dat de Splinters iets belangrijks voor ons verborgen houden — en dat ze dat pal onder onze neus doen, om het zo maar eens te zeggen.’

Er viel een lange stilte. Horvath liet een luid gesnuif horen. Ten slotte /. i ili- Minister van Wetenschappen: ‘En hoe zouden ze dat moeten ■ toen, doctor Hardy? Hun regeringsstelsel bestaat uit informele onderhandelingen tussen afgezanten van de kaste der gevers van bevelen. Alle steden schijnen nagenoeg autonoom te zijn. Je kunt bepaald niet zeggen dat Splinter Alpha er een planetaire regering op na houdt. En nu denkt u dat ze in staat zouden zijn een samenzwering tegen ons op touw te zetten? Dat lijkt me niet erg redelijk.’

Hardy haalde opnieuw de schouders op. ‘Te oordelen naar wat we tot dusverre gezien hebben, doctor Horvath, heeft u beslist gelijk. Maar toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze iets voor ons verborgen houden.’

‘Maar ze hebben ons alles laten zien,’ hield Horvath vol. ‘Zelfs het huishouden van enkele gevers van bevelen waar doorgaans geen bezoekers toegelaten worden.’

‘Daar wilde Sally het net over hebben toen jullie binnenkwamen,’ kwam Rod haastig tussenbeide. ‘Daar ben ik erg nieuwsgierig naar — hoe is de levensstijl van de officierskaste van de Splinters? Is die te vergelijken met die van de Keizerlijke aristocratie?’

‘Dat is er dichterbij dan u zelf wel zou denken,’ zei Horvath met een dreunend stemgeluid. Twee droge martini’s hadden hem in aanzienlijke mate ontdooid. ‘Er waren een heleboel overeenkomsten — hoewel de Splinters een heel andere opvatting van luxe hebben dan wij. Maar enkele dingen hebben ze toch wel gemeen. Grondbezit, bijvoorbeeld. En bedienden. Dat soort dingen.’ Horvath accepteerde een nieuw drankje en begon warm te lopen voor zijn onderwerp.

‘Om precies te zijn hebben we twee van die huishoudingen bezocht. Een van die lui woonde in een wolkenkrabber vlak bij het Kasteel. Scheen het hele gebouw te beheersen: winkels, lichte industrie, honderden Bruinen en Roden en Arbeiders en o, wel dozijnen andere kasten. Maar de andere, de landbouwkundige, had veel weg van een landedelman. Zijn arbeidskrachten woonden in lange rijen huizen, en tussen die rijen huizen lagen de akkers. En de “baron” woonde in het midden van dat alles.’

Rod dacht aan zijn eigen voorvaderlijk huis. ‘Het Hof van Crucis was vroeger ook omringd door dorpen en akkers — maar na het uitbreken van de Afscheidingsoorlogen hebben ze alle dorpen natuurlijk versterkt. Het Hof zelf trouwens ook.’

‘Vreemd dat u dat zegt,’ zei Horvath peinzend. ‘Die “baronie” had óók een beetje de vierkante vorm van een fort. Met een groot atrium in het midden. En nu ik eraan denk, die woonwolkenkrabbers hadden geen van alle ramen in de benedenverdiepingen, en ze hadden allemaal daktuinen. Geheel in staat in eigen behoeften te voorzien. Het zag er allemaal erg militair uit. We hoeven over die indruk toch zeker geen verslag uit te brengen aan de Admiraal, hoop ik? Hij zou er vast van overtuigd zijn dat we militaristische neigingen ontdekt hadden.’

Bent u er wel zo zeker van dat hij het daarmee bij het verkeerde eind zou hebben?’ vroeg Jack Cargill. ‘Voor zover ik gehoord heb, houden die gevers van bevelen er allemaal zulke zichzelf bedruipende forten op na, stuk voor stuk. Met daktuinen. En Kaboutertjes voor het onderhoud van de machinerieën — jammer dat we er niet een stelletje van kunnen africhten om Sinclair te helpen.’ Cargill merkte de nijdige blik die zijn gezagvoerder hem toezond op en voegde er haastig aan toe: ‘Hoe dan ook, in een gevechtssituatie zou die landbouwkundige misschien een betere kans maken, maar zo te horen zijn het allebei forten. En hetzelfde geldt voor alle andere familiepaleizen waarvan ik gehoord heb.’

Doctor Horvath had zich al die tijd al met moeite ingehouden, terwijl Sally Fowler zonder succes geprobeerd had haar hilariteit te verbergen. Maar ten slotte lachte ze hardop. ‘Luitenant Cargill, de Splinters beschikken al eeuwen over ruimtevaart en kernenergie. Als hun gebouwen er nog altijd als forten uitzien, moet dat met traditie te maken hebben — verder kan het geen enkel nut hebben! Als expert op militair gebied moet u me eens vertellen wat het u helpen zou tegen moderne wapens uw huis in die stijl te bouwen?’

Cargill werd hierdoor tot zwijgen gebracht, maar het was aan zijn gezicht te zien dat hij nog altijd niet overtuigd was. ‘U zegt dat ze hun huizen zo proberen in te richten dat ze geheel onafhankelijk zijn van de buitenwereld?’ vroeg Rod. ‘Zelfs in de stad? Maar dat is inderdaad onzinnig. Ze zouden nog altijd afhankelijk zijn van de aanvoer van water.’

‘Het heeft veel geregend,’ zei Renner. ‘Drie dagen van de zes.’ Rod keek de eerste stuurman aan. Sprak hij in ernst? ‘Wist u dat er linkshandige Splinters bestaan?’ ging Renner verder. ‘Bij hen is alles omgekeerd. Twee zesvingerige linkerhanden, een zwaargebouwde rechterarm, en met die verdikking van de schedel aan de rechterkant.’

‘Het heeft een half uur geduurd voordat ik het in de gaten had,’ lachte Whitbread. ‘Die nieuwe Splinter van Jackson gedroeg zich precies eender als zijn voorganger. Ze moeten hem speciaal geïnstrueerd hebben.’

‘Linkshandig,’ zei Rod. ‘Och, waarom ook niet?’ Het gesprek was tenminste op een ander onderwerp gebracht. De hofmeester bracht de lunch binnen en iedereen tastte toe. Toen ze klaar waren, was het tijd om terug te gaan naar de Splinterplaneet.

‘Ik wil u even spreken, meneer Renner,’ zei Rod, toen de eerste stuurman net wilde vertrekken. Hij wachtte tot iedereen behalve Cargill weg was. ‘Ik heb daar beneden een officier nodig, en u bent de enige oudere officier die ik missen kan en die tevens aan de door de Admiraal gestelde voorwaarden voldoet. Maar hoewel jullie buiten jullie handvuurwapens ongewapend zijn en niet over Mariniers kunnen beschikken, wil ik u op het hart drukken dat dat een militaire expeditie is, en dat als het erop aankomt u de leiding heeft.’

‘Jawel, meneer,’ zei Renner. Hij klonk verbaasd. ‘Zou u een man of een Splinter kunnen neerschieten?’

‘Jawel, meneer.’

‘U bent wel erg snel met uw antwoord, meneer Renner.’

 ’Ik heb daar een tijd geleden al heel lang over nagedacht, toen ik wist dat ik bij de Marine zou gaan. Als ik toen tot de conclusie gekomen was dat ik het nooit zou kunnen opbrengen iemand neer te schieten, zou ik er terdege voor hebben moeten zorgen dat de Kapitein daarvan op de hoogte was.’

Blaine knikte. ‘Volgende vraag. Kunt u de noodzaak van een militair optreden bijtijds onderkennen om nog iets te kunnen ondernemen? Zelfs als datgene wat u onderneemt hopeloos is?’

‘Ik geloof van wel. Kapitein, mag ik ook nog iets anders ter sprake brengen? Ik wil wel degelijk graag terug en —’

‘Zeg wat u op uw hart hebt, meneer Renner.’

‘Kapitein, uw Fyunch(klik) is krankzinnig geworden.’

‘Daar ben ik me van bewust,’ zei kapitein Blaine koeltjes. ‘Ik ben van mening dat een eventuele Fyunch(klik) van de Tsaar nog veel vlugger krankzinnig zou worden. Volgens mij bent u het best gediend met de keuze van de enige officier aan boord van dit schip die niet geneigd is volgens de militaire manier van denken te werk te gaan.’

‘Ga maar aan boord, meneer Renner. En veel succes.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Renner deed geen moeite zijn scheve grijns te verbergen toen hij de kajuit verliet. ‘Hij redt het wel, kap’tein,’ zei Cargill.

‘Ik hoop het maar, Nummer Een. Jack, denk je dat het door onze militaire manier van doen kwam dat mijn Splinter krankzinnig werd?’

‘Nee, meneer.’ Cargill scheen zeker van zijn zaak. ‘Waar lag het dan wél aan?’

‘Ik zou het niet weten, kap’tein. Er zijn zovéél dingen die ik niet weet van deze monstertjes met uitpuilende oogjes. Maar van één ding ben ik heel zeker, en dat is dat ze meer omtrent ons te weten komen dan wij omtrent hen.’

‘Ach kom nou, Nummer Een. Ze brengen onze mensen overal naar toe waar ze maar heen willen. Sally zegt dat ze zich in bochten wringen — nou ja, voor hen is dat niet zo moeilijk — maar hoe dan ook, ze zegt dat ze alles doen om het ons naar de zin te maken en dat ze niets voor ons verborgen houden. Jij bent al die tijd al beducht geweest voor de Splinters, hè? Heb je er ook enig idee van waarom?’

Nee, kap’tein.’ Cargill keek Blaine onderzoekend aan en kwam tot de slotsom dat zijn baas hem er niet van beschuldigde een bangerik te zijn. ‘Het is gewoon dat ik een onbestemd gevoel heb, dat me niet aanstaat.’ Hij wierp een blik op zijn zakcomputer om te kijken hoe laat het was. ‘Ik moet me haasten, schipper. Ik zou meneer Bury helpen met die koffiebeweging.’

‘O ja, Bury — over hem wilde ik het ook met je hebben, Jack. Zijn Splinter heeft nu zijn intrek genomen in het ambassadeursschip. En Bury is naar de sloep verhuisd. Waar praten die twee alzo over?’

‘Meneer? Ik dacht dat ze alleen maar zouden onderhandelen over handelsovereenkomsten?’

‘Zeker, maar Bury weet een heleboel van het Keizerrijk af. Over de economie, de industrie, de algemene omvang van de vloot, met hoeveel buitenwereldse rebellen we te kampen hebben, je kunt het zo gek niet verzinnen of hij weet er waarschijnlijk wel van.’ Cargill grinnikte. ‘Die? Die laat z’n rechterhand niet eens weten hoeveel vingers er aan z’n linker zitten, kap’tein. Denkt u dat hij die Splinter iets voor niks zal geven? Trouwens, ik heb er zo’n beetje voor gezorgd dat hij niets zal zeggen dat niet uw goedkeuring kan wegdragen.’

‘Hoe heb je dat klaargespeeld?’

‘Ik heb hem gezegd dat we de sloep van voor tot achter volgestopt hebben met afluisterapparatuur, meneer.’ Cargills grijns werd breder. ‘Goed, hij weet natuurlijk ook wel dat we al die microfoontjes niet voortdurend allemaal tegelijk kunnen afluisteren, maar —’ Rod grijnsde terug. ‘Ik denk wel dat dat afdoende zal zijn. Oké, je moest nu maar naar dat koffiepraatje gaan — weet je zeker dat je het niet erg vindt daar een handje bij te helpen?’

‘Verrek, schipper, het was m’n eigen idee. Als Bury de koks kan laten zien hoe ze betere koffie kunnen zetten tijdens alarmtoestanden, zal zelfs ik misschien anders over hem gaan denken. Trouwens, waarom wordt hij aan boord van dit schip eigenlijk als een gevangene behandeld?’

‘Een gevangene? Luitenant Cargill —’

‘Schipper, de hele bemanning weet dat er iets niet in de haak is met de aanwezigheid van die man hier aan boord. Volgens de geruchten wordt hij verdacht van medeplichtigheid aan die opstand op Nieuw-Chicago en houdt u hem zolang vast voor de Admiraliteit. Zo is het toch ongeveer, of niet soms?’

‘Ik kan alleen maar zeggen dat iemand heel wat afkletst, Jack. Meer kan ik er niet over zeggen.’

‘Natuurlijk niet. U heeft u aan uw opdracht te houden, schipper. Maar het valt me op dat u het niet probeert te ontkennen. Maar ik snap wel, hoe de vork in de steel zit. Uw ouwe heer is nog rijker dan Bury — ik vraag me af hoeveel mensen van de Marine om te kopen zouden zijn? Ik vind het een beangstigend idee, een vent die een hele planeet zou kunnen kopen als gevangene aan boord te hebben.’ En toen blies Cargill haastig de aftocht om zich naar de grote keuken voor de bemanning te begeven.

De avond tevoren was de conversatie tijdens het diner op de een of andere manier op het onderwerp koffie gekomen en had Bury zijn gebruikelijke verveelde gereserveerdheid afgelegd om een uitvoerige uiteenzetting over dit onderwerp te houden. Hij had hun van het historische Mokka-Java melange verteld, dat nog altijd geteeld werd op plaatsen zoals Makassar, en van de gelukkige combinatie van pure Java en de grua zoals die gedestilleerd werd op Prins Samuals Wereld. Hij kende de geschiedenis van de Jamaica Blue Mountain, maar niet de smaak ervan, had hij gezegd. Tegen het eind van het dessert had hij voorgesteld, een ‘koffie-proefbijeenkomst’ te houden op de manier zoals wijnproevers dat met wijnen deden.

Het was het uitstekend einde van een uitstekend diner geweest, waarbij Bury en Nabil zich als tovenaars bewogen hadden te midden van filtreertrechtertjes, kokend water en met de hand geschreven etiketten. Alle gasten hadden zich geamuseerd, en op de een of andere manier had het Bury in hun ogen tot een ander mens gemaakt; tevoren had iedereen er moeite mee gehad hem als een kenner van wat dan ook te beschouwen.

‘Maar het voornaamste geheim is de apparatuur onberispelijk schoon te houden,’ had hij gezegd. ‘De bitter smakende oliën van de koffie van gisteren pleegt zich in het inwendige ervan te verzamelen, vooral bij percolators.’

Tot besluit had Bury aangeboden de volgende dag de faciliteiten voor het koffiezetten aan boord van de MacArthur te inspecteren. Cargill, die koffie voor een oorlogsschip van even vitaal belang achtte als torpedo’s, had dit aanbod gretig aanvaard, en nu stond hij toe te kijken terwijl de gebaarde Handelsman de grote percolator onderzocht en behoedzaam een kopje vol aftapte.

‘Het toestel is beslist goed onderhouden,’ zei hij. ‘Héél goed onderhouden zelfs. Het is brandschoon en het brouwsel is niet al te vaak opgewarmd. Voor standaardkoffie is dit beslist uitstekend, luitenant.’ Verwonderd tapte Jack Cargill ook een kopje af en proefde ervan. ‘Nee maar, dit is beter dan het spul dat ze in de salon schenken.’ De koks wierpen elkaar zijdelingse blikken toe. Cargill zag het. En hij zag ook nog iets anders. Hij ging met een vinger langs de zijkant van de percolator, en toen hij hem wegtrok zat er een bruine, olieachtige veeg op.

Bury deed hetzelfde, rook aan zijn vinger en bracht die toen aan het puntje van zijn tong. Ook Cargill proefde de olie aan zijn hand. Het smaakte naar alle slechte koffie die hij ooit uit angst op zijn post in slaap te vallen gedronken had. Hij keek nog eens naar de percolator en staarde naar het tapkraantje.

‘Miniatuurtjes,’ grauwde Cargill. ‘Haal dat verdomde ding uit elkaar.’ Ze lieten het apparaat leeglopen en haalden het vervolgens uit elkaar — voor zover dat tenminste mogelijk bleek. Onderdelen die vroeger uit elkaar geschroefd konden worden, waren thans een aan elkaar gesmolten geheel. Maar het geheim van de magische percolator scheen te schuilen in een selectieve doorlaatbaarheid van de metalen binnenwand. Die liet de oudere oliën door.

‘Mijn maatschappij zou dat geheim graag van de Marine willen kopen,’ zei Bury.

‘En wij zouden graag willen dat het van ons was, zodat we het kónden verkopen. Oké, Ziffren, hoe lang is dit geintje al aan de gang?’

‘Meneer?’ De sergeant-kok scheen na te denken. ‘Ik weet het niet, meneer. Een maand of twee misschien.’

‘Was het al zo vóórdat we het hele schip gesteriliseerd en alle miniatuurtjes uitgeroeid hebben?’ wilde Cargill weten. ‘Uh, jawel, meneer,’ zei de kok. Maar hij zei het aarzelend, en Cargill verliet de kantine met een frons op zijn gezicht.

29. Instrumentmakers

Cargill begaf zich naar Rods kajuit. ‘Ik geloof dat we weer Kaboutertjes hebben, schipper.’ En hij vertelde hem waarom hij dat dacht. ‘Heb je er al met Sinclair over gesproken?’ vroeg Rod. ‘Jezus, Nummer Een, de Admiraal zal uit zijn vel springen. Weet je het zeker?’

‘Nee, meneer. Maar ik ben vastbesloten erachter te komen. Schipper, ik ben er zéker van dat we overal gekeken hebben toen we het schip zuiverden. Waar kunnen ze zich verstopt hebben?’

Maak je daar maar zorgen over als je zekerheid hebt dat ze nog aan boord zijn. Oké, haal de hoofdmachinist erbij en doorzoek het hele schip nóg eens, Jack. En zorg er dit keer voor dat je zekerheid krijgt.’

Tot uw orders, schipper.’

Blaine draaide zich om naar de beeldschermen van de intercom en drukte een aantal knoppen in. Alles wat er omtrent miniatuurtjes bekend was trok op het scherm aan zijn ogen voorbij. Het was niet veel. De expeditie naar Splinter Alpha had in de Kasteelstad duizenden van die miniatuurtjes gezien. Renners Splinter had hen ‘Instrumentmakers’ genoemd, en ze dienden de bruine ‘Constructeurs’ tot assistenten. De grotere Splinterwezens hielden vol dat ze niet intelligent waren, maar een aangeboren vaardigheid bezaten om aan werktuigen en apparatuur te prutsen, plus het typische instinct van alle Splinters om de hogere kasten te gehoorzamen. Ze hadden training nodig, maar daar zorgden in hoofdzaak de volwassen instrumentmakers voor. Evenals andere dienstbare kasten vormden ze een zekere rijkdom: het vermogen er een grote huishouding van Instrumentmakers, Constructeurs en andere lagere levensvormen op na te houden verschafte een Meester een zekere mate van prestige en status. Dit laatste was een conclusie waartoe aalmoezenier Hardy gekomen was, maar die nog niet afdoende bewezen was.

Er ging een uur voorbij voordat Cargill zich via de intercom meldde. ‘Ja hoor, ze zijn er nog, schipper,’ zei de eerste officier grimmig. ‘Herinnert u zich die luchtververser op het B-dek nog dat half gesmolten ding dat Sandy destijds gerepareerd heeft?’

‘Ja.’

‘Nou, die steekt niet meer zoals vroeger een eind in de gang uit. Sandy zegt dat het ding zo onmogelijk werken kan en hij is momenteel bezig het uit elkaar te halen — maar voor mij is dit voldoende bewijs. We hebben ze nog steeds aan boord.’

‘Trommel de Mariniers bij elkaar, Nummer Een. Ik ga naar de brug.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Cargill keerde terug naar het luchtverversingsapparaat. Sinclair had de kap losgeschroefd en zat nu onder binnensmonds gemopper de aldus blootgelegde machinerie te onderzoeken.

Het inwendige was veranderd. Het omhulsel had een andere vorm gekregen. Het door Sinclair persoonlijk geïnstalleerde extra luchtfilter was verdwenen en het overgebleven filter was onherkenbaar veranderd. Van de zijkant siepelde smurrie in een plastic zak, die bol stond van het gas; de smurrie was in hoge mate vluchtig. ‘Jae,’ mompelde Sinclair. ‘En ’t verrtoont ook de andrre typische ken-merrken, luitenant Carrgil. Zoals dichtgelaste schrroefsluitingen. En ontbrrekende onderrdelen en zo.’

‘Dus het zijn de Kaboutertjes weer.’

‘Jae,’ knikte Sinclair. ‘We dachten dat we ’t hele zootje al maanden geleden om zeep geholpen hadden — en volgens m’n inspectieboek is dit ding verrieden week nog geïnspecteerd. Twas toen norrmaal.’

‘Maar waar hebben ze zich verstopt?’ wilde Cargill weten. De hoofd-machinist zei niets. ‘Wat nu, Sandy?’

Sinclair haalde de schouders op. ‘Ik zou zeggen dat we ’t hangarrdek maar es moesten bekijken, meneerr. Dat is de plek die aan boorrd van dit schip ’t minst gebrruikt worrdt.’

‘Goed.’ Cargill drukte weer op de zoemer van de intercom. ‘Schipper, we gaan nu een kijkje nemen op het hangardek — maar ik vrees dat we er niet meer aan hoeven te twijfelen. Er bevinden zich levende Kaboutertjes aan boord van dit schip.’

‘Ga je gang, Jack. Ik zal dit moeten rapporteren aan de Lenin.’ Rod haalde diep adem en zijn handen omklemden de armleuningen van zijn commandostoel alsof hij op het punt stond zich in het strijdgewoel van een ruimteslag te storten. ‘Verbind me met de admiraal.’ Kutuzovs zware gelaatstrekken zwommen het beeldscherm binnen. Gejaagd bracht Rod verslag uit. ‘Ik weet niet hoeveel het er zijn, meneer,’ besloot hij zijn verhaal. ‘Mijn officieren zijn momenteel bezig naar verdere sporen van de aanwezigheid van de miniatuurtjes te zoeken.’

Kutuzov knikte. Het bleef geruime tijd stil terwijl de Admiraal naar een punt ergens over Blaines linkerschouder staarde. ‘Kapitein, hebt u mijn orders betreffende communicatie opgevolgd?’ vroeg hij ten slotte.

‘Jawel, meneer. We hebben alle inkomende en uitgaande signalen voortdurend in de gaten gehouden. Er was niets.’

‘Niets, voor zover wij weten,’ verbeterde de Admiraal. ‘We mogen niets zo maar aannemen, maar het is mogelijk dat deze schepsels kans gezien hebben in contact te komen met andere Splinterwezens. Als dat zo is, dan bestaan er aan boord van MacArthur geen geheimen meer voor ze. En mocht het niet zo zijn — Kapitein, u beveelt expeditie onmiddellijk naar MacArthur terug te keren, en u treft voorbereidingen om op hetzelfde ogenblik dat ze aan boord zijn naar Nieuw-Caledonië te vertrekken. Is dat goed begrepen?’

Tot uw orders, meneer,’ snauwde Blaine. ‘U bent het niet met mij eens?’

Rod dacht een ogenblik na. Hij had nog niet verder gedacht dan het woedende gebrul dat hem van Horvath en de anderen te wachten stond, wanneer hij het hun straks vertelde. En tot zijn verbazing kwam hij tot de slotsom dat hij het wel degelijk met de Admiraal eens was. ‘Jawel, meneer. Ik zou geen betere handelwijze kunnen bedenken. Maar veronderstel dat ik erin slaag het ongedierte uit te roeien, meneer?’

‘Kunt u er ooit zéker van zijn dat u daarin geslaagd bent, kapitein?’ vroeg Kutuzov. ‘Dat kunt u niet, en ik ook niet. Als we eenmaal uit dit zonnestelsel weg zijn kunnen we de MacArthur onderdeeltje voor onderdeeltje uit elkaar halen zonder er bang voor te hoeven zijn dat ze kans zullen zien zich met anderen in verbinding te stellen. Maar zolang wij hier zijn blijft gevaar constant dreigen, en dat is risico dat ik niet bereid ben te aanvaarden.’

‘Wat moet ik tegen de Splinters zeggen, meneer?’ vroeg Rod. ‘U zegt tegen hen dat er plotselinge ziekte uitgebroken is aan boord van uw schip, Kapitein. En dat we ons genoodzaakt zien terug te keren naar Keizerrijk. U mag hun zeggen dat uw commandant het bevolen heeft en dat u er geen andere verklaring voor heeft. Als verklaringen later nodig mochten blijken, zal Ministerie van Externe Zaken ruimschoots tijd hebben om die voor te bereiden. Voor het ogenblik kunnen we het daarbij laten.’

‘Jawel, meneer.’ Het beeld van de Admiraal vervaagde. Rod draaide zich om naar de officier van de wacht. ‘Meneer Crawford, binnen enkele uren vertrekken we ‘naar huis. Verwittig de chefs van de afdelingen en verbind me daarna met Renner op Splinter Alpha.’

In het Kasteel klonk een gedempt alarmsignaal. Kevin Renner keek slaperig op en zag zijn Splinter voor het beeldscherm van de intercom zitten, dat zichtbaar werd binnen de omlijsting van een van de decoratieve schilderijen aan de muur. ‘De kapitein wil je spreken,’ zei de Splinter.

Renner wierp een blik op zijn zakcomputer. Aan boord van de MacArthur was het bijna twaalf uur in de middag, maar in Kasteelstad was het midden in de nacht. Slaperig kwam hij zijn bed uit en liep naar het beeldscherm. Toen hij de uitdrukking op Blaines gezicht zag was hij meteen klaar wakker. ‘Ja, schipper?’

‘We zitten hier aan boord met een klein probleem, meneer Renner. U zult de Splinters moeten vragen al onze mensen terug te sturen hierheen. Uzelf daarbij inbegrepen.’

‘Doctor Horvath zal niet weg willen, meneer,’ zei Renner. Razendsnel flitsten er allerlei gedachten door zijn hoofd. Er was iets ernstig mis, hier, en als hij dat daaruit opmaken kon, dan konden de Splinters dat ook.

Blaines beeld knikte. ‘Niettemin zal hij moeten, meneer. Zorg ervoor.’

Jawel, meneer. En onze Splinters?’

‘O, die kunnen met jullie meekomen naar de sloep,’ zei Blaine. ‘Zó ernstig is het nu ook weer niet. Het is alleen maar een oc-kwestie.’ Het duurde een seconde voordat het tot hem doordrong. Maar toen het eenmaal tot hem doorgedrongen was, was Renner zichzelf volkomen meester. Tenminste, dat hoopte hij. ‘Tot uw orders, kap’tein. We komen eraan.’

Hij liep terug naar zijn bed en ging voorzichtig op de rand zitten. Terwijl hij zijn laarzen aantrok probeerde hij na te denken. De Splinters konden de code-aanduidingen van de Marine onmogelijk kennen, maar oc betekende de hoogste militaire prioriteit… en Blaine had veel te nonchalant geklonken, toen hij dat zei.

Oké, dacht hij bij zichzelf. De Splinters weten dat ik toneel speel. Dat kan niet anders. Er is daar buiten sprake van een militaire noodsituatie en ik moet de potentiële gijzelaars van deze planeet weg zien te krijgen zonder dat de Splinters aan hun neus te hangen. En dat betekent dat de Splinters niet wéten dat er sprake is van een militaire noodtoestand, en dat is ergens te onwaarschijnlijk om los te lopen. ‘Fyunch(klik),’ zei zijn Splinter, hem wakker schuddend uit zijn overpeinzingen. ‘Wat is er aan de hand?’

‘Ik weet het niet,’ antwoordde Renner. Naar waarheid.

I ii je wilt het niet weten ook,’ zei de Splinter. ‘Zit je in moeilijk-licden?’

‘Weet ik óók niet,’ zei Renner. ‘Je hebt gehoord wat de kapitein zei. I loc moet ik het aanleggen het hele stel in beweging te krijgen, zo maar in het holst van de nacht?’

‘Dat kun je wel aan mij overlaten,’ zei Renners Splinter.

Het han^ardek werd doorgaans luchtledig gehouden. De luiken waren zó groot, dat een zekere lekkage niet te vermijden viel. Straks zou Cargill erop toezien dat het hangardek onder druk gebracht werd; maar voor het ogenblik voerden hij en Sinclair hun inspectie in een vacuüm uit.

Alles leek in orde en niets scheen van zijn plaats te zijn toen ze binnenkwamen. ‘Goed,’ zei Cargill. ‘Waar zou jij aan knoeien als je een miniatuurtje was?’

‘Ik zou de sloepen aan de rromp bevestigen en ’t hangarrdek als brrandstoftank gebrruiken.’

‘Zulke schepen bestaan er inderdaad. Het zou anders wel ’n heel karwei zijn voor zo’n zwerm Kaboutertjes.’ Cargill liep naar voren en stapte op de hangarluiken. Hij wist eigenlijk zelf niet wat hij zocht, en ook was hij er niet zeker van waarom hij omlaag keek naar de vloer onder zijn voeten. Het duurde een ogenblik voordat hij zich realiseerde dat er iets niet in de haak was.

De spleet die de twee enorme rechthoekige luiken van elkaar scheidde… was er niet.

Stomverbaasd keek Cargill om zich heen. Er was niets te zien. De luiken waren thans één geheel met de romp. De motoren die het scharnierende mechanisme van de luiken bedienden en die elk verscheidene tonnen wogen, waren verdwenen. ‘Sandy?’

‘Jae?’

‘Waar zijn de luiken gebleven?’

‘Maarr man, je staat errop, stomme — allemachtig, ik kan m’n ogen nie geloven.’

‘Ze hebben alles dichtgelast. Waaróm? Hóé? Hoe hebben ze het klaargespeeld in een luchtledige ruimte te werken?’

Sinclair holde terug naar de luchtsluis. Het bedieningspaneel van de luchtsluisdeur — ‘De Verrklikkerrlampjes staan op grroen,’ zei Sinclair. ‘Alles is in orrde, voor zoverr zij weten tenminste. Als de Kabouterrtjes instrrumenten kunnen bedotten, kunnen ze ’t hangarrdek ook onderr drruk gehad hebben tot vlak voorr wij hierr kwamen.’

‘Probeer de luiken eens.’ Cargill zwaaide zich omhoog op een van de intrekbare steunbinten.

‘Volgens de instrrumenten gaan de luiken nu open. Nog steeds… Ja. Nu zijn ze helemaal open.’ Sinclair draaide zich om. Niets te zien. Een reusachtig stuk beige vloer, al even solide als de rest van de romp. Hij hoorde Cargill vloeken. Hij zag Cargill van de grote intrekbare stut afspringen en neerkomen op wat eens een hangarluik geweest was. En hij zag Cargill door dat luik heen vallen alsof het de waterspiegel van een vijver was.

Ze hadden Cargill uit het Langston-veld moeten opvissen. Hij zat tot aan zijn borst in vormeloos zwart drijfzand en zonk langzaam weg. Zijn benen waren ijskoud en zijn hart klopte slechts heel traag. Het Veld absorbeerde alle beweging.

‘Ik had mijn hoofd erin moeten steken,’ zei hij toen hij weer bijkwam. ‘Dat staat in alle handboeken. Om mijn hersens te laten inslapen voordat mijn hart langzamer begon te kloppen. Maar God nog aan toe! Ik kreeg geen tijd om na te denken!’

‘Wat gebeurrde err?’ vroeg Sinclair.

Cargill deed zijn mond open, sloot hem weer en deed hem toen weer open. Hij slaagde erin overeind te gaan zitten. ‘Met geen woorden te beschrijven. Het was een soort godswonder. Het was net alsof ik op water liep, en toen werd het vermogen voor heilige te spelen me ineens afgepakt. Sandy, het was werkelijk onvoorstelbaar.’ ’t Zag d’rr ’n beetje vrreemd uit, óók.’

‘Dat zal best. Je ziet zeker wel wat ze gedaan hebben, hè? De kleine rotzakken zijn bezig geweest de MacArthur te verbouwen! De luiken zijn er nog steeds, maar nu kunnen de sloepen er dwars doorheen. In een noodsituatie hoef je het hangardek niets eens luchtledig te maken.’

‘Ik ga ’t de kap’tein zeggen,’ zei Sinclair. Hij draaide zich om naar de intercom.

‘Waar hebben ze zich verdomme verborgen gehouden?’ vroeg Cargill zich hardop af. De matrozen van de machinekamer die hem eruit getrokken hadden, staarden wezenloos voor zich uit. Sinclair eveneens. ‘Waar? Waar hebben we verzuimd te kijken?’

Zijn benen voelden nog steeds ijskoud aan. Hij masseerde ze. Op het beeldscherm kon hij Rod Blaines pijnlijk vertrokken gezicht zien. Moeizaam kwam Cargill op de been. Terwijl hij dat deed, begonnen er door het hele schip alarmsignalen te toeteren. ‘ATTENTIE, ALARMTOESTAND, INDRINGERS, ALLE GEVUCIITSPERSONEEL: PANTSERKLEDING AANTREKKEN. MARINIERS: ONMIDDELLIJK MELDEN OP HET HANGARDEK MET HANDVUURWAPENS EN IN GEVEC1ITSPANTSERKLEDING.’

‘De kanonnen!’ schreeuwde Cargill eensklaps.

‘Wablief?’ zei Sinclair. Vanaf het beeldscherm keek Blaines gezicht nu naar de eerste officier.

‘De kanonnen, schipper! We hebben nooit in de kanonnen gekeken. Verdomme, wat ben ik een stomme idioot geweest. Heeft iemand ooit aan de kanonnen gedacht?’

‘Zou kunnen,’ beaamde Sinclair. ‘Kap’tein, ik verrzoek u de frretten hierrheen te laten brrengen.’

‘Hoeft al niet meer, opper,’ zei Blaine. ‘Daar heb ik al naar laten kijken. Er zit een gat in hun kooi.’

‘Godverdomme,’ zei Cargill. Hij zei het eerbiedig. ‘De duivel zal ze halen, de krengen.’ Hij draaide zich om naar de Mariniers die in een zwerm het hangardek op kwamen hollen. ‘Volg me.’ Hij was niet van plan de miniatuurtjes nog langer als ontsnapte huisdiertjes of als ongedierte te behandelen. Van nu af aan waren het vijandelijke indringers.

Ze renden naar het voorschip naar de dichtstbijzijnde geschutskoepel.

Een dienstdoende matroos sprong geschrokken van zijn stoel op toen «Ie eerste officier, de hoofdmachinist en een sectie in pantserkleding K’

‘.loken Mariniers zich zijn bedieningskamer binnenpersten. Cargill staarde naar het instrumentenbord. Alles scheen normaal. Met een oprecht gevoel van angst aarzelde hij alvorens het inspectieluikje te openen.

De lenzen en de instelringen waren uit Batterij Nummer Drie verdwenen. Daarbinnen krioelde het van de Kaboutertjes. Vol afschuw sprong Cargill achteruit — en een dunne straal laservuur spatte tegen zijn pantserkleding. Hij vloekte, griste de dichtstbijzijnde Marinier een cilinder met cifogeen uit de handen en ramde die in de opening. Het bleek niet nodig het kraantje open te draaien; hij voelde de cilinder heet worden in zijn hand toen een laserstraal er dwars doorheen en rakelings langs hem flitste. Toen het gesis van het ontsnappende gas ophield, was hij omringd door een gele mist.

Het inwendige van Batterij Nummer Drie was propvol dode miniatuurtjes en smerig van de afgekloven botjes. Overal lagen skeletten van ratten, fragmenten van elektronische apparatuur, oude laarzen — en dode Kaboutertjes.

‘Ze hielden er hier binnen een soort veestapel van ratten op na,’ riep Cargill. ‘Maar toen begon hun aantal zo uit de hand te lopen dat er niet genoeg ratten meer waren en hebben ze ze allemaal opgegeten. Daarna zijn ze elkaar gaan opeten —’

‘Hoe zal ’t err met de andrre batterrijen voorrstaan?’ vroeg Sinclair zich af. ‘We hebben geen tijd te verrliezen.’

Buiten op de gang klonk een schreeuw. De matroos die door hun komst van zijn post verdreven was, sloeg tegen het dek. Op zijn heup verscheen een helderrode vlek. ‘In de ventilatieschacht,’ schreeuwde hij. Een korporaal der Mariniers rukte aan het rooster. Plotseling sloeg er rook uit zijn pantserkleding en hij sprong achteruit. ‘Hij heeft me geraakt, bij God!’ Hij staarde ongelovig naar een keurig rond gaatje in zijn schouder, terwijl drie andere Mariniers met laserpistolen op een snel verdwijnende gedaante vuurden. Van ergens anders in het schip drong het geluid van een alarmsignaal tot hen door. Cargill griste de hoorn van een intercom naar zich toe. ‘Schipper —’

‘Ik weet het,’ zei Blaine, nog voordat hij verder iets had kunnen zeggen. ‘Ik weet niet wat jullie gedaan hebben, maar wat het ook was, het heeft ze door het hele schip overal in beroering gebracht. Er is op dit ogenblik wel een dozijn vuurgevechten aan de gang.’

‘Grote God, meneer, wat moeten we dóén?’

‘Stuur je mannen naar Batterij Nummer Twee om die ook te zuiveren,’ beval Blaine. ‘En ga dan naar de schademeldingspost.’ Hij draaide zich weer om. ‘Heeft u verder nog instructies, admiraal?’ De brug was een en al koortsachtige activiteit. Een van de in pantserkleding gestoken roergangers sprong van zijn stoel op en draaide zich bliksemsnel om. ‘Daar!’ riep hij. Een van de met de bewaking van de brug belaste Mariniers richtte zijn door Kaboutertjes veranderde wapen, maar liet het toen met een hulpeloos gebaar weer zakken. ‘U bent toestand aan boord van uw schip niet meester,’ zei Kutuzov botweg.

‘Nee, meneer.’ Niets was hem ooit zo zwaar gevallen als het uitspreken van die woorden.

‘VERHEZEN IN GANG TWINTIG,’ kondigde de brugmelder aan. ‘Dat is het gedeelte waar de wetenschappers huizen,’ zei Rod. ‘Stuur alle beschikbare mariniers daarheen en laat ze de burgers behulpzaam zijn bij het aantrekken van ruimtepakken. Misschien kunnen we het hele schip vol gas pompen —’

‘Kapitein Blaine. Onze hoofdtaak is terug te keren naar Keizerrijk met maximum aan informatie.’

‘Jawel, meneer —’

‘En dat betekent dat burgers aan boord van uw schip belangrijker zijn dan een slagkruiser.’ Kutuzov zei dit op kalme toon, maar zijn mond stond strak van afkeer. ‘Op tweede plaats komen produkten van Splinterbeschaving die nog niet overgebracht zijn naar Lenin. Kapitein, u zult derhalve alle burgers bevelen uw schip te verlaten. Ik zal sloepen van Lenin post laten vatten buiten ons beschermende Veld. U laat die burgers vergezellen door twee betrouwbare officieren. Daarna zorgt u ervoor dat die voorwerpen van Splinterbeschaving die u belangrijk acht gereedgemaakt worden voor verscheping naar Lenin. Voor zover dat te verenigen valt met deze orders mag u proberen toestand aan boord van uw schip weer meester te worden — maar ook zult u snel moeten handelen, kapitein, want bij eerste teken van enige transmissie vanuit uw schip, tenzij via veilige lijn en rechtstreeks aan mij gericht, zal ik MacArthur wegvagen uit ruimte.’ Blaine knikte ijzig. ‘Tot uw orders, meneer.’

‘Goed, we begrijpen elkaar dus.’ Er kwam niet de minste verandering in de gelaatsuitdrukking van de Admiraal. ‘En ik wens u succes, kapitein Blaine.’

‘En hoe moet het met mijn sloep?’ vroeg Rod. ‘Meneer, ik zal me met de sloep in verbinding moeten stellen…’

‘Nee, kapitein, ik zal personeel aan boord van sloep van een en ander in kennis stellen. Géén radiouitzendingen vanuit uw schip.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Rod keek zijn brug rond. Iedereen staarde verwilderd om zich heen. De Mariniers hadden hun wapens in de hand en een van de bootslieden boog zich bezorgd over een gevallen makker heen.

Jezus, kan ik de intercom eigenlijk nog wel vertrouwen? vroeg Rod zich af. Hij schreeuwde bevelen naar een koerier en beduidde met handgebaren drie Mariniers dat ze de man moesten vergezellen. ‘Radio-oproep van meneer Renner, meneer,’ kondigde de brugmelder aan.

‘Niet bevestigen,’ grauwde Blaine. ‘Niet bevestigen. Tot uw orders, meneer.’ De strijd om de MacArthur woedde verder.

30. Nachtmerrie

Er bevonden zich een dozijn mensen en twee Bruin-en-wit-gestreepten aan boord van de sloep. De andere Splinters die de expeditie naar de planeet vergezeld hadden waren rechtstreeks verslag gaan uitbrengen aan boord van het ambassadeursschip, en alleen Whitbreads en Sally’s Fyunch(klik)ken waren aan boord gebleven. ‘Nergens voor nodig,’ had Whitbreads Splinter gezegd. ‘We hebben de nemer van besluiten tot dusverre alle dagen verslag uitgebracht.’

Maar misschien was het beter geweest als ze toch met de anderen meegegaan waren. De sloep was tjokvol, en de taxi die hen naar de MacArthur moest overbrengen was nog steeds niet komen opdagen.

 ’Waar blijven ze toch?’ zei Renner. ‘Lafferty, roep ze eens op.’ Lafferty, de piloot van de sloep, had de laatste tijd weinig anders om handen. Hij stelde de communicatiestraal in werking.

‘Geen antwoord, meneer,’ zei hij. Zijn stem klonk verbaasd.

‘Weet je wel zeker dat dat toestel werkt?’

‘Een uur geleden werkte het in elk geval nog wel,’ zei Lafferty. ‘Uh — hier komt een oproep voor ons. Het is van de Lenin, meneer.’ Het gezicht van kapitein Mikhailov verscheen op het beeldscherm. ‘Wees zo goed buitenaardse wezens te verzoeken vaartuig te verlaten,’ zei hij.

Op de een of andere manier zagen de Splinters kans door hun houding geamuseerdheid, verbazing en een lichtelijke gebelgdheid tegelijk tot uiting te brengen. Ze vertrokken met een blik achterom en een vragend gebaar. Whitbread haalde de schouders op. Staley niet. Toen de Splinters zich in het verbindingsstuk bevonden dat de beide luchtsluizen met elkaar verbond, sloot Staley de deur achter hen. Nu verscheen Kutuzov op het beeldscherm. ‘Meneer Renner, stuur alle opvarenden naar Lenin. Ze dienen ruimtepakken te dragen, en een van mijn sloepen zal naar u toekomen om hen op te halen. Alle burgers dienen over te steken langs een lijn en vervolgens bevelen van piloot van mijn sloep te gehoorzamen. Ze dienen voldoende zuurstof bij zich te hebben voor één uur in ruimte. Ondertussen onthoudt u zich van iedere poging met MacArthur in verbinding te treden. Heeft u begrepen?’

Renner slikte krampachtig. ‘Tot uw orders, meneer.’

 ’En tot nader order laat u geen buitenaardse wezens bij u aan boord.’

 ’Maar wat zal ik hun zeggen, meneer?’ vroeg Renner. ‘Zeg hun dat admiraal Kutuzov een dwaas is die aan vervolgingswaanzin lijdt, meneer Renner. En voer nu uw orders uit.’

 ’Tot uw orders, meneer.’ Het beeldscherm werd weer donker. Renner zag bleek. ‘Nu kan hij óók al gedachten lezen —’

‘Kevin, wat is hier gaande?’ vroeg Sally op hoge toon. ‘We worden zo maar in het holst van de nacht uit onze bedden gesleurd en dan in grote haast hierheen gebracht — En nu wil Rod geen gehoor geven, en verlangt de Admiraal van ons dat we onze levens zullen riskeren en dat we de Splinters zullen krenken.’ Haar stem was nu op en top die van de nicht van senator Fowler; die van een dame van het Keizerlijk hof, die getracht had de Marine alle medewerking te verlenen, maar er nu schoon genoeg van had.

Doctor Horvath was zelfs nog verontwaardigder. ‘Ik doe hier niet aan mee, meneer Renner. Ik peins er niet over een ruimtepak aan te trekken.’

‘De Lenin komt nu bij de MacArthur langszij,’ zei Whitbread terloops. Hij tuurde door de patrijspoort naar buiten. ‘De admiraal heeft een heel cordon van sloepen om haar heen gelegd — nu brengt er iemand een lijn over, geloof ik.’

Iedereen liep naar de patrijspoorten. Lafferty stelde de telescoop van de sloep op het tafereel in en bracht het resultaat daarvan over op de beeldschermen van de brug. Na een poosje begonnen in ruimtepakken gestoken figuurtjes zich langs lijnen naar de sloepen van de Lenin te bewegen, die telkens als ze vol waren plaats maakten voor weer andere sloepen.

‘Ze verlaten de MacArthur,’ zei Staley met verbazing in zijn stem. Hij keek op en zijn hoekige gezicht was vertrokken. ‘En een van de sloepen van de Lenin komt hierheen. Vrouwe, u zult u moeten haasten. Ik geloof niet dat we nog veel tijd hebben.’

‘Maar ik heb u toch al gezegd dat ik niet ga,’ hield dr. Horvath vol. Staley liet zijn vingers langs zijn pistool glijden. Er hing een gespannen atmosfeer in de kajuit.

‘Doctor, herinnert u zich de orders nog, die onderkoning Merrill aan admiraal Kutuzov gegeven heeft?’ vroeg Renner afgemeten. ‘Als ik me goed herinner moest hij de MacArthur vernietigen, liever dan belangrijke informatie in handen van de Splinters te laten vallen.’ Hij zei dit op een kalme, bijna schertsende toon.

Horvath probeerde nog iets te zeggen. Hij scheen er moeite mee te hebben zijn gelaatsspieren te beheersen. Ten slotte draaide hij zich zonder een woord te zeggen om naar de kast die de ruimtepakken bevatte. Een ogenblik later volgde Sally zijn voorbeeld.

Horace Bury was na die koffiedemonstratie naar zijn kajuit gegaan. Hij hield ervan ’s avonds laat te werken en na de lunch een dutje te doen, en hoewel hij op het ogenblik niets had om aan te werken was hij die gewoonte toch trouw gebleven.

Hij werd uit zijn slaap gewekt door het lawaai van het scheepsalarm. Iemand beval de Mariniers hun gevechtstenue aan te trekken. Hij bleef nog even luisteren, maar een hele tijd gebeurde er verder niets. Toen kwam die stank, die hem op een afschuwelijke manier de adem benam, en hij kon zich niet herinneren ooit zo iets geroken te hebben. Het deed denken aan een gedestilleerd concentraat van machines en zweetlucht — en het werd aldoor sterker.

Nog meer alarmsignalen, ‘MAAKT U GEREED VOOR EEN TOESTAND VAN LUCHTLEDIGHEID. IEDEREEN IN DE RUIMTEPAKKEN. ALLE MILITAIREN IN DE GEVECHTSPANTSERKLEDING. MAAKT U GEREED VOOR EEN TOESTAND VAN LUCHTLEDIGHEID.’

Nabil schreeuwde het uit van paniek. ‘Idioot! Je ruimtepak!’ schreeuwde Bury, terwijl hij rende om het zijne te gaan aantrekken. Pas toen hij weer de normale lucht van het schip inademde gunde hij zich de tijd  om te luisteren of er nog meer waarschuwingen kwamen. Maar die stemmen klonken vreemd. Ze kwamen niet door de intercom, nee, die waarschuwingen werden… geschreeuwd door de gangen, ‘alle burgers moeten het schip verlaten. aan al het burgerpersoneel: maakt u gereed om het schip te verlaten.

Nee maar. Bury glimlachte bijna. Dit was voor het eerst dat ze — zou het soms een oefening zijn? Nog meer verwarde geluiden. Er kwam een sectie Mariniers in pantserkleding voorbijgestampt met hun wapens in de aanslag in hun vuisten geklemd. De glimlach bestierf op zijn gezicht en Bury keek om zich heen om te zien welke van zijn bezittingen hij zou kunnen redden.

Nog meer geschreeuw. Er verscheen een officier in de gang buiten zijn kajuit, die met een onnodig luide stem begon te schreeuwen. De burgers zouden de MacArthur langs een lijn verlaten. Ze mochten per persoon één koffer met bezittingen meenemen, maar dienden één hand vrij te houden.

Bij de Baard van de Profeet! Wat kon hier aanleiding toe geweest zijn? Zouden ze dat gouden metaal van die asteroïde gered hebben en die supergeleider van warmte? Die kostelijke zelfreinigende percolator zouden ze beslist niet redden. Wat zou hij zelf proberen te redden? De zwaartekracht aan boord van het schip begon merkbaar te verminderen. In het inwendige draaiden vliegwielen rond om de rotatie stil te zetten. Snel ging Bury aan de slag om de nodige artikelen bijeen te graaien die iedere reiziger nu eenmaal bij zich moest hebben, zonder erop te letten wat ze gekost hadden. Luxeartikelen zou hij zich altijd opnieuw kunnen aanschaffen, maar —

Allemachtig, die miniatuurtjes. Hij zou die zuurstoftank op de een of andere manier bij luchtsluis D moeten weghalen. Stel je voor dat ze hem ineens een andere luchtsluis aanwezen?

In koortsachtige haast pakte hij zijn spullen bij elkaar. Twee koffers, waarvan Nabil er één te dragen kreeg. Nabil zette er voldoende vaart achter nu hij eenmaal wist wat er van hem verlangd werd. Nog meer verward geschreeuw op de gang, en verscheidene malen achtereen kwamen er secties matrozen en Mariniers langs de deur van zijn kajuit gezweefd. Allen hadden wapens in de hand en droegen gevechtspantsers.

Zijn ruimtepak begon zichzelf op te blazen. De luchtdruk, in het schip daalde gestadig, en hij zette iedere gedachte aan een oefening van zich af. Sommige van die wetenschappelijke apparaten en instrumenten waren niet tegen een blootstelling aan het luchtledige bestand — en niet éénmaal was er ook iemand zijn kajuit binnengekomen om te kijken of zijn ruimtepak goed functioneerde. Als het een oefening was, zou de Marine er geen levens van burgers aan wagen. Er kwam weer een officier de gang in. Bury hoorde de ijzige kalmte in zijn ruwe, strenge stem toen hij sprak. Nabil stond er besluiteloos en onzeker bij en Bury gebaarde dat hij het communicatiesysteem van zijn ruimtepak moest aanzetten.

‘ATTENTIE AL HET BURGERPERSONEEL. BEGEEFT U NAAR DE VOOR U DICHTSTBIJZIJNDE LUCHTSLUIS AAN BAKBOORDZIJDE,’ Zei de Stem zonder een spoor van opwinding. Zo spraken die lui van de Marine alleen maar wanneer de situatie werkelijk ernstig was. Nu betwijfelde Bury er totaal niet meer aan. ‘de evacuatie van de burgers zal uitsluitend via de luchtsluizen aan bakboordzijde plaatsvinden, als u niet zeker bent van de juiste richting, kunt u dat aan iedere officier of matroos vragen. u wordt verzocht kalm te blijven. er is voldoende tijd om al het personeel te evacueren.’ De officier zweefde voorbij en verdween in een andere gang.

Aan bakboordzijde? Mooi zo. Gelukkig was Nabil zo intelligent geweest die zogenaamde zuurstoftank in de dichtstbijzijnde luchtsluis te verbergen. En, de Roem van Allah zij geprezen, dat was aan bakboordzijde geweest. Hij gaf zijn bediende een wenk en begon zich van handvat tot handvat langs de wand te trekken. Nabil bewoog zich op een gracieuze manier voort; hij had ruimschoots de gelegenheid gehad zich hierin te oefenen sinds ze huisarrest hadden gekregen aan boord van dit schip.

Er was een verwarde menigte in de gang. Achter zich zag Bury een sectie Mariniers om de hoek de gang in komen. Ze bevonden zich met de rug naar hem toe en vuurden in de richting vanwaar ze gekomen waren. Hun vuur werd beantwoord, en er spoot heldergekleurd bloed in het rond dat steeds kleiner wordende bolletjes vormde naarmate het verder weg zweefde door het stalen schip. Boven heil flikkerden de lampen uit en weer aan.

Er kwam een onderofficier de gang door zweven, die zich achter hen aansloot. ‘Vooruit, vooruit, opschieten,’ mopperde hij. ‘God zegen de mariniers.’

‘Waar schieten ze op?’ vroeg Bury.

‘Miniatuurtjes,’ gromde de onderofficier. ‘Als ze deze gang soms mochten veroveren, maak dan snel dat u wegkomt, meneer Bury. De kleine rotzakken hebben wapens.’

‘Kaboutertjes?’ vroeg Bury, stomverbaasd en ongelovig. ‘Kaboutertjes?’

‘Jawel, meneer, we hebben ’n plaag van dat kleine tuig aan boord. Ze hebben ’t luchtverversingssysteem an d’r eigen behoeften angepast… Schiet op, meneer. Alsjeblieft. Die mariniers zullen hen niet lang meer tegen kunnen houden.’

Bury trok zich krachtig naar het volgende handvat toe en zeilde in één keer helemaal tot aan het eind van de gang waar hij behendig opgevangen en de hoek om geholpen werd door een matroos eerste klasse. Kaboutertjes? Maar daar hadden ze het schip toch van gezuiverd… Bij de luchtsluis bevond zich een opeengedrongen menigte. Er kwamen voortdurend meer burgers bij, en nu begonnen ook al bemanningsleden die tot het niet-weerbare personeel behoorden hun steentje tot het gedrang bij te dragen. Bury baande zich dringend en klauwend een weg naar de kast die de zuurstofflessen bevatte. Aha, het ding was er nog. Hij trok de loze cilinder eruit en overhandigde hem aan Nabil, die hem aan Bury’s ruimtepak bevestigde.

‘Dat zal niet nodig zijn, meneer,’ zei een officier. Bury besefte ineens dat het geluid van ’s mans stem zich door lucht voortgeplant had alvorens het zijn oren bereikte. Er was luchtdruk hier — maar ze waren nergens door luchtdichte deuren gegaan op weg hierheen! De Kaboutertjes natuurlijk hadden hier zo’n onzichtbare drukbarrière geconstrueerd. zoals die mineralenzoekster er ook een op haar schip gehad had! Hij moest dat geheim zien te bemachtigen! ‘Och, je kunt nooit weten,’ mompelde Bury tegen de officier. De man haalde zijn schouders op en beduidde het volgende paar de luchtsluis binnen te gaan. Even later was Bury aan de beurt. De officier der Mariniers wenkte en ze stapten naar voren.

Het mechanisme van de luchtsluis voltooide zijn kringloop. Bury tikte Nabil op zijn schouder en wees naar buiten. Nabil ging, zichzelf langs de lijn voorttrekkend, naar buiten het inktzwarte duister in. Niets dan zwart voor hen uit, geen sterren, helemaal niets. Wat bevond zich daar buiten? Bury betrapte zichzelf erop dat hij zijn adem inhield. Allah zij geloofd, ik getuig dat Allah Eén en Ondeelbaar is — Nee! Die nepzuurstoffles zat veilig op zijn rug bevestigd en daarbinnenin twee miniatuurtjes in een kunstmatige winterslaap. Onvoorstelbare rijkdommen in het verschiet! Een technologie die zelfs alles overtrof wat het Eerste Keizerrijk ooit gekend had! Een eindeloze stroom van nieuwe uitvindingen en verbeterde ontwerpen. Alleen… wat voor djinn had hij eigenlijk uit de fles gelaten?

Ze waren nu buiten het zorgvuldig in stand gehouden gat gekomen, dat ter wille van de evacuatie in het Veld van de MacArthur opengehouden werd. Daarbuiten bevond zich slechts de zwarte ruimte — en voor hen uit de vage omtrek van iets dat van een nog donkerder zwart was. Ook andere lijnen voerden daarheen vanuit andere gaten in het Veld van de MacArthur, en daarlangs bewoog zich met horten en stoten een aantal minuscule spinnetjes. Achter Bury kwam een volgende in ruimtepak gestoken figuur naar buiten, en daarachter nóg een. Nabil en de anderen zweefden voor hem uit, en… Zijn ogen begonnen nu snel aan het duister te wennen. Hij kon de dieprode tinten van de Kolenzak zien, en die vlek daar vooruit moest het Veld van de Lenin zijn. Zou hij daar doorhéén moeten kruipen? Nee, toch niet, er bevonden zich sloepen daarbuiten, en de ruimtespinnetjes kropen er een voor een in.

De sloep was nu vlakbij. Bury draaide zich om om een laatste blik op de MacArthur te werpen. Gedurende zijn lange leven had hij al heel wat tijdelijke verblijfplaatsen vaarwel gezegd; de MacArthur was niet bepaald de beste daarvan geweest. Hij dacht aan al die technologie die daar vernietigd werd. Die door de Kaboutertjes verbeterde machinerieën, en die magische koffiepot. Even voelde hij iets van spijt. De bemanning van de MacArthur was hem oprecht dankbaar geweest voor zijn hulp met die koffie, en hij had veel succes geoogst met zijn demonstratie voor de officieren. Alles was prettig verlopen. Misschien dat hij aan boord van de Lenin…

Deze luchtsluis was een stuk kleiner. Achter hem kwam een lange rij vluchtelingen langs de lijn aangezweefd. De sloep aan boord waarvan zich zijn Splinter moest bevinden kon hij niet zien. Zou hij hem nog ooit terugzien?

Hij keek naar de in ruimtepak gestoken figuur die vlak achter hem kwam. Deze had geen bagage bij zich en was bezig Bury in te halen, aangezien hij beide handen vrij had. Het licht van de Lenin scheen op zijn helmvizier. Terwijl Bury toekeek draaide de figuur zijn hoofd ietwat opzij en viel het licht door het glas van het helmvizier naar binnen. Bury zag drie paar ogen, die naar hem staarden. En vaag kon hij de daarbij behorende kleine gezichtjes onderscheiden. Later scheen het Bury toe dat hij nog nooit van zijn leven zó snel gereageerd had. Gedurende de tijdsduur van één hartslag staarde hij naar de schim die daar op hem afkwam terwijl zijn hersens razendsnel werkten, en toen — Maar de mannen die zijn kreet hoorden zeiden dat het de gil van een waanzinnige was, van een man die levend gevild werd. Toen smeet hij zijn koffer naar de figuur.

Tegelijk met zijn volgende gil wist hij ook enkele woorden uit te brengen. ‘Daar zijn ze! In het ruimtepak! Ze zitten erin!’ Hij graaide op zijn rug en rukte en trok totdat hij de zuurstoftank los had. Met beide handen hief hij die boven zijn hoofd, mikte en smeet. Het ruimtepak wist zijn koffer te ontwijken, zij het log en onbeholpen. In de armen ervan zaten miniatuurtjes, die de vingers trachtten te manipuleren… het verloor zijn greep op de lijn, trachtte zich terug te werken ernaartoe om opnieuw houvast te vinden. De metalen cilinder raakte het midden in het helmvizier, het glas ervan verbrijzelend. En toen was de ruimte ineens gevuld met kleine worstelende figuurtjes, krampachtig om zich heen slaand met zes ledematen toen ze door een spookachtig wolkje lucht naar buiten geblazen werden uit het pak. En tegelijk met hen kwam er ook nog iets anders naar buiten tuimelen, iets dat de vorm van een voetbal had en dat Bury voldoende bekend was om het te kunnen herkennen. Dat was het dus, hoe ze kans gezien hadden langs die officier bij de luchtsluis te komen zonder ontdekt te worden. Een afgehakt menselijk hoofd.

Bury kwam tot de ontdekking dat hij drie meter van de lijn vandaan zweefde. Sidderend haalde hij diep adem. Gelukkig: hij had de goede van de twee cilinders gesmeten. Allah was hem genadig. Hij wachtte totdat er een mensvormig ding uit de sloep van de Lenin kwam, dat zich met behulp van op zijn rug gebonden straalpijpen naar hem toe manoeuvreerde en hem op sleeptouw nam. Zijn aanraking deed hem terugdeinzen. Misschien vroeg de man zich af waarom Bury zo gespannen door het glas van zijn vizier naar hem tuurde. Maar misschien ook niet.

31. Nederlaag

Er voer plotseling een schok door de MacArthur. Rod graaide naar de intercom en schreeuwde: ‘Hoofdmachinist Sinclair! Wat voer je uit, chef?’

Het antwoord was nauwelijks verstaanbaar. ‘Tis nie doorr mij, kap’tein. Ik heb geen contrrole overr de hoogtejets, en overr de meeste andrre dingen ook nie meerr, trrouwens.’

‘O, grote God,’ zei Blaine. Sinclairs beeld verdween van het beeld- scherm. Ook de andere beeldschermen werden donker. Plotseling was de brug van de rest van het schip afgesneden. Rod probeerde een aantal hulpcircuits. Niets.

‘De computer is buiten werking,’ meldde Crawford. ‘Ik krijg helemaal niets meer.’

‘Probeer de rechtstreekse draadverbinding. Zie of je Cargill aan de lijn kunt krijgen,’ zei Rod tegen zijn melder.

‘Ik heb hem, kap’tein.’

‘Jack, hoe is de toestand daarginds?’

‘Slecht, schipper. Ik ben omsingeld hier, en voor communicatie heb ik alleen maar een aantal draadverbindingen, en die nog niet eens allemaal.’ De MacArthur maakte opnieuw een slingerende beweging toen er ergens in het achterschip iets gebeurde. ‘Kap’tein!’ meldde Cargill opgewonden. ‘Luitenant Piper meldt dat de Kaboutertjes elkaar bevechten in de hoofdkeuken! Het is ’n regelrechte veldslag!’

‘Jezus, Nummer Een, hoeveel van die monsters hebben we eigenlijk wel aan boord?’

‘Schipper, ik wéét het niet. Misschien wel honderden. Ze moeten ieder kanon aan boord van dit schip uitgehold hebben en ze hebben zich overal verspreid. Ze zijn—’ Plotseling werd de verbinding verbroken. ‘Jack!’ schreeuwde Rod. ‘Melder, hebben we misschien nog een andere lijn naar de Eerste?’

Maar voordat de bootsmaat daarop antwoorden kon, kwam Cargill terug aan de lijn. ‘Dat was op het nippertje, schipper. Er kwamen twee gewapende miniatuurtjes uit de hulp vuurleidingscomputer te voorschijn. We hebben ze gedood.’

Blaine dacht verwoed na. Hij was bezig alle circuits te verliezen die hij voor de bevelvoering over zijn schip nodig had, en hij wist niet hoeveel mannen hij nog over had. De computer was behekst. Zelfs als ze erin mochten slagen zich weer meester te maken van de MacArthur, was er een goede kans dat ze niet meer ruimtewaardig gemaakt zou kunnen worden. ‘Ben je daar nog, Nummer Een?’

‘Jawel, meneer.’

‘Ik ga naar de luchtsluis om in verbinding te treden met de Admiraal. Als ik binnen vijftien minuten niet terug ben aan de lijn ontruim je het schip. Vijftien minuten, Jack. Vanaf dit moment.’

‘Tot uw orders, meneer.’

‘En je kunt er nu alvast mee beginnen de bemanning bij elkaar te trommelen. Alleen aan bakboordzijde, Jack — dat is te zeggen, als het schip zo georiënteerd blijft als het nu is. De officieren bij de luchtsluizen hebben opdracht de openingen in het Veld te sluiten als ze van positie mocht veranderen.’

Rod gebaarde zijn brugbemanning hem te volgen en begon zich een weg te banen in de richting van de luchtsluizen. In de gangen heerste grote verwarring. In verscheidene ervan hing een gele mist — cifogeen. Hij had gehoopt het Splintergevaar met gas te kunnen bezweren, maar het was niet gelukt, en hij wist niet waarom. De Mariniers hadden een aantal wanden gesloopt en zich achter de restanten daarvan verschanst, in waakzame houdingen en met hun wapens in de aanslag.

‘Burgers eruit?’ vroeg Rod de officier die de leiding had bij de luchtsluis.

‘Jawel, meneer. Voor zover we weten tenminste. Schipper, ik heb de mannen één patrouille door dat deel van het schip laten maken, maar een tweede zou ik niet graag willen riskeren. Het krioelt daar bij de burgers van de Kaboutertjes — het lijkt wel alsof ze daar al die tijd gewoond hebben, of zo iets.’

‘Misschien hebben ze dat ook wel, Piper,’ zei Blaine. Hij ging door de luchtsluis en oriënteerde zijn ruimtepak op de Lenin. De laserstraal voor communicatiedoeleinden flitste aan en zo hing hij daar in de ruimte, zich vasthoudend om ervoor te zorgen dat het beveiligde circuit openbleef.

‘Uw situatie?’ verlangde Kutuzov te weten. Met tegenzin, wetend wat het gevolg zou zijn, vertelde Rod hem die. ‘En uw recommandatie?’ snauwde de Admiraal. ‘De MacArthur zal waarschijnlijk nooit meer ruimtewaardig gemaakt kunnen worden, meneer. Naar mijn mening zal ik haar moeten ontruimen en zal ik haar moeten vernietigen zodra ik een laatste rondgang door het schip heb gemaakt om bemanningsleden die eventueel ingesloten zijn te bevrijden.’

‘En waar bent ú ondertussen?’

‘Aan het hoofd van de reddingspatrouille, meneer.’

‘Nee.’ De stem van de Admiraal klonk kalm. ‘Ik aanvaard uw recommandatie, kapitein, maar hierbij bevéél ik u, uw schip te ontruimen. Registreer dat bevel in logboek, luitenant Borman,’ voegde hij eraan toe, zich tot iemand op zijn brug richtend. ‘U geeft bevel schip te ontruimen en te vernietigen, u draagt commando over aan uw Eerste Officier, en meldt u aan boord van sloep nummer twee van Lenin. En wel onmiddellijk.’

‘Meneer. Menéér, ik vraag permissie aan boord van mijn schip te mogen blijven totdat mijn bemanning in veiligheid is.’

‘Verzoek afgewezen, kapitein,’ snauwde de onbarmhartige stem. ‘Ik ben me er heel goed van bewust dat u moed bezit, kapitein. Bezit u ook voldoende moed ermee te leven wanneer u uw schip verliest?’

‘Meneer —’ Ach, de duivel hale die vent! Rod draaide zich om naar de MacArthur, waardoor het beveiligde circuit tijdelijk verbroken werd. Bij de luchtsluis was een gevecht aan de gang. Verscheidene miniatuurtjes hadden de wand tegenover de barricade van de Mariniers doen wegsmelten, en deze laatsten vuurden nu verwoed in de aldus ontstane opening. Blaine tandenknarste en wendde zich weer af van het strijdtoneel achter hem. ‘Admiraal, u kunt me niet bevelen mijn bemanning in de steek te laten en ervandoor te gaan!’

‘Zo, kan ik dat niet? U vindt leven nu moeilijk, kapitein? U denkt dat men rest van uw leven over u zal fluisteren, en daar bent u bang voor? En zo iets zegt u tegen mij? Voer uw bevelen uit, kapitein Heer Blaine.’

‘Nee, meneer.’

‘U weigert een rechtstreeks bevel te gehoorzamen, kapitein?’

‘Ik kan die order niet aanvaarden, meneer. Het is nog altijd mijn schip.’

Het bleef een hele tijd stil aan de andere kant van de lijn. ‘Uw toewijding aan tradities van Marine is bewonderenswaardig, kapitein, maar dom. Het is mogelijk dat u enige officier in hele Keizerrijk bent die een afdoende verdediging tegen deze bedreiging kan bedenken. U weet meer van deze buitenaardse wezens af dan enig ander in onze vloot. Die kennis is meer waard dan uw schip. Ze is zelfs meer waard dan levens van alle mannen aan boord van uw schip, nu burgers geëvacueerd zijn. Ik kan u niet toestaan te sterven, kapitein. En nu verlaat u dat schip, al moet ik een nieuwe commandant sturen om bevel over te nemen.’

‘Die zou me nooit weten te vinden, admiraal. Neem me niet kwalijk, meneer, maar ik heb het een en ander te doen.’

‘Wacht!’ Het bleef weer even stil. ‘Goed dan, kapitein. Ik maak afspraak met u. Als u met mij in verbinding blijft, sta ik u toe aan boord van MacArthur te blijven tot u haar ontruimd en vernietigd hebt. Hetzelfde ogenblik dat u niet meer met mij in verbinding bent, voert u niet langer bevel over MacArthur. Moet ik luitenant Borman soms naar u toesturen?’

Het ellendige is, dacht Rod, dat hij gelijk heeft. De MacArthur is ten ondergang gedoemd. Cargill kan de bemanning evengoed van boord halen als ik dat kan. Misschien weet ik inderdaad wel iets dat van belang is. Maar het is mijn schip! ‘Ik aanvaard uw voorstel, meneer. Ik kan een en ander trouwens toch beter leiden van hieruit. De verbindingen met de brug zijn allemaal uitgevallen.’

‘Goed. Ik heb dus uw woord daarvoor.’ De verbinding werd verbroken.

Rod draaide zich weer om naar de luchtsluis. De Mariniers hadden hun vuurgevecht gewonnen en Piper stond naar hem te wenken. Rod klom terug aan boord. ‘Hier luitenant Cargill,’ zei de intercom. ‘Bent u daar, schipper?’

‘Ja, Jack, wat is er?’

‘We zijn bezig ons al vechtend een weg te banen naar bakboordzijde, schipper. Sinclair heeft z’n mensen klaar staan om te vertrekken. Hij zegt dat hij zonder versterkingen geen kans ziet de machinekamers te behouden. En een ordonnans vertelt me net dat er in de onderofficierskantine aan stuurboordzijde nog burgers ingesloten zitten. Er is een sectie Mariniers bij hen, maar er wordt daar flink gevochten.’

‘We hebben bevel gekregen het schip te ontruimen en te vernietigen, Nummer Een.’

‘Jawel, meneer.’

‘We moeten die burgers eruit zien te krijgen. Zie jij kans een pad vrij te houden vanaf schot honderdzestig naar het voorschip toe? Misschien dat het me lukt daar wat hulp naar toe te sturen om voor die wetenschappers een weg daarheen te banen.’

‘Ik denk wel dat we dat kunnen, meneer. Maar, kap’tein, ik zie geen kans meer om bij de Veldgeneratorkamer te komen! Hoe kunnen we het schip dan vernietigen?’

‘Ook daarvoor zal ik wel zorgen. Maak voort, Nummer Een.’

‘Tot uw orders, schipper.’

Het schip vernietigen. Het klonk hem onwerkelijk in de oren. Rod haalde diep adem. De zuurstof in zijn ruimtepak had een scherpe, me-taaiachtige smaak. Of misschien was het wel helemaal niet die zuurstof.

Er verstreek bijna een uur voordat een van de boten van de Lenin langszij van de sloep kwam. Zwijgend zagen ze hem naderen. ‘Een bericht van de MacArthur, doorgegeven via de Lenin, meneer,’ zei de bootsman. Het beeldscherm lichtte op.

Het gezicht op het beeldscherm bezat Rod Blaines gelaatstrekken, maar ergens was het zijn gezicht niet. Sally kende hem niet meer terug. Het leek alsof hij jaren ouder was geworden, en zijn ogen stonden — eenvoudig levenloos. Hij staarde hen aan, en zij staarden terug. Eindelijk sprak Sally namens hen allen. ‘Rod, wat gebéurt er allemaal?’ Blaine keek haar in de ogen en keek toen een andere kant uit. Zijn strakke gelaatsuitdrukking bleef onveranderd. Hij deed Sally denken aan iets dat ze eens in het Keizerlijk Museum op sterk water gezien had. ‘Meneer Renner,’ zei het beeld. ‘Stuur al het personeel langs de lijn naar de boot van de Lenin, die langszij ligt. Ontruim de sloep. En luister nu goed allemaal: de stuurman van de boot zal jullie een stelletje nogal vreemd klinkende orders geven. Gehoorzaam die tot op de letter. Een tweede kans krijgen jullie niet, dus maak geen tegenwerpingen. Doe eenvoudig wat jullie opgedragen wordt.’

‘Zeg, wacht eens even,’ brieste Horvath. ‘Ik —’

Rod sneed hem de pas af. ‘Doctor, om redenen die u pas later begrijpen zult zijn wij niet van plan ook maar iets uit te leggen. Doe gewoon wat u opgedragen wordt.’ Zijn blik richtte zich weer op Sally en de uitdrukking in zijn ogen veranderde, een heel klein beetje maar. Het was misschien iets van bezorgdheid dat daarin te lezen stond. In ieder geval kwam er gedurende één ogenblik een sprankje van leven in. Ze probeerde te glimlachen, maar slaagde er niet in. ‘Alsjeblieft, Sally,’ zei hij. ‘Doe precies wat die stuurman van de Lenin je opdraagt. Oké. Gaan jullie. Nu meteen.’

Roerloos stonden ze daar. Toen haalde Sally diep adem en draaide zich om naar de luchtsluis. ‘Laten we gaan,’ zei ze. Weer probeerde ze te glimlachen, maar het enige dat ze daarmee bereikte was dat ze er nog zenuwachtiger uitzag.

De luchtsluis aan stuurboordzijde was opnieuw verbonden met die van het ambassadeursschip. Ze verlieten de sloep via de luchtsluis aan bakboord. De bemanning van het door de Lenin gestuurde vaartuig had inmiddels al lijnen gespannen, die het met de sloep verbonden. Hun boot was bijna een tweelingzusje van de sloep van de MacArthur, een vaartuig met een platte bovenkant en een onder de neus hangend schepvormig hitteschild voor landingen door een planetaire dampkring.

Langzaam trok Sally zich langs de kabel naar de sloep van de Lenin toe, en toen ze die bereikt had kroop ze voorzichtig door het luik naar binnen. Zachtjes stuitte ze tegen de achterwand van de luchtsluis aan. Het mechanisme trad in werking, en toen het zijn kringloop voltooid had voelde ze weer luchtdruk.

Haar ruimtepak was van een weefsel dat haar omsloot als een tweede huid. Daaroverheen droeg ze een flodderige, beschermende overal.

De enige ruimte binnen haar ruimtepak die ze niet geheel en al opvulde was de helm, die luchtdicht bevestigd zat op een ring die de hals van haar maillot omsloot.

‘U zult u aan een visitatie moeten onderwerpen, Vrouwe,’ zei een officier met een diep keelgeluid. Ze keek om: buiten haarzelf bevonden er zich ook nog twee gewapende Mariniers in de luchtsluis. Hun wapens waren niet op haar gericht — net niet, tenminste. Maar hun houding was een en al waakzaamheid en het was te merken dat ze ergens bang voor waren.

‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg ze op hoge toon. ‘Alles op z’n tijd, Vrouwe,’ zei de officier. Hij hielp haar de zuurstof-fles van de rug van haar ruimtepak los te maken. Deze werd vervolgens in een doorzichtige plastic zak gestoken. De officier keek in haar helm, nadat hij haar die afgenomen had, en voegde die te zamen met haar overal bij het ruggarnituur in de plastic zak. ‘Dank u,’ mompelde hij. ‘Gaat u nu naar het achterschip, alstublieft. De anderen zullen zich daar bij u voegen.’

Renner en de andere militairen stond een andere behandeling te wachten. ‘Uitkleden,’ zei de officier. ‘Helemaal, alstublieft.’ Ditmaal waren de Mariniers niet eens zo beleefd hun wapens een klein beetje opzij van hen te richten. Toen ze zich van alles ontdaan hadden — Renner moest zelfs zijn zegelring in de plastic zak doen — werden ze naar het voorschip gestuurd. Daar werden ze opgevangen door een andere officier van de Mariniers, die naar een rij gepantserde gevechtsuitrustingen wees. Twee Mariniers hielpen hen die aan te trekken. Van wapens viel nu niets te bespeuren.

‘Dat was de vreemdste striptease-voorstelling die ik ooit gezien heb,’ zei Renner tegen de stuurman van de sloep. De bootsman knikte. ‘Zou je me misschien kunnen vertellen waar dit allemaal goed voor is?’

‘Dat zal uw commandant u straks wel uitleggen, meneer,’ zei de bootsman.

‘Vast en zeker weer die Kaboutertjes!’ riep Renner uit. ‘Zou dat het zijn, meneer Renner?’ vroeg Whitbread achter hem. De cadet was bezig zich in zijn gevechtspantserkleding te hijsen zoals hem opgedragen was. Hij had tot dusverre nog aan niemand vragen durven stellen, maar met Renner viel best te praten.

Renner haalde de schouders op. De hele situatie had iets onwerkelijks. De hele sloep was stampvol Mariniers en gepantserde uitrustingen — en een heleboel van die Mariniers hoorden aan boord van de MacArthur thuis. Vlak bij de luchtsluis stond sergeant Kelley met een onbewogen gezicht een oogje in het zeil te houden, met zijn wapen op de deur ervan gericht.

‘Dat zijn ze allemaal,’ kondigde een stem aan. ‘Waar is aalmoezenier Hardy?’ vroeg Renner.

‘Bij de burgers, meneer,’ zei de bootsman. ‘Een ogenblik, alstublieft.’ Hij bediende de communicatieapparatuur. Het beeldscherm lichtte op en Blaines gezicht verscheen.

‘Beveiligde lijn, meneer,’ kondigde de bootsman aan. ‘Dank u. Staley?’

‘Ja, kap’tein?’ antwoordde de oudste cadet.

‘Meneer Staley, deze sloep begeeft zich straks langszij van de Lenin. Alle burgers en ook de bemanning van de sloep, met uitzondering van bootsman Lafferty, stappen over op het slagschip, waar ze geïnspecteerd zullen worden door mensen van de veiligheidsdienst. Nadat ze van boord gegaan zijn neemt u het bevel over sloep nummer een van de Lenin op u en begeeft u daarmee naar de MacArthur. U entert de MacArthur aan stuurboordzijde en gaat aan boord op een punt dat direct achter de zich aan die kant bevindende onderofficierskantine gelegen is. Uw doel is een afleidingsmanoeuvre uit te voeren, de strijd aan te binden met in dat deel van het schip eventueel nog levende vijanden en die bezig te houden teneinde een groep in de kantine ingesloten burgers en mariniers te helpen ontsnappen. Daartoe stuurt u Kelley en zijn mariniers die kantine in met ruimtepakken en gevechtspantsers voor vijfentwintig mensen. Deze uitrustingen bevinden zich al aan boord. Als die mensen bevrijd zijn, stuurt u hen naar het voorschip. Luitenant Cargill heeft ervoor gezorgd dat de weg vanaf schot nummer een-zes-nul vrij is.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Staley’s stem klonk ongelovig. Ondanks de afwezigheid van zwaartekracht aan boord van de sloep stond hij bijna stram in de houding.

Blaine moest er bijna om glimlachen. Zijn lippen vertrokken zich tenminste even. ‘Met de vijand, meneer, bedoel ik enkele honderden miniatuurtjes. Ze zijn gewapend met handvuurwapens. Sommigen zijn voorzien van gasmaskers. Ze zijn niet goed georganiseerd, maar ze zijn beslist levensgevaarlijk. U overtuigt u ervan dat er zich geen andere passagiers of bemanningsleden meer in het midscheeps aan stuurboord gelegen deel van de MacArthur bevinden. Nadat u zich van die taak gekweten heeft, begeeft u zich aan het hoofd van een patrouille naar de midscheeps gelegen kantine van de bemanning en laat u de koffiepot naar buiten brengen. Maar zorg ervoor dat u er verdomd zeker van bent dat die pot léég is, meneer Staley.’

‘De koffiepot?’ zei Renner verbijsterd en ongelovig. Achter hem schudde Whitbread het hoofd en mompelde iets tegen Potter. ‘Ja, de koffiepot, meneer Renner. Die is door de buitenaardse wezens veranderd en de daarbij gebruikte techniek zou wel eens van grote waarde voor het Keizerrijk kunnen zijn. U zult ook nog wel andere vreemde voorwerpen tegenkomen, meneer Staley. Ga oordeelkundig te werk bij het bepalen van welke daarvan u mee naar buiten wilt nemen — maar onder geen beding stuurt u iets naar buiten dat wel eens een levend buitenaards wezen zou kunnen bevatten. En houd de bemanningsleden in de gaten. De miniatuurtjes hebben verscheidene van onze mensen gedood, hun hoofden gebruikt om ons om de tuin te leiden en hun gevechtspantserkleding om zich ongezien in te verplaatsen. Overtuig u ervan dat een man in een gevechtspantser ook inderdaad een man is, meneer Staley. Met een nauwsluitend drukpak hebben we ze dat trucje nog niet zien proberen, maar wees verdomd voorzichtig.’

‘Jawel, meneer,’ zei Staley op ferme toon. ‘Kunnen we de macht over het schip terugkrijgen, meneer?’

‘Nee.’ Blaine worstelde er zichtbaar mee zich te beheersen. ‘U zult niet veel tijd hebben, meneer. Veertig minuten nadat u aan boord van de MacArthur gegaan bent, stelt u alle conventionele zelfvernietigingssystemen in werking en vervolgens het tijdmechanisme van de torpedo, die we voor dat doel klaargemaakt hebben. Wanneer u met dat alles klaar bent, brengt u bij mij verslag uit in de hoofdingang aan bakboord. Vijfenvijftig minuten nadat u aan boord gegaan bent zal de Lenin het vuur op de MacArthur openen, wat er ook gebeurt. Heeft u dat alles begrepen?’

‘Jawel, meneer,’ zei Horst Staley zachtjes. Hij keek de anderen aan. Ietwat onzeker beantwoordden Potter en Whitbread zijn blik. ‘Kap’tein,’ zei Renner. ‘Meneer, mag ik u eraan herinneren dat ik hier de oudste aanwezige officier ben.’

‘Dat weet ik, Renner. Voor u heb ik ook een opdracht. U gaat met aalmoezenier Hardy terug aan boord van de sloep van de MacArthur en helpt hem met het in veiligheid brengen van alle apparatuur en aantekeningen die hij later nodig denkt te hebben. Een van de sloepen van de Lenin zal een en ander komen ophalen, en u zorgt ervoor dat alles verzegeld wordt in een container, die de sloep voor dat doel zal meebrengen.’

‘Maar — meneer, die groep die aan boord gaat behoor ik aan te voeren!’

‘U bent wel officier, maar geen militair, Renner. Weet u nog wat u me gisteren na de lunch vertelde?’

Renner wist het nog. ‘Ik heb u anders niet verteld dat ik een lafaard was,’ raspte hij.

‘Daarvan ben ik me bewust. Maar ik ben me er ook van bewust dat u waarschijnlijk de onberekenbaarste officier bent die ik heb. De aalmoezenier hebben we alleen maar verteld dat er een pestepidemie aan boord van de MacArthur heerst en dat we teruggaan naar het Keizerrijk voordat iedereen ermee besmet wordt. Dat is onze officiële verklaring voor de Splinters. Ze zullen die misschien niet geloven, maar Hardy zal een betere kans maken geloofwaardig over te komen als hij het zelf ook gelooft. En ik moet iemand bij hem hebben die de ware situatie kent.’

‘Dat zou een van de cadetten —’

‘Meneer Renner, ga terug aan boord van de sloep van de MacArthur. En Staley, je kent je orders.’

‘Jawel, meneer.’

Renner vertrok, ziedend van woede.

Drie cadetten en een dozijn Mariniers hingen in speciale anti-schok-netten in de grote kajuit van de sloep van de Lenin. De burgers en de normale bemanning waren van boord, en nu maakte de boot zich los van de zwarte omvang van de Lenin.

‘Oké, Lafferty,’ zei Staley. ‘Breng ons aan stuurboord van de MacArthur. Als we niet onder vuur genomen worden ram je haar, en daarbij mik je op het tankgedeelte achter luchtdicht schot nummer honderdvijfentachtig.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Lafferty reageerde er niet merkbaar op. Hij was een grote zwaargebouwde kerel, een vlaktebewoner van Tafelblad, Zijn haar was asblond en heel kort en zijn gezicht was een en al vlakken en hoeken.

De netten waren berekend op het opvangen van grote schokken. De cadetten hingen erin als vliegen in een of ander monsterachtig spinneweb. Staley wierp een blik naar Whitbread. Whitbread keek naar Potter. Beiden wendden hun blikken af van de achter hen hangende Mariniers. ‘Oké. Vooruit maar,’ beval Staley. Met een loeiend geluid kwam de aandrijving tot leven.

Het werkelijk beschermende omhulsel van ieder oorlogsschip is het Langston-veld. Geen enkel stoffelijk voorwerp zou de verzengende hitte van fusieprojectielen en laserstralen van hoge energie kunnen weerstaan. Aangezien alles wat kans ziet door het Veld en het afweervuur van het schip heen te dringen, datgene wat zich daarachter bevindt tóch in stofdeeltjes en damp doet overgaan, is de romp van een oorlogsschip slechts een dunne huid. Die dunheid is echter maar betrekkelijk. Een schip moet stevig genoeg gebouwd zijn om tegen hoge acceleraties en schokken te kunnen.

Sommige compartimenten en tanks zijn echter bijzonder groot, en in theorie kunnen ze ingedrukt worden als je er maar met voldoende vaart tegenaan stoot. Maar in de praktijk… Voor zover Staley’s koortsachtig zoekende geheugen hem vertellen kon had nog niemand ooit een gevechtsgroep op een dergelijke manier aan boord van een schip gebracht. Toch stond het in het Handboek. Je kon wel degelijk aan boord van een buiten gevecht gesteld oorlogsschip waarvan het Veld nog intact was komen door het te rammen. Staley vroeg zich af welke verdomde idioot de eerste was geweest die dat geprobeerd had. De lange zwarte vlek die de MacArthur omsloot veranderde in een massieve zwarte muur, waarin zich niets zichtbaar bewoog. Toen kwam het schepvormige hitteschild van de sloep omhoog. Terwijl Horst over Lafferty’s schouder tuurde zag hij die zwarte vlek op het voorste beeldscherm groeien.

De sloep werd tegengehouden, teruggeduwd. Even een moment van intense koude toen ze door het Veld heendrongen, en toen het krijsende geknars van over elkaar schurend metaal. Ze kwamen tot stilstand. Staley gespte zijn anti-schokharnas los. ‘Vooruit, opschieten,’ beval hij. ‘Kelley, snij ons een weg door die tanks heen.’

‘Jawel, meneer.’ De Mariniers haastten zich langs hem heen naar voren. Twee van hen richtten een groot snijlaserapparaat op het verwrongen metaal dat eens de binnenwand van een waterstoftank geweest was. Er sleepten kabels achter het wapen aan, die terugliepen tot in het inwendige van de gehavende sloep.

De wand van de tank bezweek. Een deel ervan werd naar buiten geblazen en miste de Mariniers op een haar na. Met een fluitend geluid ontsnapte er nog meer lucht, en dode miniatuurtjes dwarrelden in het rond als herfstblaren.

Van de wanden aan de gangkant was niets meer te bekennen. Wat vroeger een aantal compartimenten was geweest was thans één grote ravage van weggesneden wanden en surrealistische machinerie, met overal dode miniatuurtjes. Ze schenen geen van allen ruimtepakken gehad te hebben.

‘Christus nog aan toe,’ mompelde Staley. ‘Oké, Kelley, maak voort met die ruimtepakken. Kom mee.’ Met grote sprongen ging hij hen voor over de puinhopen totdat hij bij de deur van het volgende luchtdichte compartiment kwam. ‘De andere kant staat onder druk, zie ik,’ zei hij. Hij stak de steker van de microfoon van zijn ruimtepak in het stopcontact van de communicatiedoos aan de wand. ‘Is daarbinnen iemand?’

‘Hier korporaal Hasner, meneer,’ antwoordde een stem prompt. ‘Wees voorzichtig daar, het wemelt in dat gedeelte van de miniatuurtjes.’

‘Nu niet meer,’ antwoordde Staley. ‘Hoe is de toestand daar bij jullie?’

‘Negen burgers zonder pakken, meneer. En van de mariniers zijn er nog drie in leven. We weten niet hoe we die wetenschapslui eruit moeten krijgen zonder pakken aan.’

‘Wij hebben pakken bij ons,’ zei Staley grimmig. ‘Kun je die burgers op de een of andere manier beschermen tot wij door deze deur heen kunnen komen? Wij bevinden ons aan deze kant in een vacuüm.’

‘God ja, meneer. Wacht u maar even.’ Er kwam een snorrend geluid. De instrumenten toonden aan dat de luchtdruk aan de andere kant van de deur in het luchtdichte schot geleidelijk aan wegviel. Toen draaiden de knevels langzaam rond. De deur ging open en onthulde een gepantserde figuur die aan de andere kant van het verbindingsgangetje in de deuropening van de onderofficierskantine stond. Achter Hasner stonden twee andere Mariniers, die hun wapens op Staley richtten toen hij binnenkwam. En daarachter — Staley’s adem stokte van verbazing. De burgers bevonden zich aan de andere kant van het compartiment. Ze droegen de gebruikelijke witte overals van het wetenschappelijk personeel. Staley herkende dr. Blevins, de dierenarts. De burgers stonden druk tegen elkaar te praten — ‘Maar er is geen lucht hier binnen!’ schreeuwde Staley.

‘Hier niet, meneer,’ zei Hasner. Hij wees. ‘Ze hebben daar een of andere doos die ’n soort gordijn maakt, meneer Staley. Lucht kan er niet doorheen, maar wij wel.’

Kelley gromde iets en bracht zijn sectie de kantine binnen. De ruimte-pakken werden de burgers toegeworpen.

Verwonderd schudde Staley het hoofd. ‘Kelly. Neem hier de leiding. Breng ze allemaal naar het voorschip — en neem die doos ook mee, als hij tenminste verplaatsbaar is!’

‘Hij is verplaatsbaar,’ zei Blevins. Hij sprak door de microfoon van de helm die Kelley hem had aangereikt, maar hij had de helm niet op. ‘Je kunt het ding aan- en afzetten, ook. Korporaal Hasner heeft een stel miniatuurtjes gedood die eraan zaten te prutsen.’

‘Mooi zo. We nemen het mee,’ zei Staley resoluut. ‘Vooruit, Kelley. Zorg dat er schot in komt.’

‘Meneer!’ Voorzichtig kwam de Sergeant-Marinier door de onzichtbare barrière gestapt. Hij moest er een beetje bij duwen. ‘Het lijkt op — het is misschien zo iets als het Veld, meneer Staley. Alleen niet zo dik.’

Staley maakte een grommend geluid diep in zijn keel en wenkte de andere cadetten bij zich. ‘De koffiepot,’ zei hij. Hij klonk alsof hij het nog steeds niet kon geloven. ‘Lafferty. Kruppman. Janowitz. Jullie komen met ons mee.’ Hij liep terug door het verbindingsgangetje naar de daarachter liggende ravage.

Aan de andere kant daarvan bevond zich een luchtdicht verbindingsgangetje tussen dubbele deuren, en Staley beduidde Whitbread dat hij de buitenste deur openen moest. De knevels lieten zich gemakkelijk ronddraaien, en gezamenlijk drongen ze in deze kleine luchtsluis bijeen om door het dikke glas in de hoofdverbindingsgang aan stuurboordzijde te turen.

‘Ziet er normaal genoeg uit,’ fluisterde Whitbread. En zo leek het ook. Ze gingen in twee afzonderlijke groepjes door de luchtsluis, en trokken zich aan de handvatten langs de wanden van de gang voort tot ze bij de ingang van de grote eetzaal voor de bemanning kwamen. Staley keek door het dikke glas van de deur in de kantine. ‘Godallemachtig!’

‘Wat zie je, Horst?’ vroeg Whitbread. Hij perste zijn helm tegen die van Staley aan om ook naar binnen te kunnen kijken. Er bevonden zich dozijnen miniatuurtjes in het compartiment. De meesten van hen waren gewapend met laserwapens, en… ze vuurden op elkaar. Het was een wanordelijk, onoverzichtelijk gevecht. Ieder miniatuurtje scheen tegen ieder ander te vechten, hoewel dat misschien alleen maar op het eerste gezicht zo leek. Er hing een rozige mist in het compartiment: bloed van Splinters. Dode en gewonde Splinters zweefden in het rond als in een krankzinnige dans, terwijl het vertrek voortdurend oplichtte met dunne blauwgroene lichtstralen. ‘Mij niet gezien daarbinnen,’ fluisterde Staley. Toen herinnerde hij zich dat hij via de radio in zijn ruimtepak sprak, en hij zijn stem verhief. ‘Daar zouden we nooit levend doorheen komen. Vergeet die koffiepot maar.’ Ze vervolgden hun tocht door de gang en zochten naar verdere menselijke overlevenden.

Die waren er niet. Staley leidde hen terug naar de kantine van de bemanning. ‘Kruppman,’ blafte hij. ‘Ga samen met Janowitz deze gang door en zorg ervoor dat de hele gang luchtledig wordt. Brand de wanden open, maak gebruik van granaten — kan niet schelen wat, maar schep een vacuüm hier. En als jullie daarmee klaar zijn, maken jullie als de donder dat je van boord komt.’

‘Tot uw orders, meneer.’ Toen de Mariniers om een hoek van de stalen gang verdwenen, verloren de cadetten ieder contact met hen. De radio’s in hun ruimtepakken functioneerden alleen maar binnen gezichtsafstand. Maar horen konden ze nog steeds. Het inwendige van de MacArthur was een en al geluid. Hoge, schelle kreten, geluiden van scheurend metaal, gezoem, gebrom — niets van dat alles klonk vertrouwd.

‘Tis ons schip nie meerr,’ mompelde Potter.

Plotseling, met een zware zucht, werd de lucht om hen heen weggezogen. De gang bevond zich in een vacuüm. Staley gooide een thermiet-granaat tegen de wand van de kantine en deed een paar stappen terug om de hoek. Een kortstondige lichtflits, en Staley rende alweer naar voren om met zijn handlaser op de nog nagloeiende plek op de wand te vuren. De anderen vuurden tegelijk met hem. De wand begon uit te puilen en barstte toen open. Met een gierend geluid ontsnapte de lucht de gang in, vergezeld door een wolk van dode Splinters. Staley draaide aan de knevels van de toegangsdeur, maar hij was niet open te krijgen. Met grimmige gezichten vuurden ze op de wand tot het gat groot genoeg was om erdoorheen te kruipen. Er waren geen levende miniatuurtjes meer te bekennen. ‘Waarom zouden we dat niet door het hele schip kunnen doen?’ wilde Whitbread weten. ‘We zouden het terug kunnen veroveren…’

‘Mogelijk,’ antwoordde Staley. ‘Lafferty. Grijp die koffiemachine en breng hem naar bakboord. Vooruit, wij zullen je dekken.’ De vlaktebewoner wuifde naar hen, nam een duik en zweefde de gang uit in dezelfde richting als die waarin de Mariniers verdwenen waren. ‘Zou ’t nie beterr zijn als we met ’m meegingen?’ vroeg Potter. ‘De torpedo,’ blafte Staley. ‘We moeten die torpedo nog tot ontploffing brengen.’

‘Maar Horst,’ stribbelde Whitbread tegen. ‘Kunnen we het schip niet terugvoeren? Ik heb nergens miniatuurtjes in ruimtepakken gezien!…’

‘Ze kunnen die magische luchtdrukgordijnen oprichten,’ bracht Staley hem in herinnering. ‘En trouwens, we hebben onze orders.’ Hij wees in de richting van het achterschip, en ze gingen hem voor. Nu er zich in het geheel geen mensen meer aan boord van de MacArthur bevonden maakten ze haast, zich een weg brandend door luchtdichte compartimenten en granaten werpend in de daarachter gelegen gangen. Potter en Whitbread huiverden van afschuw over de schade die ze het schip toebrachten. Hun wapens waren niet bedoeld om aan boord van een functionerend ruimtevaartuig gebruikt te worden. De torpedo’s waren al aangebracht: Staley en Whitbread hadden deel uitgemaakt van de werkploeg die ze aan weerszijden van de Veldgenerator aan het dek vastgelast hadden. Maar — de generator was spoorloos verdwenen. Waar hij gestaan had bevond zich nu nog slechts een holle ruimte.

Potter stak zijn hand uit om het tijdmechanisme van de torpedo in werking te stellen. ‘Wacht,’ beval Staley. Hij vond een contactdoos van een rechtstreekse draadverbinding met de intercom en stak de steker van zijn ruimtepak daarin. ‘Hallo, dit is cadet Horst Staley in het compartiment van de Veldgenerator. Hoort iemand mij?’

‘Jawel, meneer Staley,’ antwoordde een stem. ‘Een ogenblik, meneer, hier is de kap’tein.’ Even later kwam kapitein Blaine aan de lijn. Staley legde de situatie uit. ‘De Veldgenerator is verdwenen, meneer, maar het Veld is blijkbaar nog even sterk als het altijd geweest is…’ Het bleef lang stil aan de andere kant. Toen begon Blaine fel te vloeken, maar al spoedig bedwong hij zich. ‘U bent over tijd, meneer Staley. We hebben opdracht over vijf minuten de openingen in het Veld te sluiten en in de boten van de Lenin te gaan. Jullie komen er nooit op tijd uit, voordat de Lenin het vuur opent.’

‘Nee, meneer. Wat moeten we doen?’

Blaine aarzelde een ogenblik. ‘Ik zal de Admiraal daarover moeten laten beslissen. Blijf zolang waar je bent.’

Een plotselinge, gierende orkaan deed hen haastig dekking zoeken. Het werd weer stil, waarop Potter overbodig opmerkte: ‘D’rr is weerr drruk. Gindse Kabouterrtjes moeten de een of and’rre deurr gerreparreerrd hebben.’

‘Dan zullen ze weldra hier zijn.’ Whitbread vloekte. ‘De duivel hale ze, de rotzakken.’ Ze wachtten. ‘Waar blijft de kap’tein zo lang?’ vroeg Whitbread zich af. Niemand wist daar een antwoord op, en met de wapens in de hand hurkten ze gespannen neer, terwijl ze om hen heen de MacArthur weer tot leven hoorden komen. Haar nieuwe eigenaars naderden.

‘Ik ga hier niet weg zonder mijn cadetten,’ zei Rod tegen de Admiraal. ‘U bent er zeker van dat ze achterste luchtsluis aan bakboord niet kunnen bereiken?’ vroeg Kutuzov.

‘Niet binnen tien minuten, admiraal. De Kaboutertjes hebben dat deel van het schip volledig in hun bezit. Die jongens zouden die hele afstand voetje voor voetje vechtend moeten afleggen.’

‘Wat stelt u dan voor?’

‘Laat ze de reddingsbootjes gebruiken, meneer,’ opperde Rod hoopvol. Er bevonden zich reddingsbootjes op diverse plaatsen door het hele schip en een dozijn daarvan bevond zich op nog geen twintig meter afstand van het generatorcompartiment. In principe waren het vaste-brandstofmotoren met opblaasbare cabines, en ze waren alleen maar bedoeld om een schipbreukeling in staat te stellen een paar uur in leven te blijven wanneer zijn schip onherstelbaar beschadigd was — of op het punt stond in de lucht te vliegen. Zowel het een als het ander was een goede beschrijving van de toestand waarin de MacArthur zich op dit moment bevond.

‘De miniatuurtjes zouden wel eens recorders en zendapparatuur in reddingsbootjes ingebouwd kunnen hebben,’ zei Kutuzov. ‘Als een manier om grote Splinterwezens alle geheimen van MacArthur door te geven.” Hij richtte het woord tot iemand anders. ‘Houdt u dat voor mogelijk, aalmoezenier?’

Blaine hoorde aalmoezenier Hardy’s stem op de achtergrond. ‘Nee, meneer. Die miniatuurtjes zijn dieren. Die mening ben ik al die tijd al toegedaan geweest, de volwassen Splinters zeggen het ook, en die veronderstelling wordt door alle bewijzen ondersteund. Ze zouden daar alleen maar toe in staat zijn als het hun rechtstreeks bevolen werd — en, admiraal, als ze er zó op gebrand waren met de Splinters in verbinding te komen, kunt u er zeker van zijn dat ze dat allang gedaan hebben.’